Posts tonen met het label neo-liberalisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label neo-liberalisme. Alle posts tonen

vrijdag 16 augustus 2024

Joseph Stiglitz over wat nodig is voor de overgang naar een nieuw gemeenschapstijdperk - 2

Hoe zou volgens Joseph Stiglitz de post-neoliberale maatschappij er uitzien en wat is nodig om die "goede maatschappij" tot stand te brengen. Hier het vorige bericht. We volgen zijn uiteenzetting in het Working paper How Neoliberalism Failed, and What a Better Society Could Look Like, maar je vindt een uitvoeriger uiteenzetting in zijn nieuwste boek The Road to Freedom. Economics and the Good Society. (De Nederlandse vertaling De weg naar vrijheid. Economie en de goede samenleving ligt al in de boekhandel.) 

Stiglitz is econoom en ontving in 2001 de Nobelprijs voor economie. Maar hij is een "linkse", "progressieve", "sociaaldemocratische" econoom, dus een econoom die de vraag wat een goede maatschappij is, niet afdoet met te verwijzen naar de voordelen van het marktmechanisme. We kwamen hem eerder tegen in Globalization has not always been well managed - Joseph Stiglitz over globalisering en de eurocrisis, in Joseph Stiglitz: de drie grootste economische mythen van dit moment en in Een diepzinnige beschouwing over de economische crisis.

Een en ander moet wel betekenen dat hij een gezichtspunt inneemt waarin het marktmechanisme niet meer dan een middel is om een toestand te bereiken die als een goede maatschappij kan worden beschouwd. Sociaalwetenschappelijk gezien denk je dan aan een toestand die in de buurt komt van het gemeenschapsevenwicht. In hoeverre komt wat Stiglitz te berde brengt, zonder die sociaalwetenschappelijke literatuur te kennen, met die toestand overeen? We weten dat de kern van die gemeenschapstoestand erin ligt dat iedereen hoort mee te tellen. 

En die kern treffen we meteen aan in de eerste eis die Stiglitz noemt waaraan die goede maatschappij moet voldoen: de inperking van machtsongelijkheid. Machtsongelijkheid is immers zowel een resultante van de activiteit van het statuscompetitiepatroon als een oorzaak daarvan. Die inperking houdt het voeren van een concurrentiebeleid in, dus het zodanig reguleren van de markt dat machtsvorming wordt beperkt. Denk aan antikartelwetgeving. En hij houdt in dat inkomens- en vermogensongelijkheid wordt beperkt door progressieve belastingheffing. Wat er dan nog aan machtsongelijkheid overblijft, wordt ingeperkt door te zorgen voor tegengestelde machtsvorming (countervailing powers), zoals door sterke vakbonden en door het terugdringen van de invloed van het Grote Geld op de politiek.

Evenzeer treffen we hem aan in de tweede eis: in een goede maatschappij zien we het grote belang in van samenwerking, van collectieve actie. Dat kan samenwerking zijn tussen private actoren, zoals in de vorm van vakbonden, collectieve rechtszaken en non-profit organisaties en vrijwilligersverenigingen. Maar de belangrijkste vorm van samenwerking is natuurlijk de democratische overheid. Waarin iedereen meetelt in verkiezingen en in wat met wetgeving en beleid beoogd wordt. Die natuurlijk op allerlei manieren nodig is omdat de markt daar nu eenmaal niet op is ingericht. Dus zijn collectieve voorzieningen op de gebieden van sociale zekerheid en sociale bescherming essentieel in een goede maatschappij. Evenals regulering van de financiële markten, om financiële crises te voorkomen, die vooral de zwakkeren treffen. En dus was juist het tegenovergestelde een essentieel element van dat neoliberale tijdperk: dring de democratische overheid zo ver mogelijk terug.

En dan is er de eis van een macro-economisch stabiliteitsbeleid dat de bestrijding van inflatie niet ten koste laat gaan van de toename van werkloosheid. Anders gezegd, dat de overheid voor de stabiliteit van de economie niet uitsluitend vertrouwt op het rentebeleid van de onafhankelijke centrale bank, maar inziet dat ten behoeve van het iedereen-telt-mee ook prijsinterventies en publieke vorming van buffervoorraden nodig kunnen zijn.Meer in het algemeen zou je zeggen dat er in een goede maatschappij er een overheid is die zich tot taak stelt om volledige werkgelegenheid te creëren en in stand te houden. In een maatschappij waarin mensen voor hun inkomen afhankelijk zijn van hun arbeid, moet iedereen die arbeid kunnen vinden. 

Er valt natuurlijk veel meer te zeggen over wat een goede maatschappij is. Maar als je een econoom vraagt die zich laat leiden door het iedereen-telt-mee, dan kom je dus als eerste uit op deze drie eisen. Meer in het vervolgbericht.

maandag 12 augustus 2024

Joseph Stiglitz over wat nodig is voor de overgang naar een nieuw gemeenschapstijdperk - 1

Veel, zo niet alle, van de politieke, economische en sociale verwikkelingen waarin we met zijn allen verzeild zijn geraakt, vallen te begrijpen als oftewel de laatste stuiptrekkingen van het neoliberale tijdperk oftewel als de eerste tekenen van wat voor ons ligt. Want we leven in de overgangsperiode van het afscheid van het neoliberalisme en de aankondiging van, ja, van wat?

Sociaalwetenschappelijk gezien is het niet zo moeilijk om daar zicht op te krijgen. De innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur zet onvermijdelijk op het macroniveau van nationale staten en de internationale verhoudingen een dynamica in werking van enerzijds bewegingen in de richting van het gemeenschapsevenwicht en anderzijds bewegingen in de richting van het statuscompetitie-evenwicht. Dat ligt eraan dat er op dat niveau altijd problemen zijn met sociale informatie, dat wil zeggen de gebrekkige informatie die mensen hebben over elkaars gedrag. Nog ervan afgezien dat sommigen er belang bij kunnen hebben om bewust misleiding en desinformatie te verspreiden.

De resultante daarvan is doorgaans een wirwar van aan elkaar tegengestelde bewegingen, maar er kunnen ook groepsniveaus en tijdperken zijn waarin een beweging in één richting overheerst. Zo zagen we na de Holocaust en de Tweede Wereldoorlog een duidelijke beweging in de richting van het gemeenschapsevenwicht, van "de gemeenschap georganiseerd in de staat". Maar die werd in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw gevolgd door de tegengestelde beweging van het neoliberalisme, waarmee het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon als richtlijn werd verlaten ten gunste van het ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon.

Maar ook daar kwam een eind aan, waardoor we ons nu bevinden in de overgangsfase naar een nieuw gemeenschapstijdperk. In zo'n overgang is het niet altijd meteen duidelijk waar we vandaan komen en waar we heen gaan. De wirwar van dagelijkse gebeurtenissen onttrekken het zicht op de grote lijn van wat er aan de hand is. Er is dus behoefte aan een inventarisatie, aan wat de Duitsers zo fraai een Bestandsaufnahme noemen. 

En precies aan die behoefte komt het pas verschenen How Neoliberalism Failed, and What a Better Society Could Look Like van Joseph E. Stiglitz voor een groot deel tegemoet.

Het neoliberalisme was gebaseerd op een vrijheidsbegrip dat werd verbonden met de meer politieke dan economische doctrine van de perfecte markt en perfecte competitie. Daarin gaat het om een abstract model waarin geheel van machtsongelijkheid wordt afgezien, waarvan de werkelijke maatschappij als een zo goed mogelijke benadering zou moeten worden vormgegeven. In dat model zou dus volledige vrijheid bestaan. 

Maar door het als politieke vuistregel te hanteren, ontstaat de verleiding om de ("nog") bestaande machtsverschillen als minder belangrijk over het hoofd te zien. Waardoor het ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon onschuldig gaat ogen en het moreel luchtledige politieke en economische denken ruim baan krijgt. Mogelijk gemaakt door de politieke omarming van het economische mensbeeld waarin het sociaalwetenschappelijke inzicht van de innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur geheel ontbreekt. Waardoor noch kon worden geprofiteerd van de gunstige werking van het gemeenschapspatroon, noch de ongunstige werking van het statuscompetitiepatroon kon worden tegengegaan. 

Dat de politici zo in de ban raakten van dat neoliberalisme valt er enerzijds uit te verklaren dat het vak economie het leek aan te bevelen en dat dat vak een groot prestige had. Het eerste klopte niet of slechts gedeeltelijk en dat grote prestige was onverdiend. Maar anderzijds waren er degenen die, geleid door hun statuscompetitiepatroon, meenden dat ze beter af zouden zijn met die neoliberale politiek en die met hun hoge inkomens de rechtse denktanks financierden die de politici beïnvloedden. Als jij verwacht dat jij in het ieder-voor-zich van de statuscompetitie zult kunnen zegevieren en de overtuiging hebt dat die overwinning dan ook gerechtvaardigd is, dan zul je er alles aan doen om te voorkomen dat het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon politiek voet aan de grond krijgt. 

Als dat alles zo is, dan valt te verwachten dat die neoliberale politiek "succesvol" is in de zin dat degenen die het al goed hebben er nog beter uitkomen, anders gezegd, dat de inkomens- en vermogensongelijkheid toenemen. Sociaalwetenschappelijk gezegd, dat het statuscompetitie-evenwicht (een stabiele statushiërarchie) dichterbij wordt gebracht. Ter illustratie; dat is een toestand waarin erfenissen slechts licht worden belast en waarin dus de rijken hun vermogens aan hun kinderen kunnen doorgeven. Waardoor in Nederland zo'n 40 procent van de particuliere vermogens afkomstig is van erfenissen. Rijkdom neemt dan van de ene op de andere generatie alleen maar toe (Babyboomers laten honderden miljarden aan erfenissen na – en de ongelijkheid is al zo groot.)

Maar diezelfde politiek faalt natuurlijk volledig in het perspectief van het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon. Terug naar Joseph Stiglitz: wat valt er over dat falen zoal te zeggen? Die toename van ongelijkheid dus. En daarmee gepaard gaande, de toename van de monopolisering, want als machtsuitoefening niet gereguleerd wordt, dan ontstaan machtsmonopolies. Waardoor ook de economische groei, de groei dus van al datgene waar iedereen van zou kunnen profiteren, afneemt. Toename van ongelijkheid en economische groei gaan niet samen op. 

En waardoor de bestaansonzekerheid aan de onderkant van de hiërarchie toeneemt. Het ieder-voor-zich betekent immers dat de sociale zekerheid en de sociale bescherming doelbewust beperkt worden. Want in dat statuscompetitiemensbeeld is iedereen een potentiële profiteur en fraudeur. Iedereen die aan de onderkant is beland, dient zoveel mogelijk aan zijn lot te worden overgelaten. 

Kortom, het ieder-voor-zich creëert een mistroostige samenleving, waarin, zoals in Nederland, de hoogste welvaartsgroep acht tot negen jaar langer leeft dan de laagste. En waarin zoals in de Verenigde Staten zelfs de gemiddelde levensverwachting daalt (Deaths of Despair and the Future of Capitalism). 

In Nederland steeg de gemiddelde levensverwachting van 71,4 jaar in 1950 naar 82,1 jaar in 2019. Daarna was er een daling tot 81,4 jaar in 2021, naar ik aanneem door de coronapandemie, waarna hij weer toenam tot 81,8 jaar in 2023. Het coronaverlies was vorig jaar dus nog niet goedgemaakt. Mij valt in de CBS-grafiek op dat de toename het sterkst was tot rond 1980 en daarna wat begon af te vlakken. Voor wat het waard is: rond 1980 nam het neoliberale tijdperk van het ieder-voor-zich een aanvang.

Wat moet er gebeuren om aan die mistroostige wereld een einde te maken? Om de overgang naar een nieuw gemeenschapstijdperk in gang te zetten? In het volgende bericht gaan we na wat Joseph Stiglitz daarover te zeggen heeft. Hier het vervolg.

woensdag 10 juli 2024

De overgangsfase van het afscheid van het neoliberale tijdperk - Spannender dan je zou wensen

De politieke actualiteit staat geheel in het teken van het afscheid van het neoliberale tijdperk, waarin het ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon het denken van politici en kiezers domineerde. We ervaren de negatieve gevolgen van dat denken in de vorm van de toegenomen bestaansonzekerheid onder grote delen van de bevolking, de toegenomen ongelijkheid, het vijanddenken van het rechts-extremisme en het bedreigd worden van de democratie. 

Dat doet het besef groeien dat het hoog tijd is om die andere kant van de menselijke sociale natuur, het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon, en dus van de democratie, weer in het hart van de politiek terug te brengen. Dat kan op het niveau van de politiek alleen als we dat met zijn allen doen, dus met een grotere rol voor de democratische overheid. Die bestaanszekerheid voor iedereen nastreeft en die de ongelijkheid binnen de perken houdt. Die onze morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee cultiveert en vorm geeft in beleid en in de instituties van de rechtsstaat. En bijdraagt aan die vormgeving op het niveau van de internationale verhoudingen.

Zo'n overgangsfase verloopt niet zonder slag of stoot. Want degenen die in dat rechts-extremistische vijanddenken van het statuscompetitiepatroon zijn beland, kunnen daar moeilijk los van komen. Als je eenmaal de wereld als onveilig bent gaan zien, als een wereld vol gevaar of als een amorele jungle, dan verduistert dat je blik en zie je er alleen nog maar bevestigingen van. En je maakt je wereld kleiner, waardoor je geen corrigerende ervaringen meer opdoet. 

Dat kan een proces van radicalisering in gang zetten. "Vreemdelingen" dienen te worden "gedeporteerd" of erger. Jouw leider dient dictatoriale macht te krijgen. Er dient hard en gewelddadig te worden opgetreden. We zien zich zo'n proces voltrekken in de Verenigde Staten, waar de krachten achter Donald Trump in hun Project 2025 een christelijk-nationalistische dictatuur schilderen met Trump aan het hoofd. En natuurlijk zien we die radicalisering ook in Nederland, waar PVV-ministers deel uitmaken van de regering.

Daardoor is het nog niet meteen duidelijk hoe lang die overgangsfase nog duurt en wat we nog aan vreselijke gevolgen van die radicalisering zullen meemaken.

Dat maakt het dagelijks volgen van de nationale en internationale politieke berichtgeving spannender dan je zou wensen.

maandag 19 februari 2024

Zijn dit "de beste tijden van de PVV" die Wilders al in 2014 zag aankomen? - 1

Op 9 maart 2014 verklaarde Geert Wilders in een interview: "Ik kan de PVV de grootste partij van Nederland maken. Ik voel dat. De beste tijden van de PVV liggen nog voor ons." De PVV had in 2012 een verkiezingsnederlaag geleden, van 15,4 procent in 2010 naar 10,1 procent. Zie hier de verkiezingsuitslagen voor de PVV sinds 2006.

In datzelfde interview zei hij ook wat hem drijft:

"Ik ben maar om één ding de politiek ingegaan: om de islam te bestrijden. Om de vrijheid te verdedigen. Al gaat de PVV over veel meer: het terugwinnen van soevereiniteit uit Europa, over lagere belastingen, het tegengegaan van het opheffen van de verzorgingshuizen." 

"Maar de bestrijding van de islam is mijn drijfveer. Dat is geen Nederlands probleem, maar een existentieel probleem."

Nu, in 2024, is hij inderdaad zo maar de grootste partij geworden. En nu is het de vraag of daarmee de beste tijden van de PVV zijn aangebroken.

Allereerst natuurlijk: hoewel de PVV de grootste partij is, kunnen we met nog geen 25 procent van de stemmen niet van een grote partij spreken. Het politieke landschap is zo gefragmenteerd dat Wilders niet zonder drie andere partijen een regering zou kunnen vormen. En na de tot niets leidende verwikkelingen van de informatie-Plasterk en zeer waarschijnlijk ook na de komende verwikkelingen van de informatie-Putters is duidelijk geworden of wordt dat nog duidelijk dat die drie andere partijen niet gevonden kunnen worden. Wilders mag datgene al hebben ingeleverd waarvoor hij de politiek is ingegaan, de bestrijding van de Islam ook als daarvoor de Grondwet moet sneuvelen, daarmee is hij nog onvoldoende tot de vereiste rechtsstatelijkheid teruggekeerd. Temeer doordat hij laat weten die ondemocratische standpunten uit het verleden nog steeds voluit te omarmen. Hij neemt "nergens afstand van."

Dat de PVV de grootste kon worden en dat de politieke fragmentatie zo groot is, heeft alles te maken de zwakte van de overige partijen. Zwakte vooral in het vermogen om de kiezers een vooruitzicht te bieden op een andere politiek dan het neoliberale beleid dat uitliep op de "Nederlandse polycrisis". En natuurlijk met de bizarre manoeuvres van de nieuwe VVD-lijsttrekker, waardoor Wilders gratis en voor niets de aandacht kreeg en ineens voor acceptabel kon doorgaan. Een deel van de kiezers is op zoek naar een "nieuwe" belofte en dacht die achtereenvolgens te vinden in Baudet, Van der Plas, Omtzigt en nu dus Wilders. 

Dat krijg je als opeenvolgende regeringen zo weinig oog hebben voor het belang van de overheid en van overheidswetgeving voor de bestaanszekerheid en het welzijn van de bevolking. Het verkiezingsprogramma van GroenLinks/PvdA wees in de goede richting, maar werd timide aan de kiezers gepresenteerd. Althans dat is mijn indruk, want van de lijsttrekkersdebatten heb ik maar weinig gezien.

Maar hoe dan ook, een regering met Wilders als premier ligt dus niet in het nabije verschiet. Wat speelt er zich nu in zijn hoofd af? 

Het moet zo zijn dat wat hem betreft die beste tijden van de PVV nog ergens in de toekomst liggen. In zijn wereldbeeld, dat van de narcistische rechts-extremist, bestaat de wereld uit vijanden of anderen die hij niet kan vertrouwen en die in ieder geval altijd zijn minderen zijn. Daarom heeft hij zich in zijn eigen partij tot alleenheerser gemaakt. En daarom vindt hij het zo lastig om anderen bij de minste aanleiding, ook als hij ze eigenlijk nodig heeft, niet te beledigen of te treiteren..

En kan hij zich in een mogelijke regering alleen voorstellen in de rol van premier, de rol die hij niet zoals gebruikelijk als "eerste onder zijn gelijken" zal willen invullen, maar als "eerste zonder gelijken". 

Alleen als hij het voor het zeggen heeft, voelt hij zich op zijn gemak. Eventueel kan dat in de rol van "gedoger", zoals van het minderheidskabinet-Rutte 1 (2010 - 2012), toen hij kabinetsleden, zoals Gerd Leers, minister voor Immigratie en Asiel, bij zich op het matje kon roepen. Zodra hem dat niet meer beviel, achtte hij zich niet langer aan het gedoogakkoord gebonden en viel het kabinet.

Wat betekent een en ander voor wat we van zijn gedrag in de komende tijd kunnen verwachten? En van het gedrag van andere politici? 

En wat valt daar sociaalwetenschappelijk over te zeggen? Hier het vervolg.

maandag 11 december 2023

Sociaalwetenschappelijk gezien zijn opkomst en neergang van rechts-extremisme in democratieën goed te verklaren - 6. Neo-liberalisme, bestaansonzekerheid en psychische aandoeningen

We zagen in het vorige bericht de aanwijzingen dat de opeenvolgende neoliberale kabinetten sinds de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw er inderdaad in slaagden om de bestaansonzekerheid onder grote delen van de bevolking te vergroten. Zie hier het vorige bericht. 

Kan die toegenomen bestaansonzekerheid er voor verantwoordelijk worden gehouden dat mettertijd het rechts-extremisme in de politiek toenam? De redenering zou zijn dat die toename van bestaansonzekerheid sociale onveiligheidsgevoelens vergroot en dat sociale onveiligheidsgevoelens het statuscompetitiepatroon aanwakkeren, waar rechts-extremistische politieke partijen op kunnen inspelen met hun boodschap dat er interne en externe vijanden zijn die bestreden dienen te worden. De tussenliggende schakel is dus die van de toename van sociale onveiligheidsgevoelens. Zijn er aanwijzingen voor die toename?

Ja, die zijn er. Want we weten ook dat gevoelens van sociale onveiligheid een aan vrijwel alle psychische aandoeningen gemeenschappelijke factor is. Zie Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 1 en de daaropvolgende berichten. Die gemeenschappelijke factor wordt omschreven als "verlies, geïntimideerd en/of vernederd en/of verraden worden - fundamentele bedreigingen van iemands fysieke en psychologische veiligheid". Die sociale onveiligheid kan zoals gezegd voortkomen uit de persoonlijke levenssfeer, maar ook uit het meer onpersoonlijke, maatschappelijke domein.

Dat zou dan moeten betekenen dat er in diezelfde periode waarin de bestaansonzekerheid toenam, ook een toename moet zijn geweest van het lijden aan psychische aandoeningen. Het ontwikkelen van een psychische aandoening op sociale onveiligheid (zoals depressie of een angststoornis) komt overeen met de immobilisatiereactie-met-angst, terwijl politiek rechts-extremisme overeenkomt met de vechtreactie. Zie Over de biologievrije sociale wetenschap. En over Charles Darwin, de Polyvagaaltheorie en het werk van Bessel van der Kolk. Als we verwachten dat de toename van bestaansonzekerheid via sociale onveiligheid het rechts-extremisme vergroot, dan zouden we dus tegelijkertijd ook een toename van psychische aandoeningen moeten zien.

En voor dat laatste is een duidelijke aanwijzing. We hebben geen gegevens voor de gehele periode, maar een flink deel ervan, de periode tussen 2007-2009 en 2019-2022 wordt bestreken door de Netherlands Mental Health Survey and Incidence Studies (NEMESIS), waarover verslag wordt gedaan in het rapport Prevalence and trends of common mental disorders from 2007-2009 to 2019-2022: results from the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Studies (NEMESIS). Als er inderdaad een toename is geweest van psychische aandoeningen, dan zou je die ook in deze periode moeten waarnemen.

En dat blijkt inderdaad het geval te zijn. In zowel 2007-2009 als 2019-2022 werd een gestratificeerde toevalssteekproef van de Nederlandse bevolking van 18 tot 64 jaar oud gevraagd of men in het voorafgaande jaar had geleden aan een psychische aandoening. Het bleek dat de groep die daar bevestigend op antwoordde, in die periode was toegenomen van 17,4 procent naar 26,1 procent. Die toename was sterker bij studenten en 18 tot 34-jarigen dan bij betaald werkenden en degenen van 35 jaar of ouder.

Als je dus de bestaansonzekerheid onder de bevolking laat toenemen, omdat je denkt dat zulks voor de economie een goed idee is, dan vergroot dat de sociale onveiligheidsgevoelens zodanig dat je dat terugziet in een forse toename van het deel van de bevolking dat lijdt aan een psychische aandoening. 

Het is interessant om te kijken naar de mogelijke verklaringen voor deze trend die de onderzoekers naar voren brengen:

In recent decades, young adults may have been more adversely affected by the further individualization of society26, the rise of social media54, 55, and the increasing pressure to succeed56. They may also be more adversely affected by current social problems (e.g., shortage of affordable housing, climate change concerns), or have more difficulty coping with setbacks, such as not immediately having a successful job or owner-occupied home.

Daarin vallen gemakkelijk de ontwikkelingen te herkennen die de bestaansonzekerheid, vooral voor jongeren, hebben vergroot: druk om te presteren, problemen op de arbeidsmarkt, tekort aan woningen.

Het herinnert ons er nog eens aan hoe kortzichtig het is als regeringen zich bij hun beleid eenzijdig laten leiden door wat economen (of eigenlijk: de verkeerde economen) hen toeroepen en geen oog hebben voor sociaalwetenschappelijke inzichten.

Dat komt natuurlijk nog sterker naar voren als we gaan kijken naar de aanwijzingen dat datzelfde neoliberale beleid het rechts-extremisme in de politiek heeft aangewakkerd. Daarover in het volgende bericht.

dinsdag 5 december 2023

Sociaalwetenschappelijk gezien zijn opkomst en neergang van rechts-extremisme in democratieën goed te verklaren - 4. Sociale veiligheid voor en na de neoliberale wending.

Laten we zeggen dat het sociaalwetenschappelijk onderzoek enig inzicht verschaft in het denken van de rechts-extremisten die nu al tientallen jaren deel uitmaken van het politieke landschap. Zie hier het vorige bericht in deze reeks. We zagen dat in die twee wereldbeelden die je bij rechts-extremisten aantreft, dat van de Sociale Dominantie Oriëntatie en dat van het Right-Wing Authoritarianism, gemakkelijk het statuscompetitiepatroon valt te herkennen.

Hoe valt nu te verklaren dat we nu in de politiek wel met een flinke dosis rechts-extremisme te maken hebben, terwijl dat in de twee à drie decennia na de Tweede Wereldoorlog niet het geval was? Wat is er in zo ongeveer de jaren 70 en 80 veranderd waardoor dat rechts-extremisme de wind in de zeilen heeft gekregen? Niet alleen in Nederland, maar ook in al die andere landen waar het rechts-extremisme gegroeid is. Denk aan Trump en de Republikeinen in de Verenigde Staten, Johnson en de Conservatieven in Groot Brittannië, het Front National in Frankrijk, het Vlaams Belang in België, Fratelli d'Italia en Forza Italia in Italië, de AfD in Duitsland en de PiS in Polen.

Een sociaalwetenschappelijk inzicht is dat het statuscompetitiepatroon wordt uitgelokt door een toename van sociale onveiligheidsgevoelens. Dan kan het gaan om sociale onveiligheid in de persoonlijke levenssfeer, maar ook sociale onveiligheid in de meer onpersoonlijke sfeer die daar boven uitgaat en die beïnvloed wordt door het door de overheid gevoerde sociaal-economische beleid. 

Als dat beleid er op gericht is en erin slaagt om voor de bevolking bestaanszekerheid tot stand te brengen, dan zal dat bijdragen tot gevoelens van sociale veiligheid onder de bevolking. Niet alleen als gevolg van die bestaanszekerheid op zich, de eigen inkomens- en baanzekerheid, maar ook door het besef in een democratie te leven waarin medeburgers erop uit zijn om niet alleen zichzelf, maar ook elkaar die bestaanszekerheid te verschaffen. In een land waarin "de gemeenschap georganiseerd is in de staat", waarin iedereen meetelt. 

Hoewel er geen sociaalwetenschappelijk onderzoek bestaat waarin precies dat is aangetoond, al was het maar doordat voor "sociale onveiligheidsgevoelens" nimmer een meetinstrument is ontwikkeld, is het wel zeer aannemelijk dat de eigen bestaanszekerheid plus het besef van iedereen-telt-hier-mee sterk tot sociale veiligheid bijdragen. Persoonlijke en maatschappelijke condities dus die (1) sociale veiligheidsgevoelens bevorderen, en daardoor (2) gemeenschapsgedrag bevorderen en statuscompetitiegedrag tegengaan, waardoor (3) rechts-extremisme in de politiek onwaarschijnlijk is. Zo ongeveer de condities die in de eerste twee à drie decennia na de Tweede Wereldoorlog bestonden, de periode van de opbouw van de sociale zekerheid en de verzorgingsstaat. En van het macro-economische streven naar volledige werkgelegenheid om zo de werknemers te beschermen tegen met elkaar op de arbeidsmarkt concurrerende werkgevers.

Maar toen kwam de wending naar de neoliberale sociaal-economische politiek. Waarin het geloof zich verbreidde dat alles zoveel mogelijk aan de markt diende te worden overgelaten en waarin de overheid zich vooral zoveel mogelijk moest beperken tot het ruim baan geven aan marktwerking. In dat geloof moest het verschaffen van bestaanszekerheid juist niet het eerste doel zijn. Voorop moest staan dat economische groei werd bevorderd en dat kon alleen met meer marktwerking. En mensen die aan de markt deelnemen, moeten worden geprikkeld om zich in te spannen. Ze behoren dus de positieve en negatieve gevolgen van hun gedrag voor zichzelf te voelen en te ondergaan. Ze moeten met een "prikkelstructuur" geconfronteerd worden die hen aanzet tot dat gedrag dat het meeste bijdraagt aan economische welvaart. Dat is voor iedereen het beste.

Dat is in een notendop het neoliberale denken over menselijk gedrag. In dat denken is er eigenlijk geen motivering voor sociale zekerheidswetgeving of meer algemeen voor al die wetgeving die beoogt om iedereen te laten meetellen. Voor een bodem waar niemand door heen zou mogen zakken. Die zou immers afbreuk doen aan die prikkelstructuur. Er is één "poort"' waar doorheen alles wat we "welvaart" vinden, tot stand komt en dat is de markt. Met aan de ingang dat door marktprikkels gestuurde gedrag van 'de hardwerkende Nederlanders" en aan de uitgang de zo groot mogelijke economische welvaart. Merk op dat er in die manier van denken geen gemeenschapsgedrag bestaat, noch statuscompetitiegedrag. En merk op dat alles wat mensen willen door economische welvaart wordt afgedekt, dus door wat je met geld kunt kopen. Dus ontbreekt ook dat mensen behoefte hebben aan sociale veiligheid.

Wat zijn de gevolgen geweest van die neoliberale wending en hoe hebben die bijgedragen aan de opkomst van het rechts-extremisme? Wordt vervolgd. Hier het vervolg.

dinsdag 21 november 2023

Het is tijd voor wij-met-zijn-allen, dus voor een stem op GroenLinks-PvdA. Een historische en sociaalwetenschappelijke blik op de verkiezingen

Op 16 maart 2021 riep ik op om bij de Tweede Kamerverkiezingen de daaropvolgende dag op een linkse partij te stemmen. Ik deed dat met het bericht dat ik hier vrijwel ongewijzigd kan overnemen. Om toen een linkse stem uit te brengen, moest je nog kiezen tussen de PvdA en GroenLinks (of een kleinere linkse partij). Morgen kun je gelukkig op een verenigd GroenLinks-PvdA stemmen, een belangrijke en hoognodige stap op weg naar een grote linkse partij.

Laten we eens naar deze verkiezingen kijken met een historische blik. Dus met een blik die je op dit blog vaker bent tegengekomen. Zoals in de reeks berichten over de mensheidsgeschiedenis-in-drie-stappen. En met een sociaalwetenschappelijke blik van een vak sociologie dat ertoe doet, dus een vak toegerust met een realistisch normatief kader. 

Wat die historische blik betreft, bevinden we ons nu in een tijdvak van de mensheidsgeschiedenis waarin zich de strijd afspeelt om onze oeroude morele gemeenschapsintuïties vorm te geven in de instituties van de democratie en de mensenrechten. De morele intuïties dus van iedereen telt mee, zorg voor elkaar, samenwerking en rechtvaardigheid. Het vorm geven aan die intuïties slaagt beter als mensen zich veilig voelen en tegelijk voelen mensen zich veiliger hoe meer die vormgeving succesvol is.

De tegenstand in die strijd komt van de evenzeer oeroude menselijke neiging tot statuscompetitie. Die neiging wordt aangejaagd als mensen zich onveilig voelen. In een onveilige wereld heb je van anderen niets goeds te verwachten en moet je dus voor jezelf opkomen en jezelf verdedigen. Met een hoge status, dus als je rijk en machtig bent, ben je bevreesd dat minder gelukkigen hun blik laten vallen op jouw rijkdommen en stel je dus alles in het werk om hen daarvan te weerhouden door onderdrukking en overheersing. Behoor je tot die minder gelukkigen, dan stel je je daartegen te weer en als dat uitzichtloos lijkt, berust je in je lot, gedraag je je onderdanig en probeer je er nog het beste van te maken. Er heerst de ongelijkheid van de statushiërarchie en iedereen voelt zich onveilig.

In de mensheidsgeschiedenis was die strijd tussen deze twee, dus tussen gemeenschap en statuscompetitie, voor verreweg het grootste deel van de tijd beslist in het voordeel van gemeenschap. Dat was in het jagers-verzamelaarstijdperk, toen we voor onze overleving en reproductie afhankelijk waren van samenwerken en delen. Gemeenschap was noodzakelijk en moest dus gepaard gaan met onderdrukking van de neiging tot statuscompetitie. 

Na de overgang naar landbouw, zo'n acht- tot tienduizend jaar geleden, werd dat laatste bemoeilijkt door de introductie van eigendom. Opties dienden zich aan om ook zonder mee te doen met het samenwerken en delen toch te overleven, ja, zelfs rijkdommen te verwerven. Dus brak de statuscompetitie door. Met ongelijkheid tussen arm en rijk, machthebbers en machtelozen, mannen en vrouwen. 

De morele gemeenschapsintuïties konden zich nog maar beperkt doen gelden. Ze werden teruggedrongen tot pockets van onderlinge afhankelijkheid en persoonlijke, langdurige relaties, zoals in die gevallen van zelforganisatie die door Elinor Ostrom bestudeerd werden. En in de zogenaamde standenmaatschappijen kon de ongelijkheid getemperd worden als de relaties langdurig waren. Hogere standen konden dan een morele verplichting voelen om hun ondergeschikten bij te staan. Ik moet daarbij steeds denken aan die boer waar Chris van Esterik over vertelt.

Pas recent in de geschiedenis, zeg de laatste twee eeuwen, krijgen de morele gemeenschapsintuïties weer meer kansen. Met de Industriële Revolutie nam de macht van de arbeid toe en werd de onderlinge afhankelijkheid grootschaliger. Waardoor nationale staten belangrijker werden, ja, zelfs internationale samenwerking. Met als gevolg de emancipatie van eerst de burgerij, toen de arbeid en tenslotte de vrouwen. Slavernij en apartheid werden afgeschaft. Er kwam stapsgewijs algemeen kiesrecht en dus democratie. Dat betekende dat vrijwel alle nationale staten grondwetten invoerden, een in de mensheidsgeschiedenis cruciaal proces dat Wim Voermans beschrijft in zijn nieuwe boek The Story of Constitutions: Discovering the We in Us. En er werden na de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust de internationale mensenrechtenverdragen gesloten. 

Sociaalwetenschappelijk gezien is daarmee de historische strijd geschilderd tussen de twee "evenwichtstoestanden" waar een groep of maatschappij in terecht kan komen. Evenwichten in de zin dat als een van die twee toestanden eenmaal bestaat, er maar moeilijk weer van binnen uit aan ontsnapt kan worden. En er zijn dus de vele sociaalwetenschappelijk aanwijzingen dat het gemeenschapsevenwicht naar menselijk welzijn en in moreel opzicht te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht. Wat in de politieke praktijk betekent dat elke beweging in de richting van meer gemeenschap toegejuicht behoort te worden. Dus meer gelijkheid en meer bestaanszekerheid voor iedereen. Meer nadruk op sociale hervormingen en minder op economische hervormingen. Een grotere rol voor wij-met-zijn-allen, dus voor de overheid, en een kleinere rol voor ieder-voor-zich, dus voor de ongereguleerde markt. Denk aan Een sociologie die ertoe doet. Een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

Oké, nu terug naar november 2023 en de verkiezingen. Minder ver terug in de geschiedenis hebben we tientallen jaren neoliberaal beleid achter de rug. Dus van beleid van minder wij-met-zijn-allen en meer van ieder-voor-zich. In politieke termen: minder overheid en meer gedereguleerde markt. Afbraak van de verzorgingsstaat, toename van bestaansonzekerheid voor velen, met een toename van inkomens-, maar vooral van vermogensongelijkheid. Voedselbanken werden normaal. Een dak boven je hoofd werd aan de markt overgelaten, dus meer daklozen. Arbeidsmarkt gedereguleerd, dus meer onzekerheid. Doelstelling van volledige werkgelegenheid ingeruild voor versobering van uitkeringen. Tegenprestatie in de bijstand. Werkloos? Dan heb je je looneisen nog niet genoeg naar beneden bijgesteld. Stagnatie van de lonen. Armoede, niet allen bij uitkeringstrekkers, maar ook bij werkenden. Publieke voorzieningen gedecentraliseerd en uitgekleed. Gemeentebudgetten afgeknepen. Getreuzeld met de hoognodige maatregelen om de klimaatverandering af te wenden.

Allemaal "economische hervormingen", die het ieder-voor-zich van het statuscompetitie-evenwicht aanzienlijk dichterbij brachten. Minder mededogen met de zwakkeren en kwetsbaren. Anti-immigranten- en vluchtelingensentiment. Toenemend rechts-extremisme. Ontkenning van wetenschappelijke inzichten.

Nu lijken we tot inkeer te komen. Er was al de Grote Financiële Crisis van 2008-2010. Er was de coronapandemie. De rampzalige gevolgen van de klimaatverandering dienen zich aan. We krijgen door dat er iets heel erg is misgegaan. De overheid moet terug.

We moeten weer de weg inslaan in de richting van het gemeenschapsevenwicht. Met het oog op ons aller welzijn. En omdat het in moreel opzicht de juiste weg is.

Het is de weg die we na de Tweede Wereldoorlog met overtuiging hadden ingeslagen. Toen we de lessen hadden geleerd van de economische crisis van de jaren dertig, van de New Deal in de Verenigde Staten, van de bezuinigingspolitiek in Duitsland die Hitler aan de macht bracht, van de daaropvolgende Holocaust.

Toen we, met John Maynard Keynes, inzagen dat een economie zonder een grote sturende rol van de overheid niet goed voor iedereen kan werken. De tijd dus van "de gemeenschap, georganiseerd in de staat". 

Maar ook de tijd waarin de  tegenstand zich al begon te organiseren. Er zijn altijd de rijken en de machtigen die denken dat ze in de statushiërarchie van het ieder-voor-zich beter af zijn dan in het wij-met-zijn-allen. Die backlash wordt voor de Verenigde Staten fraai beschreven in hoofdstuk 13 (The Aristocracy Strikes Back) van The Price of Peace. Money, Democracy, and the Life of John Maynard Keynes van Zachary D. Carter. 

Dat is de tragiek van de strijd tussen gemeenschap en statuscompetitie: hoewel gemeenschap naar welzijn en morele maatstaven beter is, zijn er altijd degenen die niet bestand zijn tegen de verlokkingen van status, macht en rijkdom in een ongelijke statushiërarchie. Als je het eenmaal (veel) beter hebt dan anderen, dan is het moeilijk om je voor te stellen dat er een toestand zou kunnen bestaan, het wij-met-zijn-allen, die voor iedereen beter is. Dat is precies de moeilijkheid die mensen aan de top immoreel doet handelen en waardoor ze het zo moeilijk hebben met de democratie, de institutionalisering van het wij-met-zijn-allen. Denk aan de Republikeinen in de Verenigde Staten, die verkiezingen alleen dan eerlijk vinden als die in hun voordeel worden beslist.

Die backlash was uiteindelijk succesvol met het rond 1980 aan de macht komen van Ronald Reagan (de overheid is niet de oplossing, maar het probleem) en Margaret Thatcher (er bestaat niet zoiets als de maatschappij). En met het begin van dat neoliberale tijdperk, waar we nu misschien het einde van meemaken. In het Nederlandse politieke speelveld is er een ruk naar links vergeleken met vier jaar geleden, maar dat geldt vooral voor linkse en middenpartijen. Maar uitgerekend de neoliberale VVD werd na de Grote Financiële Crisis, tegen alle logica in, de grootste partij en doet het nog steeds goed in de peilingen. En extreemrechts profiteert van de door de neoliberale politiek gecreëerde bestaansonzekerheid onder de kiezers. Geert Wilders ruikt zijn laatste kans.

En in de Verenigde Staten wijzen de beleidsdaden van de Democratische regering-Biden wel heel duidelijk op een afrekening met het neoliberale tijdperk, dat culmineerde in het Trumpisme, en een terugkeer naar de ideeën van de Keynesiaanse New Deal. Jennifer Rubin schreef daarover in de Washington Post, met een verwijzing naar het nieuwe boek van Robert Putnam, met deze eerste twee alinea's:

America has the capacity to reorient itself in a way that emphasizes community, shared national purpose and inclusion. That’s according to political scientist Robert Putnam, who in his latest book, “The Upswing: How America Came Together a Century Ago and How We Can Do It Again," draws lessons from the a 125-year period of U.S. history spanning from the Gilded Age (characterized by polarization and self-centeredness) to the extended Progressive Era (characterized by diminished polarization and greater concern for the common good) to the post-1960s, which saw the rise again of polarization and self-centeredness.

Putnam dubs this “I-We-I” phenomenon. As he argued in a recent interview with Salon, “America may once again pivot toward a ‘we’ society — more equal, less polarized, more altruistic, less socially fragmented and more attentive to historic, structural inequalities.” In that case, President Biden is the right leader for a potential hinge moment. “Biden is proving to be just what the doctor ordered for a shaken country, focused explicitly on ‘we,’ not ‘I,’” Putnam said. "It’s not just his well-known empathy for people in pain, nor his equally well-known propensity to work across the aisle, but also his ability to adapt to changed political circumstances.”

Ook in ons land is het de hoogste tijd voor de wij-maatschappij. 

Dus voor een stem op GroenLinks-PvdA.

maandag 30 oktober 2023

De moraal is terug - Over de wettelijk geregelde zorgplicht en maatschappelijk verantwoord ondernemen

Mensen zijn morele wezens.Tegenover het statuscompetitiepatroon, waarin het ieder-voor-zich geldt, kent de menselijke sociale natuur ook het gemeenschapspatroon, dat ons voorhoudt dat iedereen meetelt. Dat gemeenschapspatroon is in de loop van de mensheidsgeschiedenis ontstaan om samenwerking en delen te bevorderen en daarmee de grote nadelige effecten van het statuscompetitiepatroon tegen te gaan. Het is cruciaal geweest voor de overleving van de menselijke soort en is dat nog steeds.

Maar dat inzicht is niet altijd geprononceerd in het menselijk denken aanwezig. Zo is de transformatie naar de marktmaatschappij, toen de markt zich als nieuw sociaal domein ontwikkelde, steeds begeleid geweest met de gedachte dat in dat nieuwe domein het gemeenschapspatroon niet hoefde, ja zelfs niet behoorde, te gelden. Karl Polanyi (1886 - 1964) omschreef het ontstaan van die gedachte als de grote waterscheiding aan het eind van de achttiende eeuw. Zie Na de morele luchtledigheid waarin we de economie zich hebben laten ontwikkelen, moeten we terug naar de maatschappij als moreel project - En over Polanyi's waterscheiding rond 1780.  

Sinds die waterscheiding kennen we het moreel luchtledige vak economie, dat de zoveel mogelijk ongereguleerd markt aanprijst als primaire bron van welvaart, waartegenover de overheid zich zoveel mogelijk zou moeten terugtrekken. De overheid als drager van het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon wordt in het theoretische apparaat van dat vak genegeerd. De markt moest zijn weldadige werk kunnen uitvoeren en dat moest in het invloedrijke betoog van Milton Friedman in 1970 betekenen dat ondernemingen zich uitsluitend dienden te laten leiden door het doel van winstmaximalisatie ten behoeve van hun aandeelhouders. Het zou juist verkeerd zijn om morele overwegingen daarbij te laten meewegen. Zie Wat mogen we van ondernemingen verwachten? En over Milton Friedman en Kenneth Boulding. 

Hoewel die invloed dus groot was, zien we nu al jaren een terugtrekkende beweging, ja, zelfs een beweging in omgekeerde richting. Na decennia van neoliberale politiek komen we nu zo langzamerhand tot de conclusie dat de maatschappij, inclusief de markt, een moreel project is.  

Die ontwikkeling speelt zich enerzijds af in de vorm van pleidooien voor een wettelijke plicht tot maatschappelijk verantwoord ondernemen, dus een plicht tot het meenemen van morele overwegingen in het ondernemersgedrag. 

En anderzijds in het opduiken van de gedachte van een wettelijk verankerde zorgplicht voor marktdeelnemers, dus niet alleen ondernemingen, maar ook burgers en zelfs overheidsinstellingen. Zo'n wettelijk geregelde algemene zorgplicht is er al sinds 2014 voor banken, als afronding van een ontwikkeling naar een civiele bijzondere zorgplicht die al eind jaren negentig was begonnen. Zie het boeiende betoog De bijzondere zorgplicht van financiële dienstverleners onder toezicht
van Ilan de Vré uit 2014.

Actueel in dat verband van de zorgplicht is de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024. In die wet wordt een algemene zorgplicht ingevoerd voor alle activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Die Omgevingswet komt in de plaats van wetgeving omtrent natuurbescherming, milieubeheer en bodembescherming, waarin ook al sprake was van zorgplichten. Naast die zorgplicht kent de Omgevingswet ook een algemeen verbod op activiteiten of het nalaten van een activiteit als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan. Zie Zorgplicht in de Omgevingswet en Nieuwe omgevingswet regelt alles voor de omgeving. 

Het boeiende van deze ontwikkeling is dat die zorgplicht weliswaar wettelijk verankerd wordt en bestuursrechtelijk en strafrechtelijk handhaafbaar is, maar niet volledig wordt omschreven. Hij gaat verder dan de plicht tot het opvolgen van specifieke, uitgeschreven regels. 

Dat betekent niets anders dan dat bedrijven (en burgers) de verantwoordelijkheid krijgen toebedeeld om zelf ervoor te blijven zorgen dat hun handelen geen schadelijke gevolgen heeft voor de omgeving (en dus voor anderen). En dat kun je weer niet anders interpreteren dan dat moreel verantwoord gedrag verwacht wordt. Waarin iedereen meetelt en waarin dus anderen niet mogen worden geschaad. Gedrag dat nimmer vooraf precies valt te specificeren. Maar dus wel wettelijk verplicht wordt. Met uiteindelijk de mogelijkheid dat de rechter van geval tot geval zal kunnen beoordelen of aan die zorgplicht voldaan is.

Het zijn heel belangrijke ontwikkelingen. Waarbij niet altijd beseft lijkt te worden dat ze dat betoog van Milton Friedman uit 1970 dat bedrijven niets anders behoren te doen dan hun winst te maximaliseren ten behoeve van hun aandeelhouders wel heel ver achter zich laten. 

En waarbij dat moreel luchtledige vak economie aan de zijlijn staat en geen enkele positieve rol speelt.

vrijdag 29 september 2023

Het hek is van de dam. In het neoliberale denken telt niet iedereen mee - Over het sociale minimum en over de democratie

Het hek is van de dam. Het was natuurlijk al veel eerder duidelijk, zie Rutte-III valt over de Toeslagenaffaire. Maar er is veel meer. Lees hier wat ik daar sinds 2015 over schreef en Bestaanszekerheid terug waar het hoort: in het hart van de politiek – Hoog tijd voor een nieuw politiek tijdperk, maar nu zijn er vrijwel dagelijks de berichten over wat het neoliberale denken in de politiek in de afgelopen veertig, vijftig jaar heeft aangericht. Terwijl we in een democratie leven, waarin de morele gemeenschapsintuïtie van het iedereen-telt-mee vorm zou moeten krijgen, heeft de politiek ons in een toestand doen belanden waarin de groei van welvaart voor sommigen genereus of zelfs buitensporig was en waarin tegelijkertijd de minima er in koopkracht en bestaanszekerheid op achteruitgingen. Niet iedereen heeft meegeteld.

Wat er precies gebeurde en hoe dat kon gebeuren, wordt wel heel schrijnend duidelijk uit de nu lopende verhoren van de Parlementaire enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening. En er zijn de twee rapporten van de Commissie Sociaal Minimum, Een zeker bestaan I, dat in juni werd uitgebracht, en Een zeker bestaan II, dat gisteren werd aangeboden aan demissionair minister Carola Schouten voor Armoedebeleid. Bovendien was er de analyse van Wiemer Salverda in ESB, waarin hij laat zien dat de welvaartswinst in de afgelopen halve eeuw volledig aan de minima is voorbijgegaan. Hij berekent dat het
minimumloon als percentage van het gemiddelde loon daalde van 62 procent in 1976 naar 39
procent in 2021 – een daling van 37 procent.

Salverda pleit er voor om het minimumloon niet langer te koppelen aan de cao-loonindex, maar aan het gemiddelde van de verdiende lonen, hetgeen ook in overeenstemming zou zijn met Europese initiatieven. Dat zou echt uitdrukking geven aan het iedereen-telt-mee van de democratie, omdat dan elke groei van de topinkomens ook doorwerkt in de hoogte van het minimum.

In plaats daarvan kiest de Commissie Sociaal Minimum er voor om in de wet te verankeren dat de regering elke vier jaar het sociaal minimum herijkt en hierover advies vraagt aan een commissie met experts. Dat lijkt in vergelijking met het voorstel van Salverda omslachtig en creëert onzekerheid.

Hoe dan ook, we zien dat in de decennia die achter ons liggen het democratische iedereen-telt-mee er bekaaid is afgekomen. Dat neoliberale denken lijkt zich slecht met de democratie te verdragen. 

En eigenlijk is dat laatste helemaal niet verrassend. Want als je de markt boven alles stelt, dus ook boven de morele gemeenschapsintuïtie van het iedereen-telt-mee, dan kun je niet anders dan grote moeite hebben met de democratie.

En precies dat laat Thomas Biebricher heel fraai zijn in het pas verschenen The revolution will not be theorized: Neoliberal thought and the problem of transition. Hij analyseert zorgvuldig en uitvoerig hoe de neoliberale denkers, van de ordoliberalen Wilhelm Röpke, Walter Eucken en Alexander Rüstow tot Milton Friedman, Friedrich Hayek en James M. Buchanan eenvoudigweg niet in staat zijn om de democratie voluit te omarmen. 

Als de markt prioriteit dient te hebben, dan moet in hun ogen de werking van de democratie in verschillende vormen, maar in ieder geval aanzienlijk worden ingeperkt. Denk bijvoorbeeld aan wat ik eerder over over James Buchanan schreef: Over de neoliberale wens om de democratische overheid grondwettelijk in te perken. En over James Buchanan en de Chileense grondwet.

dinsdag 19 september 2023

Kiezers willen minder ongelijkheid en rechtvaardiger verhoudingen. Maar dat wilden ze eerder ook al. En dus over sociale zeepbelvorming onder politici

De werking van de innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur, waarin het gemeenschapspatroon en het statuscompetitiepatroon om de voorrang strijden, valt in alle sociale domeinen waar te nemen. In de persoonlijke fysieke en online levenssfeer, in die van de anonieme ontmoetingen, zoals in de publieke ruimte en op sociale media, in de georganiseerde verbanden van verenigingen, vrijwilligersorganisaties en ondernemingen en in het verband van de nationale staat. Ja, zelfs daarboven, in het verband van de internationale politiek, in de vorm van gewelddadige conflicten en van mensenrechtenverdragen.

In het verband van de nationale staat wijst alles erop dat we nu in een overgangstijd zitten waarin het gemeenschapspatroon opnieuw de overhand krijgt op het statuscompetitiepatroon. Terwijl na de Tweede Wereldoorlog het gemeenschapspatroon zich in de politiek doorzette met de opbouw van de sociale zekerheid en van rechtvaardige verhoudingen, kreeg vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw het statuscompetitiepatroon steeds meer het heft in handen. Waardoor de bestaansonzekerheid en de ongelijkheid toenamen.

Voor wat ons land betreft heeft dat er uiteindelijk toe geleid dat nu vrijwel alle politieke partijen aankondigen dat ze de bestaansonzekerheid willen verminderen en de ongelijkheid willen terugdringen.  Zie ook Bestaanszekerheid terug waar het hoort: in het hart van de politiek – Hoog tijd voor een nieuw politiek tijdperk.

En dat is ook precies wat de kiezers willen, getuige de uitslag van het representatieve onderzoek van Ipsos in opdracht van de NOS: Nederlanders willen dat welvaart eerlijker wordt verdeeld:

Bijna twee derde van de Nederlanders (64 procent) vindt het belangrijk dat de welvaartsverschillen kleiner worden. Kiezers van alle partijen zijn het daarmee eens. Bij linkse partijen ligt dat percentage rond de 80, maar ook onder VVD-kiezers is 43 procent er voorstander van.

Een eerlijke welvaartsverdeling moet volgens Nederlanders vooral worden betaald door bedrijven meer belasting te laten betalen. 60 procent vindt dat de belasting voor bedrijven omhoog moet. Bijna evenveel mensen (56 procent) vinden dat er meer belasting moet worden geheven op hogere inkomens. Ook verhoging van de vermogensbelasting krijgt veel steun (49 procent).

Daarbij moet meteen worden opgemerkt dat die sterke voorkeur van mensen voor minder grote inkomensverschillen niet nieuw is. In de tientallen jaren van neoliberaal beleid die achter ons liggen en die de ongelijkheid doelbewust lieten oplopen, is er eigenlijk altijd de opvallende kloof geweest tussen wat de politici teweegbrachten of lieten gebeuren en de afkeer van grote ongelijkheid bij de kiezers. Het lijkt er sterk op dat de politici veel meer meegingen in het omhelzen van het statuscompetitiepatroon dan de kiezers voor wenselijk hielden. De sociale zeepbelvorming van de marktvuistregel was er vooral onder de politici, veel minder onder de kiezers. Over het algemeen volgens mensen liever het in hen levende gemeenschapspatroon van iedereen-telt-mee dan dat vervelende statuscompetitiepatroon van het ieder-voor-zich. En dat komt to uiting in kiezersvoorkeuren. Als kiezers zijn mensen kennelijk stabieler dan als politici.

Ter toelichting hieronder een aantal berichten die eerder op dit blog verschenen.

Burgers willen geen kleinere overheid met lagere belastingen

 (16 september 2013) Steeds meer blijkt dat de voorstanders van bezuinigen in een recessie meer gemotiveerd zijn om zo de overheid een kopje kleiner te maken dan om ons uit die recessie te helpen. In ons land is dat van de VVD zonder meer duidelijk, al was het maar doordat Rutte dat met zoveel woorden heeft gezegd. Maar het lijkt er op dat de andere regeringspartij, de PvdA, ook een kleinere overheid wil.

Nu is groot of klein eigenlijk niet de eerste vraag. Belangrijker is wat je als belangrijke overheidstaken ziet en dan blijkt wel hoe groot of klein die overheid moet zijn om die taken uit te voeren. Maar de PvdA koos altijd voor een pakket taken op het gebied van sociale zekerheid, sociale voorzieningen, werkgelegenheid, onderwijs en gezondheidszorg dat met een kleine overheid moeilijk valt uit te voeren. Ook al omdat langs die weg rechtvaardigheid, gelijkheid en gelijke kansen werden bevorderd.

Daarvan lijkt nu alleen de nivellering te zijn overgebleven. Als er maar genivelleerd word, ik chargeer wat, dan stemt de PvdA graag in met een kleinere overheid, hoge werkloosheid  en een nodeloos langere duur van de recessie. Alles ten behoeve van begrotingsevenwicht, op zich een onzinnig doel.

Maar willen de burgers eigenlijk wel een kleinere overheid? En lagere belastingen?

Een antwoord op die vraag was vorige week voor Engeland te vinden in de nieuwste British Social Attitudes. In dat onderzoek wordt ook gekeken naar de houding van burgers tegenover overheidsuitgaven en de rol van de overheid.

Wat blijkt daaruit? Als je kijkt naar Figuur 2.1 op pagina 36, dan zie je dat het percentage van de Britse burgers dat zegt lagere belastingen en minder overheidsuitgaven te willen, tussen 1983 en 2012 altijd lager is geweest dan 10 procent. In Engeland moeten ze dus helemaal niets hebben van die kleinere overheid.

Hoe zit dat dan in Nederland? Ik kon alleen de cijfers vinden voor de periode tussen 1970 en 2002, in het SCP-rapport De steun voor de verzorgingsstaat, 1970-2002. Het gaat daar, op pagina 14, over de vraag hoeveel geld de overheid voor openbare voorzieningen moet hebben. Mensen konden kiezen tussen "veel meer", "een beetje meer", "zo laten", beetje minder" en "veel minder". In 1970 koos 7 procent voor een beetje of veel minder. Dat percentage nam daarna flink toe (met een maximum van 16 procent in 1975), maar was in 1996 weer naar 8 procent teruggevallen. In 2002 was het gedaald naar 6 procent. (Heeft het SCP niet de recentere cijfers?)

Ook in de Verenigde Staten blijkt keer op keer de steun voor sociale voorzieningen opvallend hoog te zijn. Terwijl daar de retoriek van de kleine overheid hoogtij viert. En de ongeïnformeerdheid schrikbarend is. Wat er toe kon leiden dat leden van de Republikeinse partij en van de conservatieve Tea Party-beweging konden uitroepen dat de overheid met haar handen van hun Medicare-uitkering moest afblijven, onwetend van de omstandigheid dat Medicare een overheidsvoorziening is.

Al met al redenen om te denken dat die opbouw van de verzorgingsstaat na de Tweede Wereldoorlog in de westerse landen niet zomaar een voorbijgaand verschijnsel is. Ik denk als je de menselijke sociale natuur combineert met algemeen kiesrecht en met voldoende garanties voor goed onderwijs en goede informatievoorziening, dat er dan altijd een behoorlijk omvangrijke verzorgingsstaat uit tevoorschijn komt. Mensen zijn bereid daarvoor te betalen.

Zijn de kiezers linkser dan de politici? 

 (25 augustus 2015) De steun voor de verzorgingsstaat kun je aflezen aan de houding tegenover de wenselijkheid van uitgaven ten behoeve van publieke en sociale voorzieningen. En dan blijkt steeds dat die houding opvallend positief is. Mensen willen helemaal geen kleinere overheid met lagere belastingen. Zie hier voor cijfers voor het Verenigd Koninkrijk en Nederland.

En cijfers uit 2008 voor 13 West Europese landen laten zien dat een ruime meerderheid (69 procent) er voor is dat de overheid maatregelen neemt om de inkomensongelijkheid terug te dringen. Een inkomensbeleid dus dat past bij de verzorgingsstaat vanwege de steun voor de zwakkeren en de hoge belastingtarieven voor de rijkeren.

Omdat de huidige Europese politieke elite geheel in de ban is van de neoliberale hervormingsdrang, vraag je je af of de politici wel doorhebben dat de kiezers een linkser beleid voorstaan. Want volgens al die hervormingen moet het allemaal wat minder met die publieke en sociale voorzieningen. We moeten bezuinigen en de overheid moet kleiner. De markt moet meer ruimte krijgen. En dat houdt in dat we grote inkomensverschillen mogen betreuren, maar dat we als overheid ons daar niet mee behoren te bemoeien. Dat dit de overheersende opvatting is geworden onder de politieke elite, ligt er overigens vooral aan dat de sociaal-democratie vrijwel naar het neoliberale kamp is overgelopen.

Dat de steun voor de verzorgingsstaat onder de kiezers groot en stabiel is, wordt bevestigd door recente cijfers van TNS NIPO, waar Tim de Beer mij op attendeerde. In juni van dit jaar konden mensen op een schaal van 1 (veel kleiner) tot 10 (veel groter) aangeven of ze kleinere of grotere inkomensverschillen wilden. Het blijkt dan dat 77 procent de voorkeur geeft aan kleinere inkomensverschillen. Opvallend is ook dat de gemiddelde score 4,0 bedraagt. Alleen de VVD-kiezers zaten met 5,51 rechts van het midden.

Het lijkt een hype te zijn, dat neoliberale "hervormings"- en bezuinigingsbeleid van de huidige politici, los gezongen van wat onder de kiezers leeft.

Je mag dus verwachten dat verkiezingen dat vroeg of laat zullen corrigeren. Ik denk even aan de ontwikkelingen in het Verenigd Koninkrijk, waar Jeremy Corbyn, een sociaal-democraat die wordt afgeschilderd als radicaal-links, hoge ogen gooit om de nieuwe leider van  Labour te worden. Met beleidsvoornemens waar nogal wat mainstream-economen zich achter hebben gesteld. 

Zijn de kiezers linkser dan de politici? Nieuwe aanwijzingen

(22 mei 2017) We maken een tijd mee waarin er sprake is van verrechtsing van het electoraat. Maar het zou wel eens kunnen zijn dat die verrechtsing, en vooral de populariteit van het neoliberalisme, vooral een fenomeen is dat zich afspeelt in de kringen van de politici.

Het lijkt soms alsof dat kringetje van politici, waar overigens politieke verslaggevers graag dicht tegenaan schurken, een eigen wereldje is geworden. Waarbinnen natuurlijk verschillen van mening bestaan, maar waarin ook een stilzwijgende afspraak lijkt te heersen dat het met die verschillen niet uit de hand moet lopen. Vooral als je de verdenking op je laadt dat je "te links" bent, dan loop je kans om niet meer echt serieus te worden genomen. In dat wereldje en de daaromheen cirkelende media is links "uit".

Verrechtsing dus in de politiek. Maar ook bij de kiezers?

Dat staat nog te bezien. Ik stond daarbij stil in de berichten Burgers willen geen kleinere overheid met lagere belastingen en Zijn de kiezers linkser dan de politici? Er zijn aanwijzingen dat de steun voor de sociale zekerheidsarrangementen en voor de kleinere inkomensverschillen van de verzorgingsstaat onverminderd hoog is. En dat de ideologie van de kleine overheid bij de kiezers helemaal niet populair is. Zie voor meer daarover ook Over ontevredenheid met de politiek en de steun voor de verzorgingsstaat - leven we in een pre-revolutionaire toestand? en Essay De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding?

Daar komen nu nieuwe aanwijzingen bij voor wat de Verenigde Staten betreft. Laat je geen rad voor ogen draaien: dat daar Donald Trump op een of andere manier aan de macht is gekomen ( op welke manier zal nog blijken), doet er niets aan af dat het Amerikaanse kiezersvolk in feite steeds meer naar progressief en links tendeert. Het lijkt er zelfs op dat het verschijnsel Trump die tendens heeft versterkt.

Dit blijkt uit cijfers die Ruy Teixeira vandaag op Vox geeft. Zie What right-wing populism? Polls reveal that it’s liberalism that’s surging. We zien bijvoorbeeld dat de houding tegenover immigranten overwegend positief is en positiever is geworden. 60 procent van de Amerikanen is nu van oordeel dat immigratie Amerika meer helpt dan schaadt, terwijl slechts ruim 30 procent van het tegendeel overtuigd is. En de houding tegenover de Affordable Care Act (Obamacare) is nu positief, ondanks de massieve rechtse propaganda. Waartegenover slechts 21 procent zijn goedkeuring geeft aan het door de Republikeinen ingediende alternatief voor Obamacare.

En hoe opvallend is dit plaatje, dat ik naar ik aanneem als een citaat wel mag overnemen:



We zien dat de algemene houding tegenover de rol van de overheid in het oplossen van problemen en het tegemoetkomen aan de behoeften van mensen sinds 1995 sterk positiever is geworden. De Republikeinse anti-overheidspropaganda, die met Ronald Reagan een aanvang nam en door George Bush werd voortgezet, slaat niet meer aan. En heel recent lijkt het afschrikwekkende fenomeen Trump zijn werk te doen.

Blijft natuurlijk de vraag hoe het kon gebeuren dat er in de kringen van politici en media zo'n merkwaardige neoliberale zeepbel kon ontstaan. Wat dat betreft zijn we denk ik voorlopig nog niet uitgepraat over de betreurenswaardige rol die de sociaal-democraten daarin gespeeld hebben. 

Ruime meerderheden vinden dat overheid de ongelijkheid binnen de perken moet houden

(7 november 2019) Maarten Hermans van de KU Leuven maakte met de data van de European Social Survey de onderstaande grafiek. Je ziet voor de jaren 2002, 2008, 2014 en 2018 het percentage van de ondervraagden dat het er mee eens of er sterk mee eens is dat de overheid beleid moet voeren tegen te grote inkomensongelijkheid.

Je ziet voor de landen Nederland, Groot Brittannië, Noorwegen, België, Duitsland, Frankrijk en Italië een duidelijke toename van die percentages. Dat is gemakkelijk te verklaren uit de toename van inkomensongelijkheid in veel landen en de daarmee gepaard gaande toename van berichten in de media daarover. (Lees hieronder door.)

Maar wat je ook ziet is dat de percentages over de gehele periode ruim boven de vijftig procent liggen. Het gemiddelde van deze landen zal in 2002 zo ongeveer tegen de 70 procent hebben gelegen en lijkt in 2018 toegenomen te zijn tot tegen de 75 procent.

De verschillen tussen de landen kunnen te maken hebben met de verschillen in ongelijkheid. Volgens die redenering zou de ongelijkheid in Italië aanzienlijk groter zijn dan die in Nederland, wat geloof ik ook zo is.

Maar ze kunnen ook te maken hebben met verschillen in politieke opvattingen. Grotere inkomensgelijkheid brengt een land dichter bij het gemeenschapsevenwicht en vooral de linkse kiezers zullen daarmee instemmen. En zo gezien valt het op dat de drie grote landen Italië, Frankrijk en Duitsland in 2018 het meest links zijn. (Terwijl Duitsland in 2002 het minst linkse land was.)

Maar wat natuurlijk bovenal opvalt is dat  het zulke ruime meerderheden zijn die vinden dat de ongelijkheid niet te groot moet zijn en dat daar een taak voor de overheid ligt. Terwijl in deze periode bij de politici nog de neoliberale fantasiewereld overheerst waarin de markt vooral zijn werk moet doen en de overheid daar zo weinig mogelijk tussen moet komen. Waarin ongelijkheid die daaruit resulteert juist goed is of voor lief moet worden genomen.

Kennelijk zijn de kiezers linkser dan de politici en hebben ze meer inzicht in de negatieve effecten van te grote ongelijkheid. 

Ook met Trump aan de macht zijn Amerikanen overwegend centrum-links

(7 november 2017) 

Update. Als Amerikanen inderdaad overwegend centrum-links zijn, hoe slagen de Republikeinen er dan in om toch de verkiezingen te winnen? Door langs verschillende wegen, en met hulp van de Russen, de democratische gang van zaken zoveel mogelijk buiten werking te stellen. Zie daarover nu (april 2019): De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 16 - Hoe het Amerikaanse Grote Geld zich verdedigt tegen de democratie.
Het domein van de publieke besluitvorming, dat van de democratie en de politiek, is in de mensheidsgeschiedenis zo nieuw dat je niet kunt verwachten dat mensen er gemakkelijk hun weg in vinden en weloverwogen tot oordelen komen.

We zijn weliswaar gewend om die oordelen te rangschikken op het continuüm van links (ruwweg: meer overheid) naar rechts (ruwweg: minder overheid), maar de meeste kiezers zijn helemaal niet zo vertrouwd met die tweedeling.

In zijn opiniestuk in de New York Times van vorige week (America Is Not a ‘Center-Right Nation’) herinnert Eric Levitz aan het onderzoek van de politicoloog Philip E. Converse uit 1964, waaruit bleek dat slechts 17 procent van de Amerikaanse kiezers het verschil tussen links (liberal) en rechts (conservative) goed kon uitleggen. De grote meerderheid bracht niet zijn stem uit op grond van een duidelijke politieke ideologie. Dat klassiek geworden onderzoek werd beschreven in het essay The nature of belief systems in mass publics.

Sindsdien zijn Amerikanen niet ideologischer gaan denken over de politiek, ondanks dat het politieke speelveld sterk is gepolariseerd. Levitz verwijst naar het boek Neither Liberal nor Conservative. Ideological Innocence in the American Public van Donald R. Kinder en Nathan P. Kalmoe.

Voor de meeste mensen geldt dat ze weinig tijd hebben om zich in politieke denkbeelden en discussies te verdiepen en daar ook weinig in geïnteresseerd zijn. Veel kiezers vinden weliswaar van zichzelf dat ze "links" of 'rechts" zijn, maar wat die etiketten precies inhouden, dat hebben ze niet altijd zo duidelijk voor ogen.

Dat betekent dat de politici een grote verantwoordelijkheid hebben in het omlijnen en differentiëren van het politieke speelveld. In de woorden van Levitz:
One crucial implication of this finding is that political elites have enormous power to dictate ideological terms to their rank-and-file supporters. For a healthy chunk of conservative Republicans and liberal Democrats, the “liberal” and “conservative” position on most issues is whatever their party leaders say it is. Donald Trump’s success at redefining conservative voters’ consensus views on free trade, American policy toward Russia and the relevance of personal morality to effective political leadership offers a particularly vivid illustration of this phenomenon.

Ik denk daarbij natuurlijk ook aan de sociaal-democratische omarming van het neoliberalisme en het daarmee uit het politieke speelveld nagenoeg laten verdwijnen van linkse standpunten.

Maar wat zie als je kiezers naar hun mening vraagt over allerlei politieke strijdpunten? Dan blijkt dat de meerderheid van de Amerikanen een door de overheid georganiseerde en gefinancierde gezondheidszorg wil (Obamacare), hogere belastingen voor de rijkeren, gratis onderwijs en betere sociale voorzieningen.

Als het om de issues gaat in plaats van om de ideologie, dan zijn de meeste Amerikanen links. Dat lijkt in deze tijd algemener op te gaan: de kiezers zijn linkser dan de politici. 

maandag 24 april 2023

Het neoliberalisme is een gewone politieke stroming die zijn kansen heeft gehad en nu plaats moet maken voor de 21ste-eeuwse sociaaldemocratie

We leven in de korte overgangstijd waarin we bezig zijn met afscheid te nemen van de veertig à vijftig jaar dat in de sociaaleconomische politiek het neoliberale denken van de marktvuistregel domineerde. Zie voor het verschil met de lange overgangstijd: We leven in een overgangstijd. In een lange en een korte. 

Die korte overgangstijd wordt er door gekenmerkt dat we de laatste stuiptrekkingen van het neoliberalisme meemaken. Laten we er even bij stil staan wat die stuiptrekkingen precies inhouden.

Het neoliberalisme kon een zo grote invloed uitoefenen op het politieke denken doordat het succesvol de reputatie wist te creëren van grote economische deskundigheid. "De economie" werd gelijkgesteld aan "het bedrijfsleven" en de neoliberale politici, zeg de VVD'ers, schurkten tegen dat bedrijfsleven aan. En ze slaagden erin om bij het grote publiek de indruk te wekken dat de linkse politici economisch onverantwoord alleen maar uit waren op "leuke dingen voor de mensen". Veel kiezers trapten daarin, ook al doordat de linkse politici weinig weerwerk boden. Erger, ze gingen een heel eind mee in dat neoliberale denken. Zie Over de sociale zeepbel van het neoliberalisme: Dat hadden we nooit moeten doen.

Maar we hebben ondertussen voldoende ervaring opgedaan om te kunnen constateren dat dat neoliberale denken op een economische fantasiewereld berustte. De fantasiewereld waarin de overheid moest terugtreden en zichzelf ook meer bedrijfseconomisch moest organiseren. En de markt moest worden uitgebreid, door uitbesteding, privatiseringen, deregulering en verlaging van belastingen. Meer ongelijkheid was goed, want zorgde voor de benodigde "prikkels". En dat alles zou zorgen voor meer economische groei en precies die economische groei moest ook het allesbepalende criterium worden voor wat wenselijk was. 

Maar wat gebeurde? De economische groei viel tegen en was lager dan in de eerste, zeg maar sociaaldemocratische, decennia na de Tweede Wereldoorlog. De ongelijkheid nam groteske vormen aan. Naast exorbitante rijkdom ellendige armoede. Van het beloofde "trickle-down" kwam niets terecht. Hogere drempels voor de sociale zekerheid en jacht op fraudeurs. Eigen risico in de gezondheidszorg. Daklozen verschenen in het straatbeeld en voedselbanken werden opgericht. Niet iedereen telde meer mee. En de financieel-economische instabiliteit nam toe. Bestaansonzekerheid nam toe. Crises stapelden zich op: De Nederlandse polycrisis: een moedeloos makende waslijst van problemen - die met elkaar samenhangen en een gemeenschappelijke oorzaak hebben.

Oké, zou je denken, laten we er snel mee stoppen. Laat die korte overgangsperiode maar zo kort mogelijk duren. Terug naar de overheidsvuistregel van de sociaaldemocratische twintig à dertig jaar van na de Tweede Wereldoorlog. Waarin nog het inzicht bestond dat de overheid niet een last is voor de economie, maar integendeel de economie laat werken en laat werken voor iedereen. Ik sloeg even Een land van kleine buffers van Dirk Bezemer erop na (p. 82-4):

We moeten de opvatting dat de overheid een last voor de economie is loslaten (...) Een veelgehoorde opvatting is dat al die overheidsdiensten uiteindelijk slechts kunnen bestaan bij de gratie van een goedlopende markteconomie. De centjes moeten wel verdiend worden voor ze kunnen worden uitgegeven - dat sentiment. Het is precies omgekeerd. Zonder de vitale functies voor markt en maatschappij die in de publieke sector geborgd worden, is er weinig groei en ontwikkeling en grote fragiliteit. Er zijn helemaal geen centjes te verdienen zonder overheidsuitgaven.

De publieke sector is met name een buffer voor wie zelf weinig veerkracht heeft. Van zwemles op school tot jongerenwerk, van politie op straat en een jeugdwerker in moeilijke wijken tot begeleid wonen voor psychiatrische patiënten, sociale advocatuur, en het uitbetalen van toeslagen: de publieke sector draagt bij aan de veerkracht van juist die Nederlanders die daar zelf geen geld voor hebben.

Dat gaat het om het iedereen-telt-mee van de democratische overheid. Maar er is ook de overheid waarzonder de economie niet werkt.

Maar ook in harde financiële zin is de publieke sector een buffer voor huishoudens en bedrijven. De eerste reden is dat een groep burgers die buiten de boot valt hoge maatschappelijke kosten veroorzaakt. De tweede reden is dat goed vervulde publieke taken ook grote financiële baten voor burgers en bedrijven opleveren. Een overheid die goed openbaar vervoer verzorgt en subsidieert, of woningen bouwt voor de sociale huursector, of de prijzen voor water en electriciteit laag houdt, of zwembaden, bibliotheken en parken onderhoudt, of een breed aanbod aan cultuur garandeert, of effectieve vraag op peil houdt in recessies - zo'n overheid bespaart haar burgers kosten van levensonderhoud op allerlei gebied. Dat vertaalt zich ook in lagere loondruk, omdat adequate overheidsvoorzieningen een goede kwaliteit van leven bieden, ook voor wie een bescheiden inkomen heeft.

Overheidsuitgaven, sterker overheidstekorten, zijn onmisbaar voor een goed lopende economie. Geheel tegengesteld aan het denken van die neoliberale marktvuistregel. Daarin staan de zorgen om het "houdbaarheidssaldo" van de overheidstekorten centraal. Volgens de berekeningen van het Centraal Planbureau die Bezemer aanhaalt, zouden de overheidsfinanciën (p.79)

pas houdbaar worden op een niveau dat sinds 1814 nog nooit voorgekomen is. Dit zou toch aanleiding moeten zijn nog eens na te denken over het realisme van dit getal, een realisme dat ontbreekt in de onderliggende theoretische aannames. Kort gezegd, in het gebruikte model zijn de overheidsbestedingen slechts kosten, en leveren ze maar heel weinig op; geheel conform het wereldbeeld uit de leerboeken.

En precies dat wereldbeeld uit de leerboeken, de fantasiewereld van het neoliberale denken, is in de achter ons liggende periode van zo grote invloed geweest op het denken van de politiek. Het gaf dat denken een cachet van neutrale, apolitieke wetenschappelijkheid. "De economen" zeiden het, dus was het zo.

En het is ook precies die invloed die de voltrekking van het afscheid van de neoliberale marktvuistregel nog lijkt te vertragen. In HP/De Tijd vraagt Hans van Willigenburg zich af of we in de nadagen van het neoliberalisme zitten. En of we ooit nog van dat denken afkomen: Gezwicht voor de beloften van de markt. 

Voor het definitieve afscheid lijkt het nodig dat politici en kiezers die dekmantel van zogenaamde apolitieke wetenschappelijkheid doorzien. En in staat zijn het denken te zien voor wat het is, een gewone politieke stroming die zijn kansen heeft gehad, die de beloftes niet kon waarmaken en die nu plaats moet maken. 

Plaats moet maken voor het denken dat wel recht doet aan het grote belang van het iedereen-telt-mee van de democratische overheid. Toevallig staat er in dezelfde editie van HP/De Tijd een stuk van Willem Pekelder onder de titel Heimwee naar Ome Joop. Joop den Uyl, die al

in zijn Paradiso-rede van mei 1981 waarschuwde voor het ik-tijdperk, dat de solidariteit en de verzorgingsstaat zou bedreigen.

Het is tijd voor een herwaardering van de sociaaldemocratie. Voor de 21ste-eeuwse versie daarvan. 

Net zo als de regering-Biden in de Verenigde Staten de eerste post-Reagan regering is, is het in Nederland tijd voor de eerste post-Lubbers regering. Denk aan Wat is hier aan de hand? Is dit echt het begin van een historische omslag van statuscompetitief overheidsbeleid naar gemeenschapsbeleid?

dinsdag 21 februari 2023

De Nederlandse polycrisis: een moedeloos makende waslijst van problemen - die met elkaar samenhangen en een gemeenschappelijke oorzaak hebben - deel 14

In de voorgaande berichten over de Nederlandse polycrisis (hier het vorige bericht) werd het op zijn minst enigszins aannemelijk dat die polycrisis een gemeenschappelijke bron heeft, namelijk het bij de regerende politici overheersende wereldbeeld en de bijpassende psychologie van de (neoliberale) marktvuistregel. De te grote complexiteit van politiek en maatschappij wordt onvermijdelijk opgelost met de toevlucht tot vuistregels. En er zijn twee vuistregels die het politieke landschap domineren, naast die marktvuistregel de overheidsvuistregel. 

In de marktvuistregel is de markt de primaire bron van welvaart en moet de overheid zoveel mogelijk terugtreden en zich voor wat er nog overblijft in dienst stellen van de markt. En in de overheidsvuistregel gaat het niet alleen om welvaart, maar ook om menselijk welzijn en menselijke moraal en is de overheid onmisbaar voor het nastreven daarvan. Onder de marktvuistregel huist de psychologie van het statuscompetitiepatroon, op zijn kortst geformuleerd als de omarming van het ieder-voor-zich. Onder de overheidsvuistregel huist de psychologie van het morele gemeenschapspatroon, op zijn kortst geformuleerd als de omarming van het iedereen-telt-mee.

Het maakt zacht gezegd veel verschil of bij de regerende politici de ene dan wel de andere vuistregel domineert. Dat we nu in Nederland een polycrisis ondergaan, kan gemakkelijk met de psychologie van die marktvuistregel in verband worden gebracht. Regerende politici bekleden dan weliswaar hun positie, maar neigen er toe om de daarmee samenhangende verantwoordelijkheden met enige luchthartigheid uit te oefenen. 

Het echte werk gebeurt immers op de markt en dat wil in die psychologie vooral zeggen: door het bedrijfsleven, door de grote ondernemingen. Die moet alle ruimte krijgen en dus kan er gemakkelijk en eigenlijk altijd.op overheidsuitgaven worden bezuinigd. En kunnen de belastingen altijd omlaag. Denk aan het "Ik ben in principe voor belastingverlaging. Op alles!" van Edith Schippers, kennelijk de beoogd opvolger van Mark Rutte. Lees dat interview en je maakt kennis met een welhaast perfecte weergave van de marktvuistregel. Een nog wat banalere uitdrukking van die psychologie die je wel eens tegenkomt is "Belasting is diefstal!".

Ook een heel fraaie weergave van dezelfde psychologie valt aan te treffen in het interview dat Mark Rutte zelf gaf naar aanleiding van de bedreigingen die minister van Financiën Sigrid Kaag ten deel vielen toen ze op bezoek was in Diepenheim. Rutte veroordeelt die "fakkelactie" als onbeschoft, onbehoorlijk en onacceptabel. Terecht, natuurlijk. Maar dan antwoordt hij op een vraag van de interviewer: 

Dat kunnen we met zijn allen doen. Daar hebben we als samenleving een taak in. Maar ga niet teveel naar de overheid kijken. Dit is echt iets wat we met zijn allen moeten doen. Want de overheid kan proberen te beschermen en politie en beveiliging. Maar uiteindelijk is het ook gewoon een zaak van wat vinden we acceptabel als Nederland. 

En wat gebeurt daar? De man die al twaalf jaar onze premier is, stelt de democratische overheid en "wij met zijn allen" tegenover elkaar. In zijn psychologie is die overheid er voor de bescherming en beveiliging, maar niet als uitdrukking van de morele gemeenschap van wij-met-allen en iedereen-telt-mee. In zijn (neoliberale) ogen is de democratie niet een moreel project, waarin wij met zijn allen een naar welzijn en moraal betere maatschappij nastreven. 

En dat is precies het wereldbeeld van de morele luchtledigheid van het statuscompetitiepatroon.

dinsdag 14 februari 2023

De Nederlandse polycrisis: een moedeloos makende waslijst van problemen - die met elkaar samenhangen en een gemeenschappelijke oorzaak hebben - deel 13

De sociaalwetenschappelijke analyse van de Nederlandse polycrisis in de voorafgaande berichten (hier het eerste bericht) haalt veel overhoop, maar is natuurlijk verre van volledig. Dat werd mij extra duidelijk toen ik vanochtend Goedkope arbeid maakte het bedrijfsleven lui van economisch historicus Jan Luiten van Zanden onder ogen kreeg. 

Daarin vraagt Luiten van Zanden aandacht voor het grote belang van productiviteitsgroei voor economische groei. Je kunt economisch groeien door met zijn allen langer en harder te werken, maar ook door per gewerkt uur meer te produceren. Dat laatste valt natuurlijk te prefereren, maar hoe bereik je dat?

Wat sterk bevorderlijk is voor productiviteitsgroei zijn stijgende reële lonen. Als de loonkosten stijgen, worden ondernemers geprikkeld tot arbeidsbesparende investeringen. Daardoor neemt de arbeidsproductiviteit toe en die maakt het mogelijk om de lonen verder te verhogen. Welvaart neemt toe, omdat we per uur arbeid meer tot stand brengen.

Dit "samenspel tussen reële loonstijgingen en groeiende productiviteit" was volop in werking tijdens "de Gouden Jaren tussen 1950 en 1973", de periode van de overheidsvuistregel en dus van de doelstelling van de volledige werkgelegenheid in mijn analyse. Luiten van Zanden:

Het succes van deze periode valt af te lezen uit de sterke groei van de werkgelegenheid, die voor grote krapte op de arbeidsmarkt zorgde, wat via nog scherpere stijging van de reële lonen uiteindelijk leidde tot de bekende loon- en prijsspiraal van de jaren 1970. De arbeidsinkomensquote liep daarbij sterk op, mede door de expansie van de welvaartsstaat, en de rentabiliteit van het bedrijfsleven kwam sterk onder druk te staan.

Cruciaal was hoe daar op werd gereageerd. In mijn analyse met de overgang van de overheidsvuistregel naar de marktvuistregel. Die kom je bij Luiten van Zanden tegen als "de radicale trendbreuk, waarbij de groei van de reële lonen bijna tot stilstand kwam – door de na 1980 omvangrijke werkloosheid, door de loonmatiging." Daarna, in de jaren 90, trok de economie wel weer aan, maar de vakbonden waren zwakker geworden en er kwam de flexibilisering van de arbeid. 

Deze veranderingen maakten deel uit van een veel bredere golf neoliberale ‘innovaties’ gericht op grotere marktwerking. Waar arbeidsbesparende technologische ontwikkeling voor 1980 kern geweest was van de strategie van het bedrijfsleven, werd winstgroei nu vooral gezocht in het verlagen van arbeidskosten door dit type veranderingen die wel leidden tot lagere kosten maar de productiviteit niet verhoogden. 

Het hanteren van de marktvuistregel betekende dat het de ondernemingen zoveel mogelijk naar de zin moest worden gemaakt. In de woorden van Luiten van Zanden werd het bedrijfsleven "in de watten gelegd, en ontstond een economie die als lui of zelfgenoegzaam getypeerd kan worden." Want de toegenomen winsten werden niet gebruikt voor arbeidsbesparende investeringen. Nee, ze voedden de toename van inkomens- en vooral vermogensongelijkheid.

Door die stagnatie van de arbeidsproductiviteit ontwikkelde zich uiteindelijk een krappe arbeidsmarkt. Met:

tekorten die de oplossing van allerlei maatschappelijke problemen ernstig vertragen, omdat er simpelweg geen vakmensen gevonden kunnen worden om de transitie naar duurzaamheid te bespoedigen, knelpunten in de jeugdzorg aan te pakken, of de defensie weer op poten te zetten.

Een polycrisis dus, uiteindelijk veroorzaakt door een gebrek aan arbeidsbesparende investeringen. 

Wat te doen? Welnu, we moeten met zijn allen meer en harder werken. Dus, in mijn analyse, disciplinering van de arbeid. Door verlaging van de uitkeringen en versobering van de sociale zekerheid. Een ontoereikend sociaal minimum. 'De handen uit de mouwen in plaats van de hand ophouden". Luiten van Zanden:

Het beleid dat er nu komt lijkt gericht op nog meer van hetzelfde streven om meer arbeid uit een door stress en burn-out geplaagde beroepsbevolking te persen. (...)

Daardoor zitten we nu in een ontwikkelingspad dat wel groeiende ongelijkheid, maar geen productiviteitsgroei oplevert, en zijn we nu haast gedwongen om de economische problemen op te lossen door de ‘zweet en tranen’ van meer uren arbeid in plaats van de creativiteit van nieuwe ideeën en technieken. 

Die marktvuistregel zet uiteindelijk de verticale psychologie van het statuscompetitiepatroon in werking: maak het de rijken en machtigen (het kapitaal) zoveel mogelijk naar de zin en verhoog de druk op de arbeid. Hier het volgende bericht.