Posts tonen met het label arbeidsmarkt. Alle posts tonen
Posts tonen met het label arbeidsmarkt. Alle posts tonen

dinsdag 6 april 2021

Thomas Piketty over The Great Transformation van Karl Polanyi - "a magisterial work"

Na de waterscheiding van eind achttiende eeuw ging het moreel luchtledige economisch denken domineren. Dus de overtuiging dat de markt de kans moest krijgen om zonder overheidsbemoeienis het altijd  "goede" evenwicht te vinden (laissez faire). Met de welbewuste keuze om de sociale, en dus morele, inbedding van alle economische processen vaarwel te zeggen en als achterhaald en ouderwets af te doen. Zie hier het vorige bericht: Over Polanyi's waterscheiding van eind 18e eeuw en wat daaraan voorafging - En over hoe het moreel luchtledige kapitalisme doorbrak.

De moraal mag in de sfeer van de persoonlijke verhoudingen zijn werk blijven doen, in het nieuwe domein van de onpersoonlijke, economische verhoudingen draait alles om concurrentie. Met als wenselijk resultaat een tot dan ongekende materiële welvaartstoename. Waarbij "materieel" slaat op dat deel van welvaart dat "niet-sociaal" is, dus niet voortkomt uit het tegemoetkomen aan sociale behoeften. Denk aan Sociale welvaart. 

Die morele luchtledigheid hield onder meer in dat niet langer iedereen hoefde mee te tellen. "Iedereen" kon zonder morele scrupules worden onderscheiden in bezitters (van grond en andere kapitaalgoederen) en arbeiders. En omdat arbeid een goed moest zijn als alle andere, zoals dat hoort op een ongereguleerde arbeidsmarkt, hoorden arbeiders hun arbeid te verkopen tegen elke prijs dan ook die op die markt tot stand kwam. Als die prijs zo laag was dat honger werd geleden, dan was dat nu eenmaal zo. Polanyi (The Great Transformation, p.115-6):

Since the emerging society was no other than the market system, human society was now in danger of being shifted to foundations utterly foreign to the moral world of which the body politic hitherto had formed part.

De markt werd de maat der dingen. Met als enige morele rechtvaardiging de (fictieve) claim dat op de markt immers iedereen vrij was in zijn doen en laten. Een claim die zo weinig voorstelde dat je wel van morele luchtledigheid mag spreken.

Dat bracht met zich mee dat de welvaartstoename, die er wel degelijk was, zeer ongelijk werd verdeeld. De negentiende eeuw was er een van toenemende ongelijkheid. Want ja, morele intuïties van iedereen telt mee en van rechtvaardigheid, die hoorden immers geen rol meer te spelen. 

Polanyi schreef zijn The Great Transformation tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het boek verscheen in 1944. Hij was toen al vanuit Engeland naar de Verenigde Staten geëmigreerd. Hij kan dan terugkijken op wat er in de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw gebeurd is met die marktmaatschappij. En hij zag de twintigste-eeuwse aanzetten tot wat na de Tweede Wereldoorlog de verzorgingsstaten zouden worden (zoals algemeen kiesrecht, leerplicht, ongevallenwet, kinderwetten). 

Ik vroeg me af of het werk van Polanyi ook ter sprake komt in Piketty's Capital and Ideology  Een boek van meer dan duizend pagina's, dat je dus eigenlijk nooit "uit" hebt. Dus ik sloeg het er op na.

En jawel, Piketty besteedt zeker aandacht aan The Great Transformation. Zoals op p. 417, waar hij het boek (a magisterial work) aanhaalt om stil te staan bij die aanzetten tot en de naoorlogse opbouw van de verzorgingsstaten:

those decisions ( de besluiten om de invloed van privébezit terug te dringen, zoals progressieve belastingheffing) stemmed from profound and lasting changes in social perception sof the system of private property and its legitimacy and ability to bring prosperity and offer protection against crisis and war. This challenge to capitalism had been in gestation since the middle of the nineteenth century before crystallizing as majority opinion in the wake of two world wars, the Bolshevik Revolution, and the Great Depression of the 1930s. After such shocks, it was no longer possible to fall back on the ideology that had been dominant until 1914, which relied on the quasi-sacralization of private property and the unquestioned belief in the benefits of generalized competition, whether among individuals of among states. The contending political forces therefore set out in search of new avenues, including various forms of social democracy and socialism in Europe and the New Deal in the United States. 

En dan verwacht je een passage over de lessen daarvan voor nu, die inderdaad volgt:

The lessons that can be drawn from this history are obviously relevant to what is happening today, especially since a neo-proprietarian ideology began to gain influence in the final decades of the twentieth century.

Want ja, met dat neoliberalisme van Thatcher, Reagan en Pinochet en van de opzet van de eurozone  zetten we enkele stappen terug naar de negentiende eeuw. Waar we dus nu, als de tekenen niet bedriegen, weer afscheid van nemen. Zie Wat is hier aan de hand? Is dit echt het begin van een historische omslag van statuscompetitief overheidsbeleid naar gemeenschapsbeleid?

Verderop in Capital and Ideology komt Polanyi nog twee (eigenlijk drie) keer aan de orde. Daarover meer in het volgende bericht.

vrijdag 24 januari 2020

Maakt de Commissie-Borstlap de "fallacy of composition"? Waarom Lodewijk Asscher gelijk heeft

Het Eindrapport van de Commissie Regulering van Werk (Cie. Borstlap) getuigt van een inzicht dat misschien snel een nieuwe consensus wordt, namelijk dat de neoliberale ideologie van deregulering en kleine overheid zijn langste tijd heeft gehad. Misschien keren we gewoon terug op het pad van de vooruitgang. Je kunt dat rapport hier lezen: In wat voor land willen wij werken? Naar een nieuw ontwerp voor de regulering van werk.

Maar het rapport kent een opvallende ambivalentie. Aan de ene kant zijn er voorstellen om de flexibiliteit op de arbeidsmarkt vergaand terug te dringen. Maar daar staat weer het voorstel tegenover om de vaste contracten aanzienlijk flexibeler te maken. In de woorden van de Commissie (p. 65):
Om werkgevers ruimte te bieden voor het organiseren van aanpassingsvermogen binnen hun organisatie, adviseert de Commissie werkgevers soortgelijke rechten toe te kennen als de rechten van werknemers op grond van de Wet flexibel werken. Dit betekent concreet dat de interne wendbaarheid binnen het contract voor onbepaalde tijd voor werkgevers wordt vergroot op het terrein van arbeidsomvang en salaris (tot een bepaald percentage), maar ook op het terrein van functie, werklocatie en arbeidstijden. De werkgever krijgt de mogelijkheid deze arbeidsvoorwaarden eenzijdig te wijzigen indien bedrijfseconomische omstandigheden daartoe aanleiding geven.
En dat is opvallend, omdat alle argumenten die de Commissie noemt om de flexibiliteit terug te dringen, hier ineens geen rol meer lijken te spelen. Hier is ineens weer doorslaggevend dat werkgevers voldoende aanpassingsvermogen moeten hebben en dat ze daarom over voldoende "interne wendbaarheid" moeten beschikken. Met als gevolg dat, in de woorden van PvdA-voorman Lodewijk Asscher, je "zes of zeven miljoen mensen flex gaat maken in plaats van zekerheid geven."

Wat de Commissie met de ene hand, de hand van de vooruitgang, geeft, neemt ze met de andere, neoliberale, hand weer terug. Het lijkt alsof het rapport hier terugschiet in een neoliberale reflex, zonder oog te hebben voor die zorg om de behoefte van mensen aan bestaanszekerheid die eerder zo werd beleden.

Een element van die reflex lijkt een fallacy of composition te zijn. De fout namelijk om geen oog te hebben voor niveauverschillen. Want natuurlijk hebben individuele werkgevers behoefte aan interne wendbaarheid. Ze willen graag snel kunnen reageren op veranderingen, op fluctuaties in de vraag naar hun producten. Want ze moeten immers kunnen concurreren en dan is het zaak om snel je arbeidskosten te kunnen terugdringen.

Maar dat is het niveau van de individuele werkgever. En de regelingen omtrent het arbeidscontract spelen natuurlijk op het niveau van de markt. Ook die concurrenten hebben er mee te maken. Dat is de gedachte van het gelijke speelveld.

Waarbij aan elke werkgever wordt opgelegd om de werkelijke kosten van arbeid op te brengen en te verrekenen in de prijs van het product. En het voldoen aan de menselijke behoefte aan bestaanszekerheid hoort mee te wegen in die werkelijke kosten. Kosten die dus over de consumenten van dat product worden verdeeld.

En ja, het klopt dat wij nu met zijn allen voor veel producten te weinig betalen.

Door de overwegingen op het niveau van de individuele werkgever van toepassing te verklaren op het niveau van de markt waarop die werkgever opereert, maak je de fallacy of composition.

dinsdag 5 februari 2019

De stress van flexibele en onregelmatige werktijden en oproepwerk - Nieuw onderzoek

Een element van de neo-liberale sociale zeepbel die veel ontwikkelde landen zo ongeveer sinds de jaren 70 van de vorige eeuw heeft geteisterd, is de overtuiging dat arbeid een goed is als alle andere en dat dus de arbeidsmarkt zoveel mogelijk gedereguleerd moest worden. De arbeidsmarkt moest dynamischer worden.

Die flexibilisering van de arbeid hield een grootscheepse verschuiving in van risico en onzekerheid van de werkgever naar de werknemer. Of de arbeidsproductiviteit daardoor is gestegen, staat nog te bezien. Als dat zo is geweest, en als dat is doorberekend in de prijzen, dan hebben de werknemers dus van die lagere prijzen kunnen profiteren.

Maar of dat zou opwegen tegen de negatieve gevolgen van die flexibilisering voor hun welzijn en gezondheid? Flexibilisering kan leiden tot minder autonomie en meer hiërarchie op het werk en tot een hogere werkdruk. En we kennen de negatieve gevolgen daarvan voor het welzijn van werknemers, zich onder meer uitend in een hogere kans op een burn-out. En flexibilisering gaat vaak gepaard met grotere baan- en inkomensonzekerheid, waarvan de negatieve welzijnseffecten eveneens bekend zijn.

Uit de nieuwe Amerikaanse studie Consequences of Routine Work-Schedule Instability for Worker Health and Well-Being komen specifiek die negatieve effecten naar voren van flexibele arbeidstijden. Onregelmatige en kort van tevoren aangekondigde werktijden en oproepwerk gaan gepaard met verhoogde psychologische stress (somberheid, rusteloosheid, nervositeit, uitzichtloosheid, vermoeidheid), met slechter slapen en met lagere geluksscores. Dat verband komt zowel tot stand via verhoogde bestaansonzekerheid (wisselend inkomen), als door grotere problemen met het combineren van werk en gezin.

De resultaten komen overeen met eerder onderzoek. Het wordt steeds duidelijker hoe onbezonnen dat neo-liberale streven was om de arbeidsmarkt te laten functioneren als een gewone markt. En om arbeid als gewone koopwaar te beschouwen. Een afschrikwekkend voorbeeld van een manier van economisch denken waarin voor reflectie over de menselijke natuur, over wat mensen nodig hebben en over wat mensen aankunnen, geen plaats is.

maandag 26 oktober 2015

Varoufakis over de werkloosheidsontkenners - waarom lagere lonen de vraag naar arbeid doen afnemen

Lezende in De economie volgens Yanis Varoufakis, zoals uitgelegd aan zijn dochter, kwam ik in hoofdstuk 6 aan bij het betoog waarin het er om gaat waarom de werkloosheidsontkenners ongelijk hebben.

Economie uitgelegd aan mijn dochterDie werkloosheidsontkenners zijn die economen, en politici, die denken dat onvrijwillige werkloosheid niet bestaat. Want, zo redeneren ze, iedereen die (nog) werkloos is, heeft zijn gewenste loon nog niet genoeg laten zakken. Als hij dat laatste wel zou doen, dan zou er onmiddellijk een werkgever opstaan die hem zou aannemen.

De kern van deze redenering is dat arbeid net zo iets is als huizen, auto's en tomaten: als je de vraagprijs maar genoeg laat zakken, is er altijd een koper te vinden. Net als iemand niet moet klagen dat hij zijn fraai gelegen vakantiehuis niet kwijtraakt (vraag dan minder!), moet ook iemand zonder werk niet klagen (ga dan voor een lager loon werken!).

Het probleem met die redenering is dat de kopers van huizen, auto's en tomaten die producten aanschaffen om ze te "consumeren", om de genoegens die daaruit voortvloeien. En iedere koper bepaalt individueel welke prijs door die genoegens wordt gerechtvaardigd.

Daarentegen neemt een potentiële werkgever een werkloze pas in dienst als hij verwacht dat winstgevend te kunnen doen. En die verwachting hangt er vanaf wat de vooruitzichten zijn. Die weer afhangen van het algemenere economische klimaat. Als de economische activiteit groeit en als de consumenten optimistisch zijn, dan maakt een werkloze meer kans om ergens aangenomen te worden.

Dat maakt dat er een zichzelf versterkend proces kan voordoen. Werkgevers kijken naar elkaar, naar het "producentenvertrouwen", en als dat omhoog gaat, als iedereen optimistisch is, dan worden ze zelf ook optimistisch. Waardoor ze meer mensen aannemen. Maar als het vertrouwen laag is, gebeurt het omgekeerde en krijgen werklozen geen kans.

Maar stel dat werklozen bereid zijn om voor nog lagere lonen aan de slag te gaan? Dan wordt het toch op een gegeven moment wel voordelig voor werkgevers om hen aan te nemen?

Nee, dat kon wel eens niet zo zijn. Omdat de ondernemers een algehele verlaging van de lonen gaan zien als een voorloper van minder economische bedrijvigheid. Iedere werkgever betaalt natuurlijk graag een lager loon, omdat hij daarmee zijn kosten verlaagt. Maar tegelijk zou iedere ondernemer graag hebben dat andere werkgevers hogere lonen betalen, omdat zulks zou bijdragen aan de algehele economische activiteit en het algehele optimisme. De koopkracht die door anderen wordt aangewakkerd, daar profiteert iedere ondernemer van, die desalniettemin zelf graag de lonen zou verlagen.

Dat dilemma is analoog aan het uit de speltheorie bekende dilemma van de hertenjagers (Stag Hunt), dat bij Rousseau vandaan schijnt te komen. Varoufakis verwijst er ook naar. Ik sta nu bij deze passage stil omdat hij er zo duidelijk en beknopt mee laat zien dat een loonsverlaging juist kan leiden tot het afnemen van de vraag naar arbeid.

Die werkloosheidsontkenners hebben dus niet door dat arbeid iets anders is dan huizen, auto's of tomaten. Dat is pijnlijk, want het ontkennen van werkloosheid is onder de huidige politici welhaast gemeengoed.

maandag 7 september 2015

Sociale én economische argumenten tegen de dynamische arbeidsmarkt - drie berichten

Volgens de neoliberale sociale zeepbel die rondwaart, moet de arbeidsmarkt worden hervormd. Arbeid moet flexibeler, wat onder meer wil zeggen dat het gemakkelijker moet worden om werknemers te ontslaan. Bedrijven moeten sneller kunnen reageren op veranderingen in de vraag en moeten dus ook sneller niet meer renderende banen kunnen afstoten.

En dat er wordt hervormd, dat blijkt ook inderdaad uit de snelle uitbreiding van de flexibele arbeid. Volgens CBS en TNO is het aandeel werkenden met een flexibele arbeidsrelatie toegenomen van 15 procent (2004) tot 22 procent (2014). En het aandeel zzp’ers is in diezelfde periode toegenomen van 8 naar 12 procent.

Het wordt dus tijd om eens stil te staan bij de grote nadelen van deze ontwikkeling. Aan de hand van drie berichten die langskwamen.

Neem nu het bericht Friends at Work? Not So Much uit de New York Times, waaruit we leren dat het aantal Amerikanen dat een goede vriend als collega heeft, is afgenomen van 50 procent in 1985 naar 30 procent in 2004. Het werk als bron van vriendschappen is dus aan het afnemen. En dat zal er aan hebben bijgedragen dat het vriendschapsnetwerk van Amerikanen zoveel kleiner is geworden. Dat is jammer, omdat we weten hoe groot de bijdrage is van sociale relaties aan welzijn en gezondheid.

Uit hetzelfde bericht leren we ook dat de afname van de langdurige arbeidsrelaties hier een belangrijke oorzaak van is. Als mensen vaak van baan wisselen, dan is de kans op het ontstaan van vriendschappen kleiner. Anders gezegd, hoe dynamischer de arbeidsmarkt, hoe geringer de sociale waarde van het werk. Als bron dus van sociale relaties. Dat is een sociaal argument tegen flexibilisering van de arbeid.

Maar de argumenten tegen zoveel flexibiliteit zijn niet alleen sociaal van aard. Zo is er ook de studie Workplace Stressors & Health Outcomes: Health Policy for the Workplace, die laat zien dat baanonzekerheid, die natuurlijk groter is bij meer flexibiliteit, de kans op gezondheidsproblemen met 50 procent verhoogt. Zie voor meer dat in die richting wijst ook hier en hier. De menselijke natuur is nu eenmaal zo dat we onzekerheid niet zo goed verdragen en het zou goed zijn om daar rekening mee te houden. Uiteraard brengen die gezondheidsproblemen niet alleen menselijk lijden met zich mee, maar als kosten van ziekteverzuim en gezondheidszorg ook economische lasten.

En dan is er als derde bericht de studie Rigidities through flexibility: flexible labour and the rise of management bureaucracies van Alfred Kleinknecht e.a. Daaruit leren we dat het grotere verloop van personeel in bedrijven er toe leidt dat het vertrouwen in elkaar en in het bedrijf en de loyaliteit aan en binding met het bedrijf afnemen. Daardoor wordt het lastiger om een bedrijf goed te leiden, wat weer tot gevolg heeft dat de laag van managers en leidinggevenden groeit. Wat weer verklaart dat in de Angelsaksische landen, met flexibeler arbeidsmarkten, de managementlaag een groter deel uitmaakt van het werknemersbestand dan in Europa (12 procent tegenover 2-6 procent).

Hier gaan dus een sociaal en en economisch argument gelijk op. Niet alleen minder vertrouwen, loyaliteit en binding, maar ook een dikkere, en duurdere, managementlaag. En dan zien we er nog van af dat beide slecht uitwerken op het vermogen tot innovatie.

Nee, die vanzelfsprekendheid van de grote voordelen van dynamiek en flexibiliteit op de arbeidsmarkt, dat heeft wel sterk de trekken van een sociale zeepbel.

woensdag 4 februari 2015

Over rotbanen, baanonzekerheid en psychische aandoeningen. En over symptoombestrijding

Medewerkers van het Trimbos-instituut hebben een studie gedaan naar het verband tussen werkomstandigheden en psychische aandoeningen. Het gaat om de studie The association between type and number of adverse working conditions and mental health during a time of economic crisis (2010–2012) (betaalpoort). Het Trimbos-instituut wijdt er vandaag een bericht aan. Het gaat om resultaten van een grootschalig epidemiologisch onderzoek, de Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2.

De onderzoekers keken naar vier kenmerken van de werkomstandigheden die zouden kunnen bijdragen aan de kans op psychische aandoeningen: een gebrek aan autonomie, psychische belasting, baanonzekerheid en gebrek aan sociale steun op het werk.

Werknemers met lage scores op tenminste drie van deze vier kenmerken werden gekarakteriseerd als degenen met een lage kwaliteit-baan. Zeg maar, met een rotbaan. Als je die mensen vergelijkt met degenen die op geen van de kenmerken laag scoorden, dan hebben ze een 3 tot 5 maal hogere kans op een psychische aandoening. Dat wil zeggen op oftewel een stemmingsstoornis (zoals depressie), een angststoornis of drugs- of alcoholafhankelijkheid.

Een rotbaan blijkt dus ook echt een rotbaan te zijn. Dat blijkt er ook uit dat het hebben van een rotbaan wat de kans op een psychische aandoening betreft vergelijkbaar blijkt te zijn met werkloos zijn of arbeidsongeschikt. Dat bevestigt maar weer dat het hebben van werk goed voor je is, maar dat dat niet zomaar geldt voor het werk zelf. Zie Verhoogt werk ons welzijn? Ja en nee.

Daarnaast valt in de resultaten vooral ook op dat van die vier baankenmerken de mate van baanonzekerheid het sterkste effect heeft op de kans op psychische aandoeningen. Werknemers met een hoge mate van baanonzekerheid hadden een 2 maal zo grote kans op elk van die drie psychische aandoeningen.

Je zou zeggen, dat pleit ervoor om terughoudend te zijn in het steeds maar flexibeler maken van de arbeidsmarkt. Mensen hebben nu eenmaal een sterke behoefte aan bestaanszekerheid en het zou goed zijn om daar in de inrichting van onze economie en arbeidsmarkt rekening mee te houden. En uiteraard pleit het er voor om een macro-economisch beleid te voeren dat gericht is op volledige werkgelegenheid.

Maar het valt op dat de onderzoekers geen aanbevelingen in die richting doen. Geheel en al in de lijn van de trend van symptoombestrijding, pleiten ze er voor dat werknemers moet worden geleerd om beter met baanonzekerheid om te gaan. Ik moest uiteraard meteen terugdenken aan het bericht Zoveel symptoombestrijding! Naar aanleiding van Rutger Bregman over de Week van de Werkstress. En verder commentaar hoeft dan eigenlijk niet meer.

Voor het overige liggen de resultaten in dezelfde lijn van de eerdere berichten Is flexibilisering van de arbeidsmarkt een goed idee? en Sociaal-economische statusverschillen en baanonzekerheid. En niet te vergeten Een baan met meer autonomie geeft minder kans op burn-out.

dinsdag 3 april 2012

Gezondheid en sociale omgeving (11a): is flexibilisering van de arbeidsmarkt een goed idee?

Lage sociaal-economische status verhoogt de kans op chronische angst- en onveiligheidsgevoelens, die samenhangen met het gevoel van een gebrek aan controle over het eigen leven. De chronische stress die daaruit voortkomt beïnvloedt de gezondheid negatief (zie het bericht Gezondheid en sociale omgeving (11)). In datzelfde bericht ging ik in op de negatieve gezondheidseffecten van baanonzekerheid, die meer voorkomt bij lagere statusberoepen, zoals die uit onderzoek blijken.

Dit brengt me op de gedachte die je nu veel tegenkomt dat flexibilisering van de arbeidsmarkt een goed middel is om de economische groei te bevorderen. Het zijn vooral de werkgevers die er voor pleiten om het ontslagrecht te versoepelen. Het idee is dat bedrijven gemakkelijker nieuw personeel aantrekken als ze er ook weer gemakkelijk vanaf kunnen als dat nodig is. Dus: wil je de werkloosheid terugdringen, versoepel dan het ontslagrecht.

Nu kun je daar dus tegen in brengen dat het gemakkelijker kunnen worden ontslagen de baanonzekerheid sterk zal vergroten. Waardoor we de gezondheid van onze werknemers negatief zouden beïnvloeden. En dat gezondheidseffect brengt natuurlijk ook economische kosten met zich mee. De vraag is dus wat per saldo verstandig is.

Maar daar komt nog bij dat meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt ook nog wel eens rechtstreeks economisch gezien nadelen kan hebben. Alfred Kleinknecht wijst daar vandaag op in zijn column in de Volkskrant. Wat blijkt?
... er is ... veelvuldig aangetoond dat soepeler ontslag en loonmatiging leiden tot lagere groeivoeten van de arbeidsproductiviteit en tot minder innovatie. En anders dan verwacht levert het ook geen economische groei op.
Het onderzoek ken ik niet, maar er zijn zeker argumenten die dit plausibel maken. Zo noemt Kleinknecht dat kortere verbintenissen de sociale binding en loyaliteit van werknemers met het bedrijf verminderen. En dat zal leiden tot meer opportunistisch gedrag en dus tot slechtere arbeidsprestaties of zelfs gedragingen die het bedrijf schaden. Daardoor is er meer toezicht en controle nodig, wat leidt tot meer managementlagen. Zo is het aandeel van managers van de beroepsbevolking veel hoger in de flexibelere Angelsaksische landen (12 tot 19 procent) dan in de "starre" Europese landen (2 tot 6 procent). Ook zijn kortere verbintenissen slecht voor de cumulatie (en de overdracht) van moeilijk te documenteren en persoonsgebonden ervaringskennis. En daardoor, en door die geringere binding met het bedrijf, zal er minder innovatie plaats vinden. En uiteraard zullen bedrijven minder geneigd zijn te investeren in scholing.

Maar waar Kleinknecht ook op wijst is dat een soepeler ontslagrecht de machtsverhoudingen in het bedrijf verandert. Werknemers zullen meer beducht zijn, misschien ten onrechte, voor problemen met de baas en zullen zich dus minder kritisch opstellen. Ook in die gevallen waarin hun kritiek gerechtvaardigd is en waarin het bedrijf er belang bij zou hebben. Door die grotere slaafsheid van het personeel zul je aan de top meer 'zonnekoning-gedrag' zien.

Dat laatste wijst er op dat je met een flexibele arbeidsmarkt bevordert dat de sociale structuur van ondernemingen meer die van de statushiërarchie wordt. Met alle nadelen die daaraan zijn verbonden. Zie al mijn berichten onder het label statushiërarchie (in de rechterkolom). Nog anders gezegd, zorg je er met meer flexibilisering voor dat in de bedrijven de onderlinge verhoudingen meer in het teken staan van het Dictator-spel en minder in het teken van het Ultimatum-spel. En iemand tot dictator maken, ook als het de leiding van een bedrijf is, heeft heel vervelende sociale gevolgen. Zie dit bericht en dit bericht.

Trouwens: het is goed voorstelbaar dat veel werkgevers op de hoogte zijn van al deze inzichten. Ze kennen natuurlijk heel goed de grote voordelen van langdurige verbintenissen. Vandaar dat ze ook vaak proberen om ontslag van personeel zo lang mogelijk te voorkomen. Maar desondanks lijkt het waarschijnlijk dat ze zich door een "star" ontslagrecht in hun autonomie beperkt voelen. En ze zullen vaker stilstaan bij die gevallen waarin ze een slecht functionerende werknemer moeilijk kunnen ontslaan dan bij al die gevallen waarin ze profiteren van werknemers die loyaal en kritisch zijn doordat ze niet voortdurend bang hoeven te zijn voor ontslag.

Gisteren waarschuwde Paul de Grauwe er voor om de arbeidsmarkt te flexibiliseren in een tijd van recessie. Je zou daarmee de automatische stabilisatoren om zeep helpen. Maar los daarvan is hij voorstander van meer flexibilisering in landen als Spanje en Italië. Nu kan het zijn dat in die landen de macht (en dus de Dictator-positie) teveel berust bij de werknemer. Maar Paul de Grauwe gaat wel geheel voorbij aan alle overwegingen die ik hier boven noem.