Posts tonen met het label neuroticisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label neuroticisme. Alle posts tonen

dinsdag 14 mei 2024

Naast en onafhankelijk van economische achtergesteldheid maakt ook de persoonlijkheidstrek van het neuroticisme vatbaar voor rechts-extremisme

Politiek rechts-extremisme berust op een wereldbeeld van onveiligheid en daarmee van vijandigheid. De wereld is onveilig en dat komt doordat er vijanden zijn die het op ons voorzien hebben en die dus moeten worden bestreden. En die als het mogelijk is dienen te worden verwijderd ("gedeporteerd") of zelfs te worden vernietigd. De aard van die vijanden kan variëren (Joden, Roma, immigranten, asielzoekers, moslims, lhbtqia+-ers, de linkse elite), de constante is dat er vijanden zijn. 

Daarmee is politiek rechts-extremisme een uitingsvorm van het menselijke statuscompetitiepatroon. Het wereldbeeld van strijd en ieder-voor-zich is erin geactiveerd. Er zijn vijanden die tegelijk aan ons inferieur zijn en ons bedreigen. Alles in de politiek draait erom die bedreiging het hoofd te bieden. Al het andere is daaraan ondergeschikt.De bij de democratie passende opdracht van het zoeken naar het beste beleid voor iedereen is gereduceerd tot de opdracht van het uitschakelen van vijanden.

Dat het rechts-extremisme in allerlei landen weer de kop opsteekt, in ons land in de vorm van de verkiezingsoverwinning van Wilders' eenmanspartij de PVV, ligt eraan dat de heersende neoliberale politiek de doelstelling van het verschaffen van bestaanszekerheid voor iedereen overboord gooide. Daardoor namen onveiligheidsgevoelens toe en dus de ontvankelijkheid voor de rechts-extremistische boodschap. Als mensen zich bedreigd en onveilig voelen, dan zoeken ze daar voor een oorzaak en een oplossing. In antwoord daarop wijst de rechts-extremistische politicus een vijand aan en een oplossing: bestrijd en verwijder de vijand.

Er is het nodige sociaalwetenschappelijk onderzoek dat dit zicht op het politieke rechts-extremisme ondersteunt. Veel daarvan kwam aan de orde in het bericht Waardoor werd de PVV zo groot? 

Er is nu dit nieuwe onderzoek dat in dezelfde richting wijst: Fear and Deprivation in Trump’s America: A Regional Analysis of Voting Behavior in the 2016 and 2020 U.S. Presidential Elections. De onderzoekers laten zien dat de rechts-extremist Donald Trump bij de verkiezingen van 2016 en 2010 in het bijzonder goed scoorde in economisch achtergestelde regio's (counties), maar daarnaast ook in regio's met een hoge mate van onveiligheidsgevoelens, dat wil zeggen met een hoge gemiddelde score op de persoonlijkheidsdimensie neuroticisme.

Mensen met een hoge mate van neuroticisme zien de wereld als bedreigend en zijn vatbaar voor een angststoornis of een depressie. Ze reageren sterk op negatieve gebeurtenissen, ervaren vaker negatieve gebeurtenissen, interpreteren ambigue gebeurtenissen als bedreigender, raken door negatieve ervaringen meer van de kaart en vinden het moeilijker om met negatieve gevoelens om te gaan. 

Dat zo'n behoorlijk stabiele persoonlijkheidstrek als neuroticisme, onafhankelijk van die economische achtergesteldheid, vatbaar maakt voor rechts-extremisme is opmerkelijk. Het bevestigt dat politiek rechts-extremisme een antwoord is op onveiligheidsgevoelens, of die nu een economische oorzaak hebben of dat ze een oorzaak hebben in iemands persoonlijkheid. 

De rechts-extremistische politicus vaart wel bij onveiligheidsgevoelens. Die zijn vanwege dat neuroticisme altijd in zekere mate in de bevolking aanwezig. Maar dat heeft geen gevolgen voor het stemgedrag van neurotici zolang de politiek zich laat leiden door de morele gemeenschapsintuïtie van iedereen-telt-mee. Zodra die leidraad wordt verlaten, ontstaat er de ruimte voor het rechts-extremistische wereldbeeld van onveiligheid en daarmee van vijandigheid. En dan wordt neuroticisme een politieke factor.

vrijdag 5 juni 2020

Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 9

De derde van de drie wegen die Caspi en Moffitt noemen waarlangs "fundamentele bedreigingen van iemands fysieke en psychologische veiligheid" tot depressie leiden, bestaat eruit dat het hebben ervaren van de stress van onveiligheid niet alleen tot een depressieve episode leidt, maar ook de sensitiviteit verhoogt voor latere stressvolle ervaringen. Die stress sensibilisatie verhoogt dus de kans op terugkerende depressies. Zie hier het vorige bericht in deze reeks.

Ook hier is er een onderzoekslijn, waarvan Life Stress, the "Kindling" Hypothesis, and the Recurrence of Depression: Considerations From a Life Stress Perspective een uitvoerig overzicht geeft en waar Caspi en Moffitt naar verwijzen. Daarin lees je over neurologisch onderzoek naar disregulering van het stress systeem (de HPA-as, in het Nederlands de hypothalamus-hypofyse-bijnier as) als gevolg van het ervaren van een stressvolle gebeurtenis. 

Door die disregulering wordt de gevoeligheid voor nieuwe stressvolle ervaringen vergroot. Een proces dat psychologisch kan verlopen via de ontwikkeling van zichzelf versterkende negatieve cognitieve schema's (zeg maar een negatieve kijk op de wereld) en via verandering van de persoonlijkheid, in het bijzonder de ontwikkeling van neuroticisme (emotionele instabiliteit). Met als gevolg dat de drempel voor herhaling van een depressieve episode steeds lager komt te liggen. Wat aanvankelijk niet als traumatisch ervaren zou worden, is later voldoende om de depressie te doen terugkeren.

Tijd voor een tussenbalans. We zijn gewend om de maatschappij waarin we opgroeien als "normaal" te beschouwen. Maar het valt op dat in die "normale" toestand een aanzienlijk deel van de bevolking te maken krijgt met een psychische aandoening. Dat het lijden aan een psychische aandoening zoveel voorkomt, suggereert dat al die verschillende aandoeningen iets gemeenschappelijks hebben en dat ze ook een gemeenschappelijke oorzaak hebben. 

Onderzoek laat zien dat het "iets" dat gemeenschappelijk is, wat de p-factor genoemd wordt, te maken heeft met aandacht en cognitieve controle, in het bijzonder met het registreren en verwerken van informatie. Informatie van buitenaf, maar ook informatie over de eigen gedachten en emoties.

Wat de oorzaak betreft, laat onderzoek zien dat verlies, geïntimideerd en/of vernederd en/of verraden worden - fundamentele bedreigingen van iemands fysieke en psychologische veiligheid - de kans op psychische aandoeningen, welke dan ook, vergroten.

En dat proces van de ervaring van fundamentele onveiligheid naar aandoening verloopt via:
  1. stress inbedding. In mijn vertaling: kinderen ontwikkelen een beeld van hun omgeving als onveilig en als reactie daarop komen ze in de statuscompetitiemodus (wantrouwen en vechten), die niet meer adequaat is als ze later in een veiliger omgeving terechtkomen.
  2. stress teweegbrenging. Kinderen (of adolescenten) ontwikkelen als reactie op onveiligheid niet alleen een negatieve kijk op de wereld, maar ook op zichzelf. Dat kan zoal inhouden: een negatieve cognitieve stijl, gevoel van hopeloosheid, excessieve zelfkritiek, piekeren, vermijdende of angstige hechting, excessieve afhankelijkheid, moeite met je te laten gelden, excessieve zorgzaamheid, agressie en excessieve openhartigheid. Waardoor omgang met anderen moeizamer verloopt, wat weer de kans op psychische aandoeningen vergroot.
  3. stress sensibilisatie. De ervaring van onveiligheid disreguleert het stress-systeem, waardoor de gevoeligheid voor nieuwe stressvolle ervaringen wordt vergroot. Wat je voorafgaand aan het eerste trauma nog best had aangekund, wordt daarna zo stressvol dat het voldoende is om weer een episode met een aandoening uit te lokken.
Caspi en Moffitt besluiten hun artikel met de vraag waar al het voorgaande nu toe leidt voor wat de behandeling en de preventie van psychische aandoeningen betreft. Daarover meer in de volgende berichten. Zie hier het volgende bericht.

zaterdag 1 oktober 2016

Is er een gen voor eenzaamheid? En over maatschappijvergelijking

Is er een gen voor eenzaamheid? Nee, dat lijkt niet het geval te zijn. Uit vorig onderzoek kwamen wel varianten van bepaalde genen als kandidaat naar voren, maar in nieuw onderzoek met een groot databestand (10.760 Amerikanen van 50 jaar en ouder) houdt geen van die mogelijke verbanden stand (Genome-Wide Association Study of Loneliness Demonstrates a Role for Common Variation). Zie ook de samenvatting van het onderzoek in ScienceDaily.

Ik was er benieuwd naar om welk gen of samenstel van genen het zou kunnen gaan en naar de associaties met andere gedragskenmerken. Toch geeft dit nieuwe onderzoek over dat laatste wel enig inzicht.

Want de onderzoekers konden een schatting maken van de overerfbaarheid van eenzaamheid. Eenzaamheid, niet als een tijdelijk fenomeen, maar als de kans op eenzaamheid gedurende de levensloop, blijkt voor 14 tot 27 procent genetisch bepaald.

Wat dat precies betekent, wordt iets duidelijker als je bedenkt dat er een gemeenschappelijke overerfbaarheid blijkt te zijn van eenzaamheid, neuroticisme, extraversie en depressieve symptomen. Dat doet vermoeden dat een genetische "verklaring" voor eenzaamheid en een maatschappelijke verklaring niet los van elkaar staan.

Want het zou kunnen zijn dat je in een land als de Verenigde Staten behoorlijk emotioneel stabiel moet zijn (tegenovergestelde van neuroticisme), behoorlijk extravert en weinig depressief om niet eenzaam te worden. In andere landen of sociale omstandigheden zou dat anders kunnen zijn.

Denk (weer) even aan de Boliviaanse Tzimane, die misschien qua aanleg voor neuroticisme niet verschillen van Amerikanen, maar die in een sociale omgeving hun leven doorbrengen waarin die aanleg helemaal niet tot uiting kan komen. Zie (nog eens) het bericht Waarom zijn we eigenlijk niet allemaal emotioneel stabiel?

Want Amerikanen (en wij Nederlanders) leven in een maatschappij waarin we bloot staan aan de uitdagingen van het vermijden van sociaal isolement en van het moeten meedoen aan de statuscompetitie. Wat onder meer inhoudt dat je je voortdurend beter en krachtiger en slimmer moet voordoen dan je bent. Dat wij met die uitdagingen worden geconfronteerd, betekent dat wij aanhoudend stressvolle gebeurtenissen meemaken: bedreigingen die met afwijzing en eenzaamheid en met strijd en nederlaag te maken hebben..

Dat is dus een sociale omgeving waarin het helpt, ja, noodzakelijk is, om emotioneel stabiel te zijn, om extravert te zijn en om niet last te hebben van een neiging tot depressiviteit.

Vergelijk dat met de uitdagingen waar de Tzimane mee te maken krijgen: ze moeten voldoende pro-sociaal zijn (genereus, vriendelijk en bescheiden) en ze moeten zich voldoende inspannen voor het welzijn van de groep. (Ze leven in verwantschapsgroepen van tussen de 30 en 500 personen.)

Een sociale omgeving waar je, als je die uitdagingen voldoende aan kunt, als vanzelfsprekend wordt geaccepteerd om wie je bent. Een sociaal veilige omgeving, waarin verschillen in de aanleg voor eenzaamheid, neuroticisme, extraversie en depressie niet aan het licht komen.

Zo kom je van een onderzoek naar de genetische aanleg voor eenzaamheid zomaar terecht bij een sociaalwetenschappelijke maatschappijvergelijking.

donderdag 2 mei 2013

Klopt het dat je nooit genoeg geld kunt hebben?

Maakt geld onbegrensd gelukkig? In de zin dat je er nooit genoeg van kunt hebben? Of klopt het bekende inzicht dat geld niet gelukkig maakt? Die vragen komen zo nu en dan weer op naar aanleiding van nieuw onderzoek. Zie eerder Geld maakt niet gelukkig. Of toch wel? Of toch niet? 

Nu is er weer een studie van Stevenson en Wolfers (zie link hieronder) die suggereert dat je van geld nooit genoeg kunt hebben en dat het dus wel degelijk zo is dat geld gelukkig maakt en gelukkig blijft maken, hoeveel je er ook al van hebt. Maar ook hier gaat het weer om een grafiek waarin tevredenheid met het leven (verticale as) wordt afgezet tegen het logaritme van het inkomen (horizontale as). Als de curves (per land) dan vrijwel recht lopen, wat inderdaad zo is, dan zegt dat niet dat elke €1000 extra evenveel extra tevredenheid oplevert. Als op de horizontale as gewoon het inkomen zou staan, dan zouden de curves wel degelijk afbuigen. Hoe meer geld je al hebt, hoe minder tevredenheid extra geld je oplevert. Anders gezegd, geld is wat economen een "normaal goed" noemen, dus met afnemend grensnut. (Weer met dank aan Peter van der Meer.)

Waarom dan toch steeds weer die heisa over dat geld toch wel degelijk gelukkig maakt? Omdat de discussie dan meestal gaat over de vraag of er ergens een knik in die curves zit waarbij extra geld helemaal geen extra tevredenheid oplevert. Die knik zou er volgens de Easterlin-paradox moeten zijn. Dat die er niet is, vinden sommigen heel belangrijk. Volgens Peter van der Meer, in een email, omdat ze "hardleers zijn, of dogmatisch of neo-liberaal. Die denken nog steeds dat de rijken nog niet rijk genoeg zijn".

Maar is het bestaan van die knik nou wel zo belangrijk? Belangrijker lijkt mij dat geld steeds minder gelukkig maakt naar mate mensen er meer van hebben. Dat is voldoende om bijvoorbeeld een stelsel van progressieve belastingheffing te rechtvaardigen.

Laten we er voor het overige bij bedenken dat er achter dat verband tussen geld en geluk grote verschillen tussen mensen kunnen bestaan. Een gemiddelde is maar een gemiddelde. Zo weten we bijvoorbeeld dat mensen die minder emotioneel stabiel zijn (neurotischer zijn) voor hun geluk meer afhankelijk zijn van hoeveel geld ze hebben. En wat kunnen mensen zoal doen met dat vele geld? Sommigen hebben het nodig om hun rijkdom te etaleren en zijn dus bezig met de statuscompetitie. Dat maakt niet erg gelukkig, dat wil zeggen, dat ze steeds meer geld nodig hebben om zich iets gelukkiger te voelen. Maar anderen geven juist veel van dat hoge inkomen dat ze hebben weg aan goede doelen en voelen zich daardoor gelukkiger.

Update. Zie nu hoe The Economist dit oppakt: ze laten de grafiek hierboven zien en vatten die als volgt samen:
the relationship between income and happiness hardly changes as incomes rise. Moving from rich to richer seems to raise happiness just as much as moving from poor to less poor. One never really grows tired of earning more.
Maar het gaat dus niet om de relatie tussen "inkomen" en geluk, maar om de relatie tussen de logaritme van het inkomen en geluk. En de rest klopt dus niet. Eigenaardig.

You Can Never Have Too Much Money, New Research Shows | Brookings Institution:

'via Blog this'

woensdag 20 maart 2013

Verbondenheid met anderen beschermt tegen zwakke emotionele zelf-regulering

Hoe reageer je meestal op tegenslag en op teleurstellingen? Ben je helemaal van je stuk en kun je je er moeilijk over heen zetten? Ben je er nog lang over aan het piekeren? Of zet je je er snel overheen en ben je dan in staat om je weer met andere dingen bezig te houden?

Hoe mensen reageren op tegenslag en teleurstelling zegt iets over hun emotionele zelf-regulatie. Een hoge emotionele zelf-regulatie is het vermogen om zelf te beïnvloeden hoe je je voelt. Dus om je positieve emoties in stand te houden of te versterken en je negatieve emoties te verminderen. Mensen verschillen nogal in dat vermogen. Degenen onder ons die er niet zo goed in zijn, worden wel omschreven als toestand-georiënteerd: ze beschouwen hun negatieve emotie als een onveranderlijke toestand. Daartegenover zijn anderen juist actie-georiënteerd: ze zetten zich er gemakkelijk overheen, piekeren niet en beschouwen dus hun negatieve gevoel als door henzelf beïnvloedbaar. Ze stellen zich actief op.

Uit onderzoek blijkt dat toestand- en actie-georiënteerdheid ongeveer gelijk over de bevolking zijn verdeeld. En ook weten we dat toestand-georiënteerde mensen het in het leven moeilijker hebben. Ze functioneren minder goed, hebben meer psychosomatische klachten en voelen zich minder gelukkig en tevreden. Vooral als ze meer met tegenslag en teleurstelling, anders gezegd, met stressvolle gebeurtenissen, te maken hebben.

Maar er blijkt een bescherming te zijn tegen deze negatieve gevolgen van toestand-georiënteerdheid. En dat is de mate waarin je je verbonden voelt met anderen. Of omgekeerd gezegd: de mate waarin je het gevoel hebt er niet alleen voor te staan. Of nog anders gezegd, de lasten van de toestand-oriëntatie komen pas tevoorschijn als mensen zich niet verbonden weten of voelen met anderen.

In de studie You Are Not Alone: Relatedness Reduces Adverse Effects of State Orientation on Well-Being Under Stress (betaalpoort) vonden onderzoekers hiervoor aanwijzingen. De eerste aanwijzing is dat mensen die meer toestand-georiënteerd zijn, minder last hebben van de stressvolle gebeurtenissen die ze meemaken, als ze meer pro-sociale waarden onderschrijven. Dat laatste houdt o.a. in dat ze het belangrijker vinden om anderen te helpen en om loyaal en vergevingsgezind te zijn. Het blijkt dat die pro-sociale waarden een compensatie zijn voor hun toestand-oriëntatie. Bij het meemaken van stressvolle gebeurtenissen is hun welbevinden even hoog als dat van de actie-georiënteerden. Dit geldt niet voor de minder pro-sociale toestand-georiënteerden die stressvolle gebeurtenissen meemaken, want hun welbevinden is wel lager.

Nu is het aanhangen van pro-sociale waarden natuurlijk niet hetzelfde als het gevoel verbonden te zijn met anderen, maar de twee lijken wel met elkaar samen te hangen. Een tweede aanwijzing verkregen de onderzoekers door het gevoel van verbondenheid met anderen bij proefpersonen te manipuleren. Hen werd gevraagd om een goede vriend(in) mee naar het experiment te nemen. In de ene conditie moesten deelnemers zoveel mogelijk overeenkomsten tussen henzelf en hun vriend(in) opschrijven en in de andere conditie juist zoveel mogelijk verschillen. Het opschrijven van (en nadenken over) die overeenkomsten werd gezien als het opwekken of saillant maken (primen) van verbondenheid. En het opschrijven en nadenken over de verschillen als het juist niet saillant maken daarvan. Had dit gevolgen voor hoe ze met een negatieve emotie omgingen?

Die negatieve emotie werd teweeggebracht door het zien naar een film over de gruwelijke leefomstandigheden van Roemeense weeskinderen. Tegenover de neutrale conditie van het kijken naar een film over zonne-energie. Vervolgens bleek dat de toestand-georiënteerden die naar die gruwelijke film hadden gekeken, zich na afloop niet slechter voelden dan de actie-georiënteerden deden, als hun verbondenheid met hun vriend(in) was opgewekt. Die verbondenheid had gemaakt dat ze zich van die negatieve emotie net zo snel herstelden dan de actie-georiënteerden. En dit gold niet voor de toestand-georiënteerden bij wie die verbondenheid niet was opgewekt.

Dit alles laat zien dat mensen weliswaar qua vermogen tot emotionele zelf-regulatie sterk van elkaar kunnen verschillen, maar dat die verschillen alleen bij afwezigheid van onderlinge verbondenheid aan het licht komen. Eenzaamheid en sociaal isolement maken dat een zwakke emotionele zelf-regulatie ook echt een last wordt die je moet dragen.

Dit komt er mee overeen dat de verschillen tussen mensen in emotionele stabiliteit ook alleen maar onder bepaalde omstandigheden aan het licht komen. Zie het bericht Waarom zijn we eigenlijk niet allemaal emotioneel stabiel? Doordat in onze huidige maatschappij verbondenheid met anderen niet vanzelfsprekend is en er altijd de uitdaging is van de onderlinge statuscompetitie, moeten we meer dan in de Paleo Sociale Omgeving emotioneel stabiel en actie-georiënteerd zijn om ons gelukkig en tevreden te kunnen voelen. En om goed te kunnen functioneren en gezond te blijven. Zie trouwens ook nog eens het bericht Waarom zijn we niet allemaal veilig gehecht? over onveilige gehechtheid als een product van onze huidige maatschappij.

Kortom, je zou zeggen dat hier een patroon zichtbaar wordt.

zaterdag 29 december 2012

Waarom zijn we eigenlijk niet allemaal emotioneel stabiel?

Hoe komt het dat mensen verschillen in de mate van emotionele stabiliteit? Of omgekeerd gezegd, in de mate van neuroticisme? Emotionele stabiliteit versus neuroticisme is een van de vijf persoonlijkheidsdimensies (de Big Five), waarmee je mensen die in ons soort maatschappij leven, kunt onderscheiden. Zie het vorige bericht over persoonlijkheid en maatschappij.

Als je emotioneel stabiel bent, reageer je minder sterk op stressvolle gebeurtenissen. Je bent gemakkelijker kalm, rustig en gelijkmoedig en minder snel gespannen en van je stuk. Je hebt weinig negatieve emoties, maar ook niet vaak heel positieve. Als je die laatste wel vaak hebt, dan combineer je emotionele stabiliteit met extraversie. Maar ook zonder die combinatie voel je je gelukkiger en tevredener dan wanneer je neurotisch bent. Neuroticisme betekent dat je vaak angstig bent, bezorgd, jaloers op anderen en dat je last hebt van stemmingswisselingen. Je kunt stressvolle gebeurtenissen minder goed verwerken. En tegelijk zie je gewone gebeurtenissen snel als bedreigend.

Hoe komt het dat mensen in dit opzicht zo van elkaar verschillen? Waarom zijn we niet allemaal even stabiel? Je zou kunnen denken, tja, dat is nu eenmaal zo, want mensen verschillen in aanleg voor emotionele stabiliteit. Dat is van alle tijden en van alle omstandigheden. Maar dat blijkt dus niet te kloppen. Die Boliviaanse Tsimane, die leven van jagen, vissen en wat tuinbouw, die blijken deze persoonlijkheidsdimensie helemaal niet te kennen.

Op welk niveau van emotionele stabiliteit die Tsimane zitten, in vergelijking met ons, dat weten we niet, maar het zou me niet verbazen als ze overeenkomen met de meer stabielen onder ons. Er zijn twee uitdagingen die het leven hen stelt: ze moeten voldoende pro-sociaal zijn (genereus, vriendelijk en bescheiden) en ze moeten zich voldoende inspannen voor het welzijn van de groep. (Ze leven in verwantschapsgroepen van tussen de 30 en 500 personen.)

En ze kennen de twee uitdagingen niet waaraan wij wel ons hele leven het hoofd moeten bieden: de uitdaging van het vermijden van eenzaamheid en sociaal isolement en de uitdaging van het moeten meedoen aan de statuscompetitie, wat o.a. inhoudt dat je je voortdurend beter moet voordoen dan je bent. Dat wij met die twee uitdagingen worden geconfronteerd, betekent dat wij, in vergelijking met de Tsimane, aanhoudend stressvolle gebeurtenissen meemaken: bedreigingen die met afwijzing en eenzaamheid en met strijd en nederlaag te maken hebben. Zie ook nog eens dit bericht.

En daardoor blijkt dat wij in aanleg verschillen in de mate waarin we desondanks tot emotionele stabiliteit in staat zijn. Neuroticisme kan gemakkelijk de kop op opsteken. Dat de Tsimane ook in die aanleg verschillen, wat waarschijnlijk lijkt, kan door hun manier van samenleven gewoon niet aan het licht komen. En je zou denken: dat hoort ook niet aan het licht te komen.

Speciaal voor sociologen: eigenlijk wint oudere sociologische literatuur over cultuur, persoonlijkheid en maatschappij hiermee weer verrassend aan actualiteit. Ik denk bijvoorbeeld aan Pitrim A. Sorokin (1889-1968) en David Riesman (1909-2002).

vrijdag 7 december 2012

Als je emotioneel minder stabiel bent, is geld belangrijker voor je

Het is bekend dat mensen met een hoger inkomen iets gelukkiger of tevredener met hun leven zijn dan mensen met een lager inkomen. Ook weten we dat een inkomenstoename (tijdelijk) iets gelukkiger en tevredener maakt. Maar dan vergelijken we gemiddeldes en daar kan veel achter schuil gaan. De aandacht voor wat daar achter schuil gaat neemt in het sociaalwetenschappelijk onderzoek toe. Ik werd daarop geattendeerd door het lezen van het boek Mijn brein is niet jouw brein van Richard J. Davidson en Sharon Begley, dat handelt over de grote verschillen tussen mensen in emotionele stijl. Verschillen die je niet opmerkt als je alleen maar gemiddeldes vergelijkt.

Evenzo blijken verschillen in persoonlijkheid schuil te gaan achter de gevonden samenhangen tussen inkomen en geluk of levenstevredenheid. Uit dit pas verschenen onderzoek blijkt dat van de bekende vijf persoonlijkheidsdimensies het vooral de mate van neuroticisme is die er voor zorgt dat, gemiddeld genomen, mensen met een hoger inkomen tevredener zijn met hun leven en dat een toename van inkomen tevredener maakt. Als je neurotisch bent, ben je minder emotioneel stabiel, laat je je meer beïnvloeden door negatieve gebeurtenissen en ben je meer bezig je met anderen te vergelijken. Door deze beide eigenschappen of een van de twee, dat weten we nog niet, is kennelijk de tevredenheid van neurotici meer afhankelijk van hoeveel geld ze verdienen.

Als we dus zeggen dat geld gelukkiger maakt, dan blijkt dat in het bijzonder te gelden voor degenen onder ons die meer emotioneel onstabiel zijn. Die meer last ondervinden van negatieve gebeurtenissen en die meer de neiging hebben om zich met anderen te vergelijken.

Daar zou je uit kunnen afleiden dat het bevorderen van emotionele stabiliteit (ja, zo onveranderbaar is persoonlijkheid niet) een bijdrage zou kunnen zijn tot een minder eenzijdig-materialistische maatschappij. Anders gezegd, als we (gemiddeld genomen) emotioneel stabieler waren, dan waren we (gemiddeld genomen) minder materialistisch. Dat vond ik wel iets om over na te denken.