Posts tonen met het label verzorgingsstaat. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verzorgingsstaat. Alle posts tonen

woensdag 30 september 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 50 - Het vak sociologie stond aan de zijlijn

Durkheim leefde in een tijd waarin de Industriële Revolutie zich al goeddeels had voltrokken. Net als andere West-Europese en Noord-Amerikaanse landen was Frankrijk al veranderd van een landbouwsamenleving in een land met een beroepsbevolking die ruwweg in drie gelijke delen verdeeld was over landbouw, industrie en diensten. Die ontwikkeling ging rond 1900 gepaard met snelle en ingrijpende veranderingen. Thomas Piketty vat dat op p. 138 van zijn Capital and Ideology (2020) samen als:

Between 1880 en 1914 the world was in perpetual flux. The automobile, the electric light, the trans-Atlantic steamship, the telegraph and radio - all were invented in the space of a few decades. The economic and social consequences of those inventions were surely as important as those of Facebook, Amazon and Uber.

Voor de mensen die toen leefden gingen de ontwikkelingen zo snel en waren ze zo ingrijpend dat Piketty een vergelijking met onze huidige tijd op zijn plaats vindt.

Durkheim scheert de social consequences van die ontwikkeling over de ene kam van de toename van de arbeidsverdeling en vraagt zich af hoe mensen toch nog de sociale verbanden vinden die ze zo nodig hebben. In 1893 in La Division du Travail Social komt hij nog met het idee dat die arbeidsverdeling zelf die sociale verbanden zal verschaffen. Mensen ervaren weliswaar niet meer de de onderlinge nabijheid en gelijkheid van vroeger, maar wel dat ze in verschillende beroepen en functies elkaar aanvullen, waardoor een "organische solidariteit" ontstaat. Maar drie jaar later, in Le Suicide, lijkt dat idee al weer vergeten en verwacht hij dat er nieuwe sociale verbanden zullen ontstaan tussen mensen die hetzelfde beroep uitoefenen. Hier het vorige bericht.

Want op het niveau van de beroepsgroep hebben mensen gemeenschappelijke belangen (arbeidsduur, gezondheid, loonhoogte, sociale verzekering) en de overheid staat daar te ver vanaf om passende regelingen te treffen. Daarom valt aan beroepsgroepen de taak toe (Suicide, p.380):

... presiding over companies of insurance, benevolent aid and pensions, the need of which are felt by so many good minds but which we rightly hesitate to place in the hands of the State, already so powerful and awkward; theirs should likewise be to preside over the disputes constantly arising between the branches of the same occupation, to fix conditions - but in different ways according to the different sorts of enterprise - with which contracts must agree in order to be valid, in the name of the common interest to prevent the strong from unduly exploiting the weak, etc.As labor is divided, law and morality assume a different form in each special function, though still resting on the same general principles. Besides the rights and duties common to all men, there are others depending on qualities peculiar to each ossupation (...)

Onze morele gemeenschapsintuïties (de general principles, de rights and duties commmon to all men) moeten in de maatschappij een bestendige vorm vinden en ik, Durkheim in 1896, denk dat de beroepsgroep daarvoor de eerste kandidaat is. En ik vraag me meteen af dat wel realistisch is (p.380-1):

When their present state is considered, of course, it is somewaht hard to conceive of their ever being elevated to the dignity of moral powers. (...) But when once they have so many things in common, when the relations between themselves and the group to which they belong are thus close and continuous, sentiments of solidarity as yet almost unknown will spring up, and the present cold moral temperature of this occupational environment, still so external to its members, would necessarily rise. (...) Thus the social fabric, the meshes of which are so dangerously relaxed, would tighten and be strenghened throughout its entire extent.

Wat valt op of zou ons moeten opvallen? Durkheims geringschatting, ja bagatellisering, van de mogelijkheid dat wij onze morele gemeenschapsintuïties vorm zouden kunnen geven in de democratische overheid. In zijn ogen was de staat zo machtig, maar tegelijk zo gebrekkig of knullig (in de oorspronkelijke Franse editie: si puissantes et si malhabiles), dat wij als sociologen er weinig van mogen verwachten. De collectieve regelingen die uit die gemeenschapsintuïties voortvloeien, moeten op een lager niveau vorm krijgen. Niet alleen is daar de nodige gedetailleerde informatie gemakkelijker beschikbaar, maar ook is er daar de grotere betrokkenheid van de deelnemers dan wanneer we die taken bij de nationale overheid zouden onderbrengen,. 

Durkheim kan gelijk hebben gehad dat de Franse landelijke overheid in zijn tijd wel erg machtig was, maar tegelijkertijd gebrekkig en knullig. Maar hoe dan ook valt het op dat hij in het geheel niet zag aankomen hoe die democratische overheid zich in de loop van de twintigste eeuw zou ontwikkelen. Ik noemde in het vorige bericht al de uitbreiding van het algemeen kiesrecht, de regulering van de arbeidsmarkt, de sociale zekerheid en de progressieve belastingheffing. 

Het is wel belangrijk om daar nog eens bij stil te staan. Want niet alleen zag hij de verzorgingsstaat, de gemeenschap georganiseerd in de staat, niet aankomen, er ging van zijn werk ook geen enkele stimulerende invloed uit op die ontwikkeling. En daarmee samenhangend, geen enkele stimulerende rol van het vak sociologie. Die ontwikkeling vond plaats in de politiek, geheel op kracht van in de politiek, en dus onder het kiezersvolk, levende idealen, die voortkwamen uit de morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee. De maatschappij bleek mensenwerk te zijn.

Het vak sociologie stond daarbij als toeschouwer aan de kant. (Evenals trouwens het vak economie.) Het vak ontbeerde een theoretisch apparaat waarmee het de gunstige effecten van die ontwikkeling voor het menselijk welzijn uit de doeken had kunnen doen en de ontwikkeling had kunnen aanmoedigen.

Terugdenkend aan mijn studietijd realiseer ik me hoe afstandelijk de sociologie stond tegenover de naoorlogse opbouw van de verzorgingsstaat. Terwijl het in de politiek wel degelijk ging over mens en menselijkheid, stond het vak sociologie aan de zijlijn. Hier het volgende bericht.

vrijdag 25 april 2025

Een sociaalwetenschappelijk zicht op het fenomeen van de foute leider - 31 - Een genereuze verzorgingsstaat beschermt tegen anti-immigrantensentiment en daarmee tegen foute leiders

Foute leiders komen in een democratie aan de macht doordat ze zich weten te presenteren als de redder in nood in een vijandige wereld. Zie hier het vorige bericht. Ze moeten dus de kiezers kunnen voorhouden dat er bedreigingen zijn van interne en/of externe vijanden. Adolf Hitler hield de Duitsers voor dat ze bedreigd werden door hun Joods landgenoten en "het internationale Jodendom". In de politieke actualiteit zien we dat foute leiders hameren op de bedreigingen die zouden uitgaan van immigranten. Die zouden de culturele eigenheid bedreigen en ze zouden economisch een bedreiging zijn. Door de hoge kosten van opvang en integratie en doordat ze zouden worden aangetrokken door de sociale voorzieningen, die daardoor onbetaalbaar zouden worden. Terwijl Hitler dus het antisemitisme aanwakkerde, doen de foute leiders van nu dat met het anti-immigrantensentiment.

Je zou kunnen denken dat die foute leiders meer succes hebben met dat aanjagen van het anti-immigrantensentiment als de sociale voorzieningen in het land ruimhartiger zijn. Want dan kun je immigranten geloofwaardiger aanwijzen als "gelukzoekers" en "profiteurs". Ze zijn niet zozeer op de vlucht voor oorlogsgeweld en vervolging, maar zoeken op onze kosten een beter leven. 

Maar de recente studie Welfare policy and immigration attitudes in Western Europe wijst precies op het tegendeel: hoe ruimhartiger de sociale voorzieningen van een land, hoe positiever de inwoners staan tegenover immigranten. De onderzoekers analyseerden data van de European Social Survey van 16 West-Europese landen over de periode 2002 - 2018. Voor de houding tegenover immigranten stelden ze een index samen die bestond uit het oordeel of immigratie goed of slecht is voor de economie, het oordeel of immigranten het culturele leven ondermijnen of verrijken en het oordeel of immigranten het land een betere of slechtere plek maken om te leven. De ruimhartigheid of strengheid van de sociale voorzieningen werd vastgesteld voor regelingen voor werkloosheid, ziekte en de oude dag. Daarvan werd een index samengesteld die staat voor de mate van sociale bescherming, anders gezegd, voor de mate van door de overheid gegarandeerde bestaanszekerheid.

Na veel analyses blijkt uiteindelijk dat meer sociale bescherming, zowel nu als in het verleden, samengaat met een positievere houding tegenover immigranten.

Sociaalwetenschappelijk gezien kan dat erop duiden dat in landen waarin bij de kiezers meer het iedereen-telt-mee van het gemeenschapsgedrag geactiveerd is, zowel de sociale voorzieningen ruimhartiger zijn als de houding tegenover immigranten positiever is. En tegelijk kan het zo zijn dat die ruimhartige sociale voorzieningen voor burgers de bestaanszekerheid vergroot, waardoor ze minder vatbaar zijn voor foute leiders die angst voor immigranten willen aanjagen.

Kortom, een genereuze verzorgingsstaat beschermt tegen anti-immigrantensentiment en daarmee tegen foute leiders. Hier het vervolg.


dinsdag 21 november 2023

Het is tijd voor wij-met-zijn-allen, dus voor een stem op GroenLinks-PvdA. Een historische en sociaalwetenschappelijke blik op de verkiezingen

Op 16 maart 2021 riep ik op om bij de Tweede Kamerverkiezingen de daaropvolgende dag op een linkse partij te stemmen. Ik deed dat met het bericht dat ik hier vrijwel ongewijzigd kan overnemen. Om toen een linkse stem uit te brengen, moest je nog kiezen tussen de PvdA en GroenLinks (of een kleinere linkse partij). Morgen kun je gelukkig op een verenigd GroenLinks-PvdA stemmen, een belangrijke en hoognodige stap op weg naar een grote linkse partij.

Laten we eens naar deze verkiezingen kijken met een historische blik. Dus met een blik die je op dit blog vaker bent tegengekomen. Zoals in de reeks berichten over de mensheidsgeschiedenis-in-drie-stappen. En met een sociaalwetenschappelijke blik van een vak sociologie dat ertoe doet, dus een vak toegerust met een realistisch normatief kader. 

Wat die historische blik betreft, bevinden we ons nu in een tijdvak van de mensheidsgeschiedenis waarin zich de strijd afspeelt om onze oeroude morele gemeenschapsintuïties vorm te geven in de instituties van de democratie en de mensenrechten. De morele intuïties dus van iedereen telt mee, zorg voor elkaar, samenwerking en rechtvaardigheid. Het vorm geven aan die intuïties slaagt beter als mensen zich veilig voelen en tegelijk voelen mensen zich veiliger hoe meer die vormgeving succesvol is.

De tegenstand in die strijd komt van de evenzeer oeroude menselijke neiging tot statuscompetitie. Die neiging wordt aangejaagd als mensen zich onveilig voelen. In een onveilige wereld heb je van anderen niets goeds te verwachten en moet je dus voor jezelf opkomen en jezelf verdedigen. Met een hoge status, dus als je rijk en machtig bent, ben je bevreesd dat minder gelukkigen hun blik laten vallen op jouw rijkdommen en stel je dus alles in het werk om hen daarvan te weerhouden door onderdrukking en overheersing. Behoor je tot die minder gelukkigen, dan stel je je daartegen te weer en als dat uitzichtloos lijkt, berust je in je lot, gedraag je je onderdanig en probeer je er nog het beste van te maken. Er heerst de ongelijkheid van de statushiërarchie en iedereen voelt zich onveilig.

In de mensheidsgeschiedenis was die strijd tussen deze twee, dus tussen gemeenschap en statuscompetitie, voor verreweg het grootste deel van de tijd beslist in het voordeel van gemeenschap. Dat was in het jagers-verzamelaarstijdperk, toen we voor onze overleving en reproductie afhankelijk waren van samenwerken en delen. Gemeenschap was noodzakelijk en moest dus gepaard gaan met onderdrukking van de neiging tot statuscompetitie. 

Na de overgang naar landbouw, zo'n acht- tot tienduizend jaar geleden, werd dat laatste bemoeilijkt door de introductie van eigendom. Opties dienden zich aan om ook zonder mee te doen met het samenwerken en delen toch te overleven, ja, zelfs rijkdommen te verwerven. Dus brak de statuscompetitie door. Met ongelijkheid tussen arm en rijk, machthebbers en machtelozen, mannen en vrouwen. 

De morele gemeenschapsintuïties konden zich nog maar beperkt doen gelden. Ze werden teruggedrongen tot pockets van onderlinge afhankelijkheid en persoonlijke, langdurige relaties, zoals in die gevallen van zelforganisatie die door Elinor Ostrom bestudeerd werden. En in de zogenaamde standenmaatschappijen kon de ongelijkheid getemperd worden als de relaties langdurig waren. Hogere standen konden dan een morele verplichting voelen om hun ondergeschikten bij te staan. Ik moet daarbij steeds denken aan die boer waar Chris van Esterik over vertelt.

Pas recent in de geschiedenis, zeg de laatste twee eeuwen, krijgen de morele gemeenschapsintuïties weer meer kansen. Met de Industriële Revolutie nam de macht van de arbeid toe en werd de onderlinge afhankelijkheid grootschaliger. Waardoor nationale staten belangrijker werden, ja, zelfs internationale samenwerking. Met als gevolg de emancipatie van eerst de burgerij, toen de arbeid en tenslotte de vrouwen. Slavernij en apartheid werden afgeschaft. Er kwam stapsgewijs algemeen kiesrecht en dus democratie. Dat betekende dat vrijwel alle nationale staten grondwetten invoerden, een in de mensheidsgeschiedenis cruciaal proces dat Wim Voermans beschrijft in zijn nieuwe boek The Story of Constitutions: Discovering the We in Us. En er werden na de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust de internationale mensenrechtenverdragen gesloten. 

Sociaalwetenschappelijk gezien is daarmee de historische strijd geschilderd tussen de twee "evenwichtstoestanden" waar een groep of maatschappij in terecht kan komen. Evenwichten in de zin dat als een van die twee toestanden eenmaal bestaat, er maar moeilijk weer van binnen uit aan ontsnapt kan worden. En er zijn dus de vele sociaalwetenschappelijk aanwijzingen dat het gemeenschapsevenwicht naar menselijk welzijn en in moreel opzicht te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht. Wat in de politieke praktijk betekent dat elke beweging in de richting van meer gemeenschap toegejuicht behoort te worden. Dus meer gelijkheid en meer bestaanszekerheid voor iedereen. Meer nadruk op sociale hervormingen en minder op economische hervormingen. Een grotere rol voor wij-met-zijn-allen, dus voor de overheid, en een kleinere rol voor ieder-voor-zich, dus voor de ongereguleerde markt. Denk aan Een sociologie die ertoe doet. Een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

Oké, nu terug naar november 2023 en de verkiezingen. Minder ver terug in de geschiedenis hebben we tientallen jaren neoliberaal beleid achter de rug. Dus van beleid van minder wij-met-zijn-allen en meer van ieder-voor-zich. In politieke termen: minder overheid en meer gedereguleerde markt. Afbraak van de verzorgingsstaat, toename van bestaansonzekerheid voor velen, met een toename van inkomens-, maar vooral van vermogensongelijkheid. Voedselbanken werden normaal. Een dak boven je hoofd werd aan de markt overgelaten, dus meer daklozen. Arbeidsmarkt gedereguleerd, dus meer onzekerheid. Doelstelling van volledige werkgelegenheid ingeruild voor versobering van uitkeringen. Tegenprestatie in de bijstand. Werkloos? Dan heb je je looneisen nog niet genoeg naar beneden bijgesteld. Stagnatie van de lonen. Armoede, niet allen bij uitkeringstrekkers, maar ook bij werkenden. Publieke voorzieningen gedecentraliseerd en uitgekleed. Gemeentebudgetten afgeknepen. Getreuzeld met de hoognodige maatregelen om de klimaatverandering af te wenden.

Allemaal "economische hervormingen", die het ieder-voor-zich van het statuscompetitie-evenwicht aanzienlijk dichterbij brachten. Minder mededogen met de zwakkeren en kwetsbaren. Anti-immigranten- en vluchtelingensentiment. Toenemend rechts-extremisme. Ontkenning van wetenschappelijke inzichten.

Nu lijken we tot inkeer te komen. Er was al de Grote Financiële Crisis van 2008-2010. Er was de coronapandemie. De rampzalige gevolgen van de klimaatverandering dienen zich aan. We krijgen door dat er iets heel erg is misgegaan. De overheid moet terug.

We moeten weer de weg inslaan in de richting van het gemeenschapsevenwicht. Met het oog op ons aller welzijn. En omdat het in moreel opzicht de juiste weg is.

Het is de weg die we na de Tweede Wereldoorlog met overtuiging hadden ingeslagen. Toen we de lessen hadden geleerd van de economische crisis van de jaren dertig, van de New Deal in de Verenigde Staten, van de bezuinigingspolitiek in Duitsland die Hitler aan de macht bracht, van de daaropvolgende Holocaust.

Toen we, met John Maynard Keynes, inzagen dat een economie zonder een grote sturende rol van de overheid niet goed voor iedereen kan werken. De tijd dus van "de gemeenschap, georganiseerd in de staat". 

Maar ook de tijd waarin de  tegenstand zich al begon te organiseren. Er zijn altijd de rijken en de machtigen die denken dat ze in de statushiërarchie van het ieder-voor-zich beter af zijn dan in het wij-met-zijn-allen. Die backlash wordt voor de Verenigde Staten fraai beschreven in hoofdstuk 13 (The Aristocracy Strikes Back) van The Price of Peace. Money, Democracy, and the Life of John Maynard Keynes van Zachary D. Carter. 

Dat is de tragiek van de strijd tussen gemeenschap en statuscompetitie: hoewel gemeenschap naar welzijn en morele maatstaven beter is, zijn er altijd degenen die niet bestand zijn tegen de verlokkingen van status, macht en rijkdom in een ongelijke statushiërarchie. Als je het eenmaal (veel) beter hebt dan anderen, dan is het moeilijk om je voor te stellen dat er een toestand zou kunnen bestaan, het wij-met-zijn-allen, die voor iedereen beter is. Dat is precies de moeilijkheid die mensen aan de top immoreel doet handelen en waardoor ze het zo moeilijk hebben met de democratie, de institutionalisering van het wij-met-zijn-allen. Denk aan de Republikeinen in de Verenigde Staten, die verkiezingen alleen dan eerlijk vinden als die in hun voordeel worden beslist.

Die backlash was uiteindelijk succesvol met het rond 1980 aan de macht komen van Ronald Reagan (de overheid is niet de oplossing, maar het probleem) en Margaret Thatcher (er bestaat niet zoiets als de maatschappij). En met het begin van dat neoliberale tijdperk, waar we nu misschien het einde van meemaken. In het Nederlandse politieke speelveld is er een ruk naar links vergeleken met vier jaar geleden, maar dat geldt vooral voor linkse en middenpartijen. Maar uitgerekend de neoliberale VVD werd na de Grote Financiële Crisis, tegen alle logica in, de grootste partij en doet het nog steeds goed in de peilingen. En extreemrechts profiteert van de door de neoliberale politiek gecreëerde bestaansonzekerheid onder de kiezers. Geert Wilders ruikt zijn laatste kans.

En in de Verenigde Staten wijzen de beleidsdaden van de Democratische regering-Biden wel heel duidelijk op een afrekening met het neoliberale tijdperk, dat culmineerde in het Trumpisme, en een terugkeer naar de ideeën van de Keynesiaanse New Deal. Jennifer Rubin schreef daarover in de Washington Post, met een verwijzing naar het nieuwe boek van Robert Putnam, met deze eerste twee alinea's:

America has the capacity to reorient itself in a way that emphasizes community, shared national purpose and inclusion. That’s according to political scientist Robert Putnam, who in his latest book, “The Upswing: How America Came Together a Century Ago and How We Can Do It Again," draws lessons from the a 125-year period of U.S. history spanning from the Gilded Age (characterized by polarization and self-centeredness) to the extended Progressive Era (characterized by diminished polarization and greater concern for the common good) to the post-1960s, which saw the rise again of polarization and self-centeredness.

Putnam dubs this “I-We-I” phenomenon. As he argued in a recent interview with Salon, “America may once again pivot toward a ‘we’ society — more equal, less polarized, more altruistic, less socially fragmented and more attentive to historic, structural inequalities.” In that case, President Biden is the right leader for a potential hinge moment. “Biden is proving to be just what the doctor ordered for a shaken country, focused explicitly on ‘we,’ not ‘I,’” Putnam said. "It’s not just his well-known empathy for people in pain, nor his equally well-known propensity to work across the aisle, but also his ability to adapt to changed political circumstances.”

Ook in ons land is het de hoogste tijd voor de wij-maatschappij. 

Dus voor een stem op GroenLinks-PvdA.

dinsdag 19 september 2023

Kiezers willen minder ongelijkheid en rechtvaardiger verhoudingen. Maar dat wilden ze eerder ook al. En dus over sociale zeepbelvorming onder politici

De werking van de innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur, waarin het gemeenschapspatroon en het statuscompetitiepatroon om de voorrang strijden, valt in alle sociale domeinen waar te nemen. In de persoonlijke fysieke en online levenssfeer, in die van de anonieme ontmoetingen, zoals in de publieke ruimte en op sociale media, in de georganiseerde verbanden van verenigingen, vrijwilligersorganisaties en ondernemingen en in het verband van de nationale staat. Ja, zelfs daarboven, in het verband van de internationale politiek, in de vorm van gewelddadige conflicten en van mensenrechtenverdragen.

In het verband van de nationale staat wijst alles erop dat we nu in een overgangstijd zitten waarin het gemeenschapspatroon opnieuw de overhand krijgt op het statuscompetitiepatroon. Terwijl na de Tweede Wereldoorlog het gemeenschapspatroon zich in de politiek doorzette met de opbouw van de sociale zekerheid en van rechtvaardige verhoudingen, kreeg vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw het statuscompetitiepatroon steeds meer het heft in handen. Waardoor de bestaansonzekerheid en de ongelijkheid toenamen.

Voor wat ons land betreft heeft dat er uiteindelijk toe geleid dat nu vrijwel alle politieke partijen aankondigen dat ze de bestaansonzekerheid willen verminderen en de ongelijkheid willen terugdringen.  Zie ook Bestaanszekerheid terug waar het hoort: in het hart van de politiek – Hoog tijd voor een nieuw politiek tijdperk.

En dat is ook precies wat de kiezers willen, getuige de uitslag van het representatieve onderzoek van Ipsos in opdracht van de NOS: Nederlanders willen dat welvaart eerlijker wordt verdeeld:

Bijna twee derde van de Nederlanders (64 procent) vindt het belangrijk dat de welvaartsverschillen kleiner worden. Kiezers van alle partijen zijn het daarmee eens. Bij linkse partijen ligt dat percentage rond de 80, maar ook onder VVD-kiezers is 43 procent er voorstander van.

Een eerlijke welvaartsverdeling moet volgens Nederlanders vooral worden betaald door bedrijven meer belasting te laten betalen. 60 procent vindt dat de belasting voor bedrijven omhoog moet. Bijna evenveel mensen (56 procent) vinden dat er meer belasting moet worden geheven op hogere inkomens. Ook verhoging van de vermogensbelasting krijgt veel steun (49 procent).

Daarbij moet meteen worden opgemerkt dat die sterke voorkeur van mensen voor minder grote inkomensverschillen niet nieuw is. In de tientallen jaren van neoliberaal beleid die achter ons liggen en die de ongelijkheid doelbewust lieten oplopen, is er eigenlijk altijd de opvallende kloof geweest tussen wat de politici teweegbrachten of lieten gebeuren en de afkeer van grote ongelijkheid bij de kiezers. Het lijkt er sterk op dat de politici veel meer meegingen in het omhelzen van het statuscompetitiepatroon dan de kiezers voor wenselijk hielden. De sociale zeepbelvorming van de marktvuistregel was er vooral onder de politici, veel minder onder de kiezers. Over het algemeen volgens mensen liever het in hen levende gemeenschapspatroon van iedereen-telt-mee dan dat vervelende statuscompetitiepatroon van het ieder-voor-zich. En dat komt to uiting in kiezersvoorkeuren. Als kiezers zijn mensen kennelijk stabieler dan als politici.

Ter toelichting hieronder een aantal berichten die eerder op dit blog verschenen.

Burgers willen geen kleinere overheid met lagere belastingen

 (16 september 2013) Steeds meer blijkt dat de voorstanders van bezuinigen in een recessie meer gemotiveerd zijn om zo de overheid een kopje kleiner te maken dan om ons uit die recessie te helpen. In ons land is dat van de VVD zonder meer duidelijk, al was het maar doordat Rutte dat met zoveel woorden heeft gezegd. Maar het lijkt er op dat de andere regeringspartij, de PvdA, ook een kleinere overheid wil.

Nu is groot of klein eigenlijk niet de eerste vraag. Belangrijker is wat je als belangrijke overheidstaken ziet en dan blijkt wel hoe groot of klein die overheid moet zijn om die taken uit te voeren. Maar de PvdA koos altijd voor een pakket taken op het gebied van sociale zekerheid, sociale voorzieningen, werkgelegenheid, onderwijs en gezondheidszorg dat met een kleine overheid moeilijk valt uit te voeren. Ook al omdat langs die weg rechtvaardigheid, gelijkheid en gelijke kansen werden bevorderd.

Daarvan lijkt nu alleen de nivellering te zijn overgebleven. Als er maar genivelleerd word, ik chargeer wat, dan stemt de PvdA graag in met een kleinere overheid, hoge werkloosheid  en een nodeloos langere duur van de recessie. Alles ten behoeve van begrotingsevenwicht, op zich een onzinnig doel.

Maar willen de burgers eigenlijk wel een kleinere overheid? En lagere belastingen?

Een antwoord op die vraag was vorige week voor Engeland te vinden in de nieuwste British Social Attitudes. In dat onderzoek wordt ook gekeken naar de houding van burgers tegenover overheidsuitgaven en de rol van de overheid.

Wat blijkt daaruit? Als je kijkt naar Figuur 2.1 op pagina 36, dan zie je dat het percentage van de Britse burgers dat zegt lagere belastingen en minder overheidsuitgaven te willen, tussen 1983 en 2012 altijd lager is geweest dan 10 procent. In Engeland moeten ze dus helemaal niets hebben van die kleinere overheid.

Hoe zit dat dan in Nederland? Ik kon alleen de cijfers vinden voor de periode tussen 1970 en 2002, in het SCP-rapport De steun voor de verzorgingsstaat, 1970-2002. Het gaat daar, op pagina 14, over de vraag hoeveel geld de overheid voor openbare voorzieningen moet hebben. Mensen konden kiezen tussen "veel meer", "een beetje meer", "zo laten", beetje minder" en "veel minder". In 1970 koos 7 procent voor een beetje of veel minder. Dat percentage nam daarna flink toe (met een maximum van 16 procent in 1975), maar was in 1996 weer naar 8 procent teruggevallen. In 2002 was het gedaald naar 6 procent. (Heeft het SCP niet de recentere cijfers?)

Ook in de Verenigde Staten blijkt keer op keer de steun voor sociale voorzieningen opvallend hoog te zijn. Terwijl daar de retoriek van de kleine overheid hoogtij viert. En de ongeïnformeerdheid schrikbarend is. Wat er toe kon leiden dat leden van de Republikeinse partij en van de conservatieve Tea Party-beweging konden uitroepen dat de overheid met haar handen van hun Medicare-uitkering moest afblijven, onwetend van de omstandigheid dat Medicare een overheidsvoorziening is.

Al met al redenen om te denken dat die opbouw van de verzorgingsstaat na de Tweede Wereldoorlog in de westerse landen niet zomaar een voorbijgaand verschijnsel is. Ik denk als je de menselijke sociale natuur combineert met algemeen kiesrecht en met voldoende garanties voor goed onderwijs en goede informatievoorziening, dat er dan altijd een behoorlijk omvangrijke verzorgingsstaat uit tevoorschijn komt. Mensen zijn bereid daarvoor te betalen.

Zijn de kiezers linkser dan de politici? 

 (25 augustus 2015) De steun voor de verzorgingsstaat kun je aflezen aan de houding tegenover de wenselijkheid van uitgaven ten behoeve van publieke en sociale voorzieningen. En dan blijkt steeds dat die houding opvallend positief is. Mensen willen helemaal geen kleinere overheid met lagere belastingen. Zie hier voor cijfers voor het Verenigd Koninkrijk en Nederland.

En cijfers uit 2008 voor 13 West Europese landen laten zien dat een ruime meerderheid (69 procent) er voor is dat de overheid maatregelen neemt om de inkomensongelijkheid terug te dringen. Een inkomensbeleid dus dat past bij de verzorgingsstaat vanwege de steun voor de zwakkeren en de hoge belastingtarieven voor de rijkeren.

Omdat de huidige Europese politieke elite geheel in de ban is van de neoliberale hervormingsdrang, vraag je je af of de politici wel doorhebben dat de kiezers een linkser beleid voorstaan. Want volgens al die hervormingen moet het allemaal wat minder met die publieke en sociale voorzieningen. We moeten bezuinigen en de overheid moet kleiner. De markt moet meer ruimte krijgen. En dat houdt in dat we grote inkomensverschillen mogen betreuren, maar dat we als overheid ons daar niet mee behoren te bemoeien. Dat dit de overheersende opvatting is geworden onder de politieke elite, ligt er overigens vooral aan dat de sociaal-democratie vrijwel naar het neoliberale kamp is overgelopen.

Dat de steun voor de verzorgingsstaat onder de kiezers groot en stabiel is, wordt bevestigd door recente cijfers van TNS NIPO, waar Tim de Beer mij op attendeerde. In juni van dit jaar konden mensen op een schaal van 1 (veel kleiner) tot 10 (veel groter) aangeven of ze kleinere of grotere inkomensverschillen wilden. Het blijkt dan dat 77 procent de voorkeur geeft aan kleinere inkomensverschillen. Opvallend is ook dat de gemiddelde score 4,0 bedraagt. Alleen de VVD-kiezers zaten met 5,51 rechts van het midden.

Het lijkt een hype te zijn, dat neoliberale "hervormings"- en bezuinigingsbeleid van de huidige politici, los gezongen van wat onder de kiezers leeft.

Je mag dus verwachten dat verkiezingen dat vroeg of laat zullen corrigeren. Ik denk even aan de ontwikkelingen in het Verenigd Koninkrijk, waar Jeremy Corbyn, een sociaal-democraat die wordt afgeschilderd als radicaal-links, hoge ogen gooit om de nieuwe leider van  Labour te worden. Met beleidsvoornemens waar nogal wat mainstream-economen zich achter hebben gesteld. 

Zijn de kiezers linkser dan de politici? Nieuwe aanwijzingen

(22 mei 2017) We maken een tijd mee waarin er sprake is van verrechtsing van het electoraat. Maar het zou wel eens kunnen zijn dat die verrechtsing, en vooral de populariteit van het neoliberalisme, vooral een fenomeen is dat zich afspeelt in de kringen van de politici.

Het lijkt soms alsof dat kringetje van politici, waar overigens politieke verslaggevers graag dicht tegenaan schurken, een eigen wereldje is geworden. Waarbinnen natuurlijk verschillen van mening bestaan, maar waarin ook een stilzwijgende afspraak lijkt te heersen dat het met die verschillen niet uit de hand moet lopen. Vooral als je de verdenking op je laadt dat je "te links" bent, dan loop je kans om niet meer echt serieus te worden genomen. In dat wereldje en de daaromheen cirkelende media is links "uit".

Verrechtsing dus in de politiek. Maar ook bij de kiezers?

Dat staat nog te bezien. Ik stond daarbij stil in de berichten Burgers willen geen kleinere overheid met lagere belastingen en Zijn de kiezers linkser dan de politici? Er zijn aanwijzingen dat de steun voor de sociale zekerheidsarrangementen en voor de kleinere inkomensverschillen van de verzorgingsstaat onverminderd hoog is. En dat de ideologie van de kleine overheid bij de kiezers helemaal niet populair is. Zie voor meer daarover ook Over ontevredenheid met de politiek en de steun voor de verzorgingsstaat - leven we in een pre-revolutionaire toestand? en Essay De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding?

Daar komen nu nieuwe aanwijzingen bij voor wat de Verenigde Staten betreft. Laat je geen rad voor ogen draaien: dat daar Donald Trump op een of andere manier aan de macht is gekomen ( op welke manier zal nog blijken), doet er niets aan af dat het Amerikaanse kiezersvolk in feite steeds meer naar progressief en links tendeert. Het lijkt er zelfs op dat het verschijnsel Trump die tendens heeft versterkt.

Dit blijkt uit cijfers die Ruy Teixeira vandaag op Vox geeft. Zie What right-wing populism? Polls reveal that it’s liberalism that’s surging. We zien bijvoorbeeld dat de houding tegenover immigranten overwegend positief is en positiever is geworden. 60 procent van de Amerikanen is nu van oordeel dat immigratie Amerika meer helpt dan schaadt, terwijl slechts ruim 30 procent van het tegendeel overtuigd is. En de houding tegenover de Affordable Care Act (Obamacare) is nu positief, ondanks de massieve rechtse propaganda. Waartegenover slechts 21 procent zijn goedkeuring geeft aan het door de Republikeinen ingediende alternatief voor Obamacare.

En hoe opvallend is dit plaatje, dat ik naar ik aanneem als een citaat wel mag overnemen:



We zien dat de algemene houding tegenover de rol van de overheid in het oplossen van problemen en het tegemoetkomen aan de behoeften van mensen sinds 1995 sterk positiever is geworden. De Republikeinse anti-overheidspropaganda, die met Ronald Reagan een aanvang nam en door George Bush werd voortgezet, slaat niet meer aan. En heel recent lijkt het afschrikwekkende fenomeen Trump zijn werk te doen.

Blijft natuurlijk de vraag hoe het kon gebeuren dat er in de kringen van politici en media zo'n merkwaardige neoliberale zeepbel kon ontstaan. Wat dat betreft zijn we denk ik voorlopig nog niet uitgepraat over de betreurenswaardige rol die de sociaal-democraten daarin gespeeld hebben. 

Ruime meerderheden vinden dat overheid de ongelijkheid binnen de perken moet houden

(7 november 2019) Maarten Hermans van de KU Leuven maakte met de data van de European Social Survey de onderstaande grafiek. Je ziet voor de jaren 2002, 2008, 2014 en 2018 het percentage van de ondervraagden dat het er mee eens of er sterk mee eens is dat de overheid beleid moet voeren tegen te grote inkomensongelijkheid.

Je ziet voor de landen Nederland, Groot Brittannië, Noorwegen, België, Duitsland, Frankrijk en Italië een duidelijke toename van die percentages. Dat is gemakkelijk te verklaren uit de toename van inkomensongelijkheid in veel landen en de daarmee gepaard gaande toename van berichten in de media daarover. (Lees hieronder door.)

Maar wat je ook ziet is dat de percentages over de gehele periode ruim boven de vijftig procent liggen. Het gemiddelde van deze landen zal in 2002 zo ongeveer tegen de 70 procent hebben gelegen en lijkt in 2018 toegenomen te zijn tot tegen de 75 procent.

De verschillen tussen de landen kunnen te maken hebben met de verschillen in ongelijkheid. Volgens die redenering zou de ongelijkheid in Italië aanzienlijk groter zijn dan die in Nederland, wat geloof ik ook zo is.

Maar ze kunnen ook te maken hebben met verschillen in politieke opvattingen. Grotere inkomensgelijkheid brengt een land dichter bij het gemeenschapsevenwicht en vooral de linkse kiezers zullen daarmee instemmen. En zo gezien valt het op dat de drie grote landen Italië, Frankrijk en Duitsland in 2018 het meest links zijn. (Terwijl Duitsland in 2002 het minst linkse land was.)

Maar wat natuurlijk bovenal opvalt is dat  het zulke ruime meerderheden zijn die vinden dat de ongelijkheid niet te groot moet zijn en dat daar een taak voor de overheid ligt. Terwijl in deze periode bij de politici nog de neoliberale fantasiewereld overheerst waarin de markt vooral zijn werk moet doen en de overheid daar zo weinig mogelijk tussen moet komen. Waarin ongelijkheid die daaruit resulteert juist goed is of voor lief moet worden genomen.

Kennelijk zijn de kiezers linkser dan de politici en hebben ze meer inzicht in de negatieve effecten van te grote ongelijkheid. 

Ook met Trump aan de macht zijn Amerikanen overwegend centrum-links

(7 november 2017) 

Update. Als Amerikanen inderdaad overwegend centrum-links zijn, hoe slagen de Republikeinen er dan in om toch de verkiezingen te winnen? Door langs verschillende wegen, en met hulp van de Russen, de democratische gang van zaken zoveel mogelijk buiten werking te stellen. Zie daarover nu (april 2019): De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 16 - Hoe het Amerikaanse Grote Geld zich verdedigt tegen de democratie.
Het domein van de publieke besluitvorming, dat van de democratie en de politiek, is in de mensheidsgeschiedenis zo nieuw dat je niet kunt verwachten dat mensen er gemakkelijk hun weg in vinden en weloverwogen tot oordelen komen.

We zijn weliswaar gewend om die oordelen te rangschikken op het continuüm van links (ruwweg: meer overheid) naar rechts (ruwweg: minder overheid), maar de meeste kiezers zijn helemaal niet zo vertrouwd met die tweedeling.

In zijn opiniestuk in de New York Times van vorige week (America Is Not a ‘Center-Right Nation’) herinnert Eric Levitz aan het onderzoek van de politicoloog Philip E. Converse uit 1964, waaruit bleek dat slechts 17 procent van de Amerikaanse kiezers het verschil tussen links (liberal) en rechts (conservative) goed kon uitleggen. De grote meerderheid bracht niet zijn stem uit op grond van een duidelijke politieke ideologie. Dat klassiek geworden onderzoek werd beschreven in het essay The nature of belief systems in mass publics.

Sindsdien zijn Amerikanen niet ideologischer gaan denken over de politiek, ondanks dat het politieke speelveld sterk is gepolariseerd. Levitz verwijst naar het boek Neither Liberal nor Conservative. Ideological Innocence in the American Public van Donald R. Kinder en Nathan P. Kalmoe.

Voor de meeste mensen geldt dat ze weinig tijd hebben om zich in politieke denkbeelden en discussies te verdiepen en daar ook weinig in geïnteresseerd zijn. Veel kiezers vinden weliswaar van zichzelf dat ze "links" of 'rechts" zijn, maar wat die etiketten precies inhouden, dat hebben ze niet altijd zo duidelijk voor ogen.

Dat betekent dat de politici een grote verantwoordelijkheid hebben in het omlijnen en differentiëren van het politieke speelveld. In de woorden van Levitz:
One crucial implication of this finding is that political elites have enormous power to dictate ideological terms to their rank-and-file supporters. For a healthy chunk of conservative Republicans and liberal Democrats, the “liberal” and “conservative” position on most issues is whatever their party leaders say it is. Donald Trump’s success at redefining conservative voters’ consensus views on free trade, American policy toward Russia and the relevance of personal morality to effective political leadership offers a particularly vivid illustration of this phenomenon.

Ik denk daarbij natuurlijk ook aan de sociaal-democratische omarming van het neoliberalisme en het daarmee uit het politieke speelveld nagenoeg laten verdwijnen van linkse standpunten.

Maar wat zie als je kiezers naar hun mening vraagt over allerlei politieke strijdpunten? Dan blijkt dat de meerderheid van de Amerikanen een door de overheid georganiseerde en gefinancierde gezondheidszorg wil (Obamacare), hogere belastingen voor de rijkeren, gratis onderwijs en betere sociale voorzieningen.

Als het om de issues gaat in plaats van om de ideologie, dan zijn de meeste Amerikanen links. Dat lijkt in deze tijd algemener op te gaan: de kiezers zijn linkser dan de politici. 

vrijdag 3 februari 2023

De Nederlandse polycrisis: een moedeloos makende waslijst van problemen - die met elkaar samenhangen en een gemeenschappelijke oorzaak hebben - deel 8

In de praktijk van het politieke en maatschappelijke denken van politici en hun kiezers zijn eigenlijk altijd meer vuistregels werkzaam dan diepgravende analyses. De twee meest voorkomende vuistregels zijn de aan elkaar tegengestelde marktvuistregel en overheidsvuistregel. Volgens de eerste moet zoveel mogelijk aan de markt worden overgelaten en staat de overheid in dienst van die markt en volgens de tweede zijn de diensten en voorzieningen van de democratische overheid essentieel voor het menselijk welzijn.

Die twee vuistregels zijn zo alomtegenwoordig doordat ze beide voortkomen uit de innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur. De marktvuistregel komt voort uit het in die natuur klaarliggende statuscompetitiepatroon van het ieder-voor-zich en de overheidsvuistregel komt voort uit de morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee. Als je die twee goed op je laat inwerken, dan besef je ook dat in die overheidsvuistregel de overheid niets anders dan een democratische overheid kan zijn. Terwijl dat laatste in die marktvuistregel niet gegarandeerd is. Als alles om de markt draait, dan is de democratie een bijkomstigheid. 

In die marktvuistregel is natuurlijk gemakkelijk het neoliberalisme te herkennen. En het wat ik eerder het "vulgair-economisch neoliberale denken" noemde. En we zagen al de nogal precaire verhouding van dat denken tot de democratie: Over de neoliberale wens om de democratische overheid grondwettelijk in te perken. En over James Buchanan en de Chileense grondwet.

Oké, we zagen ook al dat die marktvuistregel politici en hun kiezers er gemakkelijk toe kan aanzetten om door middel van bezuinigingen de overheid een kopje kleiner te maken. Je bent dan al gauw geneigd om overheidsuitgaven als verspilling te zien. Maar hij kan er daarnaast ook toe aanzetten om die overheidstaken die overblijven niet al te serieus te nemen. Om daar met enige onbezorgdheid, ook in morele zin, mee om te gaan. Het is geen groot probleem als die taken niet zo goed worden uitgevoerd, want ze kunnen in dat marktdenken toch nooit essentieel zijn. De echte welvaart komt immers op de markt tot stand. En dus moeten we zoveel mogelijk tegemoetkomen aan de wensen van het bedrijfsleven.

Dat niet echt serieus nemen en die morele luchthartigheid zouden ook wel eens ten grondslag hebben kunnen liggen aan die polycrisis waarin we nu verkeren. Die waren, althans naar mijn indruk, al te onderkennen aan de rechtvaardigingen die het kabinet Rutte-2, dat van de VVD en de PvdA(!), gaf voor de bezuinigingen en decentraliseringen in 2015. Je kon taken naar de gemeenten overdragen en daarbij de budgetten verlagen, want die zouden het wel goedkoper kunnen. En je zou meer op de zelfredzaamheid van burgers kunnen vertrouwen. Want "de klassieke verzorgingsstaat" zou zonder problemen kunnen worden ingeruild voor de "participatiesamenleving", waarin burgers weer meer zelf "hun verantwoordelijkheid nemen" en minder "op de overheid leunen". 

Ik las nog eens wat Nils Nijdam daar in 2021 over schreef, met een verwijzing naar het onderzoek dat het Sociaal en Cultureel Planbureau in 2020 uitvoerde over het effect van de decentralisatie van werk, zorg en jeugd. Door Nijdam samengevat:

Het SCP concludeert dat het sociaal domein stagneert en de ondersteuning van kwetsbare burgers niet op orde is. Het streven was meer participatie in de samenleving van mensen die dit niet (helemaal) op eigen kracht kunnen, maar in de praktijk blijven de resultaten achter. De kans op werk voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt is nauwelijks verbeterd, deelname aan de samenleving door mensen met een beperking is niet toegenomen en er zijn nog steeds grote knelpunten in de jeugdzorg. Het SCP pleit voor een realistische benadering van zelfredzaamheid van burgers en de gemeentelijke financiën.

Een "realistische" benadering in plaats van een lichtzinnige. Dat begon dus in 2015. En de beoordeling door het SCP was in 2020. 

Nu, in 2023, zijn we beland in een polycrisis, van tenminste twaalf crises. Het een moet met het ander te maken hebben. Wordt vervolgd. Hier het vervolg.

woensdag 2 november 2022

Als de politici van een land het een goed idee gaan vinden om de verzorgingsstaat te versoberen, dan verlaagt dat de levenstevredenheid van de burgers van dat land.

We zagen al het grote belang van de sociale zekerheidswetten van de verzorgingsstaat voor het welbevinden van mensen. Zie het bericht (uit 2014): De verzorgingsstaat verhoogt de tevredenheid met het leven. En niet een klein beetje!

Daarin vermeldde ik onderzoek waarin landen van de OECD werden vergeleken over de periode 1981 tot 2007. Daaruit kwam naar voren dat de volgende vier indicatoren voor de mate van overheidsingrijpen in de werking van de markt elk in grote mate de tevredenheid met het leven vergroten:

  • het totaal van overheidsuitgaven als percentage van het bruto nationaal product (BNP), dus naast de sociale zekerheidsuitgaven ook de uitgaven voor onderwijs, gezondheidszorg, consumentenbescherming, fysieke infrastructuur, e.d.
  • de sociale zekerheidsuitgaven als percentage van het BNP
  • de toegankelijkheid, het bereik en de hoogte van de uitkeringen
  • de mate van regulering van de arbeidsmarkt (werknemersbescherming)

En inderdaad niet zo'n klein beetje. Vooral de derde en de vierde indicator, dus de overheidsinterventies die mensen beschermen tegen de risico's van het marktmechanisme, hadden sterke effecten op de tevredenheid met het leven, ongeveer even sterk als het hebben van werk vergeleken met werkloos zijn. 

De resultaten komen ermee overeen dat de verzorgingsstaat, dus de institutionele vormgeving van de morele gemeenschapsintuïtie van het iedereen-telt-mee, sterk tegemoetkomt aan de fundamentele menselijke behoefte aan bestaanszekerheid. Er valt dus veel voor te zeggen dat de ontwikkeling van verzorgingsstaten, vooral in de decennia na de Tweede Wereldoorlog, een beweging was in de richting van het gemeenschapsevenwicht en als morele vooruitgang mag worden opgevat. 

Er is nu nieuw onderzoek dat deze inzichten bevestigt. Richard Easterlin en Kelsey J. O'Connor keken binnen landen naar de effecten van veranderingen in de generositeit van de sociale zekerheidsregelingen. Het ging om de hoogte, duur en toegankelijkheid van werkloosheidsuitkeringen, en om beschikbaarheid en generositeit van oudedagsvoorzieningen en ziektekostenverzekeringen. Daar werd een generositeitsindex van gemaakt en van toen Europese landen (Spanje, Italië, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Noorwegen, Groot-Brittannië, Finland, Denemarken en Zweden) werd de ontwikkeling van die index vastgesteld voor de periode 1981-1982 tot 2017-2018. 

Het blijkt dan dat de veranderingen in die generositeitsindex significant samenhangen met veranderingen in de tevredenheid met het leven. Als de politici van een land het een goed idee gaan vinden om de verzorgingsstaat te versoberen, dan verlaagt dat de levenstevredenheid van de burgers van dat land. Met waarschijnlijk als tussenliggend mechanisme dat door die versobering de bestaansonzekerheid toeneemt. 

Het is een belangrijke aanvulling op dat eerdere onderzoek waarin landen werden vergeleken. Als je landen vergelijkt, dan blijkt dat de economische welvaart (het BBP) veel uitmaakt voor de levenstevredenheid. Maar in dit onderzoek bleken veranderingen in het BBP in een land niet significant met veranderingen in de levenstevredenheid samen te hangen. Het gaat niet om armer of rijker worden, maar om afname of toename van bestaansonzekerheid. 

Een belangrijk inzicht. Voor politici en voor kiezers.

donderdag 21 juli 2022

De strijd om de democratie houdt nooit op (4) - In democratische verzorgingsstaten is de morele vooruitgang het verst voortgeschreden

De democratie is de hedendaagse institutionele vormgeving van onze oeroude morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee. 

Als dat zo is, dan hebben we er onvermijdelijk mee te maken dat er in de menselijke sociale natuur ook het statuscompetitiepatroon bestaat. Onze gemeenschapsmoraal is er juist omdat hij ons er van moet weerhouden om in dat statuscompetitiepatroon terecht te komen. Om de verleidingen van de machtsuitoefening en het overheersen en onderdrukken van anderen het hoofd te bieden. Zolang de mensheid bestaat, is er de strijd tussen die twee, de strijd die we in onze taal en in onze religies kennen als die tussen goed en kwaad. 

Daaruit volgt, wederom onvermijdelijk, dat de strijd om de democratie nooit ophoudt. Hier het vorige bericht. Maar daaruit volgt eveneens dat die strijd een grote morele lading heeft. Het gaat niet om zomaar iets, maar om het moreel goede (de democratie) tegenover het moreel kwade (de autocratie, de onderdrukking en de overheersing). 

Dat laatste kwam al, zij het zijdelings, aan de orde in Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen. Daarin ging het over Stelling 3 van de Dual Mode - theorie die inhoudt dat het gemeenschapsevenwicht waarin iedereen zijn of haar morele gemeenschapsintuïties volgt, niet alleen naar welzijn, maar ook in moreel opzicht, te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht, waarin iedereen is bezweken voor de verleiding tot statuscompetitie. En waarin allerlei aanwijzingen werden opgesomd voor de positieve welzijnseffecten van de democratie voor de bevolking. En in het vorige bericht ging het over een recente studie waarin onderzoek naar die positieve effecten van democratie wordt samengevat.

Dat alles doet de gedachte postvatten dat successen in de strijd voor democratie en dus voor de positieve welzijnseffecten van democratie gezien kunnen worden als morele vooruitgang. En nederlagen in die strijd als morele achteruitgang. 

Precies in die richting gaat het pleidooi van Jeremy Evans om de toename van het welzijn van de bevolking te gebruiken als indicator voor morele vooruitgang. Hij deed dat in A Working Definition of Moral Progress, dat in 2017 verscheen in het tijdschrift Ethical Theory and Moral Practice. 

Evans bespreekt daarin de drie verschillende manieren waarop in het wetenschappelijk onderzoek het welzijn van de bevolking wordt opgevat en gemeten. In twee van die manieren gaat het om het subjectieve welzijn, in het ene geval gemeten als positieve en negatieve gevoelens gedurende een dag of achteraf gerapporteerd en in het andere geval om globale beoordelingen, zoals de mate van tevredenheid met het leven. En als derde manier is er de meer objectieve, "eudamonische" benadering waarin wordt nagegaan in hoeverre het leven van mensen tegemoetkomt aan hun fundamentele behoeften. In onderzoek zijn die drie benaderingen ook gecombineerd. In dat verband verwijst Evans naar het werk van Felicia Huppert, die "floreren en gedijen" als welvaartsbegrip en - maat ontwikkelde. Zie eerder ook het bericht Hoe is het om te floreren en goed te gedijen? En hoeveel mensen floreren/gedijen? op dit blog.

Evans maakt vervolgens met verwijzingen naar onderzoek aannemelijk dat een toename van welzijn op die manier gemeten consistent samengaat met meer onderling vertrouwen, meer onderlinge samenwerking en meer onderlinge hulpverlening. Dat verband kenden we al. Want het komt overeen met het inzicht dat mensen meer gemeenschapsgedrag vertonen als ze zich sociaal veilig voelen en sociale veiligheid gaat gepaard met, of is zelfs de belangrijkste voorwaarde voor, welzijn.

En dan komt tenslotte de link met de institutionele voorwaarden voor dat welzijn, die meer blijken te bestaan in landen met meer sociale zekerheid en mogelijkheden tot persoonlijke autonomie, zoals in democratische verzorgingsstaten. Kortom, in dat soort landen is de morele vooruitgang het verst voortgeschreden. Hier het vervolg.

donderdag 23 december 2021

Populairwetenschappelijke literatuur over de wenselijkheid van gemeenschapsgedrag - 3. Over de verzorgingsstaat en een nieuw sociaal contract

Je zou verwachten dat er ook populairsociaalwetenschappelijke literatuur aan te wijzen valt die de vormgeving van onze morele gemeenschapsintuïties op het niveau van de nationale staat bepleit. Naast dus literatuur die de wenselijkheid van meer gemeenschapsgerichtheid in de interpersoonlijke verhoudingen voorstaat. Zie Over de kracht van innemendheid en Een leven met meer verbinding. 

En dat klopt. Neem nu Samen. Een nieuw sociaalcontract voor de 21e eeuw van Minouche Shafik. Het is de vertaling van What We Owe Each Other: A New Social Contract. Shafik is directeur van de London School of Economics and Political Science. Eerder was ze vicepresident van de Wereldbank. 

Shafik verwijst naar eerdere fasen in de opbouw van verzorgingsstaten, zoals naar het 19-eeuwse Duitsland van Bismarck en het Beveridge-rapport in Groot-Brittannië halverwege de vorige eeuw. Aan de toen zich ontwikkelende verzorgingsstaten lagen "wederzijdse verplichtingen" ten grondslag, geheel in lijn met "de gemeenschap georganiseerd in de staat", zoals in het Nederlandse Rapport-Van Rhijn. 

Die wederzijdse verplichtingen (het iedereen-telt-mee) brengen enerzijds een herverdeling met zich mee van rijk naar arm, maar anderzijds ook een gemeenschappelijke verzekering met betrekking tot de levenscyclus. Mensen betalen in het midden van hun leven aan de staat en ontvangen geld op jonge leeftijd en als ouderen. Zoals afgebeeld in het plaatje op p. 28, dat ik even gefotografeerd heb.

Maar allerlei latere ontwikkelingen, zoals op het vlak van technologie en de veranderende rol van vrouwen, maken volgens Shafik een nieuw sociaal contract nodig. Dat op de volgende drie algemene principes gebaseerd moet zijn (p. 41-42):

  1. Iedereen moet kunnen beschikken over een zeker minimum aan middelen om een fatsoenlijk leven te kunnen leiden. Dit behoort onder meer te bestaan uit basale gezondheidszorg, uitkeringen bij werkloosheid of arbeidsongeschiktheid, onderwijs en een oudedagsvoorziening.
  2. Van iedereen mag worden verwacht dat hij/zij zo veel bijdraagt als waartoe men in staat is. Hiertoe moet iedereen de mogelijkheid krijgen om de eigen capaciteiten maximaal te ontwikkelen, door middel van permanente scholing, het verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd en publiek gefinancierde kinderopvang die het vrouwen mogelijk maakt om te werken.
  3. De bescherming tegen bepaalde risico's als ziekte, werkloosheid en een armoedige oude dag kan beter door de samenleving als geheel worden geregeld dan door individuele verzekeringen, de steun van familie of bijdragen van werkgevers.

Als je dat allemaal bekend voorkomt, dan klopt dat, want we zijn vertrouwd met de morele gemeenschapsintuïties die aan deze principes ten grondslag liggen.

In het boek werkt Shafik die principes uit in zes hoofdstukken, die gaan over kinderen, onderwijs, gezondheid, werk, ouderen en generaties. En in het laatste hoofdstuk gaat het over de mogelijkheden om die principes te verwezenlijken in een tijd van globalisering. 

En in een tijd waarin we juist een periode achter ons hebben waarin die principes, zeg maar, minder serieus werden genomen. Zoals door het uit de hand laten lopen van de ongelijkheid. Shafik laat in een plaatje, dat ik ook maar even fotografeerde, zien hoe in de periode tussen 1979 en 2003 alom de toptarieven van de belastingen werden verlaagd. 

Dit is natuurlijk een wel heel beknopte samenvatting van het boek. Het wordt op de achterflap aangeprezen door Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie ("Een belangrijke bijdrage op een scharnierpunt in de geschiedenis") en door Christine Lagarde, voorzitter van de Europese Centrale Bank ("Een belangwekkend recept voor de verbetering van het leven van ons allemaal").

En hier dient het als voorbeeld van een populairsociaalwetenschappelijk boek over de wenselijkheid van meer gemeenschapsgerichtheid op het niveau van de nationale staat.

vrijdag 3 december 2021

Mensen hebben wel degelijk inzicht in de innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur en in de wenselijkheid van gemeenschapsgedrag boven statuscompetitiegedrag.

De sociologie, of breder de sociale wetenschappen, zouden zich moeten laten leiden door twee fundamentele inzichten:

  1. het empirisch onderbouwde inzicht dat mensen met elkaar twee "sociale evenwichten" tot stand kunnen brengen: het gemeenschapsevenwicht en het statuscompetitie-evenwicht,
  2. en het evenzeer empirisch onderbouwde, maar tevens normatieve, inzicht dat van die twee het gemeenschapsevenwicht beter is voor mensen dan het statuscompetitie-evenwicht.

Zoals ik uiteenzette in Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen. 

Maar tot nu toe hebben de sociale wetenschappen zich zo ontwikkeld dat deze twee inzichten niet als richtinggevend worden beschouwd. Een enigszins vergelijkbare ontwikkeling heeft het vak economie doorgemaakt, waarin het moreel luchtledige marktevenwicht als wenselijkheid fungeert. Zie daarover De pogingen om het economieonderwijs te hervormen zijn nog niet zo succesvol - En dus over de morele luchtledigheid van het vak.

Dat die inzichten hun empirische onderbouwing en normatieve lading hebben, wekt de verwachting dat mensen er ook zelf weet van hebben. Dat ze inzien dat mensen enerzijds tot gemeenschapsgedrag geneigd zijn, maar anderzijds ook tot het daaraan tegengestelde statuscompetitiegedrag, maar ook dat het beter zou zijn als het gemeenschapsgedrag zou overheersen. 

Dat lijkt inderdaad het geval te zijn. Zo blijkt uit de CBS-publicatie Sentimenten over de samenleving en tevredenheid met het eigen leven dat mensen oordelen dat in Nederland de statuscompetitie toeneemt: 70 procent is van mening dat "het in Nederland steeds meer ieder voor zich wordt" en dat "mensen steeds minder met respect met elkaar omgaan". En 85 procent vindt "de mentaliteit van de bevolking" een probleem. Mensen nemen dus statuscompetitiegedrag waar en beoordelen dat als negatief. Maar daartegenover staat weer dat een grote meerderheid (88 procent) vindt dat "er nog altijd veel mensen zijn die bereid zijn om een ander te helpen" en dat "over het algemeen de meeste mensen wel zijn te vertrouwen" (Burgerperspectieven 2020 | 2). Ook gemeenschapsgedrag wordt dus waargenomen en als positief beoordeeld, hoewel strikt genomen naar dat laatste niet gevraagd is.

En als je kijkt naar hoe mensen de institutionele vormgeving van gemeenschapsgedrag in de regelingen van de verzorgingsstaat beoordelen, dan zie je een hoog niveau van instemming met sociale zekerheid, publieke voorzieningen en verkleining van inkomensverschillen. Zie Hoe groot is de steun voor de verzorgingsstaat? en Zijn de kiezers linkser dan de politici? 

Kortom, mensen hebben wel degelijk inzicht in de innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur en in de wenselijkheid van gemeenschapsgedrag boven statuscompetitiegedrag. 

Dat doet vermoeden dat je dat zult terugvinden in de populair-sociaalwetenschappelijke literatuur. En daarmee in de vraag daarnaar. Net zo als er die populair-sociaalwetenschappelijke literatuur bestaat over het bestaan van statuscompetitiegedrag (zie het vorige bericht) en de onwenselijkheid daarvan. In het volgende bericht gaat het over dat vermoeden.

woensdag 30 juni 2021

Over de gemeenschap georganiseerd in de staat, het mislukte neoliberale experiment en de twee grote uitdagingen van nu - Deel 3 van de mensheidsgeschiedenis in drie stappen

Deel 3 van In deze cruciale periode hebben we de democratie nodig. Maar die wordt bedreigd. De mensheidsgeschiedenis in drie stappen is verschenen in Civis Mundi Digitaal #111. 

Over de gemeenschap georganiseerd in de staat, het mislukte neoliberale experiment en de twee grote uitdagingen van nu. Lees hier verder.

Volg hier de link naar Deel 1.

En hier de link naar Deel 2.

En volg hier de link naar Deel 4.

maandag 17 mei 2021

Amerika als voorbeeld. Over een notitie van de Raad van Economische Adviseurs van de regering-Biden - Nu met update

Update. Nu, in augustus 2022, wordt het steeds duidelijker hoe succesvol het presidentschap van Joe Biden is. Succesvol in vele opzichten, die je kunt samenvatten als een omslag van van statuscompetitief overheidsbeleid (gedreven door streven naar macht, overheersing en onderdrukking) naar gemeenschapsbeleid (gedreven door iedereen-telt-mee). Dit bericht dateert van 17 mei 2021 en kan gezien worden als een aankondiging van wat zou volgen.

Verkiezingen kunnen ingrijpende gevolgen hebben en dat wordt wel heel goed geïllustreerd aan wat zich sinds 20 januari in de Verenigde Staten afspeelt, de datum dat Joe Biden, na zijn royale verkiezingsoverwinning vorig jaar, aantrad als president. Ik stond daar op 29 januari al bij stil in het bericht Wat is hier aan de hand? Is dit echt het begin van een historische omslag van statuscompetitief overheidsbeleid naar gemeenschapsbeleid?

Wat hier precies aan de hand is, wordt nu nog duidelijker met deze notitie (issue brief) van de Raad van Economische Adviseurs van de nieuwe regering: Building Back Better: The American Jobs Plan and the American Families Plan. 

Niet alleen wordt daarin afscheid genomen van het economisch beleid, als je dat al beleid mag noemen, van Bidens voorganger, nee, er wordt korte metten gemaakt met het beleid van de afgelopen veertig jaar. In de Verenigde Staten heeft tot in de hoogste regeringskringen de overtuiging postgevat dat het neoliberale experiment met minder overheid, lagere belastingen en meer markt als een grote mislukking dient te worden beschouwd. Neem de eerste alinea:

For the past four decades, the view that lower taxes, less spending, and fewer regulations would generate stronger economic growth has exerted substantial influence on U.S. public policy. Over this period, the United States has underinvested in public goods such as infrastructure and innovation, and gains from growth have accrued disproportionately to the top of the income and wealth distribution. Long-standing racial, ethnic, and gender disparities persist. In addition, while historic progress has been made in expanding health insurance, more remains to be done to provide adequate protection against economic risk. Indicators of deprivation, such as child poverty, are too high, and declines in overall life expectancy in some years prior to the pandemic, accompanied by increased disparities, are cause for concern.

Het is de hoogste tijd voor een andere economische theorie:

The economic theory underlying President Biden’s American Jobs Plan and American Families Plan is different. These proposed policies reflect the empirical evidence that a strong economy depends on a solid foundation of public investment, and that investments in workers, families, and communities can pay off for decades to come.(...) 

In order to function and deliver strong and shared economic gains, markets need an engaged, effective public sector. From policies that spur innovation and facilitate labor supply to those that provide investments in children and protections against economic insecurity, the public sector has an important role to play in supporting the economy. These types of public programs enable market actors to go about the business of producing goods and services. But when policymakers direct the public sector not to do those things—not to invest in innovation, in supporting labor force participation, in children, or in protection from risk—everyone suffers from slower economic growth, greater inequality, and reduced economic security. 

Waarna een opsomming volgt van de aanwijzingen voor het belang van overheidsuitgaven en -investeringen voor de groei van de productiviteit en daarmee van de levensstandaard. Dan gaat het om de publieke infrastructuur, onderzoek en innovatie, marktinterventies om onvoorziene rampen het hoofd te bieden (pandemieën, klimaatverandering), onderwijs en jeugdzorg en arbeidsomstandigheden, waaronder goede kinderopvang en betaald verlof.

Maar dan gaat het nog alleen over de voorwaarden voor economische groei. Daarnaast is er natuurlijk ook de morele kant van de zaak: worden de economische opbrengsten wel rechtvaardig genoeg verdeeld? 

Growth is only one part of the economic story. An economy where economic gains are not shared is one that is not delivering on its full promise to those who do the work of producing 4 economic output. There is also evidence that greater inequality, in turn, hampers growth through negative effects on innovation and productivity. 

Met terecht, in de laatste zin, de toevoeging dat ongelijkheid niet alleen moreel slecht uitpakt, maar ook juist in economisch opzicht.

Er ligt dus een overheidstaak om de ongelijkheid niet uit de hand te laten lopen, zoals in de Verenigde Staten, maar niet alleen daar, is gebeurd. Dus hogere belastingen, vooral aan de top.

Tenslotte: de overheid heeft tot taak om zijn burgers bestaanszekerheid te verschaffen, een taak die in die 40 jaar neoliberale ideologie veel te veel is verwaarloosd, ja, zelfs bewust genegeerd.

New forms of protection against economic insecurity are necessary to ensure that unavoidable risks do not become avoidable economic pain. Research finds that social insurance programs not only directly reduce hardship and financial risk, they also moderate economic downturns, improve health, and save lives. Investments in expanded social insurance would build on a long tradition of American social insurance programs, including unemployment insurance; Social Security; and Medicare, Medicaid, and the Affordable Care Act. Moreover, they would stand in sharp contrast to recent trends that have increased economic insecurity such as the replacement of traditional pensions with 401(k)s, declining rates of unionization, and the erosion of the value of the minimum wage.

Anders gezegd, terugkeer naar de weg die na de Tweede Wereldoorlog werd ingeslagen, die van de opbouw van de verzorgingsstaat. Er is 40 jaar lang een dwaalspoor bewandeld.

Met de regering-Trump was wel een dieptepunt bereikt in de dominantie van het statuscompetitiepatroon, met serieuze bedreigingen voor de democratie.

Maar nu kunnen de Verenigde Staten weer als voorbeeld dienen. Ook voor Nederland, waar we na de Grote Financiële Crisis natuurlijk al afscheid hadden moeten nemen van die neoliberale dwaalwegen, In plaats daarvan maakten we de VVD de grootste partij. We lopen nu ineens sterk achter bij wat zich in de Verenigde Staten afspeelt.

dinsdag 16 maart 2021

Het is tijd voor wij-met-zijn-allen, dus voor een stem op een linkse partij. Een historische en sociaalwetenschappelijke blik op de verkiezingen

De Tweede Kamerverkiezingen zijn begonnen. Vandaag en woensdag kan er nog gestemd worden. Zeventigjarigen en ouder konden al per post stemmen. Dat gold ook voor mij, maar ik ben niet kwetsbaar en zal woensdag in persoon mijn stem uitbrengen. Dat zal op een linkse partij zijn en hieronder leg ik uit waarom.

Laten we eens naar deze verkiezingen kijken met een historische blik. Dus met een blik die je op dit blog vaker bent tegengekomen. Zoals in de reeks berichten over de mensheidsgeschiedenis-in-drie-stappen. En met een sociaalwetenschappelijke blik van een vak sociologie dat ertoe doet, dus een vak toegerust met een realistisch normatief kader. 

Wat die historische blik betreft, bevinden we ons nu in een tijdvak van de mensheidsgeschiedenis waarin zich de strijd afspeelt om onze oeroude morele gemeenschapsintuïties vorm te geven in de instituties van de democratie en de mensenrechten. De morele intuïties dus van iedereen telt mee, zorg voor elkaar, samenwerking en rechtvaardigheid. Het vorm geven aan die intuïties slaagt beter als mensen zich veilig voelen en tegelijk voelen mensen zich veiliger hoe meer die vormgeving succesvol is.

De tegenstand in die strijd komt van de evenzeer oeroude menselijke neiging tot statuscompetitie. Die neiging wordt aangejaagd als mensen zich onveilig voelen. In een onveilige wereld heb je van anderen niets goeds te verwachten en moet je dus voor jezelf opkomen en jezelf verdedigen. Met een hoge status, dus als je rijk en machtig bent, ben je bevreesd dat minder gelukkigen hun blik laten vallen op jouw rijkdommen en stel je dus alles in het werk om hen daarvan te weerhouden door onderdrukking en overheersing. Behoor je tot die minder gelukkigen, dan stel je je daartegen teweer en als dat uitzichtloos lijkt, berust je in je lot, gedraag je je onderdanig en probeer je er nog het beste van te maken. Er heerst de ongelijkheid van de statushiërarchie en iedereen voelt zich onveilig.

In de mensheidsgeschiedenis was die strijd tussen deze twee, dus tussen gemeenschap en statuscompetitie, voor verreweg het grootste deel van de tijd beslist in het voordeel van gemeenschap. Dat was in het jagers-verzamelaarstijdperk, toen we voor onze overleving en reproductie afhankelijk waren van samenwerken en delen. Gemeenschap was noodzakelijk en moest dus gepaard gaan met onderdrukking van de neiging tot statuscompetitie. 

Na de overgang naar landbouw, zo'n acht- tot tienduizend jaar geleden, werd dat laatste bemoeilijkt door de introductie van eigendom. Opties dienden zich aan om ook zonder mee te doen met het samenwerken en delen toch te overleven, ja, zelfs rijkdommen te verwerven. Dus brak de statuscompetitie door. Met ongelijkheid tussen arm en rijk, machthebbers en machtelozen, mannen en vrouwen. De morele gemeenschapsintuïties konden zich nog maar beperkt doen gelden. Ze werden teruggedrongen tot pockets van onderlinge afhankelijkheid en persoonlijke, langdurige relaties, zoals in die gevallen van zelforganisatie die door Elinor Ostrom bestudeerd werden. En in de zogenaamde standenmaatschappijen kon de ongelijkheid getemperd worden als de relaties langdurig waren. Hogere standen konden dan een morele verplichting voelen om hun ondergeschikten bij te staan. Ik moet daarbij steeds denken aan die boer waar Chris van Esterik over vertelt.

Pas recent in de geschiedenis, zeg de laatste twee eeuwen, krijgen de morele gemeenschapsintuïties weer meer kansen. Met de Industriële Revolutie nam de macht van de arbeid toe en werd de onderlinge afhankelijkheid grootschaliger. Waardoor nationale staten belangrijker werden, ja, zelfs internationale samenwerking. Met als gevolg de emancipatie van eerst de burgerij, toen de arbeid en tenslotte de vrouwen. Slavernij en apartheid werden afgeschaft. Er kwam stapsgewijs algemeen kiesrecht en dus democratie. En er kwamen de internationale mensenrechtenverdragen. 

Sociaalwetenschappelijk gezien is daarmee de historische strijd geschilderd tussen de twee "evenwichtstoestanden" waar een groep of maatschappij in terecht kan komen. Evenwichten in de zin dat als een van die twee toestanden eenmaal bestaat, er maar moeilijk weer van binnen uit aan ontsnapt kan worden. En er zijn dus de vele sociaalwetenschappelijk aanwijzingen dat het gemeenschapsevenwicht naar menselijk welzijn en in moreel opzicht te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht. Wat in de politieke praktijk betekent dat elke beweging in de richting van meer gemeenschap toegejuicht behoort te worden. Dus meer gelijkheid en meer bestaanszekerheid voor iedereen. Meer nadruk op sociale hervormingen en minder op economische hervormingen. Een grotere rol voor wij-met-zijn-allen, dus voor de overheid, en een kleinere rol voor ieder-voor-zich, dus voor de ongereguleerde markt. Denk aan Een sociologie die ertoe doet. Een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

Oké, nu terug naar 2021 en de verkiezingen. Minder ver terug in de geschiedenis hebben we tientallen jaren neoliberaal beleid achter de rug. Dus van beleid van minder wij-met-zijn-allen en meer van ieder-voor-zich. In politieke termen: minder overheid en meer gedereguleerde markt. Afbraak van de verzorgingsstaat, toename van bestaansonzekerheid voor velen. met een toename van inkomens-, maar vooral van vermogensongelijkheid. Voedselbanken werden normaal. Een dak boven je hoofd werd aan de markt overgelaten, dus meer daklozen. Arbeidsmarkt gedereguleerd, dus meer onzekerheid. Doelstelling van volledige werkgelegenheid ingeruild voor versobering van uitkeringen. Tegenprestatie in de bijstand. Werkloos? Dan heb je je looneisen nog niet genoeg naar beneden bijgesteld. Stagnatie van de lonen. Armoede, niet allen bij uitkeringstrekkers, maar ook bij werkenden. Publieke voorzieningen gedecentraliseerd en uitgekleed. Gemeentebudgetten afgeknepen. Getreuzeld met de hoognodige maatregelen om de klimaatverandering af te wenden.

Allemaal economische hervormingen, die het statuscompetitie-evenwicht aanzienlijk dichterbij brachten. Minder mededogen met de zwakkeren en kwetsbaren. Anti-immigranten- en vluchtelingensentiment. Toenemend rechtsextremisme. Ontkenning van wetenschappelijke inzichten.

Nu lijken we tot inkeer te komen. Er was al de Grote Financiële Crisis van 2008-2010. Nu hebben we de coronapandemie, met het vooruitzicht dat terug naar normaal er niet inzit. De rampzalige gevolgen van de klimaatverandering dienen zich aan. We krijgen door dat er iets heel erg is misgegaan. De overheid moet terug.

We moeten weer de weg inslaan in de richting van het gemeenschapsevenwicht. Met het oog op ons aller welzijn. En omdat het in moreel opzicht de juiste weg is.

Het is de weg die we na de Tweede Wereldoorlog met overtuiging hadden ingeslagen. Toen we de lessen hadden geleerd van de economische crisis van de jaren dertig, van de New Deal in de Verenigde Staten, van de bezuinigingspolitiek in Duitsland die Hitler aan de macht bracht, van de daaropvolgende Holocaust.

Toen we, met John Maynard Keynes, inzagen dat een economie zonder een grote sturende rol van de overheid niet goed voor iedereen kan werken. De tijd dus van "de gemeenschap, georganiseerd in de staat". 

Maar ook de tijd waarin de  tegenstand zich al begon te organiseren. Er zijn altijd de rijken en de machtigen die denken dat ze in de statushiërarchie van het ieder-voor-zich beter af zijn dan in het wij-met-zijn-allen. Die backlash wordt voor de Verenigde Staten fraai beschreven in hoofdstuk 13 (The Aristocracy Strikes Back) van The Price of Peace. Money, Democracy, and the Life of John Maynard Keynes van Zachary D. Carter. 

Dat is de tragiek van de strijd tussen gemeenschap en statuscompetitie: hoewel gemeenschap naar welzijn en morele maatstaven beter is, zijn er altijd degenen die niet bestand zijn tegen de verlokkingen van status, macht en rijkdom in een ongelijke statushiërarchie. Als je het eenmaal (veel) beter hebt dan anderen, dan is het moeilijk om je voor te stellen dat er een toestand zou kunnen bestaan, het wij-met-zijn-allen, die voor iedereen beter is. Dat is precies de moeilijkheid die mensen aan de top immoreel doet handelen en waardoor ze het zo moeilijk hebben met de democratie, de institutionalisering van het wij-met-zijn-allen. Denk aan de Republikeinen in de Verenigde Staten, die verkiezingen alleen dan eerlijk vinden als die in hun voordeel worden beslist.

Die backlash was uiteindelijk succesvol met het rond 1980 aan de macht komen van Ronald Reagan (de overheid is niet de oplossing, maar het probleem) en Margaret Thatcher (er bestaat niet zoiets als de maatschappij). En met het begin van dat neoliberale tijdperk, waar we nu misschien het einde van meemaken. In het Nederlandse politieke speelveld is er een ruk naar links vergeleken met vier jaar geleden, maar dat geldt vooral voor linkse en middenpartijen. Maar uitgerekend de neoliberale VVD werd na de Grote Financiële Crisis, tegen alle logica in, de grootste partij en heerst nu in de peilingen. En extreemrechts (PVV en FvD) profiteert van de door de neoliberale politiek gecreëerde bestaansonzekerheid onder de kiezers.

En in de Verenigde Staten wijzen de eerste beleidsdaden van de Democratische regering-Biden wel heel duidelijk op een afrekening met het neoliberale tijdperk, dat culmineerde in het Trumpisme, en een terugkeer naar de ideeën van de Keynesiaanse New Deal. Jennifer Rubin schreef daarover gisteren in de Washington Post, met een verwijzing naar het nieuwe boek van Robert Putnam, met deze eerste twee alinea's:

America has the capacity to reorient itself in a way that emphasizes community, shared national purpose and inclusion. That’s according to political scientist Robert Putnam, who in his latest book, “The Upswing: How America Came Together a Century Ago and How We Can Do It Again," draws lessons from the a 125-year period of U.S. history spanning from the Gilded Age (characterized by polarization and self-centeredness) to the extended Progressive Era (characterized by diminished polarization and greater concern for the common good) to the post-1960s, which saw the rise again of polarization and self-centeredness.

Putnam dubs this “I-We-I” phenomenon. As he argued in a recent interview with Salon, “America may once again pivot toward a ‘we’ society — more equal, less polarized, more altruistic, less socially fragmented and more attentive to historic, structural inequalities.” In that case, President Biden is the right leader for a potential hinge moment. “Biden is proving to be just what the doctor ordered for a shaken country, focused explicitly on ‘we,’ not ‘I,’” Putnam said. "It’s not just his well-known empathy for people in pain, nor his equally well-known propensity to work across the aisle, but also his ability to adapt to changed political circumstances.”

Amerika is toch weer een voorbeeld. Het is tijd voor wij-met-zijn-allen. Dus voor een stem op een linkse partij. Update. Welke? Kijk maar. Het zou veel beter zijn als je niet hoefde te kiezen en er een grote linkse partij was.

vrijdag 15 januari 2021

Rutte-III valt over de Toeslagenaffaire. Maar er is veel meer. Lees hier wat ik daar sinds 2015 over schreef.

Vandaag treedt het kabinet Rutte-III af vanwege de Toeslagenaffaire. De affaire dus waarover de Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag tot het oordeel kwam de grondbeginselen van de rechtsstaat waren geschonden. 

Door wie? Door de uitvoerende macht, dus de regering en haar ambtenaren van de Belastingdienst, door de politiek, dus de volksvertegenwoordigers die gebiologeerd waren door de jacht op fraude, en door de rechterlijke macht, dus de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De regering is nu dus afgetreden. Het Openbaar Ministerie besloot om de ambtenaren niet te vervolgen, maar de getroffen ouders gaan daarmee niet akkoord. De Raad van State heeft aangekondigd lering te willen trekken uit wat boven tafel is gekomen.

Ik betoogde al dat de Toeslagenaffaire onderdeel is van een omvangrijker probleem, het probleem namelijk van een neoliberale visie op de rol van de overheid. In die "vulgair-economische" visie is de overheid niet een zelfstandige bron van het het welzijn van de burgers. Dat welzijn komt namelijk tot stand via de markt en daarom moet de overheid vooral de markt zo goed mogelijk en op zoveel mogelijk gebieden laten werken en daarnaast zichzelf zo veel mogelijk terugtrekken. 

Burgers moeten dus allemaal zoveel mogelijk "de markt op" en als ze daar niet zo goed slagen, dan ligt dat in de eerste plaats aan henzelf. De overheid hoort hen daarom zo weinig mogelijk bij te staan. Als ze toch om die bijstand vragen, dan moet er van worden uitgegaan dat ze zelf nog niet genoeg hebben gedaan om op eigen benen te staan. Anders gezegd, de kans dat ze ten onrechte voor steun aankloppen is groot. Dus moet er streng op fraude worden gecontroleerd.

Achter die visie duikt natuurlijk het wereldbeeld op van de statuscompetitie en de statushiërarchie. Volgens dat wereldbeeld is iedereen uitsluitend gemotiveerd door eigenbelang en is dus niemand te vertrouwen. Als dat wereldbeeld overheerst, kun je spreken van een statuscompetitiecultuur. In die cultuur past het niet om mededogen te hebben met degenen die laag in de statushiërarchie zijn terechtgekomen. Zij zijn zwak en kwetsbaar, hebben zich onvoldoende ingespannen en nemen dus de plaats in die ze verdienen. Vandaar dat ik de Toeslagenaffaire karakteriseerde als dat waarin de statuscompetitiecultuur van vernedering in is geculmineerd.

Dat betekent dat er al het een en ander aan is voorafgegaan. Trudie Knijn wees er al op dar er al jaren lang een bijstandsaffaire in de maak is: De schandalige bijstandsaffaire komt eraan. Met de Participatiewet van 2015 is de jacht geopend op fraude van mensen die van bijstand afhankelijk zijn. Met schrijnende resultaten. Onderdeel van de wet is dat van uitkeringstrekkers een vernederende tegenprestatie mag worden verlangd.

Zelf begon ik al in 2015 berichten te schrijven over de gevolgen voor rechtszekerheid en bestaanszekerheid van deze neoliberale afbraak van de verzorgingsstaat. Ik zocht ze weer eens op en je kunt ze hieronder achterelkaar lezen. (Ik zie nu dat ik al op 2 juni 2015 hoopte dat minister Asscher en staatssecretaris Klijnsma nog eens op het idee zouden komen om hun excuses aan te bieden.)


27-03-2015

Onze morele intuïties en de zorg voor kwetsbaren


De regelingen van de rechtsstaat en de verzorgingsstaat berusten niet alleen op ons welbegrepen eigenbelang, maar ook op onze morele intuïties van zorg voor elkaar en rechtvaardigheid. Die intuïties maken dat we verontwaardigd reageren op moreel wangedrag.

Maar diezelfde morele gevoelens komen ook in werking als het gaat om de zorg voor kwetsbaren. Hoewel we een zekere mate van ongelijkheid tolereren, voelen we sterk dat er in ons land een ondergrens moet zijn aan de armoede waarin iemand kan komen te verkeren. Vandaar dat we de bijstandsuitkering kennen.

Maar daarnaast kennen we ook de beslagvrije voet. Die is er om te voorkomen dat iemand die in de schulden is geraakt, niet onder het bestaansminimum zakt. Het is wettelijk vastgelegd dat bij invordering van schulden altijd met die beslagvrije voet rekening moet worden gehouden.

Goed geregeld dus. Maar nee, het blijkt dat schuldeisers, waaronder de Belastingdienst, die beslagvrije voet vaak niet respecteren. En omdat het vaak om kwetsbare burgers gaat, komen die daar ook niet altijd tegen in het geweer.

Gelukkig hebben we de Nationale Ombudsman. Die trouwens ook zijn bestaan te danken heeft aan diezelfde intuïties van zorg en rechtvaardigheid. We vinden dat iemand in nood altijd ergens nog zijn recht moet kunnen halen. De Ombudsman besliste eind februari dat een schuldenaar die niet tijdig de benodigde informatie aan de Belastingdienst had verstrekt, met terugwerkende kracht recht heeft op de bij zijn situatie passende beslagvrije voet. De Belastingdienst had eerder anders beslist.

Het is een interessant besluit, dat je hier kunt vinden. De Ombudsman redeneert dat de beslagvrije voet het absolute bestaansminimum is dat ten allen tijde dient te worden gerespecteerd. Waarbij het geen “excuus” kan zijn dat de schuldenaar tekortschoot in het tijdig verstrekken van informatie. Zo wekt zelfverrijking onze verontwaardiging op. Zoals wanneer bankiers zichzelf exorbitante bonussen weten toe te eigenen of, als dat niet meer is toegestaan, hun salarissen dan maar flink ophogen. We verachten het als egoïstisch, in strijd met de eisen van zorg voor elkaar en van rechtvaardigheid. Zulk gedrag krijgt dan ook veel negatieve aandacht in de media.

Want de Belastingdienst heeft ook zelf de verantwoordelijkheid om zich er van te vergewissen dat de beslagvrije voet niet te laag is vastgesteld. Een zorgplicht dus. Als iemand zichzelf tekort doet door niet de nodige informatie te verstrekken, dan mag je als instantie dus niet je schouders ophalen. Je hoort er van uit te gaan dat uit onwetendheid is gehandeld en je hoort actie te ondernemen om er voor te zorgen dat de burger krijgt waar hij recht op heeft.

Het handhaven van dat bestaansminimum is daarmee terecht gekenschetst als een collectieve verantwoordelijkheid. Terecht in de zin van overeenkomend met die morele intuïtie van zorg voor elkaar. Volgens die intuïtie is het niet gerechtvaardigd iemand te laten creperen omdat hij nu eenmaal zelf nalatig is geweest. Zo zit “zorg voor elkaar” niet in elkaar. En daar moesten ambtenaren van de Belastingdienst kennelijk aan worden herinnerd.

Wat overigens niet betekent dat nu alles op orde is. Want begin maart schreven de wethouders van de vier grote steden een noodbrief waarin ze staatssecretaris Klijnsma opriepen om er aan mee te werken dat die beslagvrije voet als bestaansminimum nu ook echt in de praktijk wordt gerespecteerd. Zij krijgen namelijk nog steeds te maken met klanten van de schuldhulpverlening die door onzorgvuldige behandeling in grote problemen zijn gekomen. En die zich dan maar tot de gemeente wenden.

De wethouders zouden graag zien dat de Rijksoverheid zich actief inzet om het bestaansminimum te waarborgen. Ook interessant, die brief.


02-06-2015

Mensenrechten van bijstandsgerechtigden geschonden?

Er lijkt iets vreemds aan de hand met hoe wij omgaan met kwetsbare mensen. Denk aan mensen die afhankelijk zijn van een persoonsgebonden budget en die te lijden hebben onder de gebrekkige uitvoering van de uitbetaling. Staatssecretaris Van Rijn en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) hebben daarvoor nu hun excuses aangeboden. Maar denk ook aan mensen die afhankelijk zijn van de bijstand.

In het kader van hun re-integratie zijn uitkeringsgerechtigden tegenwoordig verplicht om een tegenprestatie te leveren. En kunnen ze op hun uitkering gekort worden als ze dat weigeren of zich onvoldoende inspannen. Of worden ze gekort als ze niet de goede informatie hebben verstrekt, ook als er duidelijk geen opzet in het spel is. Met dit beleid hebben we in de uitvoering een machtsongelijkheid gecreëerd die misstanden uitlokt. Ik stond daar in mijn vorige blog bij stil.

Toen ging het over de praktijken in Amsterdam, maar nu is ook Rotterdam negatief in het nieuws. De Ombudsman, Anne Mieke Zwaneveld, is uiterst kritisch. Het voorbeeld passeert van een werkzoekende die al jarenlang een dag in de week vrijwilligerswerk deed voor verstandelijk gehandicapten en die van de gemeente uitgerekend op die vaste dag moest gaan vegen.

Historici moeten later maar eens uitzoeken hoe het heeft kunnen gebeuren dat we zijn gaan vinden dat het goed is om kwetsbare medeburgers zo te bejegenen. En zo te vernederen.

Want ergens zijn wij, of in ieder geval onze politici en die zijn door ons gekozen, anders gaan aankijken tegen werkloosheid. Er was een tijd dat de overheid een economisch beleid voerde dat gericht was op het bereiken van volledige werkgelegenheid. Met het achterliggende idee dat de markt niet in staat mag worden geacht om daar altijd goed voor te zorgen. Zonder (macro-economisch) overheidsbeleid kunnen langdurige perioden met hoge werkloosheid bestaan.

Dat inzicht, dat werkloosheid een collectief probleem is, dat hebben onze politici ingeruild voor de mythe dat werkloosheid kan worden opgelost door werklozen harder aan te pakken. Werkloosheid is een individueel probleem geworden. Dat dus opgelost moet worden door werklozen en bijstandstrekkers achter de broek te zitten. Zie ook Jesse Frederik daarover.

Maar hopelijk keert de wal het schip. Want nog er van afgezien dat dit beleid economisch niet deugt, lijkt het niet te voldoen aan de eisen van moraliteit en dus van mensenrechten. Het College voor de Rechten van de Mens verwerpt in principe niet de eis van een tegenprestatie, maar heeft wel grote twijfels over problemen met de uitvoering daarvan. Zo kunnen strafkortingen er toe leiden dat mensen onder het bestaansminimum zakken. En omdat de tegenprestatie kan betekenen dat je werk doet waar anderen gewoon voor betaald worden, komt de eis van gelijk loon voor gelijk werk in gevaar.

Maar bovendien is er nu in Duitsland een uitspraak gedaan door het Sozialgericht Gotha die niets aan duidelijkheid te wensen overlaat. De rechters zijn van mening dat het opleggen van strafkortingen mensen onder het bestaansminimum drukt en dat zulks duidelijk in strijd is met de eisen van de menselijke waardigheid. En omdat die eisen in de Duitse Grondwet verankerd zijn, wordt de uitspraak doorverwezen naar het Bundesverfassungsgericht, het Hof dat wetten beoordeelt op hun overeenstemming met de Grondwet.

Dat wordt nog interessant wat daar uit komt. En wat dat voor gevolgen heeft voor het beleid in Nederland. Misschien maken we nog mee dat minister Asscher en staatssecretaris Klijnsma, maar eigenlijk de politici in het algemeen, er achter komen dat ze hun excuses moeten aanbieden.


10-03-2016

Zijn we vergeten dat we een maatschappij zonder armoede willen? En nodig hebben?

Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft onderzoek gedaan naar armoede in Nederland over de periode 1989 tot 2013. In die periode is de armoede toegenomen en vooral ook de langdurige armoede. Dit geldt in de eerste plaats voor uitkeringstrekkers en pensioenontvangers. Onder uitkeringstrekkers ligt het armoedepercentage bijna viermaal zo hoog als onder de algemene bevolking.

Maar bovendien blijkt dat het hebben van werk minder een garantie is geworden om niet arm te zijn. In 2013 was bijna de helft van de totale groep langdurig armen actief op de arbeidsmarkt.

De kans op langdurige armoede is vooral groot onder werkloze ouderen. Zij komen niet alleen nauwelijks meer aan het werk, ook krijgen ze te maken met versoberingen in de regelingen die nu nog gelden als hun WW-uitkering stopt. Samen met de verhoging van de AOW-leeftijd, kan dit betekenen dat mensen die veertig jaar gewerkt hebben, alsnog langdurig arm worden.

Je wordt er somber van. En je vraagt je af wat deze cijfers teweeg zullen brengen. Wat mogen we van de politici en de beleidsmakers verwachten die deze informatie tot zich nemen?

Wat lezen we daarover in dat armoederapport van het SCP? Daarin vind je een paragraaf over de beleidsrelevantie van het onderzoek. Die bestaat er volgens het SCP uit dat:
  • Armen in een neerwaartse spiraal terecht kunnen komen, doordat armoede leidt tot gevoelens van onmacht, incompetentie en gebrek aan erkenning
  • De sterke flexibilisering van de arbeidsmarkt een bijdrage levert aan de toename van armoede, waardoor werk niet meer de bestaanszekerheid biedt die er in het verleden wel was.
  • Langdurige armoede kan leiden tot een tweedeling in de maatschappij.
En in een paragraaf over beleidsimplicaties van het onderzoek merkt het SCP terecht op dat de overheid sterk inzet op betaalde arbeid als middel om armoede te voorkomen en om uit de armoede te geraken, maar dat uit dit onderzoek dus blijkt dat bijna de helft van de langdurig armen werkzaam is. De overheid zou zich dus eens achter de oren moeten krabben.

En dat zou ze ook moeten doen als je kijkt naar de toename van langdurige armoede onder uitkeringstrekkers, vooral de ouderen onder hen.

Maar toen ik dit alles tot me liet doordringen, ging ik me ook afvragen hoe dat ook al weet zat met die verzorgingsstaat die we na de Tweede Wereldoorlog opbouwden. We wilden toch een maatschappij die niet alleen economisch welvarend zou zijn, maar ook een met een zodanige gelijkheid dat niemand in bestaansonzekerheid hoeft te verkeren?

Want dat wisten we nog heel goed, dat de massawerkloosheid, de bestaansonzekerheid en de armoede in de jaren dertig, gevolgen van economische crisis en slecht economisch beleid, tot rampzalige gevolgen hadden geleid.

Nooit gedacht dat dat belangrijke inzicht ooit nog weer zo actueel zou kunnen worden.

Zijn we vergeten dat we een maatschappij zonder armoede willen? En dat we een maatschappij zonder armoede nodig hebben om maatschappelijke onrust, ontreddering en erger te voorkomen?


07-01-2019

Is in Nederland het recht op het absolute bestaansminimum wel gegarandeerd? Nee dus

De zorg die de overheid (en dus wij met zijn allen) voor de bestaanszekerheid van iedereen behoort te hebben, is vastgelegd in Artikel 20 van de Grondwet. En uitgewerkt in wetten en regels omtrent de sociale zekerheid en de bijstand. In de regels van de verzorgingsstaat.

Een bijzondere uitwerking van die zorg is de verplichting van de Belastingdienst om bij loonbeslag in geval van schulden rekening te houden met de beslagvrije voet, dat gedeelte van het inkomen dat als het absolute bestaansminimum mag worden beschouwd. Dat deel dus dat altijd in stand hoort te blijven.

Als dat laatste niet gegarandeerd is, dan kun je wel stellen dat de overheidszorg voor de bestaanszekerheid niet wordt uitgeoefend.

En dat laatste lijkt helaas in ons land het geval te zijn. Al in 2015 (!) schreef ik daarover in het bericht
Onze morele intuïties en de zorg voor kwetsbaren, met de link naar het blog op Sociaalweb. Dat ging over het besluit van de Nationale Ombudsman dat de Belastingdienst die beslagvrije voet ten alle tijden dient te respecteren, in voorkomende gevallen ook met terugwerkende kracht. En dat de Belastingdienst hier een zorgplicht heeft, dus zich er zelf dient van te vergewissen dat het bestaansminimum altijd in acht wordt genomen.

Dat zou ook vanzelf moeten spreken, denk je dan. In een verzorgingsstaat. Maar ja, sinds de ideologie van het neoliberalisme heeft postgevat, is het niet meer zo vanzelfsprekend dat onze overheid de bestaanszekerheid van haar burgers een hoge prioriteit geeft. Zie Heeft de, politiek gemotiveerde, toename van bestaansonzekerheid de tegenstellingen aangewakkerd?

Maar goed, dat bericht dateerde van 2015. We zijn nu 2019 en de Belastingdienst zal die zorgplicht nu toch wel in acht nemen?

Nee, dat blijkt niet het geval te zijn. Een en ander zou geregeld worden in de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet, maar de implementatie van die wet is uitgesteld en zal nu waarschijnlijk pas in 2021 ingaan. Vandaag bericht Binnenlands Bestuur dat hierover vragen zijn gesteld door de CDA-Tweede Kamerleden René Peters en Pieter Omtzigt (hulde!) aan de staatssecretarissen Menno Snel (Financiën) en Tamara van Ark (Sociale Zaken en Werkgelegenheid): UITERST KRITISCHE VRAGEN OVER UITSTEL NIEUWE BESLAGVRIJE VOET.

Uit die vragen blijkt ook dat er in juni vorig jaar een uitvoeringstoets is geweest door de Belastingdienst met "alarmerende resultaten", hetgeen ten onrechte niet met de Tweede Kamer is gedeeld. Ook wijzen de Kamerleden erop dat de toenmalige Nationale Ombudsman Alex Brenninkmeijer in 2013 al (!) waarschuwde dat overheden de beslagvrije voet regelmatig niet respecteren.

Je kunt moeilijk anders dan je afvragen of we nog wel een overheid hebben die de zorg voor het absolute bestaansminimum, en dus voor bestaanszekerheid, serieus neemt.