Posts tonen met het label Paleo Sociale Omgeving. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Paleo Sociale Omgeving. Alle posts tonen

maandag 24 februari 2020

Achter "Eigen volk eerst" gaat 'Ik eerst" schuil - meer aanwijzingen dat pro-sociaal gedrag niet parochiaal, maar universalistisch is

Op onze neiging tot pro-sociaal gedrag, tot het rekening houden met en bijstaan van anderen, zijn we geselecteerd in de lange periode van de Paleo Sociale Omgeving, toen we als jagers-verzamelaars in groepen van vertrouwde anderen waren aangewezen op samenwerken en delen om te overleven. Daardoor zijn we ook nu nog toegerust met de morele intuïties van het gemeenschapsgedrag.

Maar onze sociale omgeving is sindsdien ingrijpend veranderd. In een kring van vertrouwde anderen gedragen we ons gemakkelijk en zonder dralen pro-sociaal. Maar daarbuiten kunnen we ook in aanraking komen met statuscompetitiegedrag, dus met anderen die ons niet gunstig gezind behoeven te zijn en waartegen we ons misschien moeten verdedigen. We kunnen dan moeten terugvallen op de intuïties van het statuscompetitiegedrag, dus op de vermogens om gevaar te detecteren en om daarop gepast te reageren, met vechten of vluchten, of met onderdanigheid of zelfs bevriezen (immobiliseren) als het gevaar overweldigend is.

Maar vaak weten we niet goed wat we van die anderen buiten onze kring van vertrouwde anderen, vreemden dus, te verwachten hebben. Wat doen we in die toestand van onzekerheid? Zijn we om te beginnen goed van vertrouwen? Of juist argwanend en op onze hoede?

Het antwoord zal enerzijds afhangen van de omstandigheden. Maar anderzijds zou je ook kunnen denken dat mensen van elkaar verschillen.

Dat laatste is een bekend thema in het sociaalwetenschappelijk onderzoek. Twee vermoedens ("hypothesen") staan tegenover elkaar.

Aan de ene kant de hypothese dat pro-sociaal gedrag altijd "parochiaal" is, dat wil zeggen dat degenen bij wie meer die gemeenschapsintuïties aanwezig zijn, ook altijd degenen zijn die het meeste onderscheid maken tussen vertrouwden en vreemden. Tegenover hun vrijgevigheid ten aanzien van hun vertrouwden zou dus juist hun wantrouwen en zelfs vijandigheid staan tegenover vreemden. Volgens dit vermoeden is gemeenschapsgedrag dus altijd van het type "Eigen volk eerst".
De evolutionaire gedachte hierachter lijkt te zijn dat de selectie op gemeenschapsgedrag in die Paleo Sociale Omgeving een selectie tussen onderling concurrerende en vijandige groepen was. Groepen die intern meer solidair waren, dus meer parochiaal pro-sociaal gedrag kenden, zouden succesvoller zijn in de conflicten tussen groepen. En zouden er dus zo voor zorgen dat er op dat parochiale pro-sociale gedrag geselecteerd werd.
Maar dat er in de Paleo Sociale Omgeving dat type groepsselectie plaats vond is onwaarschijnlijk. Jagers-verzamelaarsgroepen onderhielden over het algemeen goede contacten met elkaar, ook al op basis van uithuwelijkingsrelaties. Gewelddadige conflicten tussen groepen, oorlogen, kwamen pas met de landbouwrevolutie de mensheidsgeschiedenis binnen.
Aan de andere kant is er dan ook de hypothese dat gemeenschapsgedrag juist altijd universalistisch is. Dus dat een grotere geneigdheid tot pro-sociaal gedrag ten opzichte van vertrouwden juist samen gaat met dezelfde geneigdheid ten opzichte van vreemden. Volgens deze gedachte verschillen mensen "over de hele linie" in hun geneigdheid tot gemeenschapsgedrag.
Dit komt overeen met de evolutionaire gedachte dat in de Paleo Sociale Omgeving binnen de jagers-verzamelaarsgroepen werd geselecteerd op gemeenschapsgedrag. Als uitkomst van het zelfdomesticatieproces: het tegenovergestelde statuscompetitie gedrag werd door coalities van groepsleden onderdrukt, desnoods met geweld. Denk aan Richard Wranghams The Goodness Paradox. The Strange Relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution. 
Wat wijst het sociaalwetenschappelijk onderzoek uit? Tot nu toe levert dat voor beide hypothesen aanwijzingen op. In de nieuwe studie Prosociality in the economic Dictator Game is associated with less parochialism and greater willingness to vote for intergroup compromise vind je een aantal literatuurverwijzingen. Maar die studie zelf doet verslag van een onderzoek dat de tweede hypothese ondersteunt, dus dat gemeenschapsgedrag meer universalistisch van aard is.

De onderzoekers, onder wie David G. Rand, deelden deelnemers aan hun onderzoek, dat plaats vond via internet (Amazon Mechanical Turk), in twee verschillende groepen in (de blauwe groep en de paarse groep). Gedurende het experiment konden ze een stem uitbrengen voor hun eigen groep of voor de andere groep. Als aan het eind van het spel een van de groepen een bepaald minimumaantal stemmen (de drempel) had behaald, dan ontvingen de leden van beide groepen een beloning, zij het dat die voor de leden van de "winnende" groep hoger was. Als geen van de beide groepen de drempel haalde, dan kreeg niemand een beloning.

Het was dus in ieders belang dat een groep de drempel haalde. Dat betekende dat het voor de leden van een groep die duidelijk minder stemmen leek te gaan krijgen, verstandig kon zijn om een stem uit te brengen op de andere groep. Om er zo aan bij te dragen dat de drempel werd gehaald. Bij wijze van compromis. Het blijven stemmen op je eigen groep, werd gezien als een uiting van parochiaal pro-sociaal gedrag en het zo nodig stemmen op de andere groep als een uiting van universalistisch pro-sociaal gedrag. In het eerste geval is het "Eigen volk eerst" en in het tweede geval staat het algemenere belang voorop.

Los van dat groepsexperiment werd de neiging tot pro-sociaal gedrag gemeten met het zogenaamde anonieme Dictatorspel, waarin je gevraagd wordt om een bedrag naar eigen goeddunken te verdelen over jou en "een andere persoon". Er is dus niets dat je tegenhoudt om alles voor jezelf te houden. Hoeveel je dan toch weggeeft, zegt iets over je geneigdheid tot pro-sociaal gedrag.

Het blijkt dan dat hoe pro-socialer iemand is, hoe minder parochiaal en hoe meer universalistisch. Daarmee kwam overeen dat de meer pro-socialen zich ook meer identificeerden met alle deelnemers aan het experiment, terwijl de minder pro-socialen zich meer met alleen de leden van de eigen groep identificeerden.

De uitkomst wijst in dezelfde richting als het eerdere onderzoek waaruit bleek dat de geneigdheid tot "Eigen volk eerst", zoals gemeten met de Sociale Dominantie Oriëntatie, zoals verwacht samen hangt met meer vijandigheid tegenover de andere groep en dat dit niet "gecompenseerd" werd met meer pro-sociaal gedrag tegenover de eigen groep. Parochialisme gaat samen met egoïsme en universalisme met pro-sociaal gedrag. Achter "Eigen volk eerst gaat "Ik eerst" schuil.

dinsdag 11 februari 2020

Wat vertellen onze morele intuïties over het helpen van naasten en van vreemden?

Onze bereidheid om iets voor anderen te doen, om niet alleen maar aan onszelf te denken, anders gezegd onze bereidheid tot gemeenschapsgedrag, komt eruit voort dat we beschikken over morele intuïties. Intuïties die ons vertellen wat het moreel juiste gedrag is  Het belang van die intuïtieve grondslag voor pro-sociaal gedrag blijkt er uit dat we pro-socialer kiezen als we dat intuïtief doen dan wanneer we meer op ons verstand terugvallen.

Die morele intuïties van het gemeenschapsgedrag hebben zich in de mensheidsgeschiedenis ontwikkeld gedurende de lange periode van de Paleo Sociale Omgeving, toen we als jagers-verzamelaars voor onze overleving aangewezen waren op samenwerking en delen.

Dat was een sociale omgeving die vooral bestond uit vertrouwde anderen. Dat betekende dat het gestuurd worden door die gemeenschapsintuïties, doorgaans weinig complicaties met zich meebracht. Iemand had hulp nodig en je hielp. Het was duidelijk met wie je geacht werd te delen en dus deelde je. Als iemand zich zonder goede reden aan die intuïtieve verplichtingen onttrok, dan was het duidelijk dat die daarop kon worden aangesproken.

In een maatschappij als die waarin wij terecht zijn gekomen, hebben we niet alleen te maken met een kring van vertrouwde anderen, maar ook met vreemden. Die we bijvoorbeeld tegenkomen op straat. Of waarmee we als medeburger een indirecte relatie hebben via de instituties van de democratische overheid. Of waarmee we als wereldburgers in relatie staan, al was het maar doordat we als wereldbevolking voor de grote uitdagingen staan van klimaatverandering en het handhaven van de vrede.

We zijn nog steeds toegerust met die morele intuïties. In die zin klopt het dat de meeste mensen deugen. Maar het handelen volgens die intuïties is wel veel gecompliceerder geworden.

Want we kunnen er niet zomaar van uitgaan dat de anderen waarmee wij te maken hebben, zich ook volgens die intuïties zullen gedragen. Als er aanwijzingen zijn dat zij gericht zijn op de statuscompetitie, dan zijn we goed in staat om ons gedrag daarbij aan te passen. Al was het maar uit zelfbescherming. We willen best wel deugen, maar toch liever niet als anderen daar misbruik van maken.

Maar die gecompliceerdheid is er ook al zonder dat we met die statuscompetitie te maken krijgen. De nieuwe studie What We Owe to Family: The Impact of Special Obligations on Moral Judgment gaat precies daarop in.

De onderzoekers lieten mensen (inwoners van de Verenigde Staten) aan hen voorgelegde handelingen beoordelen waarbij iemand een naaste (een familielid) hielp of een vreemde of waarbij werd gekozen tussen het helpen van een naaste of een vreemde.

Daaruit kwam naar voren dat het helpen van een vreemde als moreel lovenswaardiger werd beoordeeld dan het helpen van een naaste. Maar als iemand voor de keuze werd gesteld om oftewel een naaste te helpen oftewel een vreemde, dan werd het als moreel juister geoordeeld om de naaste te helpen dan om de vreemde te helpen.

Dat laatste lijkt een aanpassing aan het probleem van het ook te maken hebben met vreemden. Onze morele intuïties zijn die van de goedgeefsheid, van het deugen. Dus van het iedereen wel willen helpen als we daartoe maar in staat zouden zijn. Maar als we moeten kiezen, dan hoort "het hemd nader te zijn dan de rok". We kunnen wel wereldburger zijn, maar niet onbeperkt.

De onderzoekers laten in dat verband zien dat er een verschil in het voelen van een morele verplichting in het spel is. Het helpen van een vreemde wordt minder gevoeld als een morele verplichting dan het helpen van een naaste.

Je zou denken als een aanpassing aan het besef of het vermoeden dat iedereen wel naasten zal hebben om op terug te vallen. Als er anderen meer aangewezen zijn om iemand in nood te helpen, dan voel jij minder de morele verplichting om dat te doen.

Je zou dus eigenlijk een onderzoek willen waarin het helpen van een vreemde die zijn naasten is kwijtgeraakt, wordt vergeleken met het helpen van een naaste van jezelf. Dat onderzoek is denk ik nog nooit uitgevoerd.

woensdag 27 februari 2019

Afscheid nemen van het geluksideaal van het authentieke zelf kun je niet in je eentje - En over Carl Cederström

We zijn er als groepsdier op ingesteld om op te groeien en ons leven door te brengen in een leeftijdsheterogene groep van vertrouwde anderen. Dat arrangement bestond ook in de lange periode van het bestaan van de mensheid waarin we als jagers-verzamelaars leefden (de Paleo Sociale Omgeving).

Maar in onze huidige manier van samenleven is de kring van vertrouwde anderen nog maar klein en brengen we daarnaast veel tijd door in vluchtige contacten. Dat we, nog steeds als groepsdier, die sociale vluchtigheid maar beperkt waarderen (het is altijd nog beter dan sociaal geïsoleerd zijn), blijkt eruit dat we ons beter voelen in vertrouwde contacten dan in vluchtige contacten.

We weten al het een en ander over de uitdagingen van de sociale vluchtigheid. Die uitdagingen brengen ook met zich mee dat we het verlangen kennen om te weten wie we nu echt zelf zijn. Het verlangen naar ons ware, authentieke zelf. En het daarmee gepaard gaande verlangen naar zelfontplooiing.

Dat lijkt eruit voort te komen dat we in vluchtige relaties voortdurend bezig zijn om onszelf zo gunstig mogelijk te presenteren. En omdat het in vluchtige relaties al snel gaat om het jezelf en de ander in te delen in een statushiërarchie, ben je dus vaak bezig met jezelf als sterker en competenter voor te doen dan je echt bent. Het is moeilijk om dan nog aan zelfontplooiing toe te komen. En om je eigen, authentieke zelf te leren kennen.

Daarentegen hoef je er in vertrouwde relaties niet mee aan te komen om je anders of sterker voor te doen dan je echt bent.  Je hebt immers die lange gezamenlijke geschiedenis, waardoor je elkaar door en door kent. Vandaar dat statusvertoon en vriendschap elkaar slecht verdragen.

Dat huidige verlangen naar het ware, authentieke zelf is dus goed te begrijpen. En het is te begrijpen dat het niet zo gemakkelijk is om echt jezelf te kunnen zijn. We zagen al dat het beter lukt als je beter in staat bent tot zelf-compassie en zelf-controle. Maar dat zijn vaardigheden waar bepaald niet iedereen zo maar over beschikt.

Maar zou je ook helemaal af kunnen zien van dat verlangen naar het authentieke zelf en naar de ontplooiing ervan? De Zweedse onderzoeker Carl Cederström, auteur van het boek Ons Geluksideaal, pleit ervoor om precies dat te doen.

Dat boek ken ik nog niet. Maar de VPRO Gids van volgende week wijdt een artikel aan zijn werk, naar aanleiding van het Human-programma Brainwash Talks, dat a.s. zondag op NPO 2 wordt uitgezonden. Ik citeer daaruit:
Laten we stoppen met het verafgoden van zelfontplooiing en het onafhankelijke, sterke ik, zegt Cederström. "In plaats van een geluksideaal dat gebaseerd is op de gedachte dat we ons ware zelf moeten vinden en authentiek moeten zijn, doen we er misschien beter aan op zoek te gaan naar een geluksideaal waarin we zelf wat minder belangrijk zijn en niet per se naar authenticiteit moeten streven. Minder belangrijk in de zin dat we gaan beseffen dat we fundamenteel afhankelijk van elkaar zijn.
En dus dat we ons er beter rekenschap van geven dat we een groepsdier zijn. Dat meer van die vertrouwde sociale omgeving nodig heeft. Waarin die zoektocht naar het ware zelf helemaal niet nodig is, omdat die vertrouwdheid de grenzen tussen jou en de anderen doet wegvallen.

Dat betekent natuurlijk ook dat we maar beperkt in staat zijn om dat in ons eentje te doen. Want het gaat om een andere manier van samenleven. Cederström daarover:
Zo'n geluksideaal zou ons de weg kunnen wijzen naar nieuwe vormen van leven en werken, een wereld waarin marktwaarde niet langer zaligmakend is, waar empathie belangrijker is dan zelfzucht. Een naïeve gedachte allicht, geeft hij toe, maar alles is beter dan vasthouden aan een geluksideaal dat misleidend is gebleken en in toenemende mate ongeluk on ongelijkheid heeft voortgebracht.
Anders gezegd, terwijl we nu een tijd meemaken waarin het statuscompetitiepatroon lijkt te gaan overheersen over het gemeenschapspatroon, is het juist de omgekeerde beweging die we hard nodig hebben.

woensdag 31 oktober 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 2

De eerste stap van de mensheidsgeschiedenis begon met de "keuze" van onze vroegste voorouders om het inkrimpende tropisch regenwoud te verlaten en zich aan te passen aan het savannelandschap. Zie het vorige bericht.

Die aanpassing had nogal wat om het lijf. Er werd een compleet nieuwe sociale structuur gevormd, die van egalitaire groepen die samenwerkten en deelden. Tussen die groepen bestonden overwegend vriendschappelijke relaties. Door onderlinge uithuwelijking, maar ook doordat er nauwelijks aanleidingen waren voor conflicten.

Als er lokale "overbevolking" dreigde, en dus de natuurlijke hulpbronnen schaars dreigden te worden, dan kon men zich meer over de ruimte verspreiden. Groepen splitsten en een deel trok verder. Zo verspreidden mensen zich gaandeweg en stapje voor stapje, waarschijnlijk vanuit Oostelijk Afrika, over nagenoeg het gehele aardse landoppervlak.

Dat alleen al wijst er op dat we hier te maken hebben met een heel succesvolle leefwijze. Die "Paleo Sociale Omgeving" hield onder meer in:
  • het gezamenlijk zorgen voor en grootbrengen van de kinderen (cooperative breeding)
  • waardoor kinderen vroeger en dus onrijper konden worden geboren, want moeders draaiden niet alleen voor de zorg op
  • waardoor de hersenen en de hersenomvang na het geboren worden zich verder konden ontwikkelen
  • wat het mogelijk maakte om zich qua sociale intelligentie aan te passen aan de uitdagingen van het complexe groepsleven waarin moest worden samengewerkt en gedeeld. Zie ook Menselijke intelligentie is uitkomst van op hol geslagen selectie
  • die sociale intelligentie (empathie, gedeelde intentionaliteit, sociaal leren) ging gepaard met een grotere algemene intelligentie. Zie Social intelligence: from brain to culture
  • waardoor allerlei fysieke verschijnselen beter konden worden begrepen
  • wat o.a. er toe leidde dat vuur werd beheerst en dat voedsel kon worden bereid
  • bereiding van voedsel (koken) bevorderde het delen en dus de sociale samenhang, want als je kookt, kost het weinig meer moeite om dat voor een groep te doen
  • koken had daarnaast als voordeel dat er minder energie nodig was voor de vertering en dus voor het darmstelsel, waardoor er meer energie beschikbaar kwam voor de ontwikkeling en de activiteit van de hersenen
  • wat weer de toename van intelligentie bevorderde. Zie voor meer Catching Fire. How Cooking Made Us Human (2009) van Richard Wrangham
  • door die toegenomen intelligentie en doordat we ondertussen rechtop waren gaan lopen, konden we wapens (stokken, stenen, pijlen) gebruiken
  • die waren niet alleen geschikt voor de jacht, maar dienden ook ter bevordering van de gelijkheid
  • want de fysieke kracht, zoals die van de chimpansee alfa-mannetjes, werd minder doorslaggevend, als iedereen over een wapen kon beschikken. Zie De oorsprong van ons pro-sociale gedrag: grote hersenen en wapens
  • waardoor de seksuele dimorfie afnam en daarmee de gelijkheid tussen mannen en vrouwen toenam
  • door dit alles was er een sociale structuur waarin geselecteerd werd op de morele intuïties van het gemeenschapsgedrag, die nodig waren voor dat o zo belangrijke samenwerken en delen
  • en als die intuïties eens een keer tekortschoten, dan kon degene die de baas wilde spelen of die zich egoïstisch gedroeg door de groep op zijn nummer worden gezet. Zie dit bericht over het werk van Christopher Boehm.
Deze, nog onvolledige, opsomming maakt al wel duidelijk dat die eerste stap van de mensheidsgeschiedenis een ingewikkeld geheel van processen vormde, met allerlei positieve terugkoppelingen.

Het resultaat was dat een heel succesvolle leefwijze ontstond, die het dus mogelijk maakte om de aarde vrijwel geheel te "veroveren". 

Maar dat succes zorgde ook voor de noodzaak van de tweede stap. Uiteindelijk konden gevallen van lokale overbevolking niet meer worden opgelost door verdere verspreiding over de ruimte.

Waardoor moest worden overgestapt op intensievere onttrekking van hulpbronnen aan de aarde. Door landbouw. Daarom in het volgende bericht over de Agrarische Revolutie.

dinsdag 30 oktober 2018

De mensheidsgeschiedenis tot nu toe in drie stappen - 1

Het begin van de mensheidsgeschiedenis is nog niet zo gemakkelijk te bepalen. Volgens deze goed bijgehouden Wikipedia-pagina waren er rond 300.000 jaar geleden, of misschien nog vroeger, de eerste mensen, d.w.z. de eerste anatomisch moderne mensen (Homo sapiens). Laten we daar maar even vanuit gaan.

Die eerste stap moet naar alle waarschijnlijkheid gelokaliseerd worden in Oostelijk Afrika. Er zijn aanwijzingen dat onze vroege voorouders zich voor de uitdaging gesteld zagen van een zich door een periode van afkoeling terugtrekkend regenwoud. Daarvoor in de plaats kwam er een savannelandschap, waarin voedsel meer over de ruimte verdeeld was en waarin jagen op groot wild een vereiste was om re kunnen overleven.

Onze voorouders pasten zich aan die nieuwe uitdagingen aan door een sociaal arrangement dat ik eerder de Paleo Sociale Omgeving noemde. Die uitdagingen brachten met zich mee dat je in je eentje moeilijk kon overleven. Ook was het risicovol om je, zoals in het regenwoud, groepsgewijs te verplaatsen, omdat het dan kon gebeuren dat je als groep niet tijdig genoeg voldoende voedsel vond.

Het nieuwe sociale arrangement, de eerste menselijke sociale uitvinding, bestond uit samenwerken en delen. Gestileerd gezegd; aan het begin van de dag verspreiden we ons vanuit het basiskamp over de ruimte in kleine groepjes op zoek naar voedsel, aan het eind van de dag keren we terug en verdelen we het voedsel over iedereen, ook over degenen die niets gevonden hebben.

Voor dat samenwerken en delen was nodig dat afscheid moest worden genomen van het oudere sociale patroon, dat van de statushiërarchie (het Alfamannetjesmodel). In dat patroon was er het voortdurende conflict (statuscompetitie) tussen mannen om het monopolie over de voortplanting en dus over de vrouwtjes. Overwinnaars werden de baas in een statushiërarchie, tot ze door hun opvolger werden afgezet. Er was eenvoudig gezegd, ongelijkheid, zich uitend in een behoorlijk grote mate van seksuele dimorfie.

Daartegenover kon dat samenwerken en delen alleen goed slagen bij een grote mate van gelijkheid. Wilde iedereen gemotiveerd zijn om er aan deel te nemen, dan moest wel verzekerd zijn dat je aan het eind van de dag meedeelde ook als jezelf niets kon inbrengen. Dat betekende dat de groep min of meer moest kunnen garanderen dat egoïsme en de neiging tot statuscompetitie werden onderdrukt. Degenen die de baas wilden spelen en die meer wilden dan anderen moesten te horen, en te voelen, krijgen dat zulk gedrag niet werd geaccepteerd.

Precies daarin ligt de oorsprong van ons vermogen tot moreel gedrag, onze morele intuïties. Oftewel pro-sociaal gedrag of, beter, gemeenschapsgedrag. We werden geselecteerd op het vermogen om met anderen rekening te houden en niet alleen maar voor onszelf te zorgen. Vandaar dat we schuld- en schaamtegevoelens kennen.

Maar we zijn geen morele automaten. Onze sociale natuur is ambivalent, want die neiging tot statuscompetitie, die kennen we ook nog. Die periode van jagen en verzamelen en dus van de Paleo Sociale Omgeving duurde lang, in vergelijking met de duur van de mensheidsgeschiedenis verreweg de langste periode, maar niet zo lang dat egoïsme en statuscompetitie volledig werden weg geselecteerd.

Dat kwam wel heel duidelijk aan het licht na de overgang van jagen-verzamelen naar het beoefenen van de landbouw. De tweede stap in de mensheidsgeschiedenis. Daarover in het volgende bericht.

donderdag 9 augustus 2018

Statusvertoon en vriendschap verdragen elkaar slecht - Maar dat hebben we slecht door als we vriendschap zoeken

Mensen brengen al heel lang niet meer hun hele leven door in de groep van vertrouwde anderen, zoals dat het geval was in de Paleo Sociale Omgeving van de jagers-verzamelaars. Naast het gemeenschapsdomein van familie en vrienden, kennen we ook het domein van de statuscompetitie en statushiërarchie. Bovendien is dat gemeenschapsdomein vaak maar klein en precair, vandaar dat eenzaamheid een maatschappelijk probleem is.

Anders gezegd, we leven in een maatschappij met een grote mate van sociale vluchtigheid, waarin we ons nogal eens eenzaam voelen en waarin we best wel meer vrienden zouden willen.

Maar hoe maak je nieuwe vrienden?

Evolutionair gezien zijn we er niet op geselecteerd om gemakkelijk nieuwe vrienden te maken, want die uitdaging kwam in die Paleo Sociale Omgeving eigenlijk niet voor. Vrienden had je en het ging erom die te houden, niet om nieuwe vrienden te maken.

Je moet het nu dus zelf maar zien uit te vinden. En omdat je zowel gemeenschap als statuscompetitie om je heen ziet, kan het zijn dat je die twee door elkaar haalt. En dan op het idee komt om door statusvertoon te proberen om vrienden te maken.

Dat die vergissing veel gemaakt wordt, blijkt uit de nieuwe studie The Status Signals Paradox.

De onderzoekers lieten in vijf deelstudies mensen kiezen tussen het wel of niet met statusvertoon te proberen om nieuwe vrienden te maken. Het ging er dan bijvoorbeeld om of je met een dure of een middenklasse auto zou arriveren of dat je een duur merkhorloge of een gewoon horloge zou dragen of een duur merk T-shirt aan zou trekken of een gewoon Walmart T-shirt.

Steeds bleek dat significant meer mensen kozen voor het statusvertoon. Ze verwachten dus daarmee succesvoller te zijn in het maken van vrienden. Anderen zouden hen aantrekkelijker vinden als mogelijke nieuwe vriend.

Maar of dat laatste zo was, werd ook vastgesteld door mensen te vragen naar wie ze als mogelijke vriend aantrekkelijker zouden vinden. En daaruit bleek dat degenen met statusvertoon juist minder positief werden beoordeeld. Er bestaat dus inderdaad een Status Signalen Paradox.

Kennelijk is het zo dat als we op zoek zijn naar vriendschap, maar die dus nog niet hebben gevonden, we dat statuscompetitiepatroon dat ook in ons zit, niet gemakkelijk buiten werking kunnen stellen.

Misschien dat we bang zijn om toch in een statusstrijd terecht te komen en dan willen we maar liever goed voor de dag komen.

Maar die angst maakt de kans op vriendschap dus juist kleiner.

maandag 28 mei 2018

Waarom niet dankjewel zeggen niet onbeleefd en onopgevoed is

Bij de bakker krijgen kleine kinderen wel eens een krentenbol en bij de slager wel eens een plakje worst. Je maakt dan eigenlijk altijd mee dat de ouder die daarbij aanwezig is, aan het kind vraagt "Wat zeg je dan?", als het kind niet al uit zichzelf "Dank u wel" heeft gezegd. We vinden dat kinderen moeten leren om dankjewel te zeggen als je iets krijgt of als iemand iets voor je doet.

Maar hoe vaak zeggen we eigenlijk dankjewel in zulke gevallen? En is dat cultuurafhankelijk?

De onderzoekers van de studie Universals and cultural diversity in the expression of gratitude gingen dat na door filmopnames van dagelijkse, informele interacties te analyseren die op acht verschillende plekken op aarde gemaakt waren. Zie het plaatje voor de locaties, met bij elke locatie de betreffende taal die wordt gesproken.


Ze selecteerden alle episodes waarin iemand aan een ander iets vroeg, zoals "Geef je het zout even door?", en inventariseerden of aan het verzoek werd voldaan en of daarop wel of niet met een of andere vorm van dankbetuiging werd gereageerd.

En wat bleek? Bijna altijd werd het verzoek ingewilligd en bijna nooit werd dankjewel gezegd.

Je ziet in het volgende plaatje de verdeling van de percentages dankbetuigingen over de verschillende locaties:


Zijn mensen dan zo onbeleefd en onopgevoed?

Nee natuurlijk. Het elkaar als vanzelfsprekend bijstaan en samenwerken (gemeenschapsgedrag) was een zo essentieel onderdeel van de menselijke sociale evolutie dat wij er over het algemeen nog steeds van uitgaan dat iets voor iemand doen de gewoonste zaak van de wereld is. In die Paleo Sociale Omgeving was helpen, delen en samenwerken de dagelijkse gang van zaken. Dankjewel zeggen zou op die vanzelfsprekendheid juist inbreuk hebben gemaakt.

Daarmee komt overeen dat in de meer geïndividualiseerde West-Europese samenlevingen (Italië en Engeland in het plaatje hierboven), die dus wat de dagelijkse interacties aangaat verder van de Paleo Sociale Omgeving verwijderd zijn, vaker dankjewel wordt gezegd.

Maar zelfs ook daar dus maar weinig.

dinsdag 20 februari 2018

Homo sapiens heeft zichzelf, groepsgewijs, gedomesticeerd - maar niet voorgoed

De evolutionaire achtergrond van de Dual Mode-theorie houdt in dat onze verre voorouders, de eerste Anatomisch Moderne Mensen, in staat waren om, groepsgewijs, het van de andere primaten en de meeste zoogdieren bekende gedragspatroon van statuscompetitie en statushiërarchie te onderdrukken en het evolutionair nieuwe patroon van pro-sociaal gedrag en egalitaire gemeenschap tot stand te brengen en te bevorderen.

Deze ontwikkeling speelde zich af in de Paleo Sociale Omgeving, waarin het voor overleving en reproductie noodzakelijk was om te delen en samen te werken bij het verwerven van voedsel (verzamelen en jagen) en het bieden van bescherming tegen roofdieren. Een belangrijk onderdeel van dat samenwerken en delen was het coöperatief grootbrengen van de kinderen.

Dat groepsgewijs onderdrukken van de statuscompetitie en daarmee het voorkómen van het ontstaan van de statushiërarchie (het Alfa-mannetjesmodel), die bij zoogdieren verreweg het meest voorkomt, was een sociaal proces. Oplopende ruzies en vijandigheden konden op sociale afkeuring rekenen. Als je de baas wilde spelen, werd je uitgelachen of, erger, sociaal genegeerd. En als dat aanhoudend niet hielp, liep je het risico dat je in het uiterste geval om het leven werd gebracht.

Omdat die periode van dat jagen en verzamelen heel lang heeft geduurd, zeker zo'n 95 procent van het bestaan van de mensheid, kon er dus ook een selectie plaatsvinden op pro-sociaal gedrag, op het rekening houden met anderen en het je inspannen voor het welzijn van de groep. Denk even aan de Big Five en de Big Two.

Omdat die selectie weliswaar sterk is geweest, maar niet "volledig", zijn wij mensen nu uitgerust met het vermogen tot twee gedragspatronen, dat van het evolutionair oudere patroon van de statuscompetitie en de statushiërarchie en het nieuwere patroon van het pro-sociale gedrag dat het leven in een gemeenschap mogelijk maakt.

Er is al verschillende keren op gewezen, al door Charles Darwin in 1888 en door Franz Boas in 1938, dat dit proces van het onderdrukken van statuscompetitie en het bevorderen van pro-sociaal gedrag overeenkomsten vertoont met wat er bij dieren gebeurd is die wij hebben gedomesticeerd. En die wij daarmee tot huisdieren hebben gemaakt.

De nieuwe studie Self-domestication in Homo sapiens: Insights from comparative genomics wijst op die overeenkomsten. (Ik heb er ook die verwijzingen naar Darwin en Boas aan ontleend.) Zo zijn bijvoorbeeld de verschillen in schedel en gezicht tussen wolven en honden vergelijkbaar met die tussen Neanderthalers en mensen. En qua gedrag blijft de gedomesticeerde variant jeugdiger dan de oorspronkelijke. Het verschil is dat wij mensen niet door een andere soort zijn gedomesticeerd, maar dat wij dat zelf hebben gedaan. Of eigenlijk beter: wij hebben elkaar gedomesticeerd. Vandaar: zelf-domesticatie.

In die nieuwe studie wordt deze hypothese van de zelf-domesticatie onderbouwd op het niveau van het genoom. De onderzoekers kunnen laten zien dat de genetische verschillen tussen huisdieren en hun niet-gedomesticeerde verwante soorten overlap vertonen met de genetische verschillen tussen mensen en Neanderthalers en de Denisovanmens.

Dat is fascinerend.

Maar de evolutie kent geen eindpunt. Net zo als een gedomesticeerde soort weer "terug kan verwilderen", kan ook de mens weer "terugvallen". Die zelf-domesticerende omstandigheden bestonden in de jagers/verzamelaarssamenlevingen. We leefden in kleine groepen van vertrouwde anderen en waren sterk van elkaar afhankelijk. Maar die omstandigheden zijn sinds de opkomst van de landbouwsamenlevingen veel minder aanwezig.

We proberen ze met de democratische verzorgingsstaat weer enigszins op het grootschalige niveau van de nationale staat terug te brengen. En zelfs met de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens op het niveau van de wereldbevolking.

Maar als je vandaag de dag het nieuws volgt, dan zijn er volop redenen om er niet gerust op te zijn.

vrijdag 27 oktober 2017

Crowdfunding succesvoller bij beroep op pro-sociaal gedrag

De meeste mensen hebben een bereidheid om iets goeds te doen voor anderen. Om anderen bij te staan ook als je dat zelf iets kost of inspanning vraagt. Dat pro-sociale of gemeenschapsgedrag is onderdeel van ons gedragsrepertoire doordat mensen daar in het verre verleden gedurende de lange periode van de Paleo Sociale Omgeving op geselecteerd zijn.

In die omgeving, die van groepen jagers-verzamelaars die voor hun overleving sterk waren aangewezen op onderlinge samenwerking en delen van de beschikbare bronnen, werd van dag tot dag een groot beroep gedaan op ieders neiging tot dat soort gedrag. Je groeide erin op, zag het om je heen gebeuren en deed eraan mee als een vanzelfsprekendheid. Uiteraard waren er wel eens strubbelingen, maar die konden meestal collectief worden opgelost.

De sociale omgeving waarin mensen tegenwoordig opgroeien en hun dagen doorbrengen, wijkt daar natuurlijk behoorlijk vanaf. Zo vaak gebeurt het niet dat anderen een beroep doen op onze bereidheid om iets goeds te doen. Er is waarschijnlijk een grotere hulpbereidheid dan in werkelijkheid wordt aangeboord.

Ik moest daaraan denken toen ik de nieuwe studie Go pro bono: Prosocial language as a success factor in crowdfunding onder ogen kreeg.

De onderzoekers analyseerden een groot aantal projecten op het online crowdfunding platform Kickstarter op het percentage pro-sociale woorden dat in de beschrijving gebruikt werd. Update. De onderzoekers geven in een Appendix de gehele lijst van woorden. Enkele voorbeelden: altruistic, charity, civic, co-operative, collective, communal, compassion, donate, egalitarian, equality, fairness, generosity, etc.).

Hoe meer van zulke woorden, die er dus op wijzen dat je een goed doel dient als je deelneemt, hoe meer deelnemers een project wist te werven en hoe groter de kans dat het benodigde bedrag ook werkelijk binnengehaald werd.

Dit werd aangevuld met een experimenteel onderzoekje, waarin proefpersonen konden aangeven of ze een project zouden steunen of niet. Ook toen bleek dat de steun toenam als er meer een beroep werd gedaan op de neiging tot pro-sociaal gedrag.

Het zou best eens kunnen zijn dat we in een maatschappij leven waarin we te weinig worden uitgenodigd om anderen bij te staan en iets goeds te doen voor anderen.

woensdag 1 februari 2017

Over de uitdagingen van de sociale vluchtigheid

De mens is een fundamenteel sociale diersoort. Maar mensen kunnen, als gevolg van die eigenaardige mensheidsgeschiedenis en de daardoor ontstane culturele diversiteit, in heel verschillende sociale omgevingen belanden.

In de Paleo Sociale Omgeving, die van de jagers-verzamelaars, bracht je je leven door in een nagenoeg stabiele sociale omgeving. Waarin ieder voor overleving was aangewezen op delen en samenwerking met vertrouwde anderen.

Maar met de overgang naar de landbouwsamenlevingen ontstond er een diversiteit van sociale omgevingen.

Tegenwoordig onderscheiden we de meer collectivistische en de meer individualistische maatschappijen en culturen. In de collectivistische culturen, zoals in het oosten van Azië, zijn de relaties stabieler en zien mensen zichzelf meer als onderdeel van een geheel van onderling afhankelijke personen. Daarentegen zien mensen zichzelf in individualistische culturen, zoals in Noord-Amerika en Europa, meer als autonome en onafhankelijke individuen, met wisselende relaties.

Dat betekent dat je kunt opgroeien onder condities van sociale stabiliteit of onder condities van sociale vluchtigheid. Wat maakt dat voor verschil?

In het pas verschenen Relational mobility and close relationships: A socioecological approach to explain cross-cultural differences proberen Mei Kito, Masaki Yuki en Robert Thomson daarop een antwoord te geven.

Kort samengevat komt dat antwoord er op neer dat mensen er onder condities van sociale stabiliteit op gericht zijn om harmonie in stand te houden en om zoveel mogelijk rekening te houden met anderen. Daarentegen zijn mensen er onder condities van sociale vluchtigheid op gericht om relaties met anderen tot stand te brengen en in stand te houden.

In het geval van sociale vluchtigheid gaat het er dus om dat je aantrekkelijk genoeg bent voor anderen en dat je in staat bent om relaties met anderen in stand te houden, terwijl die anderen beschikken over alternatieven. Dat is een heel andere uitdaging dan die in het geval van sociale stabiliteit. Verschillen waar de onderzoekers op wijzen zijn:
  • Onder condities van sociale stabiliteit moet je leren om om te gaan met anderen die je misschien niet zo goed liggen. In een sociaal vluchtige omgeving hoeft dat niet, omdat je de relatie gemakkelijker kunt beëindigen.
  • Daardoor zullen mensen onder condities van sociale vluchtigheid meer relaties hebben met anderen die op hen lijken. Want er kan gelden: soort zoekt soort. Bij sociale stabiliteit zullen mensen meer de vaardigheid hebben ontwikkeld om met andersoortigen om te gaan.
  • Bij sociale vluchtigheid is een relatie dus altijd minder vanzelfsprekend dan bij sociale stabiliteit. Omdat je van jezelf en van elkaar weet dat er mogelijke alternatieven bestaan.
  • Bij sociale vluchtigheid zijn mensen er meer op gericht om een bestaande aantrekkelijke relatie in stand te houden door de ander meer te ondersteunen en zo te proberen om voor de ander onmisbaar te zijn. Dit verklaart dat vrienden in individualistische culturen meer steun uitwisselen dan vrienden in collectivistische culturen.
  • Bij sociale vluchtigheid zijn mensen in hun zoektocht naar relaties meer bereid om meer van zichzelf te onthullen dan bij sociale stabiliteit. Anders gezegd, onder condities van sociale vluchtigheid is zelfonthulling (self-disclosure) een signaal dat je de relatie op prijs stelt en wilt behouden. Bij sociale stabiliteit heb je dat signaal niet nodig.
  • Onder condities van sociale vluchtigheid speelt romantische liefde een grotere rol, als een soort signaal (commitment device) van gebondenheid. Bij sociale stabiliteit is dat signaal minder nodig.
Een verschil dat niet aan de orde komt, is dat de kans op eenzaamheid onder condities van sociale vluchtigheid groter lijkt te zijn. Ik zocht even naar onderzoek, maar vond alleen deze studie en die wijst juist op het tegendeel: What Predicts Loneliness? Cultural Difference Between Individualistic and Collectivistic Societies in Europe. Iets om verder over na te denken.

Tenslotte: een aanwijzing voor sociale vluchtigheid kan ook zijn hoe vaak je verhuisd bent. Denk aan de eerdere berichten Over de sociale nadelen van vaak verhuizen, in het bijzonder ook voor kinderen en Leidt het vaak verhuisd zijn tot sociale vluchtigheid?

donderdag 17 november 2016

Een evolutionaire verklaring voor het bestaan van autisme (Asperger)

Dat wij mensen zo fundamenteel sociaal zijn, met een groot empathisch vermogen en met het vermogen tot gedeelde intentionaliteit, is het resultaat van een selectieproces dat in het verleden heeft plaatsgevonden.

In de Paleo Sociale Omgeving hing ons overleven er van af of we wel genoeg samenwerkten en deelden. Dat we overleefden en zelfs zo succesvol dat we ons over de aardbol konden verspreiden, lag er aan dat die sociale vermogens tot gemeenschapsgedrag evolutionair versterkt werden en onze neigingen tot statuscompetitie en tot het vormen van een statushiërarchie verzwakt.

Diezelfde sociale vermogens hielpen om het altijd op de loer liggende statuscompetitiegedrag collectief te onderdrukken. Iemand die toch nog de baas wilde spelen of egoïstisch was, kreeg van de anderen op zijn kop.

Deze bekende inzichten vinden een verdere uitwerking in de nieuwe studie Are there alternative adaptive strategies to human pro-sociality? The role of collaborative morality in the emergence of personality variation and autistic traits.

Want de noodzaak van dat samenwerken en delen in groepsverband hield meer in dan dat iedereen in een-op-een interacties voldoende pro-sociaal was. Ook in de evolutionair oudere statushiërarchieën (het alfa-mannetjes model) bestonden er al de een-op-een allianties. Maar in de menselijke jagers-verzamelaarsgroepen ging het om meer dan dat. Het ging er om de groep in stand te houden en daarvoor was nodig dat iedereen voldoende aan zijn trekken kwam, dat iedereen naar vermogen bijdroeg en dat er rechtvaardig werd verdeeld. Een ingewikkeld groepsproces dus, waarin normen ontwikkeld en onder woorden gebracht werden en waarin op naleving daarvan gelet werd.

En waarin het er dus ook om ging wat iedereen kon bijdragen aan het groepswelzijn en om het belang van die verschillende bijdragen goed te kunnen onderkennen. Het verschil met de toestand van een-op-een allianties maken de auteurs in dit plaatje duidelijk.


In de rechter afbeelding zie je een groepsgebeuren, waarin een samenwerkingsmoraal heerst. En die houdt ook in dat sociaal kwetsbare leden van de groep, die zich waarschijnlijk in een structuur van een-op-een allianties niet zouden kunnen handhaven, bescherming genieten omdat ze wel een bijdrage aan de groep leveren.

Anders gezegd, er kan daardoor een selectie plaatsvinden op een breder repertoire aan sociale vermogens. Er ontstaat een speelveld waarin ook sociale vaardigheden op het groepsniveau, naast die op het een-op-een niveau belangrijk worden en dus gewaardeerd worden. Er is ruimte voor een differentiatie in de vaardigheden en vermogens waarop geselecteerd wordt.

Daarmee komen we op het terrein van de evolutionaire verklaring voor het bestaan van de diversiteit van persoonlijkheidseigenschappen. Denk bijvoorbeeld aan de variatie in creativiteit. Het kan zijn dat een hoge mate van creativiteit voor de overleving van de groep heel belangrijk was, ook als die misschien samenging met eigenschappen die iemand sociaal kwetsbaar maakten. Te denken valt aan eigenschappen die we nu tot de psychische stoornissen rekenen, zoals schizotypie, bipolariteit en obsessiviteit.

Maar in dat artikel werken de auteurs deze gedachtegang in het bijzonder uit voor autisme, maar dan de variant van autisme zonder intellectuele beperkingen (Asperger). En die uitwerking is uiterst fascinerend, Kortheidshalve neem ik hieronder het plaatje over waarin ze een overzicht geven van de bijzondere perceptuele, analytische en sociale vaardigheden die met autisme samenhangen.


Waarna de auteurs er vervolgens uitvoerig op ingaan hoe zulke vaardigheden van groot belang geweest moeten zijn voor het functioneren van die jagers-verzamelaarsgroepen, voor het verwerven en cumuleren van kennis over de natuurlijke omgeving en over de interne sociale mechanismen. In zekere zin was dat domein van de samenwerkingsmoraal precies het ideale speelveld voor de intelligente autist. (Nu geen tijd om daar verder over uit te weiden, maar ik neem me voor om er nog een keer op terug te komen.)

Waardoor autisten waarschijnlijk cruciale bijdragen leverden, die ook door de andere leden van de groep konden worden onderkend. En waardoor de (vele) genen die met autisme samenhangen succesvol aan volgende generaties werden doorgegeven. Kortom, een interessante evolutionaire verklaring voor het bestaan van autisme.

woensdag 2 november 2016

Pro-sociaal gedrag van mensen met hogere status is meer strategisch en berekenend

Dat pro-sociaal gedrag zo duidelijk sociaal is ingebed, komt er uit voort dat het een uit de Paleo Sociale Omgeving overgeleverd gedragspatroon is. In jagers-verzamelaarssamenlevingen waren mensen sterk onderling afhankelijk en waren samenwerking en delen essentieel voor overleving.

Wat wij nu pro-sociaal gedrag noemen - gedrag dat ook anderen ten goede komt - dat was in die egalitaire sociale omgeving vanzelfsprekend. Kinderen leerden het bij het opgroeien. En mocht iemand toch eens toegeven aan egoïstische (statuscompetitieve) impulsen, dan waren er altijd anderen om duidelijk te maken dat zulks niet werd gewaardeerd. Zie Zelforganisatie, onderlinge afhankelijkheid en oorsprong van de moraal.

Maar we leven niet meer in een egalitaire samenleving, waarin samenwerking en delen altijd vanzelfsprekend zijn. Wat betekent maatschappelijke ongelijkheid, het bestaan van statusverschillen, voor de kans op pro-sociaal gedrag?

Wat je zou kunnen verwachten is dat degenen met lagere status meer een sociale omgeving om zich heen hebben waarin elkaar bijstaan en delen belangrijk is om rond te komen dan degenen met hogere status. De rijkeren redden zich ook wel alleen, terwijl de armeren nog wel eens elkaars hulp kunnen gebruiken. Bedenk daarbij dat armeren en rijkeren ook in verschillende sociale werelden leven (inkomenssegregatie).

Die redenering zou betekenen dat je bij mensen met lagere status, dus aan de onderkant van de samenleving, meer pro-sociaal gedrag verwacht dan bij de rijkeren. En er is inderdaad onderzoek dat in die richting wijst. Zie het bericht Hogere status maakt mensen minder pro-sociaal,

Maar er is ook onderzoek dat juist op het tegendeel wijst. Rijkeren zouden procentueel meer aan goede doelen geven en hulpvaardiger zijn dan armeren. Zie A Large Scale Test of the Effect of Social Class on Prosocial Behavior.

Wat zou hier aan de hand kunnen zijn? Een mogelijke oplossing is dat het uitmaakt of het om openbaar, publiekelijk, pro-sociaal gedrag gaat of niet.

En precies dat is onderzocht in de nieuwe studie Social Class and Prosocial Behavior. The Moderating Role of Public Versus Private Contexts.

In dat onderzoek blijkt namelijk dat als het gaat om het publiekelijk bijdragen aan een goed doel, dus met naam en toenaam doneren, de kans dat iemand met hogere status (inkomen, opleiding, beroepsstatus) bijdraagt groter is dan de kans dat iemand met lagere status dat doet.

En in het zogenaamde Dictator-spel waren mensen met hogere status vrijgeviger als ze met naam en toenaam bekend waren dan wanneer een en ander anoniem gebeurde. Dit in tegenstelling tot degenen met lagere status, waarbij het omgekeerde het geval was.

Dat doet de gedachte opkomen dat het pro-sociale gedrag van degenen met hogere status meer strategisch van aard is. Meer voortkomend uit het streven naar een goede reputatie dan uit echte bekommernis en empathie.

En dat komt er mee overeen dat degenen met hogere status meer aangaven zich op hun werk bezig te houden met "netwerken", dus met een instrumenteel doel sociale contacten aan te gaan en te onderhouden. Ook gaven ze meer aan dan degenen met lagere status dat ze trots waren op hun vrijgevige gedrag. Wat de neiging doet vermoeden om er mee te pronken.

De onderzoekers concluderen:
These differences appear to arise from reputational concerns: Whereas lower class individuals exhibited greater prosocial behavior in private than in public contexts, upper class individuals’ tendency to expect pride following prosocial acts predicted a tendency to favor public over private prosociality.
It is interesting to speculate about how social class shapes the nature of relationship patterns. For example, relatively upper and lower class individuals may respond to relationship needs for different reasons: Lower class individuals may be more motivated by the avoidance of threat and suffering, whereas upper class individuals may be more motivated by public reputation concerns. Recent evidence suggesting that upper class individuals spend more time socializing with friends than with neighbors or family members than lower class individuals seems to support this possibility (Bianchi & Vohs, 2016).
Een en ander bevestigt dat de sociale omgeving van de rijkeren verder af staat van de Paleo Sociale Omgeving dan die van de armeren. En dat het pro-sociale gedrag van de rijkeren, als het er is, minder vanzelfsprekend is en meer voortkomt uit berekening en strategie.
(De afbeelding is er een van mensen die lijken te netwerken. Overgenomen van deze site.)

woensdag 16 maart 2016

Wat leert ons een biologische antropologie van de Bijbel - 1

Carel van Schaik en Kai Michel hebben een biologische antropologie van de Bijbel geschreven: Het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel, de vertaling van The Good Book of Human Nature. An Evolutionary Reading of the Bible.

Ik heb het nog maar kort in huis, maar ben al genoeg gevorderd om het een en ander door te geven. De auteurs (zie over Carel van Schaik enkele berichten op dit blog, zoals hier, hier en hier) betogen dat de Bijbelverhalen handelen over "de grootste fout van de mensheid" (Jared Diamond), namelijk de overgang van de jagers-verzamelaarssamenlevingen naar de landbouwsamenlevingen.

Vaak wordt die overgang gezien als een soort bevrijding van de ellende en de barbarij van het pre-historische tijdperk van de jagers-verzamelaars. Denk aan Hobbes' kenschets van die natuurtoestand als een waarin het leven solitary, poore, nasty, brutish, and short is.

Maar het Bijbelboek Genesis suggereert in tegendeel dat die periode juist paradijselijk was. En daar valt biologisch-antropologisch nogal wat voor te zeggen. Alleen al omdat die periode zo lang duurde, verreweg het grootste deel van de mensheidsgeschiedenis, dat ons gedrag opvallend goed aan de omgeving was aangepast. Citaat:
In de prehistorische leefwereld waarin de menselijke evolutie zich voltrok, waren de gevoelens en intuïties van onze eerste natuur de navigatie-instrumenten waarmee we het leven van alledag aankonden.
Met die eerste natuur zijn onze "aangeboren gevoelens, reacties en voorliefdes" bedoeld:
Ze impliceren een soort natuurlijke moraal ter regulering van het menselijk verkeer. Tot deze eerste natuur behoren zulke verschillende neigingen als: liefde tussen ouders en kinderen, gevoel voor rechtvaardigheid en verontwaardiging over onrecht en ongelijkheid, afschuw over inteelt en infanticide (het doden van kleine kinderen), angst voor onbekenden en zorg voor eigen reputatie; een gevoel van verplichting tegenover anderen na een geschenk en verleende hulp, jaloezie, weerzin en ook ons religieuze bewustzijn dat overal bovennatuurlijke actoren aan het werk ziet. De eerste natuur uit zich via intuïtie en buikgevoel.
Maar was die (eerste) sociale natuur van de mens niet innerlijk tegenstrijdig? Was er niet de strijdigheid tussen enerzijds onze gemeenschapsintuïties en anderzijds onze neiging tot statuscompetitie en het daarmee gepaard gaande egoïsme en wantrouwen?

Ja, dat klopt. Maar die statuscompetitieneigingen, die evolutionair gezien terug gaan tot het tijdperk van voor de komst van de zoogdieren, konden collectief onderdrukt worden op basis van dat gevoel van rechtvaardigheid en verontwaardiging over onrecht en ongelijkheid. Zie mijn bericht over
Zelforganisatie, onderlinge afhankelijkheid en oorsprong van de moraal. Die aangepastheid aan de omgeving van jagers-verzamelaars was er niet alleen op het individuele niveau, maar daarmee samenhangend vooral ook op het niveau van de groep. En voor de volledigheid: op het niveau van de relaties tussen groepen.

Wat hield nu die overgang naar de landbouwsamenleving in? Het is goed om je te realiseren dat de landbouw niet een "uitvinding" was die het leven veraangenaamde, maar een bittere noodzaak, waarschijnlijk als gevolg van lokale overbevolking. We weten dat mensen nog lang volhardden in jagen en verzamelen toen hun "buren" al op landbouw waren overgegaan. En er valt wat voor te zeggen dat jagers-verzamelaars het "zinvolle leven" leidden. 

De vestiging op vaste woonplaatsen, genoodzaakt door de landbouw, betekende een culturele kwantumsprong, die tot grote problemen leidden:
Binnen de kortste keren overspoelden nieuwe problemen de mensheid. In de allereerste plaats ziektes. Maar ook hongersnoden en geweld als gevolg van de nieuwe concurrentieverhoudingen betekenden een bedreiging voor het bestaan.
Van Schaik en Michel verwijzen naar schattingen van Sam Bowles dat de eerste landbouwers aanzienlijk meer tijd moesten investeren in eenzelfde hoeveelheid calorieën dan jagers-verzamelaars.
Zo'n snelle en dramatische verandering betekende dat genetische mutaties onvoldoende tijd hadden om aanpassing te realiseren. Onder zulke omstandigheden sterft een populatie doorgaans uit of vertrekt naar gunstiger streken.
Maar met vallen en opstaan slaagden onze voorouders erin om die problemen het hoofd te bieden. En daarvoor was de (verdere) ontwikkeling van onze derde natuur nodig, de verstand-natuur:
de cultureel verankerde grondregels, gewoonten in instituties die we op basis van een sterk bewuste rationaliteit naleven - vaak als uitkomst van een gerichte situatieanalyse.
En over de problemen die dat alles met zich meebracht, gaan dus die Bijbelverhalen. Ik lees verder en kom terug met volgende berichten.

Maar nu al: dit is een fascinerend boek. Koop het en lees met mij mee.

vrijdag 2 oktober 2015

De oorsprong van ons pro-sociale gedrag: grote hersenen en wapens

Waar komt toch ons pro-sociale gedrag vandaan, ons altruïsme en onze neiging tot samenwerking? Dat soort gedrag, en de bijbehorende morele emoties, zijn bij andere diersoorten niet geheel afwezig (lees Frans de Waal), maar zo opvallend als bij ons toch niet. Sinds Darwin en vooral na de neo-Darwiniaanse revolutie in de tweede helft van de vorige eeuw (Hamilton, Trivers) zijn er boeken en tijdschriften volgeschreven om die puzzel op te lossen. Een deel van de onderzoeksresultaten en de ontwikkelde inzichten is terecht gekomen in de berichten op dit blog over pro-sociaal gedrag. Klik op het label pro-sociaal gedrag, Maar zie ook morele intuïties en cooperative breeding.

Een aardige aanvulling is er nu van de hand van Tim Phillips (onafhankelijk onderzoeker!): Human Altruism and Cooperation Explainable as Adaptations to Past Environments No Longer Fully Evident in the Modern World. Het betoog is te veel omvattend om hier helemaal te kunnen samenvatten. Neem vooral de tijd om het zelf te lezen als het je interesseert ( maar het vereist wel wat achtergrondkennis).

Tim Phillips komt bij zijn poging om de puzzel op te lossen terecht bij twee gebeurtenissen in de vroege menselijke geschiedenis: de vrij plotselinge en snelle groei van de hersenomvang en de "uitvinding" en de snelle verspreiding ontwikkeling van het vermogen om wapens te gebruiken. Denk wat dat laatste betreft aan stenen, stokken, pijlen en speren.

Die groei van onze hersenomvang kon slechts optreden bij een verkorting van de duur van de zwangerschap. Die zou eigenlijk 21 maanden moeten zijn als je uitgaat van die van andere zoogdieren met vergelijkbare levensduur. Die reductie tot 9 maanden was nodig om geboortes tot een goed einde te kunnen brengen, maar had tot gevolg dat baby's nog lang onzelfstandig zijn en dus veel zorg nodig hebben. Ook al omdat de groei en onderhoud van die grote hersenen heel veel energie vereisen.

Een en ander creëerde de omstandigheden waaronder een seksuele selectie kon optreden op pro-sociaal gedrag (zorg, bescherming, voedselvoorziening). Phillips betoogt dat die selectie er vooral uit bestond dat zich een vrouwelijke voorkeur voor zorgzame mannen als partners ontwikkelde. En dat minder zorgzame mannen dus minder aan bod kwamen in de voortplanting.

Maar andersom, de ontwikkeling van de mannelijke voorkeur voor zorgzame vrouwen, zal er ook geweest zijn. De eerste was waarschijnlijk belangrijker omdat die mannelijke zorgzaamheid van verder weg moest komen. Ook zal de Grootmoeder-hypothese een rol hebben gespeeld, de gedachte dat grootmoeders gingen delen in de zorg, die weer verklaart dat er een selectie kon ontstaan voor verlenging van de menselijke levensduur.

De tweede gebeurtenis was dat wij, samenhangend met die grotere hersenomvang, het vermogen ontwikkelden om wapens te gebruiken. Waarschijnlijk om daarmee beter op groot wild te kunnen jagen, zodat we beter de eiwitten konden verwerven die nodig waren voor die grote hersenen. Maar als je een keer wapens hebt, dan kun je die ook gebruiken in onderlinge ruzies en conflicten. En precies dat creëerde de omstandigheden waaronder een selectie op vreedzaam en coöperatief gedrag kon optreden.

Want die wapens waar het om ging, stenen, stokken, speren, die vormden ook een grote gelijkmaker. Iedereen kon ieder ander met een goed gemikte worp of steek om het leven brengen of op zijn minst ernstig verwonden. Als je dus teveel ruzie zocht of te zelfzuchtig was of te competitief, dan was het risico groter dat je in conflicten terecht kwam en die konden slecht aflopen. Daardoor kregen degene die zich aangenamer gedroegen en meer bereid waren tot hulp en samenwerking, een grotere overlevingskans. En zo was er een selectie op pro-sociaal gedrag en samenwerking.

Een belangrijk en interessant betoog van Tim Phillips. Zie van hem ook de eerdere studie The Effects of Extra-Somatic Weapons on the Evolution of Human Cooperation towards Non-Kin, samen met anderen. Je moet misschien wel "onafhankelijk onderzoeker" zijn om de ruimte te kunnen innemen die de ontwikkeling van zo'n nieuw idee, die van de rol van wapens in het ontstaan van pro-sociaal gedrag, mogelijk maakt.

De omstandigheden waaronder die selectie op pro-sociaal gedrag in het verre verleden zo goed zijn werk kon doen, bestaan nu niet meer of in ieder geval veel minder. Dat maakt dat wij tegenwoordig in ons gedrag veel meer bezig zijn met het, veelal onbewust, zoeken naar het goede evenwicht tussen pro-sociaal gedrag en statuscompetitie.

De selectie op de vaardigheden van en neigingen tot statuscompetitie neemt nu een veel grotere plaats in dan in het verre verleden van de jagers-verzamelaarssamenlevingen (de Paleo Sociale Omgeving). Omdat wij daar met zijn allen inzicht in kunnen hebben, is dus hoe wij verder evolueren, een proces dat wij zelf kunnen beïnvloeden.

vrijdag 15 mei 2015

Ongelijkheid in de mensheidsgeschiedenis: de cruciale rol van de agrarische revolutie

De in de laatste decennia toegenomen sociaal-economische ongelijkheid staat terecht sterk in de belangstelling. Denk ook even aan het nieuwe boek van Joseph Stiglitz: The Great Divide. Unequal Societies And What We Can Do About Them. Maar hoe zit het eigenlijk met de plaats van ongelijkheid in de gehele mensheidsgeschiedenis?

Twee nieuwe studies verschaffen aanwijzingen voor de cruciale rol van de agrarische revolutie, de opkomst van de landbouwsamenlevingen ergens tussen de 10.000 en 8.000 jaar geleden, voor hoe gelijkheid en ongelijkheid zich hebben ontwikkeld.

De ene studie, Sex equality can explain the unique social structure of hunter-gatherer bands (betaalpoort), ondersteunt de al langer bestaande vermoedens dat de wijze van samenleven van jagers-verzamelaars sterk egalitair was. Maar bovendien wijst hij er op dat sociaal-economische statusgelijkheid en seksegelijkheid bij jagers-verzamelaars samengingen. Ze lijken elkaar te versterken. Of zijn onderdeel van hetzelfde proces.

Hoe zit dat? Jagers-verzamelaars zijn er voor hun voortbestaan op aangewezen om samen te werken bij het zoeken naar voedsel. Voedsel is verspreid over de omgeving en als je voedsel vindt, of met succes gejaagd hebt, dan is er meestal meer voedsel dan je in je eentje of met een paar anderen op kunt. Dat maakt het efficiënt om als groepsleden verspreid te gaan zoeken en met het voedsel terug te keren naar een basiskamp, waar je het over iedereen verdeelt. Kortom, samenwerken en delen. En dat komt dus neer op een grote mate van gelijkheid. Denk aan de Paleo Sociale Omgeving.

Wat was de samenstelling van die groepen en hoe kwamen ze tot stand? De onderzoekers observeerden jagers-verzamelaars in de Congo en op de Philippijnen en gebruikten een computermodel om de processen te simuleren. En kwamen tot de conclusie dat de groepssamenstellingen er uit voortkwamen dat mannen en vrouwen daar in gelijke mate over konden beslissen.

Iedereen had een voorkeur om veel met de eigen familieleden samen te leven. Maar opvallend was dat de groepen die bestonden en tot stand kwamen juist uit veel niet-verwanten bestonden. En dat blijkt er een gevolg van te zijn dat zowel mannen als vrouwen invloed hebben op de keuzes die gemaakt werden. Anders gezegd, een gezin gaat deel uitmaken van een groep en gaat afwisselend "op bezoek" bij de familie van de man en bij de familie van de vrouw. Noch man, noch vrouw, hoeft er voor te kiezen om te verhuizen naar de groep van de partner. En beide houden dus contact met de eigen familie. Man en vrouw zijn gelijk. Sociaal-economische en seksegelijkheid gaan samen op.

Heel anders wordt dat als de landbouwsamenlevingen opkomen. Daarop wijst de nieuwe studie A recent bottleneck of Y chromosome diversity coincides with a global change in culture (betaalpoort). Genetici hebben namelijk gevonden dat ten tijde van de opkomst van de landbouw de genetische diversiteit van mannen, vergeleken met die van vrouwen, sterk toenam afnam (!). Wat betekent dat mannen in die landbouwsamenlevingen, waarin je rijkdommen kon vergaren en waarin de statuscompetitie dus werd aangewakkerd, ook met elkaar gingen concurreren om de voortplanting. Er was eenvoudig gezegd een terugval in de richting van het Alpha-mannetjesmodel: een statushiërarchie waarin het Alpha-mannetje er in slaagt om de reproductie te monopoliseren. Zie ook There was a decline of male diversity when humans took to agriculture voor een samenvatting van het onderzoek.

En dan zien we dus de transformatie van het pair-bond model van de jagers-verzamelaars naar de extreme ongelijkheid van de keizerrijken en de vorstendommen, met ongelijkheid dus zowel naar sociaal-economische status als naar sekse. 

De ongelijkheid die we met de opkomst van de democratieën en de verzorgingsstaten in de twintigste eeuw dachten achter ons te hebben gelaten. Vandaar al die emancipatiebewegingen. Maar die verworvenheden lijken de laatste decennia dus te worden bedreigd.

woensdag 17 december 2014

Postnatale depressie en het sociale isolement van gezinnen

In de nieuwe studie Is Postpartum Depression a Disease of Modern Civilization? (betaalpoort) vragen de psychologen Jennifer Hahn-Holbrook en Martie Haselton zich af of de hoge prevalentie van postnatale depressie voortkomt uit kenmerken van onze huidige leefwijze. Is postnatale depressie net als obesitas, diabetes en hart- en vaatziekten een moderne beschavingsziekte? En spelen ook sociale kenmerken daarin een rol, zoals het historisch gezien grote sociale isolement van onze gezinnen?

Allereerst: komt postnatale depressie inderdaad zoveel voor? Ja, dat lijkt inderdaad het geval te zijn. Wereldwijd wordt geschat dat 13 procent van de vrouwen last heeft van depressieve symptomen in de eerste drie maanden na de bevalling. (Na wat zoeken kom ik voor Nederland schattingen tegen van tussen de 10 en 14 procent. En ik ontdek dat postnatale depressies niet worden geregistreerd.) Dat is een hoog percentage, gezien de schadelijke effecten die bekend zijn, zoals minder goede zorg voor de pasgeborene en grotere kans op cognitieve, sociale en gezondheidsproblemen op latere leeftijd. Er is zelfs een verband met kindersterfte.

De onderzoekers gaan na of dit er aan zou kunnen liggen dat onze leefwijze teveel afwijkt van de omstandigheden waaraan wij in ons evolutionaire verleden zijn aangepast. De omstandigheden dus van de pre-landbouwsamenlevingen. Deze mismatch-hypothese onderzoeken ze op het vlak van dieet, borstvoeding, fysieke beweging en blootstelling aan zonlicht.

Maar ook op het sociale vlak, namelijk als het gaat om het sociale isolement van gezinnen, dat zo kenmerkend is voor onze huidige leefwijze in vergelijking met de Paleo Sociale Omgeving.

Het blijkt namelijk dat de kans op postnatale depressie groter is bij minder sociale steun van de kant van grootouders, familie en vrienden. En dat komt natuurlijk doordat familie en vrienden vaak niet in de buurt wonen en doordat het veel voorkomt dat wij onze buren niet zo goed kennen. Bovendien zijn onze gezinnen klein en worden onze kinderen veelal met korte tussenpozen geboren. Daardoor is er ook weinig kans dat oudere kinderen bij de zorg te hulp kunnen schieten. (Wat trouwens ook goed zou zijn voor hun sociale ontwikkeling.)

Historisch gezien is dat een uitzonderlijke toestand. De grote mate van sociale steun voor en na de bevalling die in de Paleo Sociale Omgeving bestond, is waarschijnlijk cruciaal geweest in de selectie waaraan onze verre voorouders werden blootgesteld. Zonder die coöperatieve zorg hadden wij nu niet bestaan.

Jammer dat wij er met zijn allen zo slecht in slagen om die sociale omgeving die moeders en kinderen, en wij allemaal, zo nodig hebben ook voldoende tot stand te brengen.

Meer weten? Zie ook dit artikel op het blog van de Huffington Post.

donderdag 27 november 2014

Neo-liberalisme en burgermansmoraal - Notitie n.a.v. David Graeber

Een korte notitie naar aanleiding van David Graeber, Debt. The First 5,000 Years, dat ik aan het herlezen ben. Zie eerder het bericht Zelf-organisatie en het baseline communisme van David Graeber.

Graeber weerlegt in dat boek de gedachte dat de uitvinding van het geld een oplossing was voor het probleem van de inefficiëntie van ruil-in-natura (barter). Die gedachte is een hardnekkige mythe, die in veel economiehandboeken gedachteloos wordt opgevoerd.

Nou en? Zou je kunnen denken. Maar er hangt nogal wat mee samen. Want onderdeel van die mythe is een bepaalde visie op de "oertoestand" van de mensheid. En dus op wat het betekent om mens te zijn. Die oertoestand zou namelijk een samenleving zijn die geheel is gebaseerd op het voor-wat, hoort-wat principe. Mensen doen alleen wat voor elkaar als er genoeg tegenover staat. Eigenbelang staat voorop.

Is er op die basis wel een vreedzame maatschappij mogelijk? Ja zeker, want volgens diezelfde mythe is dat de marktmaatschappij. De marktmaatschappij is de vervulling van wat mensen kunnen en willen. Hij komt volop tegemoet aan onze ideeën over welke verantwoordelijkheden mensen tegenover elkaar hebben.

Graeber noemt Nietzsche en Smith als uitgesproken aanhangers van deze mythe. Maar wat die twee in feite doen, is dat ze de burgermansmoraal van de achttiende en negentiende eeuw katapulteren naar de gehele mensheidsgeschiedenis. (Ik vind overigens Smith nogal wat interessanter dan Nietzsche.)

Uiteraard weten we dat dat van geen kant klopt. De menselijke morele intuïties hebben zich ontwikkeld in de lange periode dat onze voorouders als jagers-verzamelaars sterk van elkaar afhankelijk waren. En doorhadden dat samenwerking en onderlinge hulpverlening cruciaal waren voor hun overleving. Graeber noemt dit het baseline communism. Niet de burgermansmoraal, maar het "van ieder naar zijn vermogens en voor ieder naar zijn behoeften", domineerde de oertoestand van de mensheid. Vergelijk mijn Paleo Sociale Omgeving, als bron van onze morele intuïties.

Een andere keer meer hierover, maar nu de notitie dat dit meer is dan alleen een intellectueel of wetenschappelijk twistpunt. Want het lijkt me politiek-maatschappelijk uiterst actueel. Veel van het huidige, zeg maar, neoliberale denken lijkt namelijk precies dat te zijn, een maatschappijvisie geheel gebaseerd op die burgermansmoraal van Nietzsche en Smith.

Mensen komen alleen maar tot iets goeds als we ze via het marktmechanisme laten concurreren. Want het eigenbelang overheerst altijd. De overheid is nodig, maar die moet je vooral niet zien als een middel om onderlinge solidariteit te organiseren. Want die solidariteit is een hersenschim. Waardoor overheden altijd het gevaar lopen een middel te worden voor sommigen om op kosten van anderen te leven. Zo zitten mensen nu eenmaal in elkaar.

Het is niet alleen een sombere, maar vooral ook werkelijkheidsvreemde visie op wat mensen zouden kunnen en willen. Maar later dus meer.

maandag 13 oktober 2014

Statuscompetitie is bij mensen nooit ver weg - maar gemeenschap ook niet

De menselijke sociale natuur is ambivalent. Enerzijds zijn we in staat tot zorg voor elkaar, hulpvaardigheid en goedgeefsheid. Maar anderzijds ook tot competitie om status, vijandschap en overheersing, of complementair daaraan, gehoorzaamheid en ondergeschiktheid. De neiging tot gemeenschapsgedrag kennen we, maar evenzeer de neiging tot statuscompetitie en tot het creëren van een statushiërarchie. Dat is een inzicht dat deel uitmaakt van wat ik eerder de Dual-Modetheorie noemde.

Toegerust met die innerlijke ambivalentie kunnen mensen heel verschillende samenlevingsvormen tot stand brengen. Waarvan je je twee uitersten kunt voorstellen: een zuivere gemeenschap, met alleen maar gemeenschapsgedrag, en een zuivere statuscompetitie/statushiërarchie, met alleen maar statuscompetitiegedrag. In die zuivere gemeenschap zou de statuscompetitie geheel onderdrukt worden en in de zuivere statuscompetitie/statushiërarchie zou gemeenschapsgedrag geen kans krijgen. Maar dat zijn abstracte voorstellingen, want die twee polen lijken in de werkelijkheid niet voor te komen.

We krijgen nu een interessant kijkje in een samenlevingsvorm die heel dicht tegen die gemeenschapspool aanligt, maar waarin de statushiërarchie toch ook weer niet geheel blijkt te ontbreken. Het gaat om het bericht Anthropologists find that even among egalitarian forager-farmers, social status can impact health and happiness. Antropologen deden onderzoek bij de Tsimane, een egalitaire jagers/verzamelaarssamenleving in het Boliviaanse Amazonegebied. Ik schreef eerder over de Tsimane in het bericht Persoonlijkheid en maatschappij: de Big Five en de Big Two.

De onderzoekers gingen, over een periode van vier jaar jaar, na wie er in die Tsimane-samenleving de meeste invloed had in de gezamenlijke besluitvorming. Dus naar welke personen meer werd geluisterd als ze wat te berde brachten en naar welke minder. Waren er informele "leiders" en zo ja, wie waren dat? Daarnaast stelden ze periodiek, via urinemonsters, de niveau's van het stresshormoon cortisol vast. Hoe hoger dat niveau, hoe groter de psychosociale stress. En artsen voerden medische check-ups uit.

Het bleek toen dat degenen die minder invloed hadden, naar wie minder werd geluisterd, een hoger cortisolniveau hadden. Bovendien bleek dat het cortisolniveau steeg bij degenen die in het verloop van die vier jaar hun invloed zagen afnemen. Daar kwam mee overeen dat hun kans op luchtweginfecties toenam.

Dat betekent dat je de gezondheidsverschillen naar status die wij in onze maatschappij kennen, toch ook aantreft in deze voor het overige sterk egalitaire samenleving. Gemeenschap, eerlijk delen, elkaar ondersteunen, samen zorgen voor de kinderen, dat alles domineert, maar de statushiërarchie is niet volledig uitgebannen. En die vinden we dus terug in die verschillen in cortisolniveau's en gezondheid.

Nu kun je daar wel tegenin brengen dat de Tsimane al niet meer uitsluitend leven van jagen en verzamelen. Ze doen ook al wat aan landbouw (bananen en maniok) en blijven langer op een plek. Het kan zijn dat de bij hen gevonden verschillen kleiner zijn bij de meer zuivere jagers-verzamelaarssamenlevingen.

De andere kant van het verhaal is natuurlijk dat we in de huidige kapitalistische maatschappijen weliswaar een hoge mate van statuscompetitie en statushiërarchie kennen, maar dat gemeenschapsgedrag daarin natuurlijk niet ontbreekt.

Ik moest nog even terugdenken aan Debt. The First 5,000 Years van David Graeber, waarin hij de zelforganisatie van de jagers-verzamelaars, de Paleo Sociale Omgeving, aanduidt als de sociale vorm van het baseline communism ("van iedereen naar vermogen, voor iedereen naar behoefte"). Zie mijn eerdere bericht Zelf-organisatie en het baseline communisme van David Graeber.

En waarin hij vervolgens laat zien dat die sociale vorm natuurlijk tegelijk ook niet is weg te denken uit het economische systeem van het kapitalisme. Mensen hebben hun netwerk van persoonlijke relaties, waarin ze elkaar zo goed mogelijk proberen bij te staan en contact met elkaar te houden. En in veel landen proberen ze om een verzorgingsstaat te vestigen en in stand te houden, waarin de onderlinge hulpbereidheid een institutionele vorm krijgt. Het kapitalisme zou daarzonder niet kunnen bestaan. (Update. Zie ook nog eens het bericht Participatiesamenleving in plaats van verzorgingsstaat? Niet of-of, maar en-en.)

Kortom, statuscompetitie is bij mensen nooit ver weg. Maar gemeenschap ook niet.

maandag 15 september 2014

Hoe komt het dat we niet vaker een praatje maken met vreemden? Terwijl daar sociale winst is te behalen

Dennis Rijnvis schreef een mooi stuk in Volkskrant Magazine van zaterdag (De praatjesmaker) over onze terughoudendheid in het aanspreken van vreemden en het maken van een praatje. Hij had zich verdiept in het onderzoek dat daarnaar gedaan is. Zie ook mijn bericht Maak wat vaker een praatje, ook al is het met een vreemde, en je voelt je beter. Maar hij heeft ook zelf de proef op de som genomen door gesprekken met vreemden aan te knopen of dat te proberen.

Dat was lastig, want we zijn terughoudend in het contact met mensen die we niet kennen. Maar hij merkte wat ook uit dat onderzoek naar voren komt, namelijk dat hij zich er beter door ging voelen:
Ik spreek op station Den Haag Centraal meer voorbijgangers aan dan ik met mezelf had afgesproken. Na tien praatjes lijken mensen om me heen opeens meer benaderbaar. Op de terugweg naar huis, voel ik me zelfverzekerd en sociaal, voldaan, alsof ik naar een verjaardag ben geweest. Gek, want ik ken niemand met wie ik heb gesproken.
Dat is natuurlijk opmerkelijk, dat we zo'n hoge drempel hebben om iets te doen waardoor we ons beter voelen. Hoe zou dat komen? En hoe dat betere gevoel te verklaren? Dat weet ik natuurlijk ook niet precies, maar ik heb wel een correctie en een aanvulling.

In dit bericht die correctie. Dennis haalt de Antwerpse psycholoog Mark Nelissen aan, die denkt dat wij in het verre verleden een betere overlevingskans hadden als we geen vreemden aanspraken. Want die konden vreemde bacteriën bij zich dragen waar we ziek van werden. En bovendien was er veel geweld tussen stammen.

Ik denk dat het iets anders lag. In die Paleo Sociale Omgeving waar Nelissen het over heeft, dus de samenleving van jagers-verzamelaars, kwamen we eigenlijk nooit met vreemden in aanraking. We groeiden op te midden van vertrouwde anderen. En er was regelmatig contact met naburige groepen, waarmee uithuwelijkingsrelaties bestonden. Er was dus ook een behoorlijke vertrouwdheid met de buren. Dat gevaar van vreemde bacteriën dan? Dat speelde op veel grotere afstand, met een langer tijdsverloop na de "afscheidingen". Denk aan Columbus en zijn mannen: door de bacteriën die ze vanuit Europa meenamen, werd de inheemse bevolking gedecimeerd.

Oorlogen kwamen in de periode van de Paleo Sociale Omgeving niet voor, omdat er geen aanleidingen toe waren. Als een bepaald grondgebied te druk werd bezet, dan schoven sommigen een stukje op. Aanleidingen om oorlog te voeren kwamen pas op in de agrarische samenlevingen. Zie de expert op dit gebied, Douglas P. Fry, daarover. Dat wil overigens niet zeggen dat alles pais en vree was. Want binnen de groepen kwam wel geweld voor als middel om de altijd op de loer liggende statuscompetitie te onderdrukken. Maar dat was incidenteel geweld tussen personen, geen oorlog tussen groepen.

Het was dus niet zozeer dat onze voorouders er op geselecteerd werden om contact met vreemden te vermijden, maar veeleer dat ze er niet op geselecteerd konden worden om goed te weten hoe je met vreemden om moest gaan. Het kwam zo weinig voor dat het geen sociale uitdaging was om dat goed te kunnen. Net zo als het niet voorkwam dat je een auto moest kunnen besturen. Vandaar dat wij nu autorijles moeten nemen. En vandaar dat Dennis melding maakt van een psychologe die cursussen geeft in het maken van een praatje.

Dat ongemak dat we ervaren bij het aanspreken van een vreemde is wat dit betreft vergelijkbaar met de moeite die we hebben met het vragen om hulp. In die Paleo Sociale Omgeving was het vragen om hulp meestal niet nodig, want het was vanzelfsprekend dat je die kreeg. Dus was er ook geen selectie op het vermogen om dat goed te kunnen. Zie de eerdere berichten Is er meer hulpbereidheid dan dat er hulp gegeven wordt?, De moeilijkheid van hulp vragen is niet universeel en Over het genoegen van het om hulp gevraagd worden.

In een volgend bericht de aanvulling. Over de vraag namelijk waardoor het komt dat we het prettig vinden om met vreemden een praatje gemaakt te hebben. Over de sociale winst die er is te behalen. Lees alvast eens Is de kring van mensen waarmee we omgaan te klein? 
Update. Zie nu ook hier het vervolgbericht.

maandag 1 september 2014

Voeding en samenleving: de onvermijdelijkheid van de verwetenschappelijking

Esther Nederhof reageerde per email op mijn bericht Eenzaamheid vergroot de behoefte aan zoetigheid. En over hoe dat komt. Het ging in dat bericht onder meer over de behoefte van onze hersenen aan glucose en dus aan suiker in onze voeding, vooral bij grote cognitief-emotionele uitdagingen zoals sociaal isolement en eenzaamheid. Ik verwees naar een Noors onderzoek waaruit bleek dat eenzaamheid samen gaat met het veel drinken van suikerhoudende dranken.

Esther schreef, en ik citeer met haar toestemming:
Ik houd mij als post-doctoraal onderzoeker bij psychiatrie bezig met depressie en probeer vooral te kijken vanuit evolutionair perspectief. Op dit moment ben ik bezig een onderzoekslijn op te zetten om het effect te bestuderen van paleovoeding op psychiatrische symptomen en in het bijzonder depressie. Uw blog van 22 augustus was daarop natuurlijk erg van toepassing. Wat mij echter een beetje stoorde, en u bent zeker niet de enige wie die 'fout' maakt, dus ik neem het u niet persoonlijk kwalijk, is de aanname dat onze hersenen niet zonder glucose kunnen. Onze hersenen kunnen prima zonder glucose uit onze voeding, dan maakt het lichaam namelijk ketonen aan uit de vetten die we eten. Er zijn aanwijzingen dat de hersenen het zelfs veel beter doen op ketonen dan op glucose, maar dat terzijde. De bevindingen van het Noorse onderzoek dat u beschrijft zouden volgens mij in het licht van alomtegenwoordige 'metabole rigiditeit' gezien moeten worden. Doordat ons sinds de jaren 80 wijs gemaakt wordt dat we koolhydraatrijk en vetarm moeten eten, zijn velen hun metabole flexibiliteit verloren, de capaciteit om over te schakelen van glucose naar ketonen en vice versa. In dat licht gezien klopt de interpretatie van deze Noorse onderzoekers, maar het klopt niet dat onze hersenen niet zonder glucose kunnen.
Ik bedankte Esther voor haar reactie en kreeg toen nog een mail met een verwijzing naar het blogbericht Ketonen. Wat?, dat ze daarover geschreven heeft. En als ik het goed begrijp, kan dat koolhydraatrijke dieet dat ons is aangepraat, dus ook een oorzaak zijn van onze toegenomen behoefte aan zoetigheid. Naast de toegenomen eenzaamheid.

Hoewel het wat buiten het gebied van de sociale wetenschap ligt, vond ik dat punt van die metabole flexibiliteit die we misschien zijn kwijtgeraakt door veel koolhydraten en weinig vet te eten, wel interessant. Want nogmaals, er is toch hoogstwaarschijnlijk een parallel tussen Paleovoeding en de Paleo Sociale Omgeving. Zie nog eens De vereenvoudigde redenering achter het Paleo Dieet (en de Paleo Leefwijze) en Is er naast het Paleo Dieet ook een Paleo Sociale Omgeving?

Die parallel bestaat er in ieder geval uit dat we in een situatie terecht zijn gekomen waarin we niet als vanzelf goed weten: 1. welke dieet en 2. welke wijze van samenleven voor onze gezondheid het beste is. En dat we in beide gevallen dus te rade moeten gaan bij wat het wetenschappelijk onderzoek oplevert. We zijn met zijn allen onvermijdelijk aan het "verwetenschappelijken".