Posts tonen met het label sociaal-democratie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sociaal-democratie. Alle posts tonen

woensdag 1 mei 2024

Laten we vandaag, op de Dag van de Arbeid, even stilstaan bij de allereerste gedocumenteerde staking, zo'n drieduizend jaar geleden

In het Egyptisch Museum in Turijn bevindt zich het Strike papyrus, de eerste documentatie in de mensheidsgeschiedenis van een staking. Het document is geschreven in het hiëratisch schrift, een lopend schrift dat werd gebruikt naast hiërogliefen. Het schrift werd met pen en inkt geschreven en was daardoor gemakkelijker en sneller in het gebruik dan de veel tijdrovendere hiërogliefen, die vooral voor inscripties werden gebruikt (wikipedia). Je ziet hier het deel waarin de staking wordt beschreven.

Die staking vond plaats in 1155 voor Christus, dus zo'n drieduizend jaar geleden, gedurende het bewind van Ramses III. Er werd gekort op de rantsoenen van de arbeiders die werkten aan de bouw van de tombe van de farao. In reactie daarop gingen ze in staking, verzamelden zich achtereenvolgens in de necropolis van Thebes, de tempel van Thutmose III en in die van Ramses II. Hoewel hun eisen, uitbetaling van de niet geleverde graanrantsoenen, werden ingewilligd, gingen ze na enkele dagen weer in staking vanwege de slechte werkomstandigheden en eisten ze dat ze hun klachten direct mochten voorleggen aan de Farao.

Laten we vandaag, op de Dag van de Arbeid, even stilstaan bij die allereerste gedocumenteerde staking.

vrijdag 3 november 2023

Als het sociaaldemocratische iedereen-telt-mee minder in het politieke landschap vertegenwoordigd is, dan neemt het vertrouwen in de democratie af

Na 1945 werden de Nederlandse politieke partijen gemiddeld genomen linkser in hun verkiezingsprogramma's. Dat duurde tot 1972, waarna een verrechtsing inzette, die duurde tot 2008, toen de Grote Financiële Crisis een nieuwe verlinksing op gang bracht. 

Die veranderingen liepen ongeveer gelijk op met het gevoerde beleid ten aanzien van de omvang van de overheid. De collectieve uitgaven in procenten van het BBP namen tot de jaren tachtig toe, waarna ze tot 2008 met schommelingen afnamen en daarna weer toenamen. Je ziet die veranderingen afgebeeld in de grafiek die Jan-Maarten van Sonsbeek publiceerde in ESB van 27 oktober: Verkiezingsprogramma’s sinds financiële crisis weer linkser.

Voor de links-rechts-oriëntatie van de politieke partijen werd een index samengesteld uit 24 coderingscategorieën waarvan de helft (bijvoorbeeld uitbreiding verzorgingsstaat) wordt geassocieerd met politiek links en de andere helft (bijvoorbeeld law and order) met politiek rechts. Ter illustratie: bij de laatste verkiezingen in 2021 scoorde van alle partijen die zetels in de Tweede Kamer veroverden de SP met −36 de meest linkse score en de SGP met +38 de meest rechtse score.

Nu gaat het bij die links-rechts-oriëntatie om een gemiddelde, maar het is aannemelijk dat alle partijen met de veranderingen meebewogen. Zo weten we dat de verlinksing na 1945 voor eigenlijk alle partijen gold. Iedereen stemde in met de opbouw van de verzorgingsstaat, de industriepolitiek, het streven naar volledige werkgelegenheid en met hoge marginale tarieven in de inkomstenbelasting. De politiek liet zich leiden door het iedereen-telt-mee van de overheidsvuistregel.

En we weten dat ook de linkse partijen meegingen in de verrechtsing tussen 1972 en 2008. Het ieder-voor-zich van de marktvuistregel ging het politieke denken over de hele linie beheersen.

Zoals we weten dat de rechtse VVD in 2010 weliswaar de grootste partij werd, maar dat de algehele verlinksing zich toen begon af te tekenen. Nu, in november 2023, zien we dat zo ongeveer alle partijen een verhoging van het minimumloon willen. Er is een brede consensus over het terugdringen van de flexibele arbeidsmarkt. En over de noodzaak het extreme fraudebeleid in de sociale zekerheid te beëindigen. Ook de VVD, die in die eerdere verrechtsing voorop ging, vindt nu dat het anders moet, overigens zonder reflectie op de eerder ingenomen standpunten. Kortom, de overheidsvuistregel is terug. En daarmee is de moraal terug.

Oké, we zien dus dat een flink deel van de links-rechts beweging in de politiek zich niet voltrekt door verandering van kiezersvoorkeuren, maar door wat er aan standpunten van politieke partijen wordt aangeboden. Door de tijd heen verschuift het politieke speelveld, zoals dat door verkiezingsprogramma's wordt bepaald, heen en weer.

Dan hebben we het over het gedrag van de politieke partijen. Maar wat betekent dat nu voor het gedrag van de kiezers? Daarover gaat de nieuwe studie Turning off the base: Social democracy's neoliberal turn, income inequality, and turnout. 

Daarin gaat het over de periode tussen 1996 en 2019 en wordt gekeken naar de afname van de opkomst bij verkiezingen in 30 democratische landen met in totaal 111 verkiezingen. 

De opkomst bij verkiezingen is een indicatie van de bereidheid van de bevolking om aan de democratie deel te nemen en dus van het vertrouwen in de goede werking van de democratie. Het blijkt dat in die periode de opkomst in die 30 landen gemiddeld afnam, vooral bij lagere inkomensgroepen. En het blijkt dat die afname groter is in landen met grotere inkomensongelijkheid. 

Dat snap je. Een toename van ongelijkheid valt slecht te rijmen met het iedereen-telt-mee van de democratie en is dus niet bevorderlijk voor het vertrouwen in de democratie. Lagere inkomensgroepen haken af. 

In Nederland kenden we tot 1970 een opkomstplicht. Tot die tijd schommelde het opkomstpercentage rond de 94 procent. Sindsdien varieerde het tussen 88 procent in 1977 en 73,3 in 1998. In 2021 was het 78,7 procent (Parlement.com). Josse de Voogd en René Cuperus vonden dat de opkomst lager was in gebieden met meer arme huishoudens, meer bijstand, meer werkloosheid en meer arbeidsongeschiktheid (Atlas van Afgehaakt Nederland).

Maar wat blijkt ook? Die afname van de opkomst bij grotere inkomensongelijkheid was nog groter in die landen waar sociaaldemocratische partijen meegingen in de verrechtsing van de politiek. Dus zich neerlegden bij of zelfs meegingen in de afbouw van de verzorgingsstaat. Als de partijen die geacht werden op te komen voor de lagere inkomensgroepen overstag gingen, dan droeg dat extra bij aan de daling van de opkomst. 

Denk wat Nederland betreft aan de PvdA, die in de jaren negentig "met de tijd meeging". Dat was dezelfde periode waarin de opkomst steeds beneden de 80 procent lag, met in 1998 het laagste percentage tot nu toe (73,3 procent). En denk aan het kabinet-Rutte II (2012 - 2017), waarin de PvdA aanschoof bij de VVD. Waarna de PvdA in 2017 29 zetels verloor. Dat verlies zal voor een deel zijn veroorzaakt doordat lagere inkomensgroepen afhaakten. Doordat de PvdA het politieke speelveld versmalde, kwamen zijn kiezers minder opdagen. 

(Ik zocht het nog even op, maar uit onderzoek van Ipsos destijds zou blijken dat slechts drie zetels van het verlies eraan te wijten was dat PvdA-kiezers niet op kwamen dagen. 8 zetels gingen naar GroenLinks, 5 naar D66, 4 naar de SP, 2 naar de PVV en 7 naar de overige partijen. De opkomst was in 2017 met 81,9 procent voor die tijd aan de hoge kant.)

Samengevat: politieke partijen hebben de neiging om ondanks hun onderlinge verschillen gezamenlijk van links naar rechts en andersom te bewegen. Dat bergt het gevaar in zich dat het iedereen-telt-mee van de democratie niet altijd voldoende in het politieke landschap vertegenwoordigd is. En dat is slecht voor de deelname aan verkiezingen en dus voor het vertrouwen in de democratie.

donderdag 1 juni 2023

Over morele luchtledigheid. Van het vak economie, maar ook van het vak sociologie

 Mijn LinkedIn-Nieuwsbrief van deze week, waarvan een eerdere versie in delen op dit blog verscheen:


Maurizio Meloni geeft in Moralizing biology: The appeal and limits of the new compassionate view of nature een fraai overzicht van al het psychologisch, biologische, en neuro-wetenschappelijke onderzoek dat erop wijst dat morele gemeenschapsintuïties inherent zijn aan de menselijke sociale natuur. Je komt er een sectie in tegen over het Moral Intuitionist Model van de psycholoog Jonathan Haidt en anderen, een sectie over de evolutionaire bouwstenen van moraliteit van de primatoloog Frans de Waal en een sectie over de neurowetenschap van de menselijke morele gevoeligheid (moral sensitivity).

Al dat onderzoek, dat dateert van de laatste tientallen jaren, wijst in een diametraal andere richting dan wat eerder gemeengoed was in het denken over de menselijke moraal. In dat denken stond de stellige overtuiging voorop dat in de natuur alles draait om competitie en om de overwinning van de sterkste en de nederlaag van de zwakste. 

Vertegenwoordigers van dat denken waren bijvoorbeeld Michael Ghiselin (The Economy of Nature and the Evolution of Sex, 1974) en Richard Dawkins (The Selfish Gene, 1976). In die overtuiging was al het morele gedrag van mensen slechts een "vernislaagje". In de woorden van Ghiselin: Scratch an altruist and watch a hypocrite bleed. En Dawkins ging er van uit dat als het gen "zelfzuchtig" is, dat dat dan ook wel moet gelden voor het organisme. (Ik herinner mij een discussie in een online-groep van alweer jaren geleden, waarin Dawkins deze stellingname ontkende, maar door De Waal steeds maar geconfronteerd werd met citaten uit The Selfish Gene).

Dat denken is dus door het nieuwere onderzoek volledig onderuitgehaald. Waarmee we eigenlijk weer terug zijn bij Charles Darwin, die wel degelijk oog had voor de menselijke morele natuur. Maar die vernislaagtheorie was tot eind vorige eeuw dus gemeengoed in het sociaalwetenschappelijke denken. Voor zover moraliteit daarin al aan de orde kwam, moet je daar meteen bij zeggen, want tot aan dat recente onderzoek werden morele gevoelens eigenlijk niet beschouwd als legitiem onderwerp van onderzoek.

Het is goed om dit alles te bedenken als we terugkeren naar die waterscheiding aan het eind van de achttiende eeuw zoals Karl Polanyi die zag in het wetenschappelijk denken over de rol van de moraal in de inrichting van de maatschappij. Zie deze editie van deze Nieuwsbrief. Na die waterscheiding heerste het wat ik het moreel luchtledige economische denken noemde. Niet de moraal, maar de markt moest de maat der dingen worden. 

Het was juist niet (moreel) goed om de armen en de paupers te helpen, zoals voorafgaand aan de waterscheiding nog werd bepleit en min of meer gebeurde, want dat zou alleen maar in de weg staan van het bereiken van een nieuw evenwicht tussen de omvang van de bevolking en de beschikbare hulpbronnen. De wet van vraag en aanbod moest onbelemmerd zijn werk kunnen doen. Honger was nodig om alleen de sterkeren te laten overleven en om hen te motiveren om het werk te verrichten. Dat laatste deden ze in dienst van de bezittende klasse, wat meteen met zich meebracht dat de overheid niet veel meer moest doen dan het bezit te beschermen. De moraal, de impuls om de zwakken te helpen, het gevoel van rechtvaardigheid, dat hoorde geen rol te spelen.

Dat was in de woorden van Polanyi de liberale "utopie" van de vrije, ongereguleerde markt. En precies dat was het begin van het vak economie zoals we dat nu nog steeds kennen. In het theoretische bouwwerk van het vak, dat zich natuurlijk sterk ontwikkelde, bleef de markt de maat der dingen. En dus de maat voor welvaart. Overheidsuitgaven worden gemakshalve beschouwd als consumptie in plaats van als mogelijkerwijs welvaart scheppend. Gemakshalve, omdat de waardemaatstaf van de markt ontbreekt. 

Beleid op economische grondslag

Hoe dat uitpakt, valt fraai te illustreren aan een leerboek over beleid op economische grondslag. Ik doel op Policy Analysis. Concepts and Practice van David L. Weimer en Aidan R. Vining. (Ik gaf jarenlang college over dat boek.) Daarin is de markt de maatstaf voor welvaart, dat wil zeggen voor efficiëntie. Kies in je beleid altijd voor de markt, tenzij je een goede reden hebt om dat niet of maar beperkt te doen. 

In dat laatste geval moet er een aanwijsbaar geval zijn van "marktfalen". De markt schiet tekort omdat het om een publiek goed gaat (zoals tegengaan van klimaatverandering), omdat de productie met externe effecten gepaard gaat (vervuiling), vanwege een natuurlijk monopolie (waterleidingnet) of vanwege het bestaan van informatie-asymmetrie (medische zorg). In zulke gevallen is er een reden voor overheidsproductie of overheidsregulering. Maar dus geheel afgeleid van het primaat van de markt als waarden scheppend. En met het streven om de markt zoveel mogelijk te benaderen.

Dat alles valt nog binnen het economische theoretische kader. Maar dan moeten de auteurs zich ook buigen over problemen die, zeg maar, uit de beleidspraktijk komen. Waar ze niet omheen kunnen, wil hun boek voor de praktijk geschikt zijn. 

Problemen echter die helemaal niet met dat theoretische kader geanalyseerd kunnen worden. Zoals het probleem dat mensen niet alleen maar in hun eigen positie geïnteresseerd zijn, maar ook in hoe die positie uitvalt in vergelijking met anderen. Anders gezegd, het probleem dat mensen geneigd zijn tot statuscompetitie. Of het probleem dat er ook nog zoiets bestaat als menselijke waardigheid, van gelijkheid van kansen, van de behoefte aan bestaanszekerheid en aan gelijkheid (iedereen telt mee). (Dit gebeurt in de hoofdstukken 6 en 7 van mijn editie van 1998). 

En dan komt naar voren dat als je als economen een leerboek schrijft over beleid, je heel wezenlijke problemen, die met morele intuïties te maken hebben, helemaal niet met je theoretische apparaat kunt behandelen. Anders gezegd, de utopie, de fantasiewereld, van de econoom loopt tegen zijn grenzen aan. En dat ligt er dus aan dat al vanaf die waterscheiding aan het eind van de achttiende eeuw het vak economie de mens als moreel wezen buiten de deur heeft gehouden. Waarbij je natuurlijk meteen bedenkt hoe merkwaardig dat eigenlijk is. Had dat niet anders gekund? En was dat niet veel beter geweest?

Dit is natuurlijk een breder wetenschappelijk probleem. Zie voor het vak sociologie Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

Nutsinterdependentie

Een van de problemen die zich dan in dat vak economie voordoen, komt voort uit die morele notie van iedereen telt mee, die inhoudt dat mensen zich het lot en het welzijn van anderen aantrekken. Dat ze dus bereid zijn tot het helpen en ondersteunen van anderen, dus tot pro-sociaal gedrag, oftewel gemeenschapsgedrag. Maar dat past helemaal niet in dat economische theoretische kader. Het gaat in tegen de eis dat het "nut" van een persoon uitsluitend afhankelijk is van de goederen die die persoon zelf consumeert. Niemand wordt geacht zich beter te voelen als hij ziet dat het iemand anders goed gaat. Wat de econoom "nutsinterdependentie" noemt, dat het nut van de een mede afhankelijk is van het nut van de ander, laat het theoretisch kader niet toe. Minder technisch gezegd: alles draait om eigenbelang.

Maar ja, nutsinterdependentie bestaat wel degelijk. Wat te doen? Op p. 119 van het boek (mijn uitgave van 1998) kom je de economische standaard oplossing tegen. Die houdt in dat wordt aangenomen, let wel, wordt aangenomen, dat alle gemeenschapsgedrag uitsluitend binnen het huishouden plaats vindt. Ouders zorgen voor elkaar en voor hun kinderen. En dan kunnen we vervolgens het hele theoretische raamwerk in stand houden, door niet het individu als de consumptie-eenheid te nemen, maar het huishouden.

Die "oplossing" is zo standaard dat iedere eerstejaarsstudent economie er mee kennismaakt en hem voor de rest van zijn loopbaan als econoom als vanzelfsprekend aanneemt. Natuurlijk niet als een empirisch onderbouwd inzicht, maar als een veronderstelling die je, als econoom, nu eenmaal moet maken. (Denk aan al die grappen over economen, die als ze een vraag beantwoorden altijd beginnen met "Let's assume that .....".)

Het vak economie en de democratie

Maar dat heeft zacht gezegd nogal wat inhoudelijke consequenties. Gemeenschapsgedrag tussen huishoudens zou in een economische analyse niet kunnen bestaan. De democratie als vormgeving van onze morele gemeenschapsintuïties van iedereen telt mee en rechtvaardigheid? Economisch onbestaanbaar. Economisch gezien zou het in de democratie altijd alleen maar draaien om eigenbelang. 

Maar er valt het een en ander voor te zeggen dat zo'n democratie helemaal niet mogelijk is. Zie De democratie heeft fatsoen en integriteit en politieke deugd nodig. Maar dat inzicht ontbreekt in de economische theorie van de democratie.

Nu is het legitiem, ja, zelfs onvermijdelijk, om je bij de ontwikkeling van een theorie op veronderstellingen te baseren die abstraheren van de werkelijkheid. Als je altijd alleen maar zo dicht mogelijk bij de waarneembare werkelijkheid wilt blijven, kom je niet verder dan een aaneenrijging van waarnemingen en dat is geen theorie. 

Modelassumpties en de werkelijkheid

Maar het maakt natuurlijk wel uit wat je weglaat als je abstraheert. Uiteindelijk loopt je theoretische bouwwerk onvermijdelijk op allerlei plekken tegen de werkelijkheid aan. Je doet allerlei voorspellingen die niet blijken uit te komen. En dan komt een moment dat je je achter de oren krabt en je afvraagt of je niet aan het begin iets heel belangrijks hebt weggelaten. Zo worden in feite je modelassumpties alsnog aan de werkelijkheid getoetst.

Momenten dat economen zich achter de oren krabben, of hadden moeten krabben, zijn er al vele geweest. Denk aan Het eendimensionale economische mensbeeld is niet alleen als mensbeeld onrealistisch, maar ook als venster op wat zich werkelijk in de markt en in de maatschappij afspeelt. Met een verwijzing naar Calculativeness, trust and the reciprocity complex: Is the market the domain of cynicism?, waarin Rudi Wielers en ik erop wezen dat markten, de echte, niet die uit de economische leerboeken, niet zonder (voldoende) gemeenschapsgedrag zouden kunnen bestaan. Dat gaat over de rol van onderling vertrouwen, die in de economische abstracties geen rol speelt.

Andere momenten zijn er volop geweest als je bedenkt hoe die "bezittersmaatschappijen" (de ownership societies van Piketty) zich na het einde van de achttiende eeuw hebben ontwikkeld. Piketty laat zien hoe vanaf het eerste kwart van de twintigste eeuw in Engeland de extreme ongelijkheid, die in de negentiende eeuw zelfs nog toenam, snel en sterk werd teruggedrongen (hoofdstuk 5. Ownership societies: European trajectories van Capital and Ideology).

Toenemende invloed van de morele gemeenschapsintuïties

Hoe kwam dat? Door uitbreiding van het kiesrecht, door de emancipatiebewegingen van arbeiders en vrouwen en door progressieve belastingheffing. En door de opbouw van de verzorgingsstaat na de Tweede Wereldoorlog ("de gemeenschap, georganiseerd in de staat").

Een ontwikkeling die misschien voor een klein deel valt te verklaren door economische factoren. Maar toch moeilijk te begrijpen als je de rol van bij mensen levende morele gemeenschapsnoties van iedereen telt mee en van rechtvaardigheid zou willen negeren. Noties die via politieke bewegingen, denk aan de sociaaldemocratie, hun weg vonden naar overheidsbeleid. Een ontwikkeling die onvoorstelbaar is als je uitsluitend met het standaard economische apparaat naar de wereld zou kijken.

Die ontwikkeling: sterk afnemende ongelijkheid, samenhangend met uitbreiding van het kiesrecht, dus met de groei van democratie, meer regulering van de arbeidsmarkt en bescherming van de zwakkeren en progressievere belastingheffing. Piketty (Capital and Ideology, p. 195) laat zien hoe in Engeland vanaf de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) de vermogensongelijkheid sterk afnam. En hoe dat in Zweden, Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Konikrijk en de Verenigde Staten gepaard ging (p. 457) met een sterke toename in precies dezelfde periode van de belastinginkomsten van de overheid. Dus met een toename van het morele wij-met-zijn-allen van de overheid als correctie op en indamming van het amorele ieder-voor-zich van de markt. 

Die ontwikkeling in het eerste driekwart van de twintigste eeuw kan moeilijk anders verklaard worden dan uit de toegenomen invloed van de morele gemeenschapsintuïties (iedereen telt mee, rechtvaardigheid) op de politieke besluitvorming, die mogelijk werd gemaakt door het algemeen kiesrecht en dus door de vestiging van democratieën. Piketty spreekt over de politiek-ideologische voorwaarden die deze ontwikkeling in gang zetten (p. 417):

those decisions stemmed from profound and lasting changes in social perceptions of the system of private property and its legitimacy and ability to bring prosperity and offer protection against crisis and war. This challenge to capitalism had been in gestation since the middle of the nineteenth century before crystallizing as majority opinion in the wake of two world wars, the Bolshevik Revolution, and the Great Depression of the 1930s. After such shocks, it was no longer possible to fall back on the ideology that had been dominant until 1914, which relied on the quasi-sacralization of private property and the unquestioned belief in the benefits of generalized competition, whether among individuals or among states. The contending political forces therefore set out in search of new avenues, including various forms of social democracy and socialism in Europe and the New Deal in the United States.

Lessen voor nu

Kunnen daar lessen uit worden getrokken voor nu? Ja, natuurlijk, die volgen dan ook meteen:

The lessons that can be drawn from this history are obviously relevant to what is happening today, especially since a neo-proprietarian ideology began to gain influence in the final decades of the twentieth century.

En dan gaat het over de terugkeer van de grote invloed van het moreel luchtledige vak economie vanaf de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw, het neoliberalisme dus. Wat we zich met dat alles zien afspelen is de strijd om invloed tussen enerzijds dat amorele vak economie en anderzijds de politiek-ideologische denkwereld van de sociaaldemocratie (ruim genomen), waarin de morele gemeenschapsintuïties proberen vorm te vinden.

Het amorele vak economie en de sociaaldemocratie

Over die strijd hebben Avner Offer en Gabriel Söderberg zich gebogen aan de hand van de sinds 1969 uitgereikte Nobelprijzen voor economie in hun in 2016 verschenen The Nobel Factor. The prize in economics, social democracy, and the market turn. Dat boek verdient veel meer aandacht dan het heeft gekregen.

Want daarin gaat het precies over die tegenoverstelling van enerzijds de "economische doctrine" en anderzijds de sociaaldemocratie (p. 4-5):

In Social Democracy the basic impulse was not gratification but obligation, the basic unit not the individual but the group, family, class, and nation. The prime objective was not acquisitive, but to achieve security, and more specifically, to cope with life-cycle contingencies. In contrast to the personal cravings that motivate action in economic theory, Social Democracy was driven by the social problem of how to cope with dependency.
In the course of the life cycle, every person goes through periods when they cannot provide for themselves. Early motherhood, infancy and childhood, education, illness, unemployment, disability, and old age are all costly and time-consuming. In conditions of dependency, there is nothing to sell except a claim on humanity, no product to bargain with, no 'two feet' to stand on, and little foresight or capacity to calculate. (...)
The difference between Social Democracy and economic market doctrines is easy to draw. It is about how to deal with uncertainty.

Moet iedereen zelf maar uitzoeken hoe hij met bestaansonzekerheid omgaat? Ieder voor zich? Dan is de markt de scherprechter. Iedereen, arm en rijk, krijgt precies wat hij "verdient".

Of lossen we dat probleem met zijn allen op? Omdat iedereen mee telt? In dat geval verdient iedereen bestaanszekerheid, recht op een bestaan, omdat we dat met zijn allen voor iedereen zoveel mogelijk willen garanderen. 

Eigenlijk kun je daarmee de sociaaleconomische geschiedenis schrijven van de twintigste en het begin van de eenentwintigste eeuw. De geschiedenis van de strijd om de vraag naar de invloed van onze morele gemeenschapsnoties op hoe we onze maatschappij inrichten. Met wisselende uitkomsten.

Twee maatschappijvisies

Die economische en dus moreel luchtledige oplossing voor het probleem van bestaansonzekerheid bestaat eruit dat iedereen maar moet uitzoeken hoe hij die zich op de markt kan aanschaffen. In de woorden van Offer en Söderbergs The Nobel Factor (p. 6):

In economics, in contrast, the risk is borne by every individual. each person's problem is how to transfer financial claims safely over time, from now, when premiums are paid or savings banked, to the future, when dependency might occur. Security is a commodity like any other, purchased in financial markets as insurance and savings, each person according to a sense of how much he or she can afford. Risks are pooled by insurance companies and banks. Individuals rely for security on commercial contracts.

Denk aan de poging van de Republikeinse partij gedurende de regering-Bush om de sociale zekerheid volledig te privatiseren. Weg met het wij-met-zijn-allen. Dat kregen ze er niet door, ook al vanwege de vele aanwijzingen dat een collectief georganiseerde sociale zekerheid goedkoper is.

Fraai daarmee contrasterend, in de zin van de morele lading benadrukkend, is de karakterisering van de sociaaldemocratie door de Zweedse sociaaldemocratische leider Albin Hansson in 1928 als "The People's Home", die Offer en Söderberg aanhalen (p. 5): 

The basis of the home is commonality and mutuality. A good home is not aware of any privileged or slighted, no darlings and no stepchildren. You see no one despise the other, no one who tries to gain advantage of others.... In the good home you find equality, compassion, cooperation, helpfulness.

Sinds die waterscheiding aan het eind van de achttiende eeuw kennen we dus die twee maatschappijvisies, de moreel luchtledige van het vak economie, toegespitst in de neoliberale ideologie, aan de ene kant en de sociaaldemocratie aan de andere kant.

Misschien hebben we nu, in 2023, genoeg geleerd om de les te trekken dat het met morele luchtledigheid niet de goede kant opgaat.

Dat kan niet anders dan consequenties hebben voor het vak economie. Maar laten we het onder ogen zien: ook voor het vak sociologie.

maandag 24 april 2023

Het neoliberalisme is een gewone politieke stroming die zijn kansen heeft gehad en nu plaats moet maken voor de 21ste-eeuwse sociaaldemocratie

We leven in de korte overgangstijd waarin we bezig zijn met afscheid te nemen van de veertig à vijftig jaar dat in de sociaaleconomische politiek het neoliberale denken van de marktvuistregel domineerde. Zie voor het verschil met de lange overgangstijd: We leven in een overgangstijd. In een lange en een korte. 

Die korte overgangstijd wordt er door gekenmerkt dat we de laatste stuiptrekkingen van het neoliberalisme meemaken. Laten we er even bij stil staan wat die stuiptrekkingen precies inhouden.

Het neoliberalisme kon een zo grote invloed uitoefenen op het politieke denken doordat het succesvol de reputatie wist te creëren van grote economische deskundigheid. "De economie" werd gelijkgesteld aan "het bedrijfsleven" en de neoliberale politici, zeg de VVD'ers, schurkten tegen dat bedrijfsleven aan. En ze slaagden erin om bij het grote publiek de indruk te wekken dat de linkse politici economisch onverantwoord alleen maar uit waren op "leuke dingen voor de mensen". Veel kiezers trapten daarin, ook al doordat de linkse politici weinig weerwerk boden. Erger, ze gingen een heel eind mee in dat neoliberale denken. Zie Over de sociale zeepbel van het neoliberalisme: Dat hadden we nooit moeten doen.

Maar we hebben ondertussen voldoende ervaring opgedaan om te kunnen constateren dat dat neoliberale denken op een economische fantasiewereld berustte. De fantasiewereld waarin de overheid moest terugtreden en zichzelf ook meer bedrijfseconomisch moest organiseren. En de markt moest worden uitgebreid, door uitbesteding, privatiseringen, deregulering en verlaging van belastingen. Meer ongelijkheid was goed, want zorgde voor de benodigde "prikkels". En dat alles zou zorgen voor meer economische groei en precies die economische groei moest ook het allesbepalende criterium worden voor wat wenselijk was. 

Maar wat gebeurde? De economische groei viel tegen en was lager dan in de eerste, zeg maar sociaaldemocratische, decennia na de Tweede Wereldoorlog. De ongelijkheid nam groteske vormen aan. Naast exorbitante rijkdom ellendige armoede. Van het beloofde "trickle-down" kwam niets terecht. Hogere drempels voor de sociale zekerheid en jacht op fraudeurs. Eigen risico in de gezondheidszorg. Daklozen verschenen in het straatbeeld en voedselbanken werden opgericht. Niet iedereen telde meer mee. En de financieel-economische instabiliteit nam toe. Bestaansonzekerheid nam toe. Crises stapelden zich op: De Nederlandse polycrisis: een moedeloos makende waslijst van problemen - die met elkaar samenhangen en een gemeenschappelijke oorzaak hebben.

Oké, zou je denken, laten we er snel mee stoppen. Laat die korte overgangsperiode maar zo kort mogelijk duren. Terug naar de overheidsvuistregel van de sociaaldemocratische twintig à dertig jaar van na de Tweede Wereldoorlog. Waarin nog het inzicht bestond dat de overheid niet een last is voor de economie, maar integendeel de economie laat werken en laat werken voor iedereen. Ik sloeg even Een land van kleine buffers van Dirk Bezemer erop na (p. 82-4):

We moeten de opvatting dat de overheid een last voor de economie is loslaten (...) Een veelgehoorde opvatting is dat al die overheidsdiensten uiteindelijk slechts kunnen bestaan bij de gratie van een goedlopende markteconomie. De centjes moeten wel verdiend worden voor ze kunnen worden uitgegeven - dat sentiment. Het is precies omgekeerd. Zonder de vitale functies voor markt en maatschappij die in de publieke sector geborgd worden, is er weinig groei en ontwikkeling en grote fragiliteit. Er zijn helemaal geen centjes te verdienen zonder overheidsuitgaven.

De publieke sector is met name een buffer voor wie zelf weinig veerkracht heeft. Van zwemles op school tot jongerenwerk, van politie op straat en een jeugdwerker in moeilijke wijken tot begeleid wonen voor psychiatrische patiënten, sociale advocatuur, en het uitbetalen van toeslagen: de publieke sector draagt bij aan de veerkracht van juist die Nederlanders die daar zelf geen geld voor hebben.

Dat gaat het om het iedereen-telt-mee van de democratische overheid. Maar er is ook de overheid waarzonder de economie niet werkt.

Maar ook in harde financiële zin is de publieke sector een buffer voor huishoudens en bedrijven. De eerste reden is dat een groep burgers die buiten de boot valt hoge maatschappelijke kosten veroorzaakt. De tweede reden is dat goed vervulde publieke taken ook grote financiële baten voor burgers en bedrijven opleveren. Een overheid die goed openbaar vervoer verzorgt en subsidieert, of woningen bouwt voor de sociale huursector, of de prijzen voor water en electriciteit laag houdt, of zwembaden, bibliotheken en parken onderhoudt, of een breed aanbod aan cultuur garandeert, of effectieve vraag op peil houdt in recessies - zo'n overheid bespaart haar burgers kosten van levensonderhoud op allerlei gebied. Dat vertaalt zich ook in lagere loondruk, omdat adequate overheidsvoorzieningen een goede kwaliteit van leven bieden, ook voor wie een bescheiden inkomen heeft.

Overheidsuitgaven, sterker overheidstekorten, zijn onmisbaar voor een goed lopende economie. Geheel tegengesteld aan het denken van die neoliberale marktvuistregel. Daarin staan de zorgen om het "houdbaarheidssaldo" van de overheidstekorten centraal. Volgens de berekeningen van het Centraal Planbureau die Bezemer aanhaalt, zouden de overheidsfinanciën (p.79)

pas houdbaar worden op een niveau dat sinds 1814 nog nooit voorgekomen is. Dit zou toch aanleiding moeten zijn nog eens na te denken over het realisme van dit getal, een realisme dat ontbreekt in de onderliggende theoretische aannames. Kort gezegd, in het gebruikte model zijn de overheidsbestedingen slechts kosten, en leveren ze maar heel weinig op; geheel conform het wereldbeeld uit de leerboeken.

En precies dat wereldbeeld uit de leerboeken, de fantasiewereld van het neoliberale denken, is in de achter ons liggende periode van zo grote invloed geweest op het denken van de politiek. Het gaf dat denken een cachet van neutrale, apolitieke wetenschappelijkheid. "De economen" zeiden het, dus was het zo.

En het is ook precies die invloed die de voltrekking van het afscheid van de neoliberale marktvuistregel nog lijkt te vertragen. In HP/De Tijd vraagt Hans van Willigenburg zich af of we in de nadagen van het neoliberalisme zitten. En of we ooit nog van dat denken afkomen: Gezwicht voor de beloften van de markt. 

Voor het definitieve afscheid lijkt het nodig dat politici en kiezers die dekmantel van zogenaamde apolitieke wetenschappelijkheid doorzien. En in staat zijn het denken te zien voor wat het is, een gewone politieke stroming die zijn kansen heeft gehad, die de beloftes niet kon waarmaken en die nu plaats moet maken. 

Plaats moet maken voor het denken dat wel recht doet aan het grote belang van het iedereen-telt-mee van de democratische overheid. Toevallig staat er in dezelfde editie van HP/De Tijd een stuk van Willem Pekelder onder de titel Heimwee naar Ome Joop. Joop den Uyl, die al

in zijn Paradiso-rede van mei 1981 waarschuwde voor het ik-tijdperk, dat de solidariteit en de verzorgingsstaat zou bedreigen.

Het is tijd voor een herwaardering van de sociaaldemocratie. Voor de 21ste-eeuwse versie daarvan. 

Net zo als de regering-Biden in de Verenigde Staten de eerste post-Reagan regering is, is het in Nederland tijd voor de eerste post-Lubbers regering. Denk aan Wat is hier aan de hand? Is dit echt het begin van een historische omslag van statuscompetitief overheidsbeleid naar gemeenschapsbeleid?

maandag 3 oktober 2022

We leven in een overgangstijd. In een lange en een korte.

We leven in een overgangstijd. Maar welke?

Het lijkt erop dat we een grote en een kleine overgangstijd kunnen onderscheiden. Over die grote overgangstijd heeft Thomas Piketty het in dit interview in het Financieel Dagblad: Thomas Piketty: 'Mijn systeem van socialisme is geen droom. We zijn al onderweg'. Daar gaat het over de overgangstijd die al zo'n twee eeuwen in beslag neemt:

In de laatste twee eeuwen is er een lange ontwikkeling geweest richting gelijkheid: politiek, sociaal, economisch. Dit proces begon ten tijde van de Franse revolutie, en dan gaat het door in de 19de en 20ste eeuw, met het einde van de slavernij, de opkomst van de welvaartsstaat, progressieve belastingen, de burgerrechtenbeweging, de afschaffing van apartheid. En het gaat vandaag door, met de Black Lives Matter-beweging en de roep om meer gendergelijkheid. De beweging richting meer gelijkheid is nog niet afgelopen...

Die ontwikkeling naar grotere gelijkheid zal naar zijn overtuiging doorgaan, in de vorm van hogere marginale tarieven van de inkomstenbelasting (80 tot 90 procent voor de hoogste inkomens) en fors hogere erfenis- en vermogensbelasting. De ontwikkeling naar meer economische democratie, meer rechten voor werknemers, ook in het bestuur van ondernemingen, en uitbreiding van de non-profitsector zal doorzetten. Ook zal zich een internationaal belastingsysteem ontwikkelen, dat beter uitpakt voor de armere landen. 

Kortom, we zullen toegaan naar een systeem van "participatief socialisme", zoals Piketty dat al beschreef in het laatste hoofdstuk van Capital and Ideology. Het zal de uitkomst zijn van de ideologische strijd die de mensheidsgeschiedenis beheerst en die gaat over rechtvaardigheid en "human and social emancipation" (p. 1035) versus de heersende machten:

Unlike the class struggle, the struggle of ideologies involves shared knowledge and experiences, respect for others, deliberation, and democracy. No one will ever possess the absolute truth about just ownership, just borders, just democracy, just taxes and education. The history of human societies can be seen as a quest for justice. Progress is possible only through detailed comparison of personal and historical experiences an dthe widest possible deliberation. (p. 1036)

Er is natuurlijk enige overeenkomst met wat ik op dit blog schreef over de strijd om de democratie in de mensheidsgeschiedenis. Met wel als nogal opvallende verschil dat ik, op grond van de aard van de menselijke sociale natuur, vermoed dat die strijd nooit ophoudt. Dus dat de democratie altijd bedreigd zal worden. Piketty is optimistischer. Zijn grootscheepse en tegelijkertijd minutieuze historische analyses rechtvaardigen volgens hem dat optimisme. Maar bij hem ontbreken dan ook de reflecties op die menselijke sociale natuur.

Maar daarnaast is er dus die kleine overgangstijd. Want die lange historische lijn die Piketty beschrijft, die kent ups en downs:

The conservative revolution of the 1980s and the fall of communism interrupted this movement; the world entered a new era of self-regulated markets and quasi-sacralization of property. The inability of the social-democratic coalition to move beyond the confines of the nation-state and renew its program in an era of globalized trade and expanded higher education contributed to the collapse of the left-right poltical system that made the postwar reduction of inequality possible. (p. 1036-7)

Anders gezegd, de ideologie van het neoliberalisme kreeg velen in zijn greep. En wat we nu, in 2022, meemaken, lijkt het einde te zijn van die merkwaardige onderbreking van de grote lijn. Die korte overgangstijd, terug naar de grote lijn, begon natuurlijk al eerder. Dit is wat ik er in 2017 over schreef: Het neo-liberalisme als eigenaardige en pijnlijke onderbreking van de ontwikkeling van de verzorgingsstaat. 

In een volgend bericht meer over die korte overgangstijd. Mede naar aanleiding van wat in Engeland de laatste stuiptrekkingen lijken te zijn van dat neoliberalisme: Prem Sikka: We’re in the latest stage of a right-wing coup that began in the 1970s.

woensdag 13 oktober 2021

Staan we aan het begin van een nieuw sociaaldemocratisch tijdperk? Terug naar wij-met-zijn allen en iedereen-telt-mee?

Op 16 maart van dit jaar riep ik op om bij de Tweede Kamerverkiezingen op een linkse partij te stemmen. Met het idee dat het hoog tijd was voor een politiek van wij-met-zijn-allen en iedereen-telt-mee. Tijd voor een politiek die geïnspireerd is door onze morele gemeenschapsintuïties. 

Ik ging ver terug in de geschiedenis, maar minder ver terug kijkend zag ik tientallen jaren van neoliberaal beleid:

Dus van beleid van minder wij-met-zijn-allen en meer van ieder-voor-zich. In politieke termen: minder overheid en meer gedereguleerde markt. Afbraak van de verzorgingsstaat, toename van bestaansonzekerheid voor velen. met een toename van inkomens-, maar vooral van vermogensongelijkheid. Voedselbanken werden normaal. Een dak boven je hoofd werd aan de markt overgelaten, dus meer daklozen. Arbeidsmarkt gedereguleerd, dus meer onzekerheid. Doelstelling van volledige werkgelegenheid ingeruild voor versobering van uitkeringen. Tegenprestatie in de bijstand. Werkloos? Dan heb je je looneisen nog niet genoeg naar beneden bijgesteld. Stagnatie van de lonen. Armoede, niet allen bij uitkeringstrekkers, maar ook bij werkenden. Publieke voorzieningen gedecentraliseerd en uitgekleed. Gemeentebudgetten afgeknepen. Getreuzeld met de hoognodige maatregelen om de klimaatverandering af te wenden.

Allemaal economische hervormingen, die het statuscompetitie-evenwicht aanzienlijk dichterbij brachten. Minder mededogen met de zwakkeren en kwetsbaren. Anti-immigranten- en vluchtelingensentiment. Toenemend rechtsextremisme. Ontkenning van wetenschappelijke inzichten.

Daar moest wel een reactie op komen. De kiezers zouden wel inzien dat het zo niet verder kon. De democratische overheid hoort er voor iedereen te zijn, hoort te zorgen voor bestaanszekerheid voor allen en voor rechtvaardige verhoudingen. 

Maar de Nederlandse kiezers kozen anders. De linkse partijen waren al klein en verloren of bleven gelijk in zetels. De sociaaldemocratische PvdA bleef staan op een schamele negen zetels. De neoliberale VVD en het wat minder neoliberale D66 wonnen. Weliswaar waren die in hun programma's wat naar links opgeschoven, maar vooral niet teveel. De Nederlandse kiezers kozen er voor om door te gaan op de ingeslagen weg. Misschien dat de coronapandemie daar een rol in speelde.

Dat was een opvallende ontwikkeling. Dat het tijd is voor een nieuw sociaaldemocratisch tijdperk is niet zo'n gekke gedachte. Hij komt in grote lijnen overeen met de conclusies waarmee Thomas Piketty zijn Capital and Ideology afsluit. Zie Klassenstrijd en ideeënstrijd. Lessen van grote crises. En over waarom het gaat, bij Marx, bij Piketty en op dit blog. Piketty (p.967):

The study of history has convinced me that it is possible to transcend today's capitalist system and to outline the contours of a new participatory socialism for the twenty-first century - a new universalist egalitarian perspective based on social ownership, education, and shared knowledge and power.

En volgens de Amerikaanse politicoloog Stephen Skowronek is er in de Verenigde Staten met de regering-Biden een nieuw "politiek tijdperk" aangebroken, waarin de democratisch overheid weer voorop staat om bestaanszekerheid en rechtvaardigheid te verschaffen. (Dan moet nog wel even voorgoed worden afgerekend met de antidemocratische  Trump-sekte waartoe de Republikeinse partij is getransformeerd.) De bij de Amerikaanse bevolking populaire plannen van de regering-Biden maken, als ze tot uitvoering komen, in feite van de Verenigde Staten een sociaaldemocratische verzorgingsstaat.

In verschillende andere landen was er al een overeenkomstige ontwikkeling. In alle Scandinavische landen en in Spanje en Portugal regeren nu de sociaaldemocraten. En in Duitsland werd de SPD zomaar de grootste partij.

Robert Misik stond stil bij die verkiezingsoverwinning van de Duitse sociaaldemocraten: The improbable victory: lessons of the SPD’s election win. Daarin heeft, denkt hij, een grote rol gespeeld dat in de verkiezingscampagne de verhoging van het minimumloon, een betere bescherming van de kwetsbaren aan de onderkant van de arbeidsmarkt en het grote belang van bestaanszekerheid voorop stonden. Samengevat met de slogan "Respekt für dich", die ik vorige week toen we in Aken waren voor de Dürer-tentoonstelling, overal tegenkwam op de verkiezingsaffiches die daar nog hingen. Respect dus, in plaats van de vernedering die in het neoliberale tijdperk was genormaliseerd.

Ok Mark Schieritz denkt, in Die Zeit, dat we een sociaaldemocratisch tijdperk ingaan: Das sozialdemokratische Jahrzehnt. Hij denkt een historische verschuiving van prioriteiten waar te kunnen nemen. Na de megacrises waarop het neoliberale tijdperk is uitgelopen, de Grote Financiële Crisis, de klimaatcrisis, de coronapandemie, is het moeilijk geworden om de markt als oplossing voor alle problemen nog aan de kiezers te verkopen. 

Ein starker Staat wird nicht mehr als Bedrohung, sondern als Verheißung empfunden. Das stärkt die sozialdemokratischen Kräfte, die sich nach ihren eigenen marktliberalen Abenteuern in den Nullerjahren nun wieder auf ihren sozialprogrammatischen Kern besinnen: Schutz, Sicherheit, Ausgleich.

donderdag 29 april 2021

Dat werkelijkheidsvreemde, moreel luchtledige vak economie is aan een wel heel grondige revisie toe - Wat de morele luchtledigheid van het vak economie zoal betekent - deel 6

In de reeks berichten over het moreel luchtledige vak economie (hier het vorige bericht) ging het er onder andere over dat reële maatschappelijke en economische ontwikkelingen sinds de negentiende eeuw zich voltrokken zonder zich veel van de aanbevelingen van dat vak aan te trekken. Volgens die aanbevelingen moest de markt als de bron van welvaart bij uitstek beschouwd worden en moest dus zoveel mogelijk aan de markt worden overgelaten. 

Dus een zo klein mogelijke overheid met zo laag mogelijke belastingen, die zich zoveel mogelijk zou moeten beperken tot het beschermen van eigendom. Die de inkomensverdeling aan de markt moest overlaten en dus grote inkomensongelijkheid als de altijd juiste uitkomst van het marktproces ongemoeid moest laten. Die het tegemoetkomen aan de menselijke behoefte aan zekerheid moest zien als een vraag waaraan door de markt het beste kan worden voldaan. Dus geen ruimte voor de verzorgingsstaat. Die arbeid beschouwt als een goed als alle andere, dus geen regulering van de arbeidsmarkt en geen beleid gericht op volledige werkgelegenheid. Onvrijwillige werkloosheid kan niet bestaan, want er is altijd werk te vinden als je je eisen maar genoeg naar beneden bijstelt.

Maar wat we zagen gebeuren was de totstandkoming van democratieën die besloten om de belastinginkomsten sterk te vergroten, die met progressieve belastingtarieven de ongelijkheid sterk terugbrachten, die de sociale zekerheid van de verzorgingsstaat opbouwden, die, althans na de Tweede Wereldoorlog, een Keynesiaans beleid voerden gericht op volledige werkgelegenheid en die de arbeid beschermden.

In termen van Offer en Söderberg (The Nobel Factor): in de empirische werkelijkheid hadden de morele gemeenschapsintuïties van de sociaaldemocratie een grote invloed op het beleid en keek het moreel luchtledige vak economie aan de zijlijn toe. 

Althans, dat was het geval tot aan de opkomst van het neoliberalisme in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw. Maar alles doet vermoeden dat toen een merkwaardige tussenperiode begon waar we nu, begin jaren 20 van deze eeuw, met enig afgrijzen afscheid van nemen. Denk aan de overgang van het Trump-bewind naar de regering Biden in de Verenigde Staten.

Natuurlijk is dat alles algemeen bekend. Maar als er al bij wordt stilgestaan, dan wordt het met enig schouderophalen geaccepteerd als "zo zit de wereld nu eenmaal in elkaar".

Maar bij nadere beschouwing is het eigenlijk heel merkwaardig. Een als "wetenschap" alom gerespecteerd vak economie staat bij ingrijpende maatschappelijke ontwikkelingen aan de zijlijn. Het blijft volharden in een werkelijkheidsvreemd theoretisch apparaat, dat als het onverhoopt wel serieus wordt genomen, zoals in de afgelopen tientallen jaren, maatschappelijke rampspoed en menselijke ellende voortbrengt.

Offer en Söderberg wijzen in dat verband op het evenzeer merkwaardige gegeven dat de beoefenaars van dat vak heel verschillend denken over de aanbevelingen van hun vak. In het plaatje (p.117) zie je hoe economen antwoordden op enquêtevragen over de wenselijke mate van ongelijkheid, van het niveau van overheidsuitgaven en van de wenselijkheid van inkomensherverdeling door de overheid in het kader van sociale zekerheid. Het ging om Amerikaanse en Europese economen, overwegend werkzaam aan een universiteit. Allen dus opgeleid in dat moreel luchtledige vak economie.

En wat blijkt? Die economen zijn in grote meerderheid voor meer gelijkheid, zijn sterk verdeeld over het gewenste niveau van overheidsuitgaven en weer in grote meerderheid voor inkomensherverdeling. Offer en Söderberg daarover (p. 118):

The results are striking. To begin with, there was no unanimity. If economics was a science, there was no agreement on its core policy implications. One would hardly expect such lack of agreement over core issues in the application of physics, chemistry or biology. On the other hand, the distribution of opinion remained constant over time, especially in the United States, which suggests that the survey captured a stable distribution of preferences. 

En bovendien zijn die economen als persoon veel sociaaldemocratischer (links/progressiever) dan wat hun vak hen vertelt. Wat er op neerkomt dat ze hun morele gemeenschapsintuïties serieuzer nemen dan de morele luchtledigheid van hun vak.

De conclusie ligt voor de hand, maar wordt nog veel te weinig getrokken: dat werkelijkheidsvreemde, moreel luchtledige vak economie is aan een wel heel grondige revisie toe.

Een revisie die trouwens vergelijkbaar zou zijn met de revisie die het vak sociologie om andere redenen zou moeten ondergaan.

Lees hier het volgende bericht.

vrijdag 23 april 2021

Misschien hebben we nu, in 2021, genoeg geleerd om de les te trekken dat het met morele luchtledigheid niet de goede kant opgaat - Wat de morele luchtledigheid van het vak economie zoals betekent - deel 5

Het vorige bericht besloot ik met de overweging dat je de sociaaleconomische geschiedenis van de twintigste en het begin van een eenentwintigste eeuw kunt beschrijven met de strijd om invloed tussen het moreel luchtledige vak economie (de "economiedoctrine") en de politieke ideologie van de sociaaldemocratie op hoe het probleem van bestaansonzekerheid dient te worden opgelost. Waarbij die term sociaaldemocratie natuurlijk gebonden is aan specifieke politieke partijen, maar de inhoudelijke ideeën breder gedeeld kunnen zijn. 

Om de gedachten te bepalen: na de Tweede Wereldoorlog waren die ideeën heel breed gedeeld ("de gemeenschap, georganiseerd in de staat"). Met de opkomst van het neoliberalisme in de jaren zeventig en tachtig verdwenen ze naar de achtergrond, zelfs ook bij de sociaaldemocratische politieke partijen, waarna ze nu, na de confrontaties met de onzekerheden van financiële crises, de klimaatverandering en de coronapandemie weer de kop opsteken. Niet alleen omarmt de PvdA weer het grote belang van bestaanszekerheid (de sociaaldemocratie is terug; nu nog de kiezers), ook de andere partijen lijken naar links op te schuiven. En in de Verenigde Staten lijkt hetzelfde aan de hand met de nieuwe regering-Biden.

Die strijd om invloed is duidelijk een tussen intellectuele stromingen die verschillen in de plaats die ze toekennen aan morele noties in hoe maatschappijen zouden moeten worden ingericht. Ik noemde al herhaaldelijk de economische doctrine, dus het vak economie zoals dat aan het eind van de achttiende eeuw ontstond (Polanyi's waterscheiding), moreel luchtledig. Die karakterisering is erop gebaseerd dat je het oplossen van alle verdelingsproblemen voor eens en altijd kunt neerleggen bij de markt. Draag zoveel mogelijk over aan de markt en dan hoef je je in morele zin niet meer het hoofd te breken. 

Anders dan dat de markt het geheel is van vrijwillige transacties en dat daarmee tegemoet wordt gekomen aan de morele notie van vrijheid van overheersing. Maar als je die andere morele gemeenschapsnoties, die van iedereen telt mee, van wij met zijn allen en van rechtvaardigheid volledig negeert, dan is de term morele luchtledigheid wel op zijn plaats.

Die moreel luchtledige oplossing voor het probleem van bestaansonzekerheid ligt natuurlijk voor de hand. Iedereen moet dat probleem zelf oplossen. En de markt zorgt er voor dat zulks mogelijk is, want  zekerheid kun je aanschaffen. In de woorden van Offer en Söderbergs The Nobel Factor (p. 6):

In economics, in contrast, the risk is borne by every individual. each person's problem is how to transfer financial claims safely over time, from now, when premiums are paid or savings banked, to the future, when dependency might occur. Security is a commodity like any other, purchased in financial markets as insurance and savings, each person according to a sense of how much he or she can afford. Risks are pooled by insurance companies and banks. Individuals rely for security on commercial contracts.

Denk aan de poging van de Republikeinse partij gedurende de regering-Bush om de sociale zekerheid volledig te privatiseren. Weg met het wij-met-zijn-allen. Dat kregen ze er niet door, ook al vanwege de vele aanwijzingen dat een collectief georganiseerde sociale zekerheid goedkoper is.

Fraai daarmee contrasterend, in de zin van de morele lading benadrukkend, is de karakterisering van de sociaaldemocratie door de Zweedse sociaaldemocratische leider Albin Hansson in 1928 als "The People's Home", die Offer en Söderberg aanhalen (p. 5): 

The basis of the home is commonality and mutuality. A good home is not aware of any privileged or slighted, no darlings and no stepchildren. You see no one despise the other, no one who tries to gain advantage of others.... In the good home you find equality, compassion, cooperation, helpfulness.

Sinds die waterscheiding aan het eind van de achttiende eeuw kennen we die twee maatschappijvisies, de moreel luchtledige van het vak economie, toegespitst in de neoliberale ideologie, aan de ene kant en de sociaaldemocratie aan de andere kant. Misschien hebben we nu, in 2021, genoeg geleerd om de les te trekken dat het met morele luchtledigheid niet de goede kant opgaat. 

Lees hier deel 6.

woensdag 21 april 2021

De strijd tussen de morele noties van de sociaaldemocratie en de de morele luchtledigheid van het vak economie - Wat de morele luchtledigheid van het vak economie zoals betekent - deel 4

We zagen in het vorige bericht dat de 'bezittersmaatschappijen" van de negentiende eeuw (Piketty) zich in de twintigste eeuw, zeker na de Eerste Wereldoorlog, ontwikkelden in een richting die helemaal niet in de lijn lag van wat je op grond van het moreel luchtledige vak economie zoals dat aan het eind van de achttiende eeuw was ontstaan (Polanyi), had kunnen verwachten. Volgens die amorele manier van economisch denken was de markt bij uitstek de bron van welvaart en moest de werking van de markt daarom zoveel mogelijk worden vrijgelaten. 

Met als voornaamste overheidstaak het beschermen van het bezit. En met zo laag mogelijke belastingen, juist ook ten behoeve van de rijken, want dat die rijk waren geworden, dat lag er immers aan dat ze zo goed op de markt geopereerd hadden. En dus veel welvaart gecreëerd hadden. In dezelfde lijn was het niet goed om de armen te ondersteunen, want dat zou hen niet leren om op de markt beter te presteren.

Ongelijkheid in middelen, inkomen en vermogen, was dus niet iets dat moest worden bestreden. Het was een "natuurlijk" gevolg van de werking van de markt. De markt als bovenlokaal en zelfs globaal productie- en verdelingsmechanisme was nog heel nieuw in de mensheidsgeschiedenis en de eerste reactie daarop in het intellectueel-wetenschappelijke denken was dat het een domein moest zijn waarin er voor de oeroude morele gemeenschapsintuïties van het iedereen telt mee en van rechtvaardigheid geen plaats was. Wat natuurlijk betekende dat in dit nieuwe domein de evenzeer oeroude menselijke neiging tot statuscompetitie, dus tot onbegrensde zelfverrijking, ruim baan kreeg.

En geheel in lijn met dat alles zagen we dus de aanwijzingen voor de extreme ongelijkheid in de negentiende eeuw, samen met de nog nauwelijks iets voorstellende belastingheffing door overheden.

Maar toen gebeurde het. Het kiesrecht werd ontkoppeld van bezit en werd dus algemeen, eerst voor mannen en daarna ook voor vrouwen. De democratie maakte een eind aan de "bezittersmaatschappij". Hoe? Piketty (Capital and Ideology, p. 416):

(door) a multitude of political decisions, often taken in urgent circumstances; the common feature of these decisions was the intent to reduce the social influence of private property, whether by expropriation of foreign assets, nationalization of firms, imposition of rent and price controls, or reduction of the public debt through inflation, exceptional taxes on private wealth, or outright repudiation. We will also analyze the central role played by the introduction of large-scale progressive taxation in the first half of the twentieth century, with rates of 70-80 percent or more on the highest incomes and largest estates - rates that were maintained until the 1980s. From the distance afforded us by the passage of time, the evidence suggests that this historical innovation - progressive taxation - played a key role in reducing inequality in the twentieth century.

Dat alles gebeurde geheel buiten het vak economie om. Er werden niet bepaald adviezen vanuit het vak economie opgevolgd. Piketty (p. 417) wijst op de 

 political-ideological conditions that made this historical turning point possible, especially the "great transformation" of attitudes toward private property and the market that Karl Polanyi analyzed in 1944 in his book of that title (...) those decisions stemmed from profound and lasting changes in social perceptions of the system of private property and its legitimacy and ability to bring prosperity and offer protection against crisis and war.

Anders gezegd, door de democratie konden de morele gemeenschapsintuïties van iedereen telt mee, zorg voor elkaar en rechtvaardigheid zich laten gelden in de collectieve besluitvorming. Ze kregen "doorzettingsmacht".

En het moreel luchtledige vak economie kon alleen maar toekijken. Let wel, het vak als een intellectueel-theoretisch kader stond aan de zijlijn. Wat natuurlijk niet uitsluit dat die morele noties via het denken van individuele economen wel degelijk invloed uitoefenden. Het was immers de tijd van de socialistische economen. Ik denk nu even aan aan Sidney (1859-1947) en Beatrice (1858-1943) Webb, die tot de oprichters behoorden van de London School of Economics. Maar die baseerden zich dus op hun morele noties, hun ideologie.

Dat brengt ons op dat boek The Nobel Factor. The prize in economics, social democracy, and the market turn van Avner Offer en Gabriel Söderberg, dat ik in het vorige bericht al aankondigde. Want daarin gaat het precies over die tegenoverstelling van enerzijds de "economische doctrine" en anderzijds de sociaaldemocratie. In volgende berichten daarover meer, maar nu alvast hoe Offer en Söderberg de sociaaldemocratie kenschetsen als het tegenovergestelde van die amorele economische doctrine (p. 4-5):

In Social Democracy the basic impulse was not gratification but obligation, the basic unit not the individual but the group, family, class, and nation. The prime objective was not acquisitive, but to achieve security, and more specifically, to cope with life-cycle contingencies. In contrast to the personal cravings that motivate action in economic theory, Social Democracy was driven by the social problem of how to cope with dependency.

In the course of the life cycle, every person goes through periods when they cannot provide for themselves. Early motherhood, infancy and childhood, education, illness, unemployment, disability, and old age are all costly and time-consuming. In conditions of dependency, there is nothing to sell except a claim on humanity, no product to bargain with, no 'two feet' to stand on, and little foresight or capacity to calculate. (...)

The difference between Social Democracy and economic market doctrines is easy to draw. It is about how to deal with uncertainty.

Moet iedereen zelf maar uitzoeken hoe hij met bestaansonzekerheid omgaat? Ieder voor zich? Dan is de markt de scherprechter. Iedereen, arm en rijk, krijgt precies wat hij "verdient".

Of lossen we dat probleem met zijn allen op? Omdat iedereen mee telt? In dat geval verdient iedereen bestaanszekerheid, recht op een bestaan, omdat we dat met zijn allen voor iedereen zoveel mogelijk willen garanderen. 

Eigenlijk kun je daarmee de sociaaleconomische geschiedenis schrijven van de twintigste en het begin van de eenentwintigste eeuw. De geschiedenis van de strijd om de vraag naar de invloed van onze morele gemeenschapsnoties op hoe we onze maatschappij inrichten. Met wisselende uitkomsten.

Lees hier deel 5.

donderdag 15 april 2021

Over de strijd tussen de morele gemeenschapsintuïties van de sociaaldemocratie en het amorele vak economie - Wat de morele luchtledigheid van het vak economie zoal betekent - deel 3

Wat de morele luchtledigheid van het vak economie zoal betekent, kan goed duidelijk gemaakt worden door die moreel luchtledige, dus amorele, economische blik op de wereld te confronteren met hoe maatschappijen zich na die bezittersmaatschappijen van de negentiende eeuw (Piketty) in werkelijkheid hebben ontwikkeld. In belangrijke opzichten heel anders namelijk dan wat met het amorele vak economie verklaard kan worden.

Ik stond in het vorige bericht al stil bij die ontwikkeling: sterk afnemende ongelijkheid, samenhangend met uitbreiding van het kiesrecht, dus met de groei van democratie, meer regulering van de arbeidsmarkt en bescherming van de zwakkeren en progressievere belastingheffing. In het eerste plaatje zie je de vanaf de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) afnemende vermogensongelijkheid afgebeeld voor Engeland (Piketty, Capital and Ideology, p. 195).

En in het tweede plaatje (p. 457) zie je voor vier Europese landen en de Verenigde Staten hoe dat gepaard ging met een sterke toename in precies dezelfde periode van de belastinginkomsten van de overheid. Dus met een toename van het morele wij-met-zijn-allen van de overheid als correctie op en indamming van het amorele ieder-voor-zich van de markt. 


En je ziet hoe de kracht van het morele iedereen-telt-mee tussen landen kan verschillen, sterker voor de continentaal-Europese landen dan voor het Verenigd Koninkrijk en vooral de Verenigde Staten.

Die ontwikkeling in het eerste driekwart van de twintigste eeuw kan moeilijk anders verklaard worden dan uit de toegenomen invloed van de morele gemeenschapsintuïties (iedereen telt mee, rechtvaardigheid) op de politieke besluitvorming, die mogelijk werd door het algemeen kiesrecht en dus door de vestiging van democratieën. Piketty spreekt over de politiek-ideologische voorwaarden die deze ontwikkeling in gang zetten (p. 417):

those decisions stemmed from profound and lasting changes in social perceptions of the system of private property and its legitimacy and ability to bring prosperity and offer protection against crisis and war. This challenge to capitalism had been in gestation since the middle of the nineteenth century before crystallizing as majority opinion in the wake of two world wars, the Bolshevik Revolution, and the Great Depression of the 1930s. After such shocks, it was no longer possible to fall back on the ideology that had been dominant until 1914, which relied on the quasi-sacralization of private property and the unquestioned belief in the benefits of generalized competition, whether among individuals or among states. The contending political forces therefore set out in search of new avenues, including various forms of social democracy and socialism in Europe and the New Deal in the United States.

Kunnen daar lessen uit worden getrokken voor nu? Ja, natuurlijk, die volgen dan ook meteen:

The lessons that can be drawn from this history are obviously relevant to what is happening today, especially since a neo-proprietarian ideology began to gain influence in the final decades of the twentieth century.

En dan gaat het over de terugkeer van de grote invloed van het moreel luchtledige vak economie vanaf de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw, het neoliberalisme dus. Wat we zich met dat alles zien afspelen is de strijd om invloed tussen enerzijds dat amorele vak economie en anderzijds de politiek-ideologische denkwereld van de sociaaldemocratie (ruim genomen), waarin de morele gemeenschapsintuïties proberen vorm te vinden.

Over die strijd hebben Avner Offer en Gabriel Söderberg zich gebogen aan de hand van de sinds 1969 uitgereikte Nobelprijzen voor economie in hun in 2016 verschenen The Nobel Factor. The prize in economics, social democracy, and the market turn. Dat boek verdient veel meer aandacht dan het heeft gekregen. Daarom daarover in het volgende bericht meer. (Het kwam op dit blog al eerder aan de orde in het bericht De Nederlandse sociaaldemocratie heeft zich nog niet aan de neo-liberale dominantie ontworsteld.)

dinsdag 13 april 2021

Een ontwikkeling die onvoorstelbaar is als je uitsluitend met het standaard economische apparaat naar de wereld zou kijken. - Wat de morele luchtledigheid van het vak economie zoal betekent - deel 2

Iedereen die iets van het vak economie heeft meegekregen weet dat er in het mainstream theoretisch kader van dat vak van wordt uitgegaan dat gemeenschapsgedrag uitsluitend plaats vindt in de kring van het gezin. Ouders zorgen natuurlijk voor hun kinderen. Maar buiten die sfeer van die gezinnen wordt gemeenschapsgedrag geacht niet te bestaan. Niet als een serieuze empirische bewering, maar als een "modelassumptie", waarzonder het hele economische theoretische apparaat dat sinds die waterscheiding aan het eind van de achttiende eeuw (Polanyi) werd ontwikkeld, niet in werking kan treden. Zie het vorige bericht. 

Nu is het legitiem, ja, zelfs onvermijdelijk, om je bij de ontwikkeling van een theorie op veronderstellingen te baseren die abstraheren van de werkelijkheid. Als je altijd alleen maar zo dicht mogelijk bij de waarneembare werkelijkheid wilt blijven, kom je niet verder dan een aaneenrijging van waarnemingen en dat is geen theorie. 

Maar het maakt natuurlijk wel uit wat je weglaat als je abstraheert. Uiteindelijk loopt je theoretische bouwwerk onvermijdelijk op allerlei plekken tegen de werkelijkheid aan. Je doet allerlei voorspellingen die niet blijken uit te komen. En dan komt een moment dat je je achter de oren krabt en je afvraagt of je niet aan het begin iets heel belangrijks hebt weggelaten. Zo worden in feite je modelassumpties alsnog aan de werkelijkheid getoetst.

Momenten dat economen zich achter de oren krabben, of hadden moeten krabben, zijn er al vele geweest. Denk aan het bericht Het eendimensionale economische mensbeeld is niet alleen als mensbeeld onrealistisch, maar ook als venster op wat zich werkelijk in de markt en in de maatschappij afspeelt. Met een verwijzing naar Calculativeness, trust and the reciprocity complex: Is the market the domain of cynicism?, waarin Rudi Wielers en ik erop wijzen dat markten, de echte, niet die uit de economische leerboeken, niet zonder (voldoende) gemeenschapsgedrag zouden kunnen bestaan. Dat gaat over de rol van onderling vertrouwen, die in de economische abstracties geen rol speelt.

Andere momenten zijn er volop geweest als je bedenkt hoe die "bezittersmaatschappijen" (de ownership societies van Piketty) zich na het einde van de achttiende eeuw hebben ontwikkeld. Piketty laat zien hoe vanaf het eerste kwart van de twintigste eeuw in Engeland de extreme ongelijkheid, die in de negentiende eeuw zelfs nog toenam, snel en sterk werd teruggedrongen (hoofdstuk 5. Ownership societies: European trajectories van Capital and Ideology).

Hoe kwam dat? Door uitbreiding van het kiesrecht, door de emancipatiebewegingen van arbeiders en vrouwen en door progressieve belastingheffing. En door de opbouw van de verzorgingsstaat na de Tweede Wereldoorlog ("de gemeenschap, georganiseerd in de staat").

Een ontwikkeling die misschien voor een klein deel valt te verklaren door economische factoren. Maar toch moeilijk te begrijpen als je de rol van bij mensen levende morele gemeenschapsnoties van iedereen telt mee en van rechtvaardigheid zou willen negeren. Noties die via politieke bewegingen, denk aan de sociaaldemocratie, hun weg vonden naar overheidsbeleid. Een ontwikkeling die onvoorstelbaar is als je uitsluitend met het standaard economische apparaat naar de wereld zou kijken. Lees hier het vervolg: Over de strijd tussen de morele gemeenschapsintuïties van de sociaaldemocratie en het amorele vak economie - Wat de morele luchtledigheid van het vak economie zoal betekent - deel 3.

dinsdag 16 februari 2021

Over Willem Banning en de morele fundering van de sociaaldemocratie

Willem Banning (1888-1971) was vooraanstaand sociaaldemocraat, dominee en buitengewoon hoogleraar kerkelijke en wijsgerige sociologie. In zijn in 1960 verschenen Om mens en menselijkheid in maatschappij en politiek werden enkele van zijn vele opstellen en voordrachten gebundeld. Ik haalde dat boekje aan in mijn lezing ter gelegenheid van mijn afscheid in 2010 van de Vakgroep Sociologie van de Rijksuniversiteit Groningen. Zie Om mens en menselijkheid - Over sociologie. 

Bij dat afscheid kwam in mijn herinnering terug dat dat boekje mij destijds had geïnspireerd om, in 1965, sociologie te gaan studeren. Hoewel ik dat in de tussentijd nagenoeg was gaan vergeten, bleek het toch nog steeds ergens in mijn boekenkasten te staan. Waar het ook nu nog staat. Dat het allerlei verhuizingen en opruimingen had overleefd, moet wel iets zeggen over het belang dat ik er aan bleef hechten. 

Die inspiratie werd duidelijk uit enkele passages die ik al in de jaren zestig met potlood had onderstreept en die ik in 2010 weer onder ogen kreeg toen ik het boek opsloeg. Ik zei daar toen over:

Ik had ineens weer helder voor ogen dat ik in 1963 hier mijn motivatie verwoord vond om sociologie te gaan studeren. De maatschappij is mensenwerk en dus zijn mensen er verantwoordelijk voor hoe de maatschappij is ingericht. En mensen zijn in staat om die verantwoordelijkheid te voelen en op zich te nemen. Kortom: we willen met zijn allen een voor mensen betere maatschappij en het studeren van sociologie is bij uitstek een weg waarlangs je daarin een rol kunt spelen.

En ik haalde aan dat Banning ook een op het werk van Erich Fromm (1900-1980) gebaseerde uitleg gaf wat dan een voor mensen betere maatschappij is. Een maatschappij namelijk die beter aan de fundamentele levensbehoeften van de mens tegemoetkomt. Behoeften die werden omschreven als:

De behoefte om eenzaamheid te overwinnen
De behoefte om boven zichzelf uit te stijgen o.a. in scheppende arbeid
De behoefte aan liefderijke zorg
De behoefte aan identificatie met een “wij”
De behoefte om de wereld en zichzelf verstandelijk te begrijpen en aldus zijn leven inhoud te geven.

Tien jaar verder in de tijd, vorig jaar dus, schreef ik als bijdrage aan het vriendenboek voor Arie Glebbeek, uitgegeven ter gelegenheid van zijn afscheid van dezelfde Vakgroep Sociologie, een hoofstuk met een voorstel voor een normatief kader voor een sociologie die ertoe doet.  Daarin gaat het over drie empirisch onderbouwde stellingen waaruit volgt dat het in een groep of maatschappij de kant op kan gaan van gemeenschap of de kant op van statuscompetitie en dat de kant op van gemeenschap beter is in de zin van beter tegemoetkomend aan wat mensen kunnen en aan wat ze willen (hun behoeften).

Naderhand realiseerde ik me dat tot degenen die in het verleden aanzetten gaven tot zo een normatief kader, naast R.H. Tawney, Karl Polanyi, E.P Thomson en Kenneth Boulding, ook Willem Banning moet worden gerekend. Hoogste tijd dus om wat dieper op zijn werk in te gaan. En op hoe het destijds werd ontvangen en op hoe er later op werd gereageerd.

Dat doe ik allereerst aan de hand van het vorig jaar verschenen Willem Banning and the Reform of Socialism in the Netherlands van Arie L. Molendijk. Maar daarin kwam ik een literatuurverwijzing tegen naar het boek hiernaast,  in 1938 door het partijbestuur van de SDAP aangeboden aan de socialistische voorman ir. J.W. Alberda. En dat boek stond ooit op het boekenplankje van mijn vader, Hendrik de Vos (1907-1998), die SDAP-lid was en na de oorlog namens de PvdA raadslid van de gemeente Utingeradeel in Friesland. Na zijn overlijden kwam het in mijn boekenkast terecht. Ik pakte het er dus even bij en realiseerde me toen dat er ook een bijdrage in staat van Willem Banning: Vijf en twintig jaar geestelijk leven, voornamelijk in Nederland (p. 229-247). Er is natuurlijk veel meer te lezen van en over Banning, maar ik doe het nu even hier mee.

Molendijk geeft informatie over Bannings levensloop, de invloeden die hij onderging en de invloed die hij uitoefende. Maar het gaat nu om zijn religieuze of personalistische socialisme. Dat kwam erop neer dat hij de marxistische gedachte afwees van de historische noodzakelijkheid van de komst van de klasseloze samenleving, omdat daarin de zelfstandige rol van waarden en moraal ontbreekt. Molendijk:

From an economic perspective, Banning considered Marxism to be one-sided, and from a philosophical point of view, it denied the constitutive element of value formation. Moreover, it did not do justice to the tragic aspect of human life.52 While the economic base remained important, Banning insisted that it did not drive the course of history by itself: ideals and values also mattered. Furthermore, the old proletarian worldview was too intimately connected with class resentment to be of any real use. Moral resources were needed, as well as an awareness of the togetherness of all human beings and a faith in transpersonal values, fundamentally religious phenomena according to Banning.53

Morele bronnen, besef van saamhorigheid en geloof in bovenpersoonlijke waarden, dat zijn formuleringen die nooit ver weg kunnen liggen van wat we nu, sociaalwetenschappelijk, de morele gemeenschapsintuïties noemen. Iedereen telt mee, zorg voor elkaar, rechtvaardigheid. Intuïties die onderdeel uitmaken van het menszijn, naast maar vooral tegenover de intuïties van de statuscompetitie en de statushiërarchie. Dus van de onderdrukking en de overheersing.

Molendijk wijst op twee bronnen die Banning in die opvatting hebben beïnvloed: het werk van Hendrik de Man (1885-1953) en dan vooral zijn Zur Psychologie des Sozialismus uit 1926 en de wel heel brede stroming van het personalisme. Bij De Man vond Banning de nadruk op het morele imperatief. En bij het personalisme de gedachte van de waardigheid van de persoon, de erkenning waarvan meteen tot de gedachte leidt van een gemeenschap van personen. Immers, als mensen elkaars waardigheid erkennen, dan is onderdrukking van de een door de ander uitgesloten  (Ik ben noch een kenner van De Man, noch een kenner van het personalisme. De Man werd een controversiële figuur.) 

Net als bij Tawney zien we bij Banning de sterke behoefte om zijn morele fundering van de sociaaldemocratie ergens mee te rechtvaardigen. Omdat er niet zoals in de eenentwintigste eeuw een wetenschappelijke benadering was de menselijke sociale natuur, zochten beide die rechtvaardiging in de religie en de religie was het Christendom. Molendijk over Banning:

From the very start of his career the ideas of personhood and the embedding of the individual within communities were extremely important to Banning.81 In The Day of Tomorrow (De Dag van Morgen), written during the war and published in 1945, Banning expanded on his views and articulated a religious form of ‘personalist socialism’. Much more strongly than in previous work, he emphasised the role of the Christian faith in overcoming the crises of capitalism and fascism. The moral fight against atomisation and alienation was inspired by his belief in a God who had sacrificed himself to save the world. Thus, Banning outlined a spiritual renewal that was centred on the human person who is held responsible for justice and who must practise love of one's neighbour.82

Je zou verwachten dat Banning het werk van Tawney gekend moet hebben, maar ik heb daar geen aanwijzingen voor. Als iemand die dit leest, daar meer van weet, dan hoor ik dat graag.

Die religieuze fundering van de moraal doet denken aan de fout van de misplaatste concreetheid, waar ik het over had in Moreel besef en de "fallacy of misplaced concreteness": opvoeders en God. Als onze moraal bestaat uit intuïties, die naar hun aard moeilijk zijn te preciseren en te concretiseren, dan kan de behoefte ontstaan om ze terug te brengen tot iets wat aanwijsbaar en algemeen bekend is. Dus het Christendom. De Bijbel. 

De invloed van Banning is rond de Tweede Wereldoorlog groot geweest. Tegen het eind van zijn leven lijkt hij "uit de mode" te zijn geraakt. Misschien vonden velen hem in de jaren zestig te ouderwets en 'te serieus". Lees Rob Hartmans daarover. Voor mij was hij dus een belangrijke inspiratie om in 1965 sociologie te gaan studeren. Maar ik moet toegeven dat ik hem daarna lang ben vergeten. 

In de jaren tachtig van de vorige eeuw was er een soort Banning-revival, waarin Dick Pels een belangrijke rol speelde Hij was in 1989 winnaar van de Banningprijs en schreef Willem Banning: voor en tegen. En er bestaat trouwens nog altijd de Banning Vereniging, waarover Maaike van Houten in Trouw in 2019 schreef: De PvdA is de rooie dominee vergeten. 

Er valt nog wel wat meer over te zeggen. Wordt dus vervolgd.

vrijdag 13 november 2020

De sociaal-democratie is terug in de Nederlandse politiek - over het verkiezingsprogramma van de PvdA

Kennis nemend van het verkiezingsprogramma van de Partij van de Arbeid kun je niet anders dan vaststellen dat de sociaal-democratie terug is in de Nederlandse politiek. De partij kiest ronduit voor de verzorgingsstaat als institutionalisering van het "wij met zijn allen" van onze morele gemeenschapsintuïties. In het Voorwoord valt Lodewijk Asscher meteen met de deur in huis;

Ons Nederland is het land van gelijke kansen. Het land waarin iedereen mee kan doen en mee mag doen. Wij zien Nederland als een mooie, levendige vereniging waar we allemaal lid van zijn en allemaal ons steentje aan bijdragen. Waar onze kracht zit in onze verzorgingsstaat en onze vrijheid. Niet iedereen kijkt zo naar ons land. Sommigen zien Nederland als een soort BV. Een visie die je ook in de politiek wel tegenkomt. In die BV Nederland is de markt het doel, het individu de oplossing en de overheid het probleem. Dat is niet onze visie.

En er is het duidelijke besef dat dit een breuk moet betekenen met het verleden, dat wil zeggen ook en vooral met het eigen verleden:

Wij kiezen voor échte vooruitgang. Voor een breuk met het standaardrecept dat we de afgelopen decennia zo vaak hebben gezien. Wij doorbreken het oude patroon met een optimistisch en ambitieus plan. En dan is er heel veel mogelijk: een moderne economie waarin werkenden meedelen in de winst en we beter zorgen voor onze planeet. Een enorme investering in gelijke kansen voor alle kinderen.

En Tweede Kamerlid Gijs van Dijk zegt met zoveel woorden dat zijn partij in Rutte-II (2012 - 2017) teveel is meegelopen met de VVD. En dus met het mensbeeld van de "financiële prikkels" en de "eigen verantwoordelijkheid". Denk aan dat mensbeeld van het vulgair-economische neoliberale denken, waarin iedereen altijd alleen maar uit is op het eigen belang. Waarin wantrouwen overheerst en dus de democratische overheid zoveel mogelijk aan banden moet worden gelegd ten gunste van de markt en waarin de verzorgingsstaat zoveel mogelijk dient te worden afgebroken.

In het verkiezingsprogramma wordt daar inderdaad radicaal afstand van genomen. Het opent met het benoemen van de sociaal-democratische waarden, met bovenaan de waarde van de bestaanszekerheid. De andere zijn vrijheid, gelijkwaardigheid, solidariteit en duurzaamheid. 

Dat bestaanszekerheid bovenaan staat, stel ik met grote tevredenheid vast. Het lijkt wel alsof de opstellers kennis hebben genomen van mijn pleidooi voor het belang van bestaanszekerheid: De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding?  En Heeft de, politiek gemotiveerde, toename van bestaansonzekerheid de tegenstellingen aangewakkerd?

Lees zelf het programma om je ervan te vergewissen dat die waarden in een groot aantal concrete maatregelen worden uitgewerkt. Alles bij elkaar genomen kun je daar als socioloog die het realistisch-normatieve kader van de sociale hervormingen bepleit, behoorlijk tevreden over zijn. Er wordt afscheid genomen van Wim Kok en zijn "Ik ben niet van het jaloezie-model".

Blijft natuurlijk de vraag hoe de PvdA-voormannen en -vrouwen terugkijken op de fouten die in het verleden zijn gemaakt. En op hoe het kon gebeuren dat ze gemaakt werden. Dat zou betekenen dat ze zich verdiepen in het proces van sociale zeepbelvorming en daar lering uit trekken. Zie Over de sociale zeepbel van het neoliberalisme: Dat hadden we nooit moeten doen.

Tenslotte: er is ook een, zij het nog voorzichtig, afscheid van het huishoudboekjesdenken, dus van het economisch onzinnige geloof dat "gezonde" overheidsfinanciën prioriteit behoren te hebben boven een gezonde economie. Zie het Financieel kader op p. 98. Er komt misschien langzamerhand een einde aan die donkere periode in de politiek waarin macro-economische inzichten wel heel diep waren weggezakt.

Maar daar is waarschijnlijk nog meer denkwerk voor nodig. Gijs van Dijk zegt over al die bezuinigingen van het kabinet-Rutte II:

Voor mij is de afdronk van Rutte II: het land is uit de crisis geholpen. De keerzijde daarvan is een grote sociale kwestie: een miljoen mensen leeft in armoede of staat langs de kant – en die wordt ook door dit kabinet niet opgelost. We hebben dingen niet goed gedaan, daar moeten we geen spelletje over spelen.

Hier is nog een les te trekken. Een land kan helemaal niet uit "de crisis" zijn geholpen als een miljoen mensen in armoede leeft of langs de kant staat. Dan denk je blijkbaar bij die crisis aan de overheidsfinanciën en niet aan de economie.