zondag 19 januari 2020

Zondagochtendmuziek - Piano Sonata No. 30 in E Major, Op. 109: III. Gesangvoll, mit innigster ...

Straks naar levende zondagochtendmuziek, namelijk naarTivoliVredenburg, waar om 11:00 uur Alexandre Tharaud werk speelt van Debussy, Couperin, Hahn en Rameau.

Maar omdat het nu het Beethovenjaar is, luisteren we naar Tharauds uitvoering van het derde deel van Beethovens pianosonate no. 30 (opus 110). Dit is een van de late pianosonates, die Beethoven schreef in de maanden na het overlijden van zijn 'onsterfelijke geliefde' (en verre geliefde) Josephine. En in de tijd dat zijn doofheid al vrijwel totaal geweest moet zijn.

Biograaf Jan Caeyers (Beethoven. Een biografie, Bezige Bij, 2012) schrijft dat de speculatie dat deze sonate bedoeld zou zijn als een requiem voor Josephine gevoed wordt door het feit dat hij aan niemand is opgedragen.

Het derde deel is, weer volgens Caeyers (p. 521-2),  een van de meest eigenzinnige pianostukken die Beethoven heeft geschreven. Na drama, wanhoop en totale uitputting is er aan het eind "een wezensverandering, te vergelijken met een beeld dat een schilderij wordt. Geen transformatie dus, maar een transfiguratie. Niemand heeft voor Beethoven zoiets gedaan, en men is geneigd te geloven dat men doof moet zijn om zoiets onmogelijks te proberen."

vrijdag 17 januari 2020

Is zelfbewustzijn iets wat onze hersenen leren om te doen? - deel 3

Dat zelfbewustzijn iets is wat onze hersenen leren om te doen, is niet een gekke gedachte als je bedenkt dat leren en ergens wel of niet een besef van te hebben met elkaar in verband blijven staan ook nadat het zelfbewustzijn is ontwikkeld. Zie hier het vorige bericht.

De auteurs van Learning to be conscious illustreren dat met het voorbeeld van het effect van verworven expertise. Als je geen wijnkenner bent, kun je natuurlijk wijn proeven. Maar als je door vaak te proeven wijnkenner bent geworden, proef je, en heb je een besef van, allerlei smaakeffecten die je eerst niet had. Je hebt geleerd je ergens van bewust te zijn. In de trant van "O ja, nu proef ik kersen, dat had ik eerst niet door."

Andersom kun je iets ook zo goed geleerd hebben dat er een "automatische piloot" gaat werken, die maakt dat je je niet meer echt bewust bent van wat je doet.  Dat merk je bijvoorbeeld bij een fietstochtje over een bekend parcours als je je ineens realiseert dat je net een flink stuk van dat parcours hebt afgelegd waarvan je je niets kunt herinneren. Je hebt er geen bewustzijn bij gehad. Of je merkt het doordat die automatische piloot een foutje heeft gemaakt. Ik ging lang geleden eens met de auto naar mijn werk terwijl ik dat altijd op de fiets deed. Bij stoplichten links afslaand stuurde mijn automatische piloot mij het fietspad op. Na zo'n honderd meter drong dat tot mijn bewustzijn door, schrok ik en kon ik gelukkig snel de weg weer op.

Dat verband met leren wijst er op dat je naar zelfbewustzijn moet kijken in het kader van de aanpassing aan de omgeving. Voor die aanpassing hebben je hersenen informatie over die omgeving nodig, voor de verwerking waarvan niet per se bewustzijn nodig is. Ook voor je bewustzijn was "doorgebroken" toen je bijna twee jaar was, had je al leren lopen. En een stukje fietsen op de automatische piloot blijkt heel goed te kunnen.

In termen van de auteurs gaat het om de tussenliggende afbeeldingen van de werkelijkheid, dus tussen die van het onbewuste leren en die van de automatische piloot, waar we ons expliciet van bewust zijn en die in het kader staan van de bewuste controle over ons gedrag.

Bewustzijn houdt dus in dat we een afbeelding tot onze beschikking hebben (een meta-afbeelding) van een afbeelding van de werkelijkheid die we door waarneming en ons eigen gedrag onbewust geleerd hebben. De auteurs illustreren dat met de volgende twee plaatjes.


Links zien we hoe het ontstaan van zo'n meta-afbeelding er uit zou kunnen zien. In het blauwe vak leren de hersenen een onbewust afbeelding van de werkelijkheid te maken. Je ziet wat, je loopt er om heen of je manipuleert het en die informatie verwerk je tot een afbeelding. Alles nog onbewust. En alles in het kader van de succesvolle aanpassing aan de omgeving, waarbij het noodzakelijk is om de wereld te kennen. Om te weten waar je je op welk moment het beste kunt bevinden. Om te weten of de situatie veilig dan wel gevaarlijk is. En dus om te weten wat je moet doen.

Van die afbeelding ontstaat een meta-afbeelding, het bruine vak. Rechts zie je hoe de opstapeling van zulke afbeeldingen en meta-afbeeldingen door de tijd heen met elkaar gaan samenhangen, geïntegreerd worden, tot een globale werkruimte, een beeld van jezelf in de wereld.

Merk op dat er in het linker plaatje boven langs een lus loopt die self-other loop genoemd wordt. En die is essentieel in het gehele proces. Want die interactie met anderen leidt er toe dat je een afbeelding kunt maken van iemand zoals jij zelf, van een "ik" die model kan staan voor jouw "ik". En van waaruit je naar jezelf kunt kijken. Met als uitkomst jouw zelfbewustzijn. Hier een wat langer citaat:
This third, ‘self–other loop’, we argue, is the scaffolding that makes it possible for an agent to redescribe its own activity to itself [92]; for now it is endowed with an (implicit, unconscious, enactive, embodied) internal model of what it takes to be an agent [93], precisely what social theories of consciousness have proposed [19., 20., 21.]. This proposal is supported by the hypothesis that theory of mind [94,95] can be understood as rooted in the very same mechanisms of predictive redescriptions as involved when interacting with the world or with oneself [18]. Rather than seeing such redescriptions as internally generated, qualitatively different representations of discrete knowledge about the world, the ‘social’ redescription is an ongoing learning process driven by increasingly complex interactive contexts [96], such as when moving from dyadic to triadic interaction, for instance [97]. Social context as a driving force for learning has, indeed, been recognized in language learning [98], child development [99], and social cognition [100].
Thus, something unique happens when a developing agent has models of itself available to it [18] in the form of other agents, of which it can infer the unobservable internal states merely by interacting with them [101,102]. Selves are thus embodied, virtual, and transparent renditions of the underlying biological machinery [103] that produces them and emerge progressively over development as a mandatory consequence of dynamic interactions with other agents [19,92]. (…)
In this light, the social world is thus instrumental in generating conscious experience, for something special happens when we try to build a model of the internal, unobservable states of agents that are just like ourselves [16,17].
De auteurs hebben het niet over spiegelneuronen, maar het bestaan ervan lijkt me in deze weergave onmisbaar. Zie het bericht Spiegelneuronen, nadenken en intuïtie.

Dat zelfbewustzijn ontstaat in en door sociale interactie is te begrijpen als een extra stap in de aanpassing aan de omgeving. Ten behoeve van die aanpassing moeten we de wereld leren kennen en begrijpen. Dus voortdurend onze eerste orde afbeeldingen bijstellen en verbeteren. Dat lukt extra goed als we via onze tweede orde afbeeldingen, ons besef van dat we iets denken te weten, met anderen kunnen communiceren. Om zo wat we denken te weten te kunnen checken aan wat anderen denken te weten.

Dat was in het verleden nodig om goed te kunnen samenwerken. En dat was nodig om te kunnen overleven.

En het was ook de grondslag waarop cultuur kon ontstaan. En wetenschap.

woensdag 15 januari 2020

Is zelfbewustzijn iets wat onze hersenen leren om te doen? - deel 2

Wat gebeurt er na onze geboorte dat maakt dat we ergens aan het eind van ons tweede levensjaar zelfbewustzijn hebben ontwikkeld? Volgens de studie Learning to be conscious leren onze hersenen gedurende die periode om zich van zichzelf bewust te zijn. Zie hier het vorige bericht.

Als je je van jezelf bewust bent, dan neem je niet alleen jezelf en je omgeving waar, maar je hebt er ook een besef van dat je dat doet. In termen van de auteurs van die studie houdt zelfbewustzijn in dat je in staat bent om een afbeelding tot je beschikking te hebben van een toestand buiten jezelf (een eerste orde representatie) en daarbovenop een afbeelding van het gegeven dat je die afbeelding tot je beschikking hebt (een tweede orde representatie).

Zoals in het bericht Het ontstaan van zelfbewustzijn bij kinderen en de vroegste herinnering omschreven als "Als je dit leest, ben je in staat om het besef te hebben "ik lees dit"".

Wat houdt "ik" precies in? Ik zocht het nog even op bij Antonio Damasio in zijn Het zelf wordt zich bewust. Hersenen, bewustzijn, ik. Damasio maakt het onderscheid tussen het kernbewustzijn en het uitgebreid of biografisch bewustzijn, die in reikwijdte verschillen (p. 195-6):
Minimale reikwijdte geeft ruimte aan een zelfbesef waarbij je bijvoorbeeld thuis een kop koffie drinkt en je niet druk maakt over de herkomst van het kopje of de koffie, of over je hartslag, of over wat je vandaag moet doen. Je bent rustig aanwezig in het moment.
Dan gaat het om het bewustzijn van minimale reikwijdte, het besef van het 'hier-en-nu'. Dit kernbewustzijn "gaat over een persoon zijn, maar niet noodzakelijk over identiteit."
Vergelijk dat eens met net zo'n kop koffie drinken in een restaurant waar je hebt afgesproken met je broer die over de erfenis van je ouders wil praten, en over hoe je halfzuster, die een beetje vreemd doet, moet worden benaderd. Je bent nog steeds zeer aanwezig en 'in het moment' (…), maar nu wordt je ook beurtelings meegenomen naar talrijke andere plaatsen, met veel andere mensen én je broer (…). Fragmenten van hoe je leven is geweest stelt je geheugen snel ter beschikking, en fragmenten van hoe je leven al dan niet zou kunnen worden, zoals je je dat vroeger hebt voorgesteld of zoals je dat nu doet, maken ook deel uit van dit ervaringsmoment. Je bent in alle opzichten druk bezig met talrijke perioden van je leven, voorbije en toekomstige. Maar jij, dat wil zeggen, het mij in jou, verdwijnt nooit uit zicht.
Daar hebben we te maken met het uitgebreide of autobiografische bewustzijn, wat niet alleen gaat over een persoon zijn, maar ook over het autobiografische zelf.

De auteurs van die studie Learning to be conscious maken dit onderscheid niet, maar ik denk dat ze het in de eerste plaats hebben over het kernbewustzijn. Want als je als bijna tweejarige voor het eerst je van jezelf bewust bent, dan kan er niet veel meer zijn dan dat aanwezig zijn in het moment. Het hier en nu. Later, en op basis daarvan, groeit het uitgebreide of autobiografische bewustzijn.

Ik denk even aan mijn vroegste herinnering, toen mijn iets oudere nichtje mij vertelde dat "ze (mijn moeder en mijn tante) het over jou hebben". Dat zou wel eens het moment geweest kunnen zijn dat mijn zelfbewustzijn doorbrak.

Maar dat moet dan het kernbewustzijn geweest zijn. Ik besefte dat ik een persoon was. En ik besefte wat er gebeurde. Maar ik was in dat moment. Er was nog geen identiteit en geen autobiografie, maar die konden wel vanaf dat moment worden opgebouwd.

Daarna is het nog wel mogelijk dat alleen dat kernbewustzijn aanwezig is, dat je rustig aanwezig bent in het moment. Maar dat lijkt een niet-alledaagse toestand, waar mensen misschien wel een mindfulness training voor nodig hebben.

Daarvoor zijn dus onze hersenen bezig met een leerproces dat er in uitmondt dat op een gegeven moment dat kernbewustzijn er is. Daarover meer in het volgende bericht.

dinsdag 14 januari 2020

Is zelfbewustzijn iets wat onze hersenen leren om te doen? - deel 1

Wat speelde er zich allemaal precies af gedurende de evolutionaire ontwikkeling van de eerste dieren, dus organismen die zichzelf kunnen voortbewegen, naar het ontstaan van het vermogen tot zelfbewustzijn, zoals bij mensen?

Die intrigerende en veelomvattende vraag kwam bij me op toen ik het net verschenen Learning to Be Conscious onder ogen kreeg.

We weten dat de eerste zichzelf voortbewegende organismen, dieren dus, meteen voor de uitdaging kwamen te staan om uit te vinden waar ze zichzelf op welk moment het beste konden bevinden. Met het oog op hun voortbestaan en hun voortplanting. Met het gegeven dat de omgeving heterogeen is naar gunstige en ongunstige eigenschappen.

"Gunstig" staat voor veiligheid en "ongunstig" voor gevaar. En omdat organismen energie nodig hebben, dus voedsel, concurreren ze met elkaar in het verkrijgen van toegang tot energie Naast de concurrentie in de toegang tot voortplantingsmogelijkheden. Bovendien zijn ze ook zelf een bron van energie, dus een mogelijke prooi, voor anderen.

Daardoor ontwikkelde zich bij dieren een zenuwstelsel dat voortdurend op basis van informatie vanuit de zintuigen over de omgeving risico's beoordeelt. Stephen W. Porges noemt dat neuroceptie: een onderbewust systeem voor de detectie van gevaar en veiligheid (p. 37-8):
In het erfelijk materiaal van onze soort ligt een onbewust proces van neuroceptie besloten dat plaatsvindt in primitieve delen van onze hersenen. De inschatting van een persoon als veilig of gevaarlijk leidt tot prosociaal of defensief gedrag. Dat gebeurt via een neurobiologisch proces. Hoewel we op cognitief niveau misschien niet bewust gevaar detecteren, kan ons lichaam op neurofysiologisch niveau al een reeks neurale processen zijn gestart ter voorbereiding op bepaald adaptief verdedigingsgedrag zoals vechten, vluchten of bevriezen.
Dat proces van het detecteren van gevaar en veiligheid heeft natuurlijk een input nodig van ervaring met de omgeving, waardoor informatie binnenkomt in de vorm van signalen die met gevaarlijke dan wel veilige situaties in verband blijken te staan. Dat begint uiteraard vanaf de geboorte. En het allereerste signaal voor veiligheid is de mate van vertrouwdheid van de omgeving.

Zolang je je immers ergens bevindt en nog in leven bent, is kennelijk de plaats waar je je bevindt een veilige plek. Vandaar dat de eerste diervormen, de ediacarische biota, waarschijnlijk op weg waren naar waar ze vandaan kwamen. Zoals bleek uit het bericht Ontstond de hang naar vertrouwdheid op het moment in de evolutie dat levende wezens zich gingen voortbewegen?

Inherent aan het je kunnen voortbewegen is dus het vermogen tot waarneming van de omgeving. En van de veranderingen daarin. Maar als je die veranderingen waarneemt, is het wel zaak om die te kunnen onderscheiden van de veranderingen die jij met jouw voortbeweging en gedrag zelf teweegbrengt. Je moet een besef hebben van je eigen lichaam en daarmee van de effecten van je gedrag op de omgeving. Zie het bericht Wat was er voor we ons zelfbewustzijn hadden ontwikkeld? Over het "besef" van het eigen lichaam

Wat ook meteen de grondslag is voor je vermogen om te leren. Het besef van het eigen lichaam behelst het vermogen om je eigen gedrag als zodanig te herkennen en daarmee ook de effecten van je gedrag. Effecten op de omgeving, maar ook op je eigen lichaam, al was het maar ter voorkoming van zelfbeschadiging.

Het besef van wat je teweegbrengt. Met meteen dus het vermogen om te beoordelen of het effect bijdraagt tot jouw veiligheid of juist het gevaar vergroot. Ben ik op de goede weg? Of juist niet? Vragen die een organisme ook zonder zelfbewustzijn kan beantwoorden.

Je zou kunnen zeggen dat dat besef van het eigen lichaam een eerste stap is op weg naar zelfbewustzijn. Dat wil zeggen naar het vermogen van mensenkinderen om laat in het tweede levensjaar ineens dat zelf bewustzijn te hebben. 

Maar wat zit daar allemaal tussen in? Volgens dat artikel waar ik in het begin van dit bericht naar linkte (Learning to Be Conscious) is zelfbewustzijn een proces dat onze hersenen, in die bijna twee jaar, leren om te doen:
consciousness is something that the brain learns to do, by which we mean to suggest that phenomenal experience, rather than being an intrinsic property of some patterns of neural activation, should instead be viewed as the product of active, plasticity-driven mechanisms through which the brain learns to redescribe its own activity to itself.
Dat is een intrigerende gedachte. In een volgend bericht een poging om daar meer helderheid over te krijgen. Zie hier dat volgende bericht.

zondag 12 januari 2020

Zondagochtendmuziek - Bruckner Symphony No 9 in D minor Philippe Herreweghe Orchestre Champs E...

Op VRTNU kun je een marathoninterview met Phillipe Herreweghe bekijken (wel registreren). Van A tot Z, maar ik ben nog maar tot de D van Dirigeren gekomen. Maar al geleerd over zijn afkeer van de barok ("een leegte in de muziekgeschiedenis"), met enkele uitzonderingen, zoals uiteraard Bach.

En over zijn grote liefde voor de muziek van Anton Bruckner (1824 - 1896). Muziek waar voor hij graag meer aandacht zou willen hebben: "als er maar tien mensen zijn die Bruckner niet zouden kennen en er nu toch naar zouden gaan luisteren, dan is mijn doel bereikt". Zijn eerste kennismaking met Bruckner dateert van toen hij als tienjarige met zijn moeder in Gent die muziek hoorde uitvoeren door het Concertgebouworkest onder leiding van Bernard Haitink.

En hij was overweldigd. "Ik denk dat dat niet zoveel voorkomt, kleine jongetjes die van Bruckner houden." Hoe dat kon? Onder de B van Bruckner probeert Herreweghe dat uit te leggen.  Bruckner als een soort meteoriet uit de middeleeuwen, uit de tijd dat muziek nog niet ging over woorden en de bijbehorende emoties, maar over, ja, over niets.

Herreweghe is niet alleen een heel goede dirigent, maar ook een boeiende verteller. Ik hang aan zijn lippen en maak zeker het alfabet af.

En dus ook weer eens luisteren naar Bruckner. Eerder kwam zijn zevende symfonie langs. Nu de negende, uitgevoerd door het Orchestre Champs Elysées en Collegium Vocale Gent, uiteraard onder leiding van Phillipe Herreweghe.

vrijdag 10 januari 2020

Wapenbezit onder jongeren, waar we ons zorgen over maken, is een uitvloeisel van de statuscompetitie, waar we ons geen zorgen over maken.

Er lijkt een toename te zijn van het aantal steekincidenten onder jongeren. Zie de recente berichten
Jongeren met messen over straat, burgemeesters maken zich zorgen en Drachten huilt: ‘Waarom hebben jongeren messen in hun zakken?’

Die incidenten, en die berichten, bevestigen een vermoeden dat al langer bestaat, namelijk dat het onder jongeren een trend is om een mes bij zich te dragen. Niet een gewoon zakmes om een appeltje te kunnen schillen, maar een steekwapen. Zoals op de foto die je ziet in dat tweede bericht. Wapens waarvan je je afvraagt hoe het kan dat ze zomaar verkocht kunnen worden.

Als het inderdaad zo is dat meer jongeren een mes, of een "steekwapen", bij zich dragen, dan zou dat kunnen duiden op een toename van statuscompetitie tussen hen. Het zou dan gaan om een verschijningsvorm van de statuscompetitie, zoals het pesten, waarvan we ook denken dat het is toegenomen.

En net zoals met het pesten, kun je dan op het idee komen dat het erdoor wordt bevorderd doordat jongeren buiten het eigen gezin veel tijd doorbrengen onder uitsluitend leeftijdsgenoten. Want we weten dat die kunstmatige sociale omgeving gemakkelijk statuscompetitie uitlokt. (Zie hier het bericht met een kleine inventarisatie van verschijningsvormen van statuscompetitie.)

Wapenbezit valt als een gevolg van statuscompetitie onder jongeren te verwachten, omdat die doorgaans plaats vindt als intimidatiepogingen niet alleen door middel van verbale, maar ook fysieke agressie. En dan gaan verschillen in fysieke kracht en behendigheid een rol spelen. Een bully kan dan zijn gang gaan en een zwakkeling delft het onderspit.

Dat is precies de situatie die leidt tot de vraag naar wapens. Want ook een bullebak wordt kwetsbaar als zijn slachtoffers een wapen bij zich zouden kunnen dragen. Denk aan de rol die wapens (stokken, speren, stenen) gespeeld kunnen hebben, als de grote gelijkmaker, bij het onderdrukken van de statuscompetitie en dus het bevorderen van samenwerken en delen onder jagers-verzamelaars. Zie
De oorsprong van ons pro-sociale gedrag: grote hersenen en wapens.

We maken ons zorgen om het wapenbezit onder jongeren, maar dat is een te verwachten en "natuurlijk" uitvloeisel van de statuscompetitie onder jongeren. De statuscompetitie waar we ons geen zorgen over maken, ja, die we zelfs bevorderen door jongeren zo uitsluitend te laten opgroeien onder leeftijdsgenoten.

woensdag 8 januari 2020

Mensen die meer streven naar succes en status zijn meer tevreden met zichzelf. Dat is het narcisme-element van de statuscompetitie

Een sociaalwetenschappelijke onderzoekslijn die ondersteunend is voor Stelling 1 van de Dual Mode-theorie is die naar agency en communion als de twee fundamentele patronen van het menselijke sociale gedrag. Even ter recapitulatie, die Stelling 1 luidt als volgt:
In hun sociale gedrag (d.i. gedrag ten opzichte van anderen) zijn er twee aan elkaar tegengestelde bundels van gedragspatronen die mensen vaak onbewust en ongepland Zie verder het bericht Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? En over wat de Dual Mode-theorie te bieden heeft- deel 1.
Die agency - communion onderzoekslijn begon in 1966, toen David Bakan het essay
The duality of human existence: An essay on psychology and religion schreef. Agency is het gedragspatroon dat er op gericht is om de omgeving te controleren, om zichzelf te doen gelden en om zich competent, succesvol en machtig te voelen. Daartegenover is het patroon van communion op verbondenheid en samenwerking met anderen gericht en daarmee op het zich onderdeel voelen van een groep.

Er is een duidelijke overlap met het onderscheid tussen het statuscompetitiepatroon en het het gemeenschapspatroon, hoewel het competitie-element en speciaal de meer kwaadaardige kanten daarvan in agency in de omschrijving en in de operationaliseringen in het onderzoek vaak wat impliciet blijft. Misschien hangt dat laatste samen met de blinde vlek die de sociale wetenschappen lijken te hebben voor de kwaadaardige kant van de menselijke sociale natuur.

In het onderzoek naar agency en communion is vooral gekeken naar andere persoonskenmerken die samenhangen met verschillen tussen mensen in het zichzelf meer zien als agentic dan wel meer als communal. Zo blijkt bijvoorbeeld, zoals verwacht, dat mensen die meer neigen tot agency andere mensen vooral beoordelen in termen van hoge of lage status. Zie verder Agency and communion attributes in adults’ spontaneous self-representations voor een beknopt overzicht van het onderzoek tot 2004. Onderzoek naar de samenhang tussen het meer aanhangen van het ene dan wel het andere gedragspatroon en de aard van iemands sociale omgeving, zoals verwacht in Stelling 2 van de Dual Mode-theorie, ben ik nog niet tegengekomen.

Uit de nieuwe studie Comparing the facets of the big two in global evaluation of self versus other people komt naar voren dat mensen die zichzelf zien als meer agentic, ook degenen zijn die het meest tevrden zijn met zichzelf (global self-evaluation). Dit geldt in het bijzonder voor hen die zichzelf als meer assertief zien. Dat slaat op een van de twee facetten van agency. Het andere facet is competentie. Die assertiviteit gaat meer de kant op van statuscompetitie en met het streven naar succes en status.

De onderzoekers speculeren erover waar dit verband vandaan zou kunnen komen. Het zou kunnen dat mensen die meer streven naar status en succes ook meer status en succes weten te verwerven en daardoor meer tevreden zijn over zichzelf.

Maar eigenlijk ligt het meer voor de hand te denken dat het meer tevreden zijn met jezelf staat voor het narcisme-element van de geneigdheid tot statuscompetitie. De neiging tot het verdelen van de sociale wereld in winners en losers gaat meestal samen met het jezelf zien als behorend tot de winners. En met het neerkijken op anderen. En met het vinden dat jou meer toekomt dan anderen.

Tevreden zijn met jezelf heeft dan de vorm van agentic self-enhancement. Zoals in het bericht
Zelfverheffing is goed voor je, maar niet als het de narcistische variant is. Waaruit naar voren komt dat het in die zin tevreden zijn met jezelf, dus in de zin van superioriteitsgevoel, niet zo goed is voor je welbevinden. Omdat je er geen vrienden mee maakt.

dinsdag 7 januari 2020

Het gemeenschapsevenwicht en het Joodse begrip Arvut - Over de actualiteit van een tekst uit de Kabbalah

Mensen hebben als jagers-verzamelaars kunnen overleven, ja, zich zelfs over de continenten kunnen verspreiden, doordat ze in staat waren tot samenwerken en delen. Daarvoor was onderdrukking van de neiging tot statuscompetitie nodig. Dat lukte doordat er in die lange periode, bij benadering 98 procent van de duur van de mensheidsgeschiedenis tot nu toe, een selectie plaats vond op de ontwikkeling van de morele gemeenschapsintuïties. Aangevuld met de actieve selectie tegen statuscompetitiegedrag door middel van collectieve, zo nodig gewelddadige, sanctionering van dat gedrag.

Die unieke evolutionaire achtergrond vergroot het inzicht in hoe wij in onze huidige maatschappij samenleven. Want kenmerkend daarvoor is dat wij enerzijds nog steeds zijn toegerust met die morele gemeenschapsintuïties, maar anderzijds dat we sinds de overgang naar landbouw moeilijker onze eigen en elkaars neiging tot statuscompetitie kunnen onderdrukken.

Waardoor we in die ingewikkelde situatie zijn beland dat we met zijn allen zowel in een gemeenschapsevenwicht terecht kunnen komen als in een statuscompetitie-evenwicht. Zie het bericht
Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? En over wat de Dual Mode-theorie te bieden heeft - deel 2.Waarbij alles er op wijst dat mensen beter zouden gedijen in een gemeenschapsevenwicht dan in een statuscompetitie-evenwicht.

Nu zijn die twee evenwichten slechts theoretische constructies, omdat maatschappelijke toestanden, nogmaals, sinds de overgang naar landbouw, zowel gemeenschapsgedrag als statuscompetitie kennen.

Maar een veelheid van onderzoek laat zien dat mensen die meer gemeenschapsgedrag vertonen, waarschijnlijk mede doordat ze zich hebben weten te omringen met anderen die hetzelfde doen, daarvan profiteren met een zinvoller leven, een betere gezondheid en zelfs een hogere levensverwachting. Recent onderzoek in dat verband kwam ter sprake in het bericht
Door het volgen van de natuurlijke neiging tot zorgverlening leven mensen langer - nieuwe aanwijzingen.

Moos van Maris had op dat bericht een interessante reactie (zie onderaan dat bericht), met een verwijzing naar het Joodse begrip Arvut, dat staat voor wederzijdse verantwoordelijkheid. En een verwijzing naar een tekst uit de Kabbalah waarin dat wordt uitgelegd.

Daarin kom je een fraaie beschrijving tegen van wat ik een gemeenschapsevenwicht noem:
Because the Torah was not given to them before each and every one from Israel was asked if he agreed to take upon himself the Mitzva (precept) of loving others in the full measure, expressed in the words: “Love thy friend as thyself” (as explained in Items 2 and 3, examine it thoroughly there). This means that each and every one in Israel would take it upon himself to care and work for each member of the nation, and to satisfy all their every needs, no less than the measure imprinted in him to care for his own needs.
En dus ook de bepaling dat het bestaan van dat gemeenschapsevenwicht als voorwaarde gold voor het ontvangen van de Torah, met zijn (vele) geboden en verboden. Met als achterliggende gedachte dat die verboden en geboden op zich niet afdoende zijn. Er dient die bodem van wederzijdse verantwoordelijkheid te bestaan.

Fascinerend aan de tekst die daarop volgt is dat de problemen worden besproken van het leven in een maatschappij waarin dat gemeenschapsevenwicht, de Arvut, (nog) niet is bereikt. Een maatschappij die dus "onzuiver" is. Want:
It turns out that even after the reception of the Torah, if a handful from Israel betray and return to the filth of self-love, without consideration of their friends, that same amount of need that is put in the hands of those few would burden Israel with the need to provide for it themselves.
This is because those few will not pity them at all; hence, the fulfillment of the Mitzva of loving one’s friend will be prevented from the whole of Israel. Thus, these rebels cause those who keep the Torah to remain in their filth of self-love, for they will not be able to engage in the Mitzva, “Love thy friend as thyself,” and complete their love for others without their help.
As a result, all of Israel are responsible for one another, both on the positive side and on the negative side. On the positive side, if they keep the Arvut until each cares and satisfies the needs of his friends, they can fully keep the Torah and Mitzvot, meaning bring contentment to their Maker (Item 13). And on the negative side, if a part of the nation does not want to keep the Arvut, but rather chooses to wallow in self-love, they cause the rest of the nation to remain immersed in their filth and lowliness without ever finding a way out of their filth.
Het taalgebruik komt over als "gedateerd", maar het gaat over niets anders dan het ook nu nog heersende conflict tussen onze morele gemeenschapsintuïties en onze neigingen tot statuscompetitie.

zondag 5 januari 2020

Zondagochtendmuziek - Franz Schubert: Der Hirt auf dem Felsen - Anna Lucia Richter/Ensemble de...

Is muziek het grootste geheim dat de mensheid met zich mee draagt? Dat wij muziek kennen, moet er mee te maken hebben dat het coöperatief grootbrengen van de kinderen essentieel was voor onze evolutie. In dat verband ontwikkelden we onze grote communicatieve vaardigheden. Gebaren, hoofdbewegingen en daarop voortbordurend vocalisatie. De menselijke stem, die waarschijnlijk eerst muziek voortbracht en toen taal.

Die essentiële rol van muziek in het menselijk bestaan komt aan de orde in hoofdstuk 17 (Muziektherapie, trauma en de polyvagaaltheorie) van Stephen W. Porges, De Polyvagaaltheorie. De neurofysiologische basis van emotie, gehechtheid, communicatie, zelfregulatie.

Volgens die theorie functioneert ons zenuwstelsel als een schildwacht door voortdurend risico's in onze omgeving te beoordelen. We zijn er op ingesteld om meestal onbewust (neuroceptie) op te merken hoe veilig of gevaarlijk, of zelfs levensbedreigend, onze omgeving is.

Daarbij spelen geluiden een rol. Laagfrequente geluiden wijzen op gevaar. Denk aan hoe onze huisdieren, maar dus ook wijzelf, reageren op knalvuurwerk.

Daarentegen ervaren we de akoestische frequentiebanden van de menselijke stem doorgaans als wijzend op een toestand van veiligheid. Waarschijnlijk doordat we met die stem vertrouwd zijn, omdat we die al in de baarmoeder hoorden en omdat we na de geboorte er mee in slaap werden gezongen.

Dat wijst er op dat muziektherapie mensen kan helpen die een sociaal trauma hebben opgelopen. Als je op jonge leeftijd bent mishandeld of misbruikt, dan heb je aangeleerd dat de menselijke stem juist niet wijst op veiligheid, maar op gevaar. Dus ook de menselijke stem van de therapeut, die er op uit is om je te helpen, maar je vertrouwt het niet.

Het luisteren naar muziek, in het bijzonder naar melodieën, omdat die zich meestal bevinden in de frequentieband van de menselijke stem, kan dan een gunstig effect hebben. Dat ligt eraan dat de kalmerende werking ervan niet wordt gehinderd door het bedreigende face to face contact. Door het luisteren naar melodieën vertraagt onze hartslag, voelen we ons veiliger en komen we meer open te staan voor sociale interactie. Ons sociale betrokkenheidssysteem krijgt een kans. Porges (p. 368):
Pogingen om een getraumatiseerde persoon sociaal te betrekken in plaats van te kalmeren, kunnen leiden tot defensieve strategieën van verzet en woede. Levensbedreiging activeert een zeer oud zenuwnetwerk dat het sociale betrokkenheidsgedrag sterk beperkt en de neuroceptie kan vervormen, wat kan resulteren in een valse detectie van risico's. De behandeling van trauma vereist dus een nieuw model dat zich onderscheidt van de traditionele psychotherapeutische strategieën van een face to face tweegesprek om de kalme toestand die samenhangt met het sociale betrokkenheidssysteem weer op gang te brengen. Muziek en muziektherapie kunnen een alternatieve entree naar het sociale betrokkenheidssysteem bieden.
Bij melodieën moet ik vooral denken aan de muziek van Franz Schubert. Je kunt denk ik wel zeggen dat die ons sociale betrokkenheidssysteem aanspreken. Met natuurlijk als dubbele bodem dat het bij Schubert eigenlijk altijd gaat om het verlangen naar die betrokkenheid, meer dan om die betrokkenheid zelf.

Neem nu Der Hirt auf den Felsen D965. Hier zo prachtig gezongen door Anna Lucia Richter, begeleid door  Blaž Šparovec, klarinet en Nicholas Rimmer, piano.

donderdag 2 januari 2020

Nu, in 2020, kun je wel zeggen dat het niet zo goed is afgelopen. We hadden beter naar Kenneth Boulding moeten luisteren.

Waar waren we ook al weer gebleven in de terugblik op de discussie die Kenneth Boulding op 6 mei 1965 in Chicago voerde met Milton Friedman? (Lees hier het vorige bericht.)

Boulding maakte gebruik van zijn gewone mensenverstand en bracht naar voren dat je in onze huidige maatschappij naast het domein ("ordeningsprincipe") van de ruil, dus van de markt, ook de domeinen van de bedreiging/dwang en van de integratie kunt onderscheiden. En dat in een wenselijke maatschappelijke ordening die domeinen van bedreiging/dwang en ruil dienen te zijn ingekaderd in het integratiedomein.

Dat integratiedomein omschrijft hij al improviserend als "an enormous package of religion, ethics, love, security and all this great big ball of wax which I call the integrative system." Ik wees al op de overeenkomst met wat ik het domein van het gemeenschapsgedrag noem. Net zo is er de overeenkomst van bedreiging/dwang met de statuscompetitie.

Merk nog eens op dat daar de academisch-gekunstelde visie van Friedman tegenover staat, die inhoudt dat (1) het integratiedomein beperkt wordt en beperkt dient te worden tot de relaties tussen naasten (familie, vrienden) en (2) het domein van de bedreiging/dwang nagenoeg kan worden verwaarloosd, omdat de markt immers, als enige, zorgt voor vrijheid. Een opvatting die inderdaad het gewone mensenverstand terzijde schuift.

Maar tegelijkertijd ook een opvatting die als zogenaamd wetenschappelijke rechtvaardiging kon dienen voor de maatschappelijke ideologie van het neoliberalisme. Die de weldadigheid van de onbelemmerde marktwerking kon prediken als dekmantel voor degenen die belang hadden bij groeiende ongelijkheid en dus van bedreiging, dwang en uitbuiting. De markt als ogenschijnlijk onschuldige weg naar een maatschappij waarin statuscompetitie en statushiërarchie domineren.

Wat betekent het om daarin niet mee te gaan? Om met Boulding (en het gewone mensenverstand) in te zien dat in een wenselijke maatschappij de domeinen van bedreiging/dwang en van ruil moeten zijn ingekaderd in het integratiedomein?

Boulding is daar heel duidelijk over. In de huidige maatschappij dient het integratiedomein vorm te krijgen in de verzorgingsstaat. Want de verzorgingsstaat representeert
an expansion of the integrative system in the sense that it involves the responsibility of each for all. This is an element in human life and in human motivation that cannot be denied and cannot be neglected.
Anders gezegd, zonder de verzorgingsstaat als collectieve poging om de morele intuïties van het gemeenschapsgedrag (verantwoordelijkheid van ieder voor allen) vorm te geven, loopt het niet goed af.

Boulding zag dat in. in 1965. Maar vervolgens liepen de meesten achter Friedman aan.

Nu, in 2020, kun je wel zeggen dat het besef is doorgedrongen dat het inderdaad niet zo goed is afgelopen. De verzorgingsstaten zijn in veel landen zozeer uitgekleed ("hervormd") dat de bestaansonzekerheid voor grote delen van de bevolking sterk is toegenomen.

En die ontkenning en verwaarlozing van de gemeenschapsintuïties blijft niet zonder gevolgen. De evenzeer menselijke neigingen tot statuscompetitie en dus tot "ieder voor zich" en minachting voor en vernedering van de zwakkeren krijgen er ruim baan door. Bestaansonzekerheid schept rechtsextremistisch populisme.

We hadden kortom beter naar Kenneth Boulding moeten luisteren. Lees hier het volgende bericht: Over waar Boulding en Friedman in 1965 hun mens- en maatschappijvisies vandaan haalden.