Posts tonen met het label vermogensongelijkheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vermogensongelijkheid. Alle posts tonen

donderdag 11 januari 2024

Door de bomen het bos zien. Democratie en grote ongelijkheid zijn niet te verenigen

Het bos dat door de bomen van de dagelijkse stroom van politieke en maatschappelijke nieuwsberichten aan het zicht wordt onttrokken, is eigenlijk gemakkelijk te ontwaren. 

Want wat is het geval? Sinds zo ongeveer een eeuw hebben veel landen de democratische staatsvorm. Met algemeen actief en passief kiesrecht. Gebaseerd op de morele gemeenschapsintuïtie van iedereen-telt-mee. Iedereen beslist mee over de samenstelling van de volksvertegenwoordiging. En de volksvertegenwoordiging is op zoek naar het beste beleid voor iedereen. 

Om dat iedereen-telt-mee goed te laten werken, geldt er bij de besluitvorming een meerderheidsregel. (Of een gekwalificeerde meerderheid bij besluiten over de grondwet.) Daarbij wordt gehoopt dat de samenstelling van de minderheid kan wisselen, zodat er nooit een groep ontstaat die systematisch achter het net vist. Maar ook daarzonder is er het democratische ethos, op grond van die morele gemeenschapsintuïtie, dat altijd ook met de belangen van de minderheid rekening dient te worden gehouden.

De democratie als staatsvorm, en de ermee overeenkomende internationale verdragen over mensenrechten, zijn een grote verworvenheid in de mensheidsgeschiedenis. Een overwinning van het morele gemeenschapspatroon op het daaraan tegengestelde statuscompetitiepatroon dat eveneens deel uitmaakt van de menselijke sociale natuur. Als dat statuscompetitiepatroon overheerst, dan zijn onderdrukking en overheersing de gevolgen. Geen democratie, maar de dictatuur of de autocratie of de plutocratie, of in sociaalwetenschappelijke taal: de statushiërarchie. 

Dat de democratie inderdaad een verworvenheid is, wordt door al het onderzoek ondersteund dat erop wijst dat een gemeenschapstoestand naar menselijk welzijn en naar morele maatstaven te prefereren valt boven een statushiërarchie. Zie Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen voor verwijzingen naar dat onderzoek. En zie ook Alles bij elkaar genomen zie je dat democratieën beter presteren op algemeen wenselijke uitkomsten voor de bevolking dan niet-democratieën.

Toch zijn er vijanden van de democratie. Hoe kan dat? 

Het sociaalwetenschappelijke antwoord daarop is dat een stabiele gemeenschapstoestand, een "gemeenschapsevenwicht", weliswaar theoretisch denkbaar is, maar in de maatschappelijke werkelijkheid eigenlijk niet voorkomt. Dat ligt eraan dat het statuscompetitiepatroon nu eenmaal ook tot de menselijke sociale natuur behoort en er ook in de gemeenschapstoestand van de democratie voorwaarden kunnen ontstaan die dat patroon activeren.

Over de aard van die voorwaarden valt wel het een en ander te zeggen. Zo is er het inzicht dat een toename van ongelijkheid de statuscompetitie aanwakkert. Aanwijzingen in die richting werden al in 2009 verzameld door Richard Wilkinson en Kate Pickett in hun The Spirit Level. Why More Equal Societies Almost Always Do Better, in 2010 heruitgegeven met een extra hoofdstuk: The Spirit Level. Why Equality is Better for Everyone. Grotere ongelijkheid blijkt samen te gaan met een reeks van indicatoren voor de mate van statuscompetitie: minder sociale contacten, minder onderling vertrouwen, meer psychische aandoeningen, slechtere gezondheid, meer geweldsgebruik en criminaliteit en minder sociale mobiliteit. Zie voor meer onderzoek ook de berichten Is inkomensongelijkheid slecht omdat hij statuscompetitie aanwakkert?, Door meer ongelijkheid meer statuscompetitie en daardoor meer vraag naar een sterke leider die het niet zo nauw neemt met de democratie en Nieuwe aanwijzing dat inkomensongelijkheid de statuscompetitie aanwakkert

Welnu, dat wijst erop dat de democratie alleen dan een stabiele gemeenschapstoestand kan zijn als de ongelijkheid binnen de perken wordt gehouden. Wat die perken precies zijn, weten we niet. Maar zodra de ongelijkheid zo groot wordt, dat de statuscompetitie erdoor in werking komt, is de democratie in gevaar. 

Want wat kun je dan verwachten? Precies het proces dat we nu onder onze ogen kunnen waarnemen. De rijken, de miljardairs, blijken bedenkingen te hebben bij de democratie. Die kan immers met een eenvoudig meerderheidsbesluit afdwingen dat hun belastingen worden verhoogd, op hun inkomens en vermogens en op hun erfenissen. Dat ze moeten meebetalen aan de herverdeling van rijk naar arm en aan al die publieke voorzieningen, openbaar vervoer, volkshuisvesting, onderwijs, gezondheidszorg, die zij niet nodig hebben en die vooral aan de armen ten goede komen. Bovendien voelt het voor de rijken dat ze er op achteruitgaan, namelijk in status, als er niet meer gebeurt dan dat armen erop vooruitgaan. Want met een statuscompetitief wereldbeeld is het voor jou "winst" als anderen verliezen.

Vandaar dat de miljardairs altijd zullen proberen om de werking en de uitkomsten van de democratie te beïnvloeden. Door te bevorderen dat de armen, de "profiteurs", minder gaan stemmen of dat hun stem minder meetelt. Denk aan de Republikeinen, die door de miljardairs zijn gekocht en die als ze aan de macht zijn, stembureaus in de armere gebieden sluiten en de kiesdistricten zo indelen dat de stem van armere kiezers minder meetelt. 

En ze zullen vooral die politici ruimhartig financieren die voor hen gunstig beleid voorstaan. Diezelfde Republikeinen, die zich aan Trump hebben uitgeleverd, hebben nauwelijks meer andere beleidsstandpunten dan dat ze de belastingen voor de rijken willen verlagen en de sociale zekerheid willen terugdringen. In Nederland weten de grote donateurs vooral de VVD te vinden  En werd de nieuwe lijsttrekker van die partij, Dilan Yeşilgöz, "goedgekeurd" door vastgoedondernemer Cor van Zadelhoff.

En tenslotte zullen ze proberen om de verkiezingen zoveel mogelijk te laten gaan over andere thema's dan de verschillen tussen arm en rijk. Wakker de angst voor immigranten en andere minderheidsgroepen aan en je bereikt dat de minderbedeelden bij het uitbrengen van hun stem hun eigen belangen uit het oog zijn verloren. Het is bepaald niet een raadsel hoe het komt dat het rechts-extremisme de wind in de zeilen heeft.

Kortom, democratie en grote ongelijkheid zijn niet te verenigen. Hoewel de democratie naar algemeen wenselijke uitkomsten voor iedereen beter is, is het bij grote ongelijkheid voor de miljardairs teveel gevraagd om dat onder ogen te zien. Het statuscompetitiepatroon gaat zo overheersen dat een afweging met het iedereen-telt-mee van de democratie cognitief en emotioneel en moreel niet langer tot de mogelijkheden behoort.

Dat inzicht werd in de decennia na de Tweede Wereldoorlog in veel landen breed gedeeld. Waardoor sterk progressieve belastingheffing, met marginale tarieven in de inkomstenbelasting tot 90 procent vanzelfsprekend werden gevonden. Dat kan ook zolang het gemeenschapspatroon bij mensen overheerst. 

Maar het statuscompetitiepatroon kan altijd weer de kop opsteken. En dat gebeurde in de jaren 70 en 80. Onder invloed van de rechtse, economische denktanks, gefinancierd door de rijken en degenen die rijk wilden worden, en die als een van de eerste beleidsveranderingen wisten te bewerkstelligen dat die hoogste marginale tarieven werden verlaagd, eerst naar 70 procent en vervolgens tot 30 en 40 procent. Rijkdom en ongelijkheid, dat moest kunnen. Dat zou goed zijn voor de economische groei.

Maar het was vooral goed om de statuscompetitie aan te wakkeren. En uiteindelijk om de democratie in gevaar te brengen.

dinsdag 20 december 2022

De bazen en de meute vieren het bevrijd zijn van de moraal - Over de ideologie van het bazendom

Door de in de afgelopen decennia sterk toegenomen inkomens- en vooral ook vermogensongelijkheid hebben we nu te maken met wat Paul Krugman in zijn column van gisteren humeurige oligarchen (petulant oligarchs) noemt. Figuren die extreem rijk hebben kunnen worden, daardoor alom bewondering of zelfs verering oogsten, die zich allerlei bizarre voorrechten en geneugten kunnen veroorloven, die zichzelf bijzondere gaven zijn gaan toedichten en zich verheven voelen boven het gewone volk en die door hun rijkdom zoveel macht hebben dat we allemaal afhankelijk worden van hun nukken en grillen. 

Zoveel macht dat ze de democratie, die immers juist bedoeld is om macht te nivelleren (iedereen-telt-mee), maar moeilijk kunnen accepteren. Vandaar dat grote ongelijkheid, via de invloed van het Grote Geld,  een gevaar is voor de democratie. Algemener gezegd, grote ongelijkheid wakkert de statuscompetitie aan en het bestaan van zulke oligarchen is daar een onvermijdelijk gevolg van. Zie ook Door meer ongelijkheid meer statuscompetitie en daardoor meer vraag naar een sterke leider die het niet zo nauw neemt met de democratie.

Doordat zulke humeurige oligarchen zichzelf zo verheven voelen, gaan ze zich opmerkelijk kinderachtig gedragen als het hen soms tegenzit. Paul Krugman denkt aan Elon Musk. Dat kan spotternij opwekken, maar er zijn er ook die hardnekkig in hen en hun bijzondere gaven blijven geloven. Dat geloof is zoiets als de ideologie van het bossissm, een term die Krugman ontleent aan John Ganz (The Emerging Tech-Lash. The Politics of Tech Oligarchy). In het Nederlands kennen we de term bazendom. Ganz noemt ook de Zuid-Afrikaanse term baasskap, die in de tijd van de Apartheid werd gebruikt.

De ideologie van het bazendom houdt in dat er een "natuurlijk orde" bestaat, waarin sommigen, de bazen, het voor het zeggen hebben. Een orde waarin democratie dus ook niet kan bestaan. Ganz haalt de uitspraak van Peter Thiel aan, een van die oligarchen die het rechts-extremisme financieren, dat hij niet langer denkt dat vrijheid en democratie verenigbaar zijn. In het bazendom genieten de bazen, de rijke oligarchen, de vrijheid van het niet gehinderd worden door morele beperkingen. Ze kunnen onbelemmerd hun nukken en grillen volgen. Dat levert hen bewondering en verering op van de meute, die zelf ook de vrijheid van dat amorele gedrag omarmt en zich zo met de bazen kan identificeren: 

this vision of “freedom” is not only shared by the bosses and their paid ideologues—there is a “mass” component of the politics as well: this ideal of freedom is shared by a mob that worships the power of the oligarchs and wants its own freedom to consist in the total license to behave online without encountering moral sanction from the pestering wokes or to have personal consequences of any kind. Through the adoption of crackpot racial or IQ notions they can flatter themselves that they are part of the elect, minor shareholders in the oligarch’s baasskap. 

Sociaalwetenschappelijk onder woorden gebracht: de grote ongelijkheid heeft de deur opengezet voor een proces van statuscompetitie, dat is uitgemond in een statushiërarchie. Waarin de bazen én de meute de last van morele noties van zich af hebben geschud. Als er nog bepleiters van de moraal zijn, van het iedereen-telt-mee, dan worden die als woke bespot. Het "feest" van het bevrijd zijn van de moraal moet worden gevierd.

De bazen en de meute die elkaar in stand houden, het is een van de vormen waarin het statuscompetitiepatroon kan zegevieren over het gemeenschapspatroon.

maandag 12 september 2022

De gevaren van het Grote Geld en de Terreur van de Kijkcijfers voor de informatievoorziening en daarmee voor de democratie

De democratie kan niet goed functioneren als de kiezers niet goed zijn geïnformeerd. Natuurlijk kan niet iedereen van alles op de hoogte zijn, maar een zeker niveau van geïnformeerdheid hoort in een democratie te worden nagestreefd. Dat betekent dat je als overheid de media waar de kiezers hun informatie aan ontlenen, niet aan de markt kunt overlaten. 

Als je dat wel doet, dan zet je de deur wijd open voor twee gevaren: de invloed van het Grote Geld en de Terreur van de Kijkcijfers. 

Het gevaar van het Grote Geld bestaat eruit dat je de democratie uitlevert aan de rijken en de vermogenden. Die kunnen niet alleen politici rechtstreeks omkopen, ze kunnen ook televisie- en radiokanalen, kranten en andere media opkopen en daarmee beïnvloeden hoe kiezers geïnformeerd worden. Zo geïnformeerd dat ze politici en politieke partijen in het zadel helpen die voor de rijken gunstige besluiten nemen. Minder progressieve belastingen. Minder geld naar de bestrijding van belastingfraude. Meer besluiten die overeenkomen met de politieke, meestal rechts-extremistische, voorkeuren van de rijken. 

Dit kan op den duur leiden tot afschaffing van de democratie. De Amerikaanse rijken deden middels Donald Trump een poging in die richting, die vooralsnog mislukt is. Maar ook zonder afschaffing kan kan er alleen een papieren democratie overblijven. Lees over het gevaar van het Grote Geld Dark Money. The Hidden History of the Billionaires Behind the Rise of the Radical Right van Jane Mayer. Of Democracy For Sale. Dark Money and Dirty Politics van Peter Geoghehan. 

Wat te doen? Allereerst: dring de extreme inkomens- en vermogensongelijkheid terug. En zorg voor een sterkere regulering van de commerciële media. Maar ja, daar heb je een functionerende democratie voor nodig.

Dan is er nog dat gevaar van de Terreur van de Kijkcijfers. De overheid kan besluiten, zoals in ons land, dat informatievoorziening een publieke taak is en dus een publieke omroep in stand houden. Ten behoeve van de democratie. Maar wat zal er dan gebeuren als je die publieke omroep mede door reclame-inkomsten laat financieren? Dan vervaagt het onderscheid tussen publiek en commercieel. De publieke omroep wordt dan als vanzelf geprikkeld om te bezwijken voor de Terreur van de Kijkcijfers. Ten koste van de informatievoorziening. 

Vandaag fulmineert Teun van de Keuken in de Volkskrant heel terecht tegen die "kijkcijfergekte" van de publieke omroep, in het bijzonder van de talkshows. Zie De publieke omroep verwart kijkcijfers met kwaliteit. Het doel is niet meer om de kijkers te informeren:

Vaak geven omroepcollega's en -bazen pas hun mening over een uitzending als de cijfers bekend zijn: 'Mooi programma! En goede cijfers!' (...) Bij slechte cijfers hoor je meestal niks. Wel schieten de programmamakers dan in de stress. Naarstig gaan ze op zoek naar oorzaken. (...)

En dan komt het grote aanpassen. Er moeten populairdere onderwerpen komen en leukere sprekers. Dat zie je ook in de talkshows, waar kennelijk een 'oorlog' woedt. Als je wilt winnen, nodig je geen mensen uit die ergens verstand van hebben. Dan nodig je populaire BN'ers en populisten (Henk Bleker) uit, die goed zijn voor de controverse.

Wat te doen? Teun van de Keuken roept op om niet mee te doen aan die 'talkshowoorlog'. 

Maak programma's die werkelijk inzicht bieden in de energiecrisis, inflatie, armoede, het klimaat, stikstof, wereldwijde spanningen, en de opvang van vluchtelingen (het liefst niet voor het hek in Ter Apel). Met mensen die er verstand van hebben.

Kortom: leg je toe op het uitvoeren van de publieke taak van een goede informatievoorziening. Omdat de democratie niet zonder kan.

Maar waarom gebeurt dat dan niet al? 

Nou, dat is heel eenvoudig: als je het uitvoeren van een publieke taak niet financiert met publieke middelen, maar met reclame-inkomsten, dan stel je de programmamakers bloot aan de Terreur van de Kijkcijfers. Een publieke taak moet je met publiek geld financieren. 

En dan verdwijnt die publieke taak ergens naar de achtergrond. Wordt een papieren werkelijkheid. Dan kun je, met Teun van de Keuken, oproepen wat je wilt, maar het gaat niet gebeuren.

maandag 27 juni 2022

Voor rijken voelt het dat ze er op achteruitgaan, namelijk in status, als er niet meer gebeurt dan dat armen erop vooruitgaan. Het verschil wordt kleiner! Dat willen ze niet.

Als je in een democratie de ongelijkheid, van inkomens en/of vermogens, laat toenemen, dan creëer je een bovenlaag van rijken die hun rijkdom gaan zien als zelf verworven en gerechtvaardigd en die rijkdom dus willen verdedigen tegen pogingen om de ongelijkheid te laten afnemen. Ook als iedereen, dus ook zijzelf, beter af zouden zijn in een meer gelijke, egalitaire, maatschappij. Dat is, extreem kort samengevat, de conclusie van de nieuwe studie If you rise, I fall: Equality is prevented by the misperception that it harms advantaged groups. 

Een verklaring daarvoor blijkt te zijn dat de rijken een toename van gelijkheid waarnemen als een achteruitgang voor henzelf ook als dat objectief niet het geval is. Ze lijken een nul-som beeld te hebben van de verdeling: als anderen meer toevalt, dan moet dat wel ten koste gaan van wat ik nu heb. 

De onderzoekers noemen in-group favoritism, de neiging tot het bevoordelen van de eigen groep, als een mogelijke verklaring voor zulk gedrag. De rijken zien zichzelf als een groep en die groep moet worden verdedigd tegen bedreigingen. Op dat leerstuk van in-group favoritism is steekhoudende kritiek mogelijk. Zie het bericht De uitspraken van minister Blok sociaalwetenschappelijk bekeken - Politici zouden beter op de hoogte moeten zijn van het sociaalwetenschappelijk onderzoek.

Maar afgezien daarvan, het verklaart ook niet waarom de rijken een achteruitgang voor henzelf waarnemen terwijl die er objectief, zeg in euro's, niet is. Er moet "iets" zijn waarin ze zichzelf er op achteruit vinden gaan en dat zijn geen euro's of materiële middelen.

Wat dat "iets" is ligt voor de hand en het is opvallend dat de onderzoekers dat niet zien: status! Natuurlijk brengt ons dit op het terrein van de statuscompetitie. In een statuscompetitief wereldbeeld is elk verdelingsprobleem een nul-som spel. Wat de een meer krijgt, gaat altijd ten koste van de ander. Het gaat dan niet meer om wat jij objectief hebt, maar om jouw positie in de statushiërarchie. En als anderen daarin stijgen, dan daal jij automatisch. 

Voor rijken voelt het dus dat ze er op achteruitgaan, namelijk in status, als er niet meer gebeurt dan dat armen erop vooruitgaan. Het verschil wordt kleiner! Dat willen ze niet.

Het is dus de neiging tot statuscompetitie die maakt dat rijken zich verzetten tegen meer gelijkheid. En die verklaart dat ze hun middelen inzetten (het Grote Geld) om te verhinderen dat het democratische proces tot grotere gelijkheid zou leiden. Denk aan het bericht Als je de ongelijkheid laat toenemen, dan creëer je rijken die de democratische overheid niet anders kunnen zien dan als een schurk die hun geld wil. 

Vandaar dat democratie en grote ongelijkheid niet kunnen samen gaan. Democratie is de uitingsvorm van onze morele gemeenschapsintuïties van iedereen-telt-mee. Maar grote ongelijkheid verdringt die intuïties en vervangt ze door de statuscompetitie. Anders gezegd, bij grote ongelijkheid ontbreekt het gevoel van gezamenlijkheid dat voor democratie nodig is.

woensdag 16 februari 2022

Is het eigenlijk niet eigenaardig dat economen het morele domein uit hun vak hebben verbannen en aan de politiek hebben overgelaten? Want economie gaat toch over mensen?

Hans Stegeman legde gisteren in zijn column in het Financieel Dagblad heel beknopt uit dat grote ongelijkheid op allerlei manieren ten koste gaat van economische groei. Grote vermogens die bij een kleine groep geconcentreerd zijn, worden niet meer productief aangewend. De vermogenden zijn meer bezig met hun status te verdedigen en door te geven aan hun kinderen, dan met het bijdragen aan economische groei:

ultrarijke ondernemers gaan soms volslagen nutteloze dingen met hun kapitaal doen en rijke huishoudens hebben vaak als enige doel meer geld te verzamelen en goed te zorgen voor hun nageslacht. Door te teren op vermogen, handelen vermogenden extractief en bevestigen vooral hun eigen economische status
 
Er ontstaat een "rentenierseconomie",  met een groot onbenut potentieel, door de overdaad aan statusgoederen (positional goods) van de rijken, doordat de rijken alles doen om hun kinderen, ook als die niet zo slim zijn, een hoge positie te bezorgen en doordat slimme kinderen van arme ouders te weinig kansen krijgen. 

Er zijn natuurlijk meer negatieve gevolgen van te grote ongelijkheid. De rijke elite is al snel geneigd de democratie, waarin immers ieders stem even zwaar telt, als een bedreiging te zien. En zal daardoor zijn middelen aanwenden om niet alleen politici te beïnvloeden, maar ook door media op te kopen de publieke opinie. Zie Als je de ongelijkheid laat toenemen, dan creëer je rijken die de democratische overheid niet anders kunnen zien dan als een schurk die hun geld wil. Daardoor en door andere gevolgen dreigt een toenemende ongelijkheid een onomkeerbaar proces te worden. 

Hoe komt het eigenlijk dat de ongelijkheid zo is toegenomen? En dat de negatieve gevolgen ervan zo zijn onderschat? Een antwoord daarop zou wel eens te maken kunnen hebben met de aard van het vak economie. En met de invloed die dat vak op de politiek heeft uitgeoefend. 
 
Want wat is het geval? Economen vinden dat hun vak niet gaat over hoeveel ongelijkheid wenselijk is. Hans Stegeman begint daar zijn column mee:

Economen zeggen vaak dat de verdeling van welvaart, dus de uitkomst van het economisch proces, niet aan hen is. De politiek (vaak beïnvloed door gelobby) bepaalt immers de mate van ongelijkheid die een land wil hebben, niet de econoom.
 
Niet het vak economie, maar de politiek, in een democratie dus wij-met-zijn-allen, moet bepalen hoeveel ongelijkheid goed is. In die politieke besluitvorming kunnen ook morele overwegingen een rol spelen, maar daar houdt het vak economie zich niet mee bezig.
 
Hans Stegeman brengt daar dus tegenin dat ongelijkheid helemaal niet economisch neutraal is en dus niet door de economen buiten beschouwing kan worden gelaten. Dat is het argument dat we op dit blog al vroeg tegenkwamen. Zie deze berichten uit 2011: Inkomensongelijkheid is slecht voor stabiele economische groei, Inkomensongelijkheid is slecht voor (stabiele) economische groei - vervolg en De mythe dat ongelijkheid nodig is voor economische groei. Het vak economie zou moeten gaan inzien dat grote ongelijkheid slecht is voor de economie.

Maar is het eigenlijk ook niet eigenaardig dat economen het morele domein uit hun vak hebben verbannen en aan de politiek hebben overgelaten? Want economie gaat toch over mensen en morele noties zijn, hoe zeg je dat?, toch constituerend voor mensen? Als je de moraal weghaalt, dan heb je geen mensen meer. En die moraal gaat over de menselijke waardigheid van het iedereen-telt-mee.

Maar economen hebben ooit gekozen voor de "morele luchtledigheid" van hun vak. Dat ligt eraan dat ze "de markt" hebben aangewezen als enige en zaligmakende bron van welvaart en in die constructie, want dat is het, ontbreken morele noties. 
 
Maar dat is bepaald niet een onschuldig besluit. Want daarmee is hun vak "onmenselijk" geworden. In de zin dat wat het mens zijn uitmaakt, de moraal, genegeerd wordt. Zie mijn reeks berichten over wat die morele luchtledigheid voor het vak en voor het maatschappelijk denken zoal heeft betekend: De pogingen om het economieonderwijs te hervormen zijn nog niet zo succesvol - En dus over de morele luchtledigheid van het vak
 
Economie als een menselijk vak zou zich hebben laten leiden door de morele gemeenschapsintuïtie van het iedereen-telt-mee en dan had het de mate van ongelijkheid tussen mensen vanaf het begin in zijn analyses meegenomen als een cruciaal criterium. 
 
Gegeven de grote maatschappelijke invloed van het vak, hadden we dan nu in een menselijker maatschappij geleefd.

Bedenk overigens dat die morele luchtledigheid ook kleeft aan het vak sociologie: Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

maandag 24 januari 2022

Als je de ongelijkheid laat toenemen, dan creëer je rijken die de democratische overheid niet anders kunnen zien dan als een schurk die hun geld wil

""Ongelijkheid" is nooit de officiële doodsoorzaak, maar vaak wel de werkelijke." Jayati Ghosh wijst er vandaag op dat de pandemie ons op een harde waarheid heeft geattendeerd: ongelijkheid in inkomen en kansen creëert niet alleen onrechtvaardige, ongezonde en ongelukkige maatschappijen, maar is ook een doodsoorzaak. Zie The biggest killer of pandemic times: inequality.

In de afgelopen twee jaar zijn mensen gestorven doordat ze niet snel genoeg toegang hadden tot vaccinaties, terwijl dat wel mogelijk was geweest als de technologie van de productie van vaccins gedeeld was. Of ze stierven doordat de publieke gezondheidszorg tekortschoot en ze de middelen ontbeerden om van de private zorg gebruik te maken. En terwijl zij stierven, werden de rijkste mensen in de wereld rijker dan ooit en maakten de grootste ondernemingen nog niet eerder voorgekomen hoge winsten.

Ghosh haalt het recente Oxfam-rapport aan, dat berekende dat in diezelfde periode het vermogen van de tien rijkste mensen verdubbelde, terwijl 99 procent van de wereldbevolking erop achteruitging. Een toename van ongelijkheid die in verband gebracht kan worden met tenminste een extra overlijdensgeval per elke vier seconden. De getroffenen woonden meer in armere landen, waren meer vrouwen en meisjes, waren meer slachtoffer van discriminatie en waren meer afhankelijk van informele arbeid.

En zelfs in deze periode voerden regeringen een beleid dat de macht van de rijken verder vergrootte, door hen nog minder te belasten, door nog meer private monopolies toe te staan, door de regels voor bescherming van het milieu te versoepelen en door de arbeidsmarkt verder te dereguleren en de rechten van werknemers te verzwakken. Niet alleen is de ongelijkheid dodelijk voor de zwakkeren, hij vernietigt ook de aarde zoals wij die kennen en nodig hebben. Oxfam berekent dat twintig van de rijkste miljardairs verantwoordelijk zijn voor 8000 maal de uitstoot van kooldioxide van het armste miljard van de wereldbevolking.

Aan dat alles valt wat te doen. Want die extreme toename van ongelijkheid is niet ondanks, maar juist dankzij beleid van overheden tot stand gekomen. Dat beleid kan worden teruggedraaid. Overheden kunnen weer meer de verantwoordelijkheid op zich nemen voor het voorzien in de basisbehoeften van de bevolking, ze kunnen een eind maken aan de privatisering en commercialisering van kennis door intellectuele eigendomsrechten (patenten, octrooien) en ze kunnen de markt reguleren ten behoeve van het algemene belang. Anders gezegd, ze kunnen al die neoliberale "economische hervormingen" van de afgelopen tientallen jaren terug draaien. En ze kunnen een eind maken aan al die belastingvoordelen waar de rijken en de grote ondernemingen zo van profiteren.

Dat alles, en meer, kan en is hoognodig.

Maar lukt dat nog wel, nu de rijken en de grote ondernemingen zo machtig zijn geworden? Zo machtig dat ze de democratie naar hun hand kunnen zetten. Niet alleen door politieke besluiten "te kopen", door beïnvloeding, financiering van denktanks en corruptie, maar ook door media op te kopen en zo de publieke opinie te beïnvloeden. Lees allen Dark Money. The Hidden History of the Billionaires Behind the Rise of the Radical Right van Jane Mayer en Democracy For Sale. Dark Money and Dirty Politics van Peter Geoghegan. 

Moeten we niet vrezen dat een eenmaal in gang gezette ongelijkheid een onomkeerbaar proces is? De vrees dat dat zo is, moeten we onder ogen zien. Want dat maakt duidelijk hoeveel krachtsinspanning er nodig zal zijn.

Ik moest daaraan denken toen de Amerikaanse President, Joe Biden, die in zijn eerste jaar zoveel heeft gedaan (en nog meer heeft geprobeerd) om de overheid weer op het pad van het algemene belang te brengen, zich afvroeg wat zijn politieke tegenstanders, de Republikeinen, eigenlijk beweegt om politiek te bedrijven. De aanleiding daartoe was niet alleen dat de Republikeinen het niet nodig achten om een verkiezingsprogramma op te stellen, maar ook dat hun politiek in feite uit niets anders bestaat dan het dwarsbomen van alles wat de regering-Biden tot stand zou willen brengen. Lees ‘What are Republicans for?’ Just one thing. Maar lees vooral ook wat geschiedenishoogleraar Heather Cox Richardson daar over schreef:

That radicalization, stoked by Republican leaders, is at the point of destroying, once and for all, the idea of a government that works for the people. Republican leaders have stood by as Trump and his lackeys goaded followers into believing that Democratic governance is illegitimate and that Democrats must be kept from power. 
 
En abonneer je op haar dagelijkse nieuwsbrief, Letters from an American, als je op de hoogte wil blijven van de belangrijke ontwikkelingen in de Amerikaanse politiek.

Dat de Republikeinen niet of nauwelijks een programma hebben, is eigenlijk niet verrassend. Ze zijn er helemaal niet op uit om een beleid te voeren dat in een democratie bedoeld is ten behoeve van het algemeen belang. Dat in het teken staat van het iedereen-telt-mee van de morele gemeenschapsintuïties. 
 
Integendeel, de democratie vormt een bedreiging voor het eigen belang. En die moet dus aan dat eigen belang ondergeschikt worden gemaakt. Door op welke manier dan ook, legaal of illegaal, aan de macht te komen en de democratische overheid zoveel mogelijk monddood te maken. 
 
Dat klinkt allemaal heel extreem en dat is het ook. Maar de grondslag ervan kreeg ooit, in 1986, een wetenschappelijk cachet, namelijk met de toekenning van de Nobelprijs voor economie aan James M. Buchanan. De James Buchanan die er geen geheim van maakte dat rijken nooit konden instemmen met de democratie. Denk aan de passage uit het boek van Nancy MacLean die ik eerder aanhaalde:
 
But for Buchanan, once again the issue (dat van de democratie) was personal. "Why must the rich be made to suffer?", he asked pointedly. If "simple majority voting" allowed the government to impose higher taxes on a dissenting individual in the minority - "the citizen who finds that he must, on fear of punishment, pay taxes for public goods in excess of the amounts that he might voluntarily contribute" - what distinguishes that from "the thug who takes his wallet in Central Park?"

Een rijke die wordt gedwongen om meer belastingen te betalen dan waar hij uit vrije wil toe bereid zou zijn, die kan de democratische overheid niet anders zien dan als een schurk die op zijn portemonnee uit is.

Zo eenvoudig ligt dat. Als je de ongelijkheid laat toenemen, dan creëer je rijken die de democratische overheid niet anders kunnen zien dan als een schurk die hun geld wil.

dinsdag 26 oktober 2021

De strijd voor de democratie is de strijd tegen excessieve rijkdom - en dus over (progressieve) belastingheffing

Rond 1970 begon de neoliberale ideologie de politiek in zijn greep te krijgen. Een van de kernpunten van die ideologie is dat de inkomens- en vermogensverdeling geen overheidszorg behoort te zijn. Grote ongelijkheid is niet verkeerd, integendeel, juist goed, want hij prikkelt mensen om zich in te spannen. Als je "hard werkt", moet je ook meer kunnen verdienen. Jawel, dat ging uit van het treurige mensbeeld waarin mensen zonder prikkels, financiële prikkels, hun bed niet uitkomen.

Dus moeten hogere inkomens en grotere vermogens minder belast worden. Dat zou ook goed zijn voor de economie, waardoor al die rijkdom aan de top uiteindelijk ook neerdaalt bij de midden- en lagere inkomensgroepen (trickle down).

Vijftig jaar later weten we dat dat hele verhaal voor geen meter klopt. Het gaat inderdaad om een ideologie, die geheel in dienst staat van de belangen van de superrijken. Het argument dat meer ongelijkheid goed zou zijn voor de economie, is onderuitgehaald. Grote ongelijkheid heeft niet alleen grote negatieve sociale en welzijnsgevolgen, maar is ook slecht voor stabiele economische groei. Volgens IMF-berekeningen gaat een daling van de Gini-coëfficiënt (een maat voor ongelijkheid) van 40 naar 37 samen met een verlenging van 50 procent van de te verwachten periode van economische groei. En Robert H. Frank liet zien dat landen met meer inkomensongelijkheid gemiddeld een lagere economische groei vertoonden. Bovendien was per land de economische groei lager in periodes met grotere inkomensongelijkheid dan in periodes met lagere inkomensongelijkheid.

Maar daar nog bovenop zijn er de negatieve gevolgen van grote ongelijkheid voor de democratie. Als je superrijk bent, is de kans groot dat je de democratie, waarin immers iedereen - rijk en arm - gelijk meetelt, ziet als een bedreiging. Je wordt geacht je neer te leggen bij meerderheidsbesluiten, maar die kunnen slecht uitpakken voor jouw rijkdom. En superrijken hebben doorgaans de neiging om te denken dat ze hun rijkdom geheel door eigen inspanningen verdiend hebben en dat die hen dus toekomt. Die gedachte is een uitvloeisel van datzelfde mensbeeld: iedereen die arm is, heeft dat aan zichzelf te wijten. En moet dus niet, via de democratie, de kans krijgen om zich te vergrijpen aan de rijkdommen van degenen die wel hard gewerkt hebben.

Wat daaruit volgt, is gemakkelijk in te zien. De superrijken zullen hun middelen aanwenden om de democratie te beïnvloeden (zoals door het opkopen van de media), in te perken of zelfs af te schaffen. Dat begon dus al rond 1970, toen in allerlei landen politici ertoe gebracht werden om ineens te gaan denken dat het een goed idee was om de toptarieven in de inkomsten-, vermogens- en erfbelastingen sterk te laten dalen.

Maar dat was nog niet genoeg. Het Grote Geld slaagde erin om de politiek zo te beïnvloeden dat het niet of nauwelijks belasting betalen door de superrijken - door mogelijkheden tot belastingontwijking - meer of minder openlijk werd toegestaan. Denk aan wat door de Pandora-papers aan het licht werd gebracht. Of denk aan de Republikeinse partij in de Verenigde Staten, die zichzelf volledig transformeerde tot een anti-belastingpartij en die fel gekant is tegen het voornemen van de Biden-regering om de Belastingdienst (de Internal Revenue Service) eindelijk eens van voldoende middelen te voorzien om belastingontduikers en -ontwijkers aan te pakken (Biden’s Proposal to Empower I.R.S. Rattles Banks and Their Customers en The Rotten Core of the Republican Party).

En dan is er als laatste de stap om te proberen de democratie dan maar helemaal af te schaffen. Dat is de stap die de superrijken in de Verenigde Staten via die Republikeinse partij in feite al gezet hebben. Ze hebben de, op zich juiste, conclusie getrokken dat de instandhouding en uitbreiding van hun rijkdom zich niet verdraagt met de democratie. En we moeten nog maar afwachten wie er wint, het Grote Geld of de democratie.

Dat alles wijst erop hoezeer democratie en belastingheffing met elkaar samenhangen. We zien nu dat het verzet van de superrijken tegen het heffen van belasting op hun rijkdom naadloos overgaat in het verzet tegen de democratie. Maar we zagen ook, terug in de geschiedenis, hoezeer de vestiging van de democratie, en dus de introductie van het algemeen kiesrecht, en de (progressieve) belastingheffing met elkaar samenhingen. Thomas Piketty liet dat fraai zien in zijn Capital and Ideology (zie nog eens Over de strijd tussen de morele gemeenschapsintuïties van de sociaaldemocratie en het amorele vak economie).

Precies over dat verband tussen democratie en progressieve belastingheffing was er vorig jaar de studie Democracy and the global spread of progressive taxes in het tijdschrift Global Social Policy, die ik nog maar kort geleden onder ogen kreeg. De onderzoekers laten daarin zien dat voor 131 landen in de periode tussen 1800 en 2015 geldt dat de landen die op dat moment meer democratisch waren meer overgingen op progressieve belastingheffing (inkomstenbelasting en erfbelasting) dan de landen die toen minder democratisch waren. En dat verschil was er niet als het ging om indirecte, en dus niet progressieve, belastingen, zoals omzetbelasting en BTW).

De strijd om de democratie is dus een strijd tegen excessieve rijkdom en wel door middel van progressieve belastingheffing. Dat was toen zo, ruim een eeuw geleden, en het is nu weer zo.

maandag 11 oktober 2021

Het neoliberale, vulgair-economische, denken, mag bekend staan als de leer van het primaat van de markt, maar komt in de praktijk neer op het vergroten van de macht van de grote ondernemingen en van de ongelijkheid.

Het neoliberale, vulgair-economische denken, mag bekend staan als de leer van het primaat van de markt, maar komt in de praktijk neer op het vergroten van de macht van de grote ondernemingen en van de ongelijkheid. Dat maakt Simon Wren-Lewis aannemelijk in een wel heel interessante blogpost: Neoliberalism, Corporations and Wealth Inequality. Iedereen zou die moeten lezen, maar laat ik proberen er een samenvatting van te geven.

Dat die macht van de grote ondernemingen zo groot is, blijkt bijvoorbeeld uit de bepalingen in handels- en investeringsverdragen dat ondernemingen overheden kunnen aanklagen als die iets besluiten dat in het nadeel is van een betrokken onderneming. Denk aan het Zweedse kernenergiebedrijf Vattenfall dat de Duitse regering aanklaagde toen die na de ramp met de kernenergiecentrale in het Japanse Fukushima besloot om met kernenergie te stoppen. Of aan het Duitse bedrijf Uniper dat Nederland aanklaagde na het besluit om de Maasvlakte kolencentrale eerder te sluiten dan was overeengekomen. 

Het gaat om bepalingen die duidelijk de bedoeling hebben om de risico's die door nieuwe inzichten kunnen ontstaan, zoals nieuwe inzichten over negatieve effecten op milieu en klimaat, volledig bij overheden te leggen. Waardoor het overheden wordt bemoeilijkt om snel en adequaat naar die nieuwe inzichten te handelen. Het feit dat grote ondernemingen zulke bepalingen kunnen laten opnemen, wijst er op dat ze zo machtig zijn geworden dat ze hun wil aan overheden kunnen opleggen.

Wren-Lewis ziet die grote macht als een aanwijzing dat neoliberalisme in de praktijk neerkomt op de verschuiving van de macht van overheden naar die van de grote ondernemingen. Het is niet de markt die regeert, en het zijn niet de overheden, maar de grote ondernemingen. Onder het mom van "de markt doet alles goed", gaat het in feite om "Corporations can do no wrong - by definition".

Die verschuiving hield ook in dat grote ondernemingen in staat waren om voor hen gunstig overheidsbeleid af te dwingen. Denk aan de verlaging van de toptarieven in de inkomstenbelasting, zoals de verlaging in 1985 van 90 procent naar 50 procent (!) in de Verenigde Staten. Dit maakte het voor bestuurders van grote ondernemingen mogelijk om hun inkomens sterk te verhogen. 

En doordat ze zich ook lieten belonen met aandelen, kregen ze er belang bij om een groter deel van de winsten in dividenden te laten uitkeren. Waardoor de aandelenkoersen sterker gingen stijgen dan met een toename van de productie kon worden verklaard. En wat blijkt? Dat ging ten koste van het aandeel van de arbeid, dus van de lonen. En zo kwam het proces van de sterk groeiende ongelijkheid op gang. Met die daling van de toptarieven in de inkomstenbelasting was het hek van de dam.

Maar dat proces lijkt tegen zijn grenzen aan te lopen. Als overheden zo horig worden aan de grote ondernemingen, wordt uiteindelijk iedereen, behalve de rijkste 1 procent, slachtoffer. Niet alleen de werknemers, maar ook de kleine en middelgrote ondernemingen. Wren-Lewis wijst naar de gevolgen van Brexit in Groot Brittannië, door het Grote Geld ondersteund en gefinancierd, maar zo slecht uitpakkend voor de rest. En naar het "beleid" van het Trump-bewind in de Verenigde Staten, met nog meer belastingverlaging voor de allerrijksten en restricties van vrijhandel en immigratie met negatieve gevolgen voor de rest.

Geen democratische overheden die gericht zijn op het iedereen telt mee, maar populistische plutocratieën.

woensdag 1 september 2021

Democratie bedreigd door toegenomen ongelijkheid en het Grote Geld - Deel 4 van De mensheidsgeschiedenis in drie stappen

We zijn in een fase van de mensheidsgeschiedenis aangekomen waarin we met twee grote uitdagingen worden geconfronteerd. Zo besloot deel 3 van deze reeks (De Vos, 2021). De eerste is die van de onderlinge verhoudingen: zullen we de democratie weten te handhaven, de institutionele vormgeving van onze oeroude morele gemeenschapsintuïties van het iedereen telt mee? En de tweede is die van onze verhouding tot de aarde, die een afgeleide is van onze verhouding tot volgende generaties. Als dat iedereen telt mee ook de volgende generaties omvat, dan staan we voor de opgave om Moeder Aarde zo door te geven dat ook voor hen een leven mogelijk is.

Zo begint deel 4 van De mensheidsgeschiedenis in drie stappen, waarin het gaat over de bedreigingen van de democratie door de toegenomen ongelijkheid en het Grote Geld. Lees verder op Civis Mundi Digitaal #113.

Lees hier Deel 5.

dinsdag 22 september 2020

Hoe zelfs, of juist, de superrijken gemotiveerd worden door hun behoefte aan veiligheid

De FinCEN Files, de ruim 2600 geheime documenten die verdachte banktransacties van over de hele wereld blootleggen, laten zien .hoe banken wereldwijd op grote schaal geld witwassen voor hun superrijke klanten en ongestraft miljoenenbetalingen doen voor gesanctioneerde bedrijven, criminelen en oligarchen. Ze staan in het rijtje van de Panama Papers, de Paradise Papers en de Troika Laundromat. 

Ze leggen bloot hoe de superrijken illegaal of verdacht verkregen rijkdommen proberen voor de openbaarheid en voor belastingdiensten te verbergen door gebruikmaking van het internationale bankverkeer. Grote hoeveelheden zwart geld worden via dat verkeer de wereld rond gesluisd en komen "witgewassen" weer retour. De grote banken, JPMorgan en Standard Chartered, het Britse HSBC, Deutsche Bank en de Nederlandse ING Bank, profiteerden, terwijl ze verplicht zijn om verdachte transacties te melden.

Wat ze ook blootleggen is dat we wereldwijd in de afgelopen decennia een economisch stelsel hebben laten ontstaan (aandeelhouderskapitalisme of neoliberalisme) dat "ophoping van vermogens" toestaat en faciliteert. Denk weer even aan Dirk Bezemers Een land van kleine buffers. Waarin de inkomens-, maar vooral ook de vermogensongelijkheid extreem is toegenomen. Niet als een ongelukkig neveneffect, nee, als een wenselijkheid. Want door meer ongelijkheid toe te staan zouden mensen meer geprikkeld worden om zich in te spannen. En al die inspanningen zouden via het weldadige marktmechanisme op wonderbaarlijke wijze tot betere uitkomsten voor iedereen leiden. 

Daar kun je van alles van vinden, maar in ieder geval werd in die manier van denken veronachtzaamd wat grote ongelijkheid met mensen doet en vooral wat grote rijkdom met de superrijken doet. Hij gaat ten koste van een gevoel van gezamenlijkheid, wakkert rechts-extremisme aan en bedreigt de democratie. 

Naar de onderliggende processen die daarin een rol spelen, zal vast nog veel onderzoek worden gedaan. Daaruit zou wel eens naar voren kunnen komen dat een toename van ongelijkheid de bestaansonzekerheid en daarmee de statuscompetitie aanwakkert, waarvoor bestaand onderzoek al aanwijzingen verschaft. 

En het nog dieper liggende mechanisme zou wel eens kunnen zijn dat de menselijke behoefte aan sociale veiligheid door toename van ongelijkheid wordt bedreigd. Sociale onveiligheid creëert immers zowel oogkleppen (cognitive closure) als ontvankelijkheid voor narcistische, populistische politic die gemakkelijke oplossingen voorwenden. 

Het zou kunnen dat zelfs de superrijken, die dus hun illegaal of verdacht verworven rijkdommen verborgen willen houden voor de openbaarheid en de belastingdiensten, door diezelfde behoefte aan veiligheid worden gemotiveerd. Want denk maar niet dat die vergaarde rijkdommen wel een gevoel van veiligheid zullen verschaffen. Er blijkt immers te gelden dat hoe meer mensen hebben, hoe meer ze willen. 

Die neiging tot onverzadigbaarheid, waar Emile Durkheim (1858 - 1917) al aandacht voor vroeg, zou er mee te maken kunnen hebben dat hoe meer je hebt, hoe meer je zou kunnen verliezen. Dus hoe meer bedreigingen je meent waar te nemen. De mogelijkheid iets te verliezen, gaat dan motiverender werken dan de mogelijkheid om je rijkdom te vergroten. Denk aan onze aversie tegen verlies (Kahneman, Knetsch en Thaler, 1991), die gemakkelijk lijkt af te leiden uit onze behoefte aan veiligheid.

Ook de superrijken, of juist zij, willen dus ten koste van alles beschermen wat ze verworven hebben. Vandaar hun grote hang naar het verborgene en hun afkeer van belastingen betalen. 

En vandaar ook hun pogingen om hun middelen aan te wenden om de politiek te beïnvloeden. Voor hen is de democratie bedreigend, want daarin telt iedere stem even zwaar mee, of je nu arm of rijk bent. Dat je je aan een meerderheidsbesluit zou moeten onderwerpen, dat is voor een superrijke uiterst bedreigend.

Veel van wat er zich vandaag de dag afspeelt, lijkt kortom goed te verklaren vanuit die behoefte aan veiligheid. Een behoefte die zelfs niet, of juist niet, met rijkdom bevredigd kan worden. 

Lees in dat verband ook eens het blog van Simon Wren-Lewis van vandaag: Why neoliberalism can end in autocratic, populist and incompetent plutocracy.

dinsdag 11 augustus 2020

Volgens onderzoekers van de Amerikaanse Centrale Bank is statuscompetitie een essentieel ingrediënt van de rampspoed van de afgelopen 40 jaar

De indruk dringt zich op dat we in verschillende opzichten in een overgangstijd leven. De corona-pandemie en de klimaatcrisis leren ons allebei dat we anders moeten gaan leven en samenleven om een misschien wel fatale catastrofe te voorkomen. De diepere oorzaken van die twee crises liggen nog verder terug, maar de negatieve ontwikkelingen zijn de laatste veertig jaar versterkt door de dominantie van het neoliberalisme in het denken over de rol van markt en overheid. En het zou kunnen dat we nu het einde van dat neoliberale tijdperk meemaken.

Dat betekent dat het belangrijk wordt om zicht te krijgen wat er zoal misging in dat neoliberale tijdperk, zodat we de overgang naar wat hierna komt goed vorm kunnen geven. Over wat er misging verschijnt nu de ene publicatie na de andere. Ik kreeg gisteren het paper Market power, inequality, and financial instability van twee onderzoekers van de Fed (de Amerikaanse Centrale Bank)) onder ogen. Die laten voor de Verenigde Staten zien dat sinds 1980 de toename van marktmacht van bedrijven in zowel de productmarkten als de de arbeidsmarkt verantwoordelijk moet worden gehouden voor:

  1. de stagnatie van de lonen in vergelijking met de productiviteitsgroei en daardoor een vermindering van het arbeidsaandeel in het nationale inkomen
  2. daarmee samengaand een verhoging van het winstaandeel in het nationale inkomen
  3. samengaande met 1. en 2. een toename van de inkomensongelijkheid
  4. samengaand met 1., 2. en 3. een toename van de vermogensongelijkheid
  5. samengaand met 3. een toename van de schulden van de huishoudens
  6. en tot slot samengaand met 5. een toename van de financiële instabiliteit, dus van de frequentie van financiële crises.
Ze doen dat met een Real Business Cycle-model, waar ik weinig tot niets van af weet. Maar daar gaat het niet om, want het is interessant om te zien wat ze in het model stoppen om deze uitkomsten er uit te krijgen. Ze gaan uit van twee klassen actoren, de Kapitalisten (5 procent van de bevolking) en de Werkers (95 procent), die interacteren in de arbeidsmarkt, waar ze over de lonen onderhandelen, en in de kredietmarkt, waar de Kapitalisten leningen verschaffen aan de Werkers.

Aan de Kapitalisten schrijven ze de voorkeuren toe van de geest-van-het-kapitalisme, waar mee ze bedoelen dat het bij hen er niet alleen om gaat wat ze met hun inkomen en hun vermogen kunnen consumeren, maar daarbovenop om hoeveel status hen die opleveren. Wat er op neerkomt dat er tussen de Kapitalisten een statuswedloop ontstaat, waardoor ze steeds hogere inkomens en vermogens "nodig hebben". Die onontkoombaar leidt tot uitdijende vermogens (kapitaalsaccumulatie) en dus tot een steeds grotere marktmacht. Op allerlei markten ontwikkelen zich monopolies of bijna-monopolies.

En de Werkers zijn eveneens, maar dan op hun manier, gedreven door het statusmotief (keeping up with the Joneses). Ze zien hun inkomens stagneren, maar zien ook de inkomensongelijkheid toenemen. Waardoor ze zien wat je allemaal met meer geld kunt doen en hoeveel status je daarmee kunt tonen. Dus bij hen ook bovenop het consumptiemotief het statusmotief om meer geld te willen. En doordat hun lonen stagneren, rest niets anders dan bij de Kapitalisten kredieten op te nemen. Dus hogere schulden. En dus toename van de financiële instabiliteit.

De conclusie van de onderzoekers is dat je de werkelijke problemen niet oplost door je alleen druk te maken over die ene uitkomst van de financiële instabiliteit. Je kunt wel allerlei eisen aan de banken gaan stellen, zoals grotere buffers, maar dat lost het onderliggende probleem niet op. En dat onderliggende probleem is de toenemende ongelijkheid. Dat zet het hele proces in werking. Vandaar dat ze pleiten voor veel meer herverdeling.

Dus meer sociale zekerheid en hogere marginale belastingtarieven. Wat nog eens duidelijk maakt dat belastingheffing ook een heel andere functie kan hebben dan te zorgen voor inkomen van de overheid. Belastingheffing heeft ook de functie om dit gehele rampzalige proces van alsmaar toenemende ongelijkheid en monopolisering de kop in te drukken. Natuurlijk wordt de naam van die econoom van de negentiende eeuw, Karl Marx, niet genoemd, het is nu eenmaal een onderzoek van de Amerikaanse Centrale Bank, maar zijn naam dringt zich wel erg op.

En wat zich ook opdringt is dat statuscompetitie essentieel is in dit model. Je kunt wel meer markt willen, maar als je niet met het statuscompetitiepatroon rekening houdt, dan heb je een veel te rooskleurige visie op wat de markt kan verschaffen. Zie ook nog eens de berichten op dit blog over inkomensongelijkheid en statuscompetitie, zoals

dinsdag 10 maart 2020

Gevoel van gezamenlijkheid dat nodig is voor democratie, ontbreekt bij grote ongelijkheid - De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 21 -

We zagen in het vorige bericht van deze reeks dat een toename van ongelijkheid in een land na verloop van tijd leidt tot een toename van steun voor rechts-extremistische partijen. Waarschijnlijk doordat die grotere ongelijkheid de statuscompetitie aanwakkert. Hoe groter immers het verschil tussen rijk en arm, hoe meer het uitmaakt op welke plaats in de rangordening jij terechtkomt. En dus ook hoe groter de angst voor sociale daling, de statusangst.

Maar er is daarnaast nog een andere weg waarlangs de vergroting van ongelijkheid een bedreiging kan vormen voor de democratie. Daar wordt je op gewezen als je je realiseert hoe extreem die ongelijkheidstoename uit de hand kan lopen. Een idee daarvan geeft dit plaatje van de wereldwijde vermogensongelijkheid in 2018 (ontleend aan Inequality.org). Lees hieronder verder.

Je ziet van links naar rechts de verdeling van vermogen en aandeel van de bevolking voor vier vermogensgroepen. Links staan die gegevens voor de rijkste 1 procent en het blijkt dat aan die groep 44 procent toevalt van het totale vermogen van de volwassen wereldbevolking.

Die extreme ongelijkheid moet wel extreme gevolgen hebben. En dat is ook zo. In een voorpublicatie van zijn boek The Velvet Rope Economy. How Inequality Became Big Business in de New York Times wijst Nelson D. Schwartz daarop: When It’s This Easy at the Top, It’s Harder for Everyone Else.

Door de extreme rijkdom van de top, extreem dus in vergelijking met het grootste deel van de bevolking, kan die top zich allerlei zaken toe-eigenen die voor anderen niet meer zijn weggelegd. Voor aanbieders van allerlei producten en diensten loont het om de beste plaatsen, de kortste wachtlijsten en de beste service voor veel geld te verkopen aan de leden van de top.

Niet alleen verhoogt dat de neiging tot statuscompetitie, iedereen ziet immers wat het oplevert om heel rijk te zijn, maar ook creëert het een elite die niet meer weet hoe gewone mensen moeten rondkomen. Als je in New York gebruik kunt maken van de luxe helikopterservice, dan raak je het zicht kwijt op hoe stressvol de gewone New Yorkers hun woon-werkverkeer ervaren.

Of als je, zoals in Californië, de privé brandweer kunt inschakelen als onderdeel van de verzekering die je hebt aangeschaft, dan kun je jou bezittingen redden, terwijl die van je buren in vlammen opgaan. En al die diensten samen die je je kunt veroorloven, maken dat die rijkste 1 procent 15 jaar langer leeft dan de armste 1 procent. Met die extreme rijkdom schaf je 15 extra levensjaren aan.

Dat alles heeft natuurlijk gevolgen voor de democratie. Niet alleen zien die extreem rijken de democratie als een bedreiging, waartegen ze zich willen, en kunnen, wapenen door de politici te beïnvloeden en om te kopen. Lees nog eens: Trump is dat waar de invloed van het Grote Geld op is uitgelopen.

Ook daarzonder hebben ze er niet meer een idee van hoe gewone mensen leven en wat ze nodig hebben. Terwijl ze wel een grote invloed hebben. Een functionerende democratie heeft een gevoel van gezamenlijkheid nodig, van "We are all in it together". Dat kan er alleen zijn bij niet al te grote ongelijkheid.

donderdag 10 oktober 2019

Door meer ongelijkheid meer statuscompetitie en daardoor meer vraag naar een sterke leider die het niet zo nauw neemt met de democratie

Na de (verschrikkingen van) de Tweede Wereldoorlog was er een algemeen gedeeld inzicht dat de mate van ongelijkheid binnen de perken moest worden gehouden. Vandaar dat veel landen hoge marginale tarieven in de inkomstenbelasting kenden en vandaar dat veel landen zich inspanden om de algemene toegang tot het onderwijs te vergroten.

Maar die periode ligt al weer een poos achter ons en dat inzicht is op de achtergrond geraakt. Inkomens- en vermogensverschillen zijn in veel landen sterk toegenomen. Dat heeft de deur opengezet naar sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de negatieve effecten van die toegenomen ongelijkheid.

Zo zijn er aanwijzingen dat een toename van ongelijkheid de statuscompetitie tussen mensen aanwakkert, doordat inspanning gericht op verwerven en behoud van status meer kunnen opleveren als de verschillen groter zijn. En we kennen de negatieve gezondheidseffecten van statuscompetitie.

Ook kennen we de gevaren van grote ongelijkheid voor het behoud van de democratie. De exorbitant rijken zijn erop gebrand om hun positie te verdedigen tegen uitkomsten van het democratische proces, die over het algemeen, in de democratie telt immers iedereen evenveel mee, in de richting gaan van meer gelijkheid (het gemeenschapsevenwicht). En dus zal het Grote Geld zijn overvloedige middelen inzetten om die uitkomsten te beïnvloeden, door manipulatie en bedrog via de media en door omkoping van politici.

Voor het vermoeden dat toename van ongelijkheid de statuscompetitie aanwakkert (het statuscompetitie-evenwicht dichterbij brengt), zijn er nu nieuwe aanwijzingen. Ik noemde al dat mensen ook zelf inzien dat meer ongelijkheid een individualistisch en competitief normatief klimaat met zich meebrengt. Dus dat ze in hun sociale omgeving meer statuscompetitie verwachten waar te nemen als de ongelijkheid groter is.

Daar kunnen we nu de nieuwe studie “Our Country Needs a Strong Leader Right Now”: Economic Inequality Enhances the Wish for a Strong Leader aan toevoegen. Daaruit komt naar voren dat studenten in landen met een grotere ongelijkheid meer van mening zijn dat hun land een sterke leider nodig heeft.

Dat wordt bevestigd in onderzoek naar Australiërs die verschillen in hun oordeel over de mate van ongelijkheid in hun land. Degenen die meer ongelijkheid waarnemen, hebben meer een hang naar een sterke man als leider, die het niet zo nauw neemt met de regels van de democratie. En het komt naar voren uit onderzoek waarin mensen wordt gevraagd zich voor te stellen in een meer gelijke dan wel een meer ongelijke maatschappij te leven.

In alle drie gevallen is er een interessante tussenliggende factor: de mate van anomie die mensen in hun maatschappij waarnemen of in die fictieve maatschappij verwachten. Anomie (letterlijk normloosheid) is een begrip dat geïntroduceerd werd door Emile Durkheim (1858 - 1917), die er mee bedoelde dat het kapitalisme wel iedereen aanzet om het hoogste te willen bereiken, maar tekort schiet in het verschaffen van de middelen daartoe.

Een toestand dus waarin iedereen het maar zelf moet uitzoeken. Waarin niemand te vertrouwen is, van niemand moreel gedrag verwacht kan worden en waarin de overheid ineffectief is en illegitiem. Ene toestand die gemakkelijk kan worden aangeduid als die van het statuscompetitie-evenwicht.

Anomie als tussenliggende factor kan met dit plaatje worden afgebeeld:


De getallen bij de pijltjes geven aan hoe sterk het betreffende verband is. Hoe meer sterretjes hoe sterker. Als je anomie toevoegt aan de analyse, zie je dat de verbanden met Waargenomen ongelijkheid en de vraag naar een sterke leider heel sterk zijn, terwijl het rechtstreekse verband tussen ongelijkheid en vraag naar een sterke leider in sterkte is afgenomen (van 1,52 naar 1,37). Anders gezegd, het rechtstreekse verband wordt deels verklaard door de omweg via anomie. De omweg dus van de statuscompetitie.

Eigenlijk komen we met het huidige onderzoek dicht in de buurt van wat Durkheim meer dan een eeuw geleden al voor zich zag.

donderdag 26 september 2019

Mensen hebben inzicht in de negatieve effecten van grote ongelijkheid op het normatieve klimaat (meer statuscompetitie)

Sociaalwetenschappelijk en economisch onderzoek heeft veel aanwijzingen opgeleverd over de sociale en economische nadelen van grote (inkomens- en vermogens-)ongelijkheid. De opsomming van die nadelen, voor zover ze op dit blog zijn langsgekomen, kun je nog eens nalezen in het bericht
Vermindering van ongelijkheid brengt ons dichter bij het gemeenschapsevenwicht.

Veel van die negatieve effecten lijken er mee samen te hangen dat grotere ongelijkheid meer statuscompetitiegedrag uitlokt. Aanwijzingen voor dat laatste vind je in studies waarnaar wordt verwezen in het recent verschenen Economic inequality enhances inferences that the normative climate is individualistic and competitive. Zo zijn mensen in meer ongelijke maatschappijen meer bezig met zichzelf boven anderen te verheffen, zijn ze minder vriendelijk voor elkaar, zijn ze minder bereid om anderen te helpen en vertrouwen ze elkaar minder.

Die nieuwe studie laat zien dat mensen zelf ook inzicht hebben in dat effect van grotere ongelijkheid. De onderzoekers gingen in drie experimenten, uitgevoerd in Spanje, Australië en de Verenigde Staten, na wat mensen zich voorstelden wat het normatieve klimaat zou zijn in een (fictieve) maatschappij met een hoge mate van ongelijkheid vergeleken met een (fictieve) maatschappij met een geringe mate van ongelijkheid.

Daaruit kwam naar voren dat van een meer ongelijke maatschappij verwacht werd dat mensen zichzelf zien als onafhankelijker van elkaar, meer berekenend zijn in hun onderlinge relaties, meer gericht zijn op hun eigen belang dan op het algemeen belang en meer competitie dan samenwerking om zich heen waarnemen.

En omgekeerd: bij minder ongelijkheid zullen mensen zich meer onderlinge verbonden voelen, zullen ze genereuzer zijn in hun onderlinge relaties, zullen ze meer gericht zijn op het algemene belang en zullen ze meer samenwerking dan competitie om zich heen waarnemen.

Wat in onderzoek naar voren komt is iets waar mensen zelf ook vaak inzicht in hebben op grond van hun verzamelde dagelijkse ervaringen. En mensen zijn er dus goed van op de hoogte dat grote ongelijkheid niet goed is voor een gunstig en aangenaam sociaal en normatief klimaat. Dat het verminderen van ongelijkheid een beweging in gang zet in de richting van het gemeenschapsevenwicht.

Waarmee je goed kunt verklaren dat mensen een voorkeur hebben voor de arrangementen van de verzorgingsstaat die de ongelijkheid binnen de perken houden.

En dus over het algemeen linkser zijn dan de huidige politici. Zie (uit 2017): Zijn de kiezers linkser dan de politici? Nieuwe aanwijzingen.

dinsdag 11 december 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 12 - De strijd om de democratie is de strijd voor gelijkheid

Zal de sinds de jaren 80 van de vorige eeuw sterk toegenomen ongelijkheid ons verhinderen om de derde stap van de mensheidsgeschiedenis, die naar democratie, gelijkberechtiging, verzorgingsstaat en mensenrechten, te voltooien? Zie hier het vorige bericht in deze reeks.

Waarom is die ongelijkheid de grote hinderpaal? Een antwoord op die vraag komt naar voren als je bedenkt dat die derde stap een collectieve poging is om onze samenlevingen en de internationale orde vorm te geven langs de lijnen van onze morele gemeenschapsintuïties. De intuïties die ons er in de lange periode van de jagers-verzamelaarssamenlevingen toe brachten om samen te werken en te delen.

Maar die jagers-verzamelaarssamenlevingen waren, als voorwaarde en als uitkomst, sterk egalitair. Alleen bij een grote mate van gelijkheid lukt het om samen te werken en te delen. En door dat samenwerken en delen en daarmee gelijk op de altijd sluimerende neigingen tot statuscompetitie en het vestigen van een statushiërarchie te onderdrukken, bleef die gelijkheid in stand.

Diezelfde morele intuïties motiveren ons om nu al ruim een eeuw te streven naar democratie, verzorgingsstaat, gelijkberechtiging en mensenrechten, de vier wenselijkheden die nauw met elkaar zijn verbonden. En dat is zo gekomen doordat de Industriële Revolutie de vraag naar geschoolde arbeid deed toenemen, een beweging die de voorwaarden schiep voor een toename van gelijkheid en dus voor de wens naar democratie en wat daarmee samenhangt.

De achterliggende gedachte is dus dat gelijkheid de cruciale factor is die de beweging richting de democratie in werking stelt. En dat diezelfde democratie ervoor zorgt dat gelijkheid in stand blijft.

Dat betekent dat de strijd die we nu gevoerd zien worden voor de democratie samenvalt met de strijd voor gelijkheid. En dat de tegenstanders in die strijd degenen zijn die die gelijkheid juist niet willen. Die zich ertegen verzetten omdat ze zichzelf zien als verheven boven anderen. Boven anderen die niet dezelfde voorrechten behoren te hebben als zijzelf.

Degenen dus bij wie het statuscompetitiepatroon overheerst boven het gemeenschapspatroon. Zie de berichten achter het label Dual-Mode theorie, in het bijzonder:
Lees hier het volgende bericht.

dinsdag 4 december 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 11 - Ongelijkheid is ook altijd machtsongelijkheid en macht heeft tegenmacht nodig

We zijn bij de derde stap van de mensheidsgeschiedenis aangekomen. De stap richting de democratie, de gelijkberechtiging, de verzorgingsstaat en de mensenrechten. Maar of de mensheid in staat zal zijn om die stap te voltooien is bepaald nog niet zeker. Zie het vorige bericht in deze reeks.

Het allesoverheersende probleem waar we mee geconfronteerd worden is dat van de sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw sterk toegenomen ongelijkheid.

Er zijn al talloze rapporten en artikelen en boeken verschenen die die toename documenteren. Ik verwijs nu maar even naar het eerder op dit blog verschenen bericht Was de explosie van CEO-beloningen een kwestie van normverandering?

Daarin zie je voor de Verenigde Staten een grafiek van hoe de beloningen van de ondernemingsbestuurders (CEO's) zich ontwikkelden in vergelijking met de van de gewone werknemers. Je ziet de plotselinge en sterke stijging van die ratio eind jaren tachtig, waarna er fluctuaties optreden die samenhangen met het barsten van de internetzeepbel (1997 - 2000) en de Grote Financiële Crisis van 2008 - 2010). Die er op wijzen dat de economie met de toename van de ongelijkheid instabieler werd. De grafiek eindigt in 2011, toen de CEO's bijna 300 maal meer verdienden dan de gewone werknemer, vergeleken met 20 maal zoveel in de jaren 60 en 70.

In datzelfde bericht zie je ook een veelzeggend plaatje dat iets zegt over de oorzaken van die sterke toename van de ongelijkheid. De grafiek namelijk die laat zien hoe de marginale belastingtarieven van de hoogste inkomens zich ontwikkelden tussen 1916 en 2011. Je ziet dat het tarief voor de inkomstenbelasting in de jaren 50, 60 en 70 nog op 90 procent lagen, maar daarna stapsgewijs en snel halveerden. In ieder geval een deel van die toegenomen ongelijkheid is dus een gevolg geweest van bewust beleid. Het neoliberale beleid dat meer ongelijkheid juist goed zou zijn voor iedereen.

Grote ongelijkheid bergt grote gevaren in zich, doordat er processen optreden die maken dat die ontwikkeling onomkeerbaar wordt. Ik heb ze opgesomd in het bericht Loopt het kapitalisme op zijn laatste benen? Economische, maar ook sociaalwetenschappelijke inzichten.

Een van die gevaren is dat ongelijkheid altijd ook machtsongelijkheid is. En machtsongelijkheid vormt uiteraard een bedreiging voor de democratie en de gelijkberechtiging. De verleiding van machtigen om hun macht uit te oefenen ter behartiging van hun eigen belangen is over het algemeen onweerstaanbaar.

Vandaar dat John Kenneth Galbraith in de jaren 50 van de vorige eeuw zijn, nu nagenoeg vergeten, maar wel heel actuele, theorie van de tegengestelde machten (countervailing powers) ontwikkelde. Je kunt zijn betoog lezen alsof het nu geschreven is.

Als je naar "reëel bestaande" markten kijkt, in tegenstelling tot de markten met volledige concurrentie uit sommige leerboeken, dan zie je dat daar machtsconcentraties kunnen optreden. Die kunnen soms als vanzelf een tegengestelde macht oproepen, maar dat is niet gegarandeerd. Als dat niet zo is, dan ligt daar een taak voor de overheid. Meer daarover in het volgende bericht, maar nu alvast Galbraith zelf aan het woord (geciteerd uit de Nederlandse vertaling van American Capitalism):
Aangezien het verschijnsel der tegengestelde (vind ik beter dan het "contrasterende" van de vertaler) machtsposities van groot praktisch belang is, ook al vond het lange tijd in de economische en politieke theorie geen erkenning, zouden we, in overeenstemming met onze sterk pragmatische benadering, van de overheid verwachten dat zo'n machtspositie voorwerp zou zijn van een groot stuk wetgeving en overheidsbeleid. (...)
In feite is in de moderne tijd het steunen van tegengestelde machtsposities misschien wel de voornaamste binnenlandse taak in vredestijd geworden van de federale regering.
Dat komt nogal actueel over, nu de Verenigde Staten worstelen met een groot monopolieprobleem:
The Monopolization of America.

En dan hebben we het nog niet eens over de macht van de grote internationale ondernemingen: Break up Facebook (and while we're at it, Google, Apple and Amazon).
Lees hier het volgende bericht.

dinsdag 27 november 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 9 - Democratie bedreigd door het Grote Geld; Piketty en Galbraith

We zijn in dit relaas van de mensheidsgeschiedenis aangekomen op een punt dat we met de democratie, de verzorgingsstaat, de gelijkberechtiging en de mensenrechten zich een collectief project zien ontwikkelen dat eruit bestaat de oeroude morele gemeenschapsintuïties in nationale en internationale instituties vorm te geven. Dat project is nog maar kort aan de gang, zeg één of anderhalve eeuw. En nu, in 2018, weten we nog niet goed of het zal slagen.

Omdat we er nog middenin zitten, is het bovendien moeilijk om een goed overzicht te krijgen en te houden van alle ontwikkelingen die zich afspelen en die de uitkomst kunnen beïnvloeden. Aan het eind van het vorige bericht in deze reeks was ik tot de tussentijdse conclusie gekomen dat het goed zou zijn om stil te staan bij het werk van Thomas Piketty (2014) en bij dat van John Kenneth Galbraith (1956).

Bij Piketty's Capital in the Twenty-First Century, omdat daar, in Hoofdstuk 12 (Global Inequality of Wealth in the Twenty-First Century), de extreme concentratie van vermogens en vermogensgroei sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw zo goed naar voren komt. Er kwamen meer miljardairs en het aandeel van de miljardairs in het wereldwijde inkomen stegen. De inkomens van de rest bleven daar sterk bij achter.

Ee een flink deel van dat geconcentreerde kapitaal, tenminste 10 procent van het wereld Bruto Nationaal Inkomen, maar waarschijnlijk meer, bevindt zich in belastingparadijzen. Dit is, zo merkt Piketty op, een extreem hoog bedrag, meer dan tweemaal zoveel als de vermogenspositie van de groep rijkste landen (Japan, Europa, Verenigde Staten).

Een wel heel sterke aanwijzing dat er zoiets als het Grote Geld bestaat en dat degenen die dat Grote Geld vergaard en gecumuleerd hebben, er goed in slagen om het aan de belastingheffing te onttrekken. En dus een sterke aanwijzing dat de democratie in gevaar is.

Vandaar dat Piketty tot de conclusie komt dat er een wereldwijde progressieve belastingheffing op kapitaal nodig is om deze zichzelf versterkende kapitaalsaccumulatie een halt toe te roepen. Dat lijkt, zoals hij ook zelf opmerkt, voorlopig een utopisch ideaal. Maar misschien onvermijdelijk in een geglobaliseerde wereld met vrij verkeer van kapitaal.

In dat verband is het voor de hand liggend om het betoog van John Kenneth Galbraith uit de jaren 50 van de vorige eeuw terug in de herinnering te roepen. Dat inhield dat er op markten machtsposities kunnen ontstaan en dat die machtsposities voorafgaand aan de Crash van 1929 in de Verenigde Staten aanzienlijk waren. Uit de Nederlandse vertaling van American Capitalism (mijn Aula-pocket uit 1965):
Hier was een macht die invloed had op de prijzen die de gewone man betaalde, op het loon dat hij ontving; een macht die het formidabelste obstakel naar omvang en ervaring betekende dat een nieuwe onderneming in de weg stond. Wat zou zo'n macht wel niet kunnen aanrichten als de omvangrijke hulpbronnen ervan gebruikt zouden worden voor politieke corruptie en het beïnvloeden van de openbare mening?
Dat bracht Galbraith ertoe om zijn theorie van de tegengestelde machten (countervailing powers) te ontwikkelen. Die dus inhield dat er op markten machten kunnen ontstaan, waar een tegengestelde macht tegenover moet staan om economische schade te voorkomen. Die tegenmacht ontstaat soms vanzelf, maar vaak is daar een helpende hand van de overheid bij nodig. Die dus ook inhield dat je markten niet zomaar aan zichzelf kunt overlaten.

Of de overheid moet zelf die tegenmacht vormen, door een herverdelingsbeleid met progressieve belastingheffing op inkomen en vermogen. En in een geglobaliseerde economie moet dat dus ook een geglobaliseerde belastingheffing zijn.

En zolang die er niet is, ja, dan gaat dat proces van kapitaalsaccumulatie aan de top en stagnatie bij de rest gewoon door. Dat is dus niet alleen economisch schadelijk, maar tegelijk sterk bedreigend voor de democratie.

Denk aan Galbraith: wat zou zo'n macht wel niet kunnen aanrichten?
Lees hier het volgende bericht.