Posts tonen met het label democratie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label democratie. Alle posts tonen

dinsdag 28 april 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -36 - Hoe Thomas Hobbes niet gehinderd werd door een vak sociologie

Hobbes observeerde dat mensen streven naar lijfsbehoud, naar instandhouding van hun leven, en naar het vertrouwen op continuering daarvan in de toekomst, naar bestaanszekerheid. En hij nam waar dat mensen met het oog daarop naar macht streefden over datgene wat die bestaanszekerheid kan vergroten, macht over fysieke processen, de natuur, en macht over het gedrag van anderen. En doordat iedereen naar macht over anderen streeft en doordat de macht van de een de macht van de ander tegenwerkt, streven mensen er naar om meer macht te hebben dan anderen. Zo ontstaat de sociaal inferieure toestand van de onophoudelijke onderlinge machtsstrijd, van wanorde en burgeroorlog, waarin het leven solitary, poore, nasty, brutish, and short is. Hier het vorige bericht. 

Vanaf hoofdstuk 14 van Leviathan probeert Hobbes de vraag te beantwoorden hoe mensen aan die sociaal inferieure toestand kunnen ontsnappen. Over dat antwoord, en meer in het algemeen over hoe je Hobbes' werk moet interpreteren, bestaan verschillende opvattingen. Raphael wijdt de laatste twee hoofdstukken van zijn Hobbes. Morals and Politics aan die verschillende interpretaties. Zo gaat het bijvoorbeeld over de vraag of Hobbes er wel of niet van uit ging dat mensen puur egoïstisch zijn. Raphael (p.43) erkent dat er in Hobbes' eerdere werk aanwijzingen zijn te vinden voor een egoïstisch mensbeeld, in de zin dat mensen weliswaar anderen helpen, maar uitsluitend omdat ze zichzelf daardoor beter voelen. In Leviathan daarentegen is er een mensbeeld waarin mensen gemotiveerd kunnen worden door de wens iets goeds te doen voor een ander:

...it is perfectly clear that the definition of benevolence or good will or charity in Leviathan is straightforward and satisfactory, the desire of good to another.

En dat lijkt te kloppen. In Hoofdstuk 6 (Of the Interiour Beginnings of Voluntary Motions; commonly called the PASSIONS. And the Speeches by which they are expressed) geeft Hobbes een opsomming van de menselijke passies en daar wordt Welwillendheid (Benevolence) omschreven als 

Desire of good to another, BENEVOLENCE, GOOD WILL, CHARITY. If to man generally, GOOD NATURE.

Ik sta daar even bij stil omdat er een populair beeld van Leviathan bestaat dat mensen alleen tot het slechtste geneigd zijn en er door een oppermachtige Leider toe gebracht moeten worden om zich sociaal te gedragen. Mensen zijn dus niet alleen uit op macht over anderen, met het oog op lijfsbehoud, maar kunnen het daartegenover ook goed voor hebben met anderen. Hobbes had dus oog voor de innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur.

Hoe dan ook, ik ga voorbij aan de complicatie van al die verschillende interpretaties en baseer me zo veel mogelijk op de tekst van Leviathan. 

Hobbes begint hoofdstuk 14 (Of the first and second NATURAL LAWES, and of CONTRACTS) met die inferieure toestand van wanorde en burgeroorlog te kenschetsen als een toestand waarin iedereen de vrijheid, het recht, heeft om te doen wat hij beoordeelt als bijdragend aan zijn lijfsbehoud. 

And because the condition of Man (...) is a condition of Warre of everyone against everyone; (...) it followeth, that in such a condition, every man has a Right to every thing; even to one anothers body. And therefore, as long as this naturall Right of every man to every thing endureth, there can be no security to any man, (how strong or wise soever he be,) of living out the time, which Nature ordinarily alloweth men to live.

Daaruit volgt dat iedereen naar vrede zou moeten streven, zolang hij mag hopen dat die bereikbaar is. Hobbes noemt dat de Fundamental Law of Nature. Doordat mensen in staat zijn om in te zien dat ze met zijn allen zowel een superieure toestand van vrede en veiligheid als een inferieure toestand van burgeroorlog en onveiligheid tot stand kunnen brengen, voelen ze een morele verplichting om als dat kan bij te dragen aan vrede en veiligheid. Maar doordat ze dat niet in hun eentje kunnen doen, hebben ze elkaar nodig.

En daaruit volgt de Second Law of Nature, die luidt:

That a man be willing, when others are so too, as farre-forth, as for Peace, and defence of himselfe he shall think it necessary, to lay down this right to all things; and be contented with so much liberty against other men, as he would allow other men against himselfe. (...) This is that Law of the Gospell; Whatsoever you require that others should do to you, that do ye to them.

"When others are so too." Iedereen is bereid zijn vrijheid in te leveren voor zover dat nodig is voor vrede en veiligheid, maar onder de voorwaarde dat anderen die bereidheid ook hebben (en in daden omzetten). Dus moet er iets zijn om er voor te zorgen dat aan die voorwaarde is voldaan. Dat het contract of convenant wordt nageleefd. Dat gevoel van morele verplichting is niet voldoende, want iedereen kan altijd terugvallen op dat natuurlijke recht op vrijheid als hij denkt dat hem dat beter uitkomt. Daarom is er een hogere macht nodig die zo nodig naleving kan afdwingen. Hobbes daarover in hoofdstuk 17 (Of the Causes, Generation, and Definition of a COMMON-WEALTH):

For the Laws of Nature (as Justice, Equity, Modesty, Mercy, and (in summe) doing to others, as we would be done to,) of themselves, without the terrour of some Power, to cause them to be observed, are contrary to our naturall Passions, that carry us to Partiality, Pride, Revenge, and the like. And Covenants, without the Sword, are but Words 

En daar ontmoeten we die innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur. Mensen kennen enerzijds de moraal, die hen influistert dat ze naar vrede dienen te streven en dus naar rechtvaardigheid. bescheidenheid, barmhartigheid, kortom naar Wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Maar anderzijds kennen ze ook de drijfveren die partijdigheid (discriminatie), trots, wraaklust en dergelijke opwekken. En doordat die drijfveren altijd de kop kunnen opsteken, is het noodzakelijk dat de morele voornemens, afspraken en beloftes van onszelf en vooral ook van anderen ondersteund worden door de macht van het zwaard, door sanctionering van morele overtredingen.

Het is van belang om hier op te merken dat Hobbes redeneert als een bioloog die onderzoekt hoe groepsvorming bij verschillende diersoorten in zijn werk gaat. Want hij werpt op dat sommige dieren, zoals bijen en mieren, vreedzaam samenleven zonder dat er een macht is die samenwerking afdwingt. Kan dat met mensen dan ook niet, zou je je kunnen afvragen. Waarna hij zes redenen geeft waarom dat niet kan. Met als eerste twee:

First, that men are continually in competition for Honour and Dignity, which these creatures are not; and consequently amongst men there ariseth on that ground, Envy and Hatred, and finally Warre; but amongst these not so.

Secondly, that amongst these creatures, the Common good differeth not from the Private; and being by nature enclined to their private, they procure thereby the common benefit. But man, whose Joy consisteth in comparing himselfe with other men, can relish nothing but what is eminent.

En als laatste:

Lastly, the agreement of these creatures is Naturall; that of men, is by Covenant only, which is Artificall: and therefore it is no wonder if there be somewhat else required (besides Covenant) to make their Agreement constant and lasting; which is a Common Power, to keep them in awe, and to direst their actions to the Common Power.

Wat bij bijen en mieren als vanzelf tot stand komt, moeten wij mensen via de omweg van moraal, convenant en de institutie van een gemeenschappelijke macht tot stand brengen. 

This is more than Consent, or Concord; it is a real Unitie of them all, in one and the same Person, made by Covenant of every man with every man, in such manner, as if every man should say to every man, I Authorise and give up my Right of Governing my selfe, to this Man, or to this Assembly of men, on this condition, that thou give up thy Right to him, and Authorise all his Actions in like manner. 

Die persoon, of vereniging van personen, wordt geacht te regeren in het algemeen belang, dat wil zeggen, met het oog op het handhaven van de superieure toestand van vrede en veiligheid. Daarbij is hij autonoom en soeverein, wat wil zeggen dat hij zich niet door deelbelangen laat beïnvloeden. 

Hedendaags democratisch gezegd, gaat het om de volksvertegenwoordiging die periodiek met algemeen kiesrecht wordt gekozen. Die kende Hobbes nog niet. Maar hij loopt daar wel op vooruit. Want iedereen behoudt het natuurlijke recht om zichzelf te verdedigen als die gemeenschappelijke macht, de Soeverein, tekortschiet. Daarover gaat het in hoofdstuk 21 (Of the LIBERTY of Subjects):

The Obligation of Subjects to the Sovereign, is understood to last as long, and no longer, than the power lasteth, by which he is able to protect them. For the right men have by Nature to protect themselves, when none else can protect them, can by no Covenant relinquished.

Samengevat, halverwege de zeventiende eeuw analyseerde Thomas Hobbes het fundamentele probleem van het menselijk samenleven, de menselijke groepsvorming. Daarbij ging hij sociaalwetenschappelijk te werk. Hij zag in dat de menselijke sociale natuur zo in elkaar zit dat zowel een sociaal inferieure als een sociaal superieure toestand mogelijk zijn. En hij gaf de weg aan waarlangs mensen die superieure toestand van vrede en veiligheid kunnen bereiken. Daarmee liep hij vooruit op de latere ontwikkeling van democratische staten en op de hedendaagse pogingen om de democratie in stand te houden.

Hij werd niet gehinderd door een vak sociologie dat een paar eeuwen later ontstond en dat gebaseerd was op een curieuze wetenschappelijkheidsopvatting en op de fictie van een eigen domein. Hij zag de maatschappij als een uitkomst van mensenwerk en wilde dat werk verbeteren. Hier het vervolg.

woensdag 3 september 2025

Waarom ik GroenLinksPvdA stem

Bij mensen kan meer het gemeenschapspatroon van het morele iedereen-telt-mee of meer het statuscompetitiepatroon van het amorele ieder-voor-zich geactiveerd zijn. Als burgers van een democratische nationale staat stemmen ze politiek links als hun gemeenschapspatroon geactiveerd is en politiek rechts als dat het geval is met hun statuscompetitiepatroon. Aanwijzingen daar voor kwamen al voorbij in De rechterflank van het politieke landschap is een uiting van het amorele, statuscompetitieve wereldbeeld. Waarin alles is toegestaan en in Sociaalwetenschappelijk gezien is het politieke landschap gemakkelijk te begrijpen: het ieder-voor-zich leidt tot een sociaal inferieure toestand. 

Daar komen nu nieuwe aanwijzingen bij. In de studie Moral Perceptions in Politics: Ideological Asymmetries in Perceived Moral Obligations and Stereotypical Perceptions Across Leftists and Rightists gaan de onderzoekers na of het klopt dat er inderdaad tussen linkse en rechtse kiezers die morele asymmetrie bestaat. 

Uit de eerste van twee deelstudies komt naar voren dat de ondervraagden, overwegend studenten, bij zes traditioneel linkse issues meer een morele verplichting voelden dan bij zes traditioneel rechtse issues. De linkse issues waren: bescherming van het milieu, gender gelijkheid, rechten van migranten, lhbtqia+ rechten (freedom of sexual expression), sociale rechtvaardigheid en bestrijding van armoede. En de zes rechtse issues: nationale veiligheid, behoud van tradities, bevordering/behoud van de christelijke religie, ordehandhaving, bevordering/behoud van het kapitalistische economische stelsel en individuele vrijheid. Opvallend is dat de eigen politieke voorkeur geen verschil maakt; ook de degenen met een rechtse voorkeur voelen bij de linkse issues meer een morele verplichting dan bij de rechtse issues.

In mijn woorden, bij de linkse issues gaat het om het morele iedereen-telt-mee en dus wordt het morele gemeenschapspatroon geactiveerd, zelfs ook bij degenen met een rechtse politieke voorkeur. En omgekeerd, de rechtse politieke issues appelleren meer aan het ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon en dus minder aan het gevoel van een morele verplichting.

En uit de tweede deelstudie blijkt dat van de ondervraagden, eveneens overwegend studenten, degenen met een rechtse politieke voorkeur bij degenen met een linkse politieke voorkeur meer morele overwegingen veronderstellen dan degenen met een linkse politieke voorkeur bij degenen met een rechtse politieke voorkeur. In mijn woorden: rechts ziet bij links meer het morele iedereen-telt-mee geactiveerd dan links dat bij rechts ziet. Kennelijk doordat bij rechts meer het amorele ieder-voor-zich geactiveerd is. 

Daarmee komt overeen dat degenen met een rechtse politieke voorkeur meer rekening houden met morele afkeuring als het gaat om de linkse politieke issues. Weer in mijn woorden: bij het afwijzen van het iedereen-telt-mee (zoals bij armoedebestrijding en gelijke rechten voor immigranten) hebben ze er een notie van dat dat moreel eigenlijk niet door de beugel kan, - en toch doen ze het.

Kortom, meer aanwijzingen dat het links-rechts spectrum in de politiek een te verwachten uitkomst is van die innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur, waarin het morele gemeenschapspatroon kan overheersen (dus links) of het amorele statuscompetitiepatroon (dus rechts). 

Dat is belangrijk om bij stil te staan. Want de democratie zelf is een uitingsvorm van het morele iedereen-telt-mee. Dat betekent dat je bij politiek links meer een democratische gezindheid kunt verwachten dan bij politiek rechts.

En precies dat inzicht vind je in de hedendaagse politieke actualiteit van dag tot dag bevestigd. 

donderdag 12 juni 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -7- In 1965 ging ik sociologie studeren. Wat ging daaraan vooraf? - 5 -

Dit is uit 1962 (hier het vorige bericht): 

Enige maanden geleden is in Akkrum het Politiek Jongeren Dispuut "ARENA" opgericht. Zoals in de statuten is vastgelegd beoogt deze organisatie een bijdrage te leveren aan het beter functioneren van de democratie, o.a. door voor haar leden de mogelijkheid te scheppen om tot een meer gefundeerde meningsvorming te komen. Een toelichting op de noodzaak van dit werk en de manier waarop "Arena"het aanpakt, vindt u hierbij. 

Het is de eerste alinea van de kladversie van de subsidieaanvraag die we in dat jaar indienden bij de gemeente Utingeradeel. Zie hiernaast de foto van de eerste pagina. 

Het handschrift is dat van mijn broer Wobbe, in 2002 overleden, die het brein en de organisator was van dit geval van 'zelforganisatie". Wobbe studeerde scheikunde in Groningen, maar dat belette hem niet om in Akkrum in de weekends en vakanties "een bijdrage te leveren aan het beter functioneren van de democratie". Hij was toen 23 jaar en ik, vijf jaar jonger, hielp hem daarbij. Wij behoorden tot de sociaaldemocratische zuil, maar we gingen het dorp door en belden aan bij jongeren waarvan we wisten of vermoedden dat ze lid of aanhanger waren van een van de politieke stromingen in het dorp. Met de vraag of ze wilden meedoen. 

En dat wilden ze.

In de eerste maanden van 1962 werden door persoonlijke gesprekken ruim twintig geïnteresseerde jongeren gevonden. In april werd een proefbijeenkomst gehouden , waar de heer L.O. ten Cate, adjunct-hoofdredacteur van de Friese Koerier, sprak. Er waren 17 aanwezigen en op deze avond is besloten in september officieel te starten. 

De oprichtingsbijeenkomst in september was gewijd aan een vergelijking van liberalisme en socialisme. Er werd gediscussieerd met de heren Bosman en Krooshof, resp. lid van de JOVD en van de jongerengroep van de PvdA. Van de 23 aanwezigen gaven zich 21 op als lid. Het bestuur en de raad van advies werden gekozen. 

Tenslotte werd op 15 december j.l. een bijeenkomst gehouden waarop de heer W.R. de Roos, oud-voorzitter van Arjos in Friesland over de christelijke politiek sprak. Hier waren ongeveer dertig mensen aanwezig. Op alle bijeenkomsten is een intensieve discussie gevoerd, die ondanks de vaak zeer uiteenlopende meningen steeds in een uiterst plezierige stemming is verlopen. Wij kunnen vaststellen dat een van de fundamentele aspecten van een democratische houding, nl. de bereidheid om elkaars standpunt zo objectief mogelijk te onderzoeken, bij onze leden zeker aanwezig is.

Maar het ging ons ook om de bereidheid om je te informeren als een noodzakelijk element van een democratische houding. Daarom werden er abonnementen op een aantal tijdschriften afgesloten. En we begonnen een eigen tijdschrift, een clubblad, waarin de leden hun bijdragen kwijt konden. 

Uiteindelijk waren er 32 leden, 24 uit Akkrum en 8 uit de omringende dorpen. Een van die 8 moet Enneüs Heerma, de latere CDA-voorman, zijn geweest. In een interview van ook al weer lang geleden vertelde hij dat zijn interesse in de politiek was begonnen toen hij, boerenzoon in Oldeboorn, begin jaren zestig een bijeenkomst over politiek bezocht die door "jongens in Akkrum" werd georganiseerd.

Die subsidieaanvraag werd toegewezen. Met een toegekend bedrag van 125 gulden konden we de begroting sluitend maken en sprekers aantrekken. Ik herinner me een avond met Rudi Boltendal, toen adjunct-hoofdredacteur van de Friese Koerier (Laurens ten Cate had Fedde Schurer opgevolgd als hoofdredacteur) en een avond met Paul Valkenburg, toen hoogleraar politieke sociologie in Groningen.. 

Erop terugkijkend, herinner ik me hoe serieus we dit alles namen. Democratie was belangrijk en het was vanzelfsprekend dat je je in politieke kwesties verdiepte en er met andersdenkenden over discussieerde. Wat wij in Akkrum deden, vonden we, hoorde eigenlijk overal te gebeuren. We brachten verschillende politieke gezindten bij elkaar, met het gedeelde besef van het belang van de democratie. De democratie waarin iedereen meetelt en waarin je elkaars tegenstander kunt zijn, maar nooit elkaars vijand. 

We waren kortom jong en idealistisch. Zo idealistisch dat we aan iets begonnen dat, na aanvankelijke successen, toch gedoemd was na een paar jaar uit elkaar te vallen. Jongeren werden ouder en er waren geen opvolgers. Maar ik hield er aan over dat iets wat niet voor de hand ligt, soms toch tot de mogelijkheden behoort. Als er maar iemand is, of er een paar zijn, die genoeg idealistisch zijn om er gewoon aan te beginnen.

Nu, in 2025, wordt her en der de democratie bedreigd en om zeep geholpen. Er is tussen toen en nu toch niet zo goed gezorgd voor de goede werking van de democratie. Hier het vervolg.

donderdag 10 oktober 2024

Een sociaalwetenschappelijk zicht op het fenomeen van de foute leider - 3 - Kijken in Wilders' hoofd

Uit de kern van het sociaalwetenschappelijke zicht op het fenomeen van de foute leider (zie het vorige bericht) valt als eerste op te maken dat de foute leider als hij de politiek binnenkomt, niet zomaar een van de politici wil zijn, maar dat hij meteen een leidersrol ambieert. 

Hij is dan al zo van zichzelf vervuld, dat hij het slecht verdraagt om tussen gelijken, laat staan onder een andere leider, zijn werk te doen. Hij zal dus al vroeg in zijn politieke loopbaan een eigen partij oprichten of een bestaande partij overnemen en in beide gevallen er voor zorgen dat hij daar de alleenheerschappij uitoefent. Hij wil natuurlijk uiteindelijk de alleenheerschappij over de nationale staat, de top van de statushiërarchie, maar al op de weg daarnaartoe kan er natuurlijk maar één alleswetende gids zijn, hijzelf. Hij verzamelt dus mensen om zich heen, niet als gelijken en medestanders, maar als volgelingen. Volgelingen, die zijn superioriteit erkennen, aan hem loyaal zijn en niet zelf een rol op de voorgrond ambiëren. 

Dat alles is goed te begrijpen als het gedrag dat voortkomt uit de extreme activering van het statuscompetitiepatroon en dus de afwezigheid van het gemeenschapspatroon. Toevallig viel vanochtend mijn oog op deze passage in het Volkskrant-artikel Faber neemt een grote politieke gok, tenzij mislukking deel is van het plan:

Als Wilders snel concrete resultaten wil, is het logischer om met spoed aan gewone wetgeving te werken, hoewel daarbij het risico bestaat dat beide Kamers dan toch langer over het wetgevingstraject gaan doen dan Wilders wenselijk acht.

Als de PVV-leider vooral aan zijn kiezers wil laten zien dat hij er alles aan doet en dat anderen moeilijk doen over strenger asielbeleid, dan passen tegenstribbelende NSC-ministers en bezorgde Eerste Kamerleden gewoon in het scenario dat nu eerst helemaal moet worden uitgerold.

Niemand op het Binnenhof die in Wilders’ hoofd kan kijken, dus niemand die weet hoe het nu verder gaat.

Als iedereen op het Binnenhof sociaalwetenschappelijk geïnformeerd zou zijn, dan zou iedereen wel degelijk in Wilders' hoofd kunnen kijken. Want alles wijst erop dat zich daarin niets anders afspeelt dan de werking van de statuscompetitieve drijfveer. Alles staat in het teken van het bereiken van de alleenheerschappij. Die heeft hij al in zijn eigen "eenmanspartij", maar nu moet ook de logisch volgende stap worden gezet: de alleenheerschappij over de nationale staat. Zoals zijn vriend Orbán die in Hongarije heeft gezet. Zoals de door hem bewonderde Poetin die in Rusland heeft gezet. Zoals de door hem bewonderde Trump die in de Verenigde Staten zou willen zetten.

Dar verklaart ook zijn wezenlijke desinteresse in het politieke handwerk. In inhoudelijke debatten over de actuele problemen van klimaatcrisis, natuur, mestcrisis, woningnood, armoede. Zijn fractie, die niet bestaat uit zelfstandige politici, maar uit volgelingen van de leider, blinkt uit door afwezigheid bij belangrijke debatten in de Tweede kamer. Wilders wil helemaal niet bijdragen tot het oplossen van die problemen. 

Hij wil bij de volgende verkiezingen nog groter worden. En omdat hij ook wel inziet dat het bereiken van de absolute meerderheid niet realistisch is, wil hij alvast de bestaande mogelijkheden benutten om de democratie buiten spel te zetten. Daarom wil hij een asielcrisis uitroepen, zodat noodwetgeving mogelijk wordt. Niet om een probleem op te lossen, maar als eerste stap naar het einddoel: de alleenheerschappij. 

Weg met die democratie, waarin je met anderen als gelijken moet omgaan. In dat statuscompetitieve patroon past ook perfect de verbale agressie die we van Wilders zo goed kennen en die met hem de politiek is binnengekomen. Hier het vervolg.

dinsdag 8 oktober 2024

Een sociaalwetenschappelijk zicht op het fenomeen van de foute leider - 2

Laten we eens verder verkennen wat een sociaalwetenschappelijk zicht op het fenomeen van de foute leider zoal inhoudt. 

We zagen in het vorige bericht het grote verschil in het wereldbeeld van de foute en de goede leider. 

Het wereldbeeld van de foute leider is dat van de sociale onveiligheid. Hij moet in het verleden afwijzingen of vernederingen hebben ondergaan die dat gevoel van onveiligheid hebben getriggerd. Maar niet iedereen die ooit afgewezen of vernederd is, wordt een foute leider. De meeste mensen overwinnen zo'n episode, bijvoorbeeld doordat ze nog open staan voor nieuwe en positieve sociale ervaringen die er op wijzen dat anderen mensen wel zijn te vertrouwen. Voor anderen blijft die episode van vernedering en bedreiging traumatisch, waardoor ze een psychische aandoening ontwikkelen. 

Maar voor degene die zich ontwikkelt tot een foute leider is het een ervaring die hem de rest van zijn leven aanstuurt. Dat ligt eraan dat de foute leider niet kan relativeren. En dat ligt weer aan zijn mateloze zelfbewondering, dus aan zijn narcisme. Met een narcistisch zelfbeeld is elke ervaring die daar twijfel aan zou kunnen zaaien onverdraaglijk. En een ervaring die dus alleen maar met haat en agressie kan worden beantwoord. De bron van de twijfel, degenen die afwezen of vernederden, moeten eerst met verbale agressie worden geïntimideerd en daarna, als dat eenmaal mogelijk is, worden aangepakt, uitgeschakeld, ja, geëlimineerd. 

Dat alles speelt zich af als het statuscompetitiepatroon in extreme mate is geactiveerd. Dat wil zeggen dat het gemeenschapspatroon volstrekt afwezig is en dus geen matigende, relativerende invloed meer kan uitoefenen. Er is maar een drijfveer over: de sociale verhoudingen moeten in overeenstemming gebracht worden met de absolute zelfbewondering. De noodzaak van het bereiken van de top van de statushiërarchie is allesoverheersend. En daar aangekomen is allesoverheersend dat mogelijke rivalen worden opgespoord en onschadelijk gemaakt.

Tegenover dat extreem statuscompetitieve wereldbeeld staat het gemeenschapswereldbeeld. De drijfveer van de goede leider (en de goede politicus) bestaat eruit dat hij/zij in het democratische verband bijdraagt aan het vinden van het zo goed mogelijke beleid voor iedereen. Tegenover het ieder-voor-zich van het sociaal onveilige statuscompetitieve wereldbeeld staat het iedereen-telt-mee van het sociaal veilige gemeenschapswereldbeeld. (Zie ook nog eens Het gemeenschapswereldbeeld en het statuscompetitieve wereldbeeld in de politiek.) De goede leider heeft eigen opvattingen over wat het goede beleid is, maar respecteert andere opvattingen. Het respect dat voortkomt uit het besef dat andersdenkenden evenzeer het beste beleid voor iedereen willen en evenzeer andere opvattingen respecteren. Daarmee is de toestand van sociale veiligheid gekarakteriseerd die voor het functioneren van de democratie onontbeerlijk is. 

En daarmee hebben we de kern te pakken van het sociaalwetenschappelijke zicht op het fenomeen van de foute leider.

In volgende berichten meer over wat er zoal uit die kern kan worden afgeleid over het gedrag van de foute leider en het gedrag van politici en kiezers die met een foute leider geconfronteerd worden. En over de kansen dat een democratie bestand is tegen een foute leider. Hier het vervolg.

vrijdag 27 september 2024

Een sociaalwetenschappelijk zicht op het fenomeen van de foute leider - 1

Toen ik, in 1943, werd geboren, werd het wereldtoneel beheerst door de strijd van geallieerde landen tegen het bewind van een foute leider, Adolf Hitler, die in Duitsland aan de macht was gekomen, daar alleenheerser was geworden, een veroveringsoorlog was begonnen en de Holocaust in werking had gezet om zoveel mogelijk van al diegenen die hij als vijand of als minderwaardig zag, te vermoorden. Die strijd eindigde met de nederlaag van Hitler, die zelfmoord pleegde, nadat hij een groot deel van het Duitse volk in zijn val had meegesleurd. In zijn optiek had dat volk dat lot verdiend, want het was te zwak gebleken voor de totale eindoverwinning waar hij altijd op uit was geweest.

Die episode, die begon in 1933 en eindigde in 1945, valt te beschouwen als het schoolvoorbeeld van wat een foute leider kan aanrichten. Een voorbeeld van wat een foute leider is, hoe hij te werk gaat, hoe hij aanhangers en bewonderaars achter zich krijgt, hoe hij grenzeloos is in zijn bewondering voor zichzelf en zijn haat en wantrouwen tegenover anderen en hoe hij uiteindelijk de onvermijdelijke nederlaag ondergaat en anderen daarin meesleurt.

Maar nu zijn we beland in 2024 en is er alle aanleiding om ons af te vragen of we wel genoeg van dat schoolvoorbeeld geleerd hebben. Want het fenomeen van de foute leider duikt weer opnieuw op. En met de opeenvolging van generaties zakken lessen uit het verleden diep weg in het collectieve geheugen.  

Timothy Snyder, geschiedenishoogleraar aan de Universiteit van Yale, is een van degenen die zich er voor inspant om dat collectieve geheugen in stand te houden. Een andere is onze landgenoot Cas Mudde, hoogleraar Internationale Betrekkingen aan de Universiteit van Georgia. 

Van Snyder is net zijn nieuwe boek On Freedom verschenen, vertaald als Over vrijheid. Op de website van de uitgever lees je als toelichting:

Wat is vrijheid? Waarom is onze vrijheid in gevaar? En waarom is vrijheid onze enige kans om te overleven?

Vrijheid is de kern van onze westerse wereld, het hart van onze democratie, maar we zijn uit het oog verloren wat het betekent, met crisis als resultaat. Te veel mensen beschouwen vrijheid als de afwezigheid van staatsmacht. We denken dat we vrij zijn als we kunnen doen en zeggen wat we willen en zo min mogelijk worden gehinderd door de overheid. Maar echte vrijheid is niet zozeer vrijheid van als wel vrijheid om – om te gedijen, om dingen op het spel te zetten voor een toekomst die we samen kiezen en waar we samen aan werken. Vrijheid is de waarde die alle andere waarden mogelijk maakt.

Dat lijkt er op te wijzen dat Snyder daar probeert om op het niveau van de nationale staat een toestand te kenschetsen die overeenkomt met wat ik de gemeenschapstoestand noem van het iedereen-telt-mee. 

Terwijl hij ons in zijn eerdere boek On Tyranny (vertaald als Over tirannie. Twintig lessen uit de twintigste eeuw) waarschuwt voor de gevaren dat die gemeenschapstoestand afglijdt naar een statuscompetitietoestand van het ieder-voor-zich, waarin een foute leider aan de macht is gekomen. (Lees hier meer over die gemeenschapstoestand en de statuscompetitietoestand: Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.)

Daarmee loop ik al vooruit op hoe een sociaalwetenschappelijk zicht op het fenomeen van de foute leider er uit zou zien. Kort gezegd: een goede leider kan alleen bestaan in een gemeenschapstoestand, dat wil zeggen, in een goed functionerende democratie als het gaat om een nationale staat. Daartegenover is een foute leider onverbrekelijk verbonden met de statuscompetitietoestand, dus op het niveau van de nationale staat met een autocratie, een dictatuur, of sociaalwetenschappelijk gezegd, een statushiërarchie. 

Dat betekent dat het bestaan van een goede of foute leider altijd het resultaat is van een sociaal proces, van oftewel het zich ontwikkelen van een gemeenschapstoestand oftewel van een statuscompetitietoestand. Als er ergens een foute leider aan de macht is gekomen, dan hebben daarin naast de eigenschappen en het gedrag van de persoon ook de eigenschappen en het gedrag een rol gespeeld van al diegene die hem actief aan de macht hebben geholpen of dat passief hebben laten gebeuren.

En het betekent dat de drijfveren van een goede en een foute leider radicaal verschillen. Een goede leider is gemotiveerd door het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon. Dat is de drijfveer van het samenwerken en delen. Hij of zij vervult de leiderschapspositie niet voor zichzelf. En maakt plaats voor een opvolger als die wordt gekozen. 

Daarentegen is de foute leider geheel en al gedreven door zijn (meestal is het een man) eigenbelang en wel het belang dat bepaald wordt door de statuscompetitie. Zijn einddoel is het bereiken van de top van de statushiërarchie. De toestand waarin hij niemand meer naast zich, laat staan boven zich, hoeft te dulden. En als hij daar eenmaal beland is, is er niets anders dan de drijfveer om die positie te behouden, want in zijn wereldbeeld zijn er altijd rivalen die tijdig dienen te worden opgemerkt en uitgeschakeld.

En dat wijst natuurlijk op de grote betekenis van sociale (on)veiligheid. Alleen een toestand van sociale veiligheid, van onderling vertrouwen, kan een goede leider voortbrengen. Een democratie bestaat bij de gratie van een grote mate van vertrouwen in andere mensen (generalized interpesonal trust). Zie bijvoorbeeld de studie Democracy satisfaction: the role of interpersonal trust. Geheel in lijn met het sociaalwetenschappelijke inzicht dat sociale veiligheid een voorwaarde is voor een gemeenschapstoestand.

En met het inzicht dat sociale onveiligheid de statuscompetitie in gang zet, of beter gezegd, dat die twee altijd samengaan. De foute leider denkt zich pas veilig te kunnen voelen als hij de top van de statushiërarchie heeft bereikt. Pas dan denkt hij verlost te zijn van de gevaren die uitgaan van degenen die hij naast zich of boven zich moet dulden. Zolang hij de alleenheerschappij niet heeft bereikt, en zelfs daarna, is zijn wereldbeeld dat van de permanente sociale onveiligheid. Anders gezegd, het is het wereldbeeld van de kwaadaardige narcist, die er op uit is om zijn positie in overeenstemming te brengen met zijn onbegrensde zelfvertrouwen en zelfbewondering. Zo lang dat niet gelukt is, en dat lukt dus nooit, ziet hij overal gevaren en bedreigingen.

Dat verklaart dat de foute leider altijd obsessief bezig is met personen en groepen die in zijn ogen een gevaar vormen en die moeten worden bestreden, verwijderd, ja, zelfs geëlimineerd. 

En dat verklaart weer dat de foute leider aanhang krijgt in tijden van grote bestaansonzekerheid onder de bevolking. Hij treft dan zijn ideale werkterrein aan. Mensen zoeken naar oorzaken voor de verslechtering van hun positie en de foute leider wijst ze aan: de Joden (Hitler), de immigranten, de asielzoekers, de moslims (Trump, Wilders). En houdt hen voor dat hij, en hij alleen, in staat is om hen te geven wat ze willen: de veiligheid van de Lebensraum (Hitler), van het Make America Great Again (Trump), van het Nederland zoals het was (Wilders).

En het verklaart tenslotte dat de foute leider zacht gezegd niet goed uit de voeten kan met de democratie. De democratie binnen de kortste keren afschaft als hij daartoe de kans krijgt (Hitler). Zijn verkiezingsnederlaag niet erkent en zelfs probeert om aan de macht te blijven (Trump). En als hij deelneemt aan een regering, meteen probeert om een crisis uit te roepen en het parlement buiten spel te zetten (Wilders). Hier het vervolg.

woensdag 10 juli 2024

De overgangsfase van het afscheid van het neoliberale tijdperk - Spannender dan je zou wensen

De politieke actualiteit staat geheel in het teken van het afscheid van het neoliberale tijdperk, waarin het ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon het denken van politici en kiezers domineerde. We ervaren de negatieve gevolgen van dat denken in de vorm van de toegenomen bestaansonzekerheid onder grote delen van de bevolking, de toegenomen ongelijkheid, het vijanddenken van het rechts-extremisme en het bedreigd worden van de democratie. 

Dat doet het besef groeien dat het hoog tijd is om die andere kant van de menselijke sociale natuur, het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon, en dus van de democratie, weer in het hart van de politiek terug te brengen. Dat kan op het niveau van de politiek alleen als we dat met zijn allen doen, dus met een grotere rol voor de democratische overheid. Die bestaanszekerheid voor iedereen nastreeft en die de ongelijkheid binnen de perken houdt. Die onze morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee cultiveert en vorm geeft in beleid en in de instituties van de rechtsstaat. En bijdraagt aan die vormgeving op het niveau van de internationale verhoudingen.

Zo'n overgangsfase verloopt niet zonder slag of stoot. Want degenen die in dat rechts-extremistische vijanddenken van het statuscompetitiepatroon zijn beland, kunnen daar moeilijk los van komen. Als je eenmaal de wereld als onveilig bent gaan zien, als een wereld vol gevaar of als een amorele jungle, dan verduistert dat je blik en zie je er alleen nog maar bevestigingen van. En je maakt je wereld kleiner, waardoor je geen corrigerende ervaringen meer opdoet. 

Dat kan een proces van radicalisering in gang zetten. "Vreemdelingen" dienen te worden "gedeporteerd" of erger. Jouw leider dient dictatoriale macht te krijgen. Er dient hard en gewelddadig te worden opgetreden. We zien zich zo'n proces voltrekken in de Verenigde Staten, waar de krachten achter Donald Trump in hun Project 2025 een christelijk-nationalistische dictatuur schilderen met Trump aan het hoofd. En natuurlijk zien we die radicalisering ook in Nederland, waar PVV-ministers deel uitmaken van de regering.

Daardoor is het nog niet meteen duidelijk hoe lang die overgangsfase nog duurt en wat we nog aan vreselijke gevolgen van die radicalisering zullen meemaken.

Dat maakt het dagelijks volgen van de nationale en internationale politieke berichtgeving spannender dan je zou wensen.

donderdag 11 april 2024

Het klopt dat de democratie van bovenaf wordt bedreigd en niet van onderop

Klopt het dat de democratie van bovenaf wordt bedreigd en niet van onderop? 

Ik zag een fragment van een Tweede Kamerdebat voorbijkomen, waarin Laurens Dassen, fractievoorzitter van Volt, die stelling innam in antwoord op een interruptie van Caroline van der Plas van BBB, die hem verweet dat hij de kiezers van de PVV en BBB niet serieus nam. Dassen betoogde kennelijk dat je de de antidemocratische en antirechtsstatelijke opvattingen vooral aantreft bij de politieke voormannen en -vrouwen en veel minder bij hun kiezers. 

Van PVV-kiezers weten we weliswaar dat ze hoger dan gemiddeld scoren op de Sociale Dominantie Oriëntatie, maar ze zouden dus tegelijkertijd minder dan Geert Wilders zelf antidemocratische en antirechtsstatelijke opvattingen hebben. (Ik denk even aan die ene PVV-stemmer die werd geïnterviewd en die vertelde dat hij Wilders had gestemd omdat die "zegt waar het op staat" en juist niet vanwege "dat rechts-extremisme".)

Nu is het niet gebruikelijk dat politici hun beweringen altijd meteen onderbouwen met verwijzingen naar wetenschappelijk onderzoek. Maar het had gekund dat Dassen zich baseerde op de recent verschenen studie Uncommon and nonpartisan: Antidemocratic attitudes in the American public. 

Daaruit blijkt namelijk dat, althans voor de Amerikaanse politiek, de antidemocratische opvattingen van de Republikeinse politici slechts door een kleine minderheid van hun kiezers gedeeld worden. De Republikeinse partij is zoals bekend overgenomen door Donald Trump, die de uitslag van de presidentsverkiezingen van 2020 niet erkent, die de Grondwet buiten werking wil stellen, die de rechterlijke macht aanvalt en die aankondigt dat hij dictator zal zijn en dat hij wraak zal nemen op zijn tegenstanders mocht hij herkozen worden. En een groot deel van de Republikeinse politici scharen zich achter Trump.

Maar ondervraging van Republikeinse kiezers wijst uit dat ze in overweldigende meerderheid de democratie aanhangen en daarin niet of nauwelijks afwijken van kiezers op de Democraten. Van kiezers van beide partijen zijn het slechts kleine minderheden, grofweg tussen 10 en 20 procent, die

  • het er mee eens zijn dat het aantal stembureaus in districten met de meeste kiezers op de andere partij verminderd wordt
  • meer loyaal zijn met hun eigen partij dan met de verkiezingsprocedures en met de Grondwet
  • vinden dat uitspraken van rechters die benoemd zijn door een president van de andere partij genegeerd mogen worden
  • vinden dat de overheid media mag censureren die vooral de eigen partij aanvallen.

Nagenoeg het enige onderscheid dat werd gevonden was dat Republikeinen meer dan Democraten geneigd zijn loyaler te zijn met hun eigen partij dan met de Grondwet (5,2 procent verschil). 

Er is kortom onder de kiezers een overweldigende meerderheid voor het handhaven van de democratie. Ook bij de Republikeinse kiezers, terwijl juist die partij onder hun voorman Donald Trump aankondigt de democratie overboord te willen zetten. 

Er is dus, tot nu toe, geen aanwijzing dat de Republikeinse kiezers hun voorman volgen. Als ze in november al op Trump gaan stemmen, dan is dat niet vanwege zijn antidemocratische opvattingen. 

De onderzoekers besluiten met:

Our results suggest that we do not need to convince the public to value democracy, but we do need to convince Americans to take into account their commitment to democracy in the ballot box. If elites can be made more responsive to the attitudes of the public, proponents of democracy will have grounds for cautious optimism.

Kortom, duidelijke aanwijzingen dat de democratie bedreigd wordt van bovenaf, niet van onderop. Laurens Dassen had gelijk.

Dat zou dus heel goed ook voor Nederland kunnen gelden. 

Meer in het algemeen, mensen zijn er in grote getale van overtuigd dat het een goed idee is om de morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee op het niveau van de nationale staat vorm te geven in de instituties van de democratie en de rechtsstaat. 

Tegenstanders van dat iedereen-telt-mee mogen opvallend actief zijn in de politiek en aandacht krijgen in de media, en mogen zelfs verkiezingen "winnen",  dat wil geenszins zeggen dat ze daarbij gedragen worden door grote groepen kiezers.

dinsdag 26 maart 2024

Psychiatrische analyses van kwaadaardige narcisten - over Adolf Hitler en Donald Trump

Kwaadaardige narcisten kunnen in een nationale staat aan de macht komen en worden dan foute leiders. In een democratische nationale staat is het de bedoeling dat de gekozen leiders het algemeen belang dienen, dat ze proberen het beleid te voeren waarin iedereen meetelt. Want de democratie is de collectieve poging om het gemeenschapspatroon vorm te geven op het niveau van de nationale staat. Maar voor een kwaadaardige narcist telt niemand anders mee dan alleen hijzelf. En is iedereen die zich daar niet bij neerlegt, een vijand die moet worden uitgeschakeld. 

Het narcistische, onrealistische superioriteitsgevoel maakt dat voor hem (meestal een hem) de wereld fundamenteel onveilig is. Zijn behoefte aan veiligheid zou pas gestild zijn als iedereen aan zijn voeten ligt. Een onbereikbaar doel, maar een doel tot het loslaten waarvan hij niet in staat is. Dat maakt hem tot een groot gevaar als hij aan de macht komt, tot een foute leider.

We leven nog altijd in de schaduw van die ene foute leider, Adolf Hitler, die in 1933 in Duitsland aan de macht kwam, waarop de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust volgden. Waarop naderhand een golf van publicaties volgde waarin het verschijnsel van de kwaadaardige narcist die aan de macht komt te analyseren en te begrijpen. Neem de psychiater Erich Fromm, die in 1964 in The Heart of Man: Its Genius for Good and Evil de term kwaadaardige narcist introduceerde. Zie Als Erich Fromm (1900 - 1980) nog geleefd zou hebben, dan zou hij zich gebogen hebben over de kwaadaardige narcisten van nu.

Een van die kwaadaardige narcisten van nu is natuurlijk Donald Trump. Die slaagde erin om in de democratische Verenigde Staten president te worden en in die hoedanigheid veel kwaad aan te richten. Maar de Amerikaanse democratie bleek tot nu toe sterk genoeg om zich tegen een foute leider te verweren en hem een verkiezingsnederlaag te bezorgen. En hem voor zijn begane misdrijven juridisch te vervolgen. Hij is nu weliswaar weer de Republikeinse presidentskandidaat, maar de kans dat hij president wordt lijkt verwaarloosbaar.

Maar een kwaadaardige narcist is niet in staat om in een nederlaag te berusten. Neem weer Adolf Hitler. Die vond dat niet hij de schuldige was van de ondergang, maar het Duitse volk dat hem had verraden en dus met hem moest ondergaan. Erich Fromm daarover:

The best-known example for this latter case is Hitler. Here was an extremely narcissistic person who probably could have suffered a manifest psychosis had he not succeeded in making millions believe in his own self-image, take his grandiose fantasies regarding the millenium of the "Third Reich" seriously, and even transforming reality in such a way that it seemed proved to his followers that he was right. (After he had failed he had to kill himself, since otherwise the collapse of his narcissistic self-image would have been truly unbearable.)

Het verschil tussen toen en nu is dat de psychiatrische analyses van de persoon Donald Trump niet pas naderhand het licht zien. Zie uit 2017 Het gevaar van Donald Trump - Psychiaters waarschuwen en uit 2019  Een extreme vorm van het najagen van status, namelijk van het onvermogen om anderen te zien als gelijken.

Daar komt een opvallend ander verschil bij. Hitler trok zich terug uit de openbaarheid nadat de eerste aanwijzingen van de ophanden zijnde ondergang zich aandienden. Toen er nog kans was op een overwinning, deed hij niets liever dan brallerige redevoeringen houden. Alleen in de besprekingen met zijn generaals bleef hij tot vrijwel het einde, zijn zelfgekozen dood, onrealistisch zelfverzekerd. Tot het onder ogen zien van de werkelijkheid was hij niet in staat. Hij bleef tot het eind fantaseren over niet meer bestaande legeronderdelen die de kansen zouden doen keren.

Die onrealistische omgang met de werkelijkheid vraagt natuurlijk om een psychiatrische analyse. In het geval van Donald Trump wijzen die analyses in de richting van cognitieve achteruitgang en beginnende dementie. Honderden medische professionals waarschuwen voor de gevaren als zo iemand een publieke functie, laat staan het presidentschap, zou gaan uitoefenen. Zie "Experts are desperate to warn the public": Hundreds sign Dr. John Gartner's Trump dementia petition en Forensic psychiatrist on physical signs of Trump's mental decline: "Changes in movement and gait".

Volgens forensisch psychiater Elisabeth Zoffmann is de diagnose Behavioral Variant Fronto-Temporal Dementia van toepassing, die wordt omschreven als:

insidious changes in personality and interpersonal conduct that reflect progressive disintegration of the neural circuits involved in social cognition, emotion regulation, motivation and decision making. 

Die diagnose baseert ze op dit rijtje van aanwijzingen:

  • Changes in speech patterns with many fewer and simpler words (decline in vocabulary) with fewer adjectives and adverbs.
  • A decline in cognitive focus on speech subjects with incomplete sentences and an inability to focus on a topic long enough to complete a sentence when not reading from a teleprompter.
  • Difficulty pronouncing words, word substitution and nonsense words – known as paraphasia
  • Tangential thinking where the topic switches mid-sentence to some unrelated topic.
  • Frequent repetition of words and phrases as if his mind is stuck in a loop.
  • Disinhibition and an inability to control verbal outbursts.
  • Socially inappropriate behavior – mocking a man with muscular dystrophy, disrespecting fallen soldiers as losers.
  • Lack of self-awareness in that he apparently cannot see how inappropriate his behavior has become and use his judgment to stop himself.
  • Changes in movement and gait. His walk appears wide-based and he has developed a swing of his right leg. He appears glued to the floor when he “dances” for his audience. If caught on camera standing still, he appears unnaturally immobile.
  • The changes in judgment and impulse control have uncovered and perhaps worsened underlying personality traits that others have characterized as narcissistic and antisocial. The changes have led some experts to suggest a diagnosis of “malignant narcissism."

Het kan goed zijn dat bij Trump een vorm van dementie een rol speelt. Zijn vader kreeg die diagnose. 

Maar wat ook de preciese diagnose moet zijn, het algemene verschijnsel is dat de kwaadaardige narcist uiteindelijk volledig vastloopt in zijn omgang met de werkelijkheid. 

Er zijn geen aanwijzingen dat Hitler aan het eind van leven dement werd. Hij was weliswaar volledig de weg kwijt, maar had nog wel het benul dat zelfmoord de enige uitweg was. Als Trump inderdaad lijdt aan dementie, dan is voor hem die uitweg misschien al niet meer mogelijk.

vrijdag 23 februari 2024

Zijn dit "de beste tijden van de PVV" die Wilders al in 2014 zag aankomen? - 2. Een sociaalwetenschappelijke blik

Dat Geert Wilders met zijn eenmanspartij de PVV de grootste politieke partij is geworden, maakt het nog niet waarschijnlijk dat hij ook premier zal kunnen worden van een nieuwe regering. Niet alleen doordat hij toch maar over 37 zetels van de 150 kan beschikken, maar ook doordat hij ongrondwettelijke standpunten uitdraagt, waar de meeste andere partijen niet van zijn gediend. Gegeven zijn narcistische neiging tot alleenheerschappij, zoals in zijn eigen partij, valt ook niet te verwachten dat hij met bijvoorbeeld een vicepremierschap en een minderheidspositie in de regering genoegen zal willen nemen. Zie hier het vorige bericht.

We weten niet wat de informatie-Putters zal opleveren. Maar het zou kunnen zijn dat Wilders al verder vooruit kijkt. De situatie waarin hij verkeert, en waarin wij met hem verkeren, is een bijzonder geval van een bekend sjabloon. Het sjabloon namelijk waarin de democratie, als verwezenlijking van het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon, bedreigd wordt door een politicus en zijn gevolg, die geleid worden door de drijfveren van het statuscompetitiepatroon. 

Terwijl het gemeenschapspatroon alleen horizontale drijfveren kent, het met elkaar goed voor hebben, zijn die van het statuscompetitiepatroon verticaal en dus enerzijds van boven naar beneden en anderzijds van beneden naar boven. Van boven naar beneden zijn dat de drijfveren van de leider die uit is op de alleenheerschappij en die vijanden meent te zien die overheerst dienen te worden of erger. En het zijn de drijfveren van de volgers, die diezelfde vijanden menen te zien en de leider volgen in zijn overheersingsdrang. En van beneden naar boven zijn het de drijfveren van de volgers om hun lot in de handen van de leider te leggen, om zijn alleenheerschappij in bewondering te aanvaarden.

Die twee patronen die menselijke relaties kunnen aannemen, zijn natuurlijk bekend. En evenzeer is bekend hoe die twee met elkaar in botsing kunnen komen. Toch is het belangrijk om onder ogen te zien hoe de bijbehorende motiveringen van elkaar verschillen.

In het geval van het gemeenschapspatroon en van de democratie die daarop geïnspireerd is, zijn mensen gemotiveerd om in onderling overleg het beste beleid te vinden voor iedereen. In dat overleg kunnen inzichten en meningen verschillen, maar de onderliggende motivatie is dezelfde. Mensen kunnen ergens van overtuigd zijn, maar delen de bereidheid om in overleg door anderen overtuigd te worden. Bestaande inzichten kunnen worden bijgesteld en niemand wordt geacht de waarheid in pacht te hebben.

Dat ligt fundamenteel anders in het geval van het statuscompetitiepatroon. Dan zijn er geen andere drijfveren dan aan de ene kant de wil tot alleenheerschappij en overheersing en aan de andere kant de wens om zich te voegen naar en te onderwerpen aan de leider. Daarbuiten is er geen voorkeur voor het ene dan wel het andere beleid. Laat staan een bereidheid om daar onder gelijken over te overleggen.Lees ook de fraaie analyse van de persoon en de drijfveren van Geert Wilders door de antropoloog Ginny Mooy: Wilders houdt helemaal niet van Nederland. Hij haat ons, ten diepste.

Anders gezegd, we hebben te maken met twee radicaal verschillende wereldbeelden. Het gemeenschapswereldbeeld, waarin de wereld als veilig wordt waargenomen, waarin anderen zijn te vertrouwen en waarin mensen het goed met elkaar voor hebben. En daartegenover het statuscompetitiewereldbeeld, waarin er vijanden zijn en waarin niemand is te vertrouwen. (Dat de volgelingen in de ban zijn van hun leider, is een andere toestand dan dat ze hem vertrouwen. Ze hebben zich aan hem uitgeleverd.)

Dat fundamentele verschil maakt dat communicatie over en weer ernstig wordt bemoeilijkt. Degenen bij wie het gemeenschapspatroon actief is, kunnen zich maar moeilijk voorstellen dat het bij de andere partij niet gaat om welk beleid het beste is, maar uitsluitend om het bereiken van de alleenheerschappij. Dat beleid daaraan ondergeschikt is. Ze hebben de neiging om beleidsvoorstellen van de andere partij te serieus te nemen. En er is de neiging om de kwaadaardigheid, die altijd gepaard gaat met het willen overheersen en onderwerpen, te onderschatten.

En degenen bij wie het statuscompetitiepatroon actief is, kunnen de bereidheid tot overleg van de andere partij alleen maar zien als een teken van zwakte of als een slimme manoeuvre om hen op het verkeerde been te zetten. Er kan alleen maar wantrouwen zijn. En tekenen van zwakte worden aangegrepen om te kleineren en te beledigen of om toe te slaan.

Het zou bij uitstek een taak behoren te zijn van de sociale wetenschap om voor die communicatieproblemen, en in het bijzonder voor die onderschatting van de kwaadaardigheid, te waarschuwen. Een taak die nu niet wordt uitgeoefend. Zie Heeft de sociologische theorie een blinde vlek voor kwaadaardigheid?

Wat zegt dit over de huidige politiek toestand in ons land? Wilders heeft met zijn verkiezingsoverwinning een stap gezet in de door hem gewenste richting. Maar die stap is bij lange na niet groot genoeg. Hij heeft weliswaar drie ongrondwettelijke en voor vrijwel alle andere partijen onaanvaardbare initiatiefwetsvoorstellen ingetrokken, maar heeft tegelijk verklaard dat hij aan alle ooit ingenomen standpunten vasthoudt. Dat de islam een haatzaaiende religie is die verboden zou moeten worden, is waarom hij de politiek is ingegaan. Het is en blijft het DNA van zijn partij. Het bezit van een koran en het bezoeken van een islamitische school zou met vijf jaar gevangenis bestraft moeten worden. Het bezoeken van een moskee met enkele maanden. Ambtsdragers zouden geen dubbele nationaliteit mogen hebben en mensen met een dubbel paspoort moet het kiesrecht worden ontnomen. Er zou "administratieve detentie" ingevoerd moeten worden, wat wil zeggen dat mensen zonder tussenkomst van een rechter en nog voor een veroordeling maximaal zes maanden vastgezet kunnen worden. Het parlement is een nepparlement en de rechters zijn corrupt.

Daarmee heeft hij voor de goede verstaander duidelijk gemaakt dat hij de huidige toestand ziet als een tussenstap naar de gewenste alleenheerschappij. Hij ziet nieuwe verkiezingen opdoemen met een nog grotere winst. Hij kan niet anders dan zich daardoor te laten leiden. 

Die toestand heeft, naast natuurlijk de grote verschillen, enige overeenkomst met die in het Duitsland van 1932-1933. De NSDAP, de eenmanspartij van Adolf Hitler, boekte op 31 juli 1932 met 37,4 procent van de stemmen een grote verkiezingsoverwinning. Hitler eiste het kanselierschap op en stelde zich voor dat hij dan met presidentiële volmachten zou kunnen regeren. Maar hij kreeg van president Von Hindenburg het lid op de neus. Maar ook na ruim 4 procent verlies bij de verkiezingen op 4 november van dat jaar, hield hij onbuigzaam vast aan zijn aanspraak op het kanselierschap. En jawel, uiteindelijk, na veel verwikkelingen, kreeg hij zijn zin. Peter Longerich daarover in zijn biografie van Hitler:

Door zijn onwrikbare eis van een kanselierschap met presidentiële bevoegdheden was Hitler eind 1932 slechts schijnbaar op een dood spoor beland ... In werkelijkheid zette de partijleider zijn conservatieve tegenstrevers voor het blok door consequent te weigeren als gewoon minister aan een presidentieel kabinet deel te nemen of zo'n kabinet met gedoogsteun mogelijk te maken. (...) Zo had Hitler met tamelijk veel politiek vernuft al in januari 1933 een beslissende uitgangspositie voor zichzelf gecreëerd om zijn overstap naar het kanselierschap in de maanden erna tot een alomvattende machtsovername uit te bouwen. (p 330-331)

Hitler werd op 30 januari 1933 tot kanselier benoemd, terwijl hij toch niet meer dan een derde van de kiezers achter zich had. Daarna trok hij de macht in twee stadia naar zich toe:

in het eerste stadium, tot aan de zomer van 1933, werd de politieke macht grotendeels in handen van de nu duidelijk door de nazi's gecontroleerde regering gebundeld; in het tweede stadium, tot aan de late zomer van 1934, slaagde Hitler erin - vooral door zijn ingreep van 30 juni 1934 en door de overname van het ambt van rijkspresident - de conservatieven in de regering definitief buitenspel te zetten, de oppositie binnen zijn eigen partij uit te schakelen, en tenslotte een alleenheerschappij zonder enige grondwettelijke beperking op te zetten. (p. 336)

Dat was het overbekende voorbeeld van het proces waarin de strijd tussen het gemeenschapspatroon en het statuscompetitiepatroon in het voordeel van het laatste uitpakte. Met zoals evenzeer bekend vreselijke gevolgen. We zien er de ingrediënten van de beide patronen: de onwrikbare wil tot alleenheerschappij, gesteund door een felle en gewelddadige achterban, die echter naar omvang een minderheid was, en aan de andere kant de zwakte en de onderschatting van de komende gevaren.

Terug naar 2024. We zien zich in verschillende landen gebeurtenissen volgens het bekende sjabloon afspelen. In het geval van Rusland waren de democratische krachten veel te zwak ontwikkeld om de alleenheerschappij van Poetin te kunnen tegenhouden. In Polen heeft de nationalistisch conservatieve PiS acht jaar de tijd gehad om de democratie en de onafhankelijke rechtspraak af te breken, maar bij de verkiezingen eind vorig jaar waren de democratische krachten sterk genoeg om de regeringsmacht over te kunnen nemen. In de Verenigde Staten en Brazilië leek het vier jaar de verkeerde kant op te gaan, maar is de democratische rechtsstaat voorlopig sterk genoeg gebleken.

Afwachten hoe de strijd tussen het gemeenschapspatroon en het statuscompetitiepatroon in Nederland zich verder zal ontwikkelen. En of we "de beste tijden van de PVV" nog gaan meemaken.

maandag 19 februari 2024

Zijn dit "de beste tijden van de PVV" die Wilders al in 2014 zag aankomen? - 1

Op 9 maart 2014 verklaarde Geert Wilders in een interview: "Ik kan de PVV de grootste partij van Nederland maken. Ik voel dat. De beste tijden van de PVV liggen nog voor ons." De PVV had in 2012 een verkiezingsnederlaag geleden, van 15,4 procent in 2010 naar 10,1 procent. Zie hier de verkiezingsuitslagen voor de PVV sinds 2006.

In datzelfde interview zei hij ook wat hem drijft:

"Ik ben maar om één ding de politiek ingegaan: om de islam te bestrijden. Om de vrijheid te verdedigen. Al gaat de PVV over veel meer: het terugwinnen van soevereiniteit uit Europa, over lagere belastingen, het tegengegaan van het opheffen van de verzorgingshuizen." 

"Maar de bestrijding van de islam is mijn drijfveer. Dat is geen Nederlands probleem, maar een existentieel probleem."

Nu, in 2024, is hij inderdaad zo maar de grootste partij geworden. En nu is het de vraag of daarmee de beste tijden van de PVV zijn aangebroken.

Allereerst natuurlijk: hoewel de PVV de grootste partij is, kunnen we met nog geen 25 procent van de stemmen niet van een grote partij spreken. Het politieke landschap is zo gefragmenteerd dat Wilders niet zonder drie andere partijen een regering zou kunnen vormen. En na de tot niets leidende verwikkelingen van de informatie-Plasterk en zeer waarschijnlijk ook na de komende verwikkelingen van de informatie-Putters is duidelijk geworden of wordt dat nog duidelijk dat die drie andere partijen niet gevonden kunnen worden. Wilders mag datgene al hebben ingeleverd waarvoor hij de politiek is ingegaan, de bestrijding van de Islam ook als daarvoor de Grondwet moet sneuvelen, daarmee is hij nog onvoldoende tot de vereiste rechtsstatelijkheid teruggekeerd. Temeer doordat hij laat weten die ondemocratische standpunten uit het verleden nog steeds voluit te omarmen. Hij neemt "nergens afstand van."

Dat de PVV de grootste kon worden en dat de politieke fragmentatie zo groot is, heeft alles te maken de zwakte van de overige partijen. Zwakte vooral in het vermogen om de kiezers een vooruitzicht te bieden op een andere politiek dan het neoliberale beleid dat uitliep op de "Nederlandse polycrisis". En natuurlijk met de bizarre manoeuvres van de nieuwe VVD-lijsttrekker, waardoor Wilders gratis en voor niets de aandacht kreeg en ineens voor acceptabel kon doorgaan. Een deel van de kiezers is op zoek naar een "nieuwe" belofte en dacht die achtereenvolgens te vinden in Baudet, Van der Plas, Omtzigt en nu dus Wilders. 

Dat krijg je als opeenvolgende regeringen zo weinig oog hebben voor het belang van de overheid en van overheidswetgeving voor de bestaanszekerheid en het welzijn van de bevolking. Het verkiezingsprogramma van GroenLinks/PvdA wees in de goede richting, maar werd timide aan de kiezers gepresenteerd. Althans dat is mijn indruk, want van de lijsttrekkersdebatten heb ik maar weinig gezien.

Maar hoe dan ook, een regering met Wilders als premier ligt dus niet in het nabije verschiet. Wat speelt er zich nu in zijn hoofd af? 

Het moet zo zijn dat wat hem betreft die beste tijden van de PVV nog ergens in de toekomst liggen. In zijn wereldbeeld, dat van de narcistische rechts-extremist, bestaat de wereld uit vijanden of anderen die hij niet kan vertrouwen en die in ieder geval altijd zijn minderen zijn. Daarom heeft hij zich in zijn eigen partij tot alleenheerser gemaakt. En daarom vindt hij het zo lastig om anderen bij de minste aanleiding, ook als hij ze eigenlijk nodig heeft, niet te beledigen of te treiteren..

En kan hij zich in een mogelijke regering alleen voorstellen in de rol van premier, de rol die hij niet zoals gebruikelijk als "eerste onder zijn gelijken" zal willen invullen, maar als "eerste zonder gelijken". 

Alleen als hij het voor het zeggen heeft, voelt hij zich op zijn gemak. Eventueel kan dat in de rol van "gedoger", zoals van het minderheidskabinet-Rutte 1 (2010 - 2012), toen hij kabinetsleden, zoals Gerd Leers, minister voor Immigratie en Asiel, bij zich op het matje kon roepen. Zodra hem dat niet meer beviel, achtte hij zich niet langer aan het gedoogakkoord gebonden en viel het kabinet.

Wat betekent een en ander voor wat we van zijn gedrag in de komende tijd kunnen verwachten? En van het gedrag van andere politici? 

En wat valt daar sociaalwetenschappelijk over te zeggen? Hier het vervolg.

donderdag 8 februari 2024

Democratie op ondernemingsniveau draagt bij aan de kwaliteit van de democratie op het nationale niveau

Die maakbare maatschappij is niet een linkse illusie, maar een onvermijdelijkheid. Als we die uitdaging niet aannemen en niet de samenwerkingsverbanden creëren waarin mensen gedijen, dan maken we daarmee in feite een maatschappij waarin statuscompetitie, wantrouwen en vijandigheid de boventoon voeren. De maatschappij maken, dat doen we so wie so.

Dit citaat haal ik uit het bericht Mensen gedijen in samenwerkingsverbanden, maar die zijn er te weinig - over de onvermijdelijkheid van de maakbare samenleving, dat in 2015 op dit blog verscheen. Dat bericht gaat erover dat de menselijke sociale natuur nu eenmaal zo in elkaar zit dat er zowel de neiging en de wens bestaat om met anderen samen te werken als de neiging en de wens om integendeel met anderen de statuscompetitie aan te gaan. Zie ook Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen voor een uitleg over de Dual Mode-theorie.

En het gaat erover dat wij in onze huidige maatschappij gedurende ons leven zowel met het gemeenschapspatroon in aanraking komen, dat ons tot samenwerking aanzet, als met het statuscompetitiepatroon, dat ons tot die statuscompetitie aanzet (Stelling 2 van de Dual Mode-theorie). En dat wij ons beter voelen, dat we beter gedijen, in samenwerkingsverbanden dan in de statusstrijd (Stelling 3 van de Dual Mode-theorie). 

Dat pleit er dus voor om in onze maatschappij de domeinen van samenwerking zoveel mogelijk te bevorderen en de domeinen van statuscompetitie zoveel mogelijk terug te dringen. Anders gezegd, dat pleit voor "sociale hervormingen". 

In dat bericht uit 2015 haal ik een artikel aan van Eric Michael Johnson, dat erop wijst dat onze ondernemingen, of algemener onze arbeidsorganisaties, meestal hiërarchisch zijn georganiseerd:

Want in de corporate culture is hiërarchie vanzelfsprekend. Als je werknemer wordt, ga je een positie in een hiërarchie innemen. Je hebt een functieomschrijving, moet richtlijnen opvolgen die van boven komen en moet opdrachten geven aan onder jou gestelden. Uiteraard is in veel organisaties ook samenwerking nodig, maar veel van de managementliteratuur gaat niet voor niets over het probleem hoe je samenwerking tot stand brengt ondanks dat je organisatie een hiërarchie is.

En de overheersende indruk is dat in de meeste bedrijven die noodzakelijke samenwerking onvoldoende tot stand komt.

Die hiërarchische arbeidsorganisaties, waarin we een groot deel van ons leven doorbrengen, kennen ongelijkheid naar macht, inkomen en, ja, status, een voorwaarde waaronder de statuscompetitie wordt aangemoedigd. Wat dus doet verwachten dat de arbeidsorganisatie niet aan ons welzijn bijdraagt. En dat klopt. Denk aan Verhoogt werk ons welzijn? Ja en nee. En denk eraan dat de kans op emotionele uitputting van werknemers (burn-out) samenhangt met een gebrek aan autonomie, met overbelasting en met een slecht sociaal klimaat, die alle drie in verband kunnen worden gebracht met de mate van hiërarchie in de organisatie. Zie Een baan met meer autonomie geeft minder kans op burn-out - Dat pleit voor minder hiërarchie op het werk. 

Eric Michael Johnson pleit er daarom voor om ondernemingen meer als coöperaties te organiseren, waarin de werknemers mede-eigenaar zijn. En waarin dus mensen worden aangesproken op hun vermogen en bereidheid tot samenwerking. Waarin niet het statuscompetitiepatroon, maar het gemeenschapspatroon, wordt aangesproken en tot bloei kan komen. Over de voordelen daarvan schreef ik eerder Is een coöperatieve economie een alternatief voor het kapitalisme? En er zijn aanwijzingen dat coöperaties naar productiviteit niet onder doen voor gangbare ondernemingen.

Maar daarbovenop zou er nog een ander voordeel kunnen zijn van meer coöperatieve ondernemingen. Een voordeel dat je zou kunnen verwachten op grond van die Stelling 2. Want mensen die in hun arbeidsleven meer met samenwerking, en dus met het gemeenschapspatroon, in aanraking komen, zullen meer door die bril van samenwerking naar de wereld kijken. Bij hen zal het gemeenschapspatroon niet alleen meer worden aangesproken, maar ook zal het worden versterkt. Het zal een uitwerking hebben op hun bredere sociale wereldbeeld. En andersom, zal in een meer hiërarchische onderneming het statuscompetitiepatroon worden versterkt en zich uitbreiden naar hoe mensen naar de sociale wereld kijken.

En precies in die richting wijst de nieuwe studie Political spillovers of workplace democracy in Germany, verschenen in Annals of Public and Cooperative Economics. In Duitsland bestaat de mogelijkheid dat werknemers medezeggenschap (Mitbestimmung) krijgen in het ondernemingsbeleid. Ze zijn dan niet alleen vertegenwoordigd in de Ondernemingsraad, maar ook in de Raad van Toezicht, waar ze evenveel stemmen hebben als de aandeelhouders. Die medezeggenschap komt tot stand als werknemers daartoe het initiatief nemen. Dat betekent dat sommige ondernemingen wel en andere niet die medezeggenschap kennen. 

In ondernemingen met medezeggenschap van werknemers bestaat dus een vorm van democratie. Werknemers kiezen hun vertegenwoordigers, die meebeslissen over het beleid. Je zou het kunnen zien als een tussenvorm tussen de gewone, hiërarchische en de coöperatieve onderneming.

Uit dat nieuwe onderzoek blijkt nu dat de werknemers van ondernemingen met medezeggenschap een significant grotere belangstelling hebben voor de landelijke politiek dan werknemers van ondernemingen zonder die medezeggenschap. Dat is een aanwijzing dat ze zich meer betrokken voelen bij de landelijke democratie. Het democratisch burgerschap is bij hen meer ontwikkeld. Er zijn kennelijk "politieke spill-over effecten" van het deelnemen aan en ervaren van de democratie in de eigen onderneming. Het verband blijft bestaan bij statistische controle voor een groot aantal variabelen, zoals hoogte van het salaris, omvang en aard van het dienstverband, bedrijfsgrootte, bedrijfstak, leeftijd, en opleiding.

Kortom, democratie op ondernemingsniveau draagt bij aan de kwaliteit van de democratie op het landelijke niveau. Ervaringen met democratie in het ene domein dragen bij aan de democratische gezindheid in het andere domein. In aanraking komen met het gemeenschapspatroon heeft een zich uitbreidend effect op datzelfde patroon. 

Wetgeving die democratie binnen ondernemingen mogelijk maakt, kun je dus zien als een belangrijke sociale hervorming. Die eraan bijdraagt dat het gemeenschapspatroon wordt versterkt en het statuscompetitiepatroon wordt teruggedrongen.

dinsdag 30 januari 2024

Ja, er zijn goede redenen om te verwachten dat het binnenkort met Trump is afgelopen

Weten we inderdaad binnenkort hoe het met Trump zal aflopen? Dat het niet lang meer zal duren, daarmee besloot ik het bericht Het patroon van de kwaadaardige narcist die aan de macht komt en de nederlaag moet ondergaan. Over Hitler en Trump van vier dagen geleden. 

Eén reden om te verwachten dat het niet lang meer zal duren, is dat Trump strafrechtelijk vervolgd wordt. CREW geeft het volledige overzicht van de 91 aanklachten die er in de vier strafzaken tegen hem lopen. Die gaan over zijn pogingen om de resultaten van de verkiezingen van 2020  terzijde te schuiven en om in te grijpen in de verkiezingen in de staat Georgia, het vervalsen van zakelijke gegevens in New York en het verkeerd omgaan met geheime gegevens na het verlaten van het presidentschap. 

Daarnaast loopt er nog een civiele zaak tegen hem, zijn zoons en de Trump-onderneming wegens fraude. De rechter heeft al vastgesteld dat fraude heeft plaatsgevonden. De openbaar aanklager eiste een boete ter hoogte van 370 miljoen dollar, een verbod om nog zaken te doen in New York, waardoor de Trump Tower en de rest van zijn bezittingen aan hem zullen worden onttrokken. De uitspraak volgt binnenkort. 

Bovendien is Trump in twee civiele rechtszaken al veroordeeld tot het betalen van schadevergoedingen van 5 miljoen en 83,3 miljoen dollar wegens seksueel misbruik en smaad. 

Alles wijst erop dat het recht zijn loop zal hebben. De Amerikaanse aanklagers en de rechters doen het werk dat van hen in een democratie verwacht mag worden.

Maar er is nog een tweede reden. Het Hooggerechtshof van de staat Colorado besloot dat Trump op grond van het Veertiende Amendement van de Grondwet niet tot de presidentsverkiezingen mag worden toegelaten. Dit vanwege zijn aanstichting tot en betrokkenheid bij de gewelddadige pogingen op 6 januari 2021 om de effectuering van de verkiezingsuitslag tegen te houden. De zaak ligt nu bij het federale Hooggerechtshof, dat daar binnenkort, op 8 februari, een hoorzitting aan zal wijden. 

De hoog in aanzien staande conservatieve federale oud-rechter J. Michael Luttig dringt er bij het Hof op aan om inderdaad Trump van de verkiezingen uit te sluiten: Retired conservative federal judge urges Supreme Court to disqualify Trump from office. 

“Trump incited, and therefore engaged in, an armed insurrection against the Constitution’s express and foundational mandates that require the peaceful transfer of executive power to a newly-elected President,” the brief said. “In doing so, Mr. Trump disqualified himself under Section 3 (of the Constitution).” 

Hetzelfde deden drie vroegere Republikeinse gouverneurs: Meet the Lonely Republicans Willing to Say It: Trump Is Disqualified. 

Lees ook wat er op The Conversation over wordt geschreven: Why 14th Amendment bars Trump from office: A constitutional law scholar explains principle behind Colorado Supreme Court ruling.

Ja, er zijn goede redenen om te verwachten dat het binnenkort met Trump is afgelopen. 

Blijft natuurlijk de vraag hoe de kwaadaardige narcist Donald Trump op die absolute nederlaag zal reageren. En hoeveel kwaad hij daarbij nog zal aanrichten.

donderdag 11 januari 2024

Door de bomen het bos zien. Democratie en grote ongelijkheid zijn niet te verenigen

Het bos dat door de bomen van de dagelijkse stroom van politieke en maatschappelijke nieuwsberichten aan het zicht wordt onttrokken, is eigenlijk gemakkelijk te ontwaren. 

Want wat is het geval? Sinds zo ongeveer een eeuw hebben veel landen de democratische staatsvorm. Met algemeen actief en passief kiesrecht. Gebaseerd op de morele gemeenschapsintuïtie van iedereen-telt-mee. Iedereen beslist mee over de samenstelling van de volksvertegenwoordiging. En de volksvertegenwoordiging is op zoek naar het beste beleid voor iedereen. 

Om dat iedereen-telt-mee goed te laten werken, geldt er bij de besluitvorming een meerderheidsregel. (Of een gekwalificeerde meerderheid bij besluiten over de grondwet.) Daarbij wordt gehoopt dat de samenstelling van de minderheid kan wisselen, zodat er nooit een groep ontstaat die systematisch achter het net vist. Maar ook daarzonder is er het democratische ethos, op grond van die morele gemeenschapsintuïtie, dat altijd ook met de belangen van de minderheid rekening dient te worden gehouden.

De democratie als staatsvorm, en de ermee overeenkomende internationale verdragen over mensenrechten, zijn een grote verworvenheid in de mensheidsgeschiedenis. Een overwinning van het morele gemeenschapspatroon op het daaraan tegengestelde statuscompetitiepatroon dat eveneens deel uitmaakt van de menselijke sociale natuur. Als dat statuscompetitiepatroon overheerst, dan zijn onderdrukking en overheersing de gevolgen. Geen democratie, maar de dictatuur of de autocratie of de plutocratie, of in sociaalwetenschappelijke taal: de statushiërarchie. 

Dat de democratie inderdaad een verworvenheid is, wordt door al het onderzoek ondersteund dat erop wijst dat een gemeenschapstoestand naar menselijk welzijn en naar morele maatstaven te prefereren valt boven een statushiërarchie. Zie Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen voor verwijzingen naar dat onderzoek. En zie ook Alles bij elkaar genomen zie je dat democratieën beter presteren op algemeen wenselijke uitkomsten voor de bevolking dan niet-democratieën.

Toch zijn er vijanden van de democratie. Hoe kan dat? 

Het sociaalwetenschappelijke antwoord daarop is dat een stabiele gemeenschapstoestand, een "gemeenschapsevenwicht", weliswaar theoretisch denkbaar is, maar in de maatschappelijke werkelijkheid eigenlijk niet voorkomt. Dat ligt eraan dat het statuscompetitiepatroon nu eenmaal ook tot de menselijke sociale natuur behoort en er ook in de gemeenschapstoestand van de democratie voorwaarden kunnen ontstaan die dat patroon activeren.

Over de aard van die voorwaarden valt wel het een en ander te zeggen. Zo is er het inzicht dat een toename van ongelijkheid de statuscompetitie aanwakkert. Aanwijzingen in die richting werden al in 2009 verzameld door Richard Wilkinson en Kate Pickett in hun The Spirit Level. Why More Equal Societies Almost Always Do Better, in 2010 heruitgegeven met een extra hoofdstuk: The Spirit Level. Why Equality is Better for Everyone. Grotere ongelijkheid blijkt samen te gaan met een reeks van indicatoren voor de mate van statuscompetitie: minder sociale contacten, minder onderling vertrouwen, meer psychische aandoeningen, slechtere gezondheid, meer geweldsgebruik en criminaliteit en minder sociale mobiliteit. Zie voor meer onderzoek ook de berichten Is inkomensongelijkheid slecht omdat hij statuscompetitie aanwakkert?, Door meer ongelijkheid meer statuscompetitie en daardoor meer vraag naar een sterke leider die het niet zo nauw neemt met de democratie en Nieuwe aanwijzing dat inkomensongelijkheid de statuscompetitie aanwakkert

Welnu, dat wijst erop dat de democratie alleen dan een stabiele gemeenschapstoestand kan zijn als de ongelijkheid binnen de perken wordt gehouden. Wat die perken precies zijn, weten we niet. Maar zodra de ongelijkheid zo groot wordt, dat de statuscompetitie erdoor in werking komt, is de democratie in gevaar. 

Want wat kun je dan verwachten? Precies het proces dat we nu onder onze ogen kunnen waarnemen. De rijken, de miljardairs, blijken bedenkingen te hebben bij de democratie. Die kan immers met een eenvoudig meerderheidsbesluit afdwingen dat hun belastingen worden verhoogd, op hun inkomens en vermogens en op hun erfenissen. Dat ze moeten meebetalen aan de herverdeling van rijk naar arm en aan al die publieke voorzieningen, openbaar vervoer, volkshuisvesting, onderwijs, gezondheidszorg, die zij niet nodig hebben en die vooral aan de armen ten goede komen. Bovendien voelt het voor de rijken dat ze er op achteruitgaan, namelijk in status, als er niet meer gebeurt dan dat armen erop vooruitgaan. Want met een statuscompetitief wereldbeeld is het voor jou "winst" als anderen verliezen.

Vandaar dat de miljardairs altijd zullen proberen om de werking en de uitkomsten van de democratie te beïnvloeden. Door te bevorderen dat de armen, de "profiteurs", minder gaan stemmen of dat hun stem minder meetelt. Denk aan de Republikeinen, die door de miljardairs zijn gekocht en die als ze aan de macht zijn, stembureaus in de armere gebieden sluiten en de kiesdistricten zo indelen dat de stem van armere kiezers minder meetelt. 

En ze zullen vooral die politici ruimhartig financieren die voor hen gunstig beleid voorstaan. Diezelfde Republikeinen, die zich aan Trump hebben uitgeleverd, hebben nauwelijks meer andere beleidsstandpunten dan dat ze de belastingen voor de rijken willen verlagen en de sociale zekerheid willen terugdringen. In Nederland weten de grote donateurs vooral de VVD te vinden  En werd de nieuwe lijsttrekker van die partij, Dilan Yeşilgöz, "goedgekeurd" door vastgoedondernemer Cor van Zadelhoff.

En tenslotte zullen ze proberen om de verkiezingen zoveel mogelijk te laten gaan over andere thema's dan de verschillen tussen arm en rijk. Wakker de angst voor immigranten en andere minderheidsgroepen aan en je bereikt dat de minderbedeelden bij het uitbrengen van hun stem hun eigen belangen uit het oog zijn verloren. Het is bepaald niet een raadsel hoe het komt dat het rechts-extremisme de wind in de zeilen heeft.

Kortom, democratie en grote ongelijkheid zijn niet te verenigen. Hoewel de democratie naar algemeen wenselijke uitkomsten voor iedereen beter is, is het bij grote ongelijkheid voor de miljardairs teveel gevraagd om dat onder ogen te zien. Het statuscompetitiepatroon gaat zo overheersen dat een afweging met het iedereen-telt-mee van de democratie cognitief en emotioneel en moreel niet langer tot de mogelijkheden behoort.

Dat inzicht werd in de decennia na de Tweede Wereldoorlog in veel landen breed gedeeld. Waardoor sterk progressieve belastingheffing, met marginale tarieven in de inkomstenbelasting tot 90 procent vanzelfsprekend werden gevonden. Dat kan ook zolang het gemeenschapspatroon bij mensen overheerst. 

Maar het statuscompetitiepatroon kan altijd weer de kop opsteken. En dat gebeurde in de jaren 70 en 80. Onder invloed van de rechtse, economische denktanks, gefinancierd door de rijken en degenen die rijk wilden worden, en die als een van de eerste beleidsveranderingen wisten te bewerkstelligen dat die hoogste marginale tarieven werden verlaagd, eerst naar 70 procent en vervolgens tot 30 en 40 procent. Rijkdom en ongelijkheid, dat moest kunnen. Dat zou goed zijn voor de economische groei.

Maar het was vooral goed om de statuscompetitie aan te wakkeren. En uiteindelijk om de democratie in gevaar te brengen.

dinsdag 21 november 2023

Het is tijd voor wij-met-zijn-allen, dus voor een stem op GroenLinks-PvdA. Een historische en sociaalwetenschappelijke blik op de verkiezingen

Op 16 maart 2021 riep ik op om bij de Tweede Kamerverkiezingen de daaropvolgende dag op een linkse partij te stemmen. Ik deed dat met het bericht dat ik hier vrijwel ongewijzigd kan overnemen. Om toen een linkse stem uit te brengen, moest je nog kiezen tussen de PvdA en GroenLinks (of een kleinere linkse partij). Morgen kun je gelukkig op een verenigd GroenLinks-PvdA stemmen, een belangrijke en hoognodige stap op weg naar een grote linkse partij.

Laten we eens naar deze verkiezingen kijken met een historische blik. Dus met een blik die je op dit blog vaker bent tegengekomen. Zoals in de reeks berichten over de mensheidsgeschiedenis-in-drie-stappen. En met een sociaalwetenschappelijke blik van een vak sociologie dat ertoe doet, dus een vak toegerust met een realistisch normatief kader. 

Wat die historische blik betreft, bevinden we ons nu in een tijdvak van de mensheidsgeschiedenis waarin zich de strijd afspeelt om onze oeroude morele gemeenschapsintuïties vorm te geven in de instituties van de democratie en de mensenrechten. De morele intuïties dus van iedereen telt mee, zorg voor elkaar, samenwerking en rechtvaardigheid. Het vorm geven aan die intuïties slaagt beter als mensen zich veilig voelen en tegelijk voelen mensen zich veiliger hoe meer die vormgeving succesvol is.

De tegenstand in die strijd komt van de evenzeer oeroude menselijke neiging tot statuscompetitie. Die neiging wordt aangejaagd als mensen zich onveilig voelen. In een onveilige wereld heb je van anderen niets goeds te verwachten en moet je dus voor jezelf opkomen en jezelf verdedigen. Met een hoge status, dus als je rijk en machtig bent, ben je bevreesd dat minder gelukkigen hun blik laten vallen op jouw rijkdommen en stel je dus alles in het werk om hen daarvan te weerhouden door onderdrukking en overheersing. Behoor je tot die minder gelukkigen, dan stel je je daartegen te weer en als dat uitzichtloos lijkt, berust je in je lot, gedraag je je onderdanig en probeer je er nog het beste van te maken. Er heerst de ongelijkheid van de statushiërarchie en iedereen voelt zich onveilig.

In de mensheidsgeschiedenis was die strijd tussen deze twee, dus tussen gemeenschap en statuscompetitie, voor verreweg het grootste deel van de tijd beslist in het voordeel van gemeenschap. Dat was in het jagers-verzamelaarstijdperk, toen we voor onze overleving en reproductie afhankelijk waren van samenwerken en delen. Gemeenschap was noodzakelijk en moest dus gepaard gaan met onderdrukking van de neiging tot statuscompetitie. 

Na de overgang naar landbouw, zo'n acht- tot tienduizend jaar geleden, werd dat laatste bemoeilijkt door de introductie van eigendom. Opties dienden zich aan om ook zonder mee te doen met het samenwerken en delen toch te overleven, ja, zelfs rijkdommen te verwerven. Dus brak de statuscompetitie door. Met ongelijkheid tussen arm en rijk, machthebbers en machtelozen, mannen en vrouwen. 

De morele gemeenschapsintuïties konden zich nog maar beperkt doen gelden. Ze werden teruggedrongen tot pockets van onderlinge afhankelijkheid en persoonlijke, langdurige relaties, zoals in die gevallen van zelforganisatie die door Elinor Ostrom bestudeerd werden. En in de zogenaamde standenmaatschappijen kon de ongelijkheid getemperd worden als de relaties langdurig waren. Hogere standen konden dan een morele verplichting voelen om hun ondergeschikten bij te staan. Ik moet daarbij steeds denken aan die boer waar Chris van Esterik over vertelt.

Pas recent in de geschiedenis, zeg de laatste twee eeuwen, krijgen de morele gemeenschapsintuïties weer meer kansen. Met de Industriële Revolutie nam de macht van de arbeid toe en werd de onderlinge afhankelijkheid grootschaliger. Waardoor nationale staten belangrijker werden, ja, zelfs internationale samenwerking. Met als gevolg de emancipatie van eerst de burgerij, toen de arbeid en tenslotte de vrouwen. Slavernij en apartheid werden afgeschaft. Er kwam stapsgewijs algemeen kiesrecht en dus democratie. Dat betekende dat vrijwel alle nationale staten grondwetten invoerden, een in de mensheidsgeschiedenis cruciaal proces dat Wim Voermans beschrijft in zijn nieuwe boek The Story of Constitutions: Discovering the We in Us. En er werden na de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust de internationale mensenrechtenverdragen gesloten. 

Sociaalwetenschappelijk gezien is daarmee de historische strijd geschilderd tussen de twee "evenwichtstoestanden" waar een groep of maatschappij in terecht kan komen. Evenwichten in de zin dat als een van die twee toestanden eenmaal bestaat, er maar moeilijk weer van binnen uit aan ontsnapt kan worden. En er zijn dus de vele sociaalwetenschappelijk aanwijzingen dat het gemeenschapsevenwicht naar menselijk welzijn en in moreel opzicht te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht. Wat in de politieke praktijk betekent dat elke beweging in de richting van meer gemeenschap toegejuicht behoort te worden. Dus meer gelijkheid en meer bestaanszekerheid voor iedereen. Meer nadruk op sociale hervormingen en minder op economische hervormingen. Een grotere rol voor wij-met-zijn-allen, dus voor de overheid, en een kleinere rol voor ieder-voor-zich, dus voor de ongereguleerde markt. Denk aan Een sociologie die ertoe doet. Een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

Oké, nu terug naar november 2023 en de verkiezingen. Minder ver terug in de geschiedenis hebben we tientallen jaren neoliberaal beleid achter de rug. Dus van beleid van minder wij-met-zijn-allen en meer van ieder-voor-zich. In politieke termen: minder overheid en meer gedereguleerde markt. Afbraak van de verzorgingsstaat, toename van bestaansonzekerheid voor velen, met een toename van inkomens-, maar vooral van vermogensongelijkheid. Voedselbanken werden normaal. Een dak boven je hoofd werd aan de markt overgelaten, dus meer daklozen. Arbeidsmarkt gedereguleerd, dus meer onzekerheid. Doelstelling van volledige werkgelegenheid ingeruild voor versobering van uitkeringen. Tegenprestatie in de bijstand. Werkloos? Dan heb je je looneisen nog niet genoeg naar beneden bijgesteld. Stagnatie van de lonen. Armoede, niet allen bij uitkeringstrekkers, maar ook bij werkenden. Publieke voorzieningen gedecentraliseerd en uitgekleed. Gemeentebudgetten afgeknepen. Getreuzeld met de hoognodige maatregelen om de klimaatverandering af te wenden.

Allemaal "economische hervormingen", die het ieder-voor-zich van het statuscompetitie-evenwicht aanzienlijk dichterbij brachten. Minder mededogen met de zwakkeren en kwetsbaren. Anti-immigranten- en vluchtelingensentiment. Toenemend rechts-extremisme. Ontkenning van wetenschappelijke inzichten.

Nu lijken we tot inkeer te komen. Er was al de Grote Financiële Crisis van 2008-2010. Er was de coronapandemie. De rampzalige gevolgen van de klimaatverandering dienen zich aan. We krijgen door dat er iets heel erg is misgegaan. De overheid moet terug.

We moeten weer de weg inslaan in de richting van het gemeenschapsevenwicht. Met het oog op ons aller welzijn. En omdat het in moreel opzicht de juiste weg is.

Het is de weg die we na de Tweede Wereldoorlog met overtuiging hadden ingeslagen. Toen we de lessen hadden geleerd van de economische crisis van de jaren dertig, van de New Deal in de Verenigde Staten, van de bezuinigingspolitiek in Duitsland die Hitler aan de macht bracht, van de daaropvolgende Holocaust.

Toen we, met John Maynard Keynes, inzagen dat een economie zonder een grote sturende rol van de overheid niet goed voor iedereen kan werken. De tijd dus van "de gemeenschap, georganiseerd in de staat". 

Maar ook de tijd waarin de  tegenstand zich al begon te organiseren. Er zijn altijd de rijken en de machtigen die denken dat ze in de statushiërarchie van het ieder-voor-zich beter af zijn dan in het wij-met-zijn-allen. Die backlash wordt voor de Verenigde Staten fraai beschreven in hoofdstuk 13 (The Aristocracy Strikes Back) van The Price of Peace. Money, Democracy, and the Life of John Maynard Keynes van Zachary D. Carter. 

Dat is de tragiek van de strijd tussen gemeenschap en statuscompetitie: hoewel gemeenschap naar welzijn en morele maatstaven beter is, zijn er altijd degenen die niet bestand zijn tegen de verlokkingen van status, macht en rijkdom in een ongelijke statushiërarchie. Als je het eenmaal (veel) beter hebt dan anderen, dan is het moeilijk om je voor te stellen dat er een toestand zou kunnen bestaan, het wij-met-zijn-allen, die voor iedereen beter is. Dat is precies de moeilijkheid die mensen aan de top immoreel doet handelen en waardoor ze het zo moeilijk hebben met de democratie, de institutionalisering van het wij-met-zijn-allen. Denk aan de Republikeinen in de Verenigde Staten, die verkiezingen alleen dan eerlijk vinden als die in hun voordeel worden beslist.

Die backlash was uiteindelijk succesvol met het rond 1980 aan de macht komen van Ronald Reagan (de overheid is niet de oplossing, maar het probleem) en Margaret Thatcher (er bestaat niet zoiets als de maatschappij). En met het begin van dat neoliberale tijdperk, waar we nu misschien het einde van meemaken. In het Nederlandse politieke speelveld is er een ruk naar links vergeleken met vier jaar geleden, maar dat geldt vooral voor linkse en middenpartijen. Maar uitgerekend de neoliberale VVD werd na de Grote Financiële Crisis, tegen alle logica in, de grootste partij en doet het nog steeds goed in de peilingen. En extreemrechts profiteert van de door de neoliberale politiek gecreëerde bestaansonzekerheid onder de kiezers. Geert Wilders ruikt zijn laatste kans.

En in de Verenigde Staten wijzen de beleidsdaden van de Democratische regering-Biden wel heel duidelijk op een afrekening met het neoliberale tijdperk, dat culmineerde in het Trumpisme, en een terugkeer naar de ideeën van de Keynesiaanse New Deal. Jennifer Rubin schreef daarover in de Washington Post, met een verwijzing naar het nieuwe boek van Robert Putnam, met deze eerste twee alinea's:

America has the capacity to reorient itself in a way that emphasizes community, shared national purpose and inclusion. That’s according to political scientist Robert Putnam, who in his latest book, “The Upswing: How America Came Together a Century Ago and How We Can Do It Again," draws lessons from the a 125-year period of U.S. history spanning from the Gilded Age (characterized by polarization and self-centeredness) to the extended Progressive Era (characterized by diminished polarization and greater concern for the common good) to the post-1960s, which saw the rise again of polarization and self-centeredness.

Putnam dubs this “I-We-I” phenomenon. As he argued in a recent interview with Salon, “America may once again pivot toward a ‘we’ society — more equal, less polarized, more altruistic, less socially fragmented and more attentive to historic, structural inequalities.” In that case, President Biden is the right leader for a potential hinge moment. “Biden is proving to be just what the doctor ordered for a shaken country, focused explicitly on ‘we,’ not ‘I,’” Putnam said. "It’s not just his well-known empathy for people in pain, nor his equally well-known propensity to work across the aisle, but also his ability to adapt to changed political circumstances.”

Ook in ons land is het de hoogste tijd voor de wij-maatschappij. 

Dus voor een stem op GroenLinks-PvdA.