Posts tonen met het label statuscompetitie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label statuscompetitie. Alle posts tonen

vrijdag 13 maart 2026

Over de potentie voor sociale verbetering die klaar ligt om te worden gerealiseerd. En over waarom dat niet gebeurt.

Onze sociale omgeving bestaat enerzijds uit onze persoonlijke relaties, gezinsleden, familie, vrienden buren, collega's. Maar daarbuiten hebben we een wijdere kring van buurtgenoten, dorps- of stadsgenoten, streekgenoten, landgenoten, ja zelfs, de kring van alle medemensen. Want hoewel we al die mensen in die wijdere kring niet persoonlijk kennen, zijn we via allerlei wegen wel van hun bestaan en vaak van hun wederwaardigheden op de hoogte. En we delen met hen een web van onderlinge afhankelijkheden. 

Met buurt-, dorps- en stadsgenoten creëren we een publieke ruimte, die als veiliger, afstandelijker of onveiliger kan worden ervaren. Met landgenoten delen we een democratisch verband, waarin iedereen hoort mee te tellen en houden we dat wel of niet in stand. Of als we in een dictatuur leven delen we een verband dat alles bij elkaar genomen die toestand van overheersing laat voortbestaan of er een einde aan maakt. En met alle medemensen op aarde delen we een verband met oorlogen of vrede of zelfs met een internationale rechtsorde als mogelijke uitkomsten. En met wel of niet de instandhouding van de voorwaarden voor het voortbestaan van de mensheid als uitkomst. 

Dat is het complexe sociale landschap waarin wij ons leven doorbrengen en waarin we een weg proberen te vinden. In die zoektocht zijn we aangewezen op wie we zijn, op wat we kunnen en willen, dat wil zeggen op onze innerlijk tegenstrijdige, en daardoor flexibele, sociale natuur. We zijn een sociale diersoort, die er op geselecteerd is om een sociaal veilige omgeving te zoeken. Die vinden we over het algemeen in dat domein van de persoonlijke en dus vertrouwde relaties. Daarin wordt gemakkelijk ieders gemeenschapsmoraal van iedereen-telt-mee geactiveerd, zodat we elkaar die verlangde sociale veiligheid verschaffen. Er gelden dat wat Homans in 1951 in The Human Group de waarden van de kleine groep noemde. 

Die moraal stond aan de oorsprong van de mensheidsgeschiedenis, toen het voortbestaan zo onzeker was geworden dat onze vroege voorouders alleen door samenwerken en delen konden overleven. Dat kon alleen slagen als iedereen er van uit kon gaan dat met hem/haar rekening zou worden gehouden, ook als het individueel een keer zou tegenzitten. En daar was weer voor nodig dat het rekening houden met anderen als een morele verplichting werd gevoeld. In plaats van als een altijd onzekere uitkomst van een rationele berekening aangestuurd door het individuele eigenbelang. Want die moraal moest daartegen opboksen, tegen het al bestaande vermogen tot onderlinge statuscompetitie, waarin het ieder-voor-zich voorop stond. 

Dat vermogen en de wil tot statuscompetitie staat tot onze beschikking en wordt gemakkelijk geactiveerd als we onze sociale omgeving als onveilig ervaren. En dat is meer het geval hoe meer we bij anderen dat statuscompetitiegedrag of signalen daarvan waarnemen. 

We zijn dus, uitgerust met die sociale flexibiliteit in de huidige maatschappij terechtgekomen. En precies in die wijdere sociale omgeving komt die ons van pas. Ieder van ons zoekt op eigen houtje de beste aanpassing. Die meer uit gemeenschapsgedrag bestaat, hoe meer ik datzelfde gedrag in mijn omgeving waarneem. En meer uit statuscompetitiegedrag, hoe meer dat zich voordoet. 

Met natuurlijk als complicatie dat we over het gedrag van anderen grotendeels heel indirect worden geïnformeerd. We nemen anderen waar in de publieke ruimte, op straat, in het verkeer, in het openbaar vervoer. Maar veel dringt tot ons door via de sociale media en de traditionele media. En al die waarnemingen, die natuurlijk maar een deel zijn van wat we hadden kunnen waarnemen, generaliseren we naar het geheel. En zo komen, vaak onder het expliciete bewustzijnsniveau, tot een inschatting van de veiligheid dan wel onveiligheid van onze wijdere sociale omgeving, die op zijn beurt ons eigen gedrag aanstuurt, in het ene geval meer gemeenschapsgedrag, in het andere geval meer statuscompetitiegedrag.

Maar het zoeken naar wat individueel de beste oplossing is, kan collectief gezien zowel tot een superieure uitkomst leiden, een gemeenschapstoestand, als tot een inferieure uitkomst, een statuscompetitietoestand. Inferieur omdat de onveiligheid van de strijd om status stressvol en ziekmakend is. En omdat die strijd ook de vorm van discriminatie, geweld, oorlog en zelfs genocide kan aannemen.

Oké, dat was de theorie. Nu een blik op de empirie. De aanleiding daartoe is het verschijnen van het rapport In 25-Country Survey, Americans Especially Likely To View Fellow Citizens as Morally Bad van het Pew Research Center. Ik kwam daarop terecht doordat Robert Reich erop attendeerde: Why do Americans hate each other while Canadians love each other?

In een groot aantal landen kreeg een representatieve steekproef van inwoners de vraag voorgelegd hoe ze "de moraal en ethiek" van hun landgenoten beoordelen, van heel goed tot heel slecht. Dat valt op te vatten als een meting van de gemiddelde inschatting van de mate waarin bij de inwoners het gemeenschapspatroon geactiveerd is. 

We zien dat die inschattingen tussen landen sterk uiteenlopen. De Verenigde Staten valt op als het enige land waarin een minderheid, 47 procent, hun landgenoten als moreel en ethisch goed inschat, terwijl dat percentage in Canada, dat met de V.S. een grens deelt van bijna 9000 kilometer, 92 bedraagt. In Nederland vindt 80 procent hun landgenoten moreel en ethisch goed.

Die diversiteit komt overeen met de vergelijkbare vraag in ander onderzoek naar het "interpersoneel vertrouwen", de vraag of in het algemeen andere mensen zijn te vertrouwen. Zie INTERPERSONAL
TRUST ACROSS THE WORLD
. 

Een en ander klopt met de gedachte dat mensen zich over dat wijdere sociale domein altijd op gebrekkige signalen moeten baseren, veel gebrekkiger dan als het gaat om het domein van de persoonlijke relaties. Het is waarschijnlijk ook geen toeval dat mij geen onderzoek bekend is naar hoe mensen de moraal van hun vertrouwde anderen inschatten. Of naar de mate waarin ze vertrouwde anderen vertrouwen. De kringen van persoonlijke relaties berusten immers over het algemeen juist op die moraal en op het onderlinge vertrouwen, vermoedelijk op de basis van selectie- en beïnvloedingsprocessen. Zie ook het bericht Over morele eilandjes in een boze buitenwereld, met onderzoek dat laat zien we in ons dagelijkse persoonlijke leven vooral met moreel gedrag in aanraking komen. En dat we vooral van horen zeggen en via de media over immorele gedragingen te weten komen.

Al met al is het dus vooral die wijdere sociale omgeving waarin wij tegenwoordig ook ons leven doorbrengen die het zo ingewikkeld maakt om de gewenste sociaal superieure gemeenschapstoestand te bereiken. Dat is tragisch, want hoe meer we daar dat immorele, statuscompetitieve gedrag we daar menen waar te nemen, hoe meer we ook zelf, als dat flexibele sociale wezen, daaraan meedoen. 

In dat wijdere sociale domein, van nationale staten en van de wereldbevolking, ligt dus vermoedelijk een aanzienlijke potentie aan sociale verbetering klaar om te worden gerealiseerd. Daar voor zou nodig zijn dat we veel beter over elkaars goede bedoelingen, dus over elkaars bereidheid tot gemeenschapsgedrag, geïnformeerd worden. Diezelfde flexibiliteit zou er dan voor zorgen dat "ons betere ik" geactiveerd wordt.

Maar wat dat betreft valt er van onze huidige media weinig goeds te verwachten.

woensdag 3 september 2025

Waarom ik GroenLinksPvdA stem

Bij mensen kan meer het gemeenschapspatroon van het morele iedereen-telt-mee of meer het statuscompetitiepatroon van het amorele ieder-voor-zich geactiveerd zijn. Als burgers van een democratische nationale staat stemmen ze politiek links als hun gemeenschapspatroon geactiveerd is en politiek rechts als dat het geval is met hun statuscompetitiepatroon. Aanwijzingen daar voor kwamen al voorbij in De rechterflank van het politieke landschap is een uiting van het amorele, statuscompetitieve wereldbeeld. Waarin alles is toegestaan en in Sociaalwetenschappelijk gezien is het politieke landschap gemakkelijk te begrijpen: het ieder-voor-zich leidt tot een sociaal inferieure toestand. 

Daar komen nu nieuwe aanwijzingen bij. In de studie Moral Perceptions in Politics: Ideological Asymmetries in Perceived Moral Obligations and Stereotypical Perceptions Across Leftists and Rightists gaan de onderzoekers na of het klopt dat er inderdaad tussen linkse en rechtse kiezers die morele asymmetrie bestaat. 

Uit de eerste van twee deelstudies komt naar voren dat de ondervraagden, overwegend studenten, bij zes traditioneel linkse issues meer een morele verplichting voelden dan bij zes traditioneel rechtse issues. De linkse issues waren: bescherming van het milieu, gender gelijkheid, rechten van migranten, lhbtqia+ rechten (freedom of sexual expression), sociale rechtvaardigheid en bestrijding van armoede. En de zes rechtse issues: nationale veiligheid, behoud van tradities, bevordering/behoud van de christelijke religie, ordehandhaving, bevordering/behoud van het kapitalistische economische stelsel en individuele vrijheid. Opvallend is dat de eigen politieke voorkeur geen verschil maakt; ook de degenen met een rechtse voorkeur voelen bij de linkse issues meer een morele verplichting dan bij de rechtse issues.

In mijn woorden, bij de linkse issues gaat het om het morele iedereen-telt-mee en dus wordt het morele gemeenschapspatroon geactiveerd, zelfs ook bij degenen met een rechtse politieke voorkeur. En omgekeerd, de rechtse politieke issues appelleren meer aan het ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon en dus minder aan het gevoel van een morele verplichting.

En uit de tweede deelstudie blijkt dat van de ondervraagden, eveneens overwegend studenten, degenen met een rechtse politieke voorkeur bij degenen met een linkse politieke voorkeur meer morele overwegingen veronderstellen dan degenen met een linkse politieke voorkeur bij degenen met een rechtse politieke voorkeur. In mijn woorden: rechts ziet bij links meer het morele iedereen-telt-mee geactiveerd dan links dat bij rechts ziet. Kennelijk doordat bij rechts meer het amorele ieder-voor-zich geactiveerd is. 

Daarmee komt overeen dat degenen met een rechtse politieke voorkeur meer rekening houden met morele afkeuring als het gaat om de linkse politieke issues. Weer in mijn woorden: bij het afwijzen van het iedereen-telt-mee (zoals bij armoedebestrijding en gelijke rechten voor immigranten) hebben ze er een notie van dat dat moreel eigenlijk niet door de beugel kan, - en toch doen ze het.

Kortom, meer aanwijzingen dat het links-rechts spectrum in de politiek een te verwachten uitkomst is van die innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur, waarin het morele gemeenschapspatroon kan overheersen (dus links) of het amorele statuscompetitiepatroon (dus rechts). 

Dat is belangrijk om bij stil te staan. Want de democratie zelf is een uitingsvorm van het morele iedereen-telt-mee. Dat betekent dat je bij politiek links meer een democratische gezindheid kunt verwachten dan bij politiek rechts.

En precies dat inzicht vind je in de hedendaagse politieke actualiteit van dag tot dag bevestigd. 

dinsdag 12 augustus 2025

Sociaalwetenschappelijk onderzoek naar aversief gedrag is in feite onderzoek naar statuscompetitief gedrag

Als onze morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee geactiveerd zijn, dan ervaren we het statuscompetitiegedrag van het ieder-voor-zich als moreel weerzinwekkend. Zie Honderd jaar geleden verscheen Adolf Hitlers Mein Kampf - En over morele weerzinwekkendheid. 

In dat bericht ging ik er, eerlijk gezegd zonder daar diep over te hebben nagedacht, vanuit dat het altijd statuscompetitiegedrag is dat wij moreel weerzinwekkend vinden. Want ik ben in de loop van de jaren steeds meer tot het inzicht gekomen dat het gehele spectrum van het menselijke sociale gedrag van moreel lovenswaardig aan het ene uiterste tot moreel weerzinwekkend aan het andere, samenvalt met dat van gemeenschapsgedrag tot statuscompetitiegedrag. Alle gedrag dat wij bij anderen of bij onszelf goedkeuren of prijzen is volgens dat inzicht gemeenschapsgedrag, waarin iedereen meetelt, en alle gedrag dat wij afkeuren of dat ons tegenstaat, waarin iedereen op zichzelf is aangewezen, is statuscompetitiegedrag.

Maar klopt dat wel? Ja, daar lijkt het wel op. In de pas verschenen studie Reconceptualizing ethically and socially aversive (“dark”) personality traits gaan de onderzoekers na wat er gemeenschappelijk is aan alle persoonlijkheidstrekken die wij ethisch, moreel of sociaal als afstotelijk of weerzinwekkend (aversief) ervaren en benoemen. Het gaat hier om persoonlijkheidstrekken die met een bepaald gedrag samenhangen. In sociaalwetenschappelijk onderzoek kom je ze tegen als de Donkere Drie (psychopathie, narcisme, Machiavellianisme) of, uitgebreid met sadisme, als de Donkere Tetrade. Maar ook andere aversieve trekken zijn onderwerp van onderzoek geweest, zoals hebzucht, egoïsme en kwaadaardigheid. 

Al die trekken verschillen in hun definities, maar hangen gematigd met elkaar samen, met een gemiddelde onderlinge correlatie van .50. Ze zijn de een meer de ander minder voorspellend voor crimineel gedrag, agressie, bedrieglijkheid en gewelddadigheid. Al met al lijkt het erop dat ze een gemeenschappelijke kern hebben, waaromheen ze in bepaalde aspecten verschillen. Zo worden durf en onbevreesd als aspecten van psychopathie genoemd en kwetsbaarheid als een aspect van narcisme, aspecten die we op zich niet als aversief zien. 

Als dat zo is, wat zou dan die gemeenschappelijke kern zijn? De onderzoekers komen dan tot de conclusie dat die kern, de Dark Factor of Personality (D), bestaat uit:

the general tendency to maximize one's individual utility—disregarding, accepting, or malevolently provoking disutility for others—, accompanied by beliefs that serve as justifications.

De algemene geneigdheid tot het maximaliseren van het eigen persoonlijke welzijn -  met inbegrip van het negeren, accepteren of zelfs kwaadaardig nastreven van onwelbevinden van anderen - vergezeld van ideeën die als rechtvaardiging fungeren. 

Zie van dezelfde onderzoekers ook de studie The Dispositional Essence of Proactive Social Preferences: The Dark Core of Personality vis-à-vis 58 Traits, waarin ze met behulp van de sociale waardenoriëntaties tot dezelfde conclusie komen.

En zie de informatieve website D: The Dark Factor of Personality, waar ze de uitkomsten van hun onderzoekslijn samenvatten. Daar vind je ook deze uitgebreidere omschrijving van wat D inhoudt:

  • Individuals with high levels in D will generally aim to maximize their individual utility at the expense of the utility of others. Utility is understood in terms of the extent of goal achievement, which includes different (more or less) visible gains such as excitement, joy, money, pleasure, power, status, and psychological need fulfillment in general. Thus, individuals high in D will pursue behaviors that unilaterally benefit themselves at the cost of others and, in the extreme, will even derive immediate utility for themselves (e.g., pleasure) from disutility inflicted on other people (e.g., pain). Individuals high in D will generally not be motivated to promote other’s utility (e.g., helping someone) and will not derive utility from other’s utility (e.g., being happy for someone).
  • Further, those with high levels in D will hold beliefs that serve to justify their corresponding actions (for example, to maintain a positive self-image despite malevolent behavior). There are a variety of beliefs that may serve as justification, including that high-D individuals consider themselves (or their group) as superior, see others (or other groups) as inferior, endorse ideologies favoring dominance, adopt a cynical world view, consider the world as a competitive jungle, and so on.

En daaruit wordt het nog duidelijker dan het uit het voorgaande al was, dat D slaat op een persoonlijkheid bij wie het statuscompetitiepatroon sterk is geactiveerd. Bij wie het niet alleen gaat om het eigen, persoonlijke nut of welzijn (zo hoog mogelijk), maar ook om het nut of het welzijn van anderen (zo laag mogelijk). Anders gezegd, een persoon met die Donkere Kern ziet zichzelf en anderen in de context van een statushiërarchie, waarin hij zelf een zo hoog mogelijke positie nastreeft, niet alleen door zelf op te klimmen, maar ook door anderen naar beneden te drukken. 

En die persoon acht zijn gedrag volledig gerechtvaardigd, want hij vindt zichzelf en zijn eigen groep superieur aan anderen, hij vindt dat het in het leven gaat om het overheersen van anderen, omdat de wereld een competitieve jungle is, een strijd van allen tegen allen, waarin je alleen maar overwinnaar of verliezer kunt zijn. 

Zoals de wereld die Adolf Hitler schilderde in zijn Mein Kampf. Of zoals de wereld die oprijst uit waarmee Donald Trump dagelijks de media voert. Of zoals de wereld die we bij andere foute leiders, zoals Poetin, Netanyahu en Wilders, tegenkomen.

Gedrag, statuscompetitiegedrag, dat wij moreel weerzinwekkend vinden, doordat en zolang bij ons het gemeenschapspatroon van het iedereen-telt-mee geactiveerd is. 

En ja, het klopt dus dat al dat sociaalwetenschappelijke onderzoek naar aversief, weerzinwekkend gedrag, gedrag dat ons tegenstaat, in feite onderzoek is naar statuscompetitief gedrag.

vrijdag 6 juni 2025

De limitaristen hebben gelijk: zonder een rijkdomsgrens is het iedereen-telt-mee van de gemeenschapstoestand uitgesloten

De morele intuïtie van het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon behelst dat iedereen recht heeft op een menswaardig bestaan en daarmee dat we er met zijn allen voor dienen te zorgen dat niemand in armoede hoeft te vervallen als de middelen voorhanden zijn om zulks te voorkomen. 

De naoorlogse verzorgingsstaat, met sociale zekerheid en gelijke kansen op onderwijs, was een uitwerking van deze morele intuïtie ('de gemeenschap georganiseerd in de staat"). In die uitwerking was ook het inzicht verwerkt dat niet alleen armoede, maar ook excessieve rijkdom moest worden voorkomen. Er was geleerd dat extreme rijkdom niet alleen de democratie in gevaar bracht, maar ook negatieve economische gevolgen had. Ook als er geen armoede is, activeert de mogelijkheid om extreem rijk te worden gemakkelijk het ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon. Dat had geleid tot de extreme zelfverrijking die voorafging aan de Grote Beurskrach van 1929 en de daaropvolgende depressie (Zelfverrijking in de financiële sector en financiële crises). Bovendien zijn er de aanwijzingen dat grote inkomensongelijkheid negatieve sociale gevolgen heeft in de vorm van het aanwakkeren van de statuscompetitie. 

Er zijn kortom goede economische en sociaalwetenschappelijke argumenten om ook als er geen armoede is, grote ongelijkheid en excessieve rijkdom te beperken. Vandaar dat de limitaristen pleiten voor een rijkdomsgrens. De politiek filosoof Dick Tmmer deed dat in het interview in de Volkskrant: Sommige mensen zijn té rijk, zegt filosoof Dick Timmer. En dat gaat om veel meer dan geld alleen. Eerder was er het boek van hoogleraar toegepaste ethiek Ingrid Robeyns: Limitarisme. Pleidooi tegen extreme rijkdom.

Dat inzicht in de noodzaak van een rijkdomsgrens leidde er in die naoorlogse jaren van de opbouw van de verzorgingsstaat toe dat er hoge marginale tarieven waren in de inkomstenbelasting, tot rond de 90 procent voor de hoogste inkomens. Die werden sinds de jaren zeventig stapsgewijs verlaagd, met het argument dat dat juist goed zou zijn voor de economische groei. Veelverdieners zouden er door worden geprikkeld om zich meer in te spannen en dat zou uiteindelijk aan iedereen ten goede komen. 

Maar dat klopt dus niet. Want al dat geld dat bij die rijkeren terechtkomt, wordt gespaard en deels uitgeleend aan de overheid. Die daar rente over betaalt, terwijl dat geld goedkoper door die hogere belastingtarieven had kunnen worden verkregen. Alles wijst erop dat door een groei van inkomensongelijkheid de economische groei stagneert. 

Daar komen de aanwijzingen bij dat een eenmaal in gang gezette toename van inkomensongelijkheid moeilijk meer is te stoppen, doordat het proces zichzelf versterkt. Al weer lang geleden zette ik ze op een rijtje:

  • Opgroeien in armoede in een welvarende maatschappij werkt negatief uit op de hersenontwikkeling die nodig is voor planning en impuls- en aandachtsbeheersing. Die vermogens helpen bij het succesvol volgen van een opleiding. Arm opgroeien verkleint dus de kans op maatschappelijk succes, waardoor armoede wordt doorgegeven aan kinderen.
  • Armoede gaat gepaard met de stress van zorgen over de toekomst en heeft daardoor negatieve effecten op het cognitieve functioneren. Omdat onze maatschappij een groot beroep doet op ons cognitieve functioneren, verkleint armoede dus de kans op maatschappelijk succes.
  • De stress van armoede en lage sociaaleconomische status heeft negatieve gezondheidseffecten en een slechte gezondheid verkleint de kans op maatschappelijk succes.
  • Een hogere sociaaleconomische status maakt mensen egoïstischer. Waardoor ze meer geneigd zijn tot inspanningen om de bestaande ongelijkheid, die in hun voordeel werkt, in stand te houden.
  • Mensen die qua persoonlijkheid aardiger zijn, en dus meer met anderen rekening houden, verdienen minder. Ze zijn minder maatschappelijk succesvol. Omgekeerd: onaardige mensen, die dus egoïstischer zijn, verdienen meer en zijn maatschappelijk succesvoller. En zullen dus meer geneigd zijn om te pogen de bestaande ongelijkheid in stand te houden.
  • Rijken hebben de neiging om bij elkaar in de buurt te gaan wonen (inkomenssegregatie) en vooral met elkaar om te gaan. Dat maakt het makkelijker om opinies te cultiveren die rijkdom moreel rechtvaardigen en die armoede toeschrijven aan individuele en moreel verwijtbare kenmerken ("ze zijn lui"). Waardoor rijken vooral geneigd zullen zijn om de bestaande ongelijkheid in stand te houden.
  • Mensen zijn geneigd om de bestaande ongelijkheid te onderschatten, waarschijnlijk doordat ze er niet goed over zijn geïnformeerd. Daardoor zullen dus degenen die minder ongelijkheid zouden willen, zich minder inspannen om die terug te dringen dan wanneer ze wel goed geïnformeerd waren.
  • Mensen die hun inkomen zien groeien doordat ze geld hebben gewonnen in een loterij, stemmen politiek gezien rechtser. Een inkomenstoename maakt rijker en doet mensen dus bijdragen aan politieke partijen die de bestaande ongelijkheid in stand willen houden.
  •  De rijken zijn machtiger dan de armen. En gevoelens van macht maken mensen minder empathisch. Dus leven rijken zich minder goed in in het lot van de armen. En zullen ze zich dus minder inspannen om dat lot te verlichten.
  • De rijkaards zijn succesvol geweest in de maatschappelijke statuscompetitie. En winnaars in een statuscompetitie hebben de neiging om neer te kijken op de verliezers en hen zelfs te vernederen. En dus om de bestaande ongelijkheid te rechtvaardigen. En verliezers hebben de neiging om zich daarbij neer te leggen in plaats van in opstand te komen.
Bij al die aanwijzingen is er nu de studie Noblesse Oblige? Social Status and Economic Inequality Maintenance among Politicians bijgekomen. De onderzoekers laten zien dat (Amerikaanse) politici met een groter financieel vermogen meer tegen gelijkheidsbevorderende wetsvoorstellen stemden dan hun minder rijkere collega's. Je moet in het Amerikaanse politieke stelsel al flink rijk zijn, of de belangen van rijke vriendjes behartigen, om een verkiezingscampagne te kunnen bekostigen. Maar ook dan nog zijn het de rijksten onder hen die het meest tegen meer gelijkheid stemmen. Dit verband gold overigens alleen voor de Democraten. De Republikeins politici zijn sowieso tegen meer gelijkheid.

Kortom, sociaalwetenschappelijk gezien is er voor het dichterbij brengen van het iedereen-telt-mee gemeenschapsevenwicht niet alleen een armoedegrens, maar ook een rijkdomsgrens nodig.

woensdag 7 mei 2025

Een sociaalwetenschappelijk zicht op het fenomeen van de foute leider - 32 - Over de uitdaging om deze keer wél te leren van wat zich afspeelt

Sociaalwetenschappelijk gezien maken we een tijd door die, naast zeer verontrustend, ook heel leerzaam is. Van dag tot dag zijn er in het nieuws voorvallen en gebeurtenissen die perfect educatief materiaal vormen om te laten zien hoe de innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur in gedrag wordt vormgegeven. We zien de activering van het statuscompetitiepatroon zich voor onze ogen voltrekken in het gedrag van foute leiders en dat van hun volgelingen. En daartegenover zien we als reactie daarop de, nog te voorzichtige, activering van het gemeenschapspatroon. Hier het vorige bericht.

Anders gezegd, we maken een tijd mee waarin de strijd tussen beide patronen manifest is, zich dus aan ons opdringt. En waarin we er niet aan ontkomen onze eigen positie te bepalen.

We zouden daarbij kunnen worden geholpen als dat sociaalwetenschappelijke zicht op die innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur, in de vorm van een algemeen erkend en gevestigd academisch vak, een wijdverbreid inzicht was. Het inzicht dus dat er naast menselijke goedaardigheid ook menselijke kwaadaardigheid bestaat en het inzicht in de voorwaarden waaronder die gedragspatronen wel of niet in een samenleving geactiveerd worden.

Maar dat is dus niet het geval. Het vak sociologie had zich, na die vorige verontrustende en leerzame periode, die van het Hitler-bewind, tot zo'n vak kunnen ontwikkelen. Tot een sociologie die er toe doet. Maar dat is niet gebeurd. Meer daarover in de lopende reeks berichten die begon met Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -1- Waarom moest het zo lang duren? 

Dat dat niet gebeurd is, verklaart waarom de theorie van het vak sociologie een blinde vlek heeft voor het fenomeen van de menselijke kwaadaardigheid. Nadat de gruwelijkheden van het nazi-bewind achter de rug waren, kon het vak weer doorgaan met de bestudering van mens en maatschappij onder de stilzwijgende vooronderstelling dat het statuscompetitiepatroon natuurlijk bestaat, maar toch overheersend alleen onschuldige vormen zal aannemen. Voor zover ik het overzie, bleef de theoretische verwerking van wat er mis was gegaan beperkt tot de Freudiaans geïnspireerde poging van Theodor W. Adorno, Else Frenkel-Brunswik, Daniel Levinson en Nevitt Sanford in hun in 1950 verschenen The Authoritarian Personality om een autoritaire persoonlijkheid te identificeren. Een persoonlijkheid die als gevolg van excessief strenge en bestraffende opvoeding in het bijzonder vatbaar zou zijn voor de neiging om zich te identificeren met en bewondering te hebben voor autoritaire leiders. Het gedrag van die foute leiders zelf werd kennelijk als zoiets unieks gezien dat het buiten de theoretische verwerking bleef.

Erop terugkijkend kon dat gemis aan een sociaalwetenschappelijk zicht lange tijd onopgemerkt blijven, dat wil zeggen, zolang we overwegend alleen te maken hadden met vooral geactiveerd gemeenschapsgedrag en de meer onschuldige vormen van statuscompetitiegedrag. Denk wat dat laatste betreft aan het onderzoeksthema van de relatieve deprivatie, sociale vergelijking en conspicuous consumption (keeping up with the Joneses). 

Dat was de tijd van de opbouw en de instandhouding van de verzorgingsstaat, waarin het iedereen-telt-mee politiek en institutioneel werd vormgegeven. Maar we hebben nu een periode achter de rug waarin het (neoliberale) ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon terrein won. Het bestaan is voor velen onzekerder geworden. Waardoor ruimte ontstond voor opkomst van foute leiders, die zich succesvol als redder in nood kunnen presenteren. De maatschappelijke omstandigheden die die ruimte open legden, werden in de loop van tientallen jaren gecreëerd. Vergelijkbaar met de omstandigheden in het Duitsland van de jaren dertig van de vorige eeuw.

Dus is er nu de uitdaging om nu wél te leren van wat zich afspeelt. Educatief materiaal is er volop. Het biedt zich van dag tot dag aan. Dat ligt eraan dat de foute leider Donald Trump zijn dagelijkse portie  media-aandacht nodig heeft om zich goed te voelen. Dit in tegenstelling tot zijn grote voorganger, de foute leider Adolf Hitler, die zich na de eerste tegenslagen steeds meer terugtrok in de kring van zijn kleine entourage en de openbaarheid schuwde.

Hieronder als in het oog springend voorbeeld van het geactiveerd zijn van statuscompetitiegedrag de video van het interview met de foute leider Donald Trump over de eerste honderd dagen van zijn tweede presidentschap. Het uitgeschreven transcript kun je hier lezen.

  

De interviewer, Terry Morgan van ABC News, staat welwillend tegenover Trump, maar doet zo nu en dan toch een poging om kritisch te zijn. Kijk vooral het hele interview en beleef het geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon in het gedrag van een foute leider. En in het gedrag van de interviewer, die zich onderdanig opstelt.

Ik sta even stil bij wat er na ongeveer zeven minuten gebeurt. Terry Morgan stelt aan de orde dat er onder verantwoordelijkheid van Trump mensen zijn gedeporteerd naar een beruchte gevangenis in El Salvador zonder enige vorm van proces. Dan gaat het over Kilmar Abrego Garcia, waarvan het Hooggerechtshof heeft vastgesteld dat hij ten onrechte is gedeporteerd en dat de regering hem moet terughalen. (Ondertussen is er een rechterlijk vonnis dat alle deportaties onwettig waren en dat de regering-Trump er mee moet stoppen.) Trump houdt vol dat de man een bendelid is en dat zulks zou blijken uit tattoos op zijn knokkels. Eerder liet hij op een persconferentie een foto zien met die tattoos. Terry Morgan brengt daar tegen in dat is vastgesteld dat het om een bewerkte foto ging.

TERRY MORAN: I -- that was Photoshop. So let me just--

PRESIDENT DONALD TRUMP: That was Photoshop? Terry, you can't do that -- he had --

-- he-- hey, they're givin' you the big break of a lifetime. You know, you're doin' the interview. I picked you because -- frankly I never heard of you, but that's okay --

TERRY MORAN: This -- I knew this would come --

PRESIDENT DONALD TRUMP: But I picked you -- Terry -- but you're not being very nice. He had MS-13 tattooed --

TERRY MORAN: Alright. Alright. We'll agree to disagree. I want to move on --

De interviewer wil het dan over iets anders hebben, maar Trump staat erop dat hij, en niet de interviewer, het bij het rechte eind heeft. Hoe doet hij dat? Niet door met argumenten te komen, maar door zijn ondervrager op zijn plaats te zetten. Jij mag blij zijn dat je door mij voor dit interview, the big break of a lifetime, bent uitgekozen. Terwijl ik nog nooit van je gehoord had. Ik koos je uit, maar je bent niet erg aardig. Hij had die tattoos.

Dit is een gespreksfragment dat volledig gedicteerd wordt door het geactiveerde statuscompetitiepatroon.  De foute leider reageert op tegenspraak met het herinneren aan de ongelijke verhouding. Daarin is het ondenkbaar dat de leider wordt tegengesproken. You can't do that. Om door de leider aardig gevonden te worden, moet je hem gelijk geven. In de ogen van de foute leider betekent aardig zijn dat je je onderdanig genoeg gedraagt. Het is hetzelfde woord, maar met een geheel andere betekenis, als het aardig zijn in een horizontale relatie van de gemeenschapstoestand. Wat waar is of niet waar, doet er niet toe. Allesoverheersend is de verticale verhouding, het geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon. Ook bij de lager geplaatste, die zich bij zijn ondergeschiktheid neerlegt.

Het is kortom, educatief materiaal. Dat nu, helaas, ruimschoots voorhanden is. En dus beschikbaar is om het publiek voor te lichten over die innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur en de inferieure maatschappelijke toestand die ontstaat als we het statuscompetitiepatroon ruim baan geven.

vrijdag 28 maart 2025

Als je sociale onveiligheidsgevoelens laat toenemen, dan is activering van het statuscompetitiepatroon het gevolg - meer aanwijzingen

Zoals gezegd, in een democratie kan een foute leider alleen maar aan de macht komen als er genoeg kiesgerechtigden zijn die hem als de redder in nood zien. Die dus in nood moeten verkeren, anders gezegd, die zich bedreigd en onveilig voelen. Het ideale werkterrein van de foute leider is daarom altijd een maatschappelijke toestand van grote onzekerheid, van toegenomen bestaansonzekerheid. 

Die toestand kan door zittende regeringen zijn bevorderd als bij hen het (onjuiste) neoliberale idee heeft postgevat dat het voor de economie beter is als mensen minder zekerheid ervaren. Ze kunnen dan immers gemakkelijker worden geprikkeld om zich meer in te spannen. Regeringen voeren dan een beleid dat de zekerheden van de verzorgingsstaat, de sociale zekerheid, de regulering van de arbeidsomstandigheden, de consumentenbescherming, het door belastingpolitiek beperken van de inkomens- en vermogensongelijkheid, zo veel mogelijk terugdringt. Mensen zijn dan wel gedwongen om meer voor zichzelf op te komen en zich in te spannen, want de risico's zijn groter. Niet alleen valt er voor de winnaars meer binnen te halen, ook kunnen de verliezers lager eindigen. Er komen zowel meer miljardairs, en dus machtigen, als armen en daklozen, en dus machtelozen.

We hebben nu zo'n 40, 50 jaren achter de rug waarin zich dit proces heeft afgespeeld. De verschuiving van het iedereen-telt-mee van de democratische verzorgingsstaat naar het ieder-voor-zich van de door de opkomst van foute leiders bedreigde democratie. 

Vanuit het sociaalwetenschappelijk zicht van dit blog bekeken gaat het dus om een ontwikkeling waarin sociale onveiligheidsgevoelens onder de bevolking zijn toegenomen, waardoor bij meer mensen het statuscompetitiepatroon zal zijn geactiveerd.

Ik probeer zo goed mogelijk het onderzoek bij te houden dat van belang is voor dat sociaalwetenschappelijke zicht, waarvan de kern zoals bekend bestaat uit de de Dual Mode-theorie. Zo is er nu de pas verschenen studie Value Foundations of Conspiracy Thinking: New Evidence From European Democracies. 

In die studie gebruikt Victoria A. Haerter van de Universiteit van Bern data van de European Social Survey (ESS) om o.a. na te gaan of mensen die meer waarde hechten aan samenzweringstheorieën ook meer "zelfverheffingswaarden" aanhangen en juist minder "zelfoverstijgingswaarden". Dat is interessant, want dat waarde hechten aan samenzweringstheorieën zegt iets over hoe sociaal onveilig mensen zich voelen. En het aanhangen van die zelfverheffingswaarden, dus het jezelf verheven voelen boven anderen, zegt iets over het geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon. Net zoals het aanhangen van die zelfoverstijgingswaarden informatief is voor het geactiveerd zijn van het gemeenschapspatroon.

Eerst maar even over die samenzweringstheorieën. De neiging om in samenzweringen of complotten te geloven werd vastgesteld met behulp van deze drie uitspraken waarvan mensen moesten aangeven in hoeverre ze het er mee eens of oneens waren:

A small secret group of people is responsible for making all major decisions in world politics.

Groups of scientists manipulate, fabricate, or suppress evidence in order to deceive the public.

Coronavirus is the result of deliberate and concealed efforts of some government or organization.

Van de drie antwoorden werd het gemiddelde genomen. Het is niet moeilijk om in dat geloof in samenzweringstheorieën een maat te zien voor de sociale onveiligheidsgevoelens die iemand ervaart. Als je overal samenzweringen ziet, dan voel je je bedreigd en dat gaat ten koste van je gevoel van veiligheid.

Die zelfverheffingswaarden en zelfoverstijgingswaarden  zijn onderdeel van de Schwartz Basic Human Value Survey, die standaard in de ESS wordt meegenomen. Zie ook de berichten Alleen in landen met minder sociale zekerheid maakte de Crisis jongeren competitiever en minder universalistisch en Waardenoverdracht ouders-kinderen is vooral genetisch - meer over de mythe van de opvoedbaarheid voor meer daarover. 

Bij die zelfverheffingswaarden gaat het om het willen presteren (succesvol zijn, aan anderen laten zien wat je waard bent) en om het willen uitoefenen van macht (status en prestige, controle hebben, heersen over mensen). We herkennen daarin het geactiveerd zijn van het ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon.

En bij die zelfoverstijgingswaarden gaat het om goedwillendheid (zorg hebben voor de anderen uit je omgeving) en universalisme (zorg hebben voor iedereen en voor het milieu). Daarin herkennen we het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon.

Met dat sociaalwetenschappelijke zicht verwachten we dat het aanhangen van zelfverheffingswaarden, dus het geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon, samengaat met het geloof in samenzweringstheorieën, dus met het ervaren van sociale onveiligheid. En dat blijkt het geval te zijn voor tien van de 20 landen (Nederland, Zwitserland, Finland, Slowakije, Tsjechië, Estland, Litouwen, Ierland, Hongarije en Griekenland). In de overige landen was er geen verband of was het niet statistisch significant.

En we verwachten dat het aanhangen van zelfoverstijgingswaarden, dus het geactiveerd zijn van het gemeenschapspatroon, juist samengaat met het niet geloven in samenzweringstheorieën. Als je vindt dat iedereen hoort mee te tellen, dan zie je de wereld eerder als sociaal veilig. En dat blijkt zelfs op te gaan voor alle landen, met uitzondering van Slovenië, waar statistische significantie niet wordt gehaald.

De uitkomsten bevestigen dus de gedachte dat het wel of niet ervaren van sociale veiligheid sturend is voor het geactiveerd zijn van het gemeenschapspatroon dan wel het statuscompetitiepatroon. 

En wat politici de afgelopen veertig jaar gedaan hebben, is het voeren van een beleid waardoor mensen zich minder sociaal veilig zijn gaan voelen. Waardoor over het geheel genomen meer het statuscompetitiepatroon is geactiveerd. En waardoor er het ideale werkterrein van rechts-extremistische politieke partijen en van foute leiders tot stand is gebracht. 

De sociaal inferieure toestand die we sociaalwetenschappelijk gezien juist met alle macht hadden moeten zien te vermijden.

dinsdag 31 december 2024

Hoe staat het er aan het eind van 2024 sociaalwetenschappelijk gezien voor in Nederland?

Hoe staat het er aan het eind van 2024 sociaalwetenschappelijk gezien voor in Nederland? 

Sociaalwetenschappelijk gezien zou je samenlevingen willen kunnen beoordelen op de plek waar ze zich bevinden op het continuüm van een statuscompetitietoestand (slecht) naar een gemeenschapstoestand (goed). Denk aan Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen. Maar als gevolg van het ontbreken van een normatief kader, hebben sociale wetenschappers nooit een standaardinstrument ontwikkeld om dat te kunnen doen. 

Dit is een opvallend verschil met het vak economie. Economen worden opgeleid en gesocialiseerd in een theoretisch kader waarmee de economie van een land kan worden beoordeeld op zijn "economische prestaties". En ten behoeve daarvan zijn er standaardinstrumenten, zoals het netto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking, het percentage economische groei per jaar en de ontwikkeling van de productiviteit per jaar. Dat alles gemeten in geld. Datzelfde theoretische kader wijst de weg aan waarlangs die prestaties kunnen worden verbeterd, de weg van meer marktwerking en dus van zogenaamde economische hervormingen, zoals privatisering, deregulering, kleinere overheid. 

Met dat uitgewerkte theoretische en normatieve kader hebben economen in het verleden, zeker de afgelopen halve eeuw, een grote invloed gehad op de politiek. Waar sociale wetenschappers weinig tegenin hebben gebracht. Tegenover de bekendheid en vanzelfsprekendheid van "economische hervormingen" hebben pleidooien voor "sociale hervormingen", voor zover ze er al waren, weinig kansen gehad. 

Natuurlijk is die eenzijdigheid van dat economische zicht op wat wenselijk is, opgemerkt. En zijn er, wel meer buiten dan binnen de academische sociale wetenschap, pogingen gedaan om aandacht te vragen voor wat in sociaal opzicht wenselijk is en zou moeten worden bevorderd.

Zo  is er door de onderzoekers van het Centraal Bureau voor de Statistiek het instrument van de "brede welvaart" ontwikkeld. Breed in de zin dat welvaart niet slechts economisch moet worden opgevat, maar ook sociaal. Gebruik makend van bestaande statistieken is een groot scala aan indicatoren bij elkaar gehaald, verdeeld over de acht thema's: subjectief welzijn, materiële welvaart, gezondheid, arbeid en vrije tijd, wonen, samenleving, veiligheid en milieu. Hoewel dat een schat aan informatie oplevert, of juist daardoor, schiet het echter tekort als een specifiek sociaalwetenschappelijk en theoretisch onderbouwd standaardinstrument. Je kunt er niet zomaar de vraag mee beantwoorden waarmee ik begon: Hoe staat het er aan het eind van 2024 sociaalwetenschappelijk gezien voor in Nederland?

Toch zit er in al die onafzienbare hoeveelheid informatie een indicator verborgen die zou kunnen dienen als de kern van zo'n theoretisch onderbouwd standaardinstrument. Ik denk aan "vertrouwen in andere mensen", ook wel interpersoneel vertrouwen genoemd, een van de zes indicatoren onder het thema samenleving. Dat wordt doorgaans gemeten met de vraag: 

Zou je in het algemeen gesproken zeggen dat je de meeste mensen kunt vertrouwen of dat je niet voorzichtig genoeg kan zijn? 

Om de gedachten te bepalen, in de pas verschenen aflevering van Burgerperspectieven van het Sociaal en Cultureel Planbureau zie je dat het aantal Nederlanders van 15 jaar en ouder dat het er mee eens is dat je de meeste mensen kunt vertrouwen zich tussen 1 juli 2021 en 1 juli 2024 rond de 60 procent bewoog. Tot 1 juli 2022 lag het duidelijk daarboven, zelfs tot bijna 70 procent, en na 1 juli 2023 steeds iets daarbeneden. 

Wat zegt dat vertrouwen in andere mensen over de sociaalwetenschappelijke toestand van de Nederlandse samenleving? 

Je mag verwachten dat mensen die vraag beantwoorden met allereerst in hun gedachten de ervaringen die ze in hun persoonlijk leven in de omgang met andere mensen opdoen. Iedereen die antwoordt dat je de meeste mensen kunt vertrouwen, heeft dan kennelijk een sociale omgeving om zich heen die een gevoel van sociale veiligheid verschaft. Je hoeft niet altijd op je hoede te zijn, je hoeft je niet voortdurend krachtiger en stoerder voor te doen dan je in feite bent, je kunt je ook van je kwetsbare kant laten zien, je hoeft niet bang te zijn dat anderen je willen intimideren en op je neerkijken of je willen aftroeven. 

Kortom, je hebt een gemeenschapsomgeving om je heen, waarin je je veilig voelt en waarin je jezelf kunt zijn. Een sociale omgeving dus waarin je weinig wordt geconfronteerd met statuscompetitiegedrag. Daarmee komt overeen dat mensen die meer andere mensen vertrouwen ook meer omgang hebben met familie, vrienden en buren.

En we weten dat dat precies de omgeving is waarin mensen gemakkelijk ook zelf overgaan tot gemeenschapsgedrag. Omdat de menselijke sociale natuur nu eenmaal zo in elkaar zit dat ze dat in een veilige omgeving graag en spontaan doen. Denk aan het onderzoek dat uitwijst dat vertrouwen in anderen en prosociaal gedrag samen op gaan. (Vandaar ook mijn pleidooi om de veelgebruikte term prosociaal gedrag te vervangen door gemeenschapsgedrag, gedrag zoals je dat in een gemeenschap tegenkomt. Anders gezegd: gemeenschapsgedrag doe je samen.) 

Met "vertrouwen in andere mensen" meet je dus niet alleen dat vertrouwen, maar indirect ook het eigen gedrag. Je meet hoever een samenleving zich heeft ontwikkeld in de richting van een gemeenschapstoestand, de toestand dus die het meest tegemoetkomt aan wat mensen in sociaal opzicht kunnen en willen. En andersom, hoever die samenleving zich heeft verwijderd van die tegenovergestelde toestand, die van de statuscompetitie.

De Nederlandse samenleving bevindt zich dus met zo'n 60 procent van de Nederlanders die de meeste mensen vertrouwt, net aan de gunstige kant van het midden tussen gemeenschap en statuscompetitie. Dat is op zich mooi, maar er zou sociaalwetenschappelijk gezien dus nog veel, ja, heel veel, winst zijn te behalen.

Zijn we daarmee op de goede weg? Te oordelen naar de ontwikkeling sinds 2002 lijkt dat het geval. Uitgedrukt in rapportcijfers meldt het CBS dat we zijn gestegen van 5,7 in 2002 naar 6,4 in 2020. Of dat een echte toename is, of een effect van demografische verandering, vergrijzing, zou uitgezocht moeten worden. Er zijn aanwijzingen dat vertrouwen met de leeftijd toeneemt, maar ook aanwijzingen voor het tegendeel.

En we zien daar dat Nederland het beter doet dan de meeste andere landen. Maar Denemarken doet het duidelijk beter.

donderdag 17 oktober 2024

Een sociaalwetenschappelijk zicht op het fenomeen van de foute leider - 4 - De drie-eenheid van zelfbewondering, vijandigheid en onveranderlijkheid

Sociaalwetenschappelijk gezien is het gedrag van de foute leider te begrijpen als voortkomend uit de extreme activering van het statuscompetitiepatroon. Hier het vorige bericht. Die toestand bestaat eruit dat de narcistische zelfbewondering botst met de lastige werkelijkheid dat die bewondering niet, nog niet, door anderen gedeeld wordt. 

Voor anderen zou die botsing aanleiding zijn om dat zelfbeeld wat te corrigeren. Niet zo voor de foute leider. Hij concludeert eruit dat al die anderen nog moeten gaan inzien dat zijn mateloze zelfbewondering volkomen terecht is. Zijn superioriteit dient door iedereen, door "het volk", erkend te worden. En precies dat is de statuscompetitieve drijfveer die aanzet tot het moeten bereiken van de top van de statushiërarchie. En zolang die universele erkenning en bewondering niet bereikt is, leeft de foute leider in een onveilige, vijandige wereld. Want iedereen die hem niet bewondert, of die hem zelfs tegenspreekt en tegenwerkt, is een vijand die geïntimideerd en uitgeschakeld moet worden.

Het sterke punt van deze sociaalwetenschappelijke diagnose is dat het gedrag van de foute leider er gemakkelijk mee kan worden begrepen. In het vorige bericht ging het erover dat het gedrag van Geert Wilders er voorspelbaar door wordt. Iedereen die zijn superioriteit nog niet erkent, is een vijand die geïntimideerd en beledigd dient te worden. De verbale agressie is niet een weloverwogen tactiek, maar welt rechtstreeks op uit die statuscompetitieve emotie van wrok en zich miskend voelen. Zijn politieke gedrag staat geheel in het teken van de wens om eens de alleenheerschappij te bereiken. Al het andere is daaraan ondergeschikt.

Daarmee wijst de diagnose ook op het opvallende verschijnsel van de onveranderlijkheid van het gedrag van de foute leider. De narcistische zelfbewondering sluit uit dat er ooit corrigerende informatie tot hem kan doordringen. Waardoor groei en persoonlijke ontwikkeling niet tot de mogelijkheden behoort. Want alles wat hij uit de realiteit oppikt, bevestigt wat hij al wist: zijn eigen superioriteit en de vijandschap van de boze buitenwereld die hem tegenspreekt.

Dat verband tussen het wereldbeeld van vijandschap en de onveranderlijkheid van gedrag is een belangrijk sociaalwetenschappelijk inzicht, dat naar mijn smaak toch te weinig aandacht krijgt. Ik denk dat het voor het eerst tot mij doordrong toen ik het artikel Social interaction basis of cooperators' and competitors' beliefs about others van de sociaal psychologen Harold H. Kelley en Anthony J. Stahelski onder ogen kreeg. Ik schreef daar eerder over in het bericht Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (2): samenwerking, competitie en het gedrag van anderen. 

Kelley en Stahelski lieten proefpersonen keuzes maken in een zogenaamd herhaald gevangenendilemma. (In dat bericht vind je meer uitleg.) Daarin kunnen mensen ervoor kiezen om wel of niet samen te werken. Als je samenwerkt, draag je bij aan de gezamenlijke opbrengst. En als je niet samenwerkt, draag je daar niet aan bij, maar profiteer je wel van diezelfde gezamenlijke opbrengst. Hoewel dat volgens de rationale keuzetheorie niet de beste keuze is, kiezen veel proefpersonen er voor om samen te werken, hoewel ze dus het risico lopen dat anderen, de afvalligen, dat niet doen, maar wel meeprofiteren. 

Wat daar precies aan de hand is, wordt duidelijk doordat de onderzoekers de proefpersonen van te voren ondervroegen over wat ze in het dilemma wilden nastreven. Het bleek toen dat degenen die voor samenwerking kozen ook precies die samenwerking op het oog hadden. Ze streefden naar een voor iedereen zo hoog mogelijke opbrengst. Daarentegen hadden de afvalligen juist de competitie op het oog. Ze waren alleen in hun eigen opbrengsten geïnteresseerd. 

Bovendien bleek dat de afvalligen een competitief wereldbeeld hadden: ze verwachtten dat anderen ook alleen maar in hun eigen opbrengst waren geïnteresseerd en dus graag profiteerden van de samenwerking door anderen. Terwijl de samenwerkers ervan uitgingen dat er naast afvalligen ook andere samenwerkers zouden zijn. Daardoor begonnen ze met te kiezen voor samenwerking en stopten ze daar pas mee als bleek dat anderen daar niet aan mee deden. 

Het gevolg daarvan was dat de afvalligen in hun wereldbeeld bevestigd werden. Ze merkten immers dat hun afvallige gedrag met gelijke munt werd terugbetaald. Dat er anderen zouden kunnen zijn die uit waren op een zo hoog mogelijke gezamenlijk opbrengst, kon niet tot hen doordringen. Daarentegen leerden de samenwerkers dat er ook andere samenwerkers bestonden.

Conclusie: er zijn mensen die de wereld als competitief en dus vijandig zien en die door hun eigen gedrag en de reacties daarop voortdurend in dat wereldbeeld worden bevestigd. Met als onvermijdelijke uitkomst de onveranderlijkheid van hun gedrag.

En precies dat wereldbeeld en die onveranderlijkheid van gedrag treffen we dus aan bij foute leiders.

Ik moest meteen denken aan die treffende karakterisering door Sebastian Haffner van het schoolvoorbeeld van de foute leider, Adolf Hitler. Ik haalde die aan in het bericht Het Hitler-bewind sociaalwetenschappelijk bekeken: de persoon (met paginaverwijzingen naar Kanttekeningen bij Hitler):  

De karaktertrek waaruit dit streven (naar alleenheerschappij) voortkwam noemt Haffner op drie plaatsen in het boek (58, 139 en 141) bindingsangst, ook omschreven als vrees voor het definitieve, en, door Frits Boterman in het nawoord, als de angst om zich vast te leggen. Haffner denkt dat die bindingsangst samenhing met:

zijn bewondering voor zichzelf (...) Omdat hij zich als onfeilbaar beschouwde en blindelings op zijn intuïtie vertrouwde, kon hij geen instellingen scheppen die hem in de weg zouden zitten; en omdat hij zich als onvervangbaar beschouwde en zijn hele programma in ieder geval tijdens zijn leven gerealiseerd wilde zien, kon hij niets planten dat tijd nodig had om te groeien, kon hij niets aan zijn opvolgers toevertrouwen, zelfs niet eens voor opvolgers zorgen (de gedachte aan opvolgers had hij altijd opvallend onplezierig gevonden). (139)
Die bewondering voor zichzelf noemt Haffner ook:
een totaal gebrek aan vermogen tot zelfkritiek. Hitler was zijn hele leven lang buitengewoon met zichzelf ingenomen en daardoor altijd tot zelfoverschatting geneigd. Stalin en Mao hebben de cultus rond hun persoonlijkheid gebruikt als een politiek instrument, zonder zichzelf een rad voor de ogen te laten draaien. Hitler was niet alleen het onderwerp van de Hitlercultus, hij was er ook de vroegste, hardnekkigste en vurigste aanhanger van. (15)
 Dat gebrek aan zelfkritiek kan er de oorzaak van zijn dat er bij Hitler
geen sprake (is) van een ontwikkeling en rijping van zijn karakter of persoonlijkheid. Zijn karakter ligt al vroeg vast - een betere formulering is misschien 'loopt al vroeg vast' - en blijft op een verbazingwekkende manier altijd dezelfde; er wordt niets meer aan toegevoegd. Een weinig innemend karakter overigens. Alle zachte, vriendelijke en verzoenende trekken ontbreken, tenzij men zijn contactschuwheid, die soms op schuchterheid lijkt, als een verzoenende karaktertrek wil beschouwen. Zijn positieve eigenschappen - wilskracht, durf, dapperheid, uithoudingsvermogen - behoren alle tot de 'harde' kant. En dat geldt al helemaal voor zijn negatieve eigenschappen: meedogenloosheid, wraakzucht, trouweloosheid en wreedheid. (14)

Ziedaar de drie-eenheid van zelfbewondering, vijandigheid van en tegenover de wereld en onveranderlijkheid van gedrag. In het vervolg meer over die drie-eenheid bij andere foute leiders. Hier het vervolg.

donderdag 10 oktober 2024

Een sociaalwetenschappelijk zicht op het fenomeen van de foute leider - 3 - Kijken in Wilders' hoofd

Uit de kern van het sociaalwetenschappelijke zicht op het fenomeen van de foute leider (zie het vorige bericht) valt als eerste op te maken dat de foute leider als hij de politiek binnenkomt, niet zomaar een van de politici wil zijn, maar dat hij meteen een leidersrol ambieert. 

Hij is dan al zo van zichzelf vervuld, dat hij het slecht verdraagt om tussen gelijken, laat staan onder een andere leider, zijn werk te doen. Hij zal dus al vroeg in zijn politieke loopbaan een eigen partij oprichten of een bestaande partij overnemen en in beide gevallen er voor zorgen dat hij daar de alleenheerschappij uitoefent. Hij wil natuurlijk uiteindelijk de alleenheerschappij over de nationale staat, de top van de statushiërarchie, maar al op de weg daarnaartoe kan er natuurlijk maar één alleswetende gids zijn, hijzelf. Hij verzamelt dus mensen om zich heen, niet als gelijken en medestanders, maar als volgelingen. Volgelingen, die zijn superioriteit erkennen, aan hem loyaal zijn en niet zelf een rol op de voorgrond ambiëren. 

Dat alles is goed te begrijpen als het gedrag dat voortkomt uit de extreme activering van het statuscompetitiepatroon en dus de afwezigheid van het gemeenschapspatroon. Toevallig viel vanochtend mijn oog op deze passage in het Volkskrant-artikel Faber neemt een grote politieke gok, tenzij mislukking deel is van het plan:

Als Wilders snel concrete resultaten wil, is het logischer om met spoed aan gewone wetgeving te werken, hoewel daarbij het risico bestaat dat beide Kamers dan toch langer over het wetgevingstraject gaan doen dan Wilders wenselijk acht.

Als de PVV-leider vooral aan zijn kiezers wil laten zien dat hij er alles aan doet en dat anderen moeilijk doen over strenger asielbeleid, dan passen tegenstribbelende NSC-ministers en bezorgde Eerste Kamerleden gewoon in het scenario dat nu eerst helemaal moet worden uitgerold.

Niemand op het Binnenhof die in Wilders’ hoofd kan kijken, dus niemand die weet hoe het nu verder gaat.

Als iedereen op het Binnenhof sociaalwetenschappelijk geïnformeerd zou zijn, dan zou iedereen wel degelijk in Wilders' hoofd kunnen kijken. Want alles wijst erop dat zich daarin niets anders afspeelt dan de werking van de statuscompetitieve drijfveer. Alles staat in het teken van het bereiken van de alleenheerschappij. Die heeft hij al in zijn eigen "eenmanspartij", maar nu moet ook de logisch volgende stap worden gezet: de alleenheerschappij over de nationale staat. Zoals zijn vriend Orbán die in Hongarije heeft gezet. Zoals de door hem bewonderde Poetin die in Rusland heeft gezet. Zoals de door hem bewonderde Trump die in de Verenigde Staten zou willen zetten.

Dar verklaart ook zijn wezenlijke desinteresse in het politieke handwerk. In inhoudelijke debatten over de actuele problemen van klimaatcrisis, natuur, mestcrisis, woningnood, armoede. Zijn fractie, die niet bestaat uit zelfstandige politici, maar uit volgelingen van de leider, blinkt uit door afwezigheid bij belangrijke debatten in de Tweede kamer. Wilders wil helemaal niet bijdragen tot het oplossen van die problemen. 

Hij wil bij de volgende verkiezingen nog groter worden. En omdat hij ook wel inziet dat het bereiken van de absolute meerderheid niet realistisch is, wil hij alvast de bestaande mogelijkheden benutten om de democratie buiten spel te zetten. Daarom wil hij een asielcrisis uitroepen, zodat noodwetgeving mogelijk wordt. Niet om een probleem op te lossen, maar als eerste stap naar het einddoel: de alleenheerschappij. 

Weg met die democratie, waarin je met anderen als gelijken moet omgaan. In dat statuscompetitieve patroon past ook perfect de verbale agressie die we van Wilders zo goed kennen en die met hem de politiek is binnengekomen. Hier het vervolg.

vrijdag 4 oktober 2024

Geneigdheid tot gemeenschapsgedrag dan wel statuscompetitiegedrag af te lezen aan gelaatsuitdrukkingen

Als de tegenstelling tussen het gemeenschapspatroon en het statuscompetitiepatroon zo fundamenteel is voor het sociale leven, dan zou je verwachten dat mensen zo zijn geëvolueerd dat ze gemakkelijk bij anderen de neiging tot het ene dan wel het andere patroon kunnen herkennen. Dat is immers van belang voor het bepalen van hoe je je het beste tegenover iemand kunt opstellen. Dit geldt natuurlijk in het bijzonder voor anderen die je nog niet goed kent. Van anderen die je al langer kent, ben je al veel te weten gekomen over hun gedrag.

Het vele onderzoek dat die verwachting bevestigt, komt aan de orde in de pas verschenen studie What Your Face Says: How Signals of Communion and Agency Inform First Impressions and Behavioural Intentions. Daarin gaat er over wat mensen aan de gelaatsuitdrukking van onbekenden aflezen over hun geneigdheid tot communal behavior dan wel tot agentic behavior. In de sociaalwetenschappelijke literatuur wordt met dat eerste gedoeld op gedrag dat met het welzijn van anderen rekening houdt, terwijl het tweede slaat op gedrag dat primair op het eigen welzijn gericht is. Zie bijvoorbeeld Agency and communion from the perspective of self versus others.  

Communal behavior komt dus sterk overeen met wat ik gemeenschapsgedrag noem, terwijl agentic behavior, afhankelijk van hoe het wordt gemeten, overeenkomt met wat ik statuscompetitiegedrag noem. In het pas verschenen onderzoek dat ik hierboven noem wordt communal voor de proefpersonen omschreven als "being sociable and warm with others" en agentic als "being efficient and competent". Bij die laatste omschrijving is er natuurlijk maar weinig overeenkomst met het statuscompetitiepatroon.

Uit eerder onderzoek blijkt dat mensen bepaalde gelaatstrekken associëren met gemeenschapsgedrag en andere trekken met statuscompetitiegedrag. Op basis daarvan kon een database worden ontwikkeld met 40 neutrale gezichten met een gemeenschapsvariant en een statuscompetitievariant. Een voorbeeld zie je hieronder.

Rechtsboven zie je de gelaatsuitdrukking die sterk wordt geassocieerd met het gemeenschapspatroon en linksboven de tegenovergestelde uitdrukking. En rechtsonder de uitdrukking die sterk met "being efficient and competent" wordt geassocieerd en linksonder de daaraan tegengestelde uitdrukking. Een en ander houdt in dat je de tegenstelling van het gemeenschapspatroon en het statuscompetitiepatroon eigenlijk alleen terugvindt in de bovenste rij gezichten; links statuscompetitie, rechts gemeenschap.. 

De onderzoekers vroegen proefpersonen o.a. hoe positief of negatief  (how pleasant, how desirable, how bad/good) ze de gelaatsuitdrukking beoordeelden. Zoals te verwachten kwam daaruit naar voren dat die beoordelingen vooral werden bepaald door de mate waarin het gemeenschapspatroon tot uitdrukking kwam: rechtsboven positief, linksboven negatief. Als we iemand nog niet kennen, zijn we vooral gericht op het herkennen van aanwijzingen voor de geneigdheid tot oftewel gemeenschapsgedrag dan wel statuscompetitiegedrag en zijn we uiteraard positief over de eerste en negatief over de tweede. 

Onbekendheid met iemand schept ambivalentie en dus een zekere mate van onveiligheid. Dat lossen we graag zo snel mogelijk op en daar zijn we kennelijk, waarschijnlijk vaak al onbewust, goed toe in staat. 

En dat gelaatsuitdrukkingen ons iets vertellen over de het geactiveerd zijn van een gedragspatroon is natuurlijk niet verrassend. Beide patronen zijn immers een lichamelijke, neurofysiologische toestand. Als het gemeenschapspatroon geactiveerd is, dan bevinden we ons in de neurofysiologische toestand van sociale betrokkenheid en die toestand is aan ons af te lezen. Net zo als de vecht-toestand van het geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon.

woensdag 21 augustus 2024

Joseph Stiglitz over wat nodig is voor de overgang naar een nieuw gemeenschapstijdperk - 3 . Van een economische naar een sociaalwetenschappelijke aanpak.

Zoals gezegd, zie het vorige bericht, Stiglitz is econoom,  maar niet van het soort dat de vraag naar wat een goede maatschappij is, reduceert tot de vraag hoe je de perfecte markt het beste benadert. We zagen al dat aan de drie eisen die hij aan een goede maatschappij stelt, het morele gemeenschapsbeginsel van het iedereen-telt-mee ten grondslag ligt. Dat beginsel valt sociaalwetenschappelijk te onderbouwen. Denk aan Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen. 

Dat die onderbouwing gemaakt kan worden, betekent dat dat beginsel wijd verbreid zal zijn in wat mensen denken en voelen over wat een goede maatschappij is. Het is niet altijd even expliciet, maar mensen herkennen het, cognitief en emotioneel, als ze er mee in aanraking komen. 

Neem nu de toespraken op de Democratische Conventie in Chicago die deze dagen plaatsvindt. En de enthousiaste reacties in de zaal. Neem de toespraak van Barack Obama, waarin wel heel duidelijk dat morele beginsel verwoord wordt, evenals het contrast met het tegengestelde, statuscompetitieve beginsel van het ieder-voor-zich van Trump en de Republikeinen. Zack Beauchamp staat er bij stil op Vox (What Barack Obama’s DNC speech was actually about). Die toespraak was meer dan alleen van partijpolitieke betekenis:

It was a philosophical brief in defense of liberalism, a kind of first-principles moral argument that no other major convention speaker offered.

Liberal, in this context, does not refer to the term’s use in partisan American politics. It refers instead to the centuries-old philosophical tradition that sees politics as fundamentally oriented around the values of freedom and equality. Government, for liberals, exists to enable people to live according to their own vision for their lives; it has no business telling people what god to worship or giving certain groups of people more rights than others. (...)

Like many, Obama sees Trump’s divisive political style as opposed to liberalism’s core principle of equality: that all citizens deserve to be treated equally, each free to pursue a good life in the way they see fit (as long as they don’t hurt others in doing so).

Trump, Obama says, draws an elemental distinction “between the real Americans, who of course support [Trump], and the outsiders who don’t.” And that Trump and his allies believe “one group’s gain is another group’s loss,” and that “freedom means the powerful can do pretty much whatever they please.”

De hele toespraak is hier te volgen.

Terug naar Joseph Stiglitz. Die zich dus als progressieve (liberal) econoom afvraagt aan welke eisen de goede maatschappij hoort te voldoen. En die constateert dat hij niet (meer) tevreden is met de standaard economische aanpak, die van 'het marktfalen". In die aanpak vertrek je in elke analyse vanuit de overtuiging dat de markt de beste oplossing zou zijn voor welk probleem dan ook en ga je vervolgens op zoek naar omstandigheden waaronder die oplossing niet werkt. Die zoektocht leidt dan naar vormen van marktfalen, zoals het bestaan van externaliteiten, van publieke goederen, natuurlijke monopolies en informatie asymmetrie. Zie ook Het misverstand dat in "de economie" alles draait om concurrentie. 

En als zo'n vorm van marktfalen is gevonden, moet vervolgens de beste oplossing gevonden worden. Die houdt eigenlijk altijd in dat de overheid iets moet doen: wetgeving of zelfs overheidsproductie. Maar daarbij zijn economen graag terughoudend, want ze zijn er dan snel bij oom ook allerlei vormen van "overheidsfalen", zoals bureaucratie en stemmenruil (logrolling), aan te wijzen.

Stiglitz zegt daarover dat hij die aanpak in het verleden veel heeft gebruikt, maar dat hij er nu zijn bedenkingen bij heeft:

But I have come to realize that in many contexts, other, non-market institutional arrangements—including governments—have worked very well. Indeed, so well that I have been convinced that we shouldn't necessarily give priority to markets. This is especially the case in certain sectors—education, health, caring for the aged, and more broadly, the growing “care” part of our economy. (...)

When we go beyond textbook economics and think about the actual functioning of the
market economy—the inequalities that it generates, the exploitation by the tobacco and
food industries, the devastation to the environment, the opioid and financial crises, the
depressions and recessions, and so forth—we see a world in which markets exhibit
deep flaws and have severe limitations. We have a mindset that even though the market
fails in all of these respects, an economy based solely on for-profit firms maximizing
shareholder value should still be our paradigm. I find that a bit paradoxical. We’ve put
markets on a pedestal that they don’t deserve; perhaps it’s time to remove them from
that pedestal.

We need to take a more open approach to institutional arrangements. We should ask
ourselves: What institutional arrangements really work? And if they’re not working, how
do we reform them to make them work better?

I acknowledge that designing institutions is difficult. And what we're calling for here, a
change in the system, is particularly difficult because it means changes in many of the
pieces all at the same time.

Kortom, als we een goede maatschappij vorm willen geven, dan moeten we dat veel meer met een open mind doen dan economen gewend zijn. Daar komt bij dat wij mensen niet alleen onze samenleving vorm geven, maar dat wij ook zelf door de samenleving gevormd worden. Als we de samenleving vormen naar het model van de markt, waarin het ieder-voor-zich geldt, dan gaan wij ook dat ieder-voor-zich als richtinggevend omarmen. En daarmee verdwijnt het iedereen-telt-mee als grondslag voor delen en samenwerking, naar de achtergrond. Denk weer aan de Dual Mode-theorie.

If our economic system encourages people to be selfish and greedy and amply rewards those who behave that way, more people will be selfish and greedy.

If more institutions are based on cooperation, we are more likely to wind up with more
cooperative people.

In feite maakt de econoom Stiglitz daarmee de overstap naar een sociaalwetenschappelijke aanpak van wat een goede maatschappij is. Een aanpak dus waarin mensen geneigd kunnen zijn tot statuscompetitiegedrag van ieder-voor-zich, maar ook tot het gemeenschapsgedrag van iedereen-telt-mee. Met het inzicht dat een gemeenschapstoestand waarin iedereen meetelt voor mensen beter uitpakt.

dinsdag 20 augustus 2024

Een ontstane statushiërarchie hoeft weinig te maken te hebben met de werkelijke, onderliggende verdeling van vaardigheden en competenties

Het statuscompetitiepatroon, als een complex van toestanden van voorbereid zijn, moet al heel vroeg in de evolutie zijn ontstaan. Want soortgenoten zijn elkaars concurrenten in de strijd om het bestaan (voedsel, veiligheid) en kansen op reproductie. Er moet dus ook al heel vroeg een selectie zijn geweest op de meest passende toestanden van voorbereid zijn en de bijbehorende vaardigheden. 

Het is ook precies die selectie waardoor we spreken van statuscompetitie in plaats van competitie. Want de conflicten waar die competitie toe leidt, kunnen de vorm aannemen van gewelddadige strijd en het daarin verwikkeld raken is riskant en levensbedreigend. Het maakt dan uit hoe vaardig je bent in het vooraf inschatten van de onderlinge krachtsverhoudingen en dus van de kans op een overwinning. Je kunt dan immers kansloze gevechten uit de weg gaan en kansrijke gevechten juist aangaan. Als binnen een soort iedereen op die vaardigheden is geselecteerd, dan zul je weinig gewelddadige strijd zien. 

Maar dat creëert als volgende stap een toestand waarin het uitmaakt of je in staat bent om die inschatting van de krachtsverhoudingen door concurrenten in voor jouw gunstige zin te beïnvloeden. En dus de vaardigheid om "statussignalen" af te geven, om de indruk te wekken dat jij sterker, slimmer, machtiger bent dan je in feite bent. De vaardigheid dus om je tegenstander te intimideren. Door "statusvertoon". En dan is de daadwerkelijke competitie een statuscompetitie geworden. Wie kan het beste kracht voorwenden? Wie is het meest overtuigend in het intimideren, in het zelfverzekerd overkomen? En wie is het beste in het doorzien van die intimidatie?

Met weer als daaropvolgende stap: wat zijn de gevolgen voor het eigen gedrag van het winnaar of verliezer zijn? Want als je winnaar bent geweest, dan zou dat kunnen uitmaken hoe je eigen vaardigheden in het intimideren inschat. Misschien ga je in een volgende ontmoeting zelfverzekerder de (status)strijd aan. En andersom, hoe werkt een nederlaag door? Neem je in een volgende ontmoeting al bij voorbaat je verlies? Ben je gedemoraliseerd? En zijn dat de gedragingen die samen gaandeweg een statushiërarchie tot stand brengen?

Met die laatste stap zijn we beland in het biologische en sociaalwetenschappelijke onderzoeksveld van de winnaars- en verliezerseffecten. Een fraai overzicht daarvan geeft de pas verschenen studie Winner and Loser Effects and Social Rank In Humans van Noah M.T. Smith en Reuven Dukas. Waarin het er ook over gaat hoe je die effecten in onderzoek precies vaststelt. Want als je waarneemt dat iemand na een overwinning in een volgende ontmoeting wederom wint, dan zou het ook kunnen zijn dat die persoon gewoon meer beschikt over de vaardigheden om te winnen. In plaats van dat hij door die eerste overwinning zelfverzekerder is geworden. Hoe stel je dat laatste vast?

Dat gebeurt bijvoorbeeld in de studie Winner and loser effects in humans: evidence from randomized trials van dezelfde onderzoekers. Die lieten in twee deelstudies proefpersonen twee keer aan een video game en aan een leesvaardigheidstest deelnemen. Na de eerste keer kregen die at random te horen dat hun score in vergelijk met die van andere deelnemers oftewel opvallend hoog was oftewel opvallend laag. Daarna scoorden de "winnaars" van de eerste keer de tweede keer significant hoger dan de "verliezers" van de eerste keer. Daarmee waren dus het winnaarseffect en het verliezerseffect aangetoond. 

Het een keer gewonnen hebben, maakt de kans groter dat je daarna weer wint. Het vergroot je zelfvertrouwen. En het een keer verloren hebben, vergroot de kans dat je daarna weer verliest. Je wordt er door ontmoedigd.

Dat betekent dat er een statushiërarchie tot stand kan komen, die weinig te maken hoeft te hebben met de werkelijke, onderliggende verdeling van vaardigheden en competentie.

dinsdag 18 juni 2024

De potsierlijkheid van het narcistisch wereldbeeld aan de wereld getoond - Everything Donald Trump Is an Expert In, According to Him | NowThis

Dit dateert al weer van vijf jaar geleden. Een compilatie van fragmenten waarin Donald Trump, toen nog president, zijn overtuiging uitspreekt dat niemand meer weet van onderwerp X dan hij. In de toelichting die Now This erbij geeft, wordt opgesomd over welke onderwerpen Donald Trump meer zegt te weten dan wie dan ook:

President Donald Trump claims to be an expert in a lot of things. This compilation video collected many of his boasts about his alleged expertise. In the video, Trump says he knows more than anybody about taxes, income, construction, campaign finance, drones, technology, American history, infrastructure, ISIS, environmental impact statements, Facebook, renewable energy, polls, courts, steel workers, golf, banks, trade, nuclear weapons, tax laws, law suits, money, debt, politicians,

 

Het is natuurlijk uiterst vermakelijk om al de fragmenten aan je voorbij te laten gaan. Narcisme is de meest extreme vorm van die ene helft van het statuscompetitiepatroon, die van het ingenomen zijn met zichzelf, zich verheven voelen over anderen en daarmee de positie claimen van de top van de statushiërarchie, die van de ultieme overheerser. Jouw verhevenheid en alwetendheid verlossen je van alle mogelijke externe belemmeringen. Er is geen werkelijkheid die jou nog u in de weg kan staan, noch zijn er andere personen die daar toe in staat zijn. 

Als je dit vermakelijk vindt, dan ligt dat eraan dat je ernaar kijkt met de blik van het gemeenschapspatroon. Want met die blik kijk je naar de wereld met respect voor de werkelijkheid en voor anderen. Je hebt inzicht in de beperkingen van je kennis van de wereld en dus ben je erop ingesteld om te leren van je ervaringen en van inzichten van anderen.  En je ziet anderen als gelijken, met de gedeelde menselijke waardigheid van het iedereen-telt-mee. Je kijkt dan naar het gedrag van een narcist met ongeloof, meewarigheid en geamuseerdheid.

Dat laatste zorgt ervoor dat een narcist in het domein van de persoonlijke relaties altijd tegen grenzen aanloopt. Blijken van superioriteitsgevoelens worden daar niet geaccepteerd. Er wordt met bespotting op gereageerd. En als het mogelijk is, wordt het contact vermeden.

Maar in het publieke domein krijgt de narcist volop kansen. Het kan dan immers gebeuren dat zijn overtuigingskracht, die voortkomt uit zijn zelfverzekerdheid, bij zijn publiek die andere helft van het statuscompetitiepatroon weet uit te lokken, die van de bewonderende onderdanigheid. Zeker als zijn toehoorders hun wereld als onveilig ervaren, zijn ze gevoelig voor die overtuigingskracht. De narcist wordt dan de verlosser. Waar je je hoop op vestigt dat hij voor jou voor betere tijden zal zorgen. 

Uiteraard vergeefs, want de narcist is uitsluitend in zichzelf geïnteresseerd. En in zijn naïviteit, zijn gebrek aan zelfreflectie, maakt hij daar ook geen geheim van. Denk aan Trump die in een campagnespeech uitroept: ’I Don't Care About You... I Just Want Your Vote’. En denk aan Adolf Hitler, die wilde dat het hele Duitse volk samen met hem ten onder moest gaan.

Dat de narcist in dat publieke domein zijn kansen krijgt, vraagt natuurlijk om tegenwicht. Zijn vermogen tot betovering van volgelingen, die persoonlijkheidscultus, is ronduit gevaarlijk. 

In een nog functionerende democratie horen de media voor dat tegenwicht te zorgen. Door er voor te zorgen dat het publiek dat narcistische gedrag leert te doorzien. 

Een manier om dat voor elkaar te krijgen is het tonen van de potsierlijkheid van dat narcistische wereldbeeld. Zoals door al die zichzelf lof toezwaaiende uitspraken, die elk apart voor sommigen misschien nog een greintje overtuigingskracht hebben, achter elkaar te zetten. 

Dat moet zelfs een fervente volgeling met nog enige realiteitszin aan het denken zetten.

woensdag 1 mei 2024

Meer onderzoek over het belang van de door kinderen ervaren sociale veiligheid in het gezin voor de kans op gemeenschapsgedrag

Hoe komt het dat we in vrijwel alle hedendaagse menselijke samenlevingen een mix waarnemen van gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag? 

Dat ligt er natuurlijk aan dat beide gedragspatronen nu eenmaal deel uitmaken van de menselijke sociale natuur. Die twee patronen liggen klaar om geactiveerd te worden. In een sociaal veilige omgeving, dat wil zeggen een omgeving waarin gemeenschapsgedrag veel voorkomt, wordt het gemeenschapspatroon geactiveerd. En in een sociaal onveilige omgeving, dus waarin veel statuscompetitiegedrag voorkomt, is het statuscompetitiepatroon een passend antwoord, waardoor dat geactiveerd wordt. Anders gezegd, beide patronen versterken zichzelf. Zie voor meer uitleg Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

Die mix van de twee gedragspatronen is er doordat beide sociale omgevingen, de veilige en de onveilige, in onze huidige samenlevingen voorkomen. En omdat we weten dat een sociaal veilige samenleving, waarin dus overwegend gemeenschapsgedrag geactiveerd wordt, beter uitpakt voor menselijk welzijn en gezondheid, is het dus een belangrijke opdracht om die sociale veiligheid te bevorderen. 

Een van de wegen waarlangs we dat kunnen doen, bestaat eruit dat we er zo goed mogelijk voor zorgen dat kinderen opgroeien in een sociaal veilige omgeving. En in onze samenleving bestaat die omgeving voor het grootste deel uit die van het gezin. (Een andere weg bestaat eruit er voor te zorgen dat gezinnen minder sociaal geïsoleerd zijn en dus meer contacten onderhouden met familie, grootouders, vrienden en buren.) 

Nu is er al veel sociaalwetenschappelijk onderzoek dat wijst op het belang van een sociaal veilige opgroei-omgeving voor de ontwikkeling van kinderen en hun welzijn later in het leven. Denk alleen maar aan de grote rol die vroege sociale onveiligheid speelt in de kans om een of meer psychische aandoeningen te ontwikkelen. Maar ik probeer bij te houden wat daar zoal voor nieuw onderzoek bijkomt.

Zo is er nu de nieuwe studie Developmental antecedents of adherence to masculinity norms: A 9-year longitudinal study of urban Chinese families, waarin de onderzoekers een groep kinderen in het Chinese Nanjing volgden vanaf de geboorte tot ze tien jaar waren. Ze waren er in geïnteresseerd of het onderschrijven van mannelijkheidsnormen op tienjarige leeftijd beïnvloed werd door het onderschrijven van de traditionele rolverdeling tussen mannen en vrouwen door de ouders en/of door de kwaliteit van de zorg die de kinderen ontvingen.

Het aanhangen van die mannelijkheidsnormen werd vastgesteld door de kinderen te vragen in hoeverre ze het eens waren met uitspraken als 

  • I do not let it show to my friends when my feelings are hurt,
  • It is necessary for me to fight others in order to gain respect,
  • I usually figure out things on my own rather than rely on others for help
  • I cannot respect a friend who backs down from a fight. 
  •  Even when something is bothering me, it’s important to act like nothing is wrong around my friends.
  • If I tell my friends my worries, I will look weak

Daaruit valt meteen op te maken hoe groot de overlap is tussen die mannelijkheidsnormen en het geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon. Vrouwen kennen ook de neiging tot statuscompetitie, maar zijn er over het algemeen minder vatbaar voor dan mannen. Zie over het verband tussen mannelijkheid en statuscompetitie ook Mannen, mannelijkheid en statuscompetitie en Statuscompetitie en de eercultuur. We kunnen dus dat aanhangen van mannelijkheidsnormen probleemloos gelijkstellen aan het geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon.

Het blijkt nu dat het meer of minder onderschrijven van de traditionele rolverdeling door de ouders geen enkel verband had met de verschillen in het geactiveerd zijn van dat statuscompetitiepatroon van hun kind. Er zijn dus uit dit onderzoek(je) geen aanwijzingen dat kinderen dat "mannelijkheidsgedrag" van hun ouders overnemen of dat ze met hun ouders een genetische aanleg voor dat gedrag delen.

Wel was er een duidelijk verband tussen wat ik maar even de kwaliteit van de zorg noemde. Daarbij ging het om de sensitiviteit waarmee de moeder met het kind omging. Die werd door observatie vastgesteld op twee momenten, toen het kind 14 maanden en 24 maanden oud was, en werd onderscheiden in drie dimensies. Ik neem voor het gemak maar even de omschrijving van de onderzoekers over:

follow-the-lead practices, intrusiveness, and positive regard (NICHD Early Child Care Research Network, 1999, 2003). 

The follow-the-lead dimension in parenting indicates the degree to which the mother follows the child’s social gestures, expressions, and signals and responds appropriately; a high score in follow-the-lead indicates the mother is child-centered and is attuned to the child’s needs and interests consistently and promptly.

Intrusiveness in parenting assesses the level at which the mother imposes her agenda on the child without accommodating the child’s different needs for the pace of interaction and level of activity; high scores in intrusiveness indicate the mother frequently interrupts the child’s behaviors and leads the interactions. 

The positive regard scale rates the mother’s level of positive and warm interactions with the child; high scores in positive regard indicate that the mother shows a range of positive and warm facial and verbal expressions.

En daaruit is gemakkelijk op te maken dat die moederlijke sensitiviteit een goede benadering is van de sociale veiligheid waarmee het kind in het gezin opgroeit. Hoe beter de moeder reageert op de behoeften en interesses van het kind, hoe minder ze het kind de eigen agenda oplegt en hoe meer positiviteit en warmte ze het kind geeft, hoe groter de sociale veiligheid die haar kind ervaart.

De sociale veiligheid in het gezin is dus ook volgens dit onderzoek(je) een voorspeller van het op latere leeftijd geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon dan wel het gemeenschapspatroon. Hoe geringer die sociale veiligheid, hoe groter de kans op activering van het statuscompetitiepatroon. En andersom, hoe meer ervaren sociale veiligheid, hoe groter de kans op activering van het gemeenschapspatroon.

Waarbij ware te bedenken dat het effect van die sociale (on)veiligheid groter zal zijn hoe meer het gezin sociaal geïsoleerd is. Want als er meer contacten zijn met familie, grootouders (!), vrienden en buren, dan kunnen die een extra bron vormen van sociale veiligheid, die kan compenseren voor een gebrek eraan in het gezin. Er is dan meer een benadering van de coöperatieve zorg voor kinderen, die zo belangrijk was voor het evolutionaire succes van onze vroegste voorouders.