Posts tonen met het label Jacques van Doorn. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jacques van Doorn. Alle posts tonen

vrijdag 6 februari 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -30 - Homans en de sociologie als een verbetervak

Je kunt uit Homans' The Human Group niet anders concluderen dan dat hij de contouren schilderde van de sociologie als een verbetervak. De toestand van een maatschappij kan als beter worden gekarakteriseerd hoe meer die maatschappij erin is geslaagd kenmerken van de kleine groep terug te laten keren in hoe die maatschappij reilt en zeilt.

At the level of the small group, society has always been able to cohere. We infer, therefore, that if civilization is to stand, it must maintain, in the relation between the groups that make up society and the central direction of society, some of the features of the small group itself.

Hier het vorige bericht. En dat betekent dat we voor de maatschappij als geheel ervoor dienen te zorgen dat we eenzaamheid ("psychosocial isolation") voorkomen, dat we zorgen voor de voorwaarden waaronder nieuwe generaties kunnen socialiseren ("circulation"), dat we er voor zorgen dat mensen goed geïnformeerd zijn ("communication") en dat we statuscompetitie tegengaan ('conflict", "control"). Kortom, het is zaak voor de maatschappij als geheel (en zelfs voor de wereldbevolking) zoveel mogelijk tot stand te brengen van wat we in de kleine groep tot stand te brengen.

Dat klinkt nogal als een opgave en dat is het natuurlijk ook. Maar een opgave die we onder ogen moeten zien. En als we dat doen, komen we tot de conclusie dat we op het niveau van de maatschappij de democratie nodig hebben. En op het niveau van de wereldbevolking samenwerking tussen staten en verdragen over mensenrechten. Want zo proberen we zo goed mogelijk te bereiken dat het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon van de kleine groep wordt opgetild naar dat hogere niveau van maatschappij en wereldbevolking. Met als na te streven uitkomst dat we met ieders belangen in gelijke mate rekening houden. 

Geheel in overeenstemming met de gedachte dat de gemeenschapstoestand van het iedereen-telt-mee superieur is aan de statuscompetitietoestand van het ieder-voor-zich. Wat erop wijst dat als we die opgave denken niet aan te kunnen, het alternatief eruit bestaat dat we ons neerleggen bij het ieder-voor-zich, dat onvermijdelijk uitmondt in het "recht" van de sterkste, dus in dictatuur, onderdrukking en zelfs genocide. Grote woorden, maar helaas met een wel heel actuele strekking.

Terug naar Homans en The Human Group. Homans analyseert daar vijf studies naar kleine groepen, die toen bekend waren en ook later door sociologen nog vaak zijn aangehaald. Het gaat om twee studies naar groepen van werknemers van een onderneming, een groep van straatjongeren, een groep mensen die op het eiland Tikopia leven van tuinbouw en visvangst en een groep inwoners van een dorp in New England, dat Hilltown wordt genoemd. 

In het hoofdstuk over Hilltown gaat het over de ongeveer duizend inwoners, die in het verleden in staat waren om een rijk sociaal leven te onderhouden, dat echter na verloop van tijd uiteen is gevallen. De studie beschrijft een proces van sociale desintegratie. Het dorp had in het verleden, na zijn ontstaan aan het eind van de achttiende eeuw, nog allerlei functies die later door de staat of zelfs de federale overheid werden overgenomen. In dorpsvergaderingen (town meetings) werd overlegd over de bouw en onderhoud van scholen en wegen en van de (Calvinistische) kerk en de aanstelling van de predikant, en over de ondersteuning van de armen en behoeftigen. En er werd belasting geheven en er werd recht gesproken. Dat zorgde er voor dat er veel gelegenheden waren om elkaar goed te leren kennen en om samen te werken en te delen. Dat laatste gebeurde ook in de vorm van hulpverlening tussen buren bij het ploegen, oogsten of bouwen van een nieuwe schuur.

Kortom, er waren de voorwaarden voor de gemakkelijke activering van het gemeenschapspatroon: onderlinge afhankelijkheid en vertrouwdheid. En op de basis daarvan ontstonden er de georganiseerde, gezamenlijke activiteiten die voor het materiële bestaan nodig waren en op de basis daarvan een rijk sociaal en verenigingsleven. Er was weliswaar enige sociale ongelijkheid, maar van de paar leden van de  upper class werd met succes een ook wat grotere inzet voor het geheel verwacht.

Maar toen begon het proces van de economische en bestuurlijke schaalvergroting en van de functiescheiding (wonen en werken) en dus ook van de dagelijkse uitzwerming (Putnams sprawl). Hilltown werd een forensendorp, net zo als mijn geboortedorp Akkrum dat werd. En net zo als het proces dat zich in het Drentse Anderen afspeelde en dat ik aanroerde in Geld en 'de rest'. Met onvermijdelijk een sterk verlies aan die onderlinge afhankelijkheid en vertrouwdheid en dus van die gemakkelijke activering van het gemeenschapspatroon.

In al die gevallen zien we een beweging van een sociaal superieure gemeenschapstoestand, waarin iedereen als vanzelfsprekend meetelt, naar een toestand van sociale onzekerheid. Onzekerheid over het gedrag dat je van anderen kunt verwachten en het gedrag dat anderen van jou verwachten. Zal het iedereen-telt-mee van het gemeenschapsgedrag gelden? Of moet je uitgaan van het ieder-voor-zich van het statuscompetitiegedrag? Een onzekere toestand, met grotere kansen op sociale vluchtigheid en dus op sociaal isolement en eenzaamheid.  En op statuscompetitieve ontmoetingen, waarin je je sterker en competenter voor moet doen dan je werkelijk bent. Of waarin je jouw hogere status moet laten gelden of waarin je je juist wat bescheiden en zelfs nederig behoort op te stellen. 

Kortom, ontmoetingen waarin je veel minder jezelf kunt zijn dan in die gemeenschapstoestand waarin je erop kunt rekenen dat je geaccepteerd wordt om wie je bent. Een beweging dus weg van de sociaal superieure in de richting van een sociaal inferieure toestand. Homans noemt dat een proces van sociale desintegratie. 

Dat is weinig opgemerkt, maar met die analyse over Hilltown liep hij vooruit op later sociologische studies. Ik denk in het bijzonder aan die eenvoudige, maar eigenlijk diepgravende studies van Michael Young en Peter Willmott: Family and Kinship in East London van 1975 en Family and Class in a London Suburb van 1960. De onderzoekers interviewden Londenaars die van de sterk sociaal geïntegreerde arbeidersbuurt Bethnal Green verhuisd waren naar een nieuwe voorstad. Ik heb er veel aan overgehouden, maar in ieder geval ook de mooie omschrijving die een van de geïnterviewden gaf van de overgang van een toestand "waarin je vrienden hebt" naar een toestand "waarin je vrienden moet zien te maken". Dus van een gemeenschapstoestand naar een toestand van sociale onzekerheid en vluchtigheid.

Maar daar moeten we natuurlijk meteen bij bedenken dat daar door sociologen ook heel anders over werd gedacht. Ik denk aan dat betoog van de nog jonge Jacques van Doorn, die in 1955 sterk beïnvloed was door het structureel-functionalistische denken dat het sociale systeem er altijd wel voor zal zorgen dat alles weer goed komt: Wijk en stad: reële integratiekaders? De "wijkgedachte" dat voor mensen lokale, vertrouwde sociale contacten belangrijk zijn, was achterhaald en romantisch. In plaats van de "territoriale integratie" komt er de "functionele integratie", de "geobjectiveerde" contacten op het werk. En omdat er geen noemenswaardige menselijke sociale natuur bestaat, is dat geen enkel probleem. De maatschappij verandert en de mensen passen zich probleemloos aan.

Dat laatste was zoals gezegd het heersende sociologische denken in de tijd dat ik studeerde. En dat in de weg stond van een ontwikkeling van het vak naar een verbetervak. Eigenlijk had Homans aan het begin van die ontwikkeling kunnen staan. Hier het vervolg.

maandag 27 oktober 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -19 - Het vak dat ik studeerde, was een sociologie die nooit problemen zag ontstaan

Het structureel-functionalisme was dus een vorm van macrosociologie waarin de theorievorming top down moest. Zich geheel moest voltrekken op het niveau van de samenleving, dus in de variabelentaal, waarin het gaat over verbanden tussen variabelen. Bovendien werd die samenleving geacht een sociaal systeem te zijn dat zich door terugkoppeling in stand houdt en waarin mensen geacht worden zo flexibel te zijn dat ze zich aanpassen aan wat het systeem vraagt. En waarin wordt genegeerd dat er een menselijke sociale natuur zou kunnen bestaan, met vaardigheden en behoeften, waaraan de uitkomsten van de werking van het sociale systeem kunnen worden beoordeeld. Hier het vorige bericht.

Het was, anders gezegd, een vorm van evenwichtsdenken, die, weliswaar geïnspireerd op de analogie met het biologisch organisme als een systeem, sterk overeenkomt met het economische evenwichtsdenken. Daarin gaat het immers om de markt met volledige concurrentie als een sociaal systeem dat zichzelf door voortdurende aanpassing in stand houdt. In beide gevallen, dat van het structureel-functionalisme en dat van het vak economie, was de gevolgtrekking die van de toeschouwersrol van het vak. Als je het sociale systeem, de samenleving of de markt, maar zijn werk laat doen, dan ontstaat er altijd weer een nieuw evenwicht en dat wordt geacht ook altijd het goede evenwicht te zijn. Zowel de structureel-functionalistische socioloog als de econoom roepen de overheid op om zo weinig mogelijk de goede werking van "hun" sociale systeem te verstoren. 

De vraag of een en ander dan ook tegemoetkomt aan de menselijke sociale natuur, aan wat mensen kunnen en willen, komt niet in het gezichtsveld. In Parsons' The Social System niet doordat echte mensen worden gereduceerd tot actoren die streven naar het bereiken van bevrediging (attainment of gratifications) en het vermijden van ontberingen (avoidance of deprivations) en in de economie tot actoren die streven naar nut. Met in beide gevallen het uitdrukkelijke besluit om de vraag naar wat bevrediging en ontberingen en wat nut nu eigenlijk inhouden buiten de theorie te houden.  

Wat dat voor de socioloog betekende, valt aardig duidelijk te maken aan de hand van het in 1969 verschenen artikel Primary Group Structures and Their Functions: Kin, Neighbors, and Friends van Eugene Litwak. Daarin gaat het over het verdwijnen van de uitgebreide familie doordat kinderen verder van hun ouders weg gaan wonen. Is dat niet een negatieve ontwikkeling? Nee, want er is een terugkoppeling die eruit bestaat dat de telefoon wordt geïntroduceerd waarmee mensen gemakkelijk en snel over afstand kunnen communiceren. En de onderlinge hulpverlening? Grootouders die even bijspringen? Volwassen kinderen die de ouders een handje helpen (wat we nu mantelzorg noemen)? Ook daar is er een terugkoppeling, namelijk van de nieuwe mogelijkheid om geld over te maken. Het sociale systeem zorgt uit zichzelf voor nieuwe, passende ontwikkelingen. 

Merk op dat er in die redenering niet een menselijke sociale natuur opduikt, waarin er een behoefte aan face-to-face contact en aan de veiligheid en vertrouwdheid daarvan zou kunnen bestaan. En dat daardoor ook niet de problemen van sociale vluchtigheid en onzekerheid in beeld komen, die de kans vergroten op eenzaamheid en statuscompetitie. Dat er de problemen die we nu kennen, van eenzaamheid en van de "hypernerveuze samenleving", ooit zouden kunnen ontstaan, dat was in die structureel-functionalistische sociologie uitgesloten.

In de Nederlandse sociologie in de tijd dat ik studeerde (1965 - 1971) was er in dezelfde lijn het toen invloedrijke Wijk en stad: reële integratiekaders? uit 1955 van de toen nog jonge socioloog Jacques van Doorn (1925 - 2008), de latere hoogleraar en columnist en samen met Cor Lammers auteur van het in 1959 verschenen en vele malen herdrukte Moderne Sociologie. Een systematische inleiding.  

Van Doorn betoogde dat "de wijkgedachte" achterhaald was. Dat de buurt of de wijk als sociale omgeving tegemoet zou kunnen komen aan de menselijke behoefte aan sociale contacten, was volgens hem een "romantische visie" die we achter ons moesten laten. Ik citeer nu even mezelf uit 2015 (Van het afscheid van de wijkgedachte in 1955 naar de buurtrechten in 2015 - hoe het denken over de buurt veranderde):

Als je het betoog nu terugleest, dan merk je op dat het nog best genuanceerd is. Maar dat is minder het geval met de invloed die het heeft uitgeoefend. In de sociologie en in het beleid is er vaak naar verwezen als het afdoende "bewijs" dat mensen hun buurt als bron van sociale contacten niet meer nodig hebben. Geleerd gezegd: de ouderwetse territoriale integratie heeft definitief plaats gemaakt voor de moderne functionele integratie. In concreto betekende dat dat mensen hun contacten wel uit hun werk halen. Daar zijn medebuurtbewoners niet meer voor nodig.

En dat was ook een ontwikkeling die diende te worden toegejuicht. Die romantische, territoriale contacten, die waren maar benauwend en controlerend. Het was modern om meer "geobjectiveerde" contacten te hebben. Die term haalde Van Doorn bij Karl Mannheim (1893-1947) vandaan, overigens een interessant man, maar nu totaal vergeten. Dat "geobjectiveerd" betekent in feite: oppervlakkig en, jawel, functioneel.

Hadden mensen dan geen persoonlijke en meer diepgaande contacten nodig? Jawel, maar die vonden ze in het eigen gezin en dat was voldoende. Van Doorn spreekt ook over "gezinsindividualisme", wat hij niet ziet als een sociaal probleem. Ik kan het niet laten om een citaat op te nemen:

Wanneer men zich op het standpunt stelt, dat dit gezinsindividualisme niet op een moreel verval wijst, maar een van de symptomen is van een algemene tendentie in de samenleving, en dat er bovendien geen reden is om te veronderstellen dat dit gezinsisolationisme spanningen of conflicten oproept, kan men inderdaad niet van een zodanig sociaal knelpunt spreken.
Duidelijker vind je niet het optimisme van de naoorlogse sociologie verwoord. Het optimisme van de individualistische maatschappij waarin geen eenzaamheid zou bestaan, waarin mensen tevreden zouden zijn in hun sociaal geïsoleerde gezinnetje en met voor de rest alleen die geobjectiveerde contacten. Het was een sociologie die nooit problemen zag ontstaan. Want de maatschappij verandert en mensen zijn zo flexibel dat ze zich aan elke verandering succesvol aanpassen.

 Het vak dat ik studeerde, was een sociologie die nooit problemen zag ontstaan. Hier het vervolg.

dinsdag 7 maart 2023

Over sociale vluchtigheid, sociaal isolement van gezinnen en de toegenomen afstand tot familie - En over sociologie

Vanuit het langetermijnperspectief van de mensheidsgeschiedenis gezien leven we in een maatschappij met een hoge mate van sociale vluchtigheid en sociaal isolement van gezinnen. (Volg de links voor alle berichten achter die twee labels.) Veel van de huidige sociale en maatschappelijke problemen hebben daar direct of indirect mee te maken. Het is het soort maatschappij met een grote kans op eenzaamheid en op het ontstaan van psychische aandoeningen. We zijn immers een bij uitstek sociale diersoort, die een behoorlijke dosis sociale vertrouwdheid nodig heeft om zich veilig te voelen en om sociaal betrokken te kunnen zijn. Bovendien maakt het gemis aan dat gevoel van sociale veiligheid mensen ontvankelijk voor de statuscompetitieve wereldbeelden van het rechts-extremisme.

In de loop van de mensheidsgeschiedenis is dus een maatschappij ontstaan waarin bepaald niet alles spontaan goed gaat. Vandaar de sterke noodzaak van een democratische overheid waarin we met zijn allen proberen een samenleving dichterbij te brengen waarin iedereen meetelt. Een maatschappij dus die ons dochter bij het "gemeenschapsevenwicht" brengt. De geschiedenis heeft ons ertoe veroordeeld om bewust en met veel inspanning aan een beter samenleving te werken.

Een van de processen waarlangs we in dit soort samenleving terecht zijn gekomen, is dat we individueel geografisch mobieler zijn geworden. Dat heeft ertoe geleid dat we minder omringd zijn door en daardoor minder contact hebben met de meest vertrouwde anderen, onze eigen familie. We groeien op in een gezin en in de sociale omgeving van dat gezin. Maar die aanvankelijke vertrouwdheid blijft heel vaak niet in stand.

Dat brengt ons bij de aanleiding tot dit bericht, de nieuwe studie Keeping kin close? Geographies of family networks by race and income, 1981–2017. De onderzoekers laten met de data van de Panel Study of Income Dynamics zien dat in de Verenigde Staten tussen 1981 en 2017 de geografische afstand tot familieleden van Amerikanen is toegenomen. Maar dat geldt in het bijzonder voor de witte Amerikanen en meer voor de hogere inkomens. Bij de zwarte bevolking is er ook een toename, maar dan alleen in de laatste jaren van die periode.

Voor Nederland gaven Clara Mulder en Matthijs Kalmijn in 2004 vergelijkbare cijfers: Even bij oma langs. Volgens de Netherlands Kinship Panel Study zou tussen 1940 en 1990 het percentage mensen van wie de ouders in dezelfde plaats wonen zijn gedaald van rond de 50 tot tussen de 35 en 40 procent. Daarbij is er een groot verschil tussen hoog- en laagopgeleiden, wat erop wijst dat in diezelfde periode het opleidingsniveau van de Nederlandse bevolking sterk steeg. Verhuisbewegingen lijken samen te hangen met studie en met het daarna zoeken van werk in een groter gebied.

Daarmee zal ook de "structurele" oorzaak van schaalvergroting en concentratie te maken hebben. Economische activiteiten en dus werkgelegenheid zijn in de naoorlogse periode minder homogeen gespreid geraakt over de ruimte. Dat was een vooral economische gemotiveerde ontwikkeling. Bedrijven zoeken hun optimale, vaak grotere, omvang en vestigen zich graag bij elkaar in de buurt. 

In de sociologie is er eigenlijk altijd weinig aandacht geweest voor dit proces en de gevolgen ervan. Of het werd als een ontwikkeling gezien die nu eenmaal hoorde bij de "modernisering". Denk aan Jacques van Doorn, die in 1955 schreef over de ontwikkeling van de ouderwetse, romantische "territoriale integratie" naar de moderne "functionele integratie. En die het toenemende "gezinsindividualisme" wel opmerkte, maar niet als een probleem zag. Zie Van het afscheid van de wijkgedachte in 1955 naar de buurtrechten in 2015 - hoe het denken over de buurt veranderde. 

Een uitzondering is het voor het eerst in 1960 verschenen Family and Class in a London Suburb van Peter Willmott en Michael Young, een boekje dat ik nog altijd in de kast heb staan. Dat heeft altijd veel te weinig aandacht gekregen, maar nu zie ik dat de uitgever een herdruk aankondigt. Dat is heel opvallend, Ik kom er een keer op terug.

maandag 14 september 2015

Van het afscheid van de wijkgedachte in 1955 naar de buurtrechten in 2015 - hoe het denken over de buurt veranderde

Vandaag vergadert in de Tweede Kamer de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken over de initiatiefnota van het PvdA-Kamerlid Grace Tanamal over buurtrechten. Over buurtrechten schreef ik eerder, oktober vorig jaar, in het bericht Nieuwe stap in richting buurtzelfbeheer. Het gaat om het recht op het mogen meedoen met openbare aanbestedingen van publieke diensten, om het recht om te mogen beschikken over maatschappelijk vastgoed, zoals een buurthuis, en om het recht op het mogen indienen van een plan voor buurtontwikkeling. Zie hier de samenvatting van de nota waar het om gaat: Samenvatting Initiatiefnota ‘Buurtrechten voor iedereen’.

In dat bericht van oktober vorig jaar wees ik er op dat de mogelijke voordelen van buurtrechten niet alleen liggen op het terrein van de kwaliteit van de geleverde diensten, maar ook op dat van de sociale kwaliteit van de buurt. Door buurtrechten kan zelforganisatie van de buurt worden bevorderd en dat kan er weer toe leiden dat buurtbewoners meer met elkaar in contact komen en meer onderlingen verbonden raken.

En we weten dat zulks grote voordelen heeft. Omdat mensen buiten het eigen gezin niet meer zoveel sociale contacten hebben, hebben buurtcontacten aangetoonde positieve gezondheidseffecten en verminderen ze de kans op eenzaamheid. (Denk nog even aan de Week Tegen de Eenzaamheid van 24 september tot 3 oktober.) Ook weten we dat vertrouwen tussen buurtbewoners bijdraagt aan het algemene vertrouwen van mensen in anderen en dat maatschappijen met meer onderling vertrouwen beter gedijen. En we weten dat kinderen beter opgroeien in buurten waarin mensen elkaar kennen en wel eens iets voor elkaar doen.

Mooi dus dat er nu in de Tweede Kamer aandacht is voor dat initiatief van Grace Tanamal. Maar eens afwachten wat het oplevert.

Maar ik moest ook even terugdenken aan de toen nog jonge socioloog Jacques van Doorn (1925-2008), later hoogleraar en gevierd en gevreesd columnist, die in 1955, in een tijd van optimistisch modernisme, betoogde dat "de wijkgedachte" achterhaald was. In zijn Wijk en stad: reële integratiekaders? probeerde hij de "romantische visie" uit te bannen dat de buurt nog een sociale functie zou kunnen hebben.

Als je het betoog nu terugleest, dan merk je op dat het nog best genuanceerd is. Maar dat is minder het geval met de invloed die het heeft uitgeoefend. In de sociologie en in het beleid is er vaak naar verwezen als het afdoende "bewijs" dat mensen hun buurt als bron van sociale contacten niet meer nodig hebben. Geleerd gezegd: de ouderwetse territoriale integratie heeft definitief plaats gemaakt voor de moderne functionele integratie. In concreto betekende dat dat mensen hun contacten wel uit hun werk halen. Daar zijn medebuurtbewoners niet meer voor nodig.

En dat was ook een ontwikkeling die diende te worden toegejuicht. Die romantische, territoriale contacten, die waren maar benauwend en controlerend. Het was modern om meer "geobjectiveerde" contacten te hebben. Die term haalde Van Doorn bij Karl Mannheim (1893-1947) vandaan, overigens een interessant man, maar nu totaal vergeten. Dat "geobjectiveerd" betekent in feite: oppervlakkig en, jawel, functioneel.

Hadden mensen dan geen persoonlijke en meer diepgaande contacten nodig? Jawel, maar die vonden ze in het eigen gezin en dat was voldoende. Van Doorn spreekt ook over "gezinsindividualisme", wat hij niet ziet als een sociaal probleem. Ik kan het niet laten om een citaat op te nemen:
Wanneer men zich op het standpunt stelt, dat dit gezinsindividualisme niet op een moreel verval wijst, maar een van de symptomen is van een algemene tendentie in de samenleving, en dat er bovendien geen reden is om te veronderstellen dat dit gezinsisolationisme spanningen of conflicten oproept, kan men inderdaad niet van een zodanig sociaal knelpunt spreken.
Duidelijker vind je niet het optimisme van de na-oorlogse sociologie verwoord. Het optimisme van de individualistische maatschappij waarin geen eenzaamheid zou bestaan, waarin mensen tevreden zouden zijn in hun sociaal geïsoleerde gezinnetje en met voor de rest alleen die geobjectiveerde contacten. Het was een sociologie die nooit problemen zag ontstaan. Want de maatschappij verandert en mensen zijn zo flexibel dat ze zich aan elke verandering succesvol aanpassen. Zie ook Om mens en menselijkheid - Over sociologie.

Hoe anders kijken we daar nu tegenaan!

En hoe anders is de feitelijke ontwikkeling geweest. Een ontwikkeling van alleen maar groeiende aandacht voor het sociale belang van de buurt. En voor het belang van sociale contacten voor welzijn en gezondheid.

Het lijkt er op dat die ontwikkeling nu uitmondt in een beweging om dat sociale belang van de buurt ook institutioneel vorm te geven. Vandaar vandaag die commissievergadering in de Tweede Kamer over buurtrechten.