Posts tonen met het label public choice. Alle posts tonen
Posts tonen met het label public choice. Alle posts tonen

donderdag 12 november 2020

Het is niet verrassend dat de public choice-economen voor de miljardairs zo aantrekkelijk waren

In dat vulgair-economische neoliberale denken heerst het eendimensionale mensbeeld van het eigenbelang. Zie hier het vorige bericht. Als je ervan uitgaat dat iedereen alleen maar door het eigen belang is gemotiveerd, dan is dat niet alleen een mistroostig mensbeeld, maar ook een beeld van een altijd onveilige wereld. Je kunt er niet op vertrouwen dat anderen met jou rekening houden. Je zult je altijd moeten laten gelden, want de enige die voor jou opkomt, dat ben jijzelf. 

In die wereld is de democratie niet een poging om onze morele gemeenschapsintuïties institutioneel vorm te geven (wij met zijn allen, het algemeen belang), maar integendeel niet meer dan een strijdperk van tegengestelde belangen. Waarin meerderheden zoveel mogelijk winst voor zichzelf kunnen proberen te halen ten koste van minderheden. In die visie zullen de rijken er altijd voor beducht zijn dat de democratische overheid hen "afpakt" wat zij "met hard werken" hebben opgebouwd. 

En omdat de rijken altijd getalsmatig in de minderheid zijn, zullen ze proberen om de democratie zoveel mogelijk aan banden te leggen. Indirect door academische varianten van dat vulgair-economische denken, zoals de public choice-benadering en de constitutional economics, financieel te ondersteunen. Zoals de steenrijke financiers van James M. Buchanan en geestverwanten. Denk aan Charles Koch, wiens naam je zo vaak tegenkomt in Nancy Maclean's Democracy in Chains. The Deep History of the Radical Right's Stealth Plan For America..

Maar ook meer direct, door voor hen gunstige politieke besluiten (belastingverlaging) "te kopen", door sponsoring of gewoon omkoping van politici. En door via de media het publiek te beïnvloeden, door het opkopen van tabloids en televisienetwerken (Fox News) door Rupert Murdoch. Afijn, dat kennen we allemaal als de invloed van het Grote Geld, waarvan vier jaar Donald Trump een van de betreurenswaardige uitkomsten was. De rijken en de politieke partijen die zich opwerpen als hun belangenbehartigers (de Republikeinen in de Verenigde Staten) weten dat ze in de democratie altijd een minderheid zullen zijn en ontdekken dat ze een televisieberoemdheid kunnen gebruiken om de kiezers een rad voor ogen te draaien.

Wie de vorige berichten heeft gevolgd, is misschien al op het idee gekomen dat je een en ander goed kunt duiden met de tweede stelling van de Dual Mode-theorie. Volgens die stelling zullen mensen als ze hun sociale omgeving als onveilig ervaren, dus als ze veel statuscompetitiegedrag om zich heen zien, hun neiging tot gemeenschapsgedrag onderdrukken en zich wapenen met hun eigen vermogen tot statuscompetitiegedrag. Als anderen alleen maar voor zichzelf opkomen, dan zit er niets anders op dan dat zelf ook te doen.

Want daarmee wordt immers meteen duidelijk dat die economen, zoals Buchanan, die er zo van overtuigd zijn dat iedereen alleen maar gemotiveerd wordt door eigen belang, groot wantrouwen koesteren tegen de democratie. In een sociaal onveilige wereld ga je er niet mee akkoord dat een meerderheid van de kiezers jou iets zou kunnen opleggen. En zeker als je tot de rijken behoort, wil je dat dan zoveel mogelijk zien te voorkomen.

Ik zocht nog even deze passage op in dat boek van Nancy MacLean (p. 149-50):

But for Buchanan, once again the issue was personal. "Why must the rich be made to suffer?", he asked pointedly. If "simple majority voting" allowed the government to impose higher taxes on a dissenting individual in the minority - "the citizen who finds that he must, on fear of punishment, pay taxes for public goods in excess of the amounts that he might voluntarily contribute" - what distinguishes that from "the thug who takes his wallet in Central Park?"

Er is geen verschil tussen de dieven die het op jou portemonnee hebben voorzien en de kiezers in een democratie. Een mistroostige wereld. Als je de wereld zo ziet, dan wil je natuurlijk eigenlijk geen democratie. En dat maakt het in het geheel niet verrassend dat die vulgair-economische neoliberale manier van denken voor de miljardairs zo aantrekkelijk is. En dat Buchanan zich door Charles Koch liet financieren.

Dat brengt ons nog even bij die zelfgegraven valkuil uit het vorige bericht. Als je de theorie aanhangt dat iedereen uitsluitend wordt gemotiveerd door het eigen belang, en dus handelt volgens het statuscompetitie-patroon, geldt die theorie dan ook voor jou? Of ben jij de uitzondering? En hoe kan er dan een uitzondering zijn? 

Jonathan Aldred gelooft, in zijn Licence to be bad (p. 88), dat Buchanan duidelijk alleen maar door zijn "academic values and interests" gemotiveerd werd. Hij zou dus de uitzondering zijn op zijn eigen theorie. 

Uit Nancy MacLeans Democracy in Chains komt daarentegen veel meer het beeld naar voren van een in de statuscompetitiecultuur (culture of honor) van het Amerikaanse Zuiden opgegroeide man, die dus zowel dat beeld van een onveilige wereld als zijn eigen geneigdheid tot statuscompetitiegedrag van huis uit had meegekregen. Een man dus die het geen probleem vond om zich in dienst te stellen van het Grote Geld. Zie hier het volgende bericht.

dinsdag 10 november 2020

Met het vulgair-economisch neoliberale denken val je in je zelfgegraven valkuil

We begonnen er mee dat het vulgair-economische neoliberale denken zich op een zekere morele rechtvaardiging kon beroepen. Want het voordeel van de markt is immers dat alle economisch transacties vrijwillig zijn en dat sluit mooi aan bij de morele gemeenschapsintuïtie van de vrijheid van overheersing. Zie hier het vorige bericht. Maar we zagen ook de complicatie die opduikt als je onder ogen ziet dat de menselijke sociaal natuur complexer is als wat economen gemakshalve graag aannemen. 

Mensen streven niet zoiets eenvoudigs als "eigenbelang" na, maar reageren met gemeenschapsgedrag op een veilige sociale omgeving (dus met veel gemeenschapsgedrag) en met statuscompetitiegedrag op een onveilige sociale omgeving (dus met veel statuscompetitiegedrag). Waardoor er niet één optimaal marktevenwicht mogelijk is, maar een optimaal gemeenschapsevenwicht en een sub-optimaal statuscompetitie-evenwicht. En precies de sociale ruimte van de markt is nogal eens sociaal onveilig, waardoor het statuscompetitie-evenwicht daar op de loer ligt. 

De uitdaging waar we voor staan is dus niet die van de economen (meer marktwerking), maar die van de sociologen en sociale wetenschappers (bevorder het gemeenschapsevenwicht en ontmoedig statuscompetitie). En juist bij die tweede uitdaging gaat het om het gehele palet van de morele gemeenschapsintuïties, niet alleen de vrijheid van overheersing, maar ook het rekening houden met elkaar en rechtvaardigheid van de onderlinge verhoudingen.

En we zagen de complicatie die opduikt als je dat vulgair-economische liberale denken loslaat op het functioneren van de democratische besluitvorming. Als iedereen alleen maar eigenbelang nastreeft, dan is de democratie een te temmen monster, omdat meerderheden zichzelf kunnen verrijken ten koste van minderheden. Om dan toch zoveel mogelijk de vrijheid van overheersing te behouden, zouden volgens de public choice-economen democratieën een grondwet moeten hebben die voorschrijft dat belangrijke besluiten alleen met een zeer grote meerderheid geldig kunnen zijn. Bij benadering een vetorecht voor iedereen.

Meer in het algemeen geldt in dit soort denken dat de overheid hoogstens een noodzakelijk kwaad is en zo weinig mogelijk armslag behoort te krijgen. Zoveel mogelijk marktwerking, ruim baan geven aan "hardwerkende ondernemers" en zo laag mogelijke belastingen.

Daarmee komen we op een complicatie die inherent is aan het uitgangspunt van het eigenbelang. Want als je als econoom er van uitgaat dat iedereen altijd alleen maar het eigenbelang nastreeft, dat zou dat als je consequent bent ook voor jouzelf moeten gelden. Als je een theorie over menselijk gedrag opstelt, dan zou je eigen gedrag altijd de eerste toetssteen moeten zijn. 

Ik moet toegeven dat ik tot voor kort geen oog had voor deze complicatie. Ik werd erop gewezen toen ik over die public choice-theorie het mooie overzichtswerk Public Finance and Public Choice van John Cullis en Philip Jones op nasloeg. (Ik heb de eerste editie van 1992. De link is naar de derde editie van 2009.) Daarin gaat het er op p. 470 over dat als iedereen het eigen belang nastreeft, dat dat dan ook zou moeten gelden voor de ontwerpers van de grondwet en voor de rechters die die die grondwet toepassen.

 Maar dus ook voor de public choice-economen zelf: "I a sense, the public choice scholar is 'hoist with his own petard." Is de dupe van zijn eigen strategie, valt in de zelfgegraven valkuil.

Dat was dus al in 1992. Ik moet er eerder overheen hebben gelezen of het niet tot me hebben willen laten doordringen. (Alweer vier werkwoorden achter elkaar, maar toch lijkt de zin te kloppen.) Terwijl het inzicht toch eigenlijk voor de hand ligt. 

Toevallig kocht ik, met mondkapje, vorige week bij Broese aan de Oude Gracht het pas verschenen Licence to be Bad. How Economics Corrupted Us van Jonathan Aldred. Nog niet helemaal gelezen, maar zonder meer een aanrader. In dezelfde lijn ligt mijn bericht uit 2013: Het klopt dat het streven naar status, macht en succes samen gaat met fraude en bedrog, waarin de zin:

We kunnen dus beïnvloed worden door de ideologie van de weldadige werking van het marktmechanisme, die ons een morele vrijbrief verschaft voor fraude en bedrog.

En wat lees ik op p. 88 van dat boek?

if we should assume that politicians, bureaucrats and voters are all selfish because everyone is, then academics are, too, including public choice theorists. The public choice perspective tells us not to trust public choice theorists as objective scientists or neutral observers. Instead we should expect them to write and say whatever it takes to advance their own careers.

Eigenlijk wisten we natuurlijk al dat je met dat vulgair-economische neoliberale denken een mistroostige wereld binnengaat. Laat alle hoop varen als alleen de moraliteit van de vrijheid van overheersing geldt en de andere morele gemeenschapsintuïties buiten boord worden gehouden. Wordt vervolgd. Hier het volgende bericht.

vrijdag 30 oktober 2020

De zwartgallige visie van het vulgair-economische neoliberale denken op de democratische overheid

Dat het vulgair-economische neoliberale denken in de afgelopen tientallen jaren in het denken over politiek en maatschappij zo kon domineren, kan er zoals gezegd mee te maken hebben dat er een morele rechtvaardiging voor viel te geven. Dat was het morele primaat van vrijwilligheid, dat besloten lag in het uitgangspunt van de consumentensoevereiniteit, het beginsel dat de persoon zelf de beste beoordelaar is van zijn/haar eigen welzijn. In de sociale ruimte van de markt gaan individuen vrijwillige transacties met elkaar aan met als uitkomst een Pareto-optimaal evenwicht. De best denkbare collectieve uitkomst omdat niemand er iets bij inschiet. En omdat er dus geen verliezers zijn, heeft niemand een reden om er tegen te zijn. Dat appelleert aan de morele gemeenschapsintuïtie van de vrijheid van overheersing.

In het vorige bericht ging het over een van de twee complicaties van dat morele primaat van vrijwilligheid, de complicatie namelijk dat wat voor iemands welzijn het beste is afhankelijk is van wat anderen doen. Waardoor er niet één, maar twee evenwichten mogelijk zijn, een goed evenwicht (gemeenschap) en een slecht evenwicht (statuscompetitie). Dat leidde tot de conclusie dat de echte uitdaging niet die is van de economie (hoe marktwerking te bevorderen), maar die van de sociologie en de sociale wetenschappen (hoe het gemeenschapsevenwicht dichterbij te brengen en het statuscompetitie-evenwicht zoveel mogelijk te vermijden).

Maar er is ook die tweede complicatie, die van het vetorecht. Die komt binnen als we bedenken dat dat vulgair-economische neoliberale denken niet alleen op de markt, maar ook op de overheid werd losgelaten. Dat is bekend geworden als de public choice-theorie. De grote voorman daarvan was James M. Buchanan, waar ik in 2013 over schreef, naar aanleiding van zijn overlijden. Zoals je daar kunt lezen, was ik nog langer geleden een bewonderaar van Buchanan, vooral vanwege zijn boek The Limits of Liberty. Buchanan was van mening dat je als econoom die de markt bestudeert, er van uitgaat dat mensen hun eigen belang nastreven, dat je dat dan ook moet doen als je het gedrag van politici en ambtenaren bestudeert. Ik vond dat toen, ik was nog jong en onervaren, wel een interessante (verfrissende?) benadering.

Die opvatting, die de grondslag vormde voor die public choice-school, wordt in het eerder dit jaar verschenen artikel van Alain Marciano Buchanan, Popular Myths, and the Social Responsibility of Economists omschreven als:

Buchanan insisted that political decisions are self‐interested—“there is no representation of the public interest in the modern state” (p. 10) or “[t]he planners in modern society are essentially simple and selfish men, and will remain so” (p. 17). Hence, as Buchanan put it, economists “must assume that public policy is made by simple‐minded men who, on the whole are more interested in promoting sectional or group interests than the more vaguely defined social interest.” (p. 17) Obviously, he did not wait until the end of the 1970s to insist that we should replace “romantic and illusory set of notions about the workings of governments … with more realistic notions” (Buchanan 1979). He had already done that in the early 1950s. Similarly, Buchanan was not very romantic about voters—“there are rather severe limits to the intelligence of a citizenry” (p. 5) or “there seems to be definite limits to the political and economic wisdom of the average voter in the modern democracy” (p. 11).17

Dat er zoiets als een publiek of algemeen belang bestaat waar politici, uitvoerenden en kiezers door gemotiveerd kunnen zijn, dat moet dus als romantische en illusoire onzin terzijde worden geschoven. Je moet de overheid net zo bestuderen als je de markt bestudeert, dus met als uitgangspunt dat iedereen allen maar de eigenbelangen nastreeft. Dat de democratie een collectieve uitingsvorm zou kunnen zijn van onze morele gemeenschapsintuïties, de gedachte die je tegenkomt in mijn reeks blogberichten over de democratie in de mensheidsgeschiedenis, dat is volgens Buchanan een onrealistische en romantische gedachte. 

Als je die lijn volgt, en Buchanan bleef dat tot aan zijn dood doen, dan moet je met de democratische overheid altijd oppassen. Want terwijl al die individuele eigenbelangen op de markt tot een heel goede uitkomst leiden, kunnen ze in de democratie de meerderheidsregel misbruiken om deelbelangen te behartigen. Met minderheden die niet meeprofiteren, ja, zelfs verliezen moeten incasseren. Coalities kunnen elkaar aan meerderheden helpen voor uitgaven waarvan de kosten steeds mede door minderheden worden gedragen. En zo krijg je een steeds maar uitdijende overheid. Zie nog eens dat vorige bericht over Buchanan.

Dat is een nogal zwartgallige visie op de democratische overheid. Waarvoor je enige empirische onderbouwing zou wensen, maar die vond Buchanan duidelijk niet nodig. Daarover later meer. Maar de implicatie ervan was dat je de democratische besluitvorming flink aan banden moet leggen. En dat leidde binnen die public choice-school tot interesse in hoe grondwetten er uit zouden moeten zien en in de vraag hoe mensen gezamenlijk en in overleg tot een goede grondwet zouden kunnen besluiten. Precies daarover gaat dat al genoemde boek The Limits of Liberty.

En ook daarin is dat Pareto-optimum, waarin er dus geen verliezers behoren te zijn, de leidende gedachte. De democratie zou eigenlijk zo moeten functioneren dat er net zo als op de markt geen verliezers kunnen bestaan. Idealiter zou dus iedereen, consequent doorgeredeneerd, een vetorecht behoren te hebben. Want dan kan iedere verliezer een besluit tegenhouden.

En dan zijn we dus bij die tweede complicatie, die van het vetorecht, terechtgekomen. Want met een vetorecht voor iedereen zou een democratie natuurlijk nooit kunnen functioneren. Dus moest daar door die public choice-denkers en de vulgair-economische denkers van het neoliberalisme iets op worden gevonden. Wordt vervolgd. Zie hier het vervolgbericht.