Nu meer dan de helft van de wereldbevolking in steden woont, wordt de vraag dringender wat het wonen in de stad voor het sociale leven betekent. Gaat met de doorgaande verstedelijking ons sociale leven er op achteruit? Wordt onze sociale omgeving anoniemer?
Nieuw onderzoek, de studie The scaling of human interactions with city size (pdf), nu verschenen in de Journal of the Royal Society Interface, lijkt uit te wijzen dat het wel meevalt. (SpiegelOnline besteedt er vandaag aandacht aan.) De onderzoekers analyseerden mobiel telefoonverkeer in stedelijke gebieden in Portugal en Engeland en gingen na wat de effecten waren van de mate van stedelijkheid. Omdat dorpsbewoners in de bestanden ontbraken, kunnen ze dus alleen iets zeggen over of het iets uitmaakt of je in een kleine of grotere stad woont.
Het blijkt dan dat met de toename van de bevolkingsomvang van de stad waar je woont, ook het aantal contacten dat je hebt, toeneemt. Dat wil dus zeggen, het aantal anderen waar je telefoonverkeer mee uitwisselt. Daar mee neemt ook de totale hoeveelheid communicatie toe, in termen van aantal gesprekken en de totale tijd daaraan besteed. De omvang van het sociale netwerk lijkt dus groter te zijn in grotere steden dan in kleinere steden. Om een idee te geven van de grootte van het effect: bij een verdubbeling van de grootte van de stad neemt het aantal contacten gemiddeld met 12 procent toe. Anders dus dan je op het eerste gezicht zou denken.
Je zou je nog kunnen afvragen of die netwerken in de grotere steden minder dicht zijn, in de zin dat je wel veel contacten hebt, maar dat die contacten elkaar niet kennen. Dichtheid wordt vaak gezien als een kenmerk van sociale netwerken van dorpsbewoners: niet alleen ken je de anderen, maar die anderen kennen elkaar ook. In de Engelstalige literatuur heet dat een close-knit community. Het tegenovergestelde daarvan is een gefragmenteerd netwerk.
Maar dat gaat niet op. De netwerken van de grote stadsbewoners bleken even dicht te zijn dan die van de bewoners van de kleinere steden. De contacten waarmee ze belden, belden ook veel met elkaar. Blijkbaar slagen de grote stadsbewoners er goed in om hun eigen "dorp" te creëren. In een grote stad blijken dus veel "dorpen" te bestaan. Uiteraard hoeven die "dorpen" geen ruimtelijke concentratie te hebben en die hebben ze ook niet, tenminste niet zoals die van fysieke dorpen.
Maakt het dan voor het sociale leven geen verschil waar je woont? Dat is nog niet zomaar te concluderen. Want nog er van afgezien dat dorpsbewoners in dit onderzoek ontbreken, valt op dat die grotestadsbewoners zo veel bezig zijn met communicatie, dus met het onderhouden van die vele contacten die ze hebben. Dat kán er op duiden dat die contacten precair zijn, minder vanzelfsprekend. Ze kunnen ook weer wegvallen en dus doe je er goed aan om je daar tegen in te dekken en te proberen om meer contacten te onderhouden dan je anders zou doen. Je voelt je genoodzaakt om een soort sociale reserve in stand te houd, uit vrees voor verlies.
Dat zou er op kunnen duiden dat de sociale contacten van de grote stadsbewoners minder stabiel zijn. De kans dat ze weer wegvallen zou dan groter zijn dan in kleinere steden en in dorpen.
Of dat zo is, kan dit onderzoek niet uitwijzen. Aanwijzingen in deze richting komen wel uit ouder onderzoek. Ik doel op de studie Urban-rural differences in helping friends and family members (betaalpoort) van Paul Amato. Daaruit blijkt dat stadsbewoners meer hulp uitwisselen met vrienden dan dorpsbewoners, maar ook dat dat er vooral uit voortkomt dat ze gemiddeld verder van hun familie wonen. Ze zijn dus meer op vrienden aangewezen. Ook lijkt het uitwisselen van hulp tussen stadsbewoners meer berekenend te zijn, in de zin van "voor wat hoort wat". Dat wijst er inderdaad op dat het om meer precaire contacten gaat.
Misschien is juist dat het grote verschil tussen het sociale leven van het dorp en dat van de (grote) stad. Stadsbewoners hebben niet minder, nee, zelfs meer, sociale contacten, maar ze kunnen er minder op bouwen en vertrouwen.
En dat zou weer verklaren dat het stadsleven de kans op mentale stoornissen vergroot en dat dat verband zelfs sterker wordt. En dat het opgroeien in de stad nadelen heeft.
Kortom, we slagen er in de stad toch nog behoorlijk in om ons eigen "dorp" te creëren, maar tegen welke "prijs"?
Over een nieuw sociaalwetenschappelijk zicht op mens en maatschappij. En over de lange weg daarnaartoe.
Posts tonen met het label stad-platteland. Alle posts tonen
Posts tonen met het label stad-platteland. Alle posts tonen
dinsdag 8 juli 2014
woensdag 13 november 2013
Verklaart onze behoefte aan het spontane dat wij natuur en sociale contacten nodig hebben?
Hebben wij mensen een behoefte aan het spontane? En heeft dat er misschien iets mee te maken dat wij contact met de natuur en contact met andere mensen nodig hebben?
Deze vragen kwamen bij mij op door het onderzoek dat laat zien dat mensen minder kortzichtig worden na contact met de natuur te hebben gehad. Dit in vergelijking met contact met een gebouwde omgeving. Zie het bericht Contact met de natuur maakt minder kortzichtig.
En ook doordat ik daarna nog de studie Can Nature Make Us More Caring? Effects of Immersion in Nature on Intrinsic Aspirations and Generosity (pdf) tegenkwam, waaruit blijkt dat contact met de natuur onze intrinsieke motivaties verhoogt. Dat wil zeggen dat we meer gericht zijn op het ontwikkelen en onderhouden van goede contacten met anderen en meer op pro-sociaal gedrag en het welzijn van de gemeenschap om ons heen. Zulke intrinsieke motivaties zijn goed voor ons, want we ontlenen er energie aan, we voelen ons er beter door en we bevorderen er zelfs onze gezondheid mee. Dat alles in vergelijking met extrinsieke motivaties, zoals die naar rijkdom en beroemdheid, die juist slecht voor ons zijn en die door een stedelijke omgeving worden aangewakkerd.
Naast contact met de natuur is natuurlijk ook contact met andere mensen goed voor ons. Zie alle berichten op dit blog over sociale omgeving en gezondheid (klik op het label "gezondheid" in de rechterkolom).
Is er iets in ons dat maakt dat wij contact met de natuur en contact met andere mensen nodig hebben? Ik bedacht dat dat "iets" misschien wel onze behoefte aan het spontane is. Daarmee bedoel ik de behoefte aan het ervaren van verandering en ontwikkeling buiten ons die zich zonder ons toedoen voltrekken. Spontaan dus, in tegenstelling tot wat kunstmatig en gemaakt is.
In de natuur maken we mee wat zijn gang gaat, de loop van dag en nacht en van de seizoenen. Bij alles wat we zien, weten we dat het (kort) daarvoor anders was en dat het (kort) daarna ook weer anders zal zijn. En we zien ontwikkelingen op langere termijn, bomen die de zware storm niet hebben doorstaan, veranderingen van vegetatie. En als die processen ongestoord hun gang kunnen gaan, zoals in de "echte" wildernis, dan vinden we dat aangenamer en interessanter dan wanneer het om gemaakte of beheerste natuur gaat, zoals in parken en plantsoenen. Maar ook die laatste natuur is toch weer aangenamer en interessanter dan de gebouwde omgeving. Straten en gebouwen gaan niet hun eigen gang. Hoewel ze puur esthetisch mooi of lelijk kunnen zijn. Als ze esthetisch mooi zijn, vinden we dat even aangenaam, maar we ervaren geen spontane ontwikkeling en verandering.
Die zelfde ontwikkeling en spontaniteit ervaren we natuurlijk in de omgang met andere mensen. Net als de natuur, gaan ook andere mensen hun gang en als we ze na een tussenpoos weer tegenkomen, hebben ze ons iets te vertellen. Iets wat we zelf niet hadden bedacht en dat iets aan ons toevoegt.
Dát is er ook een oorzaak van dat we lang alleen zijn, laat staan eenzaamheid, zo slecht verdragen. Als je alleen woont en na een dag werken thuiskomt, is het toch even een onaangenaam gevoel te zien dat er sinds je vertrok in huis niets veranderd is. Alles ligt nog op dezelfde plek als waar je het 's ochtends achter liet. Er is niets spontaans buiten je zelf om gebeurd. Nog er van afgezien dat er niemand is die wat te vertellen heeft.
Wat we dan vaak doen is de televisie aanzetten. En raad eens, wat vinden we dan het leukst om naar te kijken? Andere mensen die praten, liefst de bekende gezichten, in talkshows, sitcoms, spelletjes en series. En: natuurprogramma's over imposante landschappen ver weg of over de wisseling van de seizoenen dicht bij huis. Denk maar even aan Vroege Vogels en aan BBC Nature. En natuurlijk aan die vele prachtige (!) series van David Attenborough.
En wat doen we in die gebouwde omgeving van de stad het liefst? Als we daar dan toch moeten zijn? Een "terrasje pakken" en naar andere mensen kijken. Andere mensen die hun eigen gang gaan, we raken er niet op uitgekeken.
Deze vragen kwamen bij mij op door het onderzoek dat laat zien dat mensen minder kortzichtig worden na contact met de natuur te hebben gehad. Dit in vergelijking met contact met een gebouwde omgeving. Zie het bericht Contact met de natuur maakt minder kortzichtig.
En ook doordat ik daarna nog de studie Can Nature Make Us More Caring? Effects of Immersion in Nature on Intrinsic Aspirations and Generosity (pdf) tegenkwam, waaruit blijkt dat contact met de natuur onze intrinsieke motivaties verhoogt. Dat wil zeggen dat we meer gericht zijn op het ontwikkelen en onderhouden van goede contacten met anderen en meer op pro-sociaal gedrag en het welzijn van de gemeenschap om ons heen. Zulke intrinsieke motivaties zijn goed voor ons, want we ontlenen er energie aan, we voelen ons er beter door en we bevorderen er zelfs onze gezondheid mee. Dat alles in vergelijking met extrinsieke motivaties, zoals die naar rijkdom en beroemdheid, die juist slecht voor ons zijn en die door een stedelijke omgeving worden aangewakkerd.
Naast contact met de natuur is natuurlijk ook contact met andere mensen goed voor ons. Zie alle berichten op dit blog over sociale omgeving en gezondheid (klik op het label "gezondheid" in de rechterkolom).
Is er iets in ons dat maakt dat wij contact met de natuur en contact met andere mensen nodig hebben? Ik bedacht dat dat "iets" misschien wel onze behoefte aan het spontane is. Daarmee bedoel ik de behoefte aan het ervaren van verandering en ontwikkeling buiten ons die zich zonder ons toedoen voltrekken. Spontaan dus, in tegenstelling tot wat kunstmatig en gemaakt is.
In de natuur maken we mee wat zijn gang gaat, de loop van dag en nacht en van de seizoenen. Bij alles wat we zien, weten we dat het (kort) daarvoor anders was en dat het (kort) daarna ook weer anders zal zijn. En we zien ontwikkelingen op langere termijn, bomen die de zware storm niet hebben doorstaan, veranderingen van vegetatie. En als die processen ongestoord hun gang kunnen gaan, zoals in de "echte" wildernis, dan vinden we dat aangenamer en interessanter dan wanneer het om gemaakte of beheerste natuur gaat, zoals in parken en plantsoenen. Maar ook die laatste natuur is toch weer aangenamer en interessanter dan de gebouwde omgeving. Straten en gebouwen gaan niet hun eigen gang. Hoewel ze puur esthetisch mooi of lelijk kunnen zijn. Als ze esthetisch mooi zijn, vinden we dat even aangenaam, maar we ervaren geen spontane ontwikkeling en verandering.
Die zelfde ontwikkeling en spontaniteit ervaren we natuurlijk in de omgang met andere mensen. Net als de natuur, gaan ook andere mensen hun gang en als we ze na een tussenpoos weer tegenkomen, hebben ze ons iets te vertellen. Iets wat we zelf niet hadden bedacht en dat iets aan ons toevoegt.
Dát is er ook een oorzaak van dat we lang alleen zijn, laat staan eenzaamheid, zo slecht verdragen. Als je alleen woont en na een dag werken thuiskomt, is het toch even een onaangenaam gevoel te zien dat er sinds je vertrok in huis niets veranderd is. Alles ligt nog op dezelfde plek als waar je het 's ochtends achter liet. Er is niets spontaans buiten je zelf om gebeurd. Nog er van afgezien dat er niemand is die wat te vertellen heeft.
Wat we dan vaak doen is de televisie aanzetten. En raad eens, wat vinden we dan het leukst om naar te kijken? Andere mensen die praten, liefst de bekende gezichten, in talkshows, sitcoms, spelletjes en series. En: natuurprogramma's over imposante landschappen ver weg of over de wisseling van de seizoenen dicht bij huis. Denk maar even aan Vroege Vogels en aan BBC Nature. En natuurlijk aan die vele prachtige (!) series van David Attenborough.
En wat doen we in die gebouwde omgeving van de stad het liefst? Als we daar dan toch moeten zijn? Een "terrasje pakken" en naar andere mensen kijken. Andere mensen die hun eigen gang gaan, we raken er niet op uitgekeken.
dinsdag 24 september 2013
Maak wat vaker een praatje, ook al is het met een vreemde, en je voelt je beter
Omdat onze hedendaagse sociale omgeving behoorlijk afwijkt van de Paleo Sociale Omgeving, waarin we altijd omgeven werden door vertrouwde anderen, weten we daar niet als vanzelf de goede weg in. We hebben bijvoorbeeld vaak interacties met vreemden. Maar we hebben niet een spontane, universele manier van omgang met vreemden tot onze beschikking.
Neem de omgang met dienstverleners, zoals winkelpersoneel of obers, of medepassagiers in het openbaar vervoer. We kunnen ons afstandelijk en terughoudend opstellen. Maar we kunnen ook een praatje proberen te maken en zo een heel klein beetje een persoonlijke relatie hebben. Waarin we wat uitwisselen, al was het maar meningen over het weer.
De ambiance waarin we het meest door vreemden omgeven zijn, is natuurlijk het grote stadsleven. En daarin zie je dat wij er doorgaans voor kiezen om afstandelijk en terughoudend te zijn. Je hebt zin in koffie en loopt een Starbucks binnen, bestelt de koffie en rekent af. Dat was het. Maar anders kan ook. Je maakt een praatje met de barista, maakt oogcontact en hebt het ergens over. Over wat zich op dat moment aandient. Maakt dat wat uit?
Ja, het onderzoek Is Efficiency Overrated?: Minimal Social Interactions Lead to Belonging and Positive Affect (betaalpoort) wijst uit dat mensen die een praatje met de barista hebben gemaakt, zich daarna beter voelen dan wanneer ze dat niet hadden gedaan. Mensen werd, voor ze de Starbucks binnen gingen, gevraagd of ze met een onderzoek mee wilden doen. Ze kregen oftewel de instructie om dat praatje te maken (de sociale conditie) oftewel de instructie om de transactie efficiënt te laten verlopen, hun geld gereed te hebben en een conversatie te vermijden (de efficiënte conditie). Ook kregen ze een vraag voorgelegd naar hun gebruikelijke interactiestijl, meer of minder sociabel, zodat daar in de statistische analyses rekening mee kon worden gehouden.
Nadat ze weer naar buiten kwamen, kregen ze, door een andere medewerker van het onderzoek, vragen voorgelegd over hoe ze zich voelden, namelijk de vragen van de Scale of Positive and Negative Emotions. Het blijkt dan dat degenen die geïnstrueerd waren om een praatje te maken, en dat ook bleken te hebben gedaan, meer positieve emoties en minder negatieve emoties voelden. En dat betere gevoel bleek er mee samen te hangen dat ze meer het gevoel hadden er bij te horen, dat ze minder afstand tot mensen voelden en dat ze zich minder een buitenstaander voelden. Ook waren ze tevredener met wat zich had afgespeeld.
Oké, als je je in dat stadsleven met al die vreemden om je heen, wat beter wilt voelen, maak dan wat vaker een praatje als de gelegenheid daartoe zich voordoet. Blijft natuurlijk het interessante gegeven dat wij dat niet al altijd en als vanzelf doen. Waarom iets aan je laten voorbijgaan waardoor je je beter voelt? Kennelijk is onze sociale natuur er niet op ingesteld. Misschien zijn we te vaak op onze hoede. Of zijn we bevreesd voor sociale flaters?
Trouwens, buiten dat drukke stadsleven zijn er natuurlijk allerlei ambiances waarin vreemden veel gemakkelijker elkaar groeten en tot een praatje komen. Als ik in het groen, even buiten de stad, wandelend een onbekend iemand tegenkom, is de kans behoorlijk groot dat we elkaar groeten of het zelfs even over het weer hebben.
En hoe sociaal zijn we ineens als we met zijn allen op natuurijs gaan schaatsen!
Neem de omgang met dienstverleners, zoals winkelpersoneel of obers, of medepassagiers in het openbaar vervoer. We kunnen ons afstandelijk en terughoudend opstellen. Maar we kunnen ook een praatje proberen te maken en zo een heel klein beetje een persoonlijke relatie hebben. Waarin we wat uitwisselen, al was het maar meningen over het weer.
De ambiance waarin we het meest door vreemden omgeven zijn, is natuurlijk het grote stadsleven. En daarin zie je dat wij er doorgaans voor kiezen om afstandelijk en terughoudend te zijn. Je hebt zin in koffie en loopt een Starbucks binnen, bestelt de koffie en rekent af. Dat was het. Maar anders kan ook. Je maakt een praatje met de barista, maakt oogcontact en hebt het ergens over. Over wat zich op dat moment aandient. Maakt dat wat uit?
Ja, het onderzoek Is Efficiency Overrated?: Minimal Social Interactions Lead to Belonging and Positive Affect (betaalpoort) wijst uit dat mensen die een praatje met de barista hebben gemaakt, zich daarna beter voelen dan wanneer ze dat niet hadden gedaan. Mensen werd, voor ze de Starbucks binnen gingen, gevraagd of ze met een onderzoek mee wilden doen. Ze kregen oftewel de instructie om dat praatje te maken (de sociale conditie) oftewel de instructie om de transactie efficiënt te laten verlopen, hun geld gereed te hebben en een conversatie te vermijden (de efficiënte conditie). Ook kregen ze een vraag voorgelegd naar hun gebruikelijke interactiestijl, meer of minder sociabel, zodat daar in de statistische analyses rekening mee kon worden gehouden.
Nadat ze weer naar buiten kwamen, kregen ze, door een andere medewerker van het onderzoek, vragen voorgelegd over hoe ze zich voelden, namelijk de vragen van de Scale of Positive and Negative Emotions. Het blijkt dan dat degenen die geïnstrueerd waren om een praatje te maken, en dat ook bleken te hebben gedaan, meer positieve emoties en minder negatieve emoties voelden. En dat betere gevoel bleek er mee samen te hangen dat ze meer het gevoel hadden er bij te horen, dat ze minder afstand tot mensen voelden en dat ze zich minder een buitenstaander voelden. Ook waren ze tevredener met wat zich had afgespeeld.
Oké, als je je in dat stadsleven met al die vreemden om je heen, wat beter wilt voelen, maak dan wat vaker een praatje als de gelegenheid daartoe zich voordoet. Blijft natuurlijk het interessante gegeven dat wij dat niet al altijd en als vanzelf doen. Waarom iets aan je laten voorbijgaan waardoor je je beter voelt? Kennelijk is onze sociale natuur er niet op ingesteld. Misschien zijn we te vaak op onze hoede. Of zijn we bevreesd voor sociale flaters?
Trouwens, buiten dat drukke stadsleven zijn er natuurlijk allerlei ambiances waarin vreemden veel gemakkelijker elkaar groeten en tot een praatje komen. Als ik in het groen, even buiten de stad, wandelend een onbekend iemand tegenkom, is de kans behoorlijk groot dat we elkaar groeten of het zelfs even over het weer hebben.
En hoe sociaal zijn we ineens als we met zijn allen op natuurijs gaan schaatsen!
donderdag 2 februari 2012
Gezondheid en sociale omgeving (4): maakt de buurt verschil?
In het vorige bericht in deze reeks hebben we gezien dat het meer beschikken over sociale relaties en vooral meer het gevoel hebben dat er anderen zijn waar je op kunt rekenen, bevorderlijk is voor gezondheid en levensduur. Omdat iedereen ergens woont, ligt de vraag voor de hand of het ook iets uitmaakt voor je gezondheid in wat voor buurt je woont. Is het beter om meer contacten te hebben met mede-buurtbewoners? Is het beter om in een buurt te wonen waar mensen elkaar kennen en waar mensen vriendelijk met elkaar omgaan? En waar een vriendelijke en sociale sfeer hangt? Of maakt dat niets uit en is de buurt niet (meer) belangrijk als bron van die sociale relaties?
Ja, er zijn duidelijke aanwijzingen dat het voor je gezondheid beter is om in zo een buurt te wonen. In dit onderzoek werd met een representatieve steekproef van 64.005 Nederlanders contact opgenomen, waarvan 56% bereid was om vragen te beantwoorden. Dit gebeurde in het kader van het WoonOnderzoek Nederland 2006. Mensen moesten aangeven met hoeveel buren en andere buurtbewoners ze contact hadden. En ze moesten de vragen hierboven beantwoorden over of mensen in hun buurt elkaar kenden en vriendelijk met elkaar omgingen. En de vraag of in de buurt een vriendelijke en sociale sfeer hing. De antwoorden op die vragen tezamen genomen, zijn een maat voor de sociale omgeving voorzover het om de eigen buurt gaat. Een hoge score op die maat betekent dat iemand een gunstiger sociale buurtomgeving heeft. Ook werd gevraagd hoe mensen hun eigen gezondheid beoordeelden.
Het blijkt dan dat het wonen in een gunstiger sociale buurtomgeving samengaat met een betere gezondheid. Ook als je statistisch gecontroleerd hebt voor persoonskenmerken als opleiding en inkomen en de staat van onderhoud van de woningen en gemiddelde sociaal-economische status van de buurt. Anders gezegd: als je met al die zaken rekening houdt, dan blijven er nog verschillen in gezondheid tussen mensen over en die hangen samen met de sociale buurtomgeving. Als je een meer dan gemiddeld sociaal gunstige buurtomgeving hebt, dan heb je een 6% hogere kans op een goede of zeer goede gezondheid. En het is plausibel om te denken dat die gunstige buurtomgeving ook echt bijdraagt aan die betere gezondheid.
Interessant is dat de onderzoekers ook de meer stedelijke buurten en de meer plattelandsbuurten hebben vergeleken. Denk aan mijn berichten over de nadelen (en voordelen) van het stadsleven, waarvan dit het laatste is. Uit dit onderzoek blijkt dat het stadsleven inderdaad minder gezond is dan het plattelandsleven: 79% van de stadsbewoners meldt een goede of zeer goede gezondheid tegenover 82% van de plattelandsbewoners. Bovendien geldt, zoals je zou verwachten, dat een gunstige sociale buurtomgeving in de stad minder voorkomt dan op het platteland.
Het maakt dus voor de gezondheid van mensen wel degelijk uit of ze wel of niet contacten in de buurt hebben, of de mensen in de buurt elkaar kennen en vriendelijk met elkaar omgaan en of er in de hun buurt een vriendelijke en sociale sfeer hangt. Er is trouwens meer onderzoek (in andere landen) dat in deze richting wijst. Maar dat het ook zo duidelijk voor Nederland is vastgesteld, lijkt me belangrijk.
Ja, er zijn duidelijke aanwijzingen dat het voor je gezondheid beter is om in zo een buurt te wonen. In dit onderzoek werd met een representatieve steekproef van 64.005 Nederlanders contact opgenomen, waarvan 56% bereid was om vragen te beantwoorden. Dit gebeurde in het kader van het WoonOnderzoek Nederland 2006. Mensen moesten aangeven met hoeveel buren en andere buurtbewoners ze contact hadden. En ze moesten de vragen hierboven beantwoorden over of mensen in hun buurt elkaar kenden en vriendelijk met elkaar omgingen. En de vraag of in de buurt een vriendelijke en sociale sfeer hing. De antwoorden op die vragen tezamen genomen, zijn een maat voor de sociale omgeving voorzover het om de eigen buurt gaat. Een hoge score op die maat betekent dat iemand een gunstiger sociale buurtomgeving heeft. Ook werd gevraagd hoe mensen hun eigen gezondheid beoordeelden.
Het blijkt dan dat het wonen in een gunstiger sociale buurtomgeving samengaat met een betere gezondheid. Ook als je statistisch gecontroleerd hebt voor persoonskenmerken als opleiding en inkomen en de staat van onderhoud van de woningen en gemiddelde sociaal-economische status van de buurt. Anders gezegd: als je met al die zaken rekening houdt, dan blijven er nog verschillen in gezondheid tussen mensen over en die hangen samen met de sociale buurtomgeving. Als je een meer dan gemiddeld sociaal gunstige buurtomgeving hebt, dan heb je een 6% hogere kans op een goede of zeer goede gezondheid. En het is plausibel om te denken dat die gunstige buurtomgeving ook echt bijdraagt aan die betere gezondheid.
Interessant is dat de onderzoekers ook de meer stedelijke buurten en de meer plattelandsbuurten hebben vergeleken. Denk aan mijn berichten over de nadelen (en voordelen) van het stadsleven, waarvan dit het laatste is. Uit dit onderzoek blijkt dat het stadsleven inderdaad minder gezond is dan het plattelandsleven: 79% van de stadsbewoners meldt een goede of zeer goede gezondheid tegenover 82% van de plattelandsbewoners. Bovendien geldt, zoals je zou verwachten, dat een gunstige sociale buurtomgeving in de stad minder voorkomt dan op het platteland.
Het maakt dus voor de gezondheid van mensen wel degelijk uit of ze wel of niet contacten in de buurt hebben, of de mensen in de buurt elkaar kennen en vriendelijk met elkaar omgaan en of er in de hun buurt een vriendelijke en sociale sfeer hangt. Er is trouwens meer onderzoek (in andere landen) dat in deze richting wijst. Maar dat het ook zo duidelijk voor Nederland is vastgesteld, lijkt me belangrijk.
woensdag 18 januari 2012
Meer over de nadelen (en voordelen) van het in de stad wonen en opgroeien
Dit is een vervolg op dit bericht over de grotere kans op mentale stoornissen voor stadsbewoners of mensen die in de stad zijn opgegroeid. Die grotere kans kan er mee te maken hebben dat sociale netwerken van stadsbewoners meer gefragmenteerd zijn dan die van plattelandsbewoners. En het kan er mee te maken hebben dat stadsbewoners minder in aanraking komen met natuur dan plattelandsbewoners. En zowel een sociale netwerk van persoonlijke relaties als het in aanraking komen met de natuur zijn leefstijlkenmerken die ons welzijn verhogen. Zie dit bericht over goede voornemens en therapeutische leefstijlveranderingen.
Nu kwam ik twee studies tegen die hier meer licht op werpen. Uit een Zweedse studie blijkt dat plattelandskinderen van tussen de 11 en 15 jaar meer veiligheid en onderling vertrouwen in hun sociale omgeving waarnemen dan stadskinderen van dezelfde leeftijd. En dat die veiligheid en het onderlinge vertrouwen samenhangen met een hoger welzijn. Dit is een aanwijzing dat de sociale omgeving waarin plattelandskinderen opgroeien gemiddeld genomen gunstiger is voor hun sociale en morele ontwikkeling, en dus voor hun gemeenschapsgedrag en hun pro-sociale gedrag, in vergelijking met stadskinderen.
En deze Amerikaanse studie laat zien dat kinderen met AD(H)D die vaker in open, groene ruimtes spelen minder ernstige symptomen hebben, zoals gemeld door hun ouders, dan kinderen die dat meer binnenshuis doen of in bebouwde en misschien wel open, maar bestrate, ruimtes. Die open en groene ruimtes vind je natuurlijk meer op het platteland. Deze studie werpt geen licht op de vraag of de kans op AD(H)D groter is voor stadskinderen. Je zou het wel verwachten en misschien is het onderzocht, maar ik ben er niet van op de hoogte.
Wereldwijd groeit de stadsbevolking. Dat lijkt niet te vermijden. Maar we kunnen wel van zulk onderzoek leren dat we steden ruimtelijk en qua voorzieningen zo moeten inrichten dat mensen gemakkelijker in hun buurt een sociaal netwerk ontwikkelen, zodat kinderen een veilige en vertrouwde sociale omgeving hebben. En daar hoort bij dat elke buurt zijn open, groene ruimtes heeft. En dat gaat niet samen met steeds dichtere bebouwing.
Tenslotte: je zou kunnen denken dat die wereldwijde trek naar de stad betekent dat mensen liever in de stad wonen dan op het platteland. Dus, waar maken we ons druk over? Het is zeker zo dat in grote delen van de wereld het wonen in de stad aantrekkelijker is dan het wonen op het platteland. In de stad is meer werkgelegenheid, zijn er meer opleidingskansen en liggen de inkomens hoger. En daardoor zijn in die delen van de wereld stadsbewoners tevredener met hun leven dan plattelandsbewoners, ondanks de grotere vervuiling en congestie. Maar dit geldt vooral voor die gebieden die minder economisch ontwikkeld zijn. Hoe meer economisch ontwikkeld (hoe welvarender), hoe meer het platteland de stad benadert of zelfs voorbijstreeft in de levenstevredenheid van mensen. Zie dit artikel.
Nu kwam ik twee studies tegen die hier meer licht op werpen. Uit een Zweedse studie blijkt dat plattelandskinderen van tussen de 11 en 15 jaar meer veiligheid en onderling vertrouwen in hun sociale omgeving waarnemen dan stadskinderen van dezelfde leeftijd. En dat die veiligheid en het onderlinge vertrouwen samenhangen met een hoger welzijn. Dit is een aanwijzing dat de sociale omgeving waarin plattelandskinderen opgroeien gemiddeld genomen gunstiger is voor hun sociale en morele ontwikkeling, en dus voor hun gemeenschapsgedrag en hun pro-sociale gedrag, in vergelijking met stadskinderen.
En deze Amerikaanse studie laat zien dat kinderen met AD(H)D die vaker in open, groene ruimtes spelen minder ernstige symptomen hebben, zoals gemeld door hun ouders, dan kinderen die dat meer binnenshuis doen of in bebouwde en misschien wel open, maar bestrate, ruimtes. Die open en groene ruimtes vind je natuurlijk meer op het platteland. Deze studie werpt geen licht op de vraag of de kans op AD(H)D groter is voor stadskinderen. Je zou het wel verwachten en misschien is het onderzocht, maar ik ben er niet van op de hoogte.
Wereldwijd groeit de stadsbevolking. Dat lijkt niet te vermijden. Maar we kunnen wel van zulk onderzoek leren dat we steden ruimtelijk en qua voorzieningen zo moeten inrichten dat mensen gemakkelijker in hun buurt een sociaal netwerk ontwikkelen, zodat kinderen een veilige en vertrouwde sociale omgeving hebben. En daar hoort bij dat elke buurt zijn open, groene ruimtes heeft. En dat gaat niet samen met steeds dichtere bebouwing.
Tenslotte: je zou kunnen denken dat die wereldwijde trek naar de stad betekent dat mensen liever in de stad wonen dan op het platteland. Dus, waar maken we ons druk over? Het is zeker zo dat in grote delen van de wereld het wonen in de stad aantrekkelijker is dan het wonen op het platteland. In de stad is meer werkgelegenheid, zijn er meer opleidingskansen en liggen de inkomens hoger. En daardoor zijn in die delen van de wereld stadsbewoners tevredener met hun leven dan plattelandsbewoners, ondanks de grotere vervuiling en congestie. Maar dit geldt vooral voor die gebieden die minder economisch ontwikkeld zijn. Hoe meer economisch ontwikkeld (hoe welvarender), hoe meer het platteland de stad benadert of zelfs voorbijstreeft in de levenstevredenheid van mensen. Zie dit artikel.
donderdag 12 januari 2012
Groene ontmoetingsplekken voor jongeren in de stad
Nada de Groot en Mara Verduin van MOVISIE hebben een onderzoek gedaan naar de waarde van groene ontmoetingsplekken voor jongeren in Amsterdam: Chillen in het groen (te downloaden). Het gaat om lokale hangplekken, speelplekken, trapveldjes, parken en kiss & greet plekken. Met jongeren die ze daar aantroffen, hielden ze interviews.
Wat me opviel is dat jongeren groen op prijs stellen. Ik citeer:
Wat me opviel is dat jongeren groen op prijs stellen. Ik citeer:
Ze vinden het (...) vanzelfsprekend en noodzakelijk dat er groen is in de stad. Ook waarderen veel jongeren de schoonheid van groen en genieten ze er van omringd te zijn door groen. ... Veel jongeren waarderen groen ook als een belangrijke sfeerbepalende factor op stedelijke ontmoetingsplekken. ... Groen kan ontmoetingsplekken aantrekkelijk en sfeervol maken of fungeren als herkenningspunt. Zonder groen vinden veel jongeren een ontmoetingsplek maar saai en kaal. Echter, het is cruciaal dat stedelijk groen goed onderhouden is.En ze waarderen het als er goed onderhoud is. Veel jongeren klagen over zwerfafval. Maar tegelijk geven ze toe dat ze zelf ook veroorzakers daarvan zijn. En ze vinden dar er meer afvalbakken zouden moeten staan.
"Als er binnen vijftien meter geen afvalbak is, dan laat ik het liggen. Dan vind ik het de schuld van de overheid."Duidelijke conclusies levert het onderzoek niet op. Ik maak er melding van omdat het mooi aansluit op het bericht over de acht therapeutische leefstijlveranderingen, waarin o.a. ontmoeting (meer en betere persoonlijke relaties) en meer tijd doorbrengen in de natuur zijn opgenomen. En het sluit bovendien aan op dit bericht over de grotere kans op mentale stoornissen door in de stad te wonen. Groene ontmoetingsplekken in de stad maken het gemakkelijker om met natuur in aanraking te komen. En ze maken het gemakkelijker om elkaar te ontmoeten, zonder daarvoor afspraken te hoeven maken. Allemaal heel belangrijk. Dus: meer groene ontmoetingsplekken. En natuurlijk niet alleen voor jongeren.
dinsdag 3 januari 2012
Verband tussen stadsleven en kans op mentale stoornissen wordt sterker
Dat de kans op mentale stoornissen groter is als mensen in de stad wonen en/of daar geboren zijn, blijft me intrigeren. Zie dit bericht. Nog wat door zoekend naar studies daarover, vond ik dit artikel uit 1998. De onderzoekers, van de Universiteit van Maastricht, volgden Nederlanders die werden geboren tussen 1942 en 1978 en vonden dat het geboren zijn in de meest stedelijke gebieden (van de drie soorten gebieden die werden onderscheiden) de kans op schizofrenie en psychose vergroot. De kans op schizofrenie was ongeveer twee keer zo groot. Voor mannen was het verband sterker dan voor vrouwen.
Wat me in het bijzonder opvalt, is dat de auteurs melden dat het verband met de tijd sterker is geworden. Voor de latere (jongere) generaties is het verschil in de kansen groter dan voor de vroegere (oudere) generaties. Het risico op schizofrenie en psychose als je geboren wordt in de stad is dus in vergelijking met geboren worden op het platteland groter geworden.
Dat verrast me wel wat, want je zou kunnen denken dat in deze periode heel Nederland min of meer is verstedelijkt. Niet alleen in de zin dat stedelijke gebieden zich hebben uitgebreid, maar ook in de zin dat in deze periode de televisie er eerst helemaal niet was en vervolgens tot in vrijwel alle huishoudens is doorgedrongen. En met de televisie is er toch vooral overal de stedelijke cultuur over het land verspreid. (Met Boer zoekt vrouw als uitzondering en misschien juist daardoor met zulke hoge kijkcijfers.) En je zou ook kunnen denken dat mede daardoor een mogelijk verschil in de kans dat er een diagnose wordt gesteld tussen stad en platteland, kleiner is geworden.
Maar dat lijkt dus niet zo te zijn. Om de kans op mentale stoornissen te voorkomen, is het dus juist nu belangrijker om niet in de stad op te groeien dan, zeg, in de jaren vijftig. Is er iets in die stedelijke omgeving veranderd waardoor het opgroeien daarin riskanter is geworden?
Wat me in het bijzonder opvalt, is dat de auteurs melden dat het verband met de tijd sterker is geworden. Voor de latere (jongere) generaties is het verschil in de kansen groter dan voor de vroegere (oudere) generaties. Het risico op schizofrenie en psychose als je geboren wordt in de stad is dus in vergelijking met geboren worden op het platteland groter geworden.
Dat verrast me wel wat, want je zou kunnen denken dat in deze periode heel Nederland min of meer is verstedelijkt. Niet alleen in de zin dat stedelijke gebieden zich hebben uitgebreid, maar ook in de zin dat in deze periode de televisie er eerst helemaal niet was en vervolgens tot in vrijwel alle huishoudens is doorgedrongen. En met de televisie is er toch vooral overal de stedelijke cultuur over het land verspreid. (Met Boer zoekt vrouw als uitzondering en misschien juist daardoor met zulke hoge kijkcijfers.) En je zou ook kunnen denken dat mede daardoor een mogelijk verschil in de kans dat er een diagnose wordt gesteld tussen stad en platteland, kleiner is geworden.
Maar dat lijkt dus niet zo te zijn. Om de kans op mentale stoornissen te voorkomen, is het dus juist nu belangrijker om niet in de stad op te groeien dan, zeg, in de jaren vijftig. Is er iets in die stedelijke omgeving veranderd waardoor het opgroeien daarin riskanter is geworden?
maandag 2 januari 2012
Stadsleven vergroot kans op mentale stoornissen
De Duitse psychiater Andreas Meyer-Lindenberg schrijft in Der Spiegel over zijn onderzoek naar de negatieve effecten van leven in de stad waar ik in dit bericht naar linkte. Zie het bericht hieronder. Stadsbewoners in Duitsland hebben een veertig procent grotere kans op depressies en een twintig procent grotere kans op angststoornissen. En volgens de Nederlandse onderzoekers Lydia Krabbendam en Jim van Os is het risico op schizofrenie bij mensen die in de stad zijn opgegroeid minstens twee keer zo groot als bij mensen die op het platteland zijn opgegroeid. Als we allemaal op het platteland zouden wonen, waren onze geestelijke gezondheidsproblemen, en de kosten daarvan, aanzienlijk geringer.
Het is niet zo dat deze verschillen ontstaan doordat mensen met deze psychische problemen meer naar de stad trekken. De oorzaak lijkt echt te liggen in de aard van de stedelijke omgeving. Zoals ik in dat vorige bericht meldde, zijn er aanwijzingen dat het stadsleven en het opgegroeid zijn in de stad een negatieve invloed heeft op het vermogen om met sociale stress om te gaan, in het bijzonder met zogenaamde evaluatieve stress. Het lijkt er op dat stedelingen meer bezig zijn met het niet willen falen in de ogen van anderen. Dus met het voortdurend proberen eigen zwakheden te verbergen. Hun sociale leven staat meer in het teken van statuscompetitie en dat is een bron van stress.
Het mooie is nu dat Meyer-Lindenberg in dat artikel in Der Spiegel er op wijst dat de omvang van het vriendennetwerk een beschermende factor kan zijn. Stadsbewoners die goed omgeven zijn door een netwerk van persoonlijke relaties zijn minder kwetsbaar dan meer sociaal geïsoleerde stadsbewoners. En dat wijst dus op de grotere sociale fragmentering in de stad in vergelijking met het platteland als oorzaak voor die grotere kans op mentale stoornissen.
Gemiddeld genomen zijn stadsbewoners inderdaad meer sociaal geïsoleerd dan plattelandsbewoners. Misschien niet in de zin dat ze minder sociale contacten hebben, maar wel in de zin dat de contacten die ze hebben meer draaien rond het "voor wat hoort wat" principe. Volgens dit onderzoek lijken de contacten van stadsbewoners zakelijker te zijn. En dat zou heel goed met meer evaluatieve stress kunnen samenhangen. Het is in de stad minder zo dat mensen "er gewoon voor elkaar zijn", waardoor de geborgenheid van de gemeenschap die mensen nodig hebben, er minder aanwezig is.
Dit verwijst natuurlijk naar twee van die acht leefstijlveranderingen die volgens dit bericht de kans op fysieke en psychische kwalen verkleinen: het vergroten van het netwerk van persoonlijke relaties en het meer gericht zijn op iets doen voor anderen.
En als je dat verband met die leefstijlveranderingen toch legt, kun je er ook aan denken dat stadsmensen minder tijd doorbrengen in de natuur. En dat is ook een risicofactor.
Dit alles pleit er sterk voor om:
1. de stad fysiek en bestuurlijk meer zo in te richten dat mensen elkaar gemakkelijker leren kennen en gemakkelijker persoonlijke relaties aangaan (dus bijvoorbeeld meer ontmoetingsplekken, meer zelfbestuur van buurten en meer menging van wonen en werken),
2. dichte bebouwing meer af te wisselen met natuurgebieden en er in het algemeen voor te zorgen dat stadsbewoners zich altijd op zo kort mogelijke afstand van natuur bevinden.
Maatregelen als deze winnen behoorlijk aan urgentie als je bedenkt dat wereldwijd al meer dan de helft van de wereldbevolking in steden woont en dat dat tegen 2050 tot twee derde zal zijn gestegen.
Update. Zie nu ook Meer over de voor- en nadelen.
Update. Zie nu ook Meer over de voor- en nadelen.
'via Blog this'
donderdag 24 november 2011
Gemeenschappelijk wonen
Cissy reageerde op dit bericht over de maakbaarheid van een rijk sociaal leven en sterke sociale cohesie, naar aanleiding van De Kersentuin (reactie onderaan het bericht). Ze schrijft dat ze zelf ook in een wijk woont die door de bewoners zelf is opgestart en wordt beheerd. Omdat er gemeenschappelijke ruimtes zijn en ontmoetingsplekken is er een sociaal buurtleven, met behoud van privacy. Volgens haar is het heel goed voor de kinderen. "Wat mij betreft is de wijk een ideale samenleving op microniveau."
Er zijn over het land verspreid veel meer van dit soort initiatieven, bekend geworden onder de namen centraal- of gemeenschappelijk wonen. Het gaat steeds om vormen waarin huishoudens over een zelfstandige woning of wooneenheid beschikken en daarnaast gemeenschappelijke voorzieningen en ruimten met elkaar delen. En altijd is er een vorm van zelforganisatie. Interessante informatie is te vinden op de site van de Landelijke Vereniging Centraal Wonen. Deze vereniging heeft samen met zulke verenigingen voor ouderen de Federatie Gemeenschappelijk Wonen in het leven geroepen.
Op die laatste site kun je een kaart aanklikken met de landelijke verspreiding van de, rond de 600, gemeenschappelijke woonvormen. Wat meteen opvalt is dat ze geconcentreerd zijn in stedelijke gebieden. Dat wijst er op dat het sociale isolement van gezinnen in zulke gebieden groter is dan op het platteland en dat er dus in steden meer behoefte is om dat isolement te doorbreken. Dat klopt met dit bericht over de moeilijkheden van het leven in de stad, waardoor stemmings- en angststoornissen er meer voorkomen. En schizofrenie meer voorkomt bij mensen die in de stad zijn opgegroeid.
(Trouwens: een andere verklaring voor die ruimtelijke spreiding is dat er in stedelijke gebieden nu eenmaal meer mensen wonen en dat de kans op zulke woonvormen alleen daardoor groter is. Zou dat die concentratie geheel verklaren?)
Er zijn over het land verspreid veel meer van dit soort initiatieven, bekend geworden onder de namen centraal- of gemeenschappelijk wonen. Het gaat steeds om vormen waarin huishoudens over een zelfstandige woning of wooneenheid beschikken en daarnaast gemeenschappelijke voorzieningen en ruimten met elkaar delen. En altijd is er een vorm van zelforganisatie. Interessante informatie is te vinden op de site van de Landelijke Vereniging Centraal Wonen. Deze vereniging heeft samen met zulke verenigingen voor ouderen de Federatie Gemeenschappelijk Wonen in het leven geroepen.
Op die laatste site kun je een kaart aanklikken met de landelijke verspreiding van de, rond de 600, gemeenschappelijke woonvormen. Wat meteen opvalt is dat ze geconcentreerd zijn in stedelijke gebieden. Dat wijst er op dat het sociale isolement van gezinnen in zulke gebieden groter is dan op het platteland en dat er dus in steden meer behoefte is om dat isolement te doorbreken. Dat klopt met dit bericht over de moeilijkheden van het leven in de stad, waardoor stemmings- en angststoornissen er meer voorkomen. En schizofrenie meer voorkomt bij mensen die in de stad zijn opgegroeid.
(Trouwens: een andere verklaring voor die ruimtelijke spreiding is dat er in stedelijke gebieden nu eenmaal meer mensen wonen en dat de kans op zulke woonvormen alleen daardoor groter is. Zou dat die concentratie geheel verklaren?)
dinsdag 13 september 2011
Stadsleven: mussen, mensen en hersenen
Musachtigen ("passerine birds") die je in grote steden aantreft behoren tot geslachten met grotere hersenen. Dit lees ik vanochtend in de nieuwste aflevering van de Biology Letters (online is alleen de samenvatting beschikbaar). Dit bevestigt de tot nu toe alleen maar intuïtief plausibele hypothese dat relatieve hersenomvang samenhangt met de kans op succesvolle aanpassing aan nieuwe omgevingen.
Op het eerste gezicht geen nieuws om in dit blog aandacht aan te besteden. Maar op het tweede gezicht denk je aan de grote relatieve hersenomvang van mensen en aan het gegeven dat meer dan de helft van de wereldbevolking in steden woont. Onze hersenomvang is zo groot vergeleken met onze lichaamsomvang dat we niet alleen op grote schaal in steden leven, maar die steden ook nog zelf hebben gebouwd.
Maar kunnen we eigenlijk wel zo goed in steden leven? Dat vroeg ik me af toen ik las dat stemmings- en angststoornissen meer voorkomen bij stadsbewoners en dat schizofrenie meer voorkomt bij mensen die in een stad geboren en opgegroeid zijn. Er zijn aanwijzingen voor een oorzakelijk verband. Inzicht in het achterliggende proces krijg je door het hersenonderzoek dat de auteurs uitvoerden. Daaruit blijkt dat het in een stad wonen of opgegroeid zijn negatieve effecten heeft op de manier waarop je met sociaal-evaluatieve situaties omgaat. En die negatieve effecten lijken goed te kunnen samenhangen met die mentale stoornissen. Het lijkt er op dat het stadsleven mensen gevoeliger maakt voor negatieve oordelen van anderen. Anders gezegd (mijn woorden): ze zijn meer bezig met het niet willen falen in de ogen van anderen. Dus meer met het proberen eigen zwakheden te verbergen. En dat is een bron van stress.
Dus met die grote hersenen van ons kunnen we steden bouwen en daar massaal in gaan wonen, maar of we er echt van het goede leven kunnen genieten, dat is twijfelachtig. Nu kunnen we natuurlijk niet allemaal terug naar het platteland. Maar misschien kunnen we wel beter nadenken over hoe we steden moeten inrichten en hoe we het stadsleven moeten inrichten. Daarover een andere keer....
Op het eerste gezicht geen nieuws om in dit blog aandacht aan te besteden. Maar op het tweede gezicht denk je aan de grote relatieve hersenomvang van mensen en aan het gegeven dat meer dan de helft van de wereldbevolking in steden woont. Onze hersenomvang is zo groot vergeleken met onze lichaamsomvang dat we niet alleen op grote schaal in steden leven, maar die steden ook nog zelf hebben gebouwd.
Maar kunnen we eigenlijk wel zo goed in steden leven? Dat vroeg ik me af toen ik las dat stemmings- en angststoornissen meer voorkomen bij stadsbewoners en dat schizofrenie meer voorkomt bij mensen die in een stad geboren en opgegroeid zijn. Er zijn aanwijzingen voor een oorzakelijk verband. Inzicht in het achterliggende proces krijg je door het hersenonderzoek dat de auteurs uitvoerden. Daaruit blijkt dat het in een stad wonen of opgegroeid zijn negatieve effecten heeft op de manier waarop je met sociaal-evaluatieve situaties omgaat. En die negatieve effecten lijken goed te kunnen samenhangen met die mentale stoornissen. Het lijkt er op dat het stadsleven mensen gevoeliger maakt voor negatieve oordelen van anderen. Anders gezegd (mijn woorden): ze zijn meer bezig met het niet willen falen in de ogen van anderen. Dus meer met het proberen eigen zwakheden te verbergen. En dat is een bron van stress.
Dus met die grote hersenen van ons kunnen we steden bouwen en daar massaal in gaan wonen, maar of we er echt van het goede leven kunnen genieten, dat is twijfelachtig. Nu kunnen we natuurlijk niet allemaal terug naar het platteland. Maar misschien kunnen we wel beter nadenken over hoe we steden moeten inrichten en hoe we het stadsleven moeten inrichten. Daarover een andere keer....
woensdag 31 augustus 2011
Pro-sociaal Gedrag
Tot 2009 verzorgde ik het vak Pro-sociaal Gedrag als onderdeel van de Master Sociologie van de Rijksuniversiteit Groningen. Ter informatie hieronder de beschrijving van het vak, samen met de literatuurlijst.
Abonneren op:
Posts (Atom)