Posts tonen met het label zelfverheffing. Alle posts tonen
Posts tonen met het label zelfverheffing. Alle posts tonen

vrijdag 6 april 2018

Zelfverheffing is goed voor je, maar niet als het de narcistische variant is

We leven onder condities van sociale vluchtigheid. Vriendschappen zijn maar weinig stabiel. En daarnaast hebben we vaak wel veel contacten, maar die zijn vluchtig van aard. Dat is een sociale omgeving waarin mensen elkaar niet zo goed kennen, omdat ze niet een lange gemeenschappelijke geschiedenis hebben.

Hoe reageren mensen op sociale vluchtigheid. Enerzijds met pogingen om contacten met anderen aan te gaan en om die te intensiveren. Het gaat er dan om aantrekkelijk te zijn voor anderen, eventueel aantrekkelijker dan je misschien echt bent.

Maar anderzijds lokt sociale vluchtigheid ook gemakkelijk statuscompetitie uit. Anderen zijn tegenstanders in de strijd om status, bewondering en aandacht. In die strijd is het zaak om je sterk en competent voor te doen, sterker en competenter dan je misschien echt bent.

In beide gevallen kan het zijn dat je zelf ook gaat geloven in hoe je je voordoet. Omdat het lastig is altijd iets voor te wenden, ga je zelf geloven in wat je voorwendt te zijn. In de sociaalwetenschappelijke literatuur staat dat bekend als zelfverheffing (self-enhancement). Een extreme variant daarvan, waarbij je jezelf zo verheft dat je op anderen neerkijkt, is narcisme. Zie Narcisten hebben baat bij sociale vluchtigheid.

Is dat verstandig om te doen? In de zin dat je je er beter door voelt?

In zekere zin wel, want je kunt er in de statuscompetitie succes mee hebben. Zelf geloven dat je competent bent, maakt dat je zelfverzekerder overkomt, waardoor anderen gaan geloven dat je ook echt competent bent. Zie Als je maar denkt dat je geweldig bent, dan ga je je zo gedragen dat anderen ook denken dat je geweldig bent.

Maar anderzijds stort je je daarmee in de statuscompetitie en dat levert stress op.

Wat is er bekend over de welzijnseffecten van zelfverheffing? De nieuwe overzichtsstudie Self-Enhancement and Psychological Adjustment: A Meta-Analytic Review geeft daar een antwoord op.

Daaruit komt naar voren dat zelfverheffing goed voor je is in de zin dat je je er beter bij voelt (positive affect) en gelukkiger en tevredener met je leven. De onderzoekers zien dat als een bevestiging van de gedachte dat mensen een fundamentele behoefte hebben om goed over zichzelf te denken.

Maar hoe goed is het om jezelf te verheffen als je ook streeft naar goede relaties met anderen, naar verbondenheid? Als je die verbondenheid met anderen afmeet aan de mate waarin anderen jou waarderen of zich met jou verbonden voelen, dan blijkt dat jouw zelfverheffing, als die meer de kant op gaat van narcisme, juist slecht voor jou uitpakt. Je maakt er geen vrienden mee. Dan gaat het om  de variant van de agentic self-enhancement.

Dat positieve welzijnseffect lijkt dus vooral tot stand te komen door die andere variant van zelfverheffing: jezelf zien als aardiger, warmer, pro-socialer dan je misschien zelf bent (communal self-enhancement).

En dat zou kunnen wijzen op een sociaal selectieproces onder condities van sociale vluchtigheid. Narcistische zelfverheffing leidt er toe dat anderen zich van je afwenden, omdat ze doorhebben dat jij op hen neerkijkt. Daarentegen straal je met pro-sociale zelfverheffing uit dat je verbondenheid met anderen zoekt, waardoor contacten met gelijkgestemde anderen juist gemakkelijk tot stand komen.

woensdag 18 oktober 2017

Achter "Eigen volk eerst" gaat "Ik eerst" schuil - De Sociale Dominantie Oriëntatie en egoïsme gaan samen

Mensen met een hoge score op de Sociale Dominantie Oriëntatie (SDO) hebben sterk de neiging om de sociale wereld te zien als een statushiërarchie van groepen. In dat beeld behoren zij zelf tot de groep die bovenaan staat en dus superieur is aan alle anderen. Je SDO is hoger naarmate je het meer eens bent met uitspraken als:
  • Sommige groepen mensen zijn gewoon inferieur aan andere groepen
  • Het is oké als sommige groepen betere levenskansen hebben dan andere
  • Als bepaalde groepen meer hun plaats kenden, dan hadden we minder problemen
Je komt hogere scores op die SDO vooral tegen bij stemmers op rechts-extremistische partijen, zoals in Nederland bij PVV-stemmers. Zie PVV-stemmers willen overheersen - Over Sociale Dominantie, collectief narcisme en rechts-extremisme en Ongelijkheid verhoogt de Sociale Dominantie Oriëntatie en daarmee racisme, seksisme en anti-immigranten- en anti-uitkeringstrekkerssentiment.

De nieuwe studie More for Us or More for Me? Social Dominance as Parochial Egoism stelt de vraag aan de orde hoe je dat superioriteitsgevoel ten opzichte van de eigen groep (zoals "Eigen volk eerst") moet duiden. Gaat de neerbuigendheid en vijandigheid tegenover andere groepen juist samen met meer solidariteit en generositeit ten opzichte van leden van de eigen groep? Als dat zo zou zijn, dan kun je denken dat degenen met een hoge SDO even pro-sociaal zijn als anderen, maar dat bij hen die pro-socialiteit meer geconcentreerd is binnen de eigen groep.

Maar het zou ook kunnen zijn dat die SDO samengaat met een hoge individuele dominantie oriëntatie. Anders gezegd, binnen die eigen groep beschouwt iemand met een hoge SDO zichzelf als superieur aan anderen en is hij niet solidair maar integendeel egoïstisch. Het gaat dan dus om het willen overheersen, over andere groepen en over andere leden van de eigen groep. En het gaat om een algemene vijandigheidstrek, vijandig tegenover andere groepen en tegenover andere leden van de eigen groep.

Voor dat laatste zijn er al wel aanwijzingen. Want we weten al dat een hoge SDO-score samengaat met meer narcisme, Machiavellianisme en zelfverheffing en met minder empathie en altruïsme.

De resultaten van dit nieuwe onderzoek versterken deze aanwijzingen. In drie experimenten konden leden van een meerderheidsgroep (blanken in de V.S., Christenen in de V.S., Joden in Israël) keuzes maken tussen samenwerken met alleen leden van de eigen groep, met de eigen groep en met leden van de minderheidsgroep (zwarten in de V.S, Moslims in de V.S., Arabieren in Israël) en egoïstisch niet-samenwerken. Het ging steeds om keuzes in het kader van een zogenaamd meer-persoonsgevangendilemma. (Volg de link voor uitleg daarover.) Als de keuzes gemaakt waren, werd bij iedereen de SDO-test afgenomen.

Het bleek toen dat degenen met een hogere SDO-score zoals verwacht minder bereid waren om samen te werken met de minderheidsgroep. Dus inderdaad "Eigen volk eerst". Waren ze dan juist meer bereid om met de eigen groep samen te werken? Nee, dat bleek niet het geval. Met betrekking tot de eigen groep waren ze net zo egoïstisch of coöperatief als degenen met een lagere SDO. Update. Anders en misschien duidelijker gezegd: hun weerzin tegen samenwerking met leden van de minderheidsgroep werd niet gecompenseerd door hun grotere bereidheid om met leden van de eigen groep samen te werken.

Conclusie van de onderzoekers:
These findings shed new light on the claim that individuals higher in SDO view the world as a competitive jungle governed by “ruthless, amoral struggle for resources and power in which might is right and winning is everything” (Duckitt, Wagner, du Plessis, & Birum, 2002, p. 92). Specifically, they show that, at the intergroup level, these perceptions fuel ideological support of intergroup hierarchy, while at the intragroup level, they seem to fuel behavioral selfishness. The covariation of these ideological and behavioral tendencies gives rise to the pattern we labeled parochial egoism.

donderdag 5 juni 2014

Overdrijven we hoe gelukkig we zijn?

Als je gevraagd zou worden om aan te geven hoe gelukkig je bent op een schaal van 1 tot 10, dan is de kans groot dat je jezelf een cijfer geeft in de buurt van de 7,5. Dat is de gemiddelde score voor geluk die Nederlanders zichzelf geven en daarmee staan wij op de vierde plaats van de rangorde van landen naar gemiddeld geluk, volgens het World Happiness Report 2013.

Opvallend is dat de noordelijke en westelijke Europese landen en landen als Canada en Australië hoog in die rangorde staan. Dat kan er aan liggen dat deze landen een behoorlijke verzorgingsstaat hebben en we weten dat de verzorgingsstaat bijdraagt aan de tevredenheid met het leven.

Maar het zou daarnaast ook kunnen liggen aan de individualistische cultuur in deze landen. Want in een individualistische cultuur zijn mensen meer bezig met statuscompetitie. Dat wil zeggen dat ze zichzelf veel met anderen vergelijken, dat ze proberen om op anderen indruk te maken en zich beter voor te doen dan ze werkelijk zijn. En dat lijkt er mee samen te gaan dat ze geluk meer als een individueel kenmerk opvatten dan mensen doen in meer collectivistische culturen. Ik citeer mezelf (Wat is geluk? Culturele verschillen):
Mensen die in de Europees-Amerikaanse, individualistische cultuur opgroeien, zien de persoon als een onafhankelijk iemand die anderen beïnvloedt. En ze zien geluk als samenhangend met hoe goed je over jezelf denkt (self-esteem), met hoe optimistisch je bent en met het nastreven van het eigen geluk. Geluk is dus altijd subjectief en persoonlijk.

Daarentegen zien mensen uit de Oost-Aziatische, collectivistische cultuur de persoon als een met anderen wederzijds verbonden iemand die zich aan anderen aanpast. Geluk hangt niet samen met hoe goed je over jezelf denkt, maar juist met zelfkritiek en discipline. Die kritische houding ten opzichte van zichzelf leidt tot onderlinge sympathie en dus tot onderlinge verbondenheid. Daardoor is geluk altijd meer relationeel, intersubjectief, gemeenschapsgebonden en collectief.
Dat doet vermoeden dat wij Nederlanders, individualistisch als we zijn, de neiging hebben tot zelfverheffing. En daarmee ook de neiging om te overdrijven hoe gelukkig we zijn. We zouden het niet kunnen verdragen om minder gelukkig te zijn dan anderen. Vandaar misschien dat nogal hoge rapportcijfer.

 Uit het nieuwe onderzoek Motivated Happiness: Self-Enhancement Inflates Self-Reported Subjective Well-Being blijkt inderdaad dat mensen die meer geneigd zijn tot zelfverheffing ook zichzelf sterker zien als meer dan gemiddeld gelukkig en tevreden met het leven. Die neiging tot zelfverheffing werd gemeten met de self-deceptive enhancement schaal, bestaande uit stellingen als "Ik ben een volledig rationeel persoon", waarvan je moet aangeven hoe eens of oneens je het er mee bent. Hoe hoger je scoort, hoe meer je jezelf onrealistisch positief beoordeelt. (Ik zocht de volledige schaal op internet, maar hij blijkt alleen op commerciële basis te worden verstrekt.) O ja, ik zag ergens dat er inderdaad de samenhang is met narcisme die je zou verwachten.

Zelfverheffing blijkt zelfs een sterke voorspeller te zijn van (zelf gerapporteerd) geluk. Dat zou je natuurlijk ook zo kunnen opvatten dat zelfverheffing misschien wel echt gelukkiger maakt. Zeker in een cultuur waarin zelfverheffing de norm is. Misschien is zelfverheffing wel een authentiek bestanddeel van geluk.

Maar dat is nog maar de vraag. Want de onderzoekers laten ook zien dat mensen zich laten beïnvloeden door wetenschappelijke informatie over de wenselijkheid en de voordelen van het je gelukkig voelen. Mensen die die informatie kregen, gaven daarna aan zich sterker meer dan gemiddeld gelukkig te voelen dan mensen die die informatie niet hadden gekregen.

Kennelijk schroef je je rapportcijfer voor geluk op als je hoort dat gelukkig zijn zo belangrijk is. En dus waarschijnlijk ook in een cultuur waarin je gelukkig hoort te zijn, omdat je anders misschien als een loser wordt gezien. Dat we ons geluk overdrijven, ja, daar zit wel wat in.

vrijdag 3 januari 2014

Juist in individualistische cultuur meer geneigdheid tot "eigen volk eerst"

In individualistische culturen, zoals de Noord-Amerikaanse en West-Europese, zien mensen zichzelf meer als een zelfstandige persoon dan in collectivistische culturen, zoals de Zuid-oost Aziatische, waar mensen zichzelf meer als lid van een groep beschouwen.

Daarmee hangt samen dat mensen in individualistische culturen meer geneigd zijn tot zelfverheffing (en narcisme), terwijl bescheidenheid vooropstaat in collectivistische culturen. In het eerste geval denk je dat het goed is om je beter voor te doen dan je bent, terwijl je in het tweede geval juist wilt voorkomen dat anderen je een opschepper vinden. Zie ook nog eens het bericht Bescheidenheid en zelfverheffing als collectief gedrag.

Die bescheidenheid in die collectivistische cultuur lijkt er toe te dienen om jezelf vooral als lid van de groep te presenteren. En die zelfverheffing juist om uit te dragen dat je een uniek individu bent. Zie de studie Individualism and Collectivism: Cross-Cultural Perspectives on Self-Ingroup Relationships (pdf) voor meer informatie over deze culturele verschillen.

Op grond van dit alles zou je kunnen verwachten dat het lid zijn van een groep, het ergens bij horen, voor mensen uit collectivistische culturen meer betekenis heeft, en meer consequenties heeft, dan voor mensen uit individualistische culturen. Maar is dat wel zo?

In de nieuwe studie Cultural Variation in the Minimal Group Effect (betaalpoort) vergeleken de onderzoekers de mate waarin bij Japanners en bij Amerikanen het zogenaamde minimale groepseffect optreedt. Dat werd voor het eerst onderzocht door Henri Tajfel, die zijn proefpersonen, die elkaar niet kenden, op een onbeduidend criterium indeelde in twee groepen en onderzocht wat de effecten daarvan waren op houdingen en gedrag tegenover de eigen en de andere groep. Zo een criterium was bijvoorbeeld welke van twee schilderijen van Kandinsky, een overwegend groen of een overwegend blauw, je het mooiste vindt.

In deze nieuwe studie gebruikten de onderzoekers ook precies dat criterium om de deelnemers aan het onderzoek, dat via internet werd uitgevoerd, te categoriseren. Je kreeg dus te weten dat je was ingedeeld in de Groene dan wel in de Blauwe groep, afhankelijk van welk schilderij je het mooiste vond. Daaraan werd toegevoegd dat er ook andere overeenkomsten tussen de groepsleden zouden kunnen bestaan, zoals overeenkomsten in denkstijl. Wat waren de consequenties daarvan en hoe verschilden die tussen Japanners en Amerikanen?

Het bleek toen dat:
  • de Amerikanen zich meer dan de Japanners:met hun groep identificeerden en de band met de andere groepsleden als sterker ervoeren
  • de Amerikanen hun eigen groepsleden als intelligenter inschatten, terwijl dit bij de Japanners niet het geval was
  • de Amerikanen meer dan de Japanners hun eigen groepsleden op allerlei persoonlijkheidskenmerken als gunstiger inschatten dan de leden van de andere groep
  • de Amerikanen een bedrag aan geld dat ze mochten verdelen meer aan de eigen groepsleden toewezen, terwijl de Japanners het gelijk over beide groepen verdeelden
Het minimale groepseffect (de in-group bias) trad dus juist meer op bij de Amerikanen dan bij de Japanners. Populair gezegd, geldt dus voor de individualistische cultuur meer het "eigen volk eerst" dan voor de collectivistische cultuur. Tegengesteld aan wat je misschien verwacht had.

Hoe kan dat? De onderzoekers kunnen laten zien dat de gevonden verbanden voor een deel verklaard worden door de grotere mate van zelfverheffing bij de Amerikanen en door de grotere neiging van hen om de relatie tussen beide groepen als competitief te zien.

Blijkbaar maakt het opgroeien in een individualistische cultuur, waarin je niet als vanzelfsprekend lid van een groep bent en dat ook niet zo ervaart, dat je ook een onbeduidende kans om toch lid van een groep te zijn aangrijpt om je als lid van die groep te gedragen. Om je er mee te identificeren, om je eigen mensen als slimmer en beter te beoordelen en om hen te bevoordelen.

Dat wijst, lijkt me, op de gevaren die inherent zijn aan individualisme. Dat gemis aan de groepservaring leidt er kennelijk toe dat we onbeduidende groepsgrenzen al te gemakkelijk aangrijpen. Die individualistische cultuur, dat is historisch gezien misschien wel een riskant experiment.

maandag 8 oktober 2012

Als je maar denkt dat je geweldig bent, dan ga je je zo gedragen dat anderen ook denken dat je geweldig bent

Is zelfoverschatting (overconfidence) een goed wapen in de statuscompetitie? En is het in de strijd brengen van dat wapen uiteindelijk wel goed voor je? Of levert het zoveel stress op dat je er maar beter van af kunt zien?

In het vorige bericht dat aan deze vragen was gewijd, vermeldde ik hoe zelfoverschatting precies gemeten was in het onderzoek waaruit bleek dat het inderdaad behulpzaam is in de statuscompetitie. De meest voor de hand liggende meting was dat je mensen hun prestaties laat inschatten in vergelijking met de prestaties van anderen. De mate waarin je je eigen prestaties ten onrechte hoger inschat dan die van anderen, is dan de mate van zelfoverschatting. Stel dat je denkt dat je bij de beste 10 procent hoort, terwijl je in werkelijkheid minder dan het gemiddelde scoorde, dan overschat je je zelf in hoge mate,

De tweede van de drie metingen bestond er uit dat je van een lijst met items als beroemde namen, gebeurtenissen en kledingmerken moest aangeven welke je kende en welke niet. Hoe meer je aangeeft dat je de "valse", niet echt bestaande, items toch kent, hoe hoger jouw zelfoverschatting.

En in de derde meting hield in dat mensen een overdreven positieve uitslag kregen van hun prestaties.

Nu kun je je afvragen of hier nu wel drie keer hetzelfde wordt gemeten. Maar daar gaat het nu niet om en het gaat er ook niet om wat de beste meting is. Want hoe dan ook, in alle drie de gevallen werden de mensen die zichzelf overschatten, op grond van hun gedrag door anderen als competenter beoordeeld. Ook kregen ze een hogere status toegewezen, in de zin dat ze meer werden gezien als personen die respect en bewondering verdienen en die meer aan de besluitvorming hadden bijgedragen.

Mensen die dus hun eigen prestaties of hun eigen kennis overschatten, ook als ze dat doen op basis van verkeerde informatie, zijn succesvoller in de statuscompetitie. Ze weten meer indruk te maken op anderen. Dat is curieus. Want terwijl je bij die eerste twee vormen van zelfoverschatting nog kunt denken aan een achterliggend persoonlijkheidskenmerk, zoiets als narcisme, dat met gedrag samenhangt dat status afdwingt, kan er bij die derde vorm geen sprake zijn van een achterliggende persoonlijkheid. Je wordt alleen maar in de waan gebracht dat je geweldig gepresteerd hebt. En dat brengt ook dat status afdwingende gedrag teweeg. Als je maar denkt dat je geweldig bent, dan ga je je zo gedragen dat anderen ook denken dat je geweldig bent. Hm.

Maar of dat uiteindelijk goed voor je is?

zaterdag 6 oktober 2012

Wat doen die mensen precies, die zich zelf als beter inschatten dan ze werkelijk zijn?

Mensen die zich zelf als beter inschatten dan ze werkelijk zijn, slagen er in om zichzelf zo voor te doen dat ze ook inderdaad door anderen als competenter worden beoordeeld. En daardoor zijn ze succesvoller in de statuscompetitie dan anderen. Dat wil zeggen dat ze een hogere status weten te verwerven. In dit bericht maakte ik daar melding van en ik besloot met:
Het jezelf verheffen en je beter inschatten dan je in feite bent, lijkt een levenswijze die niet gemakkelijk steeds is vol te houden. En dat is ook zo, want statuscompetitie levert stress op.
Die laatste passage leverde een reactie op van Rita Smaniotto (zie dit bericht), die aanwijzingen noemde dat het misschien beter is om een te rooskleurig beeld van jezelf te hebben dan een realistisch beeld. Ze verwees naar een onderzoek waarvan in de Labyrint-documentaire over zelfbedrog verslag werd gedaan. Het ging om mensen met de zeldzame, ingebeelde lelijkheidsziekte (Body Dismorphic Disorder) die heel goed in staat waren om uit 10 portretfoto's van henzelf, waarvan er 9 gemanipuleerd waren om het gezicht er iets mooier of lelijker uit te laten zien, de realistische foto aan te wijzen. Dit in tegenstelling tot een controlegroep van mensen zonder die ziekte, die stelselmatig een mooiere foto van zichzelf aanwezen.

Kun je daaruit concluderen dat je maar beter een wat rooskleuriger beeld van je zelf kunt hebben? In plaats van een realistisch beeld? Dat lijkt me niet. Want de tegenwerping ligt voor de hand: dat mensen met die ziekte (BDD) een realistisch beeld hebben van zichzelf betekent nog niet dat mensen die een realistisch beeld hebben van zichzelf ook die ziekte hebben. Anders gezegd: moet je ook niet kijken naar die controlegroep en daarbinnen degenen met een rooskleuriger zelfbeeld vergelijken met een realistischer zelfbeeld? Het zou goed kunnen dat degenen met een rooskleuriger beeld meer stress ervaren dan degenen met een realistisch zelfbeeld. Maar of dat zo is, dat weten we dus (nog) niet.

Ik ben nog op zoek naar onderzoek dat hierover meer uitsluitsel kan geven, maar vroeg me ondertussen af wat we precies bedoelen met het je zelf als beter inschatten dan je bent. Wat is dat precies voor gedrag? In dat onderzoek waarmee de discussie begon (hier te vinden), wordt het overconfidence genoemd en dat slaat op het overconfidence effect, de systematische fout dat jouw subjectieve beoordeling van de waarschijnlijkheid dat jouw antwoord op een vraag correct is, groter is dan de objectieve waarschijnlijkheid. Je bent bijvoorbeeld "voor 99 procent zeker" dat jouw antwoorden op de gestelde quizvragen correct zijn, terwijl je 40 procent van de vragen onjuist hebt beantwoord. Zie verder Wikipedia over het overconfidence effect.

Hoe is dan in dat onderzoek die systematisch fout gemeten? Dat geeft het meest concreet aan waar we het over hebben. Het onderzoek bestond uit 6 studies, maar alleen in de eerste 5 werd een maat voor overconfidence gebruikt. Er blijven dan drie soorten maten over.

In Studies 1, 4  en 5 moesten de proefpersonen een opdracht uitvoeren en vervolgens aangeven hoe goed ze dachten de opdracht te hebben uitgevoerd in vergelijking met de anderen. Degenen die zich ten onrechte hoger inschatten dan het gemiddelde van de anderen, schatten zichzelf dus als beter in dan ze in werkelijkheid waren.

In Studie 2 moesten de proefpersonen de Over-Claiming Questionnaire invullen, een lijst met items als beroemde namen, gebeurtenissen en kledingmerken, waarvan je moet aangeven welke items jou bekend zijn en welke niet. In die lijst komen enkele niet echt bestaande items voor. Hoe meer je aangeeft ook die niet-bestaande items te kennen, hoe hoger de overschatting van jouw kennis.

In Studie 3 werden de proefpersonen gemanipuleerd om wel of niet een hoge mate van overconfidence te hebben. Een hoge mate werd zo gemanipuleerd dat je een overdreven positieve uitslag kreeg van een opdracht die je had uitgevoerd. Het werd je dus voorgespiegeld dat je een uitstekende prestatie had geleverd.

Het is, lijkt me, toch de vraag of hier wel drie keer hetzelfde concept wordt gemeten. De eerste maat lijkt mij  het meest valide, dat wil zeggen, het meest overeenkomend met "jezelf beter inschatten dan je in werkelijkheid bent, in vergelijking met anderen". De tweede maat lijkt me meer te slaan op hoe moeilijk je het vindt om toe te geven dat je iets niet weet. En de derde? Ik weet het eigenlijk niet....

donderdag 4 oktober 2012

Is het goed of slecht om jezelf beter in te schatten dan je bent?

Rita Smaniotto reageerde op het bericht Jezelf beter inschatten dan je bent, helpt in de statuscompetitie met deze email:

Hoi Henk,

Dit is precies wat Trivers zegt over self-deception. Hij heeft het alleen niet over culturele verschillen. Een leuk voorbeeld dat hij geeft: 60%(?) van de wetenschappers beschouwt zichzelf als behorend bij de beste 10% op zijn haar vakgebied.

De laatste zin klopt volgens mij niet helemaal: als je ertoe in staat bent is het heel gunstig om jezelf stelselmatig beter in te schatten dan anderen: het maakt de statuscompetitie gemakkelijker en stressloos (jij bent immers gewoon de beste). (Ik ken wel een paar mensen voor wie dat zo geldt). Het probleem is dat niet iedereen even goed in staat is tot zelf-deceptie (vooral vrouwen kunnen het minder goed) en dat de gevolgen op collectief niveau niet altijd zo gunstig zijn.

Groet,
Rita

De verwijzing naar Trivers is naar de Labyrinth-documentaire Het nut van zelfbedrog (hier te zien) naar aanleiding van het boek van Robert Trivers over zelf-deceptie, die op 19 september op televisie te zien was. (Het ging om 94 procent van de hoogleraren die zichzelf tot de beste 50 procent rekenen.)

Mijn antwoord was:

Hoi Rita,

Je kunt gelijk hebben als je het stelselmatig te hoog inschatten van jezelf vergelijkt met het je stelselmatig te laag inschatten. Maar klopt het ook in vergelijking met je zelf goed inschatten, dus met een realistisch zelfbeeld? En het is de vraag of het wel zo stressloos is. Ik denk aan die twee typen narcisten, het kwetsbare en het grandioze. Die kwetsbare narcist moet zich behoorlijk inspannen om zijn overdreven positieve zelfbeeld in stand te houden, tegen allerlei negatieve aanwijzingen in. En die grandioze narcist? Ja, die komt vroeg of laat ten val. Maar inderdaad, dat kan laat zijn. En bedenk ook dat narcisten weinig goede vriendschappen hebben (moet ik nakijken).

Groet,
Henk

Maar daar kwam weer dit tegenantwoord op:

Hoi Henk,

Dat is interessant: de vraag of het realistisch inschatten van jezelf uiteindelijk het beste is. In diezelfde aflevering van Labyrinth waarin Trivers werd geinterviewd werd ook een experiment behandeld over zelf-deceptie op het gebied van schoonheid. Mensen met - hoe heet die ziekte, als je denkt dat je heel erg lelijk bent?- werden vergeleken met een controlegroep van gewone mensen.  Voor het experiment waren er portretfoto's van elke proefpersoon genomen die met de computer mooier en lelijker waren gemaakt (zodanig dat er een rij van 10 fototootjes ontstond van mooiere en lelijkere jij-en). De proefpersonen moesten kiezen welke foto echt van hen was. Uit het onderzoek bleek dat mensen in de controlegroep stelselmatig een mooiere foto van zichzelf uitkozen. De zieke mensen daarentegen kozen de echte foto. Zij bleken dus een realistisch beeld van zichzelf te hebben. Oftewel: is een realistisch zelfbeeld hebben wel zo gunstig?

Groet,
Rita

Ja, is een realistisch zelfbeeld hebben wel zo gunstig? Ik ga nog eens op zoek naar meer antwoorden. In ieder geval nog weer eens kijken naar The Narcissism Epidemic. Living in the Age of Entitlement van Jean M. Twenge en W. Keith Campbell, waar, als ik mij goed herinner, met kracht van argumenten aangeraden wordt om realistisch naar je zelf te kijken. Komt terug.


woensdag 3 oktober 2012

Jezelf beter inschatten dan je bent, helpt in de statuscompetitie

Mensen kunnen bescheiden zijn, maar ze kunnen zich ook op de borst slaan en zichzelf als beter inschatten dan ze in werkelijkheid zijn. Daar zit een collectieve of culturele kant aan, in die zin dat bescheidenheid meer voorkomt als anderen ook bescheiden zijn en zelfverheffing meer als anderen ook zichzelf verheffen. Zie eerder dit bericht.

Het zou kunnen dat die zelfverheffingscultuur, die meer aanwezig is in West-Europa en  Noord-Amerika, er mee samenhangt dat mensen meer in hun sociale omgeving met statuscompetitie te maken hebben. Kan het zijn dat het jezelf inschatten als beter dan anderen, wat vaardigheden en kennis betreft, een middel is dat helpt om status te verwerven en te klimmen in de statushiërarchie? En omdat zelfverheffing een narcistische trek is, moet je wat narcistisch zijn om succes te hebben in de statuscompetitie?

Volgens dit recente onderzoek van Cameron Anderson, Sebastien Brion, Don Moore en Jessica Kennedy, ondertussen verschenen in de Journal of Personality and Social Psychology, is dat inderdaad zo. Mensen die zichzelf, ten onrechte, als beter inschatten dan anderen blijken zich zo te gedragen dat ze door anderen ook als competenter worden beoordeeld. Het gaat dan om gedrag als meer het woord voeren, vaker als eerste het woord nemen, zelfverzekerder spreken, kalmer en rustiger lijken te zijn en meer ruimte innemen.

En het blijkt dat mensen die meer gericht zijn op statusverwerving, vanuit zichzelf of doordat ze subtiel op de voordelen van statusverwerving zijn gewezen, ook meer bezig zijn met zich beter voor te doen dan ze zijn.

Het jezelf verheffen en je beter inschatten dan je in feite bent, lijkt een levenswijze die niet gemakkelijk steeds is vol te houden. En dat is ook zo, want statuscompetitie levert stress op. Zie ook:

De gezondheidsschade van inkomensongelijkheid
Wie zijn het meest gestresst?
We leven langer. Maar ook langer met meer stress?
De stress van statuscompetitie en eenzaamheid

vrijdag 17 augustus 2012

Bescheidenheid en zelfverheffing als collectief gedrag

Een bekend inzicht uit het cultureel-psychologisch onderzoek is dat bescheidenheid (of nederigheid) en zelfverheffing cultureel gebonden gedragingen zijn. Noord-Amerikanen en West-Europeanen zijn geneigd tot zelfverheffing, dat wil zeggen tot het hoog inschatten van de eigen vaardigheden. Daarentegen schatten Oost-Aziaten hun eigen prestaties liever in als minder goed dan die van anderen. Ze zijn dus juist bescheiden of nederig. Dit culturele verschil komt natuurlijk ergens vandaan en in dit eerdere bericht besprak ik onderzoek waaruit blijkt dat het (ook) samenhangt met de mate van inkomensongelijkheid in een land. Hoe ongelijker de inkomensverdeling, hoe meer de statuscompetitie domineert in de onderlinge contacten en hoe belangrijker het is om je niet minder voor te doen dan je bent. Dus eerder zelfverheffing dan bescheidenheid.

Hoe dan ook, waar ook de achterliggende oorzaak ligt, het blijkt dat deze twee verschillende gedragspatronen niet zomaar individueel gekozen worden. Ze komen collectief tot stand: in een sociale omgeving waarin anderen bescheiden zijn, kun je dat zelf ook gemakkelijk zijn en lijkt het ook raadzaam om het te zijn, omdat zelfverheffing door anderen niet gewaardeerd zou worden. Andersom: in een sociale omgeving waarin anderen zich zelf verheffen, zich op de borst kloppen, daar zou nederigheid en bescheidenheid niet in jouw voordeel zijn. Anderen zouden je niet zien staan. Update. We hebben het hier natuurlijk over een toestand van statuscompetitie.

Zoals in veel zaken is hier dus een belangrijke rol weggelegd voor sociale beïnvloeding. En daar kan een strategisch element in meespelen. Je bent zowel in staat tot bescheidenheid als tot zelfverheffing, maar bij het bepalen van je gedrag, hou je er rekening mee hoe anderen zich opstellen. De mate waarin die strategie bewust of onbewust wordt uitgevoerd, is een tweede. (Zie ook nog eens dit bericht over de Dual-Mode theorie.)

Een aanwijzing voor dat strategische element is dit onderzoek van o.a. Toshio Yamagishi en Karen S. Cook, twee bekende namen in de sociale psychologie, dat al in maart van dit jaar verscheen, maar dat ik nu pas onder ogen kreeg. De onderzoekers lieten Amerikanen en Japanners inschatten hoe ze hadden gescoord op een test, onder of boven het gemiddelde. Toen bleek inderdaad dat meer Amerikanen (52%) dan Japanners (28%) hun eigen score hoger inschatten dan het gemiddelde, wat al eerder was gevonden.

Vervolgens lieten ze twee andere groepen dezelfde inschatting doen, maar dan met de mededeling dat ze een beloning zouden krijgen als ze hun eigen score correct zouden inschatten. En toen bleek het culturele verschil te verdwijnen. Ongeveer twee derde van zowel de Japanners als de Amerikanen schatten zichzelf in als hoger dan het gemiddelde.

Als je dus geneigd bent tot bescheidenheid, dan valt het effect daarvan weg als je gevraagd wordt om je eigen prestatie zo correct mogelijk in te schatten en daarvoor ook beloond wordt. De vrees voor negatieve reacties van anderen op wat zij als zelfverheffing zouden kunnen zien, valt dan weg. Je bent gelegitimeerd om niet bescheiden te zijn. Dat wijst er dus op dat in die gevallen waarin je wel bescheiden bent, je eigenlijk wel weet dat je dat bent. Dat het dus strategisch gedrag is, een aanpassing aan je sociale omgeving.

maandag 10 oktober 2011

Is inkomensongelijkheid slecht omdat hij statuscompetitie aanwakkert?

De aanwijzingen dat grote inkomensverschillen negatieve sociale gevolgen hebben zijn talrijk en, als ik het goed zie, nauwelijks meer omstreden. Wilkinson en Pickett vatten in 2009 de toen beschikbare inzichten samen in het boek The Spirit Level. Why more equal societies almost always do better. Inkomensongelijkheid gaat samen met minder sociale contacten, meer psychische en fysieke gezondheidsproblemen, lagere onderwijsprestaties, meer geweldsmisdrijven en minder gelijke kansen.

Het zou kunnen dat deze negatieve gevolgen tot stand komen doordat grote inkomensverschillen de statuscompetitie aanwakkeren. Een bekende aanwijzing daarvoor uit een onderzoek uit 1997 is dat in landen met grotere inkomensverschillen mensen minder sociale contacten hebben en elkaar minder vertrouwen en dat langs die weg de gezondheid negatief wordt beïnvloed. Daar is nu een aanwijzing bijgekomen. Uit een pas verschenen studie blijkt dat bewoners van landen met grotere inkomensongelijkheid meer de neiging hebben om hun eigen kwaliteiten in vergelijking met die van anderen te benadrukken en te overdrijven (self-enhancement; te vertalen als zelfverheffing?). Ze zijn minder bescheiden en zijn meer bezig met zich beter voor te doen dan ze waarschijnlijk zijn. Als je veel moet concurreren met anderen en er weinig onderling vertrouwen is, kun je maar beter proberen je zwakheden zoveel mogelijk te verbergen, zelfs voor jezelf.

De gedachte was dat de verschillen in de mate van zelfverheffing vooral een culturele achtergrond hebben. Mensen in meer individualistische (Westerse) landen zouden er meer last van hebben dan mensen in meer collectivistische (Oosterse) landen. Maar deze studie laat zien dat het meer ligt aan de achterliggende verschillen in inkomensongelijkheid.