Lees vandaag vooral het verhaal van Rutger Bregman, die een fraai overzicht geeft van wat er mondiaal aan de gang is met lokale democratie, participatory budgeting en buurtzelfbeheer: In meer dan 1500 steden vindt nu een democratische revolutie plaats.
De hang naar lokale democratie en zelf-organisatie is een opmerkelijke ontwikkeling. Als je mijn berichten over zelf-organisatie en buurtzelfbeheer gevolgd hebt, kun je nu door Rutger Bregman bijgepraat worden over de nieuwste ontwikkelingen.
Zie voor activiteiten in Nederland ook de website van het LSA (Landelijk Samenwerkingsverband Actieve bewoners).
Over een nieuw sociaalwetenschappelijk zicht op mens en maatschappij. En over de lange weg daarnaartoe.
Posts tonen met het label buurtzelfbeheer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label buurtzelfbeheer. Alle posts tonen
maandag 8 februari 2016
dinsdag 6 oktober 2015
De gemeenschap herontdekken
Lees vandaag als je ook maar even de tijd kunt vinden (11-15 minuten) dit fraaie bericht van Thomas van Heste op De Correspondent: De stad is van ons! Hoe jonge ideeënmakers de gemeenschap willen herontdekken.
Mooi, die herontdekking van het domein dat noch tot de markt, noch tot de staat behoort. Het domein dus van de commons, van het buurtzelfbeheer en van de zelforganisatie.
Zie voor meer achtergrond ook nog eens het bericht Om mens en menselijkheid - Over sociologie.
Mooi, die herontdekking van het domein dat noch tot de markt, noch tot de staat behoort. Het domein dus van de commons, van het buurtzelfbeheer en van de zelforganisatie.
Zie voor meer achtergrond ook nog eens het bericht Om mens en menselijkheid - Over sociologie.
maandag 14 september 2015
Van het afscheid van de wijkgedachte in 1955 naar de buurtrechten in 2015 - hoe het denken over de buurt veranderde
Vandaag vergadert in de Tweede Kamer de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken over de initiatiefnota van het PvdA-Kamerlid Grace Tanamal over buurtrechten. Over buurtrechten schreef ik eerder, oktober vorig jaar, in het bericht Nieuwe stap in richting buurtzelfbeheer. Het gaat om het recht op het mogen meedoen met openbare aanbestedingen van publieke diensten, om het recht om te mogen beschikken over maatschappelijk vastgoed, zoals een buurthuis, en om het recht op het mogen indienen van een plan voor buurtontwikkeling. Zie hier de samenvatting van de nota waar het om gaat: Samenvatting Initiatiefnota ‘Buurtrechten voor iedereen’.
In dat bericht van oktober vorig jaar wees ik er op dat de mogelijke voordelen van buurtrechten niet alleen liggen op het terrein van de kwaliteit van de geleverde diensten, maar ook op dat van de sociale kwaliteit van de buurt. Door buurtrechten kan zelforganisatie van de buurt worden bevorderd en dat kan er weer toe leiden dat buurtbewoners meer met elkaar in contact komen en meer onderlingen verbonden raken.
En we weten dat zulks grote voordelen heeft. Omdat mensen buiten het eigen gezin niet meer zoveel sociale contacten hebben, hebben buurtcontacten aangetoonde positieve gezondheidseffecten en verminderen ze de kans op eenzaamheid. (Denk nog even aan de Week Tegen de Eenzaamheid van 24 september tot 3 oktober.) Ook weten we dat vertrouwen tussen buurtbewoners bijdraagt aan het algemene vertrouwen van mensen in anderen en dat maatschappijen met meer onderling vertrouwen beter gedijen. En we weten dat kinderen beter opgroeien in buurten waarin mensen elkaar kennen en wel eens iets voor elkaar doen.
Mooi dus dat er nu in de Tweede Kamer aandacht is voor dat initiatief van Grace Tanamal. Maar eens afwachten wat het oplevert.
Maar ik moest ook even terugdenken aan de toen nog jonge socioloog Jacques van Doorn (1925-2008), later hoogleraar en gevierd en gevreesd columnist, die in 1955, in een tijd van optimistisch modernisme, betoogde dat "de wijkgedachte" achterhaald was. In zijn Wijk en stad: reële integratiekaders? probeerde hij de "romantische visie" uit te bannen dat de buurt nog een sociale functie zou kunnen hebben.
Als je het betoog nu terugleest, dan merk je op dat het nog best genuanceerd is. Maar dat is minder het geval met de invloed die het heeft uitgeoefend. In de sociologie en in het beleid is er vaak naar verwezen als het afdoende "bewijs" dat mensen hun buurt als bron van sociale contacten niet meer nodig hebben. Geleerd gezegd: de ouderwetse territoriale integratie heeft definitief plaats gemaakt voor de moderne functionele integratie. In concreto betekende dat dat mensen hun contacten wel uit hun werk halen. Daar zijn medebuurtbewoners niet meer voor nodig.
En dat was ook een ontwikkeling die diende te worden toegejuicht. Die romantische, territoriale contacten, die waren maar benauwend en controlerend. Het was modern om meer "geobjectiveerde" contacten te hebben. Die term haalde Van Doorn bij Karl Mannheim (1893-1947) vandaan, overigens een interessant man, maar nu totaal vergeten. Dat "geobjectiveerd" betekent in feite: oppervlakkig en, jawel, functioneel.
Hadden mensen dan geen persoonlijke en meer diepgaande contacten nodig? Jawel, maar die vonden ze in het eigen gezin en dat was voldoende. Van Doorn spreekt ook over "gezinsindividualisme", wat hij niet ziet als een sociaal probleem. Ik kan het niet laten om een citaat op te nemen:
Hoe anders kijken we daar nu tegenaan!
En hoe anders is de feitelijke ontwikkeling geweest. Een ontwikkeling van alleen maar groeiende aandacht voor het sociale belang van de buurt. En voor het belang van sociale contacten voor welzijn en gezondheid.
Het lijkt er op dat die ontwikkeling nu uitmondt in een beweging om dat sociale belang van de buurt ook institutioneel vorm te geven. Vandaar vandaag die commissievergadering in de Tweede Kamer over buurtrechten.
In dat bericht van oktober vorig jaar wees ik er op dat de mogelijke voordelen van buurtrechten niet alleen liggen op het terrein van de kwaliteit van de geleverde diensten, maar ook op dat van de sociale kwaliteit van de buurt. Door buurtrechten kan zelforganisatie van de buurt worden bevorderd en dat kan er weer toe leiden dat buurtbewoners meer met elkaar in contact komen en meer onderlingen verbonden raken.
En we weten dat zulks grote voordelen heeft. Omdat mensen buiten het eigen gezin niet meer zoveel sociale contacten hebben, hebben buurtcontacten aangetoonde positieve gezondheidseffecten en verminderen ze de kans op eenzaamheid. (Denk nog even aan de Week Tegen de Eenzaamheid van 24 september tot 3 oktober.) Ook weten we dat vertrouwen tussen buurtbewoners bijdraagt aan het algemene vertrouwen van mensen in anderen en dat maatschappijen met meer onderling vertrouwen beter gedijen. En we weten dat kinderen beter opgroeien in buurten waarin mensen elkaar kennen en wel eens iets voor elkaar doen.
Mooi dus dat er nu in de Tweede Kamer aandacht is voor dat initiatief van Grace Tanamal. Maar eens afwachten wat het oplevert.
Maar ik moest ook even terugdenken aan de toen nog jonge socioloog Jacques van Doorn (1925-2008), later hoogleraar en gevierd en gevreesd columnist, die in 1955, in een tijd van optimistisch modernisme, betoogde dat "de wijkgedachte" achterhaald was. In zijn Wijk en stad: reële integratiekaders? probeerde hij de "romantische visie" uit te bannen dat de buurt nog een sociale functie zou kunnen hebben.
Als je het betoog nu terugleest, dan merk je op dat het nog best genuanceerd is. Maar dat is minder het geval met de invloed die het heeft uitgeoefend. In de sociologie en in het beleid is er vaak naar verwezen als het afdoende "bewijs" dat mensen hun buurt als bron van sociale contacten niet meer nodig hebben. Geleerd gezegd: de ouderwetse territoriale integratie heeft definitief plaats gemaakt voor de moderne functionele integratie. In concreto betekende dat dat mensen hun contacten wel uit hun werk halen. Daar zijn medebuurtbewoners niet meer voor nodig.
En dat was ook een ontwikkeling die diende te worden toegejuicht. Die romantische, territoriale contacten, die waren maar benauwend en controlerend. Het was modern om meer "geobjectiveerde" contacten te hebben. Die term haalde Van Doorn bij Karl Mannheim (1893-1947) vandaan, overigens een interessant man, maar nu totaal vergeten. Dat "geobjectiveerd" betekent in feite: oppervlakkig en, jawel, functioneel.
Hadden mensen dan geen persoonlijke en meer diepgaande contacten nodig? Jawel, maar die vonden ze in het eigen gezin en dat was voldoende. Van Doorn spreekt ook over "gezinsindividualisme", wat hij niet ziet als een sociaal probleem. Ik kan het niet laten om een citaat op te nemen:
Wanneer men zich op het standpunt stelt, dat dit gezinsindividualisme niet op een moreel verval wijst, maar een van de symptomen is van een algemene tendentie in de samenleving, en dat er bovendien geen reden is om te veronderstellen dat dit gezinsisolationisme spanningen of conflicten oproept, kan men inderdaad niet van een zodanig sociaal knelpunt spreken.Duidelijker vind je niet het optimisme van de na-oorlogse sociologie verwoord. Het optimisme van de individualistische maatschappij waarin geen eenzaamheid zou bestaan, waarin mensen tevreden zouden zijn in hun sociaal geïsoleerde gezinnetje en met voor de rest alleen die geobjectiveerde contacten. Het was een sociologie die nooit problemen zag ontstaan. Want de maatschappij verandert en mensen zijn zo flexibel dat ze zich aan elke verandering succesvol aanpassen. Zie ook Om mens en menselijkheid - Over sociologie.
Hoe anders kijken we daar nu tegenaan!
En hoe anders is de feitelijke ontwikkeling geweest. Een ontwikkeling van alleen maar groeiende aandacht voor het sociale belang van de buurt. En voor het belang van sociale contacten voor welzijn en gezondheid.
Het lijkt er op dat die ontwikkeling nu uitmondt in een beweging om dat sociale belang van de buurt ook institutioneel vorm te geven. Vandaar vandaag die commissievergadering in de Tweede Kamer over buurtrechten.
donderdag 8 januari 2015
Hoe groter de gemeenten, hoe groter de vraag naar meer lokale democratie
Dit is een vervolg op het bericht Weer tien gemeenten minder - Is Nederland bestuurlijk gidsland? van drie dagen geleden. Daar voor zijn er twee aanleidingen.
De eerste is dat Corine Hoeben, van het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO), mij opmerkzaam maakte (zie de link opmerkingen onderaan dat bericht) op onderzoek van het CPB waaruit blijkt dat de opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen na fusies van gemeenten flink lager is dan daarvoor. Dit verschil blijft 7-8 jaar na de fusie bestaan. Dat bevestigt het vermoeden dat fusies van gemeenten, en meer in het algemeen, de ontwikkeling naar steeds grotere gemeenten, slecht is voor de betrokkenheid bij de lokale politiek. En dus slecht voor de lokale democratie.
Het CPB wijst overigens wel op een complicerende factor. Als je namelijk de opkomstpercentages naar gemeentegrootte vergelijkt, dan is dat percentage in grotere gemeenten niet alleen lager bij gemeenteraadsverkiezingen, maar ook bij verkiezingen voor de Provinciale Staten en de Tweede Kamer. Het verschil zal dus ook te maken hebben met andere verschillen tussen grotere en kleinere gemeenten dan de betrokkenheid bij de lokale politiek. Als je aanneemt dat geringe betrokkenheid bij de lokale democratie niet automatisch samengaat met geringe betrokkenheid bij de landelijke democratie. Een ander verschil kan zijn dat de bevolkingssamenstelling van grotere gemeenten, en dat zijn vooral de grote steden, sociaal-economisch verschilt van die van kleinere.
Maar dat neemt dus niet weg dat die afname van opkomstpercentages na fusies wijst op een oorzakelijk verband tussen gemeentegrootte en betrokkenheid bij de lokale politiek. Als je gemeenten groter maakt, neemt de betrokkenheid af.
Dat spoort met de historische ontwikkeling van de opkomstpercentages. Uit de figuur blijkt niet alleen dat sinds 1978 de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen altijd zo'n 15 procent lager ligt dan bij Tweede Kamerverkiezingen, maar bovendien dat dit verschil groter wordt. Omdat in diezelfde periode gemeenten groter zijn geworden, zou je dat dus ook verwachten.
Overigens blijft natuurlijk de vraag boven de markt hangen waardoor dat verschil überhaupt bestaat? Zou het er aan kunnen liggen dat onze gemeenten al te groot zijn geworden? Ik zou benieuwd zijn naar een vergelijking met andere landen. Als zou blijken dat in de andere Europese landen, met gemiddeld veel kleinere gemeenten, de opkomstpercentages bij gemeenteraadsverkiezingen hoger zijn, dan valt daar een les uit te trekken.
De tweede aanleiding om op dat eerdere bericht terug te komen, is dat ik dat bericht besloot met te herinneren aan de aankondiging van minister Plasterk in het voorjaar van 2013 dat hij met gemeenten in overleg zou gaan over de instelling van wijk- en dorpsraden. Dat was een aanwijzing dat de minister zich ook zorgen maakt over de lokale democratie. De negatieve ontwikkeling van steeds maar grotere gemeenten zou je immers kunnen tegengaan door wijk- en dorpsraden in te stellen en die ook bevoegdheden te geven. Maar ik verzuchtte dat we nu twee jaar verder zijn en dat ik er nog niet veel van gemerkt had.
Maar ziedaar, ik wordt op mijn wenken bediend. Vanochtend stuurt de minister de nota Vitale lokale democratie: Richting en ruimte voor verandering (pdf) naar de Tweede Kamer. Hij kondigt daarin een wet aan die experimenten met lokale democratie mogelijk moeten maken. Hij wil initiatieven die al her en der in het land genomen worden om buurtbewoners formele buurtrechten te geven, wettelijk mogelijk maken en ondersteunen.
Het gaat om zaken als het recht van een buurtcollectief om mee te doen in aanbestedingen, het recht om als eerste te mogen bieden op land of vastgoed dat te koop komt in de buurt, of het recht om een plan voor buurtontwikkeling te maken.
Een waardevolle ontwikkeling. Zie ook mijn eerdere berichten Nieuwe stap in richting buurtzelfbeheer - pleidooi voor buurtrechten van PvdA-Kamerlid Grace Tanamal en Wanneer is buurtzelfbeheer succesvol? Over mandeligheid, zelforganisatie en de participatiesamenleving.
En zie het vervolg op dit bericht: Wat is het echte gat in de lokale democratie?
De eerste is dat Corine Hoeben, van het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO), mij opmerkzaam maakte (zie de link opmerkingen onderaan dat bericht) op onderzoek van het CPB waaruit blijkt dat de opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen na fusies van gemeenten flink lager is dan daarvoor. Dit verschil blijft 7-8 jaar na de fusie bestaan. Dat bevestigt het vermoeden dat fusies van gemeenten, en meer in het algemeen, de ontwikkeling naar steeds grotere gemeenten, slecht is voor de betrokkenheid bij de lokale politiek. En dus slecht voor de lokale democratie.
Het CPB wijst overigens wel op een complicerende factor. Als je namelijk de opkomstpercentages naar gemeentegrootte vergelijkt, dan is dat percentage in grotere gemeenten niet alleen lager bij gemeenteraadsverkiezingen, maar ook bij verkiezingen voor de Provinciale Staten en de Tweede Kamer. Het verschil zal dus ook te maken hebben met andere verschillen tussen grotere en kleinere gemeenten dan de betrokkenheid bij de lokale politiek. Als je aanneemt dat geringe betrokkenheid bij de lokale democratie niet automatisch samengaat met geringe betrokkenheid bij de landelijke democratie. Een ander verschil kan zijn dat de bevolkingssamenstelling van grotere gemeenten, en dat zijn vooral de grote steden, sociaal-economisch verschilt van die van kleinere.
Maar dat neemt dus niet weg dat die afname van opkomstpercentages na fusies wijst op een oorzakelijk verband tussen gemeentegrootte en betrokkenheid bij de lokale politiek. Als je gemeenten groter maakt, neemt de betrokkenheid af.Dat spoort met de historische ontwikkeling van de opkomstpercentages. Uit de figuur blijkt niet alleen dat sinds 1978 de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen altijd zo'n 15 procent lager ligt dan bij Tweede Kamerverkiezingen, maar bovendien dat dit verschil groter wordt. Omdat in diezelfde periode gemeenten groter zijn geworden, zou je dat dus ook verwachten.
Overigens blijft natuurlijk de vraag boven de markt hangen waardoor dat verschil überhaupt bestaat? Zou het er aan kunnen liggen dat onze gemeenten al te groot zijn geworden? Ik zou benieuwd zijn naar een vergelijking met andere landen. Als zou blijken dat in de andere Europese landen, met gemiddeld veel kleinere gemeenten, de opkomstpercentages bij gemeenteraadsverkiezingen hoger zijn, dan valt daar een les uit te trekken.
De tweede aanleiding om op dat eerdere bericht terug te komen, is dat ik dat bericht besloot met te herinneren aan de aankondiging van minister Plasterk in het voorjaar van 2013 dat hij met gemeenten in overleg zou gaan over de instelling van wijk- en dorpsraden. Dat was een aanwijzing dat de minister zich ook zorgen maakt over de lokale democratie. De negatieve ontwikkeling van steeds maar grotere gemeenten zou je immers kunnen tegengaan door wijk- en dorpsraden in te stellen en die ook bevoegdheden te geven. Maar ik verzuchtte dat we nu twee jaar verder zijn en dat ik er nog niet veel van gemerkt had.
Maar ziedaar, ik wordt op mijn wenken bediend. Vanochtend stuurt de minister de nota Vitale lokale democratie: Richting en ruimte voor verandering (pdf) naar de Tweede Kamer. Hij kondigt daarin een wet aan die experimenten met lokale democratie mogelijk moeten maken. Hij wil initiatieven die al her en der in het land genomen worden om buurtbewoners formele buurtrechten te geven, wettelijk mogelijk maken en ondersteunen.
Het gaat om zaken als het recht van een buurtcollectief om mee te doen in aanbestedingen, het recht om als eerste te mogen bieden op land of vastgoed dat te koop komt in de buurt, of het recht om een plan voor buurtontwikkeling te maken.
Een waardevolle ontwikkeling. Zie ook mijn eerdere berichten Nieuwe stap in richting buurtzelfbeheer - pleidooi voor buurtrechten van PvdA-Kamerlid Grace Tanamal en Wanneer is buurtzelfbeheer succesvol? Over mandeligheid, zelforganisatie en de participatiesamenleving.
En zie het vervolg op dit bericht: Wat is het echte gat in de lokale democratie?
donderdag 23 oktober 2014
Nieuwe stap in richting buurtzelfbeheer - pleidooi voor buurtrechten van PvdA-Kamerlid Grace Tanamal
Het zou goed zijn als mensen weer meer zelf en gezamenlijk hun lokale omgeving, dus hun dorp of buurt, inrichten en beheren. Lokale zelforganisatie dus. Zie eerder mijn bericht Wanneer is buurtzelfbeheer succesvol? Over mandeligheid, zelforganisatie en de participatiesamenleving, waarin het o.a. ging over mandeligheid als juridische vorm van gezamenlijk eigendom van openbare ruimte.
Nu is er vandaag het pleidooi van PvdA-Kamerlid Grace Tanamal voor het geven van buurtrechten aan buurtbewoners als die daar om vragen. Het AD besteedt er aandacht aan.
Wat zijn buurtrechten? Daarover kom je meer te weten op de website van het Landelijk Samenwerkingsverband Actieve bewoners. Het gaat om sterk door ontwikkelingen in Engeland geïnspireerde ideeën over het geven van specifieke rechten aan buurtbewoners.
Zoals het recht om mee te mogen doen bij openbare aanbestedingen van publieke diensten, zoals " op het terrein van wijkcentra, peuterspeelzalen, groenbeheer, ouderenvervoer of het beheer en behoud van een zwembad." De bewoners hebben er dan recht op dat de sociale waarde van de zelforganisatie wordt meegewogen bij de beslissing, zoals de bevordering van een actieve, sociale en betrokken buurt.
Of het recht om te mogen beschikken over maatschappelijk vastgoed, zoals een buurthuis. Of het recht op buurtplanning, het recht dus om inbreng te hebben in de fysieke inrichting van de buurt. Denk aan Ontmoetingsplekken in de buurt: markt, overheid, zelforganisatie? In dezelfde richting gaan natuurlijk ook de pleidooien voor participatory budgeting.
Natuurlijk zullen niet alle buurten meteen aanvragers worden van zulke buurtrechten. Er zijn nogal wat hindernissen te overwinnen voordat een buurt zichzelf goed organiseert. Kijk nog even naar de voorwaarden voor zelforganisatie in dat bericht hierboven. Maar als het gebeurt waar dat het geval is, dan is dat uiterst waardevol en belangrijk.
De mogelijke voordelen liggen niet alleen op het terrein van de kwaliteit van de geleverde diensten, die wel eens beter zou kunnen zijn als de bewoners het zelf doen. Nee, de voordelen zijn vooral ook indirect.
Want zelfbeheer zal bewoners meer met elkaar in contact brengen en hun betrokkenheid bij elkaar vergroten. En onderzoek wijst uit dat dat positieve gezondheidseffecten heeft. Zie het bericht Gezondheid en sociale omgeving (4): maakt de buurt verschil? En wat zou je denken van de kans dat je hiermee ook een bijdrage levert aan de vermindering van eenzaamheid? Denk nog even aan Peter Lovenheim.
Nu is er vandaag het pleidooi van PvdA-Kamerlid Grace Tanamal voor het geven van buurtrechten aan buurtbewoners als die daar om vragen. Het AD besteedt er aandacht aan.
Wat zijn buurtrechten? Daarover kom je meer te weten op de website van het Landelijk Samenwerkingsverband Actieve bewoners. Het gaat om sterk door ontwikkelingen in Engeland geïnspireerde ideeën over het geven van specifieke rechten aan buurtbewoners.
Zoals het recht om mee te mogen doen bij openbare aanbestedingen van publieke diensten, zoals " op het terrein van wijkcentra, peuterspeelzalen, groenbeheer, ouderenvervoer of het beheer en behoud van een zwembad." De bewoners hebben er dan recht op dat de sociale waarde van de zelforganisatie wordt meegewogen bij de beslissing, zoals de bevordering van een actieve, sociale en betrokken buurt.
Of het recht om te mogen beschikken over maatschappelijk vastgoed, zoals een buurthuis. Of het recht op buurtplanning, het recht dus om inbreng te hebben in de fysieke inrichting van de buurt. Denk aan Ontmoetingsplekken in de buurt: markt, overheid, zelforganisatie? In dezelfde richting gaan natuurlijk ook de pleidooien voor participatory budgeting.
Natuurlijk zullen niet alle buurten meteen aanvragers worden van zulke buurtrechten. Er zijn nogal wat hindernissen te overwinnen voordat een buurt zichzelf goed organiseert. Kijk nog even naar de voorwaarden voor zelforganisatie in dat bericht hierboven. Maar als het gebeurt waar dat het geval is, dan is dat uiterst waardevol en belangrijk.
De mogelijke voordelen liggen niet alleen op het terrein van de kwaliteit van de geleverde diensten, die wel eens beter zou kunnen zijn als de bewoners het zelf doen. Nee, de voordelen zijn vooral ook indirect.
Want zelfbeheer zal bewoners meer met elkaar in contact brengen en hun betrokkenheid bij elkaar vergroten. En onderzoek wijst uit dat dat positieve gezondheidseffecten heeft. Zie het bericht Gezondheid en sociale omgeving (4): maakt de buurt verschil? En wat zou je denken van de kans dat je hiermee ook een bijdrage levert aan de vermindering van eenzaamheid? Denk nog even aan Peter Lovenheim.
Ook weten we dat meer contacten tussen buurtbewoners er aan bijdragen dat het algemene vertrouwen van mensen in elkaar toeneemt. En dat vertrouwen is belangrijk voor de kwaliteit van samenleven en voor de werking van de democratie.
En we weten dat kinderen beter opgroeien in buurten waarin mensen elkaar kennen en wel eens iets voor elkaar doen. Zie het bericht Sociale ontwikkeling en pro-sociaal gedrag.
Dat alles komt er op neer dat het geven van buurtrechten aan bewoners eigenlijk voor een groot deel een vorm van omwegbeleid is, beleid dus dat er op gericht is om indirect allerlei positieve effecten te bereiken, die er uit voortkomen dat mensen zich lokaal meer als een gemeenschap gedragen. Zie Overheidsonmacht in de jeugdzorg. Een pleidooi voor omwegbeleid.
Belangrijke en ingrijpende ontwikkelingen gaan zelden snel en soepel. Maar ze moeten wel op gang komen. En dit pleidooi voor buurtrechten is een belangrijke stap.
donderdag 14 augustus 2014
Wanneer is buurtzelfbeheer succesvol? Over mandeligheid, zelforganisatie en de participatiesamenleving
Veel gemeenten zijn bezig met het bevorderen van buurtzelfbeheer. Buurtbewoners zijn dan samen verantwoordelijk voor het beheer van een gemeenschappelijke binnentuin of zelfs voor verlichting, bestrating en riolering. Die gemeenschappelijke verantwoordelijkheid berust op de juridische vorm van de mandeligheid, gezamenlijk eigendom van een stuk openbare ruimte. Daar komt nogal wat bij kijken en daarom is er ook de Stichting Platform Mandeligheid, die informatie verstrekt en ondersteuning geeft.
Hoe succesvol is dat buurtzelfbeheer? De berichten daarover zijn wisselend. Charlotte Huisman deed drie dagen geleden in De Volkskrant verslag van de ervaringen in Almere. Daar is buurtzelfbeheer breed ingevoerd, maar sommige buurten willen nu het beheer teruggeven aan de gemeente. Het blijkt daar niet te werken. Niet alle bewoners willen meedoen, er zijn problemen met de vereiste deskundigheid en met het innen van de contributies. Ook zijn er buurten waar de bewoners vinden dat ze financieel opdraaien voor fouten die zijn gemaakt bij de aanleg van de infrastructuur, zoals de riolering.
Maar er bestaat ook succesvol zelfbeheer. Huisman geeft het voorbeeld van het gezamenlijke beheer van een binnentuin met twee gemeenschappelijke gebouwtjes die als buurthuis dienst doen. Er staan fitnessapparaten, een biljarttafel en schildersspullen. Er worden lezingen georganiseerd, zoals over de vraag Hoe groot is het heelal?, er wordt gezamenlijk voetbal gekeken en een bridgecursus gevolgd. Iedereen betaalt 40 euro per maand aan contributie. Over de hoogte van dat bedrag is wel een conflict geweest. Maar door het zelfbeheer en de gezamenlijke activiteiten hebben de bewoners elkaar beter leren kennen.
Hoeveel succesvol buurtzelfbeheer kun je eigenlijk verwachten? Als je bedenkt dat het hier om een vorm van zelforganisatie gaat, kom je terecht bij wat we weten over de voorwaarden voor zelforganisatie. Als je mijn eerdere bericht daarover naleest (volg de link in de vorige zin), dan verzucht je al snel dat de kans op succes wel erg klein is. Mij vielen een paar dingen op:
Hoe succesvol is dat buurtzelfbeheer? De berichten daarover zijn wisselend. Charlotte Huisman deed drie dagen geleden in De Volkskrant verslag van de ervaringen in Almere. Daar is buurtzelfbeheer breed ingevoerd, maar sommige buurten willen nu het beheer teruggeven aan de gemeente. Het blijkt daar niet te werken. Niet alle bewoners willen meedoen, er zijn problemen met de vereiste deskundigheid en met het innen van de contributies. Ook zijn er buurten waar de bewoners vinden dat ze financieel opdraaien voor fouten die zijn gemaakt bij de aanleg van de infrastructuur, zoals de riolering.
Maar er bestaat ook succesvol zelfbeheer. Huisman geeft het voorbeeld van het gezamenlijke beheer van een binnentuin met twee gemeenschappelijke gebouwtjes die als buurthuis dienst doen. Er staan fitnessapparaten, een biljarttafel en schildersspullen. Er worden lezingen georganiseerd, zoals over de vraag Hoe groot is het heelal?, er wordt gezamenlijk voetbal gekeken en een bridgecursus gevolgd. Iedereen betaalt 40 euro per maand aan contributie. Over de hoogte van dat bedrag is wel een conflict geweest. Maar door het zelfbeheer en de gezamenlijke activiteiten hebben de bewoners elkaar beter leren kennen.
Hoeveel succesvol buurtzelfbeheer kun je eigenlijk verwachten? Als je bedenkt dat het hier om een vorm van zelforganisatie gaat, kom je terecht bij wat we weten over de voorwaarden voor zelforganisatie. Als je mijn eerdere bericht daarover naleest (volg de link in de vorige zin), dan verzucht je al snel dat de kans op succes wel erg klein is. Mij vielen een paar dingen op:
- Een voorwaarde is dat de grenzen van de te beheren "hulpbron" duidelijk zijn, de grenzen dus van wat tot de verantwoordelijkheid van de bewoners behoort en wat niet. Er moet dus geen onduidelijkheid bestaan over de vraag of de bewoners of de gemeente verantwoordelijk zijn voor de gevolgen van fouten bij de aanleg van riolering. Als bewoners verantwoordelijk geacht worden, dan hadden ze daarvan op de hoogte behoren te zijn.
- De bewoners moeten de gedeelde verwachting hebben dat iedereen voldoende besef heeft van de voordelen van het zelfbeheer. Zoals het voordeel dat de buurt er op vooruitgaat als de wijze van beheer meer tegemoetkomt aan de wensen van de bewoners. Of de sociale voordelen dat de bewoners elkaar beter leren kennen, de buurt gezelliger wordt en er hulp en steun wordt uitgewisseld. Dat besef van die voordelen zal groter zijn als de bewoners verwachten, en van elkaar verwachten, dat ze langer in de buurt zullen blijven wonen. Residentiële stabiliteit (honkvastheid) is een belangrijke succesfactor. Dat vraagt om het soort ruimtelijke ordening dat daaraan bijdraagt. Zodanig dat mensen bij levensloop- en loopbaanveranderingen minder over grote afstanden hoeven te verhuizen.
- De bewoners moeten de gedeelde verwachting hebben dat ze het met zijn allen moeten doen en dat er geen alternatief is. Het gaat niet werken als te veel van hen er op rekenen dat de gemeente wel zal ingrijpen als de zaken niet goed lopen. Wat dat betreft helpt het dus niet dat er in Almere een procedure wordt ontwikkeld voor het teruggeven van de verantwoordelijkheid aan de gemeente. Het wordt dan te gemakkelijk om de uitdaging van het zelfbeheer aan je voorbij te laten gaan.
- De bewoners moeten gemakkelijk face to face kunnen overleggen over de regels van het zelfbeheer en veranderingen daarin. En over conflicten die daarover kunnen ontstaan. Een centrale ruimte, zoals een buurthuis, lijkt daarvoor een absolute voorwaarde. Niet alleen als plek om te vergaderen, maar ook als ontmoetingsplek. Veel informeel en terloops overleg is juist belangrijk en daarvoor moeten mensen elkaar zo nu en dan tegen komen. Dus meer in het algemeen zijn ontmoetingsplekken belangrijk, een winkelcentrumpje, horeca, speelplekken, bankjes. En omdat daar steeds minder van zijn, moeten gemeenten daarop beleid gaan voeren. Hoe meer ontmoeting, hoe meer succes je van zelfbeheer mag verwachten. Zelfbeheer vereist enige sociale controle.
donderdag 19 juni 2014
Waar je bij Porto Alegre ook aan moet denken: participatory budgeting
De Braziliaanse stad Porto Alegre is niet alleen bekend als de stad waar Nederland met 3-2 won van Australië (voetbal, u weet wel), maar ook als de stad waar de wereldwijde beweging van het lokale zelfbestuur begon. Daar ontwikkelde zich, dat moet rond 1990 geweest zijn, het systeem van participatory budgeting. Stadsbesturen reserveren een flink deel van hun begroting om per buurt de buurtbewoners mee te laten beslissen over de aanwending er van.
En als je die beweging wat hebt gevolgd, dan kun je niet anders concluderen dat dat het een succesverhaal is.
Bij gebrek aan tijd om daar nu over uit te weiden, alleen de link naar een recente studie: Improving Social Well-Being Through New Democratic Institutions (helaas betaalpoort, maar zie bijvoorbeeld ook Developing a Model of Participatory Democracy).
En als je die beweging wat hebt gevolgd, dan kun je niet anders concluderen dat dat het een succesverhaal is.
Bij gebrek aan tijd om daar nu over uit te weiden, alleen de link naar een recente studie: Improving Social Well-Being Through New Democratic Institutions (helaas betaalpoort, maar zie bijvoorbeeld ook Developing a Model of Participatory Democracy).
Abonneren op:
Posts (Atom)