zondag 30 juni 2019

Zondagochtendmuziek - Una Furtiva Lagrima - Enrico Caruso 1904

In de trattoria in Polignano a Mare (Puglia, Italië), waar we twee weken terug terechtkwamen,  stond de tophit uit begin jaren zestig Nel blu dipinto di blu, beter bekend als Volare, van Domenico Modugno prominent op de speellijst.

Polignano is de geboorteplaats van Modugno en de inwoners zijn daar trots op. Modugno werd met Volare derde op het Eurovisiesongfestval in Hilversum in 1958, dat werd gewonnen door onze Corry Brokken met Heel de wereld. Maar Volare werd in de Verenigde Staten een doorslaand succes en kreeg als enige niet-Engelstalige lied ooit twee Grammy Awards.

Italianen hebben iets met de menselijke stem. En nog meer met de mannelijke stem, speciaal de tenor. Denk aan al die Italiaanse opera's, zoals van Monteverdi, Vivaldi, Verdi, Puccini, Donizetti en Bellini, die, wat oneerbiedig gezegd, vooral een omlijsting zijn van prachtige aria's.

De allergrootste van die Italiaanse tenoren was natuurlijk Enrico Caruso (1873 - 1921), geboren in Napels. Dat was uit de tijd van de eerste plaatopnamen. (Maar luister hier ook eens naar Tito Scipa.)

Hier zingt hij de larmoyante aria Una Furtiva Lagrima uit de opera L'elisir d'amore van Gaetano Donizetti, een opname in 1904 gemaakt in Carnegie Hall, New York.

vrijdag 28 juni 2019

Was de politieke bezuinigingszeepbel een gevolg van de invloed van het Grote Geld?

Hoe kon het gebeuren dat er na de Grote Financiële Crisis van 2009 - 2010 in de politiek een obsessie ontstond met overheidsschulden? Met een consensus dat overheden zo snel mogelijk en zo veel mogelijk moesten bezuinigen?

Terwijl de crisis juist te maken had met de exorbitante schuldophoping in de private sector? En terwijl de economiehandboeken adviseerden om in zulke tijden juist de tekorten te laten oplopen en de economie te stimuleren? Kortom, hoe kon de politieke bezuinigingszeepbel ontstaan? (Mijn eerste bericht over die bezuinigingszeepbel dateert van 2011.)

Een aanleiding om nog eens bij die vraag stil te staan vormen de laatste twee columns van Coen Teulings in het Financieel Dagblad: Staatsschuld kost niet, staatsschuld rendeert juist en
Nieuwe‘Studiegroep Begrotingsruimte’ voor volgend kabinet kan niet op zelfde voet doorgaan.

Niet omdat Teulings daar nieuwe argumenten naar voren brengt tegen die obsessie met begrotingstekorten. Maar integendeel juist omdat die argumenten al lang bekend zijn. Het klopt niet om de overheidsbegroting gelijk te stellen aan een huishoudboekje. De overheid bestiert niet een huishouden, maar een hele economie, waardoor een heel andere kijk op "schulden" nodig is. Lees Teulings en lees ook nog eens De overheidsbegroting is nog steeds geen huishoudboekje - Over onkunde in de politiek en de media.

Een tweede aanleiding vormt de column van Paul Krugman van vorige week: Notes on Excessive Wealth Disorder. How not to repeat the mistakes of 2011.

Want daarin stelt hij precies die vraag naar hoe die politieke zeepbel kon ontstaan. En maakt hij, althans voor de Verenigde Staten, aannemelijk dat de invloed van het Grote Geld (Excessive Wealth Disorder) op de politieke agendavorming een grote rol heeft gespeeld.

Hoewel ook bij het grote publiek het huishoudboekjesdenken aanhang heeft, staan daar toch de sociale zekerheid en de gezondheidszorg en de werkloosheidsbestrijding hoger op de agenda. En daartegenover liggen de prioriteiten van de allerrijksten juist bij het terugdringen van het overheidstekort (bezuinigen!) en bij het uitkleden van de sociale zekerheid (de entitlements).

Het blijft tragisch. Terwijl het uitbreken van de Grote Financiële Crisis een gevolg was van de sterk toegenomen ongelijkheid en de groei van het Grote Geld, was het datzelfde Grote Geld dat maatregelen wist tegen te houden die de gevolgen ervan voor de Gewone Man hadden verzacht.

donderdag 27 juni 2019

Heeft de sociologische theorie een blinde vlek voor kwaadaardigheid? - Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? - deel 12

Update. Zie nu ook deel 13 van deze reeks berichten: De belichaming van de innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur.
Er zijn goede redenen om te vermoeden dat de menselijke sociale natuur ambivalent is tussen enerzijds het gemeenschapspatroon en anderzijds het statuscompetitiepatroon. Zie Statushiërarchie en gemeenschap: de innerlijk tegenstrijdige ("flexibele") sociale menselijke natuur. En de evolutionaire achtergrond daarvan. Zoals in eerdere berichten van deze reeks uiteengezet (zie hier het vorige bericht), zou die ambivalentie wel eens een belangrijk ingrediënt kunnen zijn voor een maatschappelijk belangrijker vak sociologie.

Ik wees er al op dat je die ambivalente sociale natuur niet zult aantreffen in de inleidingen tot het vak sociologie, noch in de sociologie tijdschriften. En dat zulks er mee te maken heeft dat de sociologie zich altijd verre heeft gehouden van de evolutietheorie en dus van de gedachte dat er een menselijke sociale natuur bestaat waar je je in je vak iets van zou moeten aantrekken. Het vak heeft nog altijd te lijden van het Social Science Standard Model. zoals dat in 1994 zo fraai werd gekenschetst door Steven Pinker in zijn The Language Instinct

Dat ontbreken van een, empirisch gefundeerde, karakterisering van de menselijke sociale natuur maakt dat het vak sociologie er moeite mee heeft om expliciet uit te gaan van veronderstellingen over wat mensen willen en kunnen. Met als gevolg dat het vak tekort schiet in het formuleren van een te prefereren toestand (het gemeenschapsevenwicht). Boven die andere toestand, die van het statuscompetitie-evenwicht.

Ik bedacht me dat een en ander ook inhoudt dat de sociologische theorie daardoor een blinde vlek heeft voor de kwaadaardige kant van de menselijke natuur, zoals die tot uiting komt in het statuscompetitiegedrag. Zie nog eens De sociale verschijningsvormen van de statuscompetitie en de statushiërarchie om van die kwaadaardigheid een indruk te krijgen.

Want neem nu de differential association theory, die Edwin H. Sutherland voor en na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde (zie hier een fraai overzichtsartikel) en die in de sociologie nog steeds een belangrijke rol speelt.

Daarin gaat het over de verklaring van criminaliteit, dus over een categorie gedrag die niet door de sociologie zelf, maar door de wetgeving van een land wordt onderscheiden. Er is niet een sociologische theorie waarin een rol is weggelegd voor kwaadaardigheid.

Ik denk ook even aan dat lijvige boek Foundations of Social Theory van James S. Coleman. Als je dat van begin tot eind bestudeert, wat ik ooit gedaan heb, dan kom je nergens een analyse tegen van de kwaadaardige kanten van het menselijk gedrag.

Let wel, er zijn wel degelijk sociologen, of sociaal-psychologen, die zich met kwaadaardig gedrag hebben beziggehouden. Je denkt al gauw aan Philip Zimbardo van het Stanford Prison Experiment. (Lees Rutger Bregman daarover.) Maar ook aan Roy F. Baumeister (Evil: Inside Human Violence and Cruelty) en Ervin Staub (The Roots of Evil: The Origins of Genocide and Other Group Violence).

Maar het gaat erom dat de sociologische theorie zich niet uitlaat over een menselijke sociale natuur waar ook kwaadaardigheid deel van uitmaakt. Voor kwaadaardigheid heeft het vak een blinde vlek.

En dat gaat ten koste van de maatschappelijke belangrijkheid van het vak.

dinsdag 25 juni 2019

Met het ouder worden meer gemeenschapsgericht. En over wat dat zegt over de maatschappij waarin we leven

Mensen worden geboren met een aanleg om zowel gemeenschapsgedrag als het daaraan tegengestelde statuscompetitiegedrag gemakkelijk aan te leren. De uitkomst daarvan, wat het meeste aangeleerd wordt, is dus afhankelijk van de aard van de sociale omgeving waarin kinderen terechtkomen en opgroeien.

In de Paleo Sociale Omgeving, die van de lange periode dat mensen als jagers-verzamelaars leefden, was het samenleven sterk gebaseerd op samenwerken en delen en dus op de vanzelfsprekendheid van de morele intuïties van het gemeenschapsgedrag. Het was dus bovenal de aanleg tot dat gemeenschapsgedrag die door de sociale omgeving werd aangesproken en die tot ontwikkeling kwam.

Onze huidige maatschappij wordt gekenmerkt door ambivalentie tussen gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag. Kinderen leren het gemeenschapsgedrag meestal wel aan in de kring van gezin, familie en vrienden. Maar daarbuiten komen ze al gauw in aanraking met het statuscompetitiegedrag. Zie Morele intuïties in het persoonlijke en onpersoonlijke domein.

Die ambivalentie maakt dat het opgroeien in een maatschappij als de onze nogal wat uitdagingen met zich meebrengt. En dat we moeten leren om daarmee om te gaan. Dat dat niet altijd goed lukt, blijkt er uit dat het leven vaak stressvol is en dat we daarmee samenhangende fysieke en psychische gezondheidsproblemen kennen.

De onvermijdelijkheid van dat leerproces roept de vraag op of het omgaan met die uitdagingen met het stijgen van de leeftijd, dus met de toename aan opgedane sociale ervaringen, beter lukt. Dus wat het uitmaakt om ouder te worden.

We zagen al dat ouderen meer inzicht hebben in hun eigen authentieke behoeften, minder last hebben van stress, beter kunnen omgaan met hun emoties en tevredener zijn met hun leven.

Een en ander zou ermee kunnen samenhangen dat we gedurende het opgroeien leren dat gemeenschapsgedrag beter voor ons is dan statuscompetitiegedrag. En een essentieel onderdeel van dat leerproces zou kunnen zijn dat we gaandeweg en met incidentele missers een netwerk om ons heen tot stand brengen van anderen die tot hetzelfde inzicht zijn gekomen. Door het selectie- en beïnvloedingsproces waarover het ging in het bericht Gemeenschapsgerichtheid is goed voor je als het je lukt om het ook bij anderen uit te lokken.

En precies dat zou betekenen dat onze gemeenschapsgerichtheid met het ouder worden toeneemt. Aanwijzingen daarvoor zijn er al. Want we weten dat puur altruïsme meer voorkomt bij ouderen. En dat het vertrouwen in anderen met het ouder worden toeneemt.

Daar is nu de studie Longitudinal Changes in Empathy Across the Life Span in Six Samples of Human Development bijgekomen. De onderzoekers combineerden de data van van vier longitudinale onderzoeken met in totaal ruim 2000 waarnemingen. De mate van gemeenschapsgerichtheid (door de onderzoekers empathie genoemd) was vastgesteld door beoordelaars, waardoor de nadelen van zelf-rapportage (sociale wenselijkheid) werden vermeden. Het ging om de mate waarin elk van de volgende veertien uitspraken op de persoon van toepassing werden geacht:


De uitspraken met een R tussen haakjes staan voor het omgekeerde van gemeenschapsgerichtheid en zijn gemakkelijk te herkennen als statuscompetitiegerichtheid.

Uit de analyses van de gecombineerde data komt dan naar voren dat de mate van gemeenschapsgerichtheid toeneemt, en de statuscompetitiegerichtheid afneemt, vanaf de adolescentie tot de oudere volwassenheid.

Een aanwijzing dus dat we in een maatschappij waarin we zowel gemeenschapsgedrag als statuscompetitiegedrag tegenkomen, tijd nodig hebben om te ontdekken dat van die twee het gemeenschapsgedrag te prefereren valt.

Zou er niet wat te bedenken zijn waardoor we die leerperiode korter zouden kunnen laten duren? Waardoor we de last van de stress en de fysieke en psychische gezondheidsproblemen die met statuscompetitiegedrag samenhangen zouden kunnen verminderen?

zondag 2 juni 2019

Zondagochtendmuziek - 7 Tarantella tradizionale

Ik laat dit blog een poosje aan zijn lot over. We zijn een paar weken in Puglia, de hak van de laars van Italië'.

Daar, in de Salento, is de traditionele volksdans de pizzica, weer tot bloei gekomen. Met een jaarlijks festival, waarvan de Notte della Taranta deel uitmaakt.

Pizzica betekent spinnenbeet en de dans is een variant van de tarantella. Of, zo lees ik hier, de pizzica is eigenlijk de oudste vorm van de tarantella.

Een van de vele filmpjes op YouTube hier onder. Maar klik ook even hier. Of op het feest hier.

dinsdag 28 mei 2019

Waarom zou je de euro laten voortbestaan als die niet gebruikt wordt om de welvaartswinsten die mogelijk zijn ook te realiseren?

Hoe staat het er eigenlijk voor met de eurocrisis? Mijn laatste bericht daarover dateert al weer van ruim een jaar geleden: Paul de Grauwe herinnert er nog eens aan dat de euro zonder gezamenlijke aansprakelijkheid niet levensvatbaar is.

Zijn er intussen maatregelen genomen om die crisis op te lossen? Nee, dat is duidelijk niet het geval. Hoewel er niet meer de acute vrees bestaat dat de muntunie uiteen zal vallen, zijn de onderliggende problemen bepaald niet opgelost.

De EMU (Economische en Monetaire Unie) werd opgezet in de jaren 90 van de vorige eeuw en werd bezegeld met het Verdrag van Maastricht in 1992. Dat was in de hoogtijdagen van het neoliberalisme.
Het was toen nog niet bon ton om dat woord te gebruiken, vanwege de toen heersende mening dat het hier niet ging om een ideologie, maar om een stelsel van objectieve economische inzichten. Daar is bijna iedereen ondertussen anders over gaan denken.
Dat hield in dat allerwegen de overtuiging heerste dat alle economische problemen konden worden opgelost door "hervormingen". Hervorming was het toverwoord en iedereen knikte instemmend als dat woord voorbijkwam. Het ging erom dat meer op de werking van de markt moest worden vertrouwd en minder op wat de overheid zou kunnen doen. Niet alleen moest de overheid een kopje kleiner worden gemaakt, ook moest het inzicht dat de overheidsbegroting een stabiliserende functie voor de economie zou kunnen hebben, overboord worden gezet.

Met die "hervormingen" en een verbod op hoge begrotingstekorten, zoals vastgelegd in dat Verdrag van Maastricht, zou alles goed komen. En voor het monetaire beleid betekende een en ander dat alles erop gericht moest zijn om de inflatie op of dicht tegen de 2 procent te houden. Een werkgelegenheidsdoelstelling was taboe, want het waren immers die "hervormingen" die daar voor zouden zorgen. Bovendien was oplopende werkloosheid soms nodig om de lonen te laten dalen en dat was weer nodig om "concurrerend" te kunnen zijn.

De onvolkomenheden in deze redeneringen kwamen hardhandig aan het licht bij het uitbreken van de Grote Financiële Crisis in 2008 - 2010. Ik citeer even uit dat vorige bericht over de ontwerpfout waar Paul de Grauwe op wees:
Na de introductie van de euro ontstond de indruk, die ook niet werd weersproken, dat de obligaties van de eurozonelanden allemaal even veilig waren. Daardoor ontstonden er grote kapitaalsstromen naar de zuidelijke eurolanden. Denk aan de prachtige tolwegen die in Spanje werden aangelegd, waar nauwelijks op wordt gereden.
Toen de crisis uitbrak, bleek ineens dat de leningen aan die landen niet gegarandeerd werden. Ze hadden immers geen eigen centrale bank meer en de Europese Centrale Bank mocht niet te hulp schieten. Het had toen misschien nog goed kunnen worden opgelost, met wat goede wil van Duitsland en Nederland. Maar het werd al snel duidelijk hoe de zaken er voor stonden na de verklaring van Angela Merkel dat elk land afzonderlijk, en niet Europa gezamenlijk, garant moest staan voor zijn financiële instituties. Geen gezamenlijke aansprakelijkheid, dat was de voorwaarde waaronder Duitsland met de euro akkoord was gegaan.
Goed doordacht was dat natuurlijk niet. Want toen kwamen de problemen. De kapitaalsstromen gingen retour naar de landen die de fondsbeheerders veilig vonden, dus naar Duitsland en Nederland. Die daardoor heel lage rentes konden gaan betalen, waar snel stijgende rentes voor de zuidelijke landen tegenover stonden. Er kwam een run uit de landen die als zwak werden gezien. Zo zwak waren ze ook weer niet, maar waarom zou je hun obligaties opkopen als je binnen dezelfde muntunie ook bij veiliger landen terecht kunt?
Die run had tot het uiteenvallen van de euro kunnen leiden, als niet Mario Draghi had ingegrepen met zijn whatever it takes. Waar Duitsland en Nederland zich wel bij moesten neerleggen.
Maar het probleem zelf is daarmee niet afdoende opgelost.
Dat laatste blijkt er bijvoorbeeld uit dat, in tegenstelling tot de oorspronkelijke convergentiedoelstelling, de economieën van de centrale en de zuidelijke eurozonelanden na 2008 sterk uiteen zijn gaan lopen (zijn gaan divergeren). Die ontwikkeling van hoge werkloosheid, armoede en stagnatie in Italië, Griekenland, Portugal en Spanje tegenover economische groei in Duitsland en Nederland wordt uitgebreid geanalyseerd door Philip Poppitz in Multidimensional inequality and divergence: The Eurozone crisis in retrospect, dat besluit met:
Because divergence seems to be remaining high, European policies aimed at economic convergence and social cohesion are needed now more than ever. Otherwise, doubts as to the perspectives of the euro will continue to arise, and macroeconomic policies for the whole euro area will face increasing policy trade-offs amid the high heterogeneity within the monetary union.
En zie in het bijzonder ook deze analyse van Servaas Storm van de stagnatie van de Italiaanse economie sinds 2009: Lost in deflation:Why Italy’s woes are a warning to the whole Eurozone. Waarin hij erop wijst, tegen de heersende opinie in, dat die stagnatie er vooral ook aan moet worden toegeschreven dat de Italianen wat betreft de naleving van de regels van de eurozone (bezuinigingen en hervormingen) roomser dan de Paus zijn geweest. Het waren immers Italiaanse economen die de boodschap verkondigden dat door bezuinigingen de economie snel weer zou gaan groeien. Zie De oorsprong van de bezuinigingszeepbel uit 2012.

Dat er echt wat moet veranderen in de opzet van de muntunie lijkt nu eindelijk in bredere kring door te dringen. Die oorspronkelijke ontwerpfout bestaat eruit dat landen hun eigen centrale bank hebben opgegeven en dat de ECB, die daarvoor in de plaats is gekomen, alleen beleid mag voeren voor de eurozone als geheel.

Dat betekent dat er zich in tijden van crisis zogenaamde landenspecifieke schokken kunnen voordoen. Zoals omschreven in het citaat hierboven over Paul de Grauwe. Door toetreden tot de euro zijn landen de aanpassingsmechanismen kwijtgeraakt van begrotingspolitiek, wisselkoersen en eigen monetair beleid. De Grauwe pleit daarom voor risicodeling tussen eurozonelanden.

Dat kan op verschillende manieren. László Andor, die van 2010 tot 2014 lid was van de Europese Commissie , pleit al langer voor een basis werkloosheidsverzekering voor de eurozone, die landen zou helpen om schokken op te vangen.

Maar nu is vooral een budgettaire stabilisatiefunctie in discussie, inhoudende dat de eurzonebegroting wordt uitgebreid met een schokfonds, waarin landen elk jaar geld inleggen waaruit kan worden uitgekeerd aan landen die in tijden van crisis in de problemen zijn gekomen.

Het voorstel van zo'n schokfonds is al vorig jaar gedaan door het IMF. Ons eigen Centraal Planbureau heeft zich nu gebogen over de mogelijkheden van zo'n schokfonds: Een budgettaire stabilisatiefunctie.

Het CPB laat zien dat zulke landenspecifieke (asymmetrische) schokken veel voorkomen en dat landen inderdaad slecht zijn toegerust om ze geheel zelfstandig op te vangen. En dat zulks een groot verschil is met een normale muntunie, zoals die bestaat tussen de staten van de Verenigde Staten.

De conclusie is dan ook dat het goed zou zijn om ook de euro meer vorm te geven als een normale muntunie. Dat wil zeggen, het CPB komt tot de conclusie dat invoering van een schokfonds welvaartsverhogend is.

Maar het valt op dat daar meteen aan wordt toegevoegd dat invoering  niet nodig is voor het voortbestaan van de euro.

Want er zijn ook andere, deels al bestaande middelen. De bankenunie en kapitaalmarktunie kunnen vervolmaakt worden. En er zijn al uitzonderingsclausules op de begrotingsregels en er is het Europese Stabiliteitsmechanisme (ESM).

Maar om daar voor in aanmerking te komen moeten landen natuurlijk weer aan de voorwaarden voldoen van de "solide begrotingspositie".

Ik vind het eigenaardig. Want waarom zou je de euro laten voortbestaan als die niet gebruikt wordt  om de welvaartswinsten die mogelijk zijn ook te realiseren?

Ook het CPB gaat kennelijk nog uit van die neoliberale fantasie dat met een "solide begrotingspositie" altijd alles goed komt. En dat bezuiniging dus altijd de aangewezen weg is om uit de problemen te komen. De gevolgen daarvan voor de vraag en dus voor de kans op langdurige stagnatie, zoals Servaas Storm die beschrijft voor Italië, nee, die blijven buiten beschouwing.

Maar toch, mooi dat er nu eindelijk discussie is over wat er echt nodig is om de euro goed te laten werken. Met echt oog voor de te boeken welvaartswinsten, ook voor de landen die er tot nu toe zo bekaaid afkomen.
De problemen met de euro zijn juist ook sociaalwetenschappelijk interessant, want het gaat hier om een probleem van zelforganisatie, niet tussen personen, maar tussen nationale staten. Zie nog eens, uit 2012, De eurocrisis als voorbeeld van falende zelf-organisatie.

maandag 27 mei 2019

Vermindering van ongelijkheid brengt ons dichter bij het gemeenschapsevenwicht - Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? - deel 11

Update. Zie nu ook deel 12 van deze reeks: Heeft de sociologische theorie een blinde vlek voor kwaadaardigheid?
Er zijn goede, empirisch onderbouwde, redenen om beleid te adviseren dat bewegingen in gang zet in de richting van het gemeenschapsevenwicht. Zie hier het vorige bericht in deze reeks over hoe het vak sociologie maatschappelijk belangrijker kan worden: Een maatschappelijk belangrijker vak sociologie had kunnen optreden als verdediger van de verzorgingsstaat.

Zulke beleidsadviezen zullen uiteraard op hun beurt weer gebaseerd moeten zijn op empirisch onderzoek naar de voorwaarden waaronder het gemeenschapsevenwicht dichterbij gebracht kan worden. Om de gedachten te bepalen twee voorbeelden van zulke op empirisch onderzoek gebaseerde adviezen:
Een ander voorbeeld, maar dan op het niveau van een maatschappij, is het advies aan een overheid om de (inkomens- en vermogens-)ongelijkheid binnen de perken te houden. Of niet uit de hand te laten lopen. Want ook zonder precies te weten welke mate van ongelijkheid in het gemeenschapsevenwicht zou kunnen bestaan, weten we al wel dat grotere ongelijkheid al snel zichzelf versterkende bewegingen in gang zet in de richting van het statuscompetitie-evenwicht.

Van de empirische aanwijzingen die daarop wijzen, gaf ik een opsomming in het bericht Loopt het kapitalisme op zijn laatste benen? Economische, maar ook sociaalwetenschappelijke inzichten. Die je hieronder nog eens kunt nalezen;
  • Opgroeien in armoede in een welvarende maatschappij werkt negatief uit op de hersenontwikkeling die nodig is voor planning en impuls- en aandachtsbeheersing. Die vermogens helpen bij het succesvol volgen van een opleiding. Arm opgroeien verkleint dus de kans op maatschappelijk succes, waardoor armoede wordt doorgegeven aan kinderen.
  • Armoede gaat gepaard met de stress van zorgen over de toekomst en heeft daardoor negatieve effecten op het cognitieve functioneren. Omdat onze maatschappij een groot beroep doet op ons cognitieve functioneren, verkleint armoede dus de kans op maatschappelijk succes.
  • De stress van armoede en lage sociaaleconomische status heeft negatieve gezondheidseffecten en een slechte gezondheid verkleint de kans op maatschappelijk succes.
  • Een hogere sociaaleconomische status maakt mensen egoïstischer. Waardoor ze meer geneigd zijn tot inspanningen om de bestaande ongelijkheid, die in hun voordeel werkt, in stand te houden.
  • Mensen die qua persoonlijkheid aardiger zijn, en dus meer met anderen rekening houden, verdienen minder. Ze zijn minder maatschappelijk succesvol. Omgekeerd: onaardige mensen, die dus egoïstischer zijn, verdienen meer en zijn maatschappelijk succesvoller. En zullen dus meer geneigd zijn om te pogen de bestaande ongelijkheid in stand te houden.
  • Rijken hebben de neiging om bij elkaar in de buurt te gaan wonen (inkomenssegregatie) en vooral met elkaar om te gaan. Dat maakt het makkelijker om opinies te cultiveren die rijkdom moreel rechtvaardigen en die armoede toeschrijven aan individuele en moreel verwijtbare kenmerken ("ze zijn lui"). Waardoor rijken vooral geneigd zullen zijn om de bestaande ongelijkheid in stand te houden.
  • Mensen zijn geneigd om de bestaande ongelijkheid te onderschatten, waarschijnlijk doordat ze er niet goed over zijn geïnformeerd. Daardoor zullen dus degenen die minder ongelijkheid zouden willen, zich minder inspannen om die terug te dringen dan wanneer ze wel goed geïnformeerd waren.
  • Mensen die hun inkomen zien groeien doordat ze geld hebben gewonnen in een loterij, stemmen politiek gezien rechtser. Een inkomenstoename maakt rijker en doet mensen dus bijdragen aan politieke partijen die de bestaande ongelijkheid in stand willen houden.
  •  De rijken zijn machtiger dan de armen. En gevoelens van macht maken mensen minder empathisch. Dus leven rijken zich minder goed in in het lot van de armen. En zullen ze zich dus minder inspannen om dat lot te verlichten.
  • De rijkaards zijn succesvol geweest in de maatschappelijke statuscompetitie. En winnaars in een statuscompetitie hebben de neiging om neer te kijken op de verliezers en hen zelfs te vernederen. En dus om de bestaande ongelijkheid te rechtvaardigen. En verliezers hebben de neiging om zich daarbij neer te leggen in plaats van in opstand te komen.
  • Grote ongelijkheid leidt ertoe dat de rijken via de politiek erin slagen om die ongelijkheid, en dus hun rijkdommen, in stand te houden of zelfs te vergroten.
    Daar komt bij dat grote ongelijkheid ook slecht is voor stabiele economische groei, waardoor bewegingen richting het gemeenschapsevenwicht ook om economische redenen zijn aan te raden. Chris Dillow geeft hier een mooi lijstje van mogelijke mechanismen waarlangs ongelijkheid de economische groei zou kunnen remmen: Eight Reasons Why Inequality Ruins the Economy.

    Opmerkelijk is natuurlijk dat het vak sociologie weliswaar ongelijkheid als een van haar centrale thema's beschouwt, maar zich beperkt tot het doen van onderzoek daarnaar. Het vak staat niet bekend als een bron van pleidooien voor meer egalitaire samenlevingen. Als een socioloog toch waarschuwt voor te grote ongelijkheid, dan is dat niet op basis van een uit het vak zelf voortkomende argumentatie.

    Ik zocht even naar een voorbeeld daarvan en stuitte op deze passage uit Op zoek naar het hart van de verzorgingsstaat van C.J.M. Schuyt:
    De intergenerationaliteit van de cumulatie van problemen vormt een belangrijk argument voor vermindering van ongelijkheid. Meervoudig gedepriveerden hebben een veel geringere mogelijkheid tot respect van anderen (ondanks de heilige schijn van verbale uitingen in die richting) en tot het verwerven van zelfrespect (ondanks hun woorden dat ze het wel redden). Ze hebben ook een veel geringere mogelijkheid tot het daadwerkelijk ondervinden en beleven van menselijke waardigheid, ook al zijn er gelukkig prachtige uitzonderingen op deze regel. Op grond van eerbied voor het kosmisch toeval heeft iedereen recht op het verwerven van zelfrespect. Een blijvend argument tegen gecumuleerde maatschappelijke ongelijkheid is juist deze zorg voor het zelfrespect.
    Deze redenering is zeker prijzenswaardig, maar het belang van zelfrespect en menselijke waardigheid komt ad hoc naar binnen. Er is niet een verwijzing naar een vanuit het vak ontwikkelde doeltoestand zoals die van het gemeenschapsevenwicht. 

    zondag 26 mei 2019

    Zondagochtendmuziek - Konstancja Smietanska Witold Lutosławski Sacher Variation

    Cellist Johannes Moser vertelt in Der Spiegel over zijn ervaringen met optredens voor scholieren, daklozen en gedetineerden: "Vor Inhaftierten habe ich Sachen erlebt, die in Konzerthallen niemals passieren würden":
    Vor Jahren hatte ich im Hamburger Frauengefängnis einen Auftritt mit einer Sängerin. Als wir Johannes Brahms' Wiegenlied "Guten Abend, gut' Nacht" spielten, ging es ganz bald ans Eingemachte. Mehrere Frauen verließen den Raum, weil sie es nicht ertragen haben. Ich bin sicher, sie dachten in diesem Augenblick an ihre Kinder außerhalb der Gefängnismauern. In Portland im US-Bundesstaat Oregon habe ich vor Wohnungslosen gespielt. Da kam ein Herr, der in seine Decke gehüllt war, und fragte: "Können Sie bitte das Stück von Bach spielen, das Yo-Yo Ma immer spielt?" Da dachte ich: Mensch, was geht hier ab!
    En een scholier meende in de muziek van de Poolse componist Witold Lutoslavski (1913 - 1994) "een olifant te horen die door een privé-detective achtervolgd wordt die door een bij wordt gestoken". Op de vraag of de muziek van Lutoslavski in het bijzonder uitnodigt tot interpretaties antwoordt Moser:
    Nach meiner Erfahrung ist es so. Überhaupt bei Neuer Musik. Die Begeisterung, dazu Bilder zu entwerfen und Geschichten zu erzählen, ist exorbitant. Ein Fünftklässler erkannte in der Musik Lutoslawskis einen Elefanten, der von einem Privatdetektiv gejagt wird, der von einer Biene gestochen wurde. Die Erfahrung, wie sehr Musik Fantasie anregen kann, zeigt, wie wichtig es ist, so etwas zu machen.
    Welk stuk dat was dat de fantasie van die scholier aan het werk zette, wordt niet vermeld. Zou het de Sacher Variation geweest zijn? Dat moet haast wel. Een prachtig stuk, hier gespeeld door een heel jonge landgenote van Lutoslawski: Konstancja Smietanska.

    donderdag 23 mei 2019

    Sterke aanwijzingen dat we pro-socialer kiezen als we meer vertrouwen op onze intuïties

    Als we meer intuïtief moeten beslissen, bijvoorbeeld als we minder tijd hebben om er bewust over na te denken, dan vallen onze keuzes pro-socialer uit.

    In het onderzoek waar ik over berichtte in Intuïtief zijn we pro-sociaal. Maar alleen met een sociale omgeving die pro-sociaal is, ging het over proefpersonen die moesten beslissen in een collectief goed-dilemma, waarin je kunt samenwerken met anderen voor een gemeenschappelijke opbrengst, maar waarin je dat ook kunt weigeren en toch meedelen in die opbrengst. Het is dan pro-sociaal om samen te werken. Het bleek toen dat degenen die sneller beslisten pro-socialer kozen en dat hetzelfde gold voor degenen die minder tijd kregen om te beslissen. De veronderstelling is dat minder tijd nemen of hebben ertoe leidt dat je meer intuïtiever beslist.

    Een verklaring daarvoor kan zijn dat de meeste mensen de morele gemeenschapsintuïties aanleren in hun dagelijkse sociale omgeving van familie en vrienden, waarin immers samenwerken en delen en rekening houden met elkaar de normale gang van zaken is. Proefpersonen baseren zich op hun dagelijkse ervaringen, wat er dus ook in het laboratorium toe leidt dat intuïtieve keuzes meer pro-sociaal zijn.

    Een aanwijzing in die richting kwam ook uit het onderzoek naar voren, want voor degenen die aangaven in hun dagelijks leven minder van zulke contacten te hebben, gold dat intuïtief kiezen minder samen ging met een pro-sociale keuze.

    Dat intuïtiever kiezen inderdaad tot meer pro-sociale keuzes leidt, wordt nu bevestigd door de nog niet gepubliceerde studie van David G. Rand, die ook eerste auteur was van dat onderzoek waar het hier boven over gaat: Intuition, Deliberation, and CooperationFurther Meta-Analytic Evidence from 91 Experiments on Pure Cooperation.
    Zie voor ander interessant onderzoek van David Rand ook Komt pro-sociaal gedrag eruit voort dat we ons laten leiden door wat het moreel juiste gedrag lijkt?
    Rand voerde een meta-analyse uit over de resultaten van in totaal 91 studies naar de rol van intuïtie versus nadenken in keuzes tussen samenwerken of niet samenwerken maar wel mee profiteren. Daaruit blijkt dat er gemiddeld genomen intuïtief 3,1 procentpunt pro-socialer wordt gekozen dan wanneer over de keuze wordt nagedacht.

    En het blijkt dat dit verschil voor een groot deel wordt veroorzaakt door die onderzoeken waarin het intuïtieve kiezen werd opgewekt door de opdracht "gebruik je gevoel" en het nadenkend kiezen door "gebruik je verstand". Maar ook als het ging om andere manipulaties, zoals tijdsdruk, bleef het effect van intuïtief kiezen statistisch significant (1,6 procentpunt).

    Sterke aanwijzingen dus dat we pro-socialer kiezen als we vertrouwen op onze intuïties.

    dinsdag 21 mei 2019

    Ontmoetingsplekken dichterbij zorgen voor minder sociaal isolement en meer vertrouwen in andere mensen

    Een sociaal vluchtige samenleving als de onze, waarin het moeilijk is om op volwassen leeftijd nog nieuwe vrienden te maken en waarin dus eenzaamheid voor velen op de loer ligt, vraagt om woonomgevingen waarin mensen elkaar gemakkelijk kunnen ontmoeten. Want hoe vaker je iemand ontmoet, hoe groter de kans dat er een vertrouwde relatie groeit en mensen voelen zich in vertrouwde relaties beter dan in vluchtige.

    Maar we hebben het niet zo geregeld dat er in onze woonomgevingen, onze buurten en dorpen, standaard ontmoetingsplekken aanwezig zijn. In plaats daarvan hebben we in de afgelopen halve eeuw door schaalvergroting, ruimtelijke concentratie en functiescheiding (wonen - werken) woonbuurten laten ontstaan waarin, inderdaad, alleen maar gewoond wordt. Met een blinde vlek voor het belang en het creëren van de voorwaarden voor het opbloeien van een sociaal leven.

    Niet verwonderlijk dus dat we steeds minder bij elkaar over de vloer komen en dat eenzaamheid een groot maatschappelijk probleem is geworden.

    Die blinde vlek voor de voorwaarden voor de bloei van een sociaal leven bestaat ook in de wereld van het beleid. Want als het daar gaat over preventie van eenzaamheid (of van depressie), dan gaat het maar weinig over die voorwaarden en te vaak over "algemene bewustwording" en  "vroegsignalering" door "professionals". Natuurlijk doen professionals goed en belangrijk werk, maar ze kunnen onvermijdelijk pas in actie komen als het probleem al is ontstaan.

    Dat het beleid veel meer zou moeten inzetten op het creëren van die voorwaarden (denk ook aan het omwegbeleid), en dus op ontmoetingsplekken, komt ook naar voren uit het recente Amerikaanse onderzoek The Importance of Place. Neighborhood Amenities aa a Source of Social Connection and Trust. De onderzoekers geven in The Atlantic een samenvatting van hun onderzoek: Having a Library or Café Down the Block Could Change Your Life.

    Uit dat onderzoek, op basis van een steekproef uit de Amerikaanse bevolking, blijkt wat het voor mensen uitmaakt hoever ze van een ontmoetingsplek wonen (winkel of winkelcentrum, horeca, park, bibliotheek, buurthuis, bioscoop, kegelbaan, fitness). Want ook bij statistische controle voor achtergrondkenmerken als leeftijd, inkomen, opleiding en etniciteit, zijn Amerikanen met een kleinere afstand tot ontmoetingsplekken niet alleen tevredener met hun woonbuurt, maar ook zijn ze minder sociaal geïsoleerd en hebben ze meer vertrouwen in andere mensen.

    Mensen zijn een groepsdier, dat er op is ingesteld om zich te bewegen in een groep van vertrouwde anderen. In onze huidige samenleving groeien we nog maar zelden op in zo'n vertrouwde groep. Dat maakt een sociale infrastructuur, waarin we elkaar kunnen ontmoeten en vertrouwde relaties kunnen opbouwen, van zo groot belang.

    Maar dat inzicht blijkt niet als vanzelf aanwezig in het denken over de inrichting van onze woonomgeving. En dus ligt er een taak voor het sociaalwetenschappelijk onderzoek.