Posts tonen met het label zelfbewustzijn. Alle posts tonen
Posts tonen met het label zelfbewustzijn. Alle posts tonen

zaterdag 22 augustus 2026

Liever praten dan luisteren - Een sociaalwetenschappelijk zicht op het probleem dat we te weinig luisteren

Laten we het weer eens over luisteren hebben. Ik had het daar eerder over in  Door elkaar heen praten als verschijningsvorm van de statuscompetitie en In een gemeenschapsrelatie luister je naar elkaar. En in een vluchtige relatie kan goed luisteren een middel zijn om een gemeenschapsrelatie tot stand te brengen. Maar met een risico.

De aanleiding om er opnieuw bij stil te staan is het essay Luisteren is geen wondermiddel, wel een kunst die je kunt leren van Rick Pullens, dat eerder dit jaar in Trouw verscheen. Daarin gaat het erover dat we zo weinig en steeds minder naar elkaar luisteren. Het is bij mijn weten nooit echt onderzocht, maar je komt vaak dat vermoeden of zelfs de overtuiging tegen. Pullens haalt filosoof Miriam Rasch aan, die in Luisteroefeningen; over aandacht en ontvankelijkheid  stelt dat luisteren ‘Een zeldzame vaardigheid (is), die veel mensen zijn kwijtgeraakt of misschien wel nooit hebben geleerd’. Het zal best waar zijn, want de tegenovergestelde klacht, dat mensen teveel luisteren en te weinig praten, die hoor je eigenlijk nooit.

In het domein van de persoonlijke relaties kom je het probleem tegen in de vorm van het door elkaar heen praten. Doordat de meesten liever praten dan luisteren, wordt iedereen die iets probeert te vertellen voortdurend onderbroken. Als we met zijn tweeën zijn, wachten we vaak nog wel onze beurt af. Dat wordt met zijn drieën al wat lastiger en met vier of meer ontaardt het gesprek al snel in aan kakofonie van onafgemaakte zinnen en uitroepen. Zonder een goede voorzitter gebeurt hetzelfde met vergaderingen. 

In het publieke domein van de onpersoonlijke relaties wordt het liever praten dan luisteren in verband gebracht met de maatschappelijke polarisatie. Pullens vertelt dat Miriam Rasch vaak de reactie kreeg dat haar onderwerp van groot belang was "in deze tijden van polarisatie". Daarmee zal worden gedoeld op het verschijnsel dat mensen zo overtuigd zijn van hun eigen gelijk dat ze niet meer in staat zijn tot een gesprek, een dialoog, met andersdenkenden. Mensen zijn dan zo vertrouwd met de eigen mening, dat ze een tegengestelde mening alleen nog maar als een aanval kunnen zien. Een aanval op hoe volgens jou de wereld in elkaar zit, die daarom niet meer met argumenten kan worden bestreden, maar alleen met een tegenaanval. Niet de andere mening moet worden bestreden, maar de persoon die hem uitdraagt. Overigens: mijn indruk is dat we niet in tijden van polarisatie leven, maar in tijden van rechts-extremisme. 

Sociaalwetenschappelijk gezien valt er over praten en luisteren wel het een en ander te zeggen. Mensen begonnen er al eerder mee, maar waren zo'n 40 tot 50 duizend jaar geleden volledig in staat om te praten en naar het praten van anderen te luisteren. Rond die tijd moet het proces van de ontwikkeling van het vermogen om taal te leren voltooid zijn geweest. Lees Taalontwikkeling voor een mooi overzicht van hoe dat leren in de eerste levensjaren in zijn werk gaat. En merk op dat het luisteren naar praten en het graag willen luisteren daar een wezenlijke rol in speelt. In dat proces leren kinderen niet alleen om anderen, maar ook zichzelf, toe te spreken. Dus om een innerlijke dialoog te voeren, waardoor ze het typisch menselijke zelfbewustzijn ontwikkelen. Lees (nog eens): Hoe nemen mensen de werkelijkheid waar? Over het filter van vooronderstellingen, taal, zelfbewustzijn en geheugen. Taal, dus praten en luisteren, en zelfbewustzijn zijn nauw met elkaar verbonden.


Terence Deacon vraagt zich in zijn The Symbolic Species af (p.384) hoe dat taalvermogen, such an unlikely and novel means of social communication as the use of symbols, in de menselijke evolutie heeft kunnen ontstaan. Wat was er zo'n 40 tot 50 duizend jaar geleden met onze verre voorouders aan de hand dat mensen taal gingen gebruiken om te communiceren? Dat ze gingen praten en luisteren? Dat het sindsdien bestaat, betekent dat we er op geselecteerd werden om het te kunnen. En betekent dat het van cruciaal belang moet zijn geweest voor onze overleving en reproductie.

En dat was natuurlijk zo. Want alleen met een coöperatief groepsleven, met samenwerken en delen, waren jager-verzamelaars in staat om hun kinderen groot te brengen. Dat wij naast het bij zoogdieren meest voorkomende statuscompetitiepatroon in ons gedrag ook in staat zijn tot het unieke gemeenschapspatroon, moet er wel mee te maken hebben dat ooit de coöperatieve zorg voor kinderen (cooperative breeding) onze evolutie binnenkwam. Die coöperatieve zorg, dus hulp bij die zorg door anderen dan de eigen moeder en zelfs door niet-verwante groepsleden, stond ermee in verband dat kinderen zo vroeg en onrijp werden geboren dat een groot deel van de hersengroei en -ontwikkeling zich nog na de geboorte voltrok. 

Daardoor raakten pasgeborenen er op voorbereid om in hun eerste levensjaren de sociale motivaties en vaardigheden op te doen die hen deelgenoot maakten van een gemeenschap. Waarin intensief moest worden gecommuniceerd vanwege dat samenwerken en delen. Zonder de gelijktijdige ontwikkeling van dat gemeenschapspatroon zou dat vroeg en onrijp geboren worden een evolutionair doodlopende weg zijn geweest. Praten en vooral ook goed kunnen luisteren was veel meer dan een kers op de taart, alleen voor de gezelligheid, het was cruciaal voor het voortbestaan. 

vrijdag 1 april 2022

Het voordeel van taal en bewustzijn is er alleen als het vermogen tot systematiseren samen gaat met aandacht voor details - En over autisme en grote wetenschappers

Deze reeks berichten, hier het vorige bericht, begon met de vraag wat het betekent om geen zelfbewustzijn en taal te hebben, maar wel geheugen. Om inzicht te krijgen in wat het betekent om, als mensen, naast dat geheugen ook taal en zelfbewustzijn te hebben, leek het goed om eerst zo goed mogelijk te begrijpen wat de afwezigheid daarvan betekent. 

Zo makkelijk is dat laatste niet, want als wij mensen iets willen "begrijpen",  gebruiken we welhaast onvermijdelijk (zelf-)bewustzijn en taal. Iets gaan begrijpen is immers het tot dan onbekende en vreemde herkennen als een geval van een al bestaand en bekend inzicht. In termen van David Bohm: het onbekende, onverwachte onderbrengen bij een of meer bestaande vooronderstellingen over hoe de wereld in elkaar zit. Vooronderstellingen die in de vorm van taal zijn vervat en een filter vormen waarmee we naar de wereld kijken. 

En vanwege de sterke samenhang tussen taal en zelfbewustzijn, is het moeilijk, misschien wel onmogelijk, om je voor te stellen (te begrijpen) hoe het is om wel, zoals alle leven, een geheugen te hebben, maar geen zelfbewustzijn en taal. Zie (nog eens) Hoe nemen mensen de werkelijkheid waar? Over het filter van vooronderstellingen, taal, zelfbewustzijn en geheugen. 

Het zou vereisen dat we ontsnappen aan dat filter van vooronderstellingen en, ja, hoe?, "maagdelijk" naar de wereld kijken. Zoals wezens zonder taal en bewustzijn, dus dieren, kijken. Denk terug aan Temple Grandin, die betoogt dat haar autisme het mogelijk maakt om niet geabstraheerd, maar gedetailleerd, waar te nemen en zo dieren beter te begrijpen. Zie Over vooronderstellingen, waarneming, autisme en bewustzijn - En over Temple Grandin.  Door dat filter hebben wij maar beperkt oog voor details.

Dat alles roept natuurlijk de vraag op wat het voordeel is, als het een voordeel is, om bewustzijn en taal te hebben. Een te grote vraag om nu even tussendoor te beantwoorden. Maar voor de hand liggend is dat we er door in staat gesteld werden om wetenschap te bedrijven. Om, al abstraherend, regelmatigheden en patronen in de waargenomen wereld te ontdekken. Om onze kennis te vergroten. Waar je echter meteen aan moet toevoegen dat wetenschap alleen dan voortschrijdt als er ook oog is voor details, dus voor gevallen en waarnemingen die juist met die regelmatigheden en patronen (theorieën, wetten) in strijd zijn. Want alleen daardoor komen we tot betere, diepere, inzichten. 

Kortom, dat voordeel is er alleen als dat vermogen tot veralgemenisering samen gaat met de aandacht voor de bijzondere gevallen, voor de details waaraan die algemeenheden worden getoetst. Juist de combinatie van die twee is wetenschap. 

En dat brengt je zomaar op het idee dat het geen toeval is dat de grote wetenschappers, de onderzoekers die doorbraken in de menselijke kennis teweeg hebben gebracht, ook een autistisch trekje gehad moeten hebben. Neem nu de drie grootste wetenschappers die je dan meteen te binnen schieten: Newton, Darwin en Einstein. Van alle drie wordt met goede redenen vermoed dat ze trekken van Asperger hadden. Zie Einstein and Newton showed signs of autism en Darwin ‘had Asperger’s Syndrome’. 

En in de studie Talent in autism: hyper-systemizing, hyper-attention to detail and sensory hypersensitivity betogen Simon Baron-Cohen e.a. dat de groep van zeer getalenteerde autisten juist wordt gekenmerkt door de combinatie van sterke neiging tot systematiseren en uitzonderlijk oog voor detail.

In het volgende bericht terug naar het mysterie van het geheugen. Want alles begon met geheugen.

dinsdag 8 februari 2022

Hoe nemen mensen de werkelijkheid waar? Over het filter van vooronderstellingen, taal, zelfbewustzijn en geheugen

Wij nemen de wereld waar door een filter van vooronderstellingen, van ideeën over hoe de wereld in elkaar zit, die de neerslag vormen van de toestanden van voorbereid zijn waarmee we geboren worden en van de ervaringen die we daarna opdoen. Zie het vorige bericht in deze reeks.

Als die ervaringen tussen mensen verschillen, dan zullen ook die vooronderstellingen verschillen en dus ook hoe mensen de wereld waarnemen. In dat vorige bericht ging het om verschillen tussen hoe jagers-verzamelaars de wereld waarnamen en hoe mensen dat gingen doen na de landbouwrevolutie. 

Maar zoals we eerder zagen, doen tijdgenoten, zeker in een pluriforme maatschappij als de huidige, maar so wie so na die landbouwrevolutie, verschillende ervaringen op en nemen ze daardoor de wereld waar door verschillende filters van vooronderstellingen. 

Dat is waarom David Bohm wijst op het belang van een dialoog tussen mensen, waarin ze hun vooronderstellingen en hun oordelen over de vooronderstellingen van anderen opschorten, waardoor ze niet alleen van hun eigen ervaringen kunnen leren, maar ook van de ervaringen van anderen. Want de optelsom van verschillende filters van vooronderstellingen moet wel een rijker beeld geven van de werkelijkheid dan elk filter afzonderlijk. In de woorden van Bohm, die ik eerder al citeerde:

Het doel van een dialoog is niet om dingen te analyseren, om een debat te winnen of meningen uit te wisselen. Het doel is om onze eigen mening op te schorten en daarnaar te kijken - en om te luisteren naar de mening van anderen, en die eveneens op te schorten om erachter te komen wat dat alles te betekenen heeft. Als we de betekenis zien van al die meningen samen worden we deel van een gemeenschappelijk denken; ook al zijn we het misschien niet helemaal met elkaar eens. Zo kan blijken dat onze individuele meningen niet zo belangrijk zijn als we dachten - dat ze gebaseerd zijn op vooronderstellingen. Als we al onze meningen bij elkaar zien, kan het zijn dat we ons als groep creatief in een andere richting gaan bewegen. We zouden de waardering voor al die betekenissen eenvoudig met elkaar kunnen delen; en daar zou onaangekondigd waarheid uit kunnen voortkomen - zonder dat we daarvoor kiezen.
 
Dat gefilterd door vooronderstellingen, en dus geabstraheerd, de werkelijkheid waarnemen, is een typisch menselijke eigenschap, die ermee samenhangt dat wij in staat zijn tot zelfbewustzijn en tot het communiceren door middel van taal. Ik liep daar al op vooruit in het bericht over Temple Grandin, die erop wijst dat "normale" mensen de wereld altijd heel globaal waarnemen, terwijl autisten veel meer in staat zijn om details waar te nemen. En daardoor dieren veel beter kunnen begrijpen. 

Die samenhang wordt duidelijk als je het boek The Deep History of Ourselves. The four-billion-year story of how we got conscious brains van neurowetenschapper, psycholoog en psychiater Joseph LeDoux erbij neemt. Ik probeer nu en in volgende berichten om de interessante passages daaruit samen te vatten.

Waar te beginnen? Misschien met het hoofdstuk over taal (p. 234-240), dat begint met:

Do you talk to yourself? Most people do. We use a kind of inner monologue, sometimes referred to as "self-talk", when thinking, daydreaming, making decisions, solving problems, or regulating our emotions, and when weaving narratives to account for behavior controlled nonconsciously.

Dat hoofdstukje - het boek telt 66 hoofdstukjes van elk enkele pagina's - bestaat vooral uit een overzicht van wat andere onderzoekers hebben gezegd over het belang van taal voor bewustzijn, denken en waarnemen. Waarmee het voorbereidt op het volgende hoofdstuk, waarin duidelijk wordt gemaakt hoe bij mensen waarneming en geheugen dezelfde hersencircuits delen.

Maar eerst dus over taal. Dat wij al heel jong taal aanleren, betekent niet alleen dat we taal gebruiken om met anderen te communiceren, maar ook door dat met onszelf te doen. En het vermogen tot die innerlijke dialoog, ook wel (na)denken genoemd, heeft grote gevolgen. Citaat van Oliver Sacks:

It is through inner speech that the child develops his own concepts and meanings; it is through inner speech that he achieves his own identity; it is through inner speech, finally, that he constructs his own world.
 
Waarop LeDoux vervolgt met:

Language and deliberative thought, and even consciousness, are closely entwined.

Het vermogen tot zelfbewustzijn, denken en taal zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. 
 
De aanwijzingen dat dat zo is, komen nog aan de orde. Maar ik denk ook aan een persoonlijke aanwijzing, die te maken heeft met twee heel vroege herinneringen, die lijken terug te gaan tot kort voor het einde van mijn tweede levensjaar. Dat is volgens onderzoek met de spiegelproef de periode dat het zelfbewustzijn "doorbreekt". 
 
In beide gevallen herinner ik mij niet alleen de omstandigheden, maar ook dat er iets tegen mij gezegd werd en wat dat iets was. In het ene geval was dat "We hebben je gehoord". Dat zei mijn moeder tegen mij toen ze terugkwam van de buren en ze mij door de dunne tussenmuur hadden gehoord. Ik had op een met een vloeipapiertje omwikkeld kammetje geblazen. En in het andere geval was dat "Ze hebben het over jou", dat mijn nichtje tegen mij zei toen mijn moeder en mijn tante het kennelijk over mij hadden. Beide herinneringen kwamen op dit blog eerder aan de orde, de eerste in het bericht Het is vandaag 4 mei. Over een vroege herinnering en de wapens bij ons in de bijkeuken en de tweede in Het ontstaan van zelfbewustzijn bij kinderen en de vroegste herinnering.
 
Het zijn natuurlijk maar particuliere herinneringen, maar het lijkt mij frappant dat ik in beide gevallen door middel van taal op mijn bestaan werd gewezen (je, jou). En dat ik al zoveel taal beheerste dat ik begreep wat er tegen me gezegd werd. En dat ik naar mijn beste herinnering me in beide gevallen verplaatste in degenen die mij gehoord hadden (mijn moeder en de buurvrouw) en die het over mij hadden (mijn moeder en mijn tante). Ik werd ertoe aangezet om aan mezelf te denken vanuit het gezichtspunt van anderen. En toen was er mijn zelfbewustzijn. Moeilijk voorstelbaar dat dat ook zonder taal had kunnen gebeuren. En dus zonder anderen.

Bovendien komt daarmee de belangrijke rol van het geheugen in het blikveld. Want die periode voorafgaand aan het doorbreken van het zelfbewustzijn staat bekend als de periode van de childhood amnesia, de periode waaraan we geen herinneringen kunnen hebben. De ervaringen die we in die periode doormaken, kunnen wel heel belangrijke gevolgen hebben, maar er is nog geen (lange termijn-)geheugen waarin ze worden opgeslagen en waaruit ze kunnen worden teruggehaald.

Tussenstand: we hebben het filter van vooronderstellingen waarmee we de wereld waarnemen en we hebben taal, zelfbewustzijn en geheugen. Hier het vervolg.

vrijdag 28 januari 2022

Over David Bohms onderscheid tussen participerend denken en letterlijk denken - en over de vraag of we ons verantwoordelijk kunnen voelen voor onze planeet

David Bohm wijst erop dat wij mensen, anders dan andere dieren, de wereld om ons heen, maar ook onszelf en ons denken, op een heel bepaalde manier waarnemen. Namelijk door het filter van onze vooronderstellingen. Vooronderstellingen waarmee we geboren werden en die we gedurende onze levensloop op grond van de ervaringen die we opdoen hebben bijgesteld en uitgebreid. (Zie hier het vorige bericht). 

Dat eerste hebben we nog gemeen met andere dieren, maar dat laatste doen wij op een unieke manier, doordat wij vroeg in ons leven de stap maken naar zelfbewustzijn en waarschijnlijk gelijk daarmee taal aanleren. Dat gemeenschappelijke met andere dieren bestaat eruit dat we, doordat we levende wezens zijn en dus het resultaat van een evolutionair proces, erop zijn voorbereid dat de wereld veilig of onveilig kan zijn en dat het zaak is om veiligheid te zoeken en onveiligheid te mijden. 

Dat gemeenschappelijke houden we bij ons, maar daar komen, zo ongeveer aan het einde van ons tweede levensjaar, zelfbewustzijn en taal bij. Met grote gevolgen, zo groot dat ze moeilijk zijn te overzien. In feite heeft Bohm het daarover in zijn boek Dialoog, waarvan ik me aanvankelijk afvroeg of het triviaal of juist heel diepzinnig was. Ik neig nu naar het laatste.

Als je iets als diepzinnig ervaart, dan is dat iets niet zo eenvoudig uit te leggen. Ook niet voor jezelf uit te leggen. Dat moet dus in kleine stapjes gebeuren, want je kunt het geheel (nog) niet overzien. Wat nu volgt, dat bestaat dus uit een aantal kleine stapjes na elkaar. Waarbij bovendien elk stapje voorlopig is en naderhand kan worden bijgesteld. De lezer, en ikzelf, moeten dus enig geduld hebben

Ik begin ermee een aantal passages van Bohm naar voren te halen. Bohms betoog bestaat uit twee delen, een deel over het feit van die vooronderstellingen en een deel over de moeilijkheid en noodzaak van dialoog als mensen met verschillende vooronderstellingen naar de wereld kijken. Ik blijf voorlopig bij dat eerste deel.

In hoofdstuk 7 (Participerend denken en het onbegrensde) onderscheidt Bohm twee soorten denken; het participerend denken en het letterlijk denken. Dat hoofdstuk begint zo (p. 137):

In vroegmenselijke culturen, en in zekere zin ook nu nog, bestond er iets wat 'participerend denken' wordt genoemd. Mensen in dit soort culturen hadden het gevoel dat ze deel uitmaakten van de dingen die ze zagen - dat alles in de wereld met elkaar verbonden was, en dat de geest van alle dingen ten diepste één was. Zo leefde onder Eskimo's de overtuiging dat er veel, heel veel zeehonden waren, maar dat al die zeehonden een manifestatie waren van de ene zeehond - de geest van de zeehond. Die ene zeehond manifesteerde zich in vele zeehonden. Daarom baden ze tot de geest van de zeehond om zich aan hen te manifesteren, zodat ze te eten zouden hebben. Ik vermoed dat indianen uit Amerika de buffel op een vergelijkbare manier zagen. Dit soort culturen hadden het gevoel dat ze deel uitmaakten van de natuur. En ze waren er zich scherp van bewust dat ook hun denken deel was van de werkelijkheid.

Bohm zal zich hier baseren op antropologische literatuur over de Eskimo's, maar het boek bevat geen verwijzingen. Dat participerende slaat er dus op dat die vroege mensen zich onderdeel voelden van, ja, van wat? Van 'het geheel', de wereld, de natuur. Merk op dat woorden hier tekort schieten. En dat zal eraan liggen dat er nog geen taal en zelfbewustzijn bestonden zoals wij die kennen. 

Maar ergens in de mensheidsgeschiedenis veranderde dat. Bohm (p. 138-9):

Mer dan een miljoen jaar heeft de mens zo gedacht. In de laatste vijfduizend jaar is ons denken radicaal veranderd.

Ook hier weer ontbreekt een verwijzing. Maar het gaat er nu niet om of die vijfduizend jaar wel of niet klopt. Ergens in de tijd heeft die verandering plaatsgevonden.

Onze hedendaagse cultuur zegt: 'Dat is onzin. Aan dat soort ideeën geven we geen aandacht meer.' De manier van denken die wij in onze tijd prefereren, wordt dan ook wel 'letterlijk' denken genoemd.

Letterlijk denken meent dat ons denken een weerspiegeling is van de werkelijkheid zoals die is - het pretendeert ons te kunnen vertellen hoe de dingen werkelijk zijn. We zijn geneigd om het te zien als de beste manier van denken. (...) Owen Barfield heeft het letterlijk denken wel getypeerd als idolatrie of afgoderij. Een religieus beeld symboliseert een macht die groter is dan wij of verwijst naar een bepaalde spirituele kracht. Op den duur wordt dat beeld vereenzelvigd met die kracht - letterlijk. (...) Je zou kunnen zeggen dat wij onze woorden en onze gedachten op eenzelfde manier hebben verheven tot afgodsbeelden. We pretenderen dat ze beschrijvingen van en uitspraken over de werkelijkheid zijn zoals die is. Maar in werkelijkheid kunnen woorden die pretentie nooit hebben. We hechten er te veel waarde aan. Taal kan een deel van de werkelijkheid weergeven, maar nooit de 'gehele' werkelijkheid.

Nu hebben we wel een verwijzing. En wel naar het boek Saving the Appearances van Owen Barfield uit 1965. Daar had ik nog nooit van gehoord, maar na even googelen denk ik dat dat misschien wel heel onterecht is. 

Dat letterlijk denken slaat er dus op dat wij door het filter van onze vooronderstellingen (woorden, gedachten) naar de werkelijkheid kijken, maar dat filter niet of niet meer als zodanig ervaren. Met als gevolg dat we onze woorden en ons denken te serieus nemen.

Nu benadrukt Bohm dat dat letterlijke denken ook in die vroegmenselijke culturen al bestond, maar dat het toen beperkt bleef tot het domein van de "eenvoudige technische doeleinden" (p. 141-2):

Een half miljoen jaar geleden hadden de mensen het letterlijk denken niet echt nodig. Ze leefden in kleine groepen van jager-verzamelaars. Ze kenden elkaar en gebruikten deze vorm van denken alleen voor eenvoudige technische doeleinden. Maar toen kwam de landbouwrevolutie. Er ontstonden veel grotere gemeenschappen. Voor deze samenlevingen was meer organisatie nodig, meer orde ook en technologie. Het belang van letterlijk denken nam toe. Men begon de samenleving te organiseren en zei: 'Jij hoort hierbij, jij daarbij. Jij moet dit doen, jij dat.' De mensen werden steeds meer gezien als afzonderlijke objecten - ook andere volken. Mensen werden gebruikt voor een bepaald doel. Ja, hoe verder de samenleving zich ontwikkelde, des te meer men het denken ging gebruiken als middel tot een doel. (...) Het participerend denken fragmenteerde en verdween naar de achtergrond.

Maar in die achtergrond is het er nog wel. Bohm beschrijft dat dan als de "kosmische dimensie", waar mensen nog steeds een verlangen naar hebben. Naar "een verbond met de natuur", waar we met het letterlijke denken een einde aan maakten. Waardoor we gingen denken dat we de natuur, moeder aarde, onbeperkt konden exploiteren. Maar (p. 147):

Die luxe positie hebben we niet meer. We kunnen niet langer onbeperkt op de natuur vertrouwen.

Toen de mensheid dit begon te beseffen leidde dat tot een grote psychologische verandering. Het was alsof iemand tegen ons zei: 'Je kunt niet meer op je moeder rekenen. Je staat er nu alleen voor.' Dat is de situatie waarin we nu verkeren - want of de aarde het overleeft hangt van ons af. Dat geeft een nieuw perspectief: het laat zien dat we als mensen werkelijk verantwoordelijk zijn voor deze planeet. De vraag is: wat is de grond van dit alles? Wie zijn wij?

Uit welke innerlijke bron kunnen we putten om bij dat gevoel van verantwoordelijkheid te komen? Wat zou het fundament van die mogelijkheid kunnen zijn?

Bohms antwoord dat daarop volgt, en dat het boek afsluit, is niet zo gemakkelijk kort of in een citaat samen te vatten. Maar het lijkt me er op neer te komen dat dat participerende denken van de achtergrond naar de voorgrond moet worden gehaald en dat mensen daartoe in staat zijn. We kunnen boven de begrensdheid van het letterlijk denken uitstijgen. We kunnen onze aandacht richten op "het onbegrensde", op het grotere geheel waar we allen deel van uitmaken (p. 150):

Het is mogelijk dat er zowel begrensde aandacht is, zoals concentratie, als onbegrensde aandacht - van fundamentele aard. Door zulke aandacht komen we bij steeds subtielere niveaus van de impliciete orde - de algemenere lagen van het hele proces. Op deze algemene niveaus verschilt het bewustzijn van de ene persoon nauwelijks van het bewustzijn van de ander. Dit impliciete en stilzwijgende denken, dat de basis vormt van het bewustzijn, wordt door alle mensen gedeeld.

En dat gedeelde bewustzijn, het besef van gemeenschappelijkheid en van deel zijn van de planeet, dat zou het fundament zijn van dat gevoel van verantwoordelijkheid, van het verbonden zijn met de natuur, dat we nodig hebben om te kunnen overleven. 

En als dat er eenmaal is, dan hebben we natuurlijk toch dat letterlijk denken nodig om de technische kennis te verwerven die anders handelen mogelijk maakt. Niet langer de planeet exploiteren, maar beheren en er voor zorgen. Wat tegelijk betekent zorgen voor onszelf en voor de volgende generaties.

Dat zijn grote woorden. Maar tegelijk een eerste stapje. Wordt vervolgd. Hier het vervolg.

vrijdag 14 januari 2022

Over vooronderstellingen, toestanden van voorbereid zijn, bewustzijn en evolutie

We blijven nog even bij dat eerste inzicht van David Bohm, het inzicht dat er altijd vooronderstellingen ten grondslag liggen aan onze meningen, oordelen en waarnemingen. Zie hier het vorige bericht. (Het tweede inzicht is dat, althans in ons soort samenleving, vooronderstellingen tussen personen sterk kunnen verschillen. Waardoor mensen het moeilijk vinden om een dialoog aan te gaan.)

Hoe komt het dat we zo emotioneel reageren als onze vooronderstellingen in twijfel worden getrokken? Zoals we in het vorige bericht zagen gebeuren bij die economen die werden geconfronteerd met onderzoek dat hun vooronderstelling van "de wet van vraag en aanbod" in twijfel trok? 

Het punt is dat onze vooronderstellingen ons vaak zo vertrouwd zijn dat we ons er niet (meer) van bewust zijn. Ze zijn onderdeel geworden van wie we zijn. En als we er bewust van worden gemaakt, doordat iemand anders ze tegenspreekt, dan is onze eerste impuls om ze als noodzakelijkheden te zien. Mensen kunnen, zegt Bohm (p. 56), noodzakelijke gedachten hebben: 

Iets wat noodzakelijk is, kan niet anders en moet zo zijn. (...) Alles wat noodzakelijk is, is absoluut. Noodzakelijkheden kunnen met elkaar in conflict raken. Het kan zijn dat jouw opvatting onafwendbaar lijkt, maar die van de ander ook. Je kunt daarbij het gevoel hebben dat de opvatting van de ander in jou gaat werken en zich tegenover de jouwe opstelt. Zo kun je in een innerlijk conflict raken.

De ervaring van dat innerlijke conflict is zo bedreigend dat hij emotionele afweer oproept. Die erin kan resulteren dat de tegengestelde vooronderstelling met alle middelen moet worden bestreden. Er is meteen die andere noodzakelijke gedachte dat die tegengestelde opvatting niet waar kan zijn. Onmogelijk.

Hoe komen we aan zulke onbewuste en vertrouwde gedachten die we als noodzakelijkheden gaan ervaren zodra we er bewust van worden gemaakt? In het geval van die economen is het duidelijk dat we ze hebben aangeleerd, doordat we het vak economie hebben gestudeerd, waarin die "wet van vraag en aanbod" als vanzelfsprekendheid, ja, als noodzakelijkheid, wordt gepresenteerd. We zijn in het vak en in de groep van vakgenoten gesocialiseerd. We hebben aangeleerd om als econoom naar de wereld te kijken. En dat werd sterk vergemakkelijkt doordat we dat samen met anderen deden. Voortdurend werden we eraan herinnerd dat de anderen om ons heen ook zo naar de wereld kijken. (Ik verplaats me nu even in een econoom. Zo moeilijk is dat niet, omdat ik, hoewel socioloog, economie als groot bijvak studeerde en na mijn studie enige tijd "in de ban was" van het neoklassieke economische denken.)

Dat beschrijft dus een traject waarin wat eerst bewust was, toen we er mee kennismaakten, op den duur zo vertrouwd wordt dat we er niet meer over nadenken en het verschuift naar het onbewuste.

Wat meteen de vraag oproept of onbewuste vooronderstellingen altijd eerst bewust waren. We zagen al bij Bohm dat vooronderstellingen de neerslag zijn van opgedane ervaringen. Maar hoe moeten we ons dat voorstellen als we terug gaan naar het begin, zeg naar de geboorte? Als je daarover nadenkt, dan onderken je dat we niet als een onbeschreven blad op de wereld komen. De evolutie heeft er voor gezorgd dat we al zijn toegerust met impliciete verwachtingen over wat ons te wachten staat. Zodra er leven ontstond, werden ervaringen opgedaan en werd er geselecteerd op vermogens om daar goed op te reageren; goed in de zin van bijdragen aan overleving en reproductie.

Dat wijst erop dat niet alleen onze eigen opgedane ervaringen, maar ook de opgedane ervaringen van alle levende wezens uit het verleden invloed uitoefenen op welke vooronderstellingen wij gedurende ons leven, vanaf onze geboorte, (kunnen) ontwikkelen. 

Om dat meteen wat concreter te maken: vanaf het begin van de evolutie is het cruciaal geweest om te overleven, dus om te kunnen onderscheiden tussen een veilige en een onveilige omgeving. Dat onderscheidingsvermogen ligt bij de geboorte als het ware klaar om in werking te treden. Plus de daarmee verbonden gedragspatronen om oftewel op veiligheid oftewel op onveiligheid adequaat te reageren. Adequaat in de zin van welke reacties, van alle reacties die er in het evolutionaire verleden geweest zijn, het meest tot overleving hebben bijgedragen.

Dat betekent, en intensieve volgers van dit blog moeten dat al hebben zien aankomen, dat de eerder op dit blog geïntroduceerde "toestanden van voorbereid zijn" niets anders zijn dan wat David Bohm vooronderstellingen noemt. Zie hier het eerste bericht over die toestanden van voorbereid zijn: Wat betekent het precies dat sociale gedragspatronen, zoals gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag, "klaar liggen om uitgevoerd te worden"? In het geval van de reactie gemeenschapsgedrag is het de vooronderstelling dat de omgeving veilig is en in het geval van de reactie statuscompetitiegedrag de vooronderstelling van onveiligheid.

Dat laat ook meteen zien dat vooronderstellingen niet altijd eerst bewust hoeven te zijn geweest. We zijn er al op voorbereid dat onze omgeving veilig of onveilig kan zijn voordat we, rond het eind van ons tweede levensjaar, ons zelfbewustzijn ontwikkeld hebben. En ook gedurende de rest van ons leven hebben die twee vooronderstellingen, van veiligheid dan wel onveiligheid, een invloed op ons gedrag waar we ons vaak niet bewust van zijn.

Meer daarover en over dat tweede inzicht van Bohm, dat vooronderstellingen tussen mensen kunnen verschillen en dat daardoor een dialoog zo moeilijk en toch zo noodzakelijk is, in het vervolg. Hier het volgende bericht.

dinsdag 11 januari 2022

Over vooronderstellingen, waarneming, autisme en bewustzijn - En over Temple Grandin

In David Bohms pleidooi om meer in dialoogvorm met elkaar te communiceren dan in debatvorm vallen twee inzichten te onderkennen. Zie hier het vorige bericht. Het inzicht van de vooronderstellingen en het inzicht van verschillen in vooronderstellingen tussen mensen.

Het eerste inzicht is dat aan al onze meningen en oordelen vooronderstellingen ten grondslag liggen. Vooronderstellingen over hoe de wereld in elkaar zit, die resulteren uit de ervaringen die we in het verleden hebben opgedaan. Die ervaringen zijn opgeslagen in ons geheugen. Daarbij speelt op een of andere manier een rol dat wij taal beheersen. Daardoor kunnen die opgeslagen ervaringen de vorm van taalconstructies aannemen en dus van abstracties. De werkelijkheid wordt er niet in gepresenteerd, maar gerepresenteerd. Er is iets mee gebeurd, er is geselecteerd, ingedeeld, geordend, kortweg geabstraheerd.

Daardoor kijken we anders naar de wereld. Globaler, met minder aandacht voor details. 

Hier ligt een uitweiding voor de hand die je bij Bohm niet tegenkomt. Temple Grandin beschrijft dat haar autisme maakt dat ze met veel meer oog voor details naar de wereld kijkt dan niet-autisten doen. En dat ze daardoor zo goed in staat is om zich te verplaatsen in hoe dieren de wereld waarnemen. Citerend uit Animals in Translation. The woman who thinks like a cow, dat ze samen met Catherine Johnson schreef:

Unfortunately, when it comes to dealing with animals, all normal human beings are too abstractified, even the people who are hands-on. That's because people aren't just abstract in their thinking, they're abstract in their seeing and hearing. Normal human beings are abstractified in their sensory perceptions as well as their thoughts. (p. 30)

When an animal or an autistic person is seeing the real world instead of his idea of the world that means he's seeing detail. This is the single most important thing to know about the way animals perceive the world: animals see details people don't see. They are totally detail-oriented. That's the key.

It took me almost thirty years to figure this out. During all that time I kept a growing list of small details that could spook an animal without realizing that "seeing in details" was a core difference between animals and people. (p. 31)

Verderop in het boek lees je een interessante passage over de samenhang tussen globaal waarnemen en bewustzijn:

My other reason for thinking everyone has the potential for extreme perception (detailwaarneming) is the fact that animals have extreme perception, and people have animal brains. People use their animal brains all day long, but the difference is that people aren't conscious of what's in them. (...) A lot of what animals see normal people see, too, but normal people don't know they're seeing it. Instead, a normal person's brain uses the detailed raw data of the world to form a generalized concept or schema, and that's what reaches consciousness. Fifty shades of brown turn into just one unified color: brown. That's why normal people see only what they expect to see - because they can't consciously experience the raw data, only the schema their brains create out of the raw data.

Normal people see and hear schemas, not raw sensory data. (p. 65)

(Met dank aan Liesbeth Sterck, die mij het boek van Temple Grandin op 3 juni 2010, toen ik, op mijn verjaardag, afscheid nam van de Rijksuniversiteit Groningen, cadeau deed.)

Daarmee zijn we geattendeerd op de samenhang tussen dat eerste inzicht, dat van het altijd met vooronderstellingen kijken naar de wereld, en het "hebben" van bewustzijn. Dat verband komen we ook nog tegen bij David Bohm. En, zoals dan zal blijken, bij Jospeh LeDoux in zijn The Deep History of Ourselves. The four-billion-year story of how we got conscious brains, dat ik al aankondigde in Over body-mind therapieën als individuele oplossingen voor individuele problemen - En over een collectieve oplossing.

Wordt vervolgd.

dinsdag 14 december 2021

Over body-mind therapieën als individuele oplossingen voor individuele problemen - En over een collectieve oplossing

Onze toestanden van voorbereid zijn op wat we in de omgeving tegenkomen bestaan uit zowel "lichaam" als "geest". Payne en Crane-Godreau vatten dit inzicht samen in het plaatje waarin de vijf elementen van zo'n toestand en hun onderlinge relaties worden afgebeeld. 

Denk bij "lichaam" aan lichaamshouding en aan alle lichaamsorganen en - functies die door de zwerfzenuw (nervus vagus) met elkaar zijn verbonden. En bij "geest" aan aandacht, alertheid, verwachtingen, impliciete herinneringen en emoties, die bewust kunnen zijn, maar dat (heel) vaak niet zijn.

Precies dat laatste slaat op de problemen die ontstaan als onze toestand van voorbereid zijn niet goed past bij de omgevingsuitdagingen waar we voor staan. 

Over die grens tussen waar we ons niet bewust van zijn en waar we ons bewust van (kunnen) worden en over waar in de evolutie die grens werd gepasseerd, ben ik nu The Deep History of Ourselves. The Four-Billion Year Story of How We Got Conscious Brains van Joseph LeDoux aan het lezen. Kom ik een keer op terug.

De oplossing voor zulke problemen ligt voor de hand: probeer je bewust te worden van je onbewuste toestand vaan voorbereid zijn, zodat je die toestand kunt veranderen. Eenvoudig gezegd, maar niet gemakkelijk gedaan. Payne en Crane-Godreau daarover:

The PS perspective suggests that re-appraisal occurring only on a verbal/conceptual level is less likely to alter the PS, and thus the stress response; but altered subcortical expectations may be more effective. This suggests that attention to interoceptive and proprioceptive experience may be more effective in handling stress than attention to ideas and thoughts alone, because bodily experience enables more direct access to the PS.
 
Bedenk weer dat PS staat voor Preparatory State, dat ik vertaal met toestand van voorbereid zijn.
 
Door die innige verstrengeling van "lichaam" en "geest" is het meestal niet voldoende om je verbaal/cognitief te realiseren wat jouw toestand van voorbereid zijn inhoudt. Stel je bent er onbewust sterk op ingesteld dat de wereld onveilig is en dat je niemand kunt vertrouwen. Je ziet overal gevaar, terwijl dat er vaak helemaal niet is. 
 
Je kunt dan wel zo ver komen dat je cognitief inziet dat het met die onveiligheid wel meevalt. Daar probeer je dan jezelf van te overtuigen. Maar dat wil nog niet zeggen dat dan je "lichaam" daar mee akkoord is. Je kruipt toch in elkaar, je houdt toch je adem in en je voelt toch angst. Terwijl je dat alles bewust niet wilt.

Je moet dus meer doen. En de therapieën die Payne en Crane-Godreau aanduiden als de body-mind therapeutic and educational systems (BTES) zijn bedoeld om daarbij te helpen. Dat ze daartoe in staat zijn, doet het vele onderzoek vermoeden naar de mogelijkheden om je bewust te worden van wat je met je lichaam doet en van wat er zich in je lichaam afspeelt. Ik citeer maar even een hele alinea met verwijzingen naar dat onderzoek:
 
Damasio's theory of somatic markers (Damasio et al., 1996; Damasio and Carvalho, 2013) emphasizes the important role of interoceptive awareness in becoming aware of one's inner state. Interoception enables one to become aware of the (autonomic) state of the body, and is strongly related to emotional response and affective and visceral aspects of the PS. Craig and Critchley (Critchley et al., 2004; Hölzl et al., 2009; Garfinkel et al., 2013; Sel, 2014), as well as earlier researchers (Newman, 1974; Mogenson et al., 1980), have suggested the neural pathways for this mechanism. The anterior insula and anterior cingulate cortex are where this information reaches full awareness. Proprioceptive and kinesthetic information likewise bring to consciousness other essential aspects of the PS including posture, muscle tone, and movement preparation (Suetterlin and Sayer, 2013). The cortex receives this information in the sensorimotor, pre-motor and supplementary motor cortexes (Gellhorn, 1964; Prochazka, 2011) as well as in the body schema area in the inferior parietal and extra-striate body area (Arzy et al., 2006; Daprati et al., 2010; Ionta et al., 2011). Proprioceptive and kinesthetic feedback bring information from the basic and EMS (Holstege et al., 1996), and thus can inform the conscious mind about unintended automatic or emotionally driven motion, bringing information about current PS.

En op grond van dat bewustwordingsproces is vervolgens verandering mogelijk. Namelijk door bewust "in te grijpen" in een of meer van die vijf elementen van de toestand van voorbereid zijn. Zoals door verbeelding ( van lichaamshouding, intern functioneren en van emoties), door lichaamshoudingen en -beweging, door ademhalingsoefeningen, door aandachtsoefeningen en door het bijstellen van oordelen en verwachtingen. 

Ook daar is weer onderzoek dat erop wijst dat zulke "ingrepen" succesvol kunnen zijn:

... there is evidence for the effectiveness of each of these in altering stress responses. We suggest that the anterior cingulate (ACC) and the premotor cortex (PMC), as well as portions of the orbito-frontal cortex (OFC), are the principal originations of these actions. It has already been shown that ACC has significant effects on amygdala (Posner et al., 2007) and other subcortical autonomic, affective and motor areas (Critchley et al., 2005), as well being involved with acts of intention (Shenhav et al., 2013). PMC has rich connections to subcortical motor centers, alters posture, muscle tone and autonomic state (Jeannerod, 1994; Desmurget and Sirigu, 2009). OFC likewise has extensive connections to subcortical areas and is central to several executive networks (Price, 2007)}. It has been shown that both motor (Collet and Guillot, 2010; Anema and Dijkerman, 2013) and affective (Lang, 1979) imagery can alter subcortical activity.
 
Payne en Crane-Godreau bespreken verschillende therapieën die met het voorgaande overeenkomen en die ze in drie hoofdgroepen onderscheiden:
  • Moderne vormen van oude Aziatische psychofysieke oefeingen (Qigong, yoga en meditatie)
  • Twintigste eeuwse Westerse somatische technieken (Alexander Technique, Feldenkrais Methode, Continuum en Rolfing)
  • Westerse vormen van "lichaamspsychotherapie": Bioenergetica, Formative Psychology en Levine's Somatic Experiencing trauma therapy.
Er zullen onder de lezers van dit blog vast mensen zijn die met een of meer van deze therapieën bekend zijn. Want problemen met die toestanden van voorbereid zijn  komen natuurlijk veel voor. Psychische aandoeningen zijn wijdverbreid en hebben onveiligheidsgevoelens gemeenschappelijk. Zie Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 1 en de daaropvolgende berichten. 
 
Ik heb zelf ervaring met de formatieve psychologie van Stanley Keleman. Dat gaat letterlijk over lichaamsvormen, houdingen, die we hebben overgehouden aan onze vroege jeugd en waarin we "vast zijn komen te zitten". In de therapie oefen je met die vormen door ze minder en juist (nog) meer "te doen" en zo te leren om ze bewust te controleren en los te laten. En je daarmee zelf nieuwe vormen te geven. Ik heb daar veel van geleerd.

Maar dit alles gaat over individuele oplossingen voor individuele problemen. Dat wij in ons opgroeien toestanden van voorbereid zijn aanleren die vaak niet goed passen bij de omgevingsuitdagingen in ons (jong-)volwassen leven, heeft natuurlijk ook te maken met de aard van onze opgroei-omgeving en met de aard van die uitdagingen. Die verschillen nogal van de sociale omgeving waarin onze morele gemeenschapsintuïties werden gevormd. 
 
Dat wijst op het bestaan van een collectief, maatschappelijk, probleem. Het probleem namelijk dat we beter zouden gedijen in een maatschappij die meer tegemoetkomt aan onze morele gemeenschapsintuïties, met minder stress van statuscompetitie en eenzaamheid. Een maatschappij dus die meer het gemeenschapsevenwicht benadert en verder verwijderd is van het statuscompetitie-evenwicht. Ik verwijs maar weer eens naar Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

donderdag 25 juni 2020

Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 13

Als je je aanhoudend of terugkerend onveilig voelt, loop je het gevaar daar met psychologische starheid - starheid in waarnemen en denken - op te reageren en daardoor een angststoornis, een depressie of een andere psychische aandoening te ontwikkelen. Zie hier het vorige bericht in deze reeks.

Die starheid bestaat eruit dat we de negatieve gedachten en gevoelens die we door die onveiligheid hebben, proberen te vermijden en te bestrijden. We piekeren, maken ons zorgen en zijn voortdurend voorbereid op nieuwe gevaren. En we proberen om afleiding te vinden, zoals door hard te werken of onophoudelijk druk in de weer te zijn, om maar te voorkomen dat de pijn en de angst, of de herinneringen daaraan, ons overvallen en overweldigen. Steven C. Hayes noemt dit onze Innerlijke Dictator.

Dat wij te maken kunnen hebben met die Innerlijke Dictator ligt er aan dat wij in staat zijn om taal te leren. Want het leren van taal behelst het leren leggen van relaties en het kunnen denken in relaties. Dat verwijst naar een omvangrijke lijn van onderzoek onder het trefwoord Relational Frame Theory, waarvan ik deze samenvatting vond: An introduction to Relational Frame Theory: Basics and Applications. Maar mijn ervaring is dat het goed doorgronden daarvan een behoorlijke investering vraagt. Gelukkig zijn er ook eenvoudiger samenvattingen (for dummies), zoals deze: What is Relational Frame Theory? A Psychologist Explains. 

Relaties leggen en denken in relaties kunnen we doordat we niet alleen in staat zijn tot associëren (klassieke conditionering; de hond van Pavlov die een belletje associeert met eten), maar ook tot het leggen van het omgekeerde verband (bij eten denken aan dat belletje). En precies daaruit bestaat het leren van taal. Niet alleen leren babies het woord mamma te associëren met een bepaalde persoon, maar ook komt het woord mamma spontaan bij hen op als die persoon er is. Daarmee is dus een relatie tussen een woord en een persoon gelegd.

Die vaardigheid is volgens Hayes uniek menselijk. Je kunt een chimpansee leren om een abstract symbool aan te wijzen als hij een sinaasappel ziet, maar als je hem dat symbool laat zien dan is hij niet in staat om een sinaasappel op een fruitschaal aan te wijzen.

Taal leren is dus niet woorden leren associëren met iets in de werkelijkheid, maar het leren leggen van relaties. En als je dat een keer kunt, "dingen" met elkaar in verband brengen, dan gaat het heel snel. Als je relaties 'verwacht", kun je per dag honderden nieuwe woorden leren. En je kunt die woorden met elkaar in verband brengen, dus zinnen maken. Zo ontstaat het taalvermogen. En het vermogen om in taal, in symbolen, te denken. En daarmee ons voorstellingsvermogen oftewel het vermogen om abstract te denken.

Met het leren van taal bouw je een steeds complexer wordend netwerk van relaties op, niet alleen tussen woorden (symbolen) en dingen, personen of gebeurtenissen, maar ook tussen de gedachten die je hebt. En die gedachten kunnen een heel reële betekenis krijgen, doordat ze de "concreetheid" van woorden en zinnen aannemen. We kunnen ons immers moeilijk voorstellen wat denken zonder taal is.

Hayes (p. 71):

with relational thinking, we can connect things that have no physical relation to one another and don't appear together in time and place. Not only can we, but we constantly do, and the connections become extremely complex.

Onderdeel van dat proces is dat we ook onszelf een plaats geven in dat web van relaties. Dat wil zeggen, het besef van onszelf oftewel ons zelfbewustzijn. Want dan gaat het om de relatie tussen de waarnemer en het waargenomene. Kinderen leren dat "hier" gebonden is aan de positie die de spreker inneemt en dat "hier" voor de ander "daar" is. Zelfbewustzijn is daarmee ook meteen het vermogen in om je in een ander te verplaatsen en van daaruit naar de wereld en naar jezelf te kijken.

Dat zou er op wijzen dat het ontstaan van zelfbewustzijn niet alleen sociale interactie vereist, maar dat taalontwikkeling daar een essentieel onderdeel van is. En dat ligt eigenlijk voor de hand, maar had ik mij nog niet gerealiseerd. Zie hier mijn eerdere berichten over zelfbewustzijn.

Daarmee is de grondslag gelegd voor de ontwikkeling van het verhaal of de verhalen over jouzelf en de relaties met anderen. Hayes (p. 73-74):

perspective-taking also supports storytelling about ourselves that is more content-based and evaluative, and that part is hard to put on a leash. With the rise of our verbal problem-solving ability, the Dictator Within is born,(...). As we begin to create our story of who we are, for example, we also start to compare ourselves to others, and to social ideals of who we should be. Thus the unfortunate side effect of the same cognitive skills that allow a sense of ourselves as conscious human beings is that we often soon become self-critical, or excessively seek to be attended to, to be important or notable based on the specialness of our self-stories. We have begun to fashion the conceptualized self, and this imagined self often takes on the illusion of being our "real" self. We begin to become the content of our stories, and the Dictator comes fully into power.

The problem is not the presence of a self-story; we all need one. But when we disappear into this ongoing storytelling - when we fuse with the story - all sorts of mental health and life-satisfaction challenges follow.

Kortom, relaties, taal, zelfbewustzijn, je kunnen verplaatsen in anderen en naar jezelf kijken, en zo een verhaal over jezelf maken, waarin je het goed kunt doen, maar ook kunt tekortschieten. 

Met al die ingrediënten ben je terechtgekomen in een maatschappij waarin het niet gegarandeerd is dat anderen zich altijd om je bekommeren. Waarin je buiten dat kleine eilandje van het gezin waarin je opgroeit, een plaats moet zien te verwerven. Moet leren om te gaan met de uitdagingen van eenzaamheid en statuscompetitie. Dus met de uitdagingen van sociale onveiligheid.

En daar ligt het gevaar van die psychologische starheid op de loer. Meer daarover in volgende berichten. Hier het volgende bericht.

vrijdag 17 januari 2020

Is zelfbewustzijn iets wat onze hersenen leren om te doen? - deel 3

Dat zelfbewustzijn iets is wat onze hersenen leren om te doen, is niet een gekke gedachte als je bedenkt dat leren en ergens wel of niet een besef van te hebben met elkaar in verband blijven staan ook nadat het zelfbewustzijn is ontwikkeld. Zie hier het vorige bericht.

De auteurs van Learning to be conscious illustreren dat met het voorbeeld van het effect van verworven expertise. Als je geen wijnkenner bent, kun je natuurlijk wijn proeven. Maar als je door vaak te proeven wijnkenner bent geworden, proef je, en heb je een besef van, allerlei smaakeffecten die je eerst niet had. Je hebt geleerd je ergens van bewust te zijn. In de trant van "O ja, nu proef ik kersen, dat had ik eerst niet door."

Andersom kun je iets ook zo goed geleerd hebben dat er een "automatische piloot" gaat werken, die maakt dat je je niet meer echt bewust bent van wat je doet.  Dat merk je bijvoorbeeld bij een fietstochtje over een bekend parcours als je je ineens realiseert dat je net een flink stuk van dat parcours hebt afgelegd waarvan je je niets kunt herinneren. Je hebt er geen bewustzijn bij gehad. Of je merkt het doordat die automatische piloot een foutje heeft gemaakt. Ik ging lang geleden eens met de auto naar mijn werk terwijl ik dat altijd op de fiets deed. Bij stoplichten links afslaand stuurde mijn automatische piloot mij het fietspad op. Na zo'n honderd meter drong dat tot mijn bewustzijn door, schrok ik en kon ik gelukkig snel de weg weer op.

Dat verband met leren wijst er op dat je naar zelfbewustzijn moet kijken in het kader van de aanpassing aan de omgeving. Voor die aanpassing hebben je hersenen informatie over die omgeving nodig, voor de verwerking waarvan niet per se bewustzijn nodig is. Ook voor je bewustzijn was "doorgebroken" toen je bijna twee jaar was, had je al leren lopen. En een stukje fietsen op de automatische piloot blijkt heel goed te kunnen.

In termen van de auteurs gaat het om de tussenliggende afbeeldingen van de werkelijkheid, dus tussen die van het onbewuste leren en die van de automatische piloot, waar we ons expliciet van bewust zijn en die in het kader staan van de bewuste controle over ons gedrag.

Bewustzijn houdt dus in dat we een afbeelding tot onze beschikking hebben (een meta-afbeelding) van een afbeelding van de werkelijkheid die we door waarneming en ons eigen gedrag onbewust geleerd hebben. De auteurs illustreren dat met de volgende twee plaatjes.


Links zien we hoe het ontstaan van zo'n meta-afbeelding er uit zou kunnen zien. In het blauwe vak leren de hersenen een onbewust afbeelding van de werkelijkheid te maken. Je ziet wat, je loopt er om heen of je manipuleert het en die informatie verwerk je tot een afbeelding. Alles nog onbewust. En alles in het kader van de succesvolle aanpassing aan de omgeving, waarbij het noodzakelijk is om de wereld te kennen. Om te weten waar je je op welk moment het beste kunt bevinden. Om te weten of de situatie veilig dan wel gevaarlijk is. En dus om te weten wat je moet doen.

Van die afbeelding ontstaat een meta-afbeelding, het bruine vak. Rechts zie je hoe de opstapeling van zulke afbeeldingen en meta-afbeeldingen door de tijd heen met elkaar gaan samenhangen, geïntegreerd worden, tot een globale werkruimte, een beeld van jezelf in de wereld.

Merk op dat er in het linker plaatje boven langs een lus loopt die self-other loop genoemd wordt. En die is essentieel in het gehele proces. Want die interactie met anderen leidt er toe dat je een afbeelding kunt maken van iemand zoals jij zelf, van een "ik" die model kan staan voor jouw "ik". En van waaruit je naar jezelf kunt kijken. Met als uitkomst jouw zelfbewustzijn. Hier een wat langer citaat:
This third, ‘self–other loop’, we argue, is the scaffolding that makes it possible for an agent to redescribe its own activity to itself [92]; for now it is endowed with an (implicit, unconscious, enactive, embodied) internal model of what it takes to be an agent [93], precisely what social theories of consciousness have proposed [19., 20., 21.]. This proposal is supported by the hypothesis that theory of mind [94,95] can be understood as rooted in the very same mechanisms of predictive redescriptions as involved when interacting with the world or with oneself [18]. Rather than seeing such redescriptions as internally generated, qualitatively different representations of discrete knowledge about the world, the ‘social’ redescription is an ongoing learning process driven by increasingly complex interactive contexts [96], such as when moving from dyadic to triadic interaction, for instance [97]. Social context as a driving force for learning has, indeed, been recognized in language learning [98], child development [99], and social cognition [100].
Thus, something unique happens when a developing agent has models of itself available to it [18] in the form of other agents, of which it can infer the unobservable internal states merely by interacting with them [101,102]. Selves are thus embodied, virtual, and transparent renditions of the underlying biological machinery [103] that produces them and emerge progressively over development as a mandatory consequence of dynamic interactions with other agents [19,92]. (…)
In this light, the social world is thus instrumental in generating conscious experience, for something special happens when we try to build a model of the internal, unobservable states of agents that are just like ourselves [16,17].
De auteurs hebben het niet over spiegelneuronen, maar het bestaan ervan lijkt me in deze weergave onmisbaar. Zie het bericht Spiegelneuronen, nadenken en intuïtie.

Dat zelfbewustzijn ontstaat in en door sociale interactie is te begrijpen als een extra stap in de aanpassing aan de omgeving. Ten behoeve van die aanpassing moeten we de wereld leren kennen en begrijpen. Dus voortdurend onze eerste orde afbeeldingen bijstellen en verbeteren. Dat lukt extra goed als we via onze tweede orde afbeeldingen, ons besef van dat we iets denken te weten, met anderen kunnen communiceren. Om zo wat we denken te weten te kunnen checken aan wat anderen denken te weten.

Dat was in het verleden nodig om goed te kunnen samenwerken. En dat was nodig om te kunnen overleven.

En het was ook de grondslag waarop cultuur kon ontstaan. En wetenschap.

woensdag 15 januari 2020

Is zelfbewustzijn iets wat onze hersenen leren om te doen? - deel 2

Wat gebeurt er na onze geboorte dat maakt dat we ergens aan het eind van ons tweede levensjaar zelfbewustzijn hebben ontwikkeld? Volgens de studie Learning to be conscious leren onze hersenen gedurende die periode om zich van zichzelf bewust te zijn. Zie hier het vorige bericht.

Als je je van jezelf bewust bent, dan neem je niet alleen jezelf en je omgeving waar, maar je hebt er ook een besef van dat je dat doet. In termen van de auteurs van die studie houdt zelfbewustzijn in dat je in staat bent om een afbeelding tot je beschikking te hebben van een toestand buiten jezelf (een eerste orde representatie) en daarbovenop een afbeelding van het gegeven dat je die afbeelding tot je beschikking hebt (een tweede orde representatie).

Zoals in het bericht Het ontstaan van zelfbewustzijn bij kinderen en de vroegste herinnering omschreven als "Als je dit leest, ben je in staat om het besef te hebben "ik lees dit"".

Wat houdt "ik" precies in? Ik zocht het nog even op bij Antonio Damasio in zijn Het zelf wordt zich bewust. Hersenen, bewustzijn, ik. Damasio maakt het onderscheid tussen het kernbewustzijn en het uitgebreid of biografisch bewustzijn, die in reikwijdte verschillen (p. 195-6):
Minimale reikwijdte geeft ruimte aan een zelfbesef waarbij je bijvoorbeeld thuis een kop koffie drinkt en je niet druk maakt over de herkomst van het kopje of de koffie, of over je hartslag, of over wat je vandaag moet doen. Je bent rustig aanwezig in het moment.
Dan gaat het om het bewustzijn van minimale reikwijdte, het besef van het 'hier-en-nu'. Dit kernbewustzijn "gaat over een persoon zijn, maar niet noodzakelijk over identiteit."
Vergelijk dat eens met net zo'n kop koffie drinken in een restaurant waar je hebt afgesproken met je broer die over de erfenis van je ouders wil praten, en over hoe je halfzuster, die een beetje vreemd doet, moet worden benaderd. Je bent nog steeds zeer aanwezig en 'in het moment' (…), maar nu wordt je ook beurtelings meegenomen naar talrijke andere plaatsen, met veel andere mensen én je broer (…). Fragmenten van hoe je leven is geweest stelt je geheugen snel ter beschikking, en fragmenten van hoe je leven al dan niet zou kunnen worden, zoals je je dat vroeger hebt voorgesteld of zoals je dat nu doet, maken ook deel uit van dit ervaringsmoment. Je bent in alle opzichten druk bezig met talrijke perioden van je leven, voorbije en toekomstige. Maar jij, dat wil zeggen, het mij in jou, verdwijnt nooit uit zicht.
Daar hebben we te maken met het uitgebreide of autobiografische bewustzijn, wat niet alleen gaat over een persoon zijn, maar ook over het autobiografische zelf.

De auteurs van die studie Learning to be conscious maken dit onderscheid niet, maar ik denk dat ze het in de eerste plaats hebben over het kernbewustzijn. Want als je als bijna tweejarige voor het eerst je van jezelf bewust bent, dan kan er niet veel meer zijn dan dat aanwezig zijn in het moment. Het hier en nu. Later, en op basis daarvan, groeit het uitgebreide of autobiografische bewustzijn.

Ik denk even aan mijn vroegste herinnering, toen mijn iets oudere nichtje mij vertelde dat "ze (mijn moeder en mijn tante) het over jou hebben". Dat zou wel eens het moment geweest kunnen zijn dat mijn zelfbewustzijn doorbrak.

Maar dat moet dan het kernbewustzijn geweest zijn. Ik besefte dat ik een persoon was. En ik besefte wat er gebeurde. Maar ik was in dat moment. Er was nog geen identiteit en geen autobiografie, maar die konden wel vanaf dat moment worden opgebouwd.

Daarna is het nog wel mogelijk dat alleen dat kernbewustzijn aanwezig is, dat je rustig aanwezig bent in het moment. Maar dat lijkt een niet-alledaagse toestand, waar mensen misschien wel een mindfulness training voor nodig hebben.

Daarvoor zijn dus onze hersenen bezig met een leerproces dat er in uitmondt dat op een gegeven moment dat kernbewustzijn er is. Daarover meer in het volgende bericht.

dinsdag 14 januari 2020

Is zelfbewustzijn iets wat onze hersenen leren om te doen? - deel 1

Wat speelde er zich allemaal precies af gedurende de evolutionaire ontwikkeling van de eerste dieren, dus organismen die zichzelf kunnen voortbewegen, naar het ontstaan van het vermogen tot zelfbewustzijn, zoals bij mensen?

Die intrigerende en veelomvattende vraag kwam bij me op toen ik het net verschenen Learning to Be Conscious onder ogen kreeg.

We weten dat de eerste zichzelf voortbewegende organismen, dieren dus, meteen voor de uitdaging kwamen te staan om uit te vinden waar ze zichzelf op welk moment het beste konden bevinden. Met het oog op hun voortbestaan en hun voortplanting. Met het gegeven dat de omgeving heterogeen is naar gunstige en ongunstige eigenschappen.

"Gunstig" staat voor veiligheid en "ongunstig" voor gevaar. En omdat organismen energie nodig hebben, dus voedsel, concurreren ze met elkaar in het verkrijgen van toegang tot energie Naast de concurrentie in de toegang tot voortplantingsmogelijkheden. Bovendien zijn ze ook zelf een bron van energie, dus een mogelijke prooi, voor anderen.

Daardoor ontwikkelde zich bij dieren een zenuwstelsel dat voortdurend op basis van informatie vanuit de zintuigen over de omgeving risico's beoordeelt. Stephen W. Porges noemt dat neuroceptie: een onderbewust systeem voor de detectie van gevaar en veiligheid (p. 37-8):
In het erfelijk materiaal van onze soort ligt een onbewust proces van neuroceptie besloten dat plaatsvindt in primitieve delen van onze hersenen. De inschatting van een persoon als veilig of gevaarlijk leidt tot prosociaal of defensief gedrag. Dat gebeurt via een neurobiologisch proces. Hoewel we op cognitief niveau misschien niet bewust gevaar detecteren, kan ons lichaam op neurofysiologisch niveau al een reeks neurale processen zijn gestart ter voorbereiding op bepaald adaptief verdedigingsgedrag zoals vechten, vluchten of bevriezen.
Dat proces van het detecteren van gevaar en veiligheid heeft natuurlijk een input nodig van ervaring met de omgeving, waardoor informatie binnenkomt in de vorm van signalen die met gevaarlijke dan wel veilige situaties in verband blijken te staan. Dat begint uiteraard vanaf de geboorte. En het allereerste signaal voor veiligheid is de mate van vertrouwdheid van de omgeving.

Zolang je je immers ergens bevindt en nog in leven bent, is kennelijk de plaats waar je je bevindt een veilige plek. Vandaar dat de eerste diervormen, de ediacarische biota, waarschijnlijk op weg waren naar waar ze vandaan kwamen. Zoals bleek uit het bericht Ontstond de hang naar vertrouwdheid op het moment in de evolutie dat levende wezens zich gingen voortbewegen?

Inherent aan het je kunnen voortbewegen is dus het vermogen tot waarneming van de omgeving. En van de veranderingen daarin. Maar als je die veranderingen waarneemt, is het wel zaak om die te kunnen onderscheiden van de veranderingen die jij met jouw voortbeweging en gedrag zelf teweegbrengt. Je moet een besef hebben van je eigen lichaam en daarmee van de effecten van je gedrag op de omgeving. Zie het bericht Wat was er voor we ons zelfbewustzijn hadden ontwikkeld? Over het "besef" van het eigen lichaam. 

Wat ook meteen de grondslag is voor je vermogen om te leren. Het besef van het eigen lichaam behelst het vermogen om je eigen gedrag als zodanig te herkennen en daarmee ook de effecten van je gedrag. Effecten op de omgeving, maar ook op je eigen lichaam, al was het maar ter voorkoming van zelfbeschadiging.

Het besef van wat je teweegbrengt. Met meteen dus het vermogen om te beoordelen of het effect bijdraagt tot jouw veiligheid of juist het gevaar vergroot. Ben ik op de goede weg? Of juist niet? Vragen die een organisme ook zonder zelfbewustzijn kan beantwoorden.

Je zou kunnen zeggen dat dat besef van het eigen lichaam een eerste stap is op weg naar zelfbewustzijn. Dat wil zeggen naar het vermogen van mensenkinderen om laat in het tweede levensjaar ineens dat zelf bewustzijn te hebben. 

Maar wat zit daar allemaal tussen in? Volgens dat artikel waar ik in het begin van dit bericht naar linkte (Learning to Be Conscious) is zelfbewustzijn een proces dat onze hersenen, in die bijna twee jaar, leren om te doen:
consciousness is something that the brain learns to do, by which we mean to suggest that phenomenal experience, rather than being an intrinsic property of some patterns of neural activation, should instead be viewed as the product of active, plasticity-driven mechanisms through which the brain learns to redescribe its own activity to itself.
Dat is een intrigerende gedachte. In een volgend bericht een poging om daar meer helderheid over te krijgen. Zie hier dat volgende bericht.

maandag 11 november 2019

Meer over de sociale oorsprong van zelfbewustzijn - bij mensen en bij chimpansees

Laat in ons tweede levensjaar heeft zich bij ons het zelfbewustzijn ontwikkeld. Zie het bericht Het ontstaan van zelfbewustzijn bij kinderen en de vroegste herinnering.

Die overgang van het niet naar het wel "hebben" van zelfbewustzijn wordt door onderzoekers vastgesteld met de spiegeltest. Voorafgaand aan die overgang geef je er geen blijk van dat je jezelf in een spiegel herkent, daarna wel. Als er nog geen zelfbewustzijn is, is er wel het besef van het eigen lichaam, dat we met andere diersoorten gemeen hebben.

Waardoor is het zo dat wij wel zelfbewustzijn ontwikkelen (en met ons enkele andere primaten, zoals chimpansees) en andere diersoorten niet (mogelijke uitzonderingen zijn onder meer olifanten en dolfijnen)?

Een bekend antwoord daarop is de sociale cognitie hypothese, die al in 1982 werd opgeworpen door Gordon Gallup in Self‐awareness and the emergence of mind in primates. Het houdt in dat het vermogen tot zelfbewustzijn een bijproduct is van de evolutie van vaardigheden om in een groep te functioneren. Voor dat functioneren helpt het om je bedoelingen over te kunnen brengen op anderen (communiceren), om je in anderen te kunnen verplaatsen en om te beseffen dat anderen een blik op de wereld kunnen hebben die anders is dan die van jou (Theory of Mind).

Met die hypothese komt overeen dat het zelfbewustzijn zich ontwikkelt in en door sociale interactie met vertrouwde anderen, zoals ik beschreef in dat bericht Het ontstaan van zelfbewustzijn bij kinderen en de vroegste herinnering:
Als wij, volwassenen en oudere kinderen, het kind maar genoeg engageren, wat het trouwens gemakkelijk zelf uitlokt, dan "groeit" dat zelfbewustzijn.
En dat lijkt dus sterk op hoe wij onze eerste taal leren. In dat bericht ging het ook over onderzoek dat het vermoeden van dat sociale karakter van zelfbewustzijn ondersteunt: Social awareness and early self-recognition.

Meer ondersteuning komt er nu van het onderzoek Mirror self-recognition and its relationship to social cognition in chimpanzees, waaruit blijkt dat bij chimpansees het doorstaan van de spiegeltest samenhangt met prestaties op verschillende testen voor sociale cognitie. Chimpansees die zichzelf in de spiegel herkennen zijn sociaal vaardiger dan degenen die dat niet doen, in de zin dat ze begrijpen wat het is om iets aan te wijzen en om aandacht te vragen, dat ze iemands blik volgen, dat ze het doorhebben als ze geïmiteerd worden en dat ze een besef hebben van het unieke gezichtspunt van een ander, dus doorhebben wat een ander vanuit zijn positie wel en niet kan waarnemen (perspective taking).

Dat zelfbewustzijn die sociale oorsprong heeft, en dus al bij chimpansees aanwezig is, doet vermoeden dat verschillen in de wijze van groepsleven tussen chimpansees en mensen iets vertellen over wat zelfbewustzijn in beide gevallen inhoudt. We kunnen er hetzelfde woord voor gebruiken, maar dat chimpansee-bewustzijn en mensen-bewustzijn niet identiek aan elkaar zijn, lijkt waarschijnlijk.

En dat zal ermee samenhangen dat de chimpanseegroep het karakter heeft van een statushiërarchie, terwijl de menselijke egalitaire jagers-verzamelaarsgroep sterk gebaseerd is op samenwerken en delen. Voor dat samenwerken en delen, en dus voor de daarvoor benodigde onderdrukking van de statuscompetitie, lijken veel verder ontwikkelde sociale en communicatieve vaardigheden nodig te zijn dan voor het in standhouden van een statushiërarchie.

Dat zou verklaren waarom mensen wel taal ontwikkelden en chimpansees niet.

Wat ook weer invloed moet hebben gehad op de aard van ons zelfbewustzijn. Want die taal heeft het mogelijk gemaakt dat ons zelfbewustzijn ook inhoudt dat we een innerlijke dialoog kunnen voeren, onszelf kunnen toespreken. Zonder taal zal dat bij een chimpansee niet zo goed lukken, ook al is er zelfbewustzijn.

dinsdag 16 juli 2019

Wat was er voor we ons zelfbewustzijn hadden ontwikkeld? Over het "besef" van het eigen lichaam

Zelfbewustzijn ontstaat bij kinderen zo ongeveer in de tweede helft van het tweede levensjaar. Als het er is, dan zijn kinderen in staat om de spiegeltest te doorstaan. Om zichzelf in de spiegel te herkennen. Zie het bericht Het ontstaan van zelfbewustzijn bij kinderen en de vroegste herinnering.

Met daarin ook de aanwijzingen dat de ontwikkeling van dat zelfbewustzijn een sociaal proces is. Als het kind maar voldoende wordt betrokken in sociale interactie, dan leert het gaandeweg om te kijken naar zichzelf met de blik van anderen. Die voorwaarde van "voldoende sociale interactie" komt ermee overeen dat zelfbewustzijn alleen voorkomt bij bepaalde groepsdieren (chimpansees, olifanten, dolfijnen en mensen).

Maar wat is er dan precies bij kinderen jonger dan anderhalf jaar dat het mogelijk maakt om die stap naar zelfbewustzijn te maken? Omdat dat de periode is van de childhood amnesia, waar we dus geen expliciete herinnering aan hebben, kunnen we ons daar moeilijk een beeld van vormen. Hoe is het om (nog) geen zelfbewustzijn te hebben? Er is iets niet, maar wat is er dan wel?

Een intrigerende vraag, ook al omdat hij ook gaat over onze relatie tot alle andere dieren die zelfbewustzijn ontberen. Wat gebeurt er precies als je met je kat of met je hond communiceert? Wat "denkt" dat beest als jij denkt dat hij jou "begrijpt"?

Vragen waarop we misschien nooit een antwoord krijgen.

Maar we weten wel iets. Dat realiseerde ik me toen ik Other Minds. The Octopus and the Evolution of Intelligent Life van Peter Godfrey-Smith las.

Want daarin vertelt Godfrey-Smith wat de evolutionaire ontwikkeling van organismen die zichzelf kunnen voortbewegen, dieren dus, met zich mee heeft gebracht. Als je je zelf kunt voortbewegen, kruipen, lopen, zwemmen, springen, vliegen, dan maakt het voor je overleving en voortplanting wat uit waar je op welk moment bent. (Terzijde: denk ook even terug aan het bericht Ontstond de hang naar vertrouwdheid op het moment in de evolutie dat levende wezens zich gingen voortbewegen?)

Je moet gevaren vermijden en op tijd voedsel en voortplantingsmogelijkheden vinden, met als restrictie dat voortbeweging energie kost. Dus moet je je omgeving kunnen leren kennen en daarvoor is waarneming nodig. Kijken, horen, voelen, ruiken.

Daardoor ben je in staat om veranderingen in je omgeving waar te nemen. Maar om daar goed op te kunnen reageren, moet je ook in staat zijn om die veranderingen te onderscheiden van de veranderingen die jijzelf teweegbrengt. Je moet dus een besef hebben van wat jijzelf doet en dus van je eigen lichaam. Godfrey-Smith geeft het voorbeeld van de regenworm (p. 83):
An earthworm withdraws when something touches it - the touch might be a threat. But every time the worm crawls forward, it causes part of its body to be touched in just the same way. If it withdrew at every touch, it could never move at all. The worm succeeds in moving forward by canceling the effects of those self-produced touches.
Dieren kunnen dus niet zonder een "besef" van hun eigen lichaam en lichaamsbewegingen. Waardoor ze ook in staat zijn om te "beseffen" dat een object hetzelfde object blijft ook als de positie van waaruit jij het waarneemt, verandert. Dat lijkt een heel eenvoudige vaardigheid, maar probeer je eens voor te stellen hoe die in de evolutie is ontstaan.

Dus: wat was er voor we zelfbewustzijn ontwikkelden? Een "besef" van ons eigen lichaam. En daarmee het vermogen tot waarneming. (Besef steeds tussen aanhalingstekens, omdat we niet goed weten wat dat eigenlijk inhoudt.)

Wel heel toevallig dat ik net vanochtend de mooie studie The Development of Body Self-Awareness onder ogen kreeg. Uit 2007, maar niet eerder opgemerkt. De onderzoekers, onder wie Chris Moore en Daniel J. Povinelli, gingen na of kinderen rondom de anderhalf jaar in staat waren om een speelgoedwinkelkarretje voort te bewegen terwijl daar een matje aan was bevestigd waarop je zou staan als je probeerde om het voort te duwen. Kinderen die er niet in slaagden om het karretje voort te duwen, omdat ze zelf op het matje stonden, hadden kennelijk nog niet een besef van hun eigen lichaam. Als ze er wel in slaagden, gingen ze naast het matje lopen.

Het bleek toen dat er een verband was tussen het succes bij de spiegeltest en bij het oplossen van het matjesprobleem. Kinderen die duidelijk voor de spiegeltest slaagden en waarbij dus het zelfbewustzijn was ontwikkeld, hadden snel door dat ze niet op het matje moesten lopen.

Maar dat het verband niet sterk was, wijst erop dat het "besef" van het eigen lichaam en het zelfbewustzijn niet aan elkaar gelijk zijn. Er waren kinderen die nog niet de spiegeltest doorstonden, dus nog niet zelfbewustzijn hadden, die met wat trial and error er wel in slaagden om het karretje voort te duwen. Dus wel een "besef" hadden van hun eigen lichaam. In de woorden van de onderzoekers:
But what counts as having an objective sense of self? On the one hand, representing self from an objective point of view entails understanding that the self is a unique object. The mirror self-recognition task reveals young children’s awareness of the self as a particular entity—the self is a person who can be differentiated from other people based on visual appearance. On the other hand, representing the self objectively entails recognizing that the self is also an object like other objects—it has physical properties that play a causal role in the world of objects. The shopping cart task assesses this aspect of the self.
Om een besef te krijgen van wat het betekent om geen zelfbewustzijn te hebben, kun je dus proberen om je te verplaatsen in dat kind dat zich niet zelf herkende in de spiegel, maar wel in staat was om te "beseffen" dat je niet een karretje kunt voortduwen als jezelf op het matje staat dat daaraan vastzit.

dinsdag 22 augustus 2017

Is het verdringen van het doodsbesef een sociaal proces? - VPRO Zomergasten in 5 minuten: Frans de Waal

Ik was niet in de gelegenheid om de aflevering van Zomergasten met Frans de Waal in zijn geheel live te zien. Ik ga nog naar Uitzendinggemist. Het filmpje hieronder geeft een ultrakorte samenvatting, waarin het o.a. gaat over Donald Trump als alfa-man en (slechte) leider.



In het (laatste) gedeelte, dat ik wel zag, komt een ontroerende scène voor waarin Jan van Hooff afscheid neemt van chimpansee Mama, die stervende is. Mama speelde heel lang een centrale rol in de chimpansee-kolonie van Burgers Dierenpark in Arnhem. Frans de Waal schrijft over haar in Chimpansee politiek. Macht en seks bij mensapen:
Mama neemt in de groep een centrale plaats in. Ze zorgt voor stabiliteit en verzoening. Bovendien is ze de leidster van de gezamenlijke vrouwelijke macht. Geen van de mannen kan om haar heen.
In die scène gaat Jan van Hooff de kooi binnen waarin Mama op haar sterfbed ligt, streelt hij haar en buigt hij zich over haar heen. De communicatie die dan plaatsvindt, is heel ontroerend. Je kunt die scène ook hier bekijken: Jan van Hooff visits chimpanzee "Mama", 59 yrs old and very sick.

In het gesprek met Frans de Waal komt de vraag op of chimpansees het doodsbesef kennen. Frans zegt daarover dat ze duidelijk wel het besef van sterfelijkheid hebben als een ander lid van de groep overlijdt. Maar of ze ook de notie kennen dat hun eigen leven eindig is, en of ze daar bij stil staan, dat weten we eigenlijk niet.

Maar wij mensen dan? Ja, wij "weten dat", maar wat betekent dat? In de uitzending zijn Frans en Janine het erover eens dat wij het besef van onze eigen sterfelijkheid "voor ons uit schuiven" en "verdringen".

En dat is natuurlijk zo. Maar waaruit bestaat dat verschil met de chimpansees dan precies, vroeg ik me af.

Omdat wij over grotere cognitieve vermogens beschikken, die we gedurende het opgroeien ontwikkelen, komt er onvermijdelijk ergens in onze vroege jeugd, nadat ons zelfbewustzijn is ontwikkeld, het moment dat we er voor het eerst bij stilstaan dat we ooit zullen doodgaan. Dat dan ons leven is afgelopen.

Ik heb daar zelf een levendige herinnering aan. Ik beleefde het als een soort paniekaanval. Misschien gebeurt dat bij iedereen, want evolutionair gezien zijn we er eigenlijk alleen op voorbereid om te overleven.

Maar ik herinner me ook dat ik daar met niemand over sprak. Ik denk dat ik vermoedde dat ik de enige was die bij dat probleem van het doodgaan stilstond en zich daar druk over maakte. Wat me ertoe aanzette om daar dan maar mee op te houden.

Zou het zo zijn dat het verdringen van het doodsbesef een bij uitstek sociaal proces is? Iedereen weet het wel, maar niemand heeft het erover. Waardoor het gewone leven zijn loop kan hebben.

En zo lossen we samen het probleem op waar onze cognitieve vermogens ons, als een vervelend neveneffect, mee hebben opgezadeld: het besef van onze sterfelijkheid.

Zie hier mijn eerdere berichten achter het label Frans de Waal.