Posts tonen met het label Mariana Mazzucato. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mariana Mazzucato. Alle posts tonen

woensdag 25 januari 2017

Beleid dat bestaansonzekerheid zaait, oogst rechts-extremisme

Als je zoals ik in de Tweede Wereldoorlog geboren bent en bent opgegroeid in de tijden van de opbouw van de verzorgingsstaat, dan is het extra moeilijk te bevatten dat we nu opnieuw de opkomst van rechts-extremisme meemaken.

Dus probeer ik zo goed mogelijk bij te houden wat er zoal onderzocht en gepubliceerd wordt over de mogelijke oorzaken van dat rechts-extremisme.

Het beeld dat daar uit naar voren komt is natuurlijk nog niet definitief. Maar wat al wel duidelijk lijkt, is dat het niet de globalisering op zich is die het rechts-extremisme zo heeft aangewakkerd. Nee, de rol van overheidsbeleid is cruciaal.

Want hoewel de globalisering over de hele linie welvaartsverhogend heeft uitgewerkt, hebben velen er ook de nadelen van ondervonden.

En precies daar komt het belang van overheidsbeleid naar voren. Joseph Stiglitz wees daar al op in zijn WRR-lezing eind 2014: Globalization has not always been well managed - Joseph Stiglitz over globalisering en de eurocrisis. Welvaartstheoretisch gezien zouden de voordelen voor de winnaars groot genoeg zijn geweest om de verliezers (werkloosheid, stagnerende lonen) te compenseren. Maar daar was overheidsbeleid voor nodig geweest. Beleid gericht op hogere belastingen voor de rijken met het oog op grotere sociale bescherming voor de armen en de middeninkomens.

Maar dat beleid is niet gevoerd. Integendeel, lagere lonen en minder bescherming werden juist als verstandig beleid aangeprezen. U weet wel, neo-liberalisme.

Het was dus het beleid dat tekort schoot in het goed begeleiden van de globaliseringstrend. Die trend vroeg juist om meer bescherming in plaats van minder.

Door groeiende bestaansonzekerheid te tolereren of zelfs bewust na te jagen, hebben de politici een cruciale bijdrage geleverd aan de opleving van het rechts-extremisme.

Ze lieten de financiële sector de vrije hand, waardoor de crisis van 2008-2010 de economieën kon teisteren. Met als bekend gevolg een steun in de rug voor rechts-extremisme, anti-immigrantensentiment en vreemdelingenhaat (Meer rechts-extremisme na financiële crises - niet na economische crises).

Ze lieten de combinatie van groeiende bestaansonzekerheid en ongelijkheid ongemoeid, waardoor niet alleen bij de armeren, maar ook bij de meer welgestelden de zorgen over de toekomst toenamen. Zorgen die blijken samen te hangen met toenemend anti-immigranten stemgedrag (Anti-immigranten sentiment beïnvloed door inkomenspositie en bestaansonzekerheid).

Dat alles had niet hoeven te gebeuren. Martin McKee wees er al op, in zijn WRR-lezing 2016, dat de politieke keuzes anders hadden kunnen zijn. En dat ze ook gunstiger effecten hadden waar ze anders gemaakt werden (Martin McKee: toenemende kwetsbaarheid en onzekerheid zijn gevolg van politieke keuzes).

En nu zijn er Michael Jacobs en Mariana Mazzucato die een duidelijk verband leggen tussen het Brexit-en-Trump Syndroom en het tekortschietende overheidsbeleid van de neo-liberale politici:
The tragedy of globalisation over the last 30 years is that it has occurred at the same time as the dominance of an economic orthodoxy that saw the state retreat from active economic management. The precise opposite was required: as international trade – which increases national income but brings inequality and geographic dislocation – expanded, what was needed was a more active state redistributing its rewards to develop the productive economy and to ensure fairer outcomes. (The Brexit-Trump Syndrome: it’s the economics, stupid).
En er is Why far right parties do well at times of crisis: the role of labour market institutions van Tim Vlandas en Daphne Halikiopoulou, die laten zien dat het niet de gevolgen van de crisis op zich waren die het stemmen op rechts-extremistische partijen verklaren.

Nee, het gaat om de mate waarin de arbeidsmarkt is gereguleerd; hoe minder ontslagbescherming en hoe soberder de werkloosheidsuitkeringen, hoe beter de uitslagen van de rechts-extremistische partijen bij de Europese verkiezingen. De onderzoekers vatten hun resultaten als volgt samen (mijn cursivering):
They suggest that the rise of the far right is not merely the result of exogenous forces that are outside of policy makers’ control. On the contrary, it is more likely the outcome of labour market policy choices. In a number of European countries, governments of both the left and right have reduced entitlements to unemployment benefits and have deregulated job security regulations. As a result, the unemployed have seen their standard of living deteriorate, while a growing segment of the labour force now works on temporary contracts and workers on permanent contracts feel increasingly insecure. The most affected economies have responded to the financial crisis by pursuing policies of austerity (Theodoropoulou and Watt 2011), further exacerbating economic uncertainty. The irony is that it is precisely these policies, targeted at solving Europe’s economic predicament, that have intensified political instability in many European countries. If we are right, the adoption of these policies increases the risks and costs of unemployment, which, in turn, makes the rise of the far right more likely. Social democratic parties and the union movement should continue to oppose austerity not only because of its adverse economic effects, but also because of its dangerous political consequences in times of crisis. 

woensdag 25 november 2015

Bij het overlijden van Douglass C. North - over markt en overheid

Vandaag het bericht dat economisch historicus en Nobelprijswinnaar in 1993 Douglass C. North is overleden. Zie Douglass C. North, Nobel Laureate Economist, Dies at 95. Hij was een van de grondleggers van de new institutional economics, waartoe ook Elinor Ostrom wordt gerekend.

North was vooral op zoek naar de oorzaken van de snelle economische groei in de laatste paar eeuwen in de Westerse wereld. En hij liet overtuigend zien dat de rol van instituties daarin cruciaal was. Denk aan door overheidswetgeving in het leven geroepen overeenkomstenrecht, eigendomsrechten, patenten en octrooien.

Daarmee ging hij in tegen het neoklassieke economische denken, dat er van uitging dat een zoveel mogelijk vrij gelaten marktmechanisme (laissez faire) als vanzelf de economische groei zou aanjagen. Technologische ontwikkeling zou dan spontaan gegenereerd worden en markten zouden als vanzelf in omvang toenemen.

Ik sloeg even zijn fraaie boek Structure and Change in Economic History uit 1981 er op na. En kwam terecht op p. 166-7, waar hij economisch historici aanhaalt die vooral wijzen naar deregulering als oorzaak van de industriële revolutie. Zijn antwoord daarop is vervat in dit wat langere citaat:
What has been missing in the argument, however, is that while laissez faire is identified as the key to the development, the term "laissez faire" not only has misleading ideological overtones but at least in part misses the point. It is true that the decline in mercantilist restrictions including repeal or reform of the Statute of Artificers (denk aan de ambachtsgilden - HdV), poor laws, acts of settlements, usury laws, navigation acts, and so forth is part of the story. Particularly significant to the developing of more efficient markets, however, is the better specification and enforcement of property rights over goods and services; and in many cases much more was involved than simply removing restrictions on the mobility of capital and labor - important as those changes were. Private and parliamentary enclosures in agriculture, the Statute of Monopolies establishing a patent law, and the immense development of a body of common law to better specify and enforce contracts also are part of the story. Laissez faire implies an absence of restraints; efficient markets imply well-specified and enforced property rights, which means the creation of a set of restraints encouraging productivity growth. The removal of restrictions widening the gap between private and social returns frequently required positive action by government - a government which we have seen was, as a result of the English revoltion, oriented toward such development.
In een slogan samengevat: Niet meer markt, maar meer overheid en daardoor meer markt. Een mooie weerlegging van het naïeve marktdenken, uitgerekend in het jaar, 1981, dat Ronald Reagan in de Verenigde Staten tot president werd verkozen.

Maar nu, in 2015, in een tijd waarin we vrezen voor langdurige economische stagnatie als gevolg van (wederom!) een in de politiek wijd verbreide onderschatting van het belang van een positieve de rol van de overheid, kun je je afvragen of we niet nog twee stappen verder moeten gaan dan North deed in 1981.

Allereerst, we beseffen, of zouden behoren te beseffen, dat de economie naast een aanbodkant ook een vraagkant heeft. En dat dus economische groei niet alleen afhangt van overheidsbeleid voor de aanbodkant, waar North op wees, maar ook van macro-economisch beleid om in tijden van liquiditeitsval de vraag op peil te houden. Tragisch dat dit besef, zeker in Europa, maar zo beperkt tot de politiek doordringt. Denk aan alle berichten op dit blog over de bezuinigingszeepbel.

Maar daar komt nog een stap bij. Want je kunt bepaald niet verwachten dat de markt wel genoeg technologische innovatie verschaft als maar aan die institutionele voorwaarden van North is voldaan. Het blijkt immers dat veel technologische vernieuwingen pas tot stand komen als de overheid bereid is om investeringen te doen waarvoor private geldschieters terugdeinzen vanwege de hoge risico's. Zoals overtuigend naar voren gebracht door Mariana Mazzucato in dat prachtige boek The Entrepreneurial State. Zie ook het bericht Het misverstand dat in "de economie" alles draait om concurrentie.

woensdag 18 februari 2015

Het misverstand dat in "de economie" alles draait om concurrentie

Naast het misverstand dat "de economie" bestaat uit het bedrijfsleven, is er ook het wijdverbreide misverstand dat in "de economie" alles draait om concurrentie. Als er maar voldoende concurrentie is tussen aanbieders en als landen maar genoeg concurreren op hun "concurrentiekracht" (competitiviteit), dan zal de economie bloeien en zal de economische groei grote hoogten bereiken.

Dat misverstand ligt ten grondslag aan het grootscheepse proces van deregulering, liberalisering en privatisering dat we in veel landen de laatste tientallen jaren hebben meegemaakt. In dat proces zijn zeker ook schadelijke prijsopdrijvende kartels en beschermingsconstructies opgeruimd. Ook in Nederland, dat voordien bekend stond als het kartelparadijs. En het is juist Europese regelgeving geweest die dat proces heeft bevorderd. Dat wijst er op dat er te weinig concurrentie kan zijn. Maar we hebben ook geleerd dat het concurrentiedenken kan doorschieten.

Ook ligt het ten grondslag aan de economische doctrine die in Europa heerst, namelijk dat landen onderling dienen te concurreren om wie het meest exporteert en het minst importeert. Een strijd dus om wie het grootste betalingsbalansoverschot tot stand weet te brengen.

Er zijn goede redenen om vraagtekens te zetten bij een onbeperkt vertrouwen in de weldadige werking van concurrentie. Zowel als het gaat om concurrentie tussen aanbieders als concurrentie tussen landen. Nu over concurrentie tussen aanbieders; later meer over concurrentie tussen landen.

We weten al langer dat concurrentie tussen aanbieders onder bepaalde voorwaarden tot sub-optimale resultaten leidt. Met de aard van die voorwaarden houdt de theorie van het marktfalen zich bezig. Dan gaat het om het bestaan van externaliteiten (denk aan vervuiling), van informatie-asymmetrie (denk aan artsen), van publieke goederen (denk aan infrastructuur, schone lucht) en van het natuurlijke monopolie (denk aan het spoorwegennet). De mooiste samenvatting van al het denkwerk en onderzoek dat op dit terrein is verricht, vind je in Policy Analysis. Concepts and Practice van David Weimer en Aidan Vining, waarvan in 2010 de vijfde druk is verschenen. Ik heb er jarenlang college over gegeven.

Onder genoemde voorwaarden is er reden voor overheidsingrijpen in de markt of zelfs voor overheidsproductie. Maar omdat de overheid ook niet perfect is, is het wel zaak om de consequenties van marktfalen en van mogelijk overheidsfalen tegen elkaar af te wegen. In ieder geval zijn er dus aanwijsbare voorwaarden waaronder je niet zomaar kunt vertrouwen op concurrentie tussen aanbieders om een optimale uitkomst te genereren.

Maar genoeg daarover. Dit is alles bekende kost, hoewel niet bij sommige marktfundamentalisten.

Want naast die bestaande theorie van het marktfalen zijn er nog tenminste vier redenen om stil te staan bij de beperkingen van concurrentie als welvaartsgenererend mechanisme:
  1. Voor het tot stand komen van economische transacties is voldoende vertrouwen tussen partijen nodig, omdat contracten nooit volledig zijn. Je moet dus vaak op elkaars goede wil kunnen vertrouwen. Naast concurrentie is er vertrouwen nodig voor het bereiken van economische efficiëntie. Een fraai overzicht van het onderzoek op dit gebied is Trust, Growth and Well-being: New Evidence and Policy Implications (pdf) van Algan en Cahuc uit 2013. Zie ook Calculativeness, trust, and the reciprocity complex: is the market the domain of cynicism? van Rudi Wielers en mijzelf.
  2. Concurrentie kan uitkomsten tot stand brengen die velen van ons (dat hoeft niet iedereen te zijn) moreel afkeuren. We zijn nu eenmaal toegerust met rechtvaardigheids- en zorgemoties en concurrentie garandeert niet dat daar aan voldaan is. Vandaar de ontwikkeling van en de stabiele steun voor het idee van de verzorgingsstaat.
  3. Door alleen te vertrouwen op concurrentie kunnen we tekort doen aan het menselijk vermogen tot intrinsieke motivatie, de motivatie dus om dingen te doen voor jezelf of voor anderen omdat het je bevrediging en voldoening verschaft. Het concurrentiedenken houdt met deze motivatie geen rekening met mogelijk negatieve gevolgen.
  4. Concurrentie alleen zorgt maar beperkt voor investeringen die gericht zijn op innovatie. Zulke riskante investeringen komen vaak alleen tot stand als aanbieders een monopolie-achtige omvang hebben bereikt of als de overheid die taak op zich neemt. Zie het werk van Mariana Mazzucato.
In komende berichten zal ik hier verspreid over de tijd verder aandacht aan besteden. Een aardig recent boek is ook De limieten van de markt van Paul de Grauwe.