Posts tonen met het label Rudi Wielers. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Rudi Wielers. Alle posts tonen

dinsdag 4 november 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 20 - Er was geen vak dat er aan had kunnen bijdragen dat het nooit weer zou gebeuren.

Waar waren we gebleven? De sociologie in de tijd dat ik studeerde leed aan twee mankementen: dat van een curieuze wetenschapsopvatting en dat van de fictie van het eigen domein. Aan hoe het vak daarmee omging, zijn drie richtingen te onderscheiden. De eerste was die van de variabelensociologie, dus van zo veel mogelijk empirie en zo weinig mogelijk theorie. De tweede was die van de macrosociologie en de derde die van het het niet zo serieus nemen van die wetenschapsopvatting en van het eigen domein. We waren nog bezig met die richting van de macrosociologie. Hier het vorige bericht..

Die macrosociologie was er in twee gedaanten, die van het structureel-functionalisme en die van de marxistische sociologie. Voor ik naar die tweede overga eerst nog een enkele opmerking over het structureel-functionalisme.

De kern daarvan was de gedachte van de maatschappij als een sociaal systeem dat altijd naar een nieuw evenwicht tendeert, dat ook altijd het goede evenwicht is. Met de veronderstelling van een onbeperkt flexibele menselijke sociale natuur die geheel ondergeschikt is aan wat het systeem vraagt. Die veronderstelling leefde trouwens breder dan alleen in het vak sociologie. 

Het was de tijd van het Standard Social Science Model (SSSM), de term die de psychologen Leda Cosmides en John Tooby er in 1992 aan gaven. De menselijke sociale natuur zou figureren als een leeg blad (blank slate) dat door de invloed van de sociale omgeving, door de cultuur, dus top down, beschreven wordt (cultureel determinisme). Daartegenover bepleitten ze een psychologie die er juist uitdrukkelijk op gebaseerd is dat de mens een biologisch organisme is, dat dus het resultaat is van een evolutionair proces. Hun conclusie daaruit was dat de menselijke geest bestaat uit een soort blokkendoos van special-purpose modules, die zich in een proces van natuurlijke selectie ontwikkelden als oplossingen voor de uitdagingen waar mensen in het verre verleden aan blootstonden. Een bekend voorbeeld van zo'n module is de vaardigheid om snel bedrog te ontdekken (het cheater-detection mechanism). 

Steven Pinker betoogt in zijn The Language Instinct (1994) dat de invloed van de veronderstellingen van dat SSSM niet beperkt bleef tot de sociologie, maar zich zelfs uitstrekte tot het gehele "moderne intellectuele leven", waar het zelfs de vorm van een ideologie aannam (p.405-6): 

Modern intellectual life is suffused with a relativism that denies that there is such a thing as a universal human nature (...)
The doctrine underlying that relativism, the Standard Social Science Model (SSSM), began to dominate intellectual life in the 1920s. (...)
The SSSM has not only been the foundation of the study of humankind within the academy, but serves as the secular ideology of our age, the position on human nature that any decent person should hold. 

Op die kenschets van het vak psychologie is ook wel weer kritiek gekomen. David S. Wilson laat zien dat de waarheid ergens in het midden ligt tussen de blank slate-psychologie en de blokkendoos-psychologie (Evolutionary Psychology and the Standard Social Science Model: Regaining the Middle Ground). Bovendien wijst hij op interessante ontwikkelingen in de toegepaste psychologie, waar therapeuten zich weinig aantrokken van de academische discussies. En daar duikt de naam op van Steven C. Hayes, die we al tegenkwamen toen het over de menselijke neiging tot psychologische starheid ging, als een inadequate reactie op het ervaren van sociale onveiligheid.

Maar dan hebben we het over de latere ontwikkeling van het vak psychologie. Wat de sociologie betreft, liggen de zaken duidelijk anders. Er was voor Rudi Wielers en mij in 1999 nog meer dan genoeg reden om sociologen op te roepen zich meer open te stellen voor de biologie en mijn indruk is dat je een kwart eeuw later niet kunt zeggen dat die oproep veel heeft uitgehaald. En mijn in 2020 biologisch en neurofysiologisch onderbouwde sociaalwetenschappelijk zicht (Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen) is in het vak een wel heel vreemde eend in de bijt.

Terug naar de tijd dat ik studeerde. Dat het structureel-functionalisme toen zo veel invloed had, betekende dus ook dat het vak sociologie toen sterk neigde naar een toeschouwersrol. Er ontbrak een theoretisch kader waarmee de bestaande toestand van de samenleving kon worden beoordeeld. Waarmee beleidsvoorstellen konden worden gedaan voor verbetering, voor het dichterbij brengen van een toestand die meer tegemoetkomt aan de menselijke sociale natuur, aan wat mensen kunnen en willen. Want de maatschappij moest gezien worden als een sociaal systeem en dat zou uit zichzelf altijd wel in het goede evenwicht terechtkomen.

Vandaar dat het vak sociologie niet of nauwelijks een rol speelde, ja, zich terughoudend opstelde, in de naoorlogse opbouw van de verzorgingsstaat. Dat was een duidelijke ontwikkeling in de richting van de sociaal superieure toestand van het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon. En een duidelijke reactie op het meegemaakt hebben van de sociaal inferieure toestand van een veroveringsoorlog, de bezetting en de genocide van de Holocaust. 

Er was dus geen wetenschappelijk vak dat in staat was om wat er zich had afgespeeld theoretisch te verwerken en dat de opgedane inzichten kon uitdragen. Dat er aan had kunnen bijdragen dat het nooit weer zou gebeuren.

Dat is om over na te denken nu we wederom te maken hebben met de dreiging van een ontwikkeling naar een sociaal inferieure toestand. Hier het vervolg.

vrijdag 9 september 2022

Over de biologievrije sociale wetenschap. En over Charles Darwin, de Polyvagaaltheorie en het werk van Bessel van der Kolk.

De sociologie, en algemener de sociale wetenschappen, hebben zich grotendeels ontwikkeld zonder voort te bouwen op inzichten uit de biologie en dus op het gegeven dat menselijk gedrag op basaal niveau sterk overeenkomt met dat van andere organismen, in het bijzonder met dat van zoogdieren. Anders gezegd, zonder zich er systematisch rekenschap van te geven hoe sterk het menselijk gedrag wordt beïnvloed door het autonome zenuwstelsel, dat we delen met andere zoogdieren. Natuurlijk zijn er specifiek menselijke aspecten van ons gedrag (taal, cultuur, wetenschap), maar het lijkt bij voorbaat geen goed idee om je als sociale wetenschap daartoe te beperken. 

Die ontwikkeling heeft ertoe geleid dat vele generaties onderzoekers zijn opgeleid en gesocialiseerd in een biologievrije sociale wetenschap. En normaal zijn gaan vinden wat eigenlijk al op het eerste gezicht eigenaardig is. Toch zijn er al wel pleidooien geweest om die normale toestand te doorbreken. Zo hielden Rudi Wielers in 1999 zo'n pleidooi: Sociale wetenschappen in ontwikkeling. Waarom sociologen zich moeten openstellen voor de biologie.

Wat er zich meteen aan je voordoet als je wel oog hebt voor dat basale niveau van het menselijke gedrag is het grote gewicht van het verkeren in een toestand van veiligheid dan wel onveiligheid. Zoals alle organismen is de mens het product van een evolutionair proces, dat eigenschappen heeft geselecteerd die in het verleden bijdroegen tot overleving en reproductie. Cruciaal daarin is het vermogen om voor overleving en reproductie gunstige (veilige) en voor overleving en reproductie ongunstige (onveilige) omgevingstoestanden te onderscheiden en er zo goed mogelijk op te reageren. 

Ons autonome zenuwstelsel herbergt precies dat vermogen. En de polyvagaaltheorie van Stephen W. Porges verschaft ons de tot nu toe meest volledige beschrijving ervan. Zie het vorige bericht. Mensen zijn er op gericht om, juist ook onbewust (neuroceptie), de omgeving op veiligheid of onveiligheid te scannen. In geval van veiligheid is er ruimte voor sociale betrokkenheid en dus voor samenwerking en delen. Wat in de Dual Mode-theorie gemeenschapsgedrag wordt genoemd. En in geval van onveiligheid zijn er, afhankelijk van de omstandigheden en de individuele geschiedenis, de vechtreactie, de vluchtreactie en de immobilisatie met angst (het bevriezen of verstijven), Varianten van wat in de Dual Mode-theorie statuscompetitiegedrag wordt genoemd. Daar komt bij dat mensen elkaar veiligheid kunnen verschaffen, door dat gemeenschapsgedrag, maar ook onveiligheid, namelijk door de statuscompetitie aan te gaan.

In het vorige bericht vermeldde ik al dat die polyvagaaltheorie vooral is ontwikkeld in de context van de behandeling van psychische aandoeningen, in het bijzonder van trauma's, maar dat hij een theoretisch fundament biedt voor de bestudering van menselijk gedrag in het algemeen en voor sociale en maatschappelijke processen. Ik volsta nu maar even met te verwijzen naar veel berichten op dit blog, in het bijzonder de berichten achter het label Dual Mode-theorie. 

In dat vorige bericht noemde ik ook het werk van de psychiater en trauma-onderzoeker Bessel van der Kolk, die gast was in de laatste aflevering van Zomergasten. En ik vermeldde dat ik niet zo goed bekend was met zijn werk en dat ik vermoedde dat je bij hem de immobilisatiereactie tegenkomt als "verdringing" of "dissociatie". 

Welnu, ik heb ondertussen Van der Kolks boek The Body Keeps the Score aangeschaft, in het Nederlands vertaald als Traumasporen. En ik sloeg hoofdstuk 5 op, met de titel Body-Brain Connections. 

Dat begint met een paragraaf over Charles Darwins in 1872 verschenen The Expressions of the Emotions in Man and Animals, waaruit weer eens blijkt hoe ver Darwin zijn tijd vooruit was. Ik citeer maar even (p. 88):

Darwin goes on to observe that the fundamental purpose of emotions is to initiate movement that will restore the organism to safety and physical equilibrium. Here is his comment on the origin of what today we would call PTSD:

Behaviors to avoid or escape from danger have clearly evolved to render each organism competitive in terms of survival. But inappropriately prolonged escape or avoidance behavior would put the animal at a disadvantage in that succesful species preservation demands reproduction which, in turn, depends upon feeding, shelter, and mating activites all of which are reciprocals of avoidance and escape.

In other words: If an organism is stuck in survival mode, its energies are focused on fighting off unseen enemies, which leaves no room for nurture, care and love. For us humans, it means that as long as the mind is defending itself against invisible assaults, our closest bonds are threatened, along with our ability to imagine, plan, play, learn, and pay attention to other people's needs.

En twee bladzijden verder kom je uitgerekend Stephen Porges' Polyvagaaltheorie tegen als een aanpak die op Darwin verder bouwt. En die voor het werk van Van der Kolk zelf van cruciaal belang is geweest (p. 90-91):

The Polyvagal Theory provided us with a more sophisticated understanding of the biology of safety and danger, one based on the subtle interplay between the visceral experiences of our own bodies and the voices and faces of the people around us. It explained why a kind face or a soothing tone of voice ca dramatically alter the way we feel. It clarified why knowing that we are seen an dheard by the important people in our lives can make us feel calm and safe, and why being ignored or dismissed can precipiate rage reactions or mental collapse. It helped us understand why focused attunement with another person can shift us out of disorganized and fearful states.

Dat wist ik dus niet. Dat die polyvgaaltheorie ook voor het werk van Bessel van der Kolk zo belangrijk is geweest. 

Blijft staan dat het belang ervan voor sociaalwetenschappelijk onderzoek nog grotendeels onontgonnen terrein is. Zoals voor onderzoek naar hoe mensen reageren op rampen een grootschalige bedreigingen. Zie weer het vorige bericht. Wordt dus vervolgd.

dinsdag 13 april 2021

Een ontwikkeling die onvoorstelbaar is als je uitsluitend met het standaard economische apparaat naar de wereld zou kijken. - Wat de morele luchtledigheid van het vak economie zoal betekent - deel 2

Iedereen die iets van het vak economie heeft meegekregen weet dat er in het mainstream theoretisch kader van dat vak van wordt uitgegaan dat gemeenschapsgedrag uitsluitend plaats vindt in de kring van het gezin. Ouders zorgen natuurlijk voor hun kinderen. Maar buiten die sfeer van die gezinnen wordt gemeenschapsgedrag geacht niet te bestaan. Niet als een serieuze empirische bewering, maar als een "modelassumptie", waarzonder het hele economische theoretische apparaat dat sinds die waterscheiding aan het eind van de achttiende eeuw (Polanyi) werd ontwikkeld, niet in werking kan treden. Zie het vorige bericht. 

Nu is het legitiem, ja, zelfs onvermijdelijk, om je bij de ontwikkeling van een theorie op veronderstellingen te baseren die abstraheren van de werkelijkheid. Als je altijd alleen maar zo dicht mogelijk bij de waarneembare werkelijkheid wilt blijven, kom je niet verder dan een aaneenrijging van waarnemingen en dat is geen theorie. 

Maar het maakt natuurlijk wel uit wat je weglaat als je abstraheert. Uiteindelijk loopt je theoretische bouwwerk onvermijdelijk op allerlei plekken tegen de werkelijkheid aan. Je doet allerlei voorspellingen die niet blijken uit te komen. En dan komt een moment dat je je achter de oren krabt en je afvraagt of je niet aan het begin iets heel belangrijks hebt weggelaten. Zo worden in feite je modelassumpties alsnog aan de werkelijkheid getoetst.

Momenten dat economen zich achter de oren krabben, of hadden moeten krabben, zijn er al vele geweest. Denk aan het bericht Het eendimensionale economische mensbeeld is niet alleen als mensbeeld onrealistisch, maar ook als venster op wat zich werkelijk in de markt en in de maatschappij afspeelt. Met een verwijzing naar Calculativeness, trust and the reciprocity complex: Is the market the domain of cynicism?, waarin Rudi Wielers en ik erop wijzen dat markten, de echte, niet die uit de economische leerboeken, niet zonder (voldoende) gemeenschapsgedrag zouden kunnen bestaan. Dat gaat over de rol van onderling vertrouwen, die in de economische abstracties geen rol speelt.

Andere momenten zijn er volop geweest als je bedenkt hoe die "bezittersmaatschappijen" (de ownership societies van Piketty) zich na het einde van de achttiende eeuw hebben ontwikkeld. Piketty laat zien hoe vanaf het eerste kwart van de twintigste eeuw in Engeland de extreme ongelijkheid, die in de negentiende eeuw zelfs nog toenam, snel en sterk werd teruggedrongen (hoofdstuk 5. Ownership societies: European trajectories van Capital and Ideology).

Hoe kwam dat? Door uitbreiding van het kiesrecht, door de emancipatiebewegingen van arbeiders en vrouwen en door progressieve belastingheffing. En door de opbouw van de verzorgingsstaat na de Tweede Wereldoorlog ("de gemeenschap, georganiseerd in de staat").

Een ontwikkeling die misschien voor een klein deel valt te verklaren door economische factoren. Maar toch moeilijk te begrijpen als je de rol van bij mensen levende morele gemeenschapsnoties van iedereen telt mee en van rechtvaardigheid zou willen negeren. Noties die via politieke bewegingen, denk aan de sociaaldemocratie, hun weg vonden naar overheidsbeleid. Een ontwikkeling die onvoorstelbaar is als je uitsluitend met het standaard economische apparaat naar de wereld zou kijken. Lees hier het vervolg: Over de strijd tussen de morele gemeenschapsintuïties van de sociaaldemocratie en het amorele vak economie - Wat de morele luchtledigheid van het vak economie zoal betekent - deel 3.

dinsdag 27 oktober 2020

Het eendimensionale economische mensbeeld is niet alleen als mensbeeld onrealistisch, maar ook als venster op wat zich werkelijk in de markt en in de maatschappij afspeelt

Er zijn tenminste twee complicaties van dat primaat van vrijwilligheid dat dient als morele onderbouwing van het geloof in de vrije markt als bron van alle welvaart: de complicatie van de consumentensoevereiniteit en de complicatie van het vetorecht. Zie hier het vorige bericht. 

Volgens het economische leerstuk van de consumentensoevereiniteit zijn mensen zelf de beste beoordelaars van wat goed voor hen is. En is de markt vervolgens, als het geheel van alle vrijwillige transacties, bijna per definitie, de bron van alle welvaart. De markt is immers de sociale ruimte waarin alle vrijwillig gesloten transacties zich afspelen. De markt stelt iedereen in staat om zijn/haar eigenbelang zoals hij/zij dat zelf ziet, na te streven en als iedereen dat dan ook doet, dan is het collectieve resultaat het best denkbare. Economisch gezegd: de markt zorgt voor een eindtoestand die een Pareto-optimaal evenwicht is, in de zin dat er niemand meer is die er beter op kan worden zonder dat anderen er slechter op worden.

Een al bekende tegenwerping is dat er bepaalde goederen en diensten zijn die wel degelijk onze welvaart vergroten, maar die de markt niet goed kan verschaffen. Dat is het leerstuk van het marktfalen. Het gaat om zaken als publieke goederen (schone lucht, biodiversiteit), goederen met externaliteiten (goederen waarvan de productie milieuschade veroorzaakt, vaccinaties), goederen met een natuurlijk monopoliekarakter (waterleidingnet, electriciteitsnet, spoorwegennet, internet, postbezorging) en diensten waarvan de kwaliteit beter door de verschaffer ervan kan worden ingeschat dan door de klant (gezondheidszorg, geneesmiddelen, levensmiddelen). In zulke gevallen is er aanleiding voor overheidsoptreden. Zie Policy Analysis. Concepts and Practice van David L. Weimer en Aidan R. Vining voor een overzicht van argumenten en onderzoek. (Ik gebruikte dat boek ooit in mijn colleges.)

Maar het gaat mij nu om een andere, meer fundamentele tegenwerping, die ik in het vorige bericht al aankondigde. Dat is de tegenwerping dat dit economische marktdenken volledig is gebaseerd op het mensbeeld van de homo economicus, waarin de dualiteit van de menselijke sociale natuur genegeerd wordt. Dat duale mensbeeld, waarin mensen in hun sociale gedrag, afhankelijk van de aard van hun sociale omgeving, dus afhankelijk van wat anderen doen, oftewel gemeenschapsgedrag oftewel statuscompetitiegedrag vertonen, is veel realistischer dan die eendimensionale homo economicus. 

Het berust op het fundamentele empirische inzicht dat mensen zoals alle dieren erop geselecteerd zijn om snel hun sociale omgeving op veiligheid dan wel onveiligheid te beoordelen en hun eigen gedraag daaraan aan te passen. Bij genoeg signalen van gemeenschapsgedrag van anderen, en dus van veiligheid, wordt gemeenschapsgedrag uitgelokt. Maar bij voldoende signalen van statuscompetitiegedrag, en dus van onveiligheid, wordt ook het eigen statuscompetitiepatroon geactiveerd. De evolutie heeft onze sociale natuur flexibel gemaakt. Zie verschillende berichten op dit blog, zoals hier, hier, hier en hier.

Een in het oog springende implicatie daarvan is dat er in het menselijk sociale leven twee evenwichten mogelijk zijn, het gemeenschapsevenwicht en het statuscompetitie-evenwicht. Waarbij alles erop wijst dat dat gemeenschapsevenwicht naar menselijk welzijn en naar onze morele oordelen te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht.

Daarmee wordt het vulgaire economische marktdenken van het neoliberalisme natuurlijk volledig onderuitgehaald, zowel naar empirische inzichten als naar morele beoordeling. Want als je met dat duale mensbeeld naar de markt kijkt, dus naar de reële markt en niet naar het economische ideaalbeeld, dan zie je enerzijds gemeenschapsgedrag, maar anderzijds juist ook veel statuscompetitiegedrag.

Je ziet gemeenschapsgedrag in al die transacties die op onderling vertrouwen gebaseerd zijn. Transacties dus waarin niet alles van te voren contractueel hoeft te worden vastgelegd. Waarin de partijen op elkaars gemeenschapsgedrag vertrouwen. En als je daar goed over nadenkt, dan zie je dat zonder een zekere mate van onderling vertrouwen veel transacties nooit zouden kunnen plaats vinden. Zie ook Het misverstand dat in "de economie" alles draait om concurrentie en zie Calculativeness, trust and the reciprocity complex: Is the market the domain of cynicism? van Rudi Wielers en mij.

En je ziet anderzijds dat de markt en het marktdenken statuscompetitiegedrag uitlokken. Denk aan het onderzoek waaruit bleek dat bankiers in hun positie als bankier oneerlijk zijn, wat wijst op een bankencultuur van bedrog. En denk aan de aanwijzingen dat de markt morele waarden erodeert, dat het studeren van het vak economie studenten minder pro-sociaal maakt en dat werkers in de publieke sector pro-socialer zijn dan die in het bedrijfsleven. O ja, en aan het onderzoek dat wijst op een haasje-over-effect bij de totstandkoming van de hoge beloningen van CEO's van grote ondernemingen, dat wijst op onderlinge statuscompetitie. 

Dat de markt dat statuscompetitiegedrag gemakkelijk uitlokt, heeft ook tot gevolg dat de economie zich nogal eens anders gedraagt dan de economen verwachten. Zo blijkt volgens onderzoekers van de Amerikaanse Centrale Bank statuscompetitie een grote rol te spelen in de groei van de grote ongelijkheid en van de financiële instabiliteit van de afgelopen veertig jaar.

Dat eendimensionale economische mensbeeld is dus niet alleen als mensbeeld onrealistisch, maar ook als venster op wat zich werkelijk in de markt en in de maatschappij afspeelt. Daar zien we niet dat ene optimale marktevenwicht, maar juist zowel bewegingen in de richting van het gemeenschapsevenwicht als bewegingen in de richting van het statuscompetitie-evenwicht.

Dat alles over over de complicatie van de consumentensoevereiniteit en het morele primaat van vrijwilligheid van het neoliberale vulgair-economisch denken. Waar dit meteen op wijst is dat het voeren van overheidsbeleid zacht gezegd gecompliceerder moet zijn dan dat je alles zoveel mogelijk aan de markt kunt overlaten.

En dan hebben we het nog niet eens gehad over die andere complicatie van het neoliberale denken, die van het vetorecht. Wordt vervolgd.

donderdag 1 augustus 2019

Hoe meer mensen hebben, hoe meer ze willen - Argument om ongelijkheid en dus de statuscompetitie binnen de perken te houden

De nadelige effecten van grote ongelijkheid zijn bekend. Ik stond erbij stil in twee berichten over het werk van Richard Wilkinson en Kate Pickett: WRR-lezing over de schadelijke gevolgen van inkomensongelijkheid en Door meer ongelijkheid meer stress, angststoornissen en psychische problemen. En lees ook nog eens het fraaie overzicht van de gevaren van ongelijkheid door Rudi Wielers.

Dat probleem van die gevaren is extra urgent door de vele aanwijzingen die er bestaan voor de gedachte dat een proces van toenemende ongelijkheid zichzelf versterkt. Zie Is toenemende ongelijkheid een onomkeerbaar proces?

Een van de paden waarlangs dat proces van zichzelf versterken verloopt, is dat degenen die erop vooruitgaan ertoe aangezet worden om nog meer te willen. Er zit geen natuurlijke rem op dat steeds maar meer willen. Sterker, hoe meer je hebt, hoe meer je wilt.

Een gedachte die je vindt in het sprookje Van de visser en zijn vrouw dat de gebroeders Grimm optekenden en dat in ons land werd bewerkt tot Van het toovervischje, een prentenboek over kabouter Piggelmee en zijn vrouw, waarmee reclame werd gemaakt voor Van Nelle-koffie.

Maar je vind hem ook bij de klassieke socioloog Emile Durkheim (1858 - 1917), die het eraan toeschreef dat mensen zich van de andere dieren onderscheiden door hun voorstellingsvermogen. Dat vermogen heeft veel voordelen, zoals het kunnen abstraheren van de werkelijkheid, maar heeft als groot nadeel de neiging tot onverzadigbaarheid.

In het sociaalwetenschappelijk onderzoek zijn er aanwijzingen dat het steeds maar meer willen voortkomt uit het proces van sociale vergelijking. Het onderliggende proces is dat mensen zich in hun streven naar lotsverbetering vergelijken met de anderen om hen heen. In een ongelijke maatschappij brengt dat met zich mee dat een eenmaal geslaagde lotsverbetering gepaard gaat met sociale stijging, waardoor de groep van mensen om je heen (de referentiegroep) van samenstelling verandert. Je daarmee vergelijkend, ontdek je dat je eigenlijk nog niets bent opgeschoten, waardoor je ertoe wordt aangezet om nog meer te willen. De werking van dit proces van sociale vergelijking is aangetoond voor CEO's van grote bedrijven en verklaart hun exorbitante beloningen.Zie Beloningen CEO's groeien sneller door bias in keuze van peer group - Een geval van statuscompetitie.

En er zijn aanwijzingen voor het bestaan van een gewenningsproces, dat maakt dat elke lotsverbetering maar kortstondig een welzijnswinst oplevert, doordat hij op den duur als de normale toestand wordt ervaren. Of doordat succes aanzet tot de productie van dopamine, het "verleidingshormoon", dat doet verlangen naar nog meer succes, een proces waar Rudi Wielers op wees.

In de nieuwe studie The More You Have, the More You Want? Higher Social Class Predicts a Greater Desire for Wealth and Status wordt in dezelfde lijn aangetoond dat degenen met al veel rijkdom en status meer naar rijkdom en status streven dan degenen met minder. Met bovendien aanwijzingen voor een oorzakelijk verband. Degenen die gevraagd werden om zich een hogere positie qua rijkdom en status voor te stellen, gingen status en rijkdom belangrijker vinden dan degenen die zich een lagere positie voorstelden.

Sociaalwetenschappelijk gezien allemaal uitstekende argumenten om de mate van ongelijkheid binnen de perken te houden. Op zijn kortst gezegd, versterkt een toename van ongelijkheid het statuscompetitiepatroon, met alle nadelen die dat patroon met zich meebrengt.

vrijdag 12 juli 2013

NRCnext checkt "Werklozen blijvend beschadigd" - Conclusie: dat klopt inderdaad

NRCnext checkte gisteren de bewering van Peter van der Meer in de Volkskrant dat werkloosheid ongelukkiger maakt en dat het eenmaal werkloos zijn geweest leidt tot blijvende schade. Ik maakte melding van het artikel van Peter van der Meer in het vorige bericht. Er is geen link naar het NRCnext artikel zelf, maar wel naar dit artikel in NRC/Handelsblad dat daar over bericht.

Het was niet zo moeilijk om de waarheid te checken, omdat het overzichtsartikel "Verhoogt werk ons welzijn" (Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, 2011) van Rudi Wielers, Peter van der Meer en de schrijver van dit blog daar voor beschikbaar was. In dat artikel geven we een overzicht van het onderzoek naar de welzijnseffecten van het hebben van werk of werkloos zijn en van werken als tijdsbesteding vergeleken met andere bezigheden. Dat onderzoek laat zien dat werkloosheid tot een aanzienlijke welzijnsachteruitgang leidt, die blijft bestaan ook als daarna weer werk wordt gevonden. Het laat een litteken na en heeft negatieve gevolgen voor de kinderen van werklozen. Zie ook Are European leaders aware of the miseries of mass unemployment?

Dit was de conclusie van Geertje Tuenter, die voor NRCnext de check uitvoerde:
In de Volkskrant schrijft econoom Peter van der Meer dat langdurig werklozen ongelukkiger zijn dan werkenden. Dat klopt inderdaad, ook voor mensen die korter werkloos zijn, mits het gaat om mensen die onvrijwillig thuiszitten. Het rapportcijfer dat werklozen aan hun eigen leven geven op een schaal van 1 tot 10, is gemiddeld twee punten lager dan bij mensen met een baan. Daarnaast beschrijft Van der Meer dat langdurig werklozen beschadigd raken. Wetenschappelijk onderzoek onderschrijft dat. Gemiddeld gezien komen werklozen na het vinden van een baan niet meer op hetzelfde welzijnsniveau als voorheen. De stelling is dus waar.
Dat was niet zo verrassend. Ik was eerlijk gezegd wel wat verbaasd dat NRCnext de stelling van Peter van der Meer toch nog zo controversieel leek te vinden dat ze een check op het waarheidsgehalte nodig en interessant vonden. Dat bevestigt het angstige vermoeden dat de kwalijke gevolgen van werkloosheid niet genoeg onder de aandacht komen. En maakt het begrijpelijker dat politici denken dat ze hun gang kunnen gaan bij het overboord gooien van die eens zo belangrijke doelstelling van volledige werkgelegenheid. Ze zijn daarmee op de verkeerde weg. En misschien helpt deze check van NRCnext ook weer een beetje om hen dat te laten inzien.

woensdag 12 juni 2013

Rudi Wielers over de gevaren van ongelijkheid. Nivelleren is geen feest, maar wel bitter noodzakelijk

Vandaag is Rudi Wielers te gast. Gisteravond sprak hij de onderstaande column uit tijdens het debat Nivelleren, een feest? van het Groninger Forum. 

Nivelleren is geen feest (maar bittere noodzaak)!

Rudi Wielers (universitair hoofddocent Rijksuniversiteit Groningen)

Nivelleren is geen feest. Mensen vinden het heel  vervelend om iets kwijt te raken dat ze als hun eigendom beschouwen. Het is nog veel vervelender om iets te verliezen doordat het  wordt afgepakt.  Veel mensen, zeker ook de mensen met een hoog inkomen, hebben hoge vaste lasten en zien door nivelleringsoperaties hun vrije bestedingsruimte aanzienlijk aangetast. Het huis verkopen is geen optie meer. Nivelleren creëert onzekerheid en onrust. Nivelleren is een pijnlijke operatie.

In politieke discussies over nivelleren is een belangrijke vraag of de financiële opbrengsten opwegen tegen de kosten van een dergelijke operatie.  Het antwoord is nee.  Er zijn zeer ingrijpende operaties nodig wil nivellering ongelijkheid substantieel reduceren. Nivelleren leidt niet eens tot een substantiële verbetering van de overheidsfinanciën. Financieel is een nivelleringsoperatie vrijwel nutteloos.

Toch is nivelleren noodzakelijk om ongelijkheid te verkleinen.  Inkomensongelijkheid gaat gepaard met veel symptomen van een ernstig ziektebeeld. Ongelijkheid maakt ziek. Ongelijkheid maakt een samenleving ziek.  Ongelijkheid maakt mensen ziek. Maatschappelijk ongewenste verschijnselen komen vaker voor in meer ongelijke dan in meer gelijke samenlevingen. Criminaliteit is een duidelijk voorbeeld. Naarmate de samenleving ongelijker is, is er meer criminaliteit. Dat is geen vanzelfsprekend verband. Juist in ongelijke samenlevingen wordt veel, heel veel geïnvesteerd in veiligheid. Door particulieren, die hun eigendommen beschermen, en door  de overheid, die steeds meer gevangenissen bouwt om het steeds grotere aantal criminelen in op te sluiten. Een aanzienlijk deel van het verdiende inkomen gaat op aan het verhogen van de veiligheid, maar in ongelijke samenlevingen blijft de criminaliteit hoog, ondanks de hoge en dikke muren.
   
Ongelijke samenlevingen vertonen andere symptomen van ziekte.  Veel van wat we beschouwen als onze grootste  maatschappelijke problemen hangen direct samen met ongelijkheid. In meer ongelijke samenlevingen hebben burgers minder sociale relaties met elkaar. In meer ongelijke samenlevingen is minder verticale sociale mobiliteit, is het dus moeilijker om van een ‘dubbeltje’ een ‘kwartje’ te worden. In ongelijke samenlevingen is niet alleen meer vermogenscriminaliteit, maar ook meer geweldscriminaliteit.  In meer ongelijke samenlevingen worden meer drugs gebruikt. In meer ongelijke samenlevingen zijn over het geheel genomen de schoolprestaties van kinderen slechter en is de schooluitval aanmerkelijk groter. In meer ongelijke samenlevingen is het aantal tienerzwangerschappen groter.  In meer ongelijke samenlevingen lijden meer mensen onder obesitas.  In meer ongelijke samenlevingen lijden meer mensen onder  psychische klachten.  In meer ongelijke samenlevingen zijn mensen minder gezond en leven ze minder lang.

Er is, kortom, een waslijst aan kwalijke symptomen die met ongelijkheid samenhangen. In de wetenschappelijke literatuur is de afgelopen jaren op dit terrein veel vooruitgang geboekt.  In de jaren negentig was het verband tussen ongelijkheid en deze symptomen nog dubieus, net zoals ook het kwalijke effect van roken op de ongezondheid lang omstreden is geweest. Door de artikelen en het boek The Spirit Level van Richard Wilkinson en Kate Pickett is die twijfel voor een groot deel weggenomen.  Het boek van Wilkinson en Pickett  is eigenlijk een saai boek. Ze laten van het ene na het andere maatschappelijke probleem zien hoe sterk het samenhangt met ongelijkheid. Hun grafieken laten voortdurend hetzelfde stijgende verband zien:  Hoe groter de ongelijkheid, hoe groter het probleem. Dat geldt niet alleen voor verschillen tussen landen, maar ook voor die tussen de  staten van de V.S.

In de wetenschappelijke literatuur is het statistische verband tussen de ernst van maatschappelijke problemen  en de mate van ongelijkheid na het onderzoek van Wilkinson en Pickett vrijwel niet meer omstreden. De discussie spitst zich toe op de vraag of ongelijkheid de oorzaak is van het ziektebeeld, of dat ongelijkheid slechts één van de symptomen is van een dieper proces. 

Voor wat betreft dat diepere proces spitst de belangstelling zich toe op de zogenoemde ‘winnaars-‘ en ‘verliezers-‘effecten.  Winnaars en verliezers-effecten zijn effecten van ongelijkheid, die die ongelijkheid bestendigen en verder vergroten.

 In onze samenleving komt iemands maatschappelijke positie voor een groot deel tot uitdrukking in de positie in de inkomenshiërarchie.  We leven niet meer in een standensamenleving, waarin de maatschappelijke positie al bij de geboorte werd vastgelegd. In een democratische marktsamenleving kunnen mensen hun talenten ontplooien en worden ze geacht en gestimuleerd om dat ook te doen.  Naarmate de bijdrage aan de samenleving groter is, zal ook het inkomen hoger zijn; mensen die niet willen of niet kunnen bijdragen hoeven niet op een houtje te bijten, maar moeten het met heel wat minder doen.  Hun inkomen is lager, en ze zijn ook opvallend minder gezond. Sociaal-geneeskundigen en medisch sociologen hebben lang geprobeerd de grote gezondheidsverschillen tussen de boven- en de onderkant te herleiden tot verschillen in leefstijl. Lager opgeleiden roken meer, eten vaker vet en drinken meer alcohol.

 Maar het wordt steeds duidelijker dat er vooral ook op het terrein van de gezondheid sterke ‘verliezers’-effecten bestaan. Een kenmerkend voorbeeld van een verliezerseffect is dat mensen onderaan de inkomenshiërarchie veel meer aan stress zijn blootgesteld.  Stressniveaus zijn te meten en de laatste jaren is aanmerkelijke vooruitgang geboekt in kennis van de omstandigheden waaronder stress ontstaat. Stress is een fysieke reactie op een ongewenste situatie. Ons lichaam produceert het stress-hormoon cortisol om aan te geven dat we ons in een gevaarlijke situatie bevinden en dat we er goed aan doen die situatie te ontvluchten. In situaties waarin anderen over ons oordelen en we het risico van een negatief oordeel niet kunnen ontlopen, wordt veel cortisol geproduceerd. Mensen laag in de inkomenshiërarchie zijn veel vaker aan dergelijke situaties blootgesteld dan mensen hoog in de hiërarchie. De gevolgen van langdurige blootstelling aan stress zijn groot. Overmatige productie van cortisol verhoogt de kans op hart- en vaatziekten en tast het immuunsysteem aan.  Dat uit zich in psychische klachten, zoals depressies en burn-out.  De persoonlijke en sociale schade van die gezondheidsproblemen is groot. Evenals de financiële schade, in de vorm van een verhoogd gebruik van medische zorgvoorzieningen. Helaas nemen onze rekenmeesters de hoge kosten van die verliezerseffecten niet waar.

Dit wil niet zeggen dat grote inkomensongelijkheid weldadige effecten heeft voor mensen bovenin de inkomenshiërarchie. Integendeel, ook zij zijn gebaat bij gelijkheid. Weliswaar lijden ze minder aan stress, omdat ze situaties meer naar de hand kunnen zetten,  maar het is zeker niet zo dat de rijkste mensen in een meer ongelijke samenleving gelukkiger zijn dan de rijkste mensen in een meer gelijke samenleving. De empirische gegevens wijzen eerder op het tegendeel.  

Een verklaring is wellicht dat rijke mensen in een ongelijke samenleving meer het risico lopen slachtoffer worden van ‘winnaars’-effecten.  Een ‘winnaars’-effect is dat mensen zich niet tevreden stellen met hun succes, maar bij het inboeken van de overwinning ook hun verwachting naar boven bijstellen.  De zoete smaak van het succes doet het verlangen naar nog meer succes alleen maar toenemen. Het is dit mechanisme dat ertoe leidt dat een CEO van een groot bedrijf niet tevreden is met zijn toch al hoge inkomen, maar vindt dat hij gezien de goede bedrijfsresultaten recht heeft op meer. Het is lang niet iedereen gegeven om die verwachtingen onder controle te houden.

Ook hier spelen fysiologische processen. Succes stimuleert de productie van testosteron, het hormoon dat ons zelfvertrouwen geeft en mensen niet alleen opgewonden maar ook agressief maakt. Dat zelfvertrouwen en die agressie zijn nodig om nieuwe prestaties neer te zetten. Succes leidt ook tot de productie van dopamine, een neurotransmitter, ook wel het ‘verleidingshormoon’ genoemd: de vreugde van het succes gaat gepaard met een verlangen naar nog groter succes.

Het onder controle houden van verwachtingen is des te moeilijker in een meer ongelijke samenleving.  In ongelijke samenlevingen wordt de eigen positie zeer sterk bepaald door de positie in de inkomenshiërarchie en zijn er altijd mensen die op onterechte gronden meer verdienen. Het gevolg is dat juist in ongelijke samenlevingen mensen hoog in de inkomenshiërarchie regelmatig ‘footloose’  raken, dat wil zeggen teveel bezig zijn met hun eigen inkomen en hun positie in de statushiërarchie, waardoor ze het zicht op de realiteit verliezen. Het gaat dan niet alleen om kunstenaars, voetballers of popsterren, die het vanwege een uitzonderlijk talent is gelukt een heel hoog inkomen te verwerven, maar ook om politici en CEO’s van grote bedrijven die de weg kwijtraken. Pas veel later, in een interview met omroep Max,  zijn ze in staat om dat toe te geven.

Er zijn, kortom, goede redenen waarom ook mensen bovenaan de inkomenshiërarchie gebaat zijn bij meer gelijkheid. We zouden daarom met ons allen voor ons allen die meer gelijke samenleving moeten nastreven en maatregelen moeten nemen om die meer gelijke samenleving tot stand te brengen. Nivelleren is geen feest. Het is een bij tijd en wijle noodzakelijke operatie om gezond  te blijven! 

vrijdag 17 mei 2013

Overheidsonmacht in de jeugdzorg. Een pleidooi voor omwegbeleid

Op het beleidsterrein van de jeugdzorg speelt niet alleen de vraag hoe die zorg het beste kan worden georganiseerd, maar ook de vraag naar de grenzen van wat de overheid kan doen. In hoeverre zijn instellingen bij machte om zorg voor kinderen te bieden die die zorg niet voldoende van de eigen sociale omgeving krijgen? Kunnen door de overheid aangestuurde instellingen een sociale omgeving vervangen die kinderen nodig hebben? Ik moest daar weer aan denken toen ik een tweet langs zag komen die ongeveer als volgt luidde: "Omdat de overheid niet van u kan houden, kan zij u ook niet de hulp geven die u echt nodig heeft".

Dit is een zo fundamentele vraag dat hij steeds weer opduikt in de debatten over de jeugdzorg. Vaak in de vorm van pleidooien om als hulpverlenende instanties meer oog te hebben voor de eigen kracht van mensen en om die te bevorderen.

Maar moet een nog verdergaand antwoord niet zijn dat de overheid zich meer terugtrekt uit het veld van de directe hulpverlening en zich meer richt op het verbeteren van de voorwaarden voor het goed opgroeien van kinderen? Op een "omwegbeleid", dat er op gericht is om de sociale omgeving waarin kinderen opgroeien te verbeteren?

Daarover schreven Arie Glebbeek, Rudi Wielers en ik in 2009 het essay Overheidsonmacht in de jeugdzorg: Een pleidooi voor omwegbeleid. Het verscheen als achtergrondessay bij het advies Investeren rondom kinderen van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) en de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ).

Omdat het mij nog steeds uiterst relevant lijkt voor de discussies over de jeugdzorg en over hoe het met onze kinderen gaat,  en omdat er nog regelmatig vraag naar is, maak ik het via dit blog beschikbaar. Zie Overheidsonmacht in de jeugdzorg: Een pleidooi voor omwegbeleid (let op: p. 143-164). Dit is de samenvatting:
De overheidsbemoeienis met jeugd, gezin en opvoeding neemt toe, terwijl er weinig aanwijzingen zijn dat deze interventies succes hebben. Wij betogen dat hier een vorm van overheidsfalen aan de orde is die ontstaat als de overheid een haar wezensvreemd domein betreedt. Er is sociaalwetenschappelijke evidentie dat gezinnen en opgroeiende jongeren voor een goede sociale en morele ontwikkeling een gemeenschapsnetwerk nodig hebben. Dit netwerk zorgt voor de tijdigheid, continuïteit, tweezijdigheid en collectiviteit die de overheid nooit kan verschaffen. We pleiten er daarom voor om de directe overheidsbemoeienis met jeugd en gezin om te buigen in de richting van een omwegbeleid, gericht op de voorwaarden voor gemeenschapsvorming. Net zoals overheden (soms pijnlijk) hebben geleerd dat zij de markt niet kunnen vervangen doch wel beter kunnen laten werken, kan onze overheid leren dat zij gemeenschappen niet moet willen vervangen maar wel beter kan laten werken. We eindigen het artikel met een verkenning van dit omwegbeleid.

donderdag 11 april 2013

Het kwaad van werkloosheid. Over prioriteiten van politieke leiders

Nu we meemaken dat de politieke machthebbers in Europa met, het lijkt wel, onverschilligheid extreem hoge werkloosheidscijfers aanvaardbaar of zelfs wenselijk achten (als een middel om de lonen naar beneden te brengen en zo de concurrentiekracht te vergroten), is het goed om stil te staan bij de negatieve gevolgen van werkloosheid op degenen die dat treft. En: bij de negatieve gevolgen voor hun kinderen.

Aan die gevolgen voor werklozen zelf besteedden Rudi Wielers, Peter van der Meer en ikzelf aandacht in het overzichtsartikel Verhoogt werk ons welzijn? Zie daarover ook dit bericht. Onderzoek wijst uit dat de ervaring van werkloosheid de tevredenheid met het leven fors doet dalen, ongeveer 2 punten op een 10-puntsschaal. Zie de studies Unhappiness and Unemployment (betaalpoort) en Why Are the Unemployed So Unhappy? Evidence From Panel Data (pdf).

Die lage tevredenheid blijft ook bij langdurige werkloosheid bestaan; er treedt niet een aanpassingsproces op. En sterker, ook als je daarna weer werk vindt, dan heeft de ervaring van werkloos te zijn geweest een blijvende invloed op het niveau van welzijn dat mensen nog kunnen bereiken. Werkloosheid lijkt levenslang littekens na te laten Zie Scarring: The Psychological Impact of Past Unemployment (betaalpoort) en Unemployment Alters the Set Point For Life Satisfaction (betaalpoort).

Daaraan kan nu toegevoegd worden dat dat litteken er vooral uit bestaat dat mensen die een keer werkloos zijn geweest, daar een angst aan overhouden om dat nog een keer te moeten meemaken. Werkloos te zijn geweest creëert angst en onzekerheid. Zie Scarring of Scaring? The Psychological Impact of Past Unemployment and Future Unemployment Risk (pdf).

En er zijn nu zelfs aanwijzingen dat de ervaring van werkloosheid slecht uitwerkt op de kinderen die de werkloosheid van hun vader hebben meegemaakt. Uit de studie The Impact of Fathers’ Job Loss during the Recession of the 1980s on their Children’s Educational Attainment and Labour Market Outcomes (betaalpoort) blijkt dat kinderen van vaders die in de economische recessie van de jaren 80 van de vorige eeuw in Engeland werkloos werden, slechtere eindexamenresultaten behaalden en een grotere kans hadden op jeugdwerkloosheid. En de onderzoekers maken plausibel dat die negatieve gevolgen ook echt veroorzaakt werden door de werkloosheid van de vader (in plaats van een zogenaamd selectie-effect). Deze negatieve gevolgen waren vooral groot aan de onderkant van de arbeidsmarkt. We weten niet wat hier het psychologische mechanisme is, maar het zou kunnen dat kinderen die werkloosheid van hun vader meemaken, er minder op vertrouwen dat hun inspanningen voor school en werk ook echt resultaten zullen afwerpen. Als ze je zo maar op straat kunnen zetten, ja, wat heeft het dan allemaal voor zin?

Uiteraard hebben al deze effecten niet alleen een psychologisch (welzijns-)aspect, maar ook hebben ze grote economische kosten.

Dit alles maakt het navrant dat politieke leiders op zo grote schaal een (kortzichtige) obsessie hebben met overheidsschulden en ten behoeve daarvan het ooit algemeen omarmde streven naar volledige werkgelegenheid geheel aan de kant hebben gezet. Werkloosheid is in hun denken een middel geworden om evenwicht op de overheidsbegroting te bewerkstelligen. Een slecht middel. En een evenwicht dat niet nodig is. Denk eens beter na over de echte prioriteiten, zou je zeggen.

donderdag 29 november 2012

Bevordert publicatiedruk onderzoekscultuur van sloppyness en fraude? De affaire-Stapel

De Commissie-Levelt, die de fraude door de sociaal-psycholoog Diederik Stapel onderzocht en daarvan gisteren verslag uitbracht, is ook nagegaan in hoeverre de werkwijze van Stapel onderdeel was van een onderzoekscultuur, dus niet alleen maar een geïsoleerd incident is. Hierover is de conclusie van de Commissie glashelder:
Het gaat om een meer algemeen falen van de wetenschappelijke kritiek en om een onderzoekscultuur die te zeer gericht is op het onkritisch vaststellen van het eigen gelijk en, zoals uit de gesprekken met de Commissies bleek, op het vinden van interessante maar theoretisch oppervlakkige ad hoc resultaten. (p. 49 van het eindrapport)
De Commissies kunnen niet anders concluderen dan dat er van laag tot hoog sprake was van een algemene veronachtzaming van fundamentele wetenschappelijke standaarden en methodologische eisen. (p. 55) 
Die cultuur zoals die uit de bevindingen van de Commissie naar voren komt, kun je beschrijven als een waarin het doel, publiceren, de middelen heiligt. Waarin van alles gedaan mag worden om interessante resultaten te behalen en gepubliceerd te krijgen, ook als dat met wetenschappelijke eisen van transparantie, controleerbaarheid en repliceerbaarheid onverenigbaar is. Het verzinnen van data en het rapporteren van niet uitgevoerd onderzoek, waar Stapel zo bedreven in was, blijkt een extreem geval te zijn van een gedragspatroon dat veel meer voorkwam.

Hoe kan zo een cultuur ontstaan? In een tak van sport die juist het bestaansrecht ontleent aan de idealen van integriteit en waarheidsvinding? Waarvan het de bedoeling is om mensen aan te trekken die het als een roeping voelen om die idealen te verwezenlijken? (Ik denk even aan Max Webers Wissenschaft als Beruf, waarvan net een nieuwe Nederlandse vertaling is verschenen en waarop ik aan het slot terugkom.)

Is deze cultuur bevorderd door de sterk toegenomen publicatiedruk aan de universiteiten? Die publicatiedruk heeft er toe geleid dat onderzoekers meer worden afgerekend op de meetbare resultaten van hun werk (hun output). Dat kan, net als in de bankensector waar prestatiebeloning en bonussen werden ingevoerd, leiden tot een oriëntatie op het gemeten eindproduct samen met een puur instrumentele houding tegenover de middelen waarmee dat tot stand is gekomen. En het is bekend dat daarmee in de bankensector fraude en onethisch gedrag in de hand zijn gewerkt. Zie ook nog eens dit bericht en dit bericht.

Nu is aan de universiteiten de financiële beloning niet direct gekoppeld aan de prestaties (de publicaties), maar het prestige en de reputatie zijn dat wel. (Trouwens, uit het eindrapport van de Commissie-Levelt blijkt dat de "top-onderzoeker" Stapel behoorlijk financieel werd "gefaciliteerd".)

Het zou dus goed kunnen dat die publicatiedruk een rol heeft gespeeld. Wat zegt de Commissie-Levelt daarover? Het woord publicatiedruk komt op twee plekken in het eindrapport voor, hier:
In gesprekken met betrokkenen en met de heer Stapel kwam duidelijk naar voren dat veel van de hiervoor genoemde procedures, die overigens door hen niet als onzorgvuldig onderzoek werden gekwalificeerd, vooral gericht waren op een snelle positieve afhandeling van dataverzameling, -analyse en -rapportage, met het oog op het halen van publicatiecriteria. Ook het nauwelijks uitvoeren van replicatieonderzoek kan hieronder worden gerangschikt. De publicatiedruk werd door velen genoemd als belangrijke oorzakelijke verklaring voor de door hen gevolgde werkwijzen. De Commissies doen geen uitspraak over of deze verklaring steek houdt, dan wel alleen als excuus wordt gebezigd. Het verdient aanbeveling hiernaar in groter verband nader onderzoek te verrichten.( p. 53)
en hier:
Visitatiecommissies die de sociale psychologie hebben beoordeeld hebben er onvoldoende blijk van gegeven een aantal van de in dit rapport gesignaleerde feiten te hebben doorzien. Te denken valt aan het onkritisch volgen van de door tijdschriften verrichte beoordelingen zowel op het punt van de methodologie als de bijdrage aan de theorievorming. Een ander aandachtspunt in dit verband is voorts in hoeverre de visitatiecommissies bijdragen aan het in stand houden van de veronderstelde grote publicatiedruk en daarmee verbonden conventies. Met name betreft dit conventies ten aanzien van het aantal, de volgorde en de verantwoordelijkheid van de coauteurs en het meervoudig publiceren van soortgelijke onderzoeksresultaten.
De Commissies adviseren de VSNU extra aandacht te besteden aan die aspecten van het SEP-protocol die de inhoudelijke kwaliteit voorop stellen. (p. 63)
Hoewel de Commissie dus zelf geen standpunt inneemt, dringt ze wel aan op nader onderzoek naar de ongewenst effecten van die publicatiedruk. En ze vindt dat die Visitatiecommissies niet alleen maar publicaties moeten tellen, maar ook moeten beoordelen naar inhoudelijke kwaliteit.

Dat de Commissie het punt van die publicatiedruk serieus genoeg neemt om nader onderzoek aan te bevelen, lijkt mij van groot belang. Want als je een keer prestaties beoordeelt op grond van gemeten output, dan zet je een proces in werking waarmee de onderzoekers die daarmee het beste scoren, aan de top van de statushiërarchie terecht komen. En zij zijn dus ook precies degenen die bij het in standhouden van dit beoordelingssysteem belang hebben. Als er dus terechte kritiek op het systeem mogelijk is, dan is de kans klein dat die kritiek gehoor vindt. De Commissie heeft gelijk om nader onderzoek te laten doen.

Datzelfde proces van het ontstaan van die statushiërarchie zorgt er trouwens ook voor dat verdenkingen van wangedrag van "top-onderzoekers" niet gemakkelijk gemeld worden. De Commissie maakt zich juist daarover behoorlijk druk:
Er zijn in 2010 en 2011 drie meldingen verricht aan leden van de wetenschappelijke staf binnen de psychologie. De eerste twee hebben in eerste of tweede instantie niet geleid tot follow-up. Daarin heeft de haast onaantastbare positie van de heer Stapel wellicht een rol gespeeld. De derde melding, aan de departementsvoorzitter en buitengewoon zorgvuldig voorbereid door een drietal jonge en zeker in hun positie kwetsbare klokkenluiders, is wel direct professioneel opgepakt met het bekende resultaat.
Ook bij collega-hoogleraren zijn gedurende het laatste jaar tweemaal verdenkingen gerezen ten aanzien van door de heer Stapel aangereikte data. Aan die verdenkingen is geen follow-up gegeven. De Commissie concludeert dat de drie jonge klokkenluiders meer moed, alertheid en speurzin hebben getoond dan zittende hoogleraren. (p.46-47)
Ja, als je statushiërarchieën laat ontstaan, dan heb je die "onaantastbare posities" er altijd gratis en voor niets bij. En die kunnen heel subtiel werken. Ik had zelf enige twijfel toen ik dat destijds net verschenen Science-artikel las waarin het (gefingeerde) onderzoek naar het verband tussen chaos en geneigdheid tot discriminatie werd gerapporteerd. Hoe kon dat, op het Utrechtse Centraal Station, zijn uitgevoerd? Hoe kon je precies tellen hoeveel plekken stationsbezoekers van iemand met een donkere huidskleur af gaan zitten? Als de nabijgelegen plekken wisselend bezet kunnen zijn? Ik zocht in het artikel en in het Supplement naar nadere uitleg, maar vond die niet. Maar mijn twijfel werd volledig overheerst door ontzag voor het prestige van de onderzoekers.

Wat dat nadere onderzoek zal uitwijzen, ik weet het niet. Rudi Wielers wijst in zijn bespreking in Sociologie Magazine van de nieuwe vertaling van Webers Wissenschaft als Beruf op het gevaar dat door de affaire-Stapel niet de publicatiedruk wordt verminderd, maar dat de universitaire bureaucratie door meer en meer regels gaat proberen om desondanks integer gedrag af te dwingen:
Op dergelijke regels zit geen inhoudelijk geïnteresseerde wetenschapper te wachten, en die regels zullen het bedrijven van wetenschap ook bepaald niet aantrekkelijker maken. Een wetenschappelijke praktijk, waarin goede trouw moet worden afgedwongen door bureaucratische regels, is geen prettig vooruitzicht.
Een terugkeer van het door Weber benoemde ideaal van wetenschap als beargumenteerde bezinning over de werkelijkheid zou daarom meer dan welkom zijn. Het zou helpen voorkomen dat collega’s de verkeerde afslag nemen, en wetenschap waarschijnlijk ook voor jonge mensen weer tot een aantrekkelijke praktijk kunnen maken. We zouden als wetenschappers moeten beginnen dat ideaal uit te dragen.

donderdag 31 mei 2012

Door meer welvaart voelen we minder de plicht tot arbeid - NSV Artikelprijs voor Rudi Wielers en Ferry Koster

Mijn co-auteur Rudi Wielers heeft samen met Ferry Koster van de Nederlandse Sociologische Vereniging de Artikelprijs 2012 uitgereikt gekregen. Zie hier voor het artikel ("Welvaart en arbeidsmotivatie: een internationale vergelijking") en het juryrapport.

Het artikel laat zien dat in welvarende landen mensen minder een plicht tot arbeid (arbeidsethos) voelen dan in minder welvarende landen. Mensen hebben een lager arbeidsethos hoe minder ze het eens zijn met de volgende uitspraken:
  • om je talenten volledig tot ontplooiing te laten   komen heb je een baan nodig
  • het is vernederend om geld te krijgen zonder ervoor te hoeven werken
  • mensen die niet werken worden lui
  • werk is een maatschappelijke plicht
  • werk zou altijd op de eerste plaats moeten komen, zelfs als dat minder vrije tijd betekent
Het blijkt tegelijk niet zo te zijn dat mensen bij welvaartsgroei meer intrinsiek gemotiveerd raken voor het werk. Een intrinsieke motivatie heb je als je het belangrijk vindt om een respectabele en verantwoordelijke en interessante baan te hebben, die overeenkomt met je capaciteiten. Daartegenover ben je vooral extrinsiek gemotiveerd als je vooral bent geïnteresseerd in een goed salaris, een niet te hoge werkdruk, goede baanzekerheid, goede arbeidsuren en veel vakantiedagen.

Daaruit kun je opmaken dat we door welvaartsstijging niet meer geïnteresseerd raken in de intrinsieke kwaliteit van het werk, dus in het hebben van werk om aan je persoonlijke, niet-materiële behoeften te kunnen voldoen. Nee, we raken minder in werk geïnteresseerd en meer in de mogelijkheden buiten het werk om die behoeften te kunnen bevredigen. Gezin, familie, vrienden, persoonlijke ontwikkeling.

Anders gezegd: we zoeken niet een zo hoog mogelijke economische welvaart, maar we streven naar een optimale mix van economische en sociale welvaart. En werk zoals wij dat in onze maatschappij hebben georganiseerd, speelt daarin maar een beperkte rol. Voorzover politici mochten vinden dat die rol groter moet zijn, dan moeten ze lijkt me maar eens goed nadenken over de mogelijkheden om de organisatie van het werk te verbeteren.

vrijdag 10 februari 2012

Rudi Wielers: 30 uur is voltijds maakt ruimte voor onderlinge zorg

Eerder besteedde ik aandacht aan het pleidooi van Juliet Schor om minder te gaan werken. En minder te gaan consumeren, uiteraard: wanneer dat mogelijk is. We zijn geneigd te veel tijd aan betaald werk te besteden en te veel waarde te hechten aan alles waarvoor geld nodig is. Door minder te werken, kunnen we meer investeren in elkaar (familie en vrienden) en in onze buurten en dorpen. We hebben onze persoonlijke relaties verwaarloosd. Gemeenschappen zijn "dunner" geworden en onze banden zwakker. Daardoor zijn gezinnen meer sociaal geïsoleerd. We moeten het evenwicht tussen onze economische en onze sociale welvaart herstellen.

Het pleidooi van Rudi Wielers in Socialisme & Democratie (9/10, 2011) om de 30-urige werkweek als voltijds te erkennen, gaat precies in deze richting. Door een geringere arbeidsbelasting zullen mensen meer voor elkaar gaan zorgen, zoals in de vorm van mantelzorg en vrijwilligerswerk. En dat komt heel goed van pas, omdat de geprofessionaliseerde zorgsector sterk is gegroeid en als gevolg van de vergrijzing zal blijven groeien.
Deze 'vermarkting' (van de zorg) verdringt de onbetaalde zorgverlening. Mensen die niet participeren op de arbeidsmarkt zijn aanzienlijk actiever in mantelzorg en vrijwilligerswerk dan mensen met een deeltijdbaan, en die zijn weer actiever dan mensen met een voltijdbaan. (...)
Een belangrijke vraag is of de inmiddels vergaande vermarkting van zorgrelaties de kwaliteit van zorg ten goede komt. Er is veel reden daaraan te twijfelen. (...) Vaak is de kwaliteit (...) minder goed: door de nadruk op kostenbeheersing worden de zorgrelaties minder persoonlijk, en wordt  het werk zwaar. (...)
Een lagere norm voor voltijdwerk en de erkenning van informele zorg als een persoonlijk en maatschappelijk nuttige activiteit zouden deze problematiek aanzienlijk verlichten. Er is veel reden om aan te nemen dat mensen bij een geringere arbeidsbelasting meer voor elkaar zullen zorgen. Het welzijnsverhogend effect van de combinatie van betaald werk en zorg is een belangrijke reden dat nu reeds veel mensen voor die combinatie kiezen. Het verklaart waarom veel moeders en ook vaders, oma's en opa's een kortere werkweek hebben. (...)
Econometrische modellen van het SCP laten een sterke stijging van de mantelzorg zien bij een scenario waarin vrouwen en mannen in grote deeltijdbanen werken. Vooral de bijdrage van mannen zou daardoor toenemen. (...)
De combinatie van betaald werk en zorg kan van grote betekenis zijn voor de zorg voor kinderen en ouderen. Als de waarde van de combinatie is erkend, kan worden gewerkt aan condities die informele zorgverlening in families en buurten vergemakkelijken. Buurten en wijken zouden zo moeten worden ingericht dat verschillende generaties naast elkaar kunnen wonen, zodat zorgverlening tussen de generaties kan plaatsvinden, zowel van grootouders (voor hun kleinkinderen) als van kinderen (voor hun ouders). Informele zorg zou niet beperkt hoeven en moeten blijven tot familierelaties, maar ook uitgangspunt kunnen zijn voor de vergroting van de leefbaarheid van buurten. Faciliteiten op buurtniveau, waarin ouders, grootouders en kinderen als vrijwilligers participeren, zullen bij een kortere arbeidsduur een groter sociaal draagvlak kunnen krijgen.
Het mooie van dit pleidooi vind ik dat het er op wijst dat je via een omweg van een ingreep op de arbeidsmarkt het sociale isolement van gezinnen kunt verminderen. (Rudi en ik zijn geregeld co-auteurs geweest.)

donderdag 5 januari 2012

Verhoogt werk ons welzijn? Ja en nee

Rudi Wielers, Peter van der Meer en ondergetekende hebben het onderzoek naar de welzijnseffecten van betaald werk op een rij gezet en gekeken wat je daar uit nu kunt concluderen. Wat opvalt is dat het werk als activiteit ons weinig welzijn oplevert. Dat wil zeggen dat werk gepaard gaat met minder positieve gevoelens en meer negatieve gevoelens dan alle andere activiteiten, met uitzondering van woon-werk verkeer. Maar wat dan ook meteen opvalt is dat het hebben van werk veel meer welzijn (tevredenheid met het leven) oplevert dan het werkloos zijn. Dat zou betekenen dat werk nodig is om je tevreden te voelen. Maar huisvrouwen en gepensioneerden zijn ook erg tevreden met hun leven.

Het artikel (Verhoogt werk ons welzijn?) Een bespreking van onderzoeksresultaten) is vorige maand verschenen in het Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken. Ik citeer hieronder  de afsluitende samenvatting en onze interpretatie.
Afsluiting: omstandigheden en aspiraties
Om het effect van betaald werk op welzijn te bepalen is het noodzakelijk te onderscheiden tussen werk als activiteit en het hebben van werk als toestand. De bijdrage van werk als activiteit aan het (hedonisch) welzijn van werkenden is klein en nog lager bij een hoge werkdruk. Vrijwel alle andere activiteiten die werkenden verrichten leveren meer welzijn op. Ook voor de sociale contacten op de werkvloer geldt dat ze minder welzijn genereren dan andere contacten.
Daar staat tegenover dat het hebben van werk veel levenssatisfactie verschaft. Dit blijkt uit onderzoek waarin de levenssatisfactie van werkenden en werklozen wordt vergeleken. Een opvallend gegeven is echter ook dat gepensioneerden en huisvrouwen niet een lager niveau van levenssatisfactie realiseren dan werkenden. De lage levenssatisfactie van werklozen in vergelijking met werkenden, huisvrouwen en gepensioneerden vloeit waarschijnlijk voort uit gefrustreerde aspiraties van werklozen. Niet het werk zelf, maar de daaraan verbonden aspiraties lijken de meeste invloed op de levenssatisfactie te hebben. De resultaten voor huisvrouwen en gepensioneerden laten zien dat een hoog niveau van welzijn ook zonder betaald werk valt te realiseren, maar dit impliceert ook het afzien van de aspiraties behorende bij dat betaalde werk.
Voor mensen met betaald werk hangt de levenssatisfactie nauwelijks af van het aantal uren werk of het inkomen. Een groter aantal uren werk heeft een klein negatief effect op de levenssatisfactie. Met name vrouwen die in deeltijd werken bereiken vaak een iets hoger niveau van levenssatisfactie dan voltijd werkende vrouwen. Het effect van inkomen op de levenssatisfactie is klein. Gewenning, statuscompetitie en stijgende aspiraties zijn de gebruikelijke verklaringen voor dit verschijnsel.
Deze onderzoeksresultaten zijn aanwijzingen dat de aan werk verbonden aspiraties belangrijker zijn voor het welzijn dan de omstandigheden waaronder het werk wordt verricht. Het effect van omstandigheden op het welzijn is klein (Lykken & Tellegen, 1998) en dat lijkt dus ook te gelden voor werkomstandigheden.
Daarentegen lijken juist aspiraties van invloed op de levenssatisfactie. Over de wijze waarop aspiraties met betrekking tot betaald werk tot stand komen en zich ontwikkelen is nog maar weinig bekend. We zien belangrijke aanknopingspunten in de literatuur over de wijze waarop verschillende levensdoelen het welzijn beïnvloeden. We willen dit toelichten voor de posities van werkenden en van werklozen.
Een interessant gegeven met betrekking tot aspiraties in het werk is dat prominente onderzoekers als Easterlin, Layard en Kahneman concluderen dat de levenssatisfactie zou toenemen als mensen minder tijd aan inkomensverwervende activiteiten zouden besteden. De onderliggende redenering is dat inkomen de levenssatisfactie nauwelijks doet toenemen. Goederen die kunnen worden verkregen met inkomen leiden door gewenning, statuscompetitie en bijstelling van aspiraties niet tot een duurzame verhoging van de levenssatisfactie. Als mensen beter geïnformeerd zouden zijn over die geringe duurzaamheid en het vermogen zouden hebben om die kennis aan te wenden, dan zouden ze minder tijd besteden aan het nastreven van die goederen. In plaats daarvan zouden ze zich meer kunnen richten op andere wenselijkheden die een duurzamer effect hebben op levenssatisfactie, zoals een goed huwelijk, verbondenheid met familie en vrienden (‘companionship’; Lane, 2000; Layard, 2005) en zelfontplooiing.
Deze redenering wordt niet sterk ondersteund door onderzoek naar objectieve determinanten van welzijn, want de samenhang tussen het aantal arbeidsuren en de levenssatisfactie is zwak. Maar onderzoek naar de welzijnseffecten van levensdoelen ondersteunt de stelling wel. Volgens dat onderzoek verschillen mensen in de mate waarin ze oftewel meer streven naar financieel succes, status en beroemdheid (extrinsieke doelen) oftewel meer naar verbondenheid met anderen en zelfontplooiing (intrinsieke doelen). Het blijkt dat mensen die vooral gericht zijn op extrinsieke doelen minder welzijn en meer gezondheidsproblemen ervaren dan mensen die vooral zijn gericht op intrinsieke doelen (Kasser & Ryan, 1993; Pöhlman, 2001; Kasser & Ahuvia, 2002).
Dat veel mensen de intrinsieke doelen belangrijker vinden dan de extrinsieke wijst erop dat mensen al veel inzicht hebben in de beperkingen van het nastreven van extrinsieke doelen voor het genereren van levenssatisfactie (Sheldon et al., 2003). Hoewel de populariteit van prestatiegerelateerde beloning in het HRMbeleid van organisaties in het verdere verleden wel eens groter is geweest, bestaat er nog steeds een geloof in de goede werking ervan en is het gebruik de laatste decennia in sommige bedrijfstakken, zoals de bankensector, zelfs toegenomen. Prestatiebeloning blijkt maar zeer beperkt en onder strikte voorwaarden een gunstig effect te hebben op de bedrijfsresultaten (Jenkins et al., 1998; Bucklin & Dickinson, 2001; Thierry, 2002) en kan voor het bedrijf ongunstige praktijken in de hand werken (Brick et al., 2006; Denis et al., 2006). Maar daar komt dus nog bij dat deze vorm van beloning aspiraties bij werknemers veronderstelt die niet duurzaam de levenssatisfactie verhogen. Prestatiebeloning is dus meestal niet gunstig voor het bedrijf en bovendien niet welzijnsverhogend voor werknemers.
Een andere vraag is die naar de aard van de aspiraties van werklozen die zo sterk van invloed zijn op hun lage levenssatisfactie. Volgens het besproken onderzoek kunnen de daling van het inkomen en het minder maatschappelijk geaccepteerd zijn van werkloosheid de daling van de levenssatisfactie niet verklaren. Mogelijk spelen ook hier intrinsieke aspiraties een rol.
We vermeldden reeds dat werklozen een lagere levenssatisfactie hebben naarmate werk een meer centrale plaats inneemt in hun persoonlijke waardesysteem. De kern van de frustratie van werklozen is mogelijk dat het juist basale intrinsieke levensdoelen zijn die niet voldoende worden vervuld. Deci en Ryan (2000) onderscheiden op basis van onderzoek, naast verbondenheid met anderen, competentie en autonomie als intrinsieke levensdoelen. Voor een bevredigend niveau van welzijn zou elk van deze drie aspiraties voldoende vervuld moeten zijn. Voor werklozen lijken in ieder geval de behoefte aan autonomie en competentie slecht bevredigd te worden: ze zijn afhankelijk van een uitkering en gaan twijfelen aan hun competentie. Die behoeften aan competentie en autonomie liggen zo diep verankerd dat de beoordelingen en gevoelens die eruit voortvloeien, weinig onderhevig zijn aan beïnvloeding door maatschappelijke normen. Voor een werkloze is het prettiger als werkloosheid maatschappelijk meer geaccepteerd is, maar die acceptatie vermindert niet zijn twijfel over zijn competentie en zijn gevoel van afhankelijkheid.
Die intrinsieke behoeftes aan competentie en autonomie maken het ook begrijpelijk dat het toch al lage hedonisch welzijn van werk bij hoge werkdruk nog lager is. In niet-werk situaties zijn mensen veel meer in staat om hun inspanningen naar eigen inzichten en mogelijkheden in te delen en te doseren dan in hun werkomgeving. Ook in de vrije tijd kan er druk zijn om te presteren, maar die druk komt van binnenuit en is zelf opgelegd en dus ook zelf te doseren. Een hoge werkdruk op het werk komt van buiten, door bijvoorbeeld prestatiebeloning en het voortdurend moeten halen van targets. Een toestand van blijvend hoge werkdruk moet dus, door de vrees tekort te schieten en door gebrek aan controle, wel ten koste gaan van de behoefte aan competentie en autonomie.
Daarmee komen we tot een tentatieve conclusie. Het besproken onderzoek lijkt erop te wijzen dat zowel het betaalde werk als tijdsbesteding als het hebben van betaald werk ons welzijn meer verhogen als ze meer aan onze intrinsieke aspiraties appeleren dan aan onze extrinsieke. En het is de vraag of dat inzicht wel voldoende wordt benut bij de heersende inrichting van het werk, de werkduur en de beloningspraktijken.