Posts tonen met het label persoonlijkheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label persoonlijkheid. Alle posts tonen

maandag 19 december 2022

Bereiken onaardige (statuscompetitieve) mensen een hogere machtspositie?

We zagen eerder dat er aanwijzingen bestaan dat het in ons soort, individualistische, maatschappij in termen van inkomen niet loont om aardig te zijn. Zie Aardige mensen verdienen minder en Loont het om aardig te zijn? In een individualistische cultuur niet. 

Aardig zijn is een van de vijf bekende persoonlijkheidsdimensies en slaat erop dat je gemakkelijk van vertrouwen bent, eerlijk, pro-sociaal, meegaand, bescheiden en zachtaardig. De tegengestelde pool, onaardig zijn, bestaat eruit dat je twistziek, koud, gevoelloos en egoïstisch bent. Merk op dat aardig zijn overeenkomt met of zelfs identiek is aan gemeenschapsgedrag en onaardig zijn overeenkomt met of zelfs identiek is aan statuscompetitiegedrag. 

Je zou willen dat zelfs in de kapitalistische maatschappij waarin wij leven, aardig zijn niet bestraft wordt met een lager inkomen. Kennelijk zitten onze maatschappelijke selectiemechanismen zo in elkaar dat statuscompetitiegedrag financieel wordt beloond. Dat zou kunnen betekenen dat statuscompetitiegedrag wordt aangemoedigd, terwijl er sterke aanwijzingen bestaan dat we met zijn allen beter af zijn met meer gemeenschapsgedrag. 

Een kanttekening daarbij is dat het zou kunnen zijn dat aardige mensen, gemeenschapsmensen dus, minder waarde hechten aan een hoog inkomen en de status en macht die daarbij horen. En er dus bewust voor kiezen om niet met die statuscompetitiemensen te concurreren om die hoge inkomens. Ze hechten meer waarde aan goede relaties met anderen en aan het anderen bijstaan. En daar hebben ze ook gelijk in, want onder de voorwaarde dat ze vooral met elkaar omgaan, en dus de statuscompetitiemensen mijden, zijn ze qua welbevinden en gezondheid beter af. (En onder de voorwaarde dat ze niet tot armoede vervallen.)

Een tweede kanttekening valt te maken naar aanleiding van de studie People with disagreeable personalities (selfish, combative, and manipulative) do not have an advantage in pursuing power at work. In twee deelstudies gingen de onderzoekers na hoe het aardig/onaardig zijn aan het begin van de arbeidsloopbaan samenhing met de machtspositie die 14 jaar later binnen een organisatie was bereikt. Het bleek toen dat het dominante en agressieve, dus statuscompetitieve, gedrag van de onaardige mensen er aan bijdroeg dat ze een hogere machtspositie wisten te bereiken dan de aardige mensen. Maar daar stond tegenover dat hun gebrek aan gemeenschapsgedrag, dus hun egoïsme, in de weg stond van die hogere positie. Met als saldo dat de onaardige mensen evenveel kans hadden op een hogere machtspositie dan de aardige mensen. Anders gezegd, met alleen statuscompetitief gedrag kom je niet in de hogere machtsregionen terecht. (Inkomen was in het onderzoek niet meegenomen.)

Dat doet vermoeden dat er in arbeidsorganisaties naast onderlinge competitie ook veel samenwerking en onderling vertrouwen nodig is. En dat laatste zou moeilijk tot stand komen als de leidinggevenden alleen maar door statuscompetitie geleid zouden worden. De noodzaak van samenwerking zet een rem op de statuscompetitie.

dinsdag 2 april 2019

Maatschappelijke en persoonlijkheidsfactoren die van invloed zijn op het aanhangen van een rechts-extremistisch wereldbeeld

We zagen dat er aan de rechts-extremistische kant van het politieke spectrum twee wereldbeelden worden aangehangen: een beeld dat de wereld gevaarlijk is en een beeld dat de wereld een strijdtoneel is.

Het beeld dat de wereld gevaarlijk is, dat chaos, anarchie en kwaadwillende lieden elk moment kunnen opduiken, blijkt vooral samen te hangen met het hoog scoren op Right-Wing Authoritarianism (RWA), dat wil zeggen met het onderschrijven en aanhangen van traditionele normen en waarden, het je zelf daaraan onderwerpen en het opleggen ervan aan anderen, als het moet met geweld.

Terwijl het beeld dat de wereld een strijdtoneel is, een amorele jungle, vooral samenhangt met hoge scores op de Sociale Dominantie Oriëntatie (SDO), dat wil zeggen met gefascineerd zijn door de gedachte dat de samenleving een statushiërarchie is van groepen en met de innerlijke behoefte om jezelf en je groepsgenoten (het eigen volk) aan de top daarvan te zien.

Maar weten we meer over de factoren die van invloed zijn op de kans dat mensen zulke wereldbeelden gaan aanhangen?

Jazeker. Via de studie uit 2013 waar ik in het vorige bericht naar verwees, kwam ik terecht bij
Personality, Ideology, Prejudice, and Politics: A Dual‐Process Motivational Model uit 2010. Daarin wordt onderzoek aangehaald en besproken dat wijst op maatschappelijke en persoonlijkheidsfactoren die mensen doen neigen naar een rechts-extremistisch wereldbeeld.

Je ziet die factoren links in het plaatje hieronder, dat een uitbreiding is van het plaatje dat je in het vorige bericht tegenkwam. (Lees door onder het plaatje.)


Wat persoonlijkheid betreft, blijken er twee van de Big Five-persoonlijkheidsdimensies voorspellend te zijn voor een rechts-extremistisch wereldbeeld.

Als je lager scoort op de dimensie Openheid voor nieuwe ervaringen, dan voorspelt dat het meer aanhangen van een gevaarlijk wereldbeeld. Anders gezegd, mensen die zo hangen aan hun overtuigingen dat ze zich liever afsluiten voor nieuwe, mogelijk tegengestelde informatie, neigen er meer toe om de wereld als gevaarlijk te zien. Dezelfde, maar zwakkere, samenhang is er met de dimensie Zorgvuldigheid (zelfdiscipline, plichtsbesef, betrouwbaarheid, ordelijkheid).

En een lage score op de persoonlijkheidsdimensie Aangenaamheid (Agreeabkeness) blijkt voorspellend te zijn voor het aanhangen van het competitieve wereldbeeld, de wereld als een amorele jungle. Het gaat dan om mensen die afstandelijk zijn, onvriendelijk, weinig coöperatief en die hun eigen belangen boven die van anderen stellen.
Dat degenen die zelf onvriendelijk zijn en weinig coöperatief ook een wereldbeeld hebben waarin anderen competitief zijn, is geheel in overeenstemming met de studie van Kelley en Stahelski uit 1970 die ik besprak in Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (2): samenwerking, competitie en het gedrag van anderen.
De rechts-extremistische medemens blijkt dus gemiddeld genomen een minder aangenaam mens te zijn, die minder open staat voor nieuwe informatie.

Tenslotte zijn er ook aanwijzingen dat maatschappelijke factoren de kans op het aanhangen van een rechts-extremistisch wereldbeeld vergroten.

In lijn met het onderzoek dat een grotere economische bestaansonzekerheid het succes van rechts-extremistische politieke partijen vergroot, zien we dat het zich bedreigd voelen het gevaarlijke wereldbeeld doet ontstaan en dat ongelijkheid en conflict het competitieve wereldbeeld uitlokt.

maandag 17 september 2018

Persoonlijkheid en empathie in de politiek - Meer empathie, sympathie en compassie bij politiek links dan bij politiek rechts

In onze tegenwoordige maatschappij, waarin we naast de kleine kring van vertrouwde anderen ook het veelomvattende sociale domein kennen van onpersoonlijke, anonieme contacten en zelfs van vreemden waarover we alleen indirect informatie hebben, is er veel ruimte voor de ontwikkeling van een breed scala aan persoonlijkheidsverschillen. Die verschillen blijken in kaart te kunnen worden gebracht met de dimensies van de zogenaamde Big Five:
  • Openheid versus geslotenheid (open staan voor nieuwe ervaringen tegenover conservatief en traditioneel)
  • Nauwkeurigheid/zorgvuldigheid versus slordigheid
  • Extraversie/sociabiliteit versus introversie/terughoudendheid
  • Vriendelijkheid versus egoïstisch/koud/wantrouwend
  • Emotionele stabiliteit versus snel ongerust en angstig zijn
We zagen eerder dat er in een eenvoudiger en kleinschaliger samenleving eerder een Big Two bestaat: persoonlijkheidsverschillen zijn gereduceerd tot verschillen in pro-socialiteit (hoe hulpvaardig je bent) en in ijver (hoeveel je je inspant voor het collectief). Die twee samengenomen overlappen nogal met de vierde dimensie van de Big Five: of je vriendelijk bent tegenover anderen of daarentegen egoïstisch, koud en wantrouwend. In termen die op dit blog vaak terugkomen: of je meer gemeenschapsgedrag vertoont of daarentegen meer statuscompetitiegedrag.

Een sociaalwetenschappelijk onderzoeksthema is hoe persoonlijkheidsverschillen in de tegenwoordige maatschappij uitwerken op politiek-ideologische houdingen. 

Zo weten we uit onderzoek dat het onderscheid tussen politiek links (liberal) en politiek rechts (conservative) sterk samenvalt met dat onderscheid tussen gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag. Mensen die centrum-links stemmen, scoren hoger op vriendelijkheid dan mensen die centrum-rechts stemmen en wat waarden betreft, staan ze meer voor gelijkheid en zorg voor zwakkeren.

Uit de nieuwe studie Are Liberals and Conservatives Equally Motivated to Feel Empathy Toward Others? blijkt nu dat dit onderscheid overeenkomt met het verschil in de mate van empathie die mensen voelen voor anderen. Het onderzoek werd uitgevoerd in de Verenigde Staten, Israël en Duitsland en laat zien dat mensen die zichzelf meer politiek links positioneren meer gemotiveerd zijn om empathie, sympathie en compassie met anderen te voelen dan mensen die zichzelf meer politiek rechts positioneren. 

Ook ging links zijn gepaard met een grotere bereidheid om hulp te verlenen dan rechts zijn. Wat weer geheel verklaard werd door dat verschil in empathie, sympathie en compassie.

Kortom: persoonlijkheidsverschillen hebben hele reële uitwerkingen op politieke houdingen.

donderdag 2 augustus 2018

De Donkere Kern van de menselijke sociale natuur - Over statuscompetitie en persoonlijkheid

De menselijke sociale natuur is ambivalent. We zijn in staat tot gemeenschapsgedrag, pro-sociaal gedrag, dat ons in staat stelt om te delen en samen te werken. Maar we zijn ook in staat tot statuscompetitiegedrag, gedrag dat gericht is op het individuele belang, waarbij anderen automatisch gezien worden als concurrenten (in de strijd om status).

Die ambivalentie is in het verleden evolutionair succesvol geweest, omdat hij gepaard ging met flexibiliteit: het vermogen om je eigen gedrag aan te passen aan dat wat je in je sociale omgeving ziet gebeuren. Als daar het gemeenschapsgedrag overheerst, dan is het het beste om daar aan mee te doen, op straffe van uitsluiting als je dat niet doet. Maar overheerst het statuscompetitiegedrag, dan is het maar beter om daar ook voor te kiezen, op straffe van uitgebuit worden als je dat niet doet. Denk aan de Dual Mode-theorie.

Hoewel mensen dus over die flexibiliteit beschikken, leren we uit het persoonlijkheidsonderzoek dat sommigen van ons sterk neigen tot het statuscompetitiegedrag. Zo zijn ze bijvoorbeeld maar heel slecht in staat tot empathie, tot het meevoelen met het leed van anderen. Dat maakt dat ze sterk egoïstisch zijn ingesteld en dat de empathie waartoe ze nog wel in staat zijn, alleen in strategische zin wordt gebruikt.

We hebben gezien dat die statuscompetitieve persoonlijkheid in (tenminste) drie verschijningsvormen valt aan te treffen; narcisme, psychopathie en Machiavellianisme. Volg de link voor de omschrijvingen en de verschillen.

Maar hoewel er dus verschillen bestaan tussen die drie vormen, is er ook niet een gemeenschappelijke kern en hoe moeten we die karakteriseren?

De nieuwe studie The dark core of personality geeft antwoord op die vraag. Zie ook het artikel The Dark Core of Personality. What's your dark core score? dat Scientific American eraan wijdt.

De onderzoekers hebben verschillende theoretische vermoedens over waaruit die 'Donkere Kern' zou kunnen bestaan. Een daarvan is gebaseerd op de life history theory, die inhoudt dat het opgroeien in een instabiele sociale omgeving aanzet tot een "snelle levensloopstrategie": het opportunistisch en strategisch exploiteren van anderen. Die strategie, en het statuscompetitie-karakter ervan, kwamen we eerder tegen in het bericht Mannen zijn opportunistischer en wraakzuchtiger als ze in een omgeving met meer geweld zijn opgegroeid.

Die theoretische vermoedens worden vervolgens in vier studies empirisch getoetst. Daaruit komt uiteindelijk naar voren dat er inderdaad een Donkere Kern valt aan te wijzen, die bestaat uit:
een fundamentele neiging tot het najagen van het eigen belang, met daaraan gekoppeld
het negeren of accepteren of zelfs kwaadaardig nastreven van negatieve effecten voor anderen en
het aanhangen van overtuigingen die dienen om zulk gedrag te rechtvaardigen.
De aard van die rechtvaardiging kan verschillen. Zo bestaat hij bij de narcist uit de overtuiging dat hijzelf boven iedereen verheven is. En bij de psychopaat uit de overtuiging dat iedereen slecht is, wat betekent dat hij dat zelf ook mag zijn.

De behoefte om het eigen egoïsme te rechtvaardigen, wijst erop dat er zelfs in deze Donkere Kern nog iets bestaat van dat gemeenschapsgedrag. Want als die notie geheel zou ontbreken, dan was er immers ook geen rechtvaardiging nodig.

In dat Scientific American - artikel vind je het lijstje van 9 uitspraken waarmee de Donkere Kern bondig kan worden vastgesteld. Hoe meer iemand het met deze uitspraken eens is, hoe meer hij of zij tot de Donkere Kern van de menselijke persoonlijkheid kan worden gerekend:

The Dark Core Scale

1. It is hard to get ahead without cutting corners here and there.

2. I like to use clever manipulation to get my way.

3. People who get mistreated have usually done something to bring it on themselves.

4. I know that I am special because everyone keeps telling me so.

5. I honestly feel I'm just more deserving than others.

6. I'll say anything to get what I want.

7. Hurting people would be exciting.

8. I try to make sure others know about my successes.

9. It is sometimes worth a little suffering on my part to see others receive the punishment they deserve. 

maandag 4 juni 2018

Loont het om aardig te zijn? In een individualistische cultuur niet

Eerder zagen we dat het, althans in de Verenigde Staten, niet loont om aardig te zijn. Zie Aardige mensen verdienen minder. Uit dat bericht:
Aardig zijn (agreeableness) is een van de vijf dimensies van persoonlijkheid waar je mensen op kunt indelen. Aardig zijn betekent dat je gemakkelijk van vertrouwen bent, eerlijk, pro-sociaal, meegaand, bescheiden en zachtaardig. En het is bekend dat aardige mensen een groot belang hechten aan persoonlijke relaties en meer gemotiveerd zijn om relaties in stand te houden, waardoor ze ook door anderen aardiger gevonden worden. Onaardige mensen hoeven nog geen psychopaat te zijn, maar hebben wel vaker de neiging om zich egoïstisch en agressief op te stellen, vooral in conflictsituaties.
Je zou kunnen zeggen dat we er met zijn allen, als maatschappij, belang bij hebben dat er genoeg aardige mensen bestaan. Wat genoeg is, weten we niet. Maar een maatschappij met heel veel onaardige mensen moet een stuk minder aangenaam zijn om in op te groeien en in te leven dan een maatschappij met veel aardige mensen. En je kunt je voorstellen dat al dat onaardige gedrag ook hoge kosten met zich meebrengt, al was het maar doordat er meer middelen verspild worden aan onnodige conflicten.

Dat zou er voor pleiten om aardige mensen beter te belonen dan onaardige mensen.

Maar uit dat onderzoek in de Verenigde Staten blijkt dus dat zulks daar niet het geval is. Ook als je er rekening mee houdt dat aardige en onaardige mensen verschillende soorten beroepen uitoefenen, met verschillende beloningsniveau's, dan blijft staan dat aardige mensen minder verdienen dan onaardige. (De link naar het onderzoek in dat vorige bericht werkt helaas niet meer.)

Nu is er nieuw onderzoek, waarin de Verenigde Staten wordt vergeleken met Japan: Is being agreeable a key to success or failure in the labor market? En daaruit komt naar voren dat voor Japanse mannen geldt dat aardiger zijn juist wel een hoger inkomen oplevert.

Tevens wordt nog eens bevestigd dat het omgekeerde geldt voor de Verenigde Staten, waar aardige mannen minder verdienen.

De onderzoekers brengen het verschil in verband met de de meer individualistische cultuur in de Verenigde Staten en de meer collectivistische cultuur in Japan.

En dat wijst dus op een nadeel van teveel individualisering. De maatschappij wordt er competitiever door en ontmoedigt degenen met een aanleg om aardig te zijn.

Update. Zie nu ook Bereiken onaardige (statuscompetitieve) mensen een hogere machtspositie?

vrijdag 2 februari 2018

De neurochemische grondslag voor de menselijke persoonlijkheidsstijl die samenwerking en delen mogelijk maakte

De cruciale veranderingen in het sociale gedrag van onze verre voorouders, vergeleken met de Laatste Gemeenschappelijke Voorouder die we met de chimpansees en de bonobo's delen, bestonden eruit dat we in egalitaire groepen groepen van vertrouwde anderen samenwerkten en deelden. Onderdeel van dat sociale arrangement was dat we collectief de pogingen van enkelingen om een statushiërarchie te vestigen, met de daarbij behorende monopolisering van de voortplanting, onderdrukten.

En daarmee hing weer samen dat we, als jagers-verzamelaars, min of meer monogaam werden en dat vaders (en andere groepsleden) meehielpen bij het grootbrengen van de kinderen, die langer zorg nodig hadden (cooperative breeding). Hetgeen weer gepaard ging met de ontwikkeling van empathie, pro-sociaal gedrag en van taal.

De nieuwe studie A neurochemical hypothesis for the origin of hominids geeft inzicht in de veranderingen in de hersenstructuur en de neurochemie die dat sociale gedrag mogelijk maakten. Als een eenvoudig socioloog begrijp ik daar niet alles van, maar wel net genoeg om het uiterst fascinerend te vinden.

Want de auteurs maken het aannemelijk dat die onderliggende anatomische en neurochemische veranderingen een op een dopamine-gedomineerd striatum gebaseerde persoonlijkheidsstijl in het leven riep.

En dat is een persoonlijkheid waarbij het gedrag sterk door externe factoren wordt gemotiveerd. Dat zijn aan de ene kant de sociale factoren die behoren tot het leven in een groep, waarin, zoals gezegd, samengewerkt en gedeeld wordt. Wil zo'n groep functioneren, dan moeten de groepsleden sterk op elkaar en op elkaars gedrag en op elkaars bedoelingen betrokken zijn. Er moet dus veel aandacht zijn voor wat anderen doen en een grote bereidheid om zich daar wat van aan te trekken.

Dat lijkt de grondslag te zijn voor de specifiek menselijke gedeelde intentionaliteit. Zie in dat verband het bericht Menselijk vermogen tot samenwerking en pro-sociaal gedrag is aanpassing aan onderlinge afhankelijkheid, met een verwijzing naar het onderzoek van Michael Tomasello. En bedenk dat verlegenheid als persoonlijkheidstrek (in tegenstelling tot stoutmoedigheid) daarmee belangrijk werd. Zie Het menselijke temperament: verlegenheid, eveneens met een verwijzing naar onderzoek van Tomasello.

Maar aan de andere kant moet die motivatie om door externe factoren te worden gemotiveerd, ook zijn uitwerking hebben gehad op onze houding ten opzichte van de fysieke omgeving. Een houding die onze voorouders ertoe aanzette om die omgeving te verkennen en beter te leren kennen, ook los van de directe behoefte van honger hebben en eten gaan zoeken. Onze neiging dus tot kennisverwerving en exploratie van de wereld. Die de grondslag legde voor de ontwikkeling van cultuur en wetenschap.

Dat is fascinerend. Ons pro-sociale gedrag en onze geneigdheid tot kennisverwerving en wetenschap zijn kennelijk onderdeel van een en hetzelfde pakket van aanpassingen dat voor onze overleving cruciaal was..

En fascinerend is dat het onderzoek van Tim Kasser naar wat mensen in het leven nastreven hiermee
geheel overeenkomt. Want volgens dat onderzoek kun je mensen indelen naar of ze meer gemeenschapsaspiraties hebben of meer statuscompetitie-aspiraties. De gemeenschapsmensen streven naar naar zaken als goede relaties met anderen, iets goeds doen voor de maatschappij en anderen bijstaan, terwijl de statuscompetitiemensen erop uit zijn om veel geld te verdienen en om een hoge status te hebben. 

En wat blijkt? Het zijn de gemeenschapsmensen, en niet de statuscompetitiemensen, die het belangrijk vinden om zichzelf te ontplooien, dus om hun kennis te vergroten en zichzelf te ontwikkelen. 

Die statuscompetitiemensen worden meer gemotiveerd door de interne en individuele drijfveren van geld, status en roem, voor de verwerkelijking waarvan je juist wat minder met anderen rekening moet houden. Zie het bericht Gezondheid en sociale omgeving (9): maakt het uit wat mensen nastreven? voor de negatieve gezondheidseffecten daarvan.

maandag 20 maart 2017

Leert het verleden lessen? Over persoonlijke ontwikkeling

Voor het project "50 years" ben ik bezig met de vraag naar het leren van lessen uit het verleden. Die vraag kun je opvatten als de vraag naar persoonlijke ontwikkeling gedurende de levensloop. En die persoonlijke ontwikkeling kan betekenen dat je, zeg maar, beter leert te leven. Het leek me dat verschillende berichten op dit blog iets zouden kunnen vertellen over wat dat "beter leren te leven" inhoudt. Vandaar dat ik ze bij elkaar gezocht heb en hieronder heb weergegeven.


Leert het verleden lessen? Over persoonlijke ontwikkeling

(Blog 29 oktober 2011)

Iedereen wil graag gelukkig zijn, maar verstaan we wel hetzelfde onder geluk? Nee, er zijn verschillen tussen mensen in de betekenis die ze aan geluk geven. Een interessant verschil is dat naar leeftijd en dus naar hoeveel verleden iemand heeft om lessen uit te trekken.
Er zijn aanwijzingen (Mogilner, Kamvar en Aaker, 2011) dat jongeren bij geluk meer denken aan opwindende ervaringen ("excitement"), terwijl ouderen geluk meer opvatten als vredigheid ("peacefulness"). Dit lijkt er mee samen te hangen dat jongeren meer op de toekomst georiënteerd zijn en ouderen meer op het heden.

Wat is wijs? Allebei? Kun je als jongere maar beter vanwege die toekomst die voor je ligt, vooral gericht zijn op opwindende en dus nieuwe ervaringen? Moet je zo'n fase door? Zodat je als je ouder wordt, meer bij het hier en nu kunt stil staan?

Kan zijn. Maar een andere interpretatie is dat mensen lange tijd nodig hebben om te leren wat geluk nu eigenlijk echt is. En dat ze dat pas doorkrijgen op latere leeftijd. Daarmee zou overeenkomen dat ouderen meer inzicht hebben (Sheldon en Kasser, 2001) in hun eigen, authentieke behoeften en minder bezig zijn met hoe ze op anderen over komen.

Voor die tweede interpretatie pleit dat geluk (welbevinden en tevredenheid met het leven), na een dal tussen de 20 en 50 jaar, met het ouder worden gestaag toeneemt (Stone, Schwartz, Broderick en Deaton, 2010).

Wat is wijs? Allebei? Kun je als jongere maar beter vanwege die toekomst die voor je ligt, vooral gericht zijn op opwindende en dus nieuwe ervaringen? Moet je zo'n fase door? Zodat je als je ouder wordt, meer bij het hier en nu kunt stil staan?

Kan zijn. Maar een andere interpretatie is dat mensen lange tijd nodig hebben om te leren wat geluk nu eigenlijk echt is. En dat ze dat pas doorkrijgen op latere leeftijd. Daarmee zou overeenkomen dat ouderen meer inzicht hebben (Sheldon en Kasser, 2001) in hun eigen, authentieke behoeften en minder bezig zijn met hoe ze op anderen over komen.

Voor die tweede interpretatie pleit dat geluk (welbevinden en tevredenheid met het leven), na een dal tussen de 20 en 50 jaar, met het ouder worden gestaag toeneemt (Stone, Schwartz, Broderick en Deaton, 2010).

Bij persoonlijke ontwikkeling kun je dus denken aan het leren van lessen uit je ervaringen met het oog op waar het in het leven echt om gaat.

(Blog 24 mei 2012)

Nieuw onderzoek (Brassen, Gamer, peters, Gluth en Büchel, 2012) wijst erop dat we met het succesvol ouder worden beter leren om met onze emoties om te gaan.

De onderzoekers lieten drie groepen proefpersonen, gezonde jongeren, gezonde ouderen en depressieve ouderen, keuzes maken die winst, maar ook verlies konden opleveren. Ze zagen op het computerscherm acht doosjes op een rij, die ze van links naar rechts konden openen. Elk doosje bevatte een opbrengst, behalve een per toeval bepaald doosje waarin een duiveltje bleek te zitten. Als je dat doosje opende, gingen alle tot dan toe verkregen opbrengsten verloren. Dat is natuurlijk spijtig en de onderzoekers gingen na hoe sterk mensen spijt en boosheid ervoeren en hoe ze reageerden.

In eerder onderzoek was gevonden dat jongeren, en niet ouderen, op spijt reageerden met in de volgende ronde meer risico te nemen. Dus met langer doorgaan doosjes te openen, met het steeds toenemende risico om een duiveltje te treffen. Omdat de plek van het duiveltje voor elke ronde opnieuw per toeval werd bepaald, en de proefpersonen hiervan op de hoogte waren, kun je deze reactie opvatten als door emoties van spijt en boosheid gedreven. In feite werd de kans op spijt in de volgende ronde erdoor vergroot. Als je je minder door de spijt laat leiden, dan geef je er blijk van in te zien dat je na elke ronde met een schone lei begint. En ouderen geven dus meer blijk van dat besef dan jongeren.

In dit nieuwe onderzoek werd ook een groep depressieve ouderen onderzocht en het bleek dat die vergelijkbaar reageerden als jongeren. Dat is er een aanwijzing voor dat succesvol ouder worden, in plaats van depressief ouder worden, gepaard gaat met een betere beheersing van emoties. Dit bleek ook uit de waarden van fysiologische stressmetingen tijdens het onderzoek: bij de depressieve ouderen (en bij de jongeren) namen de huidgeleiding en hartslag toe en bij de gezonde ouderen niet. 

En uit fMRI onderzoek bleek dat vooral bij gezonde ouderen het hersengebied van de anterior cingulate cortex werd geactiveerd. En daarvan is bekend dat het een rol speelt in de cognitieve beheersing van emoties en in het aandacht geven aan positieve gebeurtenissen, zeg maar, optimisme. Gezonde ouderen zouden daardoor beter in staat zijn om de oorzaak van mislukkingen niet alleen maar bij zichzelf te zoeken, beter dan jongeren en depressieve ouderen.

De onderzoekers speculeren dat het verschil tussen gezonde jongeren en gezonde ouderen adaptief is. In de zin dat jongeren nog een lang leven voor de boeg hebben en zich dus maar beter veel van mislukkingen kunnen aantrekken. Als je nog veel tijd te gaan hebt, dan "loont het" om je over je eigen gedrag zorgen te maken en te piekeren. Maar als je dat nog steeds doet als je oud bent, dan zou dat geen goede aanpassing zijn aan het kortere perspectief dat je nog voor je hebt. En zou het de kans op ouderdomsdepressie dus vergroten.

Dat kan. Maar het kan ook zijn dat wij in een leefomgeving opgroeien die zo afwijkt van onze natuurlijke leefomgeving dat we een flink deel van onze levensloop nodig hebben om er een goede weg in te vinden. Er is met andere woorden een lang leerproces nodig om onze emotionele reacties goed te leren beheersen, om minder stress te ondervinden en om je gelukkig te voelen en tevreden met je leven te zijn. Als dat zo zou zijn, dan hebben jongeren dus een achterstand in het leerproces van het leven op ouderen.

(Blog 21 maart 2014 en 7 januari 2013)

Ben je rond de 40 en ben je zo ongeveer sinds je 20ste alleen maar ontevredener geworden met je leven? Dan is er nu het goede nieuws dat je je de komende tientallen jaren alleen maar beter zult gaan voelen.

De aanwijzingen zijn namelijk sterker geworden voor de U-vorm van het verloop van tevredenheid gedurende de levensloop. Dat wil zeggen, de periode vanaf ongeveer 20 jaar tot een jaar of 70. Die aanwijzingen waren er al wel, maar die berustten op vergelijkingen tussen personen van verschillende leeftijden. En dan kunnen er nog zogenaamde cohort-effecten meespelen, effecten dus van de specifieke periode waarin je bent geboren en opgegroeid.

Nu is er onderzoek waarin dezelfde personen op verschillende tijdstippen werden ondervraagd (Cheng, T.C., Powdthavee, N. en Oswald, A.J. 2015). Als die U-vorm echt bestaat, dan zou je dus moeten vinden dat voorafgaand aan zo ongeveer de 40-jarige leeftijd de tevredenheid afneemt en daarna weer toeneemt. Dat wil zeggen, elke verandering in tevredenheid die je waarneemt, moet dus eerst een afname zijn en daarna een toename.

En dat blijkt het geval te zijn in de vier datasets die
geanalyseerd konden worden. Ter illustratie hier het plaatje voor Groot-Brittannië. Elke rode stip is een meting van een verandering in tevredenheid vergeleken met een eerder tijdstip. Op de horizontale as staat de leeftijd en op de verticale as de mate van verandering, die dus negatief kan zijn (een afname) of positief (een toename). Je ziet dat beneden de ongeveer 40 jaar de stippen overwegend in het negatieve gebied liggen (kleiner dan 0) en boven de 40 jaar overwegend in het positieve gebied (groter dan 0).

Hoe zou het komen? Ik denk dat het eraan ligt dat we in een behoorlijk statuscompetitieve maatschappij leven. Voor ons veertigste zijn we nog weinig in staat om weerstand te bieden tegen de verleidingen om aan die statuscompetitie mee te doen. Anders gezegd, we denken dat het goed is om ambitieus te zijn en naar het hoogste te streven. We worden door de reclame, door de televisie en door elkaar opgestookt. En we denken dat dat de natuurlijke gang van zaken is.

Maar de aard van de statuscompetitie is nu eenmaal zo dat er een statushiërarchie ontstaat, een piramide, waarin altijd maar weinigen de top bereiken en dus hun ambities hebben waargemaakt. De meesten van ons hebben dat niet en dat krijgen we langzaam door. Tot we rond ons veertigste ons gaan afvragen wat we eigenlijk aan het doen zijn.

Is dit nu wel waar ik gelukkig van word? Waar het in het leven om draait? Het duurt een poos voor we geleerd hebben wat geluk nu eigenlijk echt is. Daarmee kan samenhangen dat we met het ouder worden beter leren met onze emoties om te gaan. En dat we bij het ouder worden niet meer zo nodig overal bij hoeven te zijn. Beter in staat om onze inspanningen te richten op zaken die echt belangrijk en zinvol zijn.

We weten weliswaar dat met het ouder worden onze cognitieve vermogens achteruitgaan. We verwerken informatie minder snel en ons geheugen wordt slechter. Omdat het je verplaatsen in anderen (empathie) ook een cognitieve taak is, kan dat betekenen dat je ook daarin minder goed wordt. En daar zijn ook inderdaad aanwijzingen voor. Zo zijn ouderen minder goed in het oplossen van false belief tasks, wat wil zeggen dat ze zich minder goed kunnen verplaatsen in iemand die iets niet weet wat zij zelf wel weten. En ze blijken minder goed te zijn in het herkennen van emoties achter gelaatsuitdrukkingen. Uit longitudinaal onderzoek blijkt dat deze vermogens ook inderdaad met het ouder worden achteruitgaan.

Maar net verschenen onderzoek werpt hier een nieuw en verrassend licht op. Want neem nu dat kunnen herkennen van emoties achter gelaatsuitdrukkingen. De Chinese en Amerikaanse onderzoekers (Zhang, Fung, Stanley, Isaacowitz en Ho, 2013) gaven jongeren (tussen 18 en 29 jaar) en ouderen (tussen 60 en 82 jaar) een emotieherkenningstaak, aan de hand van een serie foto's van gezichten die oftewel boosheid, geluk of verdriet uitdrukten. Toen bleek inderdaad dat jongeren de emoties beter herkenden dan de ouderen.

Maar de deelnemers hadden ook allemaal een vragenlijst ingevuld over hun dagelijkse bezigheden en hun interesses. En een deel van hen kreeg te horen dat de foto's die ze te zien zouden krijgen, gemaakt waren van de gezichten van andere deelnemers. Bovendien kregen sommigen te horen dat de gezichten die ze te zien zouden krijgen, van anderen waren die naar dagelijkse bezigheden en interesses sterk met henzelf overeenkwamen. (En anderen dat dat juist niet het geval was.)

Wat blijkt dan? De ouderen die gezichten te zien kregen van anderen waarvan ze in de veronderstelling waren gebracht dat die naar bezigheden en interesses op hen leken, herkenden de emoties achter die gelaatsuitdrukkingen even goed als de jongeren. Het verschil tussen oud en jong was geheel verdwenen.

Dit lijkt erop te wijzen dat die ouderen pas geïnteresseerd en gemotiveerd raakten om die emoties te herkennen, toen ze ervan uit konden gaan dat het ging om anderen met dezelfde bezigheden en interesses. Dat wekte zoveel belangstelling op dat ze de emoties even goed gingen herkennen dan jongeren deden. Terwijl tegelijkertijd dit voor jongeren geen enkel verschil maakte.

Je zou kunnen zeggen dat ouderen selectiever waren. Niet meer in willekeurig wie geïnteresseerd. "Niet iedereen kan meer mijn belangstelling wekken, er moet wel iets zijn wat mij aanspreekt en waardoor ik mij in iemand ga verdiepen." Daar lijkt het op.

Dat komt er mee overeen dat ouderen meer dan jongeren meer persoonlijke en intieme contacten hebben met anderen en meer relaties hebben waarmee ze tevreden zijn. Hun sociale leven lijkt meer een resultaat van een selectieproces dat in het verleden heeft plaats gevonden. En het komt er mee overeen dat ouderen zich meer selectief engageren. Ze zijn beter in staat om hun inspanningen te richten op zaken die ze belangrijk en zinvol vinden. Een aanpassing aan het ouder worden en daarmee aan de kortere tijdsspanne die nog voor hen ligt?

Maar de deelnemers hadden ook allemaal een vragenlijst ingevuld over hun dagelijkse bezigheden en hun interesses. En een deel van hen kreeg te horen dat de foto's die ze te zien zouden krijgen, gemaakt waren van de gezichten van andere deelnemers. Bovendien kregen sommigen te horen dat de gezichten die ze te zien zouden krijgen, van anderen waren die naar dagelijkse bezigheden en interesses sterk met henzelf overeenkwamen. (En anderen dat dat juist niet het geval was.)

Wat blijkt dan? De ouderen die gezichten te zien kregen van anderen waarvan ze in de veronderstelling waren gebracht dat die naar bezigheden en interesses op hen leken, herkenden de emoties achter die gelaatsuitdrukkingen even goed als de jongeren. Het verschil tussen oud en jong was geheel verdwenen.

Dit lijkt erop te wijzen dat die ouderen pas geïnteresseerd en gemotiveerd raakten om die emoties te herkennen, toen ze ervan uit konden gaan dat het ging om anderen met dezelfde bezigheden en interesses. Dat wekte zoveel belangstelling op dat ze de emoties even goed gingen herkennen dan jongeren deden. Terwijl tegelijkertijd dit voor jongeren geen enkel verschil maakte.

Je zou kunnen zeggen dat ouderen selectiever waren. Niet meer in willekeurig wie geïnteresseerd. "Niet iedereen kan meer mijn belangstelling wekken, er moet wel iets zijn wat mij aanspreekt en waardoor ik mij in iemand ga verdiepen." Daar lijkt het op.

Dat komt er mee overeen dat ouderen meer dan jongeren meer persoonlijke en intieme contacten hebben met anderen en meer relaties hebben waarmee ze tevreden zijn. Hun sociale leven lijkt meer een resultaat van een selectieproces dat in het verleden heeft plaats gevonden. En het komt er mee overeen dat ouderen zich meer selectief engageren. Ze zijn beter in staat om hun inspanningen te richten op zaken die ze belangrijk en zinvol vinden. Een aanpassing aan het ouder worden en daarmee aan de kortere tijdsspanne die nog voor hen ligt?

En die grotere selectiviteit zou er weleens aan kunnen bijdragen dat ouderen de stress van de statuscompetitie achter zich kunnen laten.

Ik denk dus dat die U-vorm van geluk voortkomt uit de grote mate van statuscompetitie die we in onze maatschappij toelaten. Als dat zou kloppen, dan zou je diezelfde U-vorm moeten zien bij andere primaten die ook behoorlijk statuscompetitief zijn.

En ziedaar, dat is ook het geval. Bij de statuscompetitieve chimpansees en de orang-oetans zien we diezelfde U-vorm (Weiss, King, Inoue-Murayama, Matsuzawa en Oswald, 2012).

Samengevat: dat wij mensen zoiets als persoonlijke ontwikkeling kennen, en dat we dus lessen uit ons verleden leren, betekent dat we met het ouder worden (uiteindelijk) gelukkiger worden, onze authentieke behoeftes beter kennen, beter met onze emoties omgaan en selectiever worden. En dat alles hangt er weer mee samen dat we opgroeien in een statuscompetitieve maatschappij, dat wil zeggen in een mismatch tussen onze natuurlijke aanleg tot goedheid en de statuscompetitieve omgeving waarin we opgroeien.

Wat zijn eigenlijk die aanwijzingen voor onze natuurlijke goedheid? Daarover gaan de volgende drie blogberichten.

(Blog 29 december 2016)

Zijn wij van nature goed? Ja, volgens nieuw onderzoek is dat zo.

Daarover zo meteen meer. Eerst: wat betekent het eigenlijk om "van nature" iets te zijn of "van nature" iets te kunnen?

Ik dacht daarover na toen ik bij hoofdstuk 2 (The Testimony of the Senses) van David Eagleman's boek Incognito. The Secret Lives of the Brain) was aangekomen. Hersenonderzoeker Eagleman legt daarin uit hoe wij leren zien.

Dat gebeurt niet alsof wij met een leeg schoolbord in onze hersenen geboren worden waarop dan vervolgens alle binnenkomende prikkels worden geprojecteerd en opgeslagen. Dat zou betekenen dat er pas hersenactiviteit ontstaat als er van buiten prikkels arriveren.

Nee, er is in die hersenen al van alles aan de gang en die activiteit wordt veranderd en bijgesteld (gemoduleerd) door wat er binnenkomt.

Waarnemen is dus nooit alleen maar registreren. Het is het bijstellen van wat er al aan activiteit is. Eagleman (p. 45):
internally generated activity is modulated by sensory input. In this view, the difference between being awake and being asleep is merely that the data coming in from the eye anchors the perception. Asleep vision (dreaming) is perception that is not tied down to anything in the real world; waking perception is something like dreaming with a little more commitment to what's in front of you.
Hetgeen verklaart dat wij "hallucinaties" krijgen bij zintuiglijke deprivatie, zoals in een donkere en geluidsdichte kamer. We blijven dan waarnemen, maar zonder input van de buitenwereld.

We worden dus al waarnemend geboren, maar dat speelt zich dan nog af binnen het gesloten systeem van onze hersenen. Op grond daarvan gaan we de externe wereld waarnemen, doordat de interne "beelden" worden bijgesteld aan de hand van wat er binnenkomt.

Vergelijk dat met het programma voor lopen dat in ons zenuwstelsel bij de geboorte klaarligt. Leren lopen betekent dat dat programma wordt bijgesteld zodra een volwassene je onder je armpjes pakt en je met je voetjes op de vloer zet. Je hebt dan al van nature de neiging om een soort pasjes te maken. Wat je dan voelt, zijn de prikkels waarmee je loopprogramma wordt bijgesteld en verfijnd.

Nu terug naar de vraag of wij van nature goed zijn. Zijn wij net zoals op waarnemen en lopen ook voorbereid op een sociaal leven waarin mensen elkaar goedgezind zijn?

Je zou zulks kunnen verwachten omdat kinderen gedurende verreweg het grootste deel van de mensheidsgeschiedenis geboren werden in (jagers-verzamelaars-)groepen waarin delen en samenwerken vanzelfsprekend waren. In de huidige samenleving is er daarnaast ook vrijwel altijd statuscompetitie en statushiërarchie, maar die toestand bestaat nog maar zo'n acht- tot tienduizend jaar.

Een aardig inzicht in onze natuurlijke goedheid geeft de studie The Fulfillment of Others’ Needs Elevates Children’s Body Posture (Hepach, Vaish en Tomasello, 2017). Zie ook de eerdere studie Young children are intrinsically motivated to see others helped van dezelfde onderzoekers.

De onderzoekers lieten kinderen van twee en een half jaar een spelletje doen waarbij ze konden slagen of niet. De positieve emotie bij het slagen werd, volgens een bekende procedure, afgelezen aan de lichaamshouding en de gelaatsuitdrukking (glimlachen). Het bleek toen dat de kinderen net zo positief reageerden als ze zelf slaagden als wanneer ze een ander hadden geholpen met te slagen.

In die eerdere studie was al gebleken dat kinderen van twee jaar even positief reageerden als zij zelf iemand hadden geholpen dan wanneer een ander die persoon hielp. Een aanwijzing dat het er om ging dat iemand hulp kreeg. In plaats van dat jij je erop zou willen voorstaan dat jij had geholpen. In dat laatste geval zou het gaan om berekenend pro-sociaal gedrag.

Aanwijzingen dus dat wij van nature goed zijn. Dat we er op zijn voorbereid om anderen bij te staan en om het als plezierig te ervaren dat anderen worden geholpen.

En dat brengt je tot het inzicht dat het opgroeien en het opgevoed worden en het socialiseren in de maatschappij waarin wij leven, er in resulteert dat die natuurlijke goedheid wordt bijgesteld, veranderd en, ja, deels de kop ingedrukt.

Ik moest denken aan Picasso, die gezegd moet hebben dat elk kind als kunstenaar wordt geboren, waarna dat talent in de opvoeding en het onderwijs wordt verdrongen.

(12 januari 2017)

Een andere aanwijzing voor onze natuurlijke goedheid zou zijn als zou blijken dat wij meer pro-sociaal zijn als we minder tijd hebben om na te denken. Als het onze eerste impuls is om iemand te helpen die hulp kan gebruiken, dan wijst dat erop dat die goedheid als het ware is ingebakken. Zeker als zou blijken dat we minder zouden helpen als we meer tijd hebben. Het nadenken over wat het helpen ons zou kosten, zou dan tot gevolg moeten hebben dat we onze help-impuls onderdrukken.

Of dat zo werkt, is onderzocht in de studie Intuitive help and punishment in the field van onderzoekers van de Erasmus Universiteit (Artavia-Mora, Bedi en Rieger, 2017). Ze deden dat onderzoek op het Malieveld in Den Haag. Een van de onderzoekers stelde zich daar op en liet een handschoen op de grond vallen als er een voorbijganger naderde. Daarbij de indruk wekkend dat hij dat zelf niet merkte.Hij deed dat oftewel als die voorbijganger op 13 meter afstand was oftewel als die al tot 4,5 meter genaderd was.

Die afstanden waren gemarkeerd met fietsen die
daar onopvallend waren neergezet (er stonden meer fietsen). Op de foto zie je een situatie met een korte afstand.

Gekeken werd of de voorbijganger gewoon doorliep of op de ene of de andere manier hielp (de handschoen oppakken en aanreiken of erop attenderen dat de handschoen was gevallen). Naderhand werden alle voorbijgangers ondervraagd, waarbij bij degenen die gewoon waren doorgelopen gevraagd werd of ze het vallen van de handschoen hadden opgemerkt. Als dat niet het geval was, werden ze niet meegeteld.

Het bleek toen dat in die gevallen waarin de afstand 4,5 meter was, waarin je ongeveer 3,5 seconden de tijd hebt, meer voorbijgangers hielpen (74,6 procent) dan wanneer de afstand 13 meter was en je ongeveer 10 seconden de tijd hebt (56,5 procent), een statistisch significant verschil. Hoe minder tijd je hebt om na te denken, hoe groter de kans dat je helpt.

(21 mei 2012)

Er is meer onderzoek dat in deze richting wijst. Uit Are social value orientations expressed automatically? Decision making in the dictator game (Cornelissen, Dewitte en Warlop, 2011) valt op te maken dat als we niet te veel nadenken, zeg maar spontaan of automatisch handelen, pro-socialer zijn dan wanneer we weloverwogen handelen.

De onderzoekers baseren zich op de inzichten die we hebben in de verschillen tussen mensen in hun sociale waardenoriëntaties. Mensen lijken behoorlijk goed te kunnen worden ingedeeld in aanhangers van pro-sociale waarden en aanhangers van egoïstische waarden. Als je mensen vraagt om te kiezen tussen allerlei verdelingen over henzelf en "een andere persoon", dan blijken sommigen een voorkeur te hebben voor zo groot mogelijke en zo gelijk mogelijke opbrengsten voor beiden. Dit zijn de pro-socialen. Maar anderen, de egoïsten, geven er blijk van dat ze alleen maar zelf een zo hoog mogelijke opbrengst willen (de individualisten) of een zo groot mogelijk verschil met de andere persoon in hun eigen voordeel (de competitievelingen). Deze waarden blijken behoorlijk stabiel te zijn. En de meeste mensen blijken ingedeeld te kunnen worden als pro-sociaal of egoïstisch.

Van de 159 proefpersonen die aan dit onderzoek meededen, bleken er 80 voldoende consistent pro-sociaal te zijn en 70 voldoende consistent egoïstisch. Deze 150 personen kregen vijf munten van €0,20, die ze moesten verdelen over zichzelf en een willekeurige andere, anonieme, deelnemer, waarbij gold dat ze konden houden wat ze voor zichzelf hielden. Met andere woorden, ze speelden een zogenaamd Dictator Spel.

Voorafgaand aan dat spel kreeg de ene helft van de deelnemers de opdracht om dit getal van zeven cijfers te onthouden: 5684524. Terwijl de andere helft het getal 1234567 moest onthouden. Beide getallen waren gedurende 8 seconden op het computerscherm te zien. Deze opdracht was bedoeld om te kunnen nagaan wat het effect zou zijn van het cognitief afgeleid worden bij het spelen van het Dictator Spel. Uiteraard vergt het veel meer bewuste aandacht om dat eerste getal te onthouden dan het tweede. En de gedachte was dat daardoor de beslissing over hoeveel munten weg te geven veel meer automatisch en minder weloverwogen zou worden genomen.

Wat was het resultaat? De cognitieve afleiding zorgde er alleen bij de pro-socialen voor dat ze meer munten weg gaven. Als ze niet werden afgeleid, en er dus meer over na dachten, gaven ze minder weg en wel net zo veel als de egoïsten. De bestaande neiging tot pro-sociaal gedrag komt dus gemakkelijker tot uiting als je meer automatisch handelt.

Wat gebeurt er dan precies bij dat meer weg geven als je automatisch handelt? De onderzoekers vermoedden dat pro-socialen meer de neiging hebben om zich verbonden te voelen met anonieme, andere personen. En dat egoïsten minder die neiging hebben. Dat bleek in een vervolgonderzoek ook inderdaad het geval te zijn. (Voor de geïnteresseerden: ze deden dat met de Inclusion of Other in the Self Scale.) En bovendien bleek dat grotere gevoel van verbondenheid voor een deel te verklaren waarom pro-socialen meer weg gaven als ze werden afgeleid. Als pro-socialen er minder over nadenken, nemen ze gemakkelijker aan dat een anonieme andere persoon iemand is waar mee je je wel verbonden kunt voelen. En dus geven ze meer weg.

Dat werd tenslotte nog eens op een andere manier bevestigd door in een derde onderzoek de helft van de proefpersonen de indruk te geven dat ze het Dictator Spel speelden met een andere persoon die wat interesses en dagelijkse bezigheden sterk op hen leek. Uit veel onderzoek blijkt dat mensen zich gemakkelijker verbonden voelen met anderen die op hen lijken. En wat bleek? Degenen die speelden met iemand die op hen leek gaven meer weg dan degenen die speelden met iemand die juist weinig op hen leek, maar alleen als ze werden afgeleid. En dit gold niet alleen voor de pro-socialen, maar ook voor de egoïsten. Ook de egoïsten geven meer weg aan iemand waarmee ze zich verbonden voelen, maar alleen als ze er niet te lang over kunnen nadenken.

Wat leren we hiervan? Dat waarschijnlijk ook in situaties in het dagelijks leven waarin mensen meer of minder met anderen rekening kunnen houden, en waarin geen duidelijke normen bestaan over hoe je je hoort te gedragen, mensen die al pro-sociaal van aard zijn, zich pro-socialer gedragen als ze meer op de automatische piloot handelen. En dat laatste geldt zelfs ook voor egoïsten, maar alleen als ze zich met anderen verbonden voelen.

Dit alles lijkt mij te suggereren dat onze impuls tot pro-sociaal gedrag ook echt een impuls is. En dus vanuit een "dieper" niveau van onze hersenen afkomstig is dan daar waar we bewust en weloverwogen over ons gedrag nadenken.

(6 februari 2017)

Dat mensen van nature goed zijn, betekent natuurlijk niet dat ze zich altijd pro-sociaal gedragen. Belangrijk is of ze signalen waarnemen dat anderen zich ook pro-sociaal gedragen.

Want mensen zijn zowel in staat tot gemeenschapsgedrag als tot statuscompetitiegedrag en laten zich bij de "keuze" daartussen leiden door wat ze anderen zien doen.

Het mooie van pro-sociaal gedrag is dus dat je er dubbel goed mee doet: niet alleen doe je zelf iets goed voor anderen, maar je draagt er ook toe bij dat derden dat waarnemen en zich daardoor ook pro-sociaal gaan gedragen.
Dat dat zo werkt, blijkt nu weer eens uit het nieuwe onderzoek: Indirect reciprocity and prosocial behaviour: Evidence from a natural field experiment (Mujcic en Leibbrandt, 2017).

Het gaat om een experimenteel veldonderzoek, uitgevoerd op een grote parkeerplaats in een stad in Australië. Die parkeerplaats had een serie uitgangen naar een over de gehele breedte gelegen weg. Als je die parkeerplaats verlaat, dan kan het gebeuren dat er van rechts een auto komt aanrijden die jou wel of niet de gelegenheid geeft om de weg op te rijden. Als de bestuurder van die auto dat doet, dan is dat een vorm van pro-sociaal gedrag.

De onderzoekers hadden het experiment zo opgezet dat ze eerst na gingen hoe vaak het gebeurde dat als een van hen de parkeerplaats wilde verlaten op het moment dat een auto aan kwam rijden, die automobilist inhield in plaats van door te rijden. Dat bleek in bijna 15 procent van de gevallen te gebeuren. Dat is, zou je kunnen zeggen, in deze situatie de hoeveelheid pro-sociaal gedrag die je als baseline kunt verwachten.

Maar wat gebeurde er als die automobilist die aan kwam rijden, even daarvoor zelf bij het verlaten van de parkeerplaats voorrang had gekregen? Dat gebeurde in die experimentele conditie door de andere onderzoeker die daar "toevallig" net kwam aanrijden en hoffelijk inhield.

In die gevallen verdubbelde het pro-sociale gedrag tot ruim 32 procent, een statistisch significant verschil.

We kunnen dus allemaal iets bijdragen aan een aardiger maatschappij. Door aardig gedrag van anderen uit te lokken door zelf aardig te zijn. Niet als een voor-wat, hoort-wat, maar gewoon als het goede voorbeeld. Als een herinnering aan hoe we zouden willen dat we met elkaar omgaan.

En ook dit onderzoek wijst erop dat we een natuurlijke neiging hebben tot pro-sociaal gedrag, maar dat die in werking treedt als we maar genoeg aanwijzingen krijgen voor de aanwezigheid van een sociale omgeving van wederzijdse hulpvaardigheid en goedgezindheid.

Literatuur
Artavia-Mora, L., Bedi, A.S. en Riger, M. (2017). Intuitive Help and Punishment in the Field. European Economic Review 92: 133-145
Brassen, S., Gamer, M., Peters, J., Gluth, S. en Büchel, C. (2012). Don’t Look Back in Anger! Responsiveness to Missed Chances in Succesful and Nonsuccesful Aging. Science 336: 612-614
Cheng, T.C., Powdthavee, N. en Oswald, A.J. (2015). Longitudinal Evidence for a Midlife nadir in Human Well-being: Results from Four Data Sets. The Economic Journal 127: 126.142
Cornelissen, G., Dewitte, S. en Warlop, L. (2011). Are Social values Orientations Expressed Automatically? Decision Making in the Dictator Game. Personality and Social Psychology Bulletin 37: 1080-1090
Eagleman, D. (2016). Incognito. The Secret Lives of the Brain. Canongate Books, Edinburgh en Londen
Hepach, R., Vaish, A. en Tomasello, M. (2012). Young children are intrinsically motivated to see others helped. Psychological Science 23: 967-972
Hepach, R., Vaish, A. en Tomasello, M. (2017). The Fulfillment of Others’ Needs Elevates Children’s Body Posture. Developmental Psychology 53: 100-113
Mogilner, C.; Kamvar, S.D. en Aaker, J. (2011). The Shifting Meaning of Happiness. Social Psychological and Personality Science 2: 395-402
Mujcic, R. en Leibbrandt, A. (2017). Indirect Reciprocity and Prosocial Behaviour: Evidence From a Natural Field Experiment. The Economic Journal Accepted manuscript online 24 Januari
Sheldon, K.M. en Kasser, T. (2001). Getting older, Getting Better? Personal Strivings and Psychological Maturity Across the Life Span. Developmental Psychology 37: 491-501
Stone, A.A., Schwartz, J.E., Broderick, J.E. en Deaton, A. (2010). A Snapshot of the Age Distribution of Psychological Well-Being in the United States. PNAS 107: 9985-9990
Weiss, A., King, J.E., Inoue-Murayama, M., Matsuzawa, T. en Oswald, A.J. (2012). Evidence for a midlife crisis in great apes consistent with the U-shape in human well-being. PNAS 109: 19949-19952
Zhang, X., Fung, H.H., Stanley, J.T., Isaacowitz, D.M., en Ho, M.Y. (2013). Perspective Taking in Older Age Revisited: A Motivational Perspective. Developmental Psychology 49: 1848-1858

dinsdag 29 september 2015

Negatieve effecten van armoede bestrijd je door armen minder arm te maken

Het wordt steeds duidelijker dat armoede grote negatieve effecten heeft op de armen en hun kinderen. Ik stond daar eerder bij stil in de berichten Lage status, armoede, piekeren en chronische stress en Opgroeien in armoede is af te lezen aan langzamere hersenontwikkeling in eerste levensjaren.

Bij de bestrijding van armoede gaan we er vaak van uit dat we de oorzaken moeten aanpakken en die denken we te vinden in eigenschappen van de armen. Ze missen vaardigheden en ze hebben te weinig opleiding. En daar moeten we dan dus wat aan doen.

Maar de aanwijzingen worden steeds sterker dat een goede manier van armoedebestrijding er eenvoudigweg uit bestaat dat je de armoede opheft door de financiële positie van armen te verbeteren. Het blijkt dan namelijk dat wat je eerst aanzag voor eigenschappen die de armoede veroorzaakten, in werkelijkheid gevolgen zijn van armoede.

Nu is er weer de studie How Does Household Income Affect Child Personality Traits and Behaviors? De onderzoekers benutten een unieke gelegenheid om de effecten van een "inkomensoverdracht" van rijk naar arm te bestuderen. Het gaat om een longitudinaal onderzoek, de Great Mountains Study of Youth, dat in 1993 begon in Noord-Carolina in de Verenigde Staten. In de steekproef  waren kinderen van Cherokee Indiaanse ouders (over-)vertegenwoordigd. Kinderen en hun ouders werden verschillende keren geïnterviewd, de kinderen tot ze 19 en 21 jaar oud waren.

Tijdens het verloop van het onderzoek werd er, zoals in meer Indianenreservaten in de V.S., een casino geopend, dat eigendom werd van het bestuur van de Cherokee indianen. Een deel van de winst werd  halfjaarlijks verdeeld over alle volwassen leden van de stam. Zonder enige voorwaarden, anders dan dat je bekend moest zijn als lid. Het ging om bedragen van ongeveer 4000 dollar per jaar, vergelijkbaar met sommige Amerikaanse uitkeringen.

Je zou kunnen zeggen dat hier een "inkomensoverdracht" plaats vond, van de overwegend rijke bezoekers van het casino naar de overwegend arme indianen. Het gevolg hiervan was dat het gemiddelde inkomen van de indianenouders werd opgetrokken tot in de buurt van het gemiddelde inkomen van de andere ouders. De armen werden minder arm.

De onderzoekers konden nagaan wat de effecten hiervan waren op gedrags- en emotionele stoornissen en persoonlijkheidseigenschappen bij de indianenkinderen in de periode daarna. Het bleek toen dat gedragsproblemen sterk afnamen (26,7 procent van een standaarddeviatie) en dat de scores op de persoonlijkheidseigenschap zorgvuldigheid (conscientiousness) sterk toenamen (42,8 procent vaneen standaarddeviatie).

Ook konden ze iets zeggen over de weg waarlangs deze effecten tot stand kwamen. Ze konden namelijk vaststellen dat de fysieke en mentale gezondheid van de ouders verbeterden, wat wijst op een afname van stress. In lijn daarmee verbeterde het ouderlijk toezicht op de kinderen en vonden de kinderen dat de relatie met hun ouders prettiger was. Ook verbeterde de relatie tussen de ouders. Bovendien nam hun alcohol- en druggebruik af.

Sterke aanwijzingen dus voor de effectiviteit van de bestrijding van de negatieve effecten van armoede door armen minder arm te maken. En dus sterke aanwijzingen voor de wenselijkheid van de verzorgingsstaat, voor een beleid gericht op meer inkomensgelijkheid en op inkomensoverdrachten van arm naar rijk. (Zie natuurlijk ook nog eens het bericht Hogere uitkeringen verbeteren cognitief functioneren van ouderen.)

En je vraagt je af of al die economen die het basisinkomen afdoen als economisch onhaalbaar, wel voldoende met zulke onderzoeksresultaten rekening houden.

maandag 31 augustus 2015

Een publiek domein waarin introversie en vriendelijkheid bloeien. Zou dat kunnen?

In een concurrentiemaatschappij zoals die waarin wij leven, vindt niet iedereen even goed zijn weg. Succesvol zijn of tenminste overeind blijven als competitie centraal staat, vereist allerlei vaardigheden.
Maar ook blijkt je persoonlijkheid veel uit te maken. Het blijkt te helpen als je extravert bent.
Zo begint mijn nieuwe blog op Sociaalweb.nl. Lees hier verder: Een publiek domein waarin introversie en vriendelijkheid bloeien. Zou dat kunnen? 

En merk het verband op met het vorige bericht van vandaag: Het biologische proces van statuscompetitie en leiderschap - over testosteron en cortisol. 

Om verder over na te denken.

maandag 15 juni 2015

Verandert je persoonlijkheid bij het volwassen worden? Hoe? En waardoor? En waar wijst dat op?

Omdat we onze kinderen en adolescenten buiten het gezin extreem naar leeftijd gesegregeerd laten opgroeien, creëren we voor hen een sociale omgeving die uitlokt tot statuscompetitie. Terwijl je zou wensen dat al onze pubers in hun sociale leven vriendschapsdoelen nastreven, blijkt dat veel van hen gericht zijn op de competitie om status.

Dat laatste is te betreuren, want we weten dat het nastreven van status samen gaat met problemen op sociaal vlak en daarover piekeren en met meer agressie, minder gevoel van autonomie, minder goede relaties met anderen, minder persoonlijke groei, minder pro-sociaal gedrag, meer angstgevoelens en eenzaamheid en meer faalangst. Zie het bericht Vriendschap? Of status? Waar het sociale leven van de adolescent om draait.

Maar wat mag je dan verwachten als pubers ouder worden en jong-volwassen zijn?

Uit onderzoek valt op te maken dat er bij het jong-volwassen worden persoonlijkheidsveranderingen optreden. Een mooi overzicht van dat onderzoek geeft de pas verschenen studie What Accounts for Personality Maturation in Early Adulthood? (betaalpoort).

De onderzoekster, Wiebke Bleidorn van de Universiteit Tilburg en de Universiteit van Californië, laat zien dat mensen bij het ouder worden, te beginnen met de jong-volwassenheid, hoger gaan scoren op drie persoonlijkheidskenmerken, namelijk: emotionele stabiliteit (tegenover neuroticisme), mildheid (tegenover bazigheid) en zorgvuldigheid/ordelijkheid (tegenover wanordelijkheid). En als je die drie bekijkt, dan kun je wel zeggen dat je het over gunstige veranderingen hebt.

Waardoor ontstaan die veranderingen? Zijn ze inherent aan het ouder worden? Of hebben ze er misschien ook mee te maken dat wij bij de overgang naar de jong-volwassenheid (eindelijk) verlost raken van die leeftijdshomogene sociale omgeving die ons door de vormgeving van het onderwijs zo wordt opgedrongen?

Ja, voor dat laatste zijn inderdaad aanwijzingen. Bleidorn noemt longitudinaal onderzoek waar uit blijkt dat persoonlijkheidsverandering heel snel optreedt nadat het onderwijs wordt verlaten. En omdat die verandering niet optrad bij de controlegroep, de groep dus die ook ouder werd, maar niet het onderwijs verliet, is dat er een aanwijzing voor dat die gebeurtenis, het achter je laten van die leeftijdshomogene sociale omgeving van de school, de oorzaak is van die persoonlijkheidsverandering.

Ik moet er wel bij vermelden dat die verandering alleen betrekking had op een toename van zorgvuldigheid/ordelijkheid. Maar uit een cross-culturele studie bleek dat in culturen met een overgang naar (de sociale omgeving van) betaald werk op jongere leeftijd, die gunstige veranderingen in emotionele stabiliteit, mildheid en zorgvuldigheid/ordelijkheid ook eerder optreden. Zie Personality Maturation Around the World: A Cross-Cultural Examination of Social-Investment Theory.

Waar wijst dat op? Het doet vermoeden dat wij met die kunstmatige leeftijdssegregatie in onze scholen de persoonlijkheidsontwikkeling van onze kinderen en pubers negatief beïnvloeden.

Want het grote verschil tussen die sociale omgeving van het onderwijs en die van het werk lijkt toch te zijn dat je op het werk veel meer dan op school met anderen van verschillende leeftijden in aanraking komt.

Die leeftijdssegregatie, en dus statuscompetitie, op scholen zou dus wel eens er toe kunnen leiden dat onze kinderen minder emotioneel stabiel, baziger en wanordelijker zijn dan zou hoeven.

maandag 24 februari 2014

Waarom hebben lageropgeleiden vaker sociale contacten? Ze zijn honkvaster

Het CBS heeft de publicatie Frequentie en kwaliteit van sociale contacten (pdf) uitgebracht. Ze hebben de gegevens uit de enquête Sociale samenhang en Welzijn 2012 gebruikt om na te gaan hoe de samenhangen zijn tussen hoe vaak mensen contact hebben met familie, vrienden en buren, de behoefte aan vaker contact, de kwaliteit van de sociale contacten en allerlei achtergrondkenmerken (herkomst, inkomen, leeftijd, geslacht, stedelijkheid, opleiding, huishoudsamenstelling en positie in het huishouden).

Een van de resultaten (op andere kom ik nog terug) is dat lageropgeleiden vaker contact hebben  met familie, vrienden en buren dan hogeropgeleiden. Hetzelfde verschil zie je als je vergelijkt naar inkomen. Waar zou dat aan kunnen liggen?

Het zou er mee te maken kunnen hebben dat lageropgeleiden minder vaak verhuizen. En het lijkt er op dat ze daardoor meer sociale contacten hebben en vooral meer vanzelfsprekende sociale contacten. Familie en vrienden die je gewoon hebt omdat ze in de buurt wonen en omdat ze al langer deel uitmaken van je leven. Dat die aanwezig zijn, zal er aan liggen dat die met een grotere kans ook lager opgeleid zijn en dus ook honkvaster zijn.

Hogeropgeleiden verhuizen vaker. Dat kan er mee te maken hebben dat ze voor het volgen van die opleidingen zijn gaan verhuizen (naar de universiteit of hogeschool). Maar ook ligt het er waarschijnlijk aan dat ze in aanmerking komen voor banen die meer ruimtelijk geconcentreerd zijn. Door dat vaker verhuizen blijkt het moeilijker te zijn om sociale contacten in stand te houden. En de contacten die je wel hebt weten te maken, zijn vaak wat oppervlakkiger, wat minder vertrouwd en vanzelfsprekend. Zie Residential Mobility, Well-Being, and Mortality (pdf).

Dat verklaart ook dat het vaak verhuisd zijn samengaat met een lager welzijn en met een verhoogde kans op overlijden. Je profiteert minder van de vertrouwdheid van de sociale omgeving die mensen nodig hebben. Waarbij het wel blijkt uit te maken of je qua persoonlijkheid meer introvert dan wel meer extravert bent. Zie Residential Mobility, Personality, and Subjective and Physical Well-Being.An Analysis of Cortisol Secretion (betaalpoort).

Dat alles wijst er op dat het niet aan het laag opgeleid zijn op zichzelf ligt dat laagopgeleiden vaker contacten hebben met familie en vrienden. Ze kunnen gemakkelijker samen met hun familie en vrienden honkvaster zijn. Het is de mate van honkvastheid, het "verhuisgedrag", dat het verschil met de hoogopgeleiden tot stand brengt.

Dat je dan toch vaak dat verband met opleiding tegenkomt, ligt er aan dat onderzoekers in vragenlijsten altijd standaard naar opleiding vragen. En niet naar "aantal keren verhuisd", terwijl informatie daarover zeker zo belangrijk zo niet belangrijker is. Zie The Psychology of Residential Mobility. Implications for the Self, Social Relationships, and Well-Being (betaalpoort).

zaterdag 29 december 2012

Waarom zijn we eigenlijk niet allemaal emotioneel stabiel?

Hoe komt het dat mensen verschillen in de mate van emotionele stabiliteit? Of omgekeerd gezegd, in de mate van neuroticisme? Emotionele stabiliteit versus neuroticisme is een van de vijf persoonlijkheidsdimensies (de Big Five), waarmee je mensen die in ons soort maatschappij leven, kunt onderscheiden. Zie het vorige bericht over persoonlijkheid en maatschappij.

Als je emotioneel stabiel bent, reageer je minder sterk op stressvolle gebeurtenissen. Je bent gemakkelijker kalm, rustig en gelijkmoedig en minder snel gespannen en van je stuk. Je hebt weinig negatieve emoties, maar ook niet vaak heel positieve. Als je die laatste wel vaak hebt, dan combineer je emotionele stabiliteit met extraversie. Maar ook zonder die combinatie voel je je gelukkiger en tevredener dan wanneer je neurotisch bent. Neuroticisme betekent dat je vaak angstig bent, bezorgd, jaloers op anderen en dat je last hebt van stemmingswisselingen. Je kunt stressvolle gebeurtenissen minder goed verwerken. En tegelijk zie je gewone gebeurtenissen snel als bedreigend.

Hoe komt het dat mensen in dit opzicht zo van elkaar verschillen? Waarom zijn we niet allemaal even stabiel? Je zou kunnen denken, tja, dat is nu eenmaal zo, want mensen verschillen in aanleg voor emotionele stabiliteit. Dat is van alle tijden en van alle omstandigheden. Maar dat blijkt dus niet te kloppen. Die Boliviaanse Tsimane, die leven van jagen, vissen en wat tuinbouw, die blijken deze persoonlijkheidsdimensie helemaal niet te kennen.

Op welk niveau van emotionele stabiliteit die Tsimane zitten, in vergelijking met ons, dat weten we niet, maar het zou me niet verbazen als ze overeenkomen met de meer stabielen onder ons. Er zijn twee uitdagingen die het leven hen stelt: ze moeten voldoende pro-sociaal zijn (genereus, vriendelijk en bescheiden) en ze moeten zich voldoende inspannen voor het welzijn van de groep. (Ze leven in verwantschapsgroepen van tussen de 30 en 500 personen.)

En ze kennen de twee uitdagingen niet waaraan wij wel ons hele leven het hoofd moeten bieden: de uitdaging van het vermijden van eenzaamheid en sociaal isolement en de uitdaging van het moeten meedoen aan de statuscompetitie, wat o.a. inhoudt dat je je voortdurend beter moet voordoen dan je bent. Dat wij met die twee uitdagingen worden geconfronteerd, betekent dat wij, in vergelijking met de Tsimane, aanhoudend stressvolle gebeurtenissen meemaken: bedreigingen die met afwijzing en eenzaamheid en met strijd en nederlaag te maken hebben. Zie ook nog eens dit bericht.

En daardoor blijkt dat wij in aanleg verschillen in de mate waarin we desondanks tot emotionele stabiliteit in staat zijn. Neuroticisme kan gemakkelijk de kop op opsteken. Dat de Tsimane ook in die aanleg verschillen, wat waarschijnlijk lijkt, kan door hun manier van samenleven gewoon niet aan het licht komen. En je zou denken: dat hoort ook niet aan het licht te komen.

Speciaal voor sociologen: eigenlijk wint oudere sociologische literatuur over cultuur, persoonlijkheid en maatschappij hiermee weer verrassend aan actualiteit. Ik denk bijvoorbeeld aan Pitrim A. Sorokin (1889-1968) en David Riesman (1909-2002).

donderdag 27 december 2012

Persoonlijkheid en maatschappij: de Big Five en de Big Two

Dat er verschillen in persoonlijkheid bestaan, lijkt universeel, in de zin dat ze in alle maatschappijen voorkomen. En in de zin dat ze ook bij dieren voorkomen. Ik herinner me de uitspraak van Rudi Kousbroek dat hij altijd drie of meer katten heeft gehad en dat daar altijd wel een brompot bij zat. Maar welke die verschillen bij mensen precies zijn, dat lijkt af te hangen van de sociale omgeving en daarmee van het soort maatschappij waarin we opgroeien.

Uit het psychologisch onderzoek naar persoonlijkheid is de Big Five naar voren gekomen. Die houdt in dat de persoonlijkheidsverschillen tussen mensen met de volgende vijf dimensies zijn te vangen:
  • Openheid versus geslotenheid (open staan voor nieuwe ervaringen tegenover conservatief en traditioneel)
  • Nauwkeurigheid/zorgvuldigheid versus slordigheid
  • Extraversie/sociabiliteit versus introversie/terughoudendheid
  • Vriendelijkheid versus egoïstisch/koud/wantrouwend
  • Emotionele stabiliteit versus snel ongerust en angstig zijn
Maar het is twijfelachtig of de Big Five wel universeel is in de zin van geldig voor alle culturen en maatschappijen. In het onderzoek dat in verschillende culturen is gedaan, werden toch meestal studenten ondervraagd en dus mensen met vooral een stedelijke achtergrond. Er is geen andere groep mensen te bedenken die zoveel is onderzocht en die tegelijk als heel speciaal moet worden gekenschetst. Ze zijn anders gezegd eigenlijk heel WEIRD, wat staat voor de afkorting van western, educated, industrialized, rich and democratic.

Wat zegt het dat we in deze speciale groep die Big Five altijd vinden? Bedenk dat persoonlijkheid waarschijnlijk het resultaat is van het soort sociale omgeving waarin je opgroeit, waarin je bepaalde sociale uitdagingen het hoofd moet bieden en waarin je jezelf beoordeelt, en waarin anderen je beoordelen, naar de manier waarop je dat doet. Dat beoordelen gebeurt in taal en het is dan ook geen toeval dat je die vijf dimensies in de woorden terugvindt die wij in onze taal gebruiken om mensen te karakteriseren.

Wat zou er dan uitkomen als je een persoonlijkheidstest afneemt bij mensen die in een heel andere sociale omgeving zijn opgegroeid? Dit is recentelijk gebeurd in de studie How Universal Is the Big Five? Testing the Five-Factor Model of Personality Variation Among Foragers-Farmers in the Bolivian Amazon (fulltext achter de poort), die werd uitgevoerd bij de Tsimane. Die leven van jagen en vissen en van enige tuinbouw. Ze leven in groepen van tussen de 30 en 500 personen. Er is enig onderwijs, maar van de volwassenen is er slechts een op de vier die kan lezen en schrijven. Ze spreken een eigen taal, maar zo'n 40 procent spreekt daarnaast enig Spaans. Hun sociale leven is sterk egalitair, wat wil zeggen dat ze op hun autonomie zijn gesteld en niet gemakkelijk leiderschap accepteren. In de verwantschapsgroepen worden voedsel en arbeid gedeeld. Ze zijn duidelijk niet WEIRD in de zin hierboven.

En wat blijkt? Die vijf persoonlijkheidsdimensies zijn er niet terug te vinden. De onderzoekers doen allerlei statistische analyses met het vergaarde interviewmateriaal, maar die vijf, die komen er niet uit. Wat er wel uitkomt, lijkt op een Big Two. Tsimane blijken zichzelf en elkaar vooral te karakteriseren op enerzijds een dimensie van pro-socialiteit en anderzijds een dimensie van ijverigheid.
  • Pro-socialiteit bestaat uit een mix van vriendelijkheid en extraversie/sociabiliteit. Opvallend is dat "terughoudendheid" hier ook hoog op laadt. En dat is te begrijpen als je beseft dat het in een egalitaire cultuur wordt gewaardeerd als je niet opschept of uitbundig bent over je eigen prestaties. Zelfvertrouwen wordt gewaardeerd, maar tegelijk ook bescheidenheid. Verder gaat hoog scoren op deze dimensie samen met origineel en ingenieus zijn.
  • IJverigheid overlapt met nauwkeurigheid en zorgvuldigheid, maar ook "volhouden", "degelijkheid" en "energiek" laden hoog.
Dit lijkt er op dat je hiermee een idee krijgt van wat er eigenlijk telt in een maatschappij waarin het er om gaat dat je samenwerkt en de opbrengsten daarvan eerlijk verdeelt. Waarin niemand de baas kan spelen. Waarin je op elkaar bent aangewezen. Ben je voldoende vrijgevig, bescheiden en vriendelijk? En span je je genoeg in voor het gezamenlijke welzijn? Daar gaat het om.

Dat is leerzaam, lijkt me.

vrijdag 7 december 2012

Als je emotioneel minder stabiel bent, is geld belangrijker voor je

Het is bekend dat mensen met een hoger inkomen iets gelukkiger of tevredener met hun leven zijn dan mensen met een lager inkomen. Ook weten we dat een inkomenstoename (tijdelijk) iets gelukkiger en tevredener maakt. Maar dan vergelijken we gemiddeldes en daar kan veel achter schuil gaan. De aandacht voor wat daar achter schuil gaat neemt in het sociaalwetenschappelijk onderzoek toe. Ik werd daarop geattendeerd door het lezen van het boek Mijn brein is niet jouw brein van Richard J. Davidson en Sharon Begley, dat handelt over de grote verschillen tussen mensen in emotionele stijl. Verschillen die je niet opmerkt als je alleen maar gemiddeldes vergelijkt.

Evenzo blijken verschillen in persoonlijkheid schuil te gaan achter de gevonden samenhangen tussen inkomen en geluk of levenstevredenheid. Uit dit pas verschenen onderzoek blijkt dat van de bekende vijf persoonlijkheidsdimensies het vooral de mate van neuroticisme is die er voor zorgt dat, gemiddeld genomen, mensen met een hoger inkomen tevredener zijn met hun leven en dat een toename van inkomen tevredener maakt. Als je neurotisch bent, ben je minder emotioneel stabiel, laat je je meer beïnvloeden door negatieve gebeurtenissen en ben je meer bezig je met anderen te vergelijken. Door deze beide eigenschappen of een van de twee, dat weten we nog niet, is kennelijk de tevredenheid van neurotici meer afhankelijk van hoeveel geld ze verdienen.

Als we dus zeggen dat geld gelukkiger maakt, dan blijkt dat in het bijzonder te gelden voor degenen onder ons die meer emotioneel onstabiel zijn. Die meer last ondervinden van negatieve gebeurtenissen en die meer de neiging hebben om zich met anderen te vergelijken.

Daar zou je uit kunnen afleiden dat het bevorderen van emotionele stabiliteit (ja, zo onveranderbaar is persoonlijkheid niet) een bijdrage zou kunnen zijn tot een minder eenzijdig-materialistische maatschappij. Anders gezegd, als we (gemiddeld genomen) emotioneel stabieler waren, dan waren we (gemiddeld genomen) minder materialistisch. Dat vond ik wel iets om over na te denken.