Mijn LinkedIn-Nieuwsbrief van deze week, waarvan een eerdere versie in delen op dit blog verscheen:
Maurizio Meloni geeft in Moralizing biology: The appeal and limits of the new compassionate view of nature een
fraai overzicht van al het psychologisch, biologische, en
neuro-wetenschappelijke onderzoek dat erop wijst dat morele
gemeenschapsintuïties inherent zijn aan de menselijke sociale natuur. Je
komt er een sectie in tegen over het Moral Intuitionist Model van
de psycholoog Jonathan Haidt en anderen, een sectie over de
evolutionaire bouwstenen van moraliteit van de primatoloog Frans de Waal
en een sectie over de neurowetenschap van de menselijke morele
gevoeligheid (moral sensitivity).
Al dat onderzoek, dat dateert van de laatste tientallen jaren, wijst
in een diametraal andere richting dan wat eerder gemeengoed was in het
denken over de menselijke moraal. In dat denken stond de stellige
overtuiging voorop dat in de natuur alles draait om competitie en om de
overwinning van de sterkste en de nederlaag van de zwakste.
Vertegenwoordigers van dat denken waren bijvoorbeeld Michael Ghiselin (The Economy of Nature and the Evolution of Sex, 1974) en Richard Dawkins (The Selfish Gene, 1976). In die overtuiging was al het morele gedrag van mensen slechts een "vernislaagje". In de woorden van Ghiselin: Scratch an altruist and watch a hypocrite bleed.
En Dawkins ging er van uit dat als het gen "zelfzuchtig" is, dat dat
dan ook wel moet gelden voor het organisme. (Ik herinner mij een
discussie in een online-groep van alweer jaren geleden, waarin Dawkins
deze stellingname ontkende, maar door De Waal steeds maar geconfronteerd
werd met citaten uit The Selfish Gene).
Dat denken is dus door het nieuwere onderzoek volledig
onderuitgehaald. Waarmee we eigenlijk weer terug zijn bij Charles
Darwin, die wel degelijk oog had voor de menselijke morele natuur. Maar
die vernislaagtheorie was tot eind vorige eeuw dus gemeengoed in het
sociaalwetenschappelijke denken. Voor zover moraliteit daarin al aan de
orde kwam, moet je daar meteen bij zeggen, want tot aan dat recente
onderzoek werden morele gevoelens eigenlijk niet beschouwd als legitiem
onderwerp van onderzoek.
Het is goed om dit alles te bedenken als we terugkeren naar die
waterscheiding aan het eind van de achttiende eeuw zoals Karl Polanyi
die zag in het wetenschappelijk denken over de rol van de moraal in de
inrichting van de maatschappij. Zie deze editie van deze Nieuwsbrief.
Na die waterscheiding heerste het wat ik het moreel luchtledige
economische denken noemde. Niet de moraal, maar de markt moest de maat
der dingen worden.
Het was juist niet (moreel) goed om de armen en de paupers te
helpen, zoals voorafgaand aan de waterscheiding nog werd bepleit en min
of meer gebeurde, want dat zou alleen maar in de weg staan van het
bereiken van een nieuw evenwicht tussen de omvang van de bevolking en de
beschikbare hulpbronnen. De wet van vraag en aanbod moest onbelemmerd
zijn werk kunnen doen. Honger was nodig om alleen de sterkeren te laten
overleven en om hen te motiveren om het werk te verrichten. Dat laatste
deden ze in dienst van de bezittende klasse, wat meteen met zich
meebracht dat de overheid niet veel meer moest doen dan het bezit te
beschermen. De moraal, de impuls om de zwakken te helpen, het gevoel van
rechtvaardigheid, dat hoorde geen rol te spelen.
Dat was in de woorden van Polanyi de liberale "utopie" van de vrije,
ongereguleerde markt. En precies dat was het begin van het vak economie
zoals we dat nu nog steeds kennen. In het theoretische bouwwerk van het
vak, dat zich natuurlijk sterk ontwikkelde, bleef de markt de maat der
dingen. En dus de maat voor welvaart. Overheidsuitgaven worden
gemakshalve beschouwd als consumptie in plaats van als mogelijkerwijs
welvaart scheppend. Gemakshalve, omdat de waardemaatstaf van de markt
ontbreekt.
Beleid op economische grondslag
Hoe dat uitpakt, valt fraai te illustreren aan een leerboek over beleid op economische grondslag. Ik doel op Policy Analysis. Concepts and Practice van
David L. Weimer en Aidan R. Vining. (Ik gaf jarenlang college over dat
boek.) Daarin is de markt de maatstaf voor welvaart, dat wil zeggen voor
efficiëntie. Kies in je beleid altijd voor de markt, tenzij je een
goede reden hebt om dat niet of maar beperkt te doen.
In dat laatste geval moet er een aanwijsbaar geval zijn van
"marktfalen". De markt schiet tekort omdat het om een publiek goed gaat
(zoals tegengaan van klimaatverandering), omdat de productie met externe
effecten gepaard gaat (vervuiling), vanwege een natuurlijk monopolie
(waterleidingnet) of vanwege het bestaan van informatie-asymmetrie
(medische zorg). In zulke gevallen is er een reden voor
overheidsproductie of overheidsregulering. Maar dus geheel afgeleid van
het primaat van de markt als waarden scheppend. En met het streven om de
markt zoveel mogelijk te benaderen.
Dat alles valt nog binnen het economische theoretische kader. Maar
dan moeten de auteurs zich ook buigen over problemen die, zeg maar, uit
de beleidspraktijk komen. Waar ze niet omheen kunnen, wil hun boek voor
de praktijk geschikt zijn.
Problemen echter die helemaal niet met dat theoretische kader
geanalyseerd kunnen worden. Zoals het probleem dat mensen niet alleen
maar in hun eigen positie geïnteresseerd zijn, maar ook in hoe die
positie uitvalt in vergelijking met anderen. Anders gezegd, het probleem
dat mensen geneigd zijn tot statuscompetitie. Of het probleem dat er
ook nog zoiets bestaat als menselijke waardigheid, van gelijkheid van
kansen, van de behoefte aan bestaanszekerheid en aan gelijkheid
(iedereen telt mee). (Dit gebeurt in de hoofdstukken 6 en 7 van mijn
editie van 1998).
En dan komt naar voren dat als je als economen een leerboek schrijft
over beleid, je heel wezenlijke problemen, die met morele intuïties te
maken hebben, helemaal niet met je theoretische apparaat kunt
behandelen. Anders gezegd, de utopie, de fantasiewereld, van de econoom
loopt tegen zijn grenzen aan. En dat ligt er dus aan dat al vanaf die
waterscheiding aan het eind van de achttiende eeuw het vak economie de
mens als moreel wezen buiten de deur heeft gehouden. Waarbij je
natuurlijk meteen bedenkt hoe merkwaardig dat eigenlijk is. Had dat niet
anders gekund? En was dat niet veel beter geweest?
Dit is natuurlijk een breder wetenschappelijk probleem. Zie voor het vak sociologie Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.
Nutsinterdependentie
Een van de problemen die zich dan in dat vak economie voordoen, komt
voort uit die morele notie van iedereen telt mee, die inhoudt dat
mensen zich het lot en het welzijn van anderen aantrekken. Dat ze dus
bereid zijn tot het helpen en ondersteunen van anderen, dus tot pro-sociaal gedrag,
oftewel gemeenschapsgedrag. Maar dat past helemaal niet in dat
economische theoretische kader. Het gaat in tegen de eis dat het "nut"
van een persoon uitsluitend afhankelijk is van de goederen die die
persoon zelf consumeert. Niemand wordt geacht zich beter te voelen als
hij ziet dat het iemand anders goed gaat. Wat de econoom
"nutsinterdependentie" noemt, dat het nut van de een mede afhankelijk is
van het nut van de ander, laat het theoretisch kader niet toe. Minder
technisch gezegd: alles draait om eigenbelang.
Maar ja, nutsinterdependentie bestaat wel degelijk. Wat te doen? Op
p. 119 van het boek (mijn uitgave van 1998) kom je de economische
standaard oplossing tegen. Die houdt in dat wordt aangenomen, let wel,
wordt aangenomen, dat alle gemeenschapsgedrag uitsluitend binnen het
huishouden plaats vindt. Ouders zorgen voor elkaar en voor hun kinderen.
En dan kunnen we vervolgens het hele theoretische raamwerk in stand
houden, door niet het individu als de consumptie-eenheid te nemen, maar
het huishouden.
Die "oplossing" is zo standaard dat iedere eerstejaarsstudent
economie er mee kennismaakt en hem voor de rest van zijn loopbaan als
econoom als vanzelfsprekend aanneemt. Natuurlijk niet als een empirisch
onderbouwd inzicht, maar als een veronderstelling die je, als econoom,
nu eenmaal moet maken. (Denk aan al die grappen over economen, die als
ze een vraag beantwoorden altijd beginnen met "Let's assume that .....".)
Het vak economie en de democratie
Maar dat heeft zacht gezegd nogal wat inhoudelijke consequenties.
Gemeenschapsgedrag tussen huishoudens zou in een economische analyse
niet kunnen bestaan. De democratie als vormgeving van onze morele gemeenschapsintuïties van iedereen telt mee en rechtvaardigheid? Economisch onbestaanbaar. Economisch gezien zou het in de democratie altijd alleen maar draaien om eigenbelang.
Maar er valt het een en ander voor te zeggen dat zo'n democratie helemaal niet mogelijk is. Zie De
democratie heeft fatsoen en integriteit en politieke deugd nodig. Maar
dat inzicht ontbreekt in de economische theorie van de democratie.
Nu is het legitiem, ja, zelfs onvermijdelijk, om je bij de
ontwikkeling van een theorie op veronderstellingen te baseren die
abstraheren van de werkelijkheid. Als je altijd alleen maar zo dicht
mogelijk bij de waarneembare werkelijkheid wilt blijven, kom je niet
verder dan een aaneenrijging van waarnemingen en dat is geen theorie.
Modelassumpties en de werkelijkheid
Maar het maakt natuurlijk wel uit wat je weglaat als je abstraheert.
Uiteindelijk loopt je theoretische bouwwerk onvermijdelijk op allerlei
plekken tegen de werkelijkheid aan. Je doet allerlei voorspellingen die
niet blijken uit te komen. En dan komt een moment dat je je achter de
oren krabt en je afvraagt of je niet aan het begin iets heel belangrijks
hebt weggelaten. Zo worden in feite je modelassumpties alsnog aan de
werkelijkheid getoetst.
Momenten dat economen zich achter de oren krabben, of hadden moeten krabben, zijn er al vele geweest. Denk aan Het
eendimensionale economische mensbeeld is niet alleen als mensbeeld
onrealistisch, maar ook als venster op wat zich werkelijk in de markt en
in de maatschappij afspeelt. Met een verwijzing naar Calculativeness, trust and the reciprocity complex: Is the market the domain of cynicism?,
waarin Rudi Wielers en ik erop wezen dat markten, de echte, niet die
uit de economische leerboeken, niet zonder (voldoende)
gemeenschapsgedrag zouden kunnen bestaan. Dat gaat over de rol van
onderling vertrouwen, die in de economische abstracties geen rol speelt.
Andere momenten zijn er volop geweest als je bedenkt hoe die "bezittersmaatschappijen" (de ownership societies van
Piketty) zich na het einde van de achttiende eeuw hebben ontwikkeld.
Piketty laat zien hoe vanaf het eerste kwart van de twintigste eeuw in
Engeland de extreme ongelijkheid, die in de negentiende eeuw zelfs nog
toenam, snel en sterk werd teruggedrongen (hoofdstuk 5. Ownership societies: European trajectories van Capital and Ideology).
Toenemende invloed van de morele gemeenschapsintuïties
Hoe kwam dat? Door uitbreiding van het kiesrecht, door de
emancipatiebewegingen van arbeiders en vrouwen en door progressieve
belastingheffing. En door de opbouw van de verzorgingsstaat na de Tweede
Wereldoorlog ("de gemeenschap, georganiseerd in de staat").
Een ontwikkeling die misschien voor een klein deel valt te verklaren
door economische factoren. Maar toch moeilijk te begrijpen als je de
rol van bij mensen levende morele gemeenschapsnoties van iedereen telt
mee en van rechtvaardigheid zou willen negeren. Noties die via politieke
bewegingen, denk aan de sociaaldemocratie, hun weg vonden naar
overheidsbeleid. Een ontwikkeling die onvoorstelbaar is als je
uitsluitend met het standaard economische apparaat naar de wereld zou
kijken.
Die ontwikkeling: sterk afnemende ongelijkheid, samenhangend met
uitbreiding van het kiesrecht, dus met de groei van democratie, meer
regulering van de arbeidsmarkt en bescherming van de zwakkeren en
progressievere belastingheffing. Piketty (Capital and Ideology,
p. 195) laat zien hoe in Engeland vanaf de Eerste Wereldoorlog
(1914-1918) de vermogensongelijkheid sterk afnam. En hoe dat in Zweden,
Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Konikrijk en de Verenigde Staten
gepaard ging (p. 457) met een sterke toename in precies dezelfde
periode van de belastinginkomsten van de overheid. Dus met een toename
van het morele wij-met-zijn-allen van de overheid als correctie op en
indamming van het amorele ieder-voor-zich van de markt.
Die ontwikkeling in het eerste driekwart van de twintigste eeuw kan
moeilijk anders verklaard worden dan uit de toegenomen invloed van de
morele gemeenschapsintuïties (iedereen telt mee, rechtvaardigheid) op de
politieke besluitvorming, die mogelijk werd gemaakt door het algemeen
kiesrecht en dus door de vestiging van democratieën. Piketty spreekt
over de politiek-ideologische voorwaarden die deze ontwikkeling in gang
zetten (p. 417):
those decisions stemmed from profound and lasting changes in social
perceptions of the system of private property and its legitimacy and
ability to bring prosperity and offer protection against crisis and war.
This challenge to capitalism had been in gestation since the middle of
the nineteenth century before crystallizing as majority opinion in the
wake of two world wars, the Bolshevik Revolution, and the Great
Depression of the 1930s. After such shocks, it was no longer possible to
fall back on the ideology that had been dominant until 1914, which
relied on the quasi-sacralization of private property and the
unquestioned belief in the benefits of generalized competition, whether
among individuals or among states. The contending political forces
therefore set out in search of new avenues, including various forms of
social democracy and socialism in Europe and the New Deal in the United
States.
Lessen voor nu
Kunnen daar lessen uit worden getrokken voor nu? Ja, natuurlijk, die volgen dan ook meteen:
The lessons that can be drawn from this history are obviously
relevant to what is happening today, especially since a
neo-proprietarian ideology began to gain influence in the final decades
of the twentieth century.
En dan gaat het over de terugkeer van de grote invloed van het
moreel luchtledige vak economie vanaf de jaren 70 en 80 van de vorige
eeuw, het neoliberalisme dus. Wat we zich met dat alles zien afspelen is
de strijd om invloed tussen enerzijds dat amorele vak economie en
anderzijds de politiek-ideologische denkwereld van de sociaaldemocratie
(ruim genomen), waarin de morele gemeenschapsintuïties proberen vorm te
vinden.
Het amorele vak economie en de sociaaldemocratie
Over die strijd hebben Avner Offer en Gabriel Söderberg zich gebogen
aan de hand van de sinds 1969 uitgereikte Nobelprijzen voor economie in
hun in 2016 verschenen The Nobel Factor. The prize in economics, social democracy, and the market turn. Dat boek verdient veel meer aandacht dan het heeft gekregen.
Want daarin gaat het precies over die tegenoverstelling van
enerzijds de "economische doctrine" en anderzijds de sociaaldemocratie
(p. 4-5):
In Social Democracy the basic impulse was not gratification but
obligation, the basic unit not the individual but the group, family,
class, and nation. The prime objective was not acquisitive, but to
achieve security, and more specifically, to cope with life-cycle
contingencies. In contrast to the personal cravings that motivate action
in economic theory, Social Democracy was driven by the social problem
of how to cope with dependency.
In the course of the life cycle, every person goes through periods
when they cannot provide for themselves. Early motherhood, infancy and
childhood, education, illness, unemployment, disability, and old age are
all costly and time-consuming. In conditions of dependency, there is
nothing to sell except a claim on humanity, no product to bargain with,
no 'two feet' to stand on, and little foresight or capacity to
calculate. (...)
The difference between Social Democracy and economic market doctrines is easy to draw. It is about how to deal with uncertainty.
Moet iedereen zelf maar uitzoeken hoe hij met bestaansonzekerheid
omgaat? Ieder voor zich? Dan is de markt de scherprechter. Iedereen, arm
en rijk, krijgt precies wat hij "verdient".
Of lossen we dat probleem met zijn allen op? Omdat iedereen mee telt? In dat geval verdient iedereen bestaanszekerheid, recht op een bestaan, omdat we dat met zijn allen voor iedereen zoveel mogelijk willen garanderen.
Eigenlijk kun je daarmee de sociaaleconomische geschiedenis
schrijven van de twintigste en het begin van de eenentwintigste eeuw. De
geschiedenis van de strijd om de vraag naar de invloed van onze morele
gemeenschapsnoties op hoe we onze maatschappij inrichten. Met wisselende
uitkomsten.
Twee maatschappijvisies
Die economische en dus moreel luchtledige oplossing voor het
probleem van bestaansonzekerheid bestaat eruit dat iedereen maar moet
uitzoeken hoe hij die zich op de markt kan aanschaffen. In de woorden
van Offer en Söderbergs The Nobel Factor (p. 6):
In economics, in contrast, the risk is borne by every individual.
each person's problem is how to transfer financial claims safely over
time, from now, when premiums are paid or savings banked, to the future,
when dependency might occur. Security is a commodity like any other,
purchased in financial markets as insurance and savings, each person
according to a sense of how much he or she can afford. Risks are pooled
by insurance companies and banks. Individuals rely for security on
commercial contracts.
Denk aan de poging van de Republikeinse partij gedurende de
regering-Bush om de sociale zekerheid volledig te privatiseren. Weg met
het wij-met-zijn-allen. Dat kregen ze er niet door, ook al vanwege de
vele aanwijzingen dat een collectief georganiseerde sociale zekerheid
goedkoper is.
Fraai daarmee contrasterend, in de zin van de morele lading
benadrukkend, is de karakterisering van de sociaaldemocratie door de
Zweedse sociaaldemocratische leider Albin Hansson in 1928 als "The People's Home", die Offer en Söderberg aanhalen (p. 5):
The basis of the home is commonality and mutuality. A good home is
not aware of any privileged or slighted, no darlings and no
stepchildren. You see no one despise the other, no one who tries to gain
advantage of others.... In the good home you find equality, compassion,
cooperation, helpfulness.
Sinds die waterscheiding aan het eind van de achttiende eeuw kennen
we dus die twee maatschappijvisies, de moreel luchtledige van het vak
economie, toegespitst in de neoliberale ideologie, aan de ene kant en de
sociaaldemocratie aan de andere kant.
Misschien hebben we nu, in 2023, genoeg geleerd om de les te trekken
dat het met morele luchtledigheid niet de goede kant opgaat.
Dat kan niet anders dan consequenties hebben voor het vak economie.
Maar laten we het onder ogen zien: ook voor het vak sociologie.