Posts tonen met het label belastingheffing. Alle posts tonen
Posts tonen met het label belastingheffing. Alle posts tonen

dinsdag 26 oktober 2021

De strijd voor de democratie is de strijd tegen excessieve rijkdom - en dus over (progressieve) belastingheffing

Rond 1970 begon de neoliberale ideologie de politiek in zijn greep te krijgen. Een van de kernpunten van die ideologie is dat de inkomens- en vermogensverdeling geen overheidszorg behoort te zijn. Grote ongelijkheid is niet verkeerd, integendeel, juist goed, want hij prikkelt mensen om zich in te spannen. Als je "hard werkt", moet je ook meer kunnen verdienen. Jawel, dat ging uit van het treurige mensbeeld waarin mensen zonder prikkels, financiële prikkels, hun bed niet uitkomen.

Dus moeten hogere inkomens en grotere vermogens minder belast worden. Dat zou ook goed zijn voor de economie, waardoor al die rijkdom aan de top uiteindelijk ook neerdaalt bij de midden- en lagere inkomensgroepen (trickle down).

Vijftig jaar later weten we dat dat hele verhaal voor geen meter klopt. Het gaat inderdaad om een ideologie, die geheel in dienst staat van de belangen van de superrijken. Het argument dat meer ongelijkheid goed zou zijn voor de economie, is onderuitgehaald. Grote ongelijkheid heeft niet alleen grote negatieve sociale en welzijnsgevolgen, maar is ook slecht voor stabiele economische groei. Volgens IMF-berekeningen gaat een daling van de Gini-coëfficiënt (een maat voor ongelijkheid) van 40 naar 37 samen met een verlenging van 50 procent van de te verwachten periode van economische groei. En Robert H. Frank liet zien dat landen met meer inkomensongelijkheid gemiddeld een lagere economische groei vertoonden. Bovendien was per land de economische groei lager in periodes met grotere inkomensongelijkheid dan in periodes met lagere inkomensongelijkheid.

Maar daar nog bovenop zijn er de negatieve gevolgen van grote ongelijkheid voor de democratie. Als je superrijk bent, is de kans groot dat je de democratie, waarin immers iedereen - rijk en arm - gelijk meetelt, ziet als een bedreiging. Je wordt geacht je neer te leggen bij meerderheidsbesluiten, maar die kunnen slecht uitpakken voor jouw rijkdom. En superrijken hebben doorgaans de neiging om te denken dat ze hun rijkdom geheel door eigen inspanningen verdiend hebben en dat die hen dus toekomt. Die gedachte is een uitvloeisel van datzelfde mensbeeld: iedereen die arm is, heeft dat aan zichzelf te wijten. En moet dus niet, via de democratie, de kans krijgen om zich te vergrijpen aan de rijkdommen van degenen die wel hard gewerkt hebben.

Wat daaruit volgt, is gemakkelijk in te zien. De superrijken zullen hun middelen aanwenden om de democratie te beïnvloeden (zoals door het opkopen van de media), in te perken of zelfs af te schaffen. Dat begon dus al rond 1970, toen in allerlei landen politici ertoe gebracht werden om ineens te gaan denken dat het een goed idee was om de toptarieven in de inkomsten-, vermogens- en erfbelastingen sterk te laten dalen.

Maar dat was nog niet genoeg. Het Grote Geld slaagde erin om de politiek zo te beïnvloeden dat het niet of nauwelijks belasting betalen door de superrijken - door mogelijkheden tot belastingontwijking - meer of minder openlijk werd toegestaan. Denk aan wat door de Pandora-papers aan het licht werd gebracht. Of denk aan de Republikeinse partij in de Verenigde Staten, die zichzelf volledig transformeerde tot een anti-belastingpartij en die fel gekant is tegen het voornemen van de Biden-regering om de Belastingdienst (de Internal Revenue Service) eindelijk eens van voldoende middelen te voorzien om belastingontduikers en -ontwijkers aan te pakken (Biden’s Proposal to Empower I.R.S. Rattles Banks and Their Customers en The Rotten Core of the Republican Party).

En dan is er als laatste de stap om te proberen de democratie dan maar helemaal af te schaffen. Dat is de stap die de superrijken in de Verenigde Staten via die Republikeinse partij in feite al gezet hebben. Ze hebben de, op zich juiste, conclusie getrokken dat de instandhouding en uitbreiding van hun rijkdom zich niet verdraagt met de democratie. En we moeten nog maar afwachten wie er wint, het Grote Geld of de democratie.

Dat alles wijst erop hoezeer democratie en belastingheffing met elkaar samenhangen. We zien nu dat het verzet van de superrijken tegen het heffen van belasting op hun rijkdom naadloos overgaat in het verzet tegen de democratie. Maar we zagen ook, terug in de geschiedenis, hoezeer de vestiging van de democratie, en dus de introductie van het algemeen kiesrecht, en de (progressieve) belastingheffing met elkaar samenhingen. Thomas Piketty liet dat fraai zien in zijn Capital and Ideology (zie nog eens Over de strijd tussen de morele gemeenschapsintuïties van de sociaaldemocratie en het amorele vak economie).

Precies over dat verband tussen democratie en progressieve belastingheffing was er vorig jaar de studie Democracy and the global spread of progressive taxes in het tijdschrift Global Social Policy, die ik nog maar kort geleden onder ogen kreeg. De onderzoekers laten daarin zien dat voor 131 landen in de periode tussen 1800 en 2015 geldt dat de landen die op dat moment meer democratisch waren meer overgingen op progressieve belastingheffing (inkomstenbelasting en erfbelasting) dan de landen die toen minder democratisch waren. En dat verschil was er niet als het ging om indirecte, en dus niet progressieve, belastingen, zoals omzetbelasting en BTW).

De strijd om de democratie is dus een strijd tegen excessieve rijkdom en wel door middel van progressieve belastingheffing. Dat was toen zo, ruim een eeuw geleden, en het is nu weer zo.

maandag 2 januari 2017

Tony Atkinson overleden - Econoom die wel de gebreken van de markt en de noodzaak van overheidsingrijpen zag

De Britse econoom Tony Atkinson is overleden. Ik stond vorig jaar bij zijn werk stil naar aanleiding van de lezing die hij toen in Amsterdam gaf en het interview dat de Volkskrant toen met hem had. Zie Atkinson: werkloosheidsbestrijding moet (weer!) veel hoger op de agenda. Die lezing en dat interview waren weer naar aanleiding van het verschijnen van wat zijn laatste boek zou worden: Inequality. What Can Be Done.

Atkinson is vooral bekend geworden door zijn ongelijkheidsonderzoek, maar zijn werkterrein was breder. Het ging hem om de gebreken van de markt en om de overheidstaken die daaruit voortkomen. Hij noemde dat public economics en hij was de oprichter van de Journal of Public Economics.

Zijn ongelijkheidsonderzoek was een deel van dat werkterrein. Voortkomend uit het inzicht dat de markt niet als vanzelf een optimale inkomen- en vermogensverdeling genereert. En daardoor een overheid nodig heeft die niet alleen reageert op uitkomsten van de markt, door belastingheffing en herverdeling, maar ook actief omstandigheden schept die economische groei voor iedereen en rechtvaardige verhoudingen bevordert.

Daarmee is zijn werk een verademing vergeleken met de neoliberale fantasiewereld waarin veel andere economen en, helaas, veel politici de laatste tientallen jaren verkeren. Je mag wel zeggen dat hij bij uitstek iemand was die de inspanning en toewijding opbracht om onze inzichten in de goede werking van het publieke domein te vergroten. Denk aan mijn vorige bericht, op de drempel van 2017.

Kijk even naar dit korte YouTube-filmpje waarin Atkinson aan het woord is (en lees dan hieronder verder):



Wijze woorden, waarvan ik de volgende even opschrijf:
Economics is not being just a positive subject, it's a moral science. If you hold particular values about the situation, then how should we translate those into measures that the government can apply and use to analyze how the society is performing. (...) I think the key thing, in fact, is not to focuas on taxes and transfers but on what happens before that, on the incomes people get. What happens to them when they leave school, the jobs they can get in to, the pay they get, the wealth they get from inheritances or other sources, all these things determine their start in life and what their incomes are before the government gets to work on taxes.and transfers.
Inequality has been in all the headlines. But the key question, to my mind, is what we're going to do about it. There has been less concrete in terms of proposals which we could realistically think of introducing to have a serious effect on helping people and providing a fairer society.
Lees ook Beatrice Cherrier (Remembering Tony Atkinson as the architect of modern public economics). En Geoff Riley (RIP Sir Tony Atkinson).

En lees vooral ook The 15 Proposals from Tony Atkinson’s ‘Inequality – What can be done?’. Daar gaat het o.a. over de noodzaak van een werkgelegenheidsdoelstelling, over een kapitaalsuitkering aan iedereen bij het bereiken van de volwassen leeftijd, over progressievere tarieven in de inkomstenbelasting en over een participatie-inkomen (basisinkomen).

Zouden voorstellen als deze alstublieft weer deel mogen gaan uitmaken van het politieke debat? Zou de sociaaldemocratie zich alstublieft weer eens willen bezinnen op waar het ook al weer om ging?

maandag 9 maart 2015

Hoe bestrijd je een cultuur van belastingontduiking, bijvoorbeeld in Griekenland?

Het Griekse ministerie van Financiën, onder de leiding van de nieuwe minister, de econoom Yanis Varoufakis, is doende met het uitwerken van een plan om belastingontduiking tegen te gaan. Zoals bekend, is belastingontduiking in Griekenland een soort volkssport. Naar ik begrijp wordt bijvoorbeeld de BTW massaal ontdoken. Dat schijnt te gebeuren door levering van goederen en diensten buiten de administratie te houden en dus geen bonnetjes uit te draaien. Er gaan als regel geen bonnetjes over de toonbank. Omdat vrijwel iedereen het doet, kun je wel spreken van een cultuur van belastingontduiking.

Het ministerie heeft nu een plan ontwikkeld om die cultuur te bestrijden. Het staat omschreven in de bijlage bij de brief die Varoufakis vorige week stuurde (pdf) aan Jeroen Dijsselbloem, de voorzitter van de Eurogroep van ministers van Financiën. Er is her en der wat laatdunkend over gedaan. Maar sociaalwetenschappelijk bekeken is enige waardering gepast. Dat probeer ik uit te leggen.

Dat belastingontduiking een cultuur is geworden houdt in dat de personen die zich er aan bezondigen naar persoonlijke geaardheid geen slechtere mensen zijn dan anderen die niet aan die cultuur deelnemen. Als je ze zou overhevelen naar andere omstandigheden, dan zouden ze zich anders gedragen. Denk even weer aan die bankiers die in hun functie als bankier geneigd zijn tot het plegen van fraude, maar alleen doordat er nu eenmaal in de bankensector een cultuur van fraude heerst. Als je ze anders aanspreekt dan als bankier, dan is hun fraudegeneigdheid niet groter dan die van anderen. Zie Bankiers zijn, als bankiers, oneerlijk - Dat wijst op een bankencultuur van bedrog.

Hoe bestrijd je dan zo'n cultuur? Niet door de mensen te willen veranderen, want daar ligt het probleem niet. Nee, de kern van een cultuurprobleem is een sociaal informatieprobleem, dat in de sociale wetenschappen bekend staat als pluralistic ignorance. Dat slaat op het verschijnsel dat iedereen een bepaald voor zichzelf profijtelijk gedrag eigenlijk afkeurt, maar dat men dat niet van elkaar weet.

Je denkt dus dat anderen belastingontduiking niet zo'n probleem vinden en er zich dus ook zonder morele scrupules aan overgeven. Dat gedrag zie je ook om je heen. Je zou wel bereid zijn om je belastingen te betalen, maar je wilt ook weer niet de enige zijn die dat doet. Je wilt wel moreel handelen, maar niet als sukkel worden gezien. Het "Ik ben wel goed, maar niet gek", dat kennen we allemaal.

Een oplossing van dat informatieprobleem kan er uit bestaan dat je voor elkaar krijgt dat een leverancier niet meer voetstoots kan aannemen dat zijn klant het normaal vindt dat de transactie zonder bonnetje verloopt. En dat kun je bereiken door mystery shoppers in te huren en aan het werk te zetten. Verklikkers dus, die er bij de opsporingsinstanties melding van maken wanneer ze een leverancier treffen die geen bonnetje levert. Eventueel rust je hen uit met cameraatjes om een en ander als bewijsmateriaal vast te leggen.

Nu zijn we geneigd om verklikken ook weer niet prettig te vinden, maar in dit geval misschien toch minder afkeurenswaardig dan belastingontduiking. Bovendien hoeft dat verklikken eigenlijk maar weinig te gebeuren. Als je maar luid en duidelijk in de media aankondigt dat zulke mystery shoppers op pad zullen gaan. Want dat kan al voldoende zijn om de verwachtingen te doorbreken. Niemand kan er meer voetstoots van uitgaan dat niemand een bonnetje verwacht.

En je geeft iedere leverancier een motief in handen voor goed gedrag zonder zichzelf meteen als sukkel te hoeven zien. Het motief namelijk dat je niet gepakt wilt worden.

Als je dat vergezeld zou laten gaan van een mediacampagne die beklemtoont dat het rechtvaardig is als iedereen zijn belasting betaalt, dan zou je een culturele verandering voor elkaar kunnen krijgen. Want dat iedereen dat eigenlijk ook rechtvaardig vindt, daar mag je wel van uitgaan. Je hebt kortom een sociaal informatieprobleem opgelost.

En laat dat nu precies zijn wat het Griekse ministerie van Financiën van plan is om te gaan doen.

woensdag 7 maart 2012

Robert Shiller: Het blijft een raadsel hoe vrijwel uitsluitend degenen die met de financiële wereld zijn verbonden zo fabuleus rijk kunnen worden

Robert Shiller schreef in 2009 samen met George Akerlof het boek Animal Spirits, dat overtuigend laat zien dat het vak economie zonder een flinke dosis van het vak psychologie gemakkelijk de bocht uit vliegt. En in The Subprime Solution (2008) past hij dat toe op het ontstaan van de aandelenzeepbel in de jaren negentig en de huizenprijszeepbel in het begin van deze eeuw.

Dit jaar verschijnt van hem Finance and the Good Society, waarin hij laat zien hoe de financiële sector opnieuw moet worden uitgevonden met het oog op een rechtvaardiger maatschappij. Zie de link hieronder voor een passage uit dat boek. Hij bespreekt de mogelijkheden om via belastingheffing tot een rechtvaardiger inkomensverdeling te komen.

Hij pleit er onder andere voor om de tarieven voor de inkomstenbelasting te indexeren voor de mate van ongelijkheid. De toptarieven zouden dan automatisch stijgen als de inkomensongelijkheid toeneemt. Als de V.S. die formule in 1979 had ingevoerd, dan was het hoogste tarief nu meer dan 75% geweest. Dat geeft, zegt Shiller, enig idee van de grootte van de toename van de inkomensongelijkheid in die periode. (Daarvoor zou je dan dat tarief in 1979 willen weten. Als ik dat opzoek, hier (p.32), dan blijkt dat 34,7 te zijn geweest.)

Toevallig dat Francois Hollande, de Franse socialistische presidentskandidaat, ook dat hoogste tarief van 75% heeft genoemd. En ook Ronald Plasterk heeft gezegd dat het hoogste belastingtarief best omhoog kan. Harry van Dalen ging daar in Trouw gisteren tegenin. Hij zegt dat je groei en rechtvaardigheid samen moet laten gaan en dat je dat niet doet door "uit pure kwaadheid of jaloezie een hoger belastingtarief te introduceren".

Maar het ontstaan van emoties, of je ze nu kwaadheid noemt of jaloezie, heeft natuurlijk iets te maken met de vraag of inkomensverschillen wel rechtvaardig zijn. Als het, zoals Shiller zegt, een raadsel blijft hoe vrijwel uitsluitend degenen die verbonden zijn met de financiële wereld zulke fabuleus hoge inkomens binnen weten te slepen, dan is het niet verrassend dat dat rechtvaardigheidsemoties oproept.

'via Blog this'