Posts tonen met het label angst voor vreemden. Alle posts tonen
Posts tonen met het label angst voor vreemden. Alle posts tonen

donderdag 17 maart 2016

Wat leert ons een biologische antropologie van de Bijbel? - 2 - Over nostalgie en hechting en over angst voor onbekenden

Voor we verder lezen, een kort commentaar bij de omschrijving van onze 'eerste natuur", onze aangeboren gevoelens, reacties en voorliefdes, door Carel van Schaik en Kai Michel in het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel. In het vorige bericht haalde ik dit citaat aan:
Ze impliceren een soort natuurlijke moraal ter regulering van het menselijk verkeer. Tot deze eerste natuur behoren zulke verschillende neigingen als: liefde tussen ouders en kinderen, gevoel voor rechtvaardigheid en verontwaardiging over onrecht en ongelijkheid, afschuw over inteelt en infanticide (het doden van kleine kinderen), angst voor onbekenden en zorg voor eigen reputatie; een gevoel van verplichting tegenover anderen na een geschenk en verleende hulp, jaloezie, weerzin en ook ons religieuze bewustzijn dat overal bovennatuurlijke actoren aan het werk ziet. De eerste natuur uit zich via intuïtie en buikgevoel.
Twee commentaren, niet om het per se beter te willen weten, maar omdat het misschien van belang is bij het verder lezen van het boek.

Als eerste neiging zien we de liefde tussen ouders en kinderen genoemd. Ik denk dat je dit beter kunt omschrijven als de algemenere neiging om voor anderen (verwanten en andere vertrouwden) te zorgen en je aan hen te hechten. En dat is trouwens weer een bijzonder geval van de nog algemenere neiging om ons te hechten aan dat wat veiligheid verschaft en om dat in stand te houden.

Bij dat laatste denk ik even aan dat mooie boek Huiswaarts. Het wonderbaarlijke instinct van trekvogels en andere migrerende dieren van Bernd Heinrich. Wat me daarvan bijbleef is dat bijvoorbeeld de zalm door natuurlijke selectie er toe is gebracht om na een lange reis door de oceaan terug te keren naar precies die plek in de rivier waar zijn leven begon. Om zich daar voort te planten. Er zullen vast veel andere plekken zijn die veilig zijn, maar van alleen die ene plek "weet" hij het zeker.

Net zoals wij mensen nostalgisch kunnen zijn over onze geboortegrond, een nostalgie die uit onze hechtingsneiging voortkomt, is de zalm aan die ene plek gehecht, met een onbedwingbare neiging om er terug te keren en met de vaardigheden om dat te volbrengen.

Kortom, liefde tussen ouders en kinderen geeft een veel te beperkte voorstelling van wat er aan de hand is.

Mijn tweede commentaar gaat over die angst voor onbekenden. Ik vraag me sterk af of jagers-verzamelaars in dat paradijs een angst voor vreemden hadden. Die zou evolutionair moeten zijn ontwikkeld. Maar een eigenschap wordt geselecteerd als hij van belang is om veel voorkomende uitdagingen tegemoet te kunnen treden. Dat suggereert dat jagers-verzamelaars vaak genoeg met onbekenden in aanraking moeten zijn gekomen om geselecteerd te kunnen worden op die angst voor onbekenden. Die angst zou dan moeten hebben bijgedragen aan overleving.

Maar alles wat we weten over jagers-verzamelaarssamenlevingen wijst er op dat ontmoetingen met vreemden nauwelijks voorkwamen. Je groeide op een een kring van vertrouwde anderen. Je had zo nu en dan contact met naburige groepen, maar die kende je ook. Er bestonden immers uithuwelijkingsrelaties tussen groepen. En verder reikte je wereld niet. Niemand ging in zijn eentje op reis.

In plaats van een angst voor vreemden te veronderstellen, lijkt het plausibeler om aan te nemen dat onze voorouders geen idee hadden hoe ze met onbekenden zouden moeten omgaan. Ze waren er niet op geselecteerd om dat goed te kunnen.

En dat verklaart ook waarom wij nu ook nog heel verschillend kunnen reageren op een ontmoeting met een onbekende. Dat kan variëren tussen achterdocht en wantrouwen en vertrouwen en openhartigheid. In de trein houden we vaak afstand tot onbekende medepassagiers, maar ook gebeurt het dat we in een diep gesprek verwikkeld raken. igrerend

donderdag 27 juni 2013

Angst voor vreemden en het sociaal isolement van gezinnen

In de pas verschenen studie The development of stranger fear in infancy and toddlerhood: normative development, individual differences, antecedents, and outcomes (betaalpoort) laten onderzoekers zien wanneer bij peuters en kleuters de bekende angst voor vreemden opkomt en hoe die zich ontwikkelt. We zien verschillende trajecten tot en met het derde jaar. Bij sommige kinderen blijft die angst hoog of neemt hij zelfs toe; bij anderen is er een afname te zien. Bekend is dat een hoog niveau van angst voor vreemden op vroege leeftijd samenhangt met de kans op extreme verlegenheid en angststoornissen op latere leeftijd.

Waarom die angst voor vreemden? Je zou kunnen denken dat die angst nuttig is en dat er daardoor in het verleden op is geselecteerd. Hij zou onderdeel kunnen zijn van het hechtingsproces, dus de neiging om zich te hechten aan de verzorger(s) die voor het kind een veilige basis verschaffen en om bij hen in de buurt te blijven. Niets aan de hand dus. Maar er is blijkbaar een risicofactor: hoe groter die vroege angst voor vreemden, hoe meer kans op latere extreme verlegenheid en angststoornis.

Waar zou de mate van angst voor vreemden van afhangen? Dat onderzoek hierboven genoemd wijst uit dat er een erfelijke factor in het spel is. Maar ook een omgevingsfactor, namelijk het gedrag van de moeder. Als kinderen een moeder meemaken die zelf moeite heeft met omgang met vreemden, dan is de kans op angst voor vreemden groter. Het kan zijn dat beide factoren er aan meehelpen dat angst voor vreemden zo veel voorkomt en in stand blijft.

Je zou denken dat het veel uitmaakt of een gezin meer of minder sociaal geïsoleerd is. Als baby's en peuters alleen maar heel veel tijd doorbrengen in die schoot van het gezinnetje, in plaats van al vroeg met veel anderen, buren, familie en vrienden, in aanraking te komen, dan zou je minder meer angst voor vreemden verwachten. Maar in het onderzoek dat ik ken, is daar geen aandacht aan besteed. Waarschijnlijk te moeilijk om te meten.

Zou het dan zo zijn dat kinderen die opgroeien in jagers-verzamelaarssamenlevingen, in de Paleo Sociale Omgeving, waar kinderen coöperatief worden grootgebracht, geen angst voor vreemden ontwikkelen? Ik sloeg even Mothers and Others. The Evolutionary Origins of Mutual Understanding van Sarah Blaffer Hrdy op en las (p. 133-134):
What is striking about the worldview of foragers (among people as widely dispersed as the Mbuti of Central Africa, Nayaka foragers of South India, the Batek of Malaysia, Australian Aborigins, and the North-American Cree) is that they tend to share a view of their physical environment as a "giving" place occupied by others who are also liable to be well-disposed and generous. They view their physical world as being in line with benevolent social relationships. (...)
Confidence about one's place in the world does not mean life is necessarily easy (...) Yet by definition, individuals who did survive would have done so surrounded by others who cared for and shared with them. This endowed them with a personal confidence notably different from that of many modern people who grow up in environments with more available resources but less caring. People with French and German agricultural ancestors like my own are more likely to have been reared to beware of strangers. Many of us were put to bed with folktales about the world "outside over there", a scary place peopled by impoverished widows, cruel stepmothers, hungry orphanes, and unwanted children who lived surrounded by a dangerous forest where malign creatures - wolves and witches - lurked. To an Mbuti child, the forest is not so much dangerous as nurturing - it is an benignly encompassing mother-figure. Such a child is taught to be at least intially (until encountering information to the contrary) curious rather than fearful of outsiders.
Waarna een bespreking volgt van het onderzoek van Barry Hewlett, Michael Lamb en anderen (pdf), dat laat zien dat inderdaad kinderen van jagers-verzamelaars meer aanvankelijk vertrouwen hebben in anderen en minder last hebben van angst voor vreemden.

Dat suggereert dat we die angst voor vreemden, en dus die grotere kans op verlegenheid en angststoornissen, de wereld uit zouden kunnen helpen als we er in zouden slagen om het sociale isolement van gezinnen terug te dringen.

maandag 14 januari 2013

Culturele verschillen in hechting - effecten van sociaal isolement versus sociale integratie van gezinnen

Heidi Keller heeft een mooi overzichtsartikel over hechting en cultuur in de Journal of Cross-Cultural Psychology (fulltext achter de poort). Ze vindt het hoog tijd om het onderzoek naar hechting uit te breiden naar andere culturen dan die van de westerse landen. Want het meeste hechtingsonderzoek is uitgevoerd in (de midden-klasse van) westerse culturen met een hoge mate van sociaal isolement van gezinnen. Daardoor is er sterk de nadruk komen te liggen op de (veilige, vermijdende of ambivalente) hechting van het kind aan de moeder. En kon het idee ontstaan dat een veilige hechting aan de moeder als voorwaarde voor een goede ontwikkeling universeel is. Zie eerder mijn bericht over hechtingstheorie en de mythe van de opvoedbaarheid.

Maar dat idee van die exclusieve veilige hechting aan de eigen moeder is een cultureel ideaal in maar een heel klein deel van de wereld, minder dan 5 procent van de wereldbevolking. Het gaat samen met een nadruk op het ontwikkelen van zelfvertrouwen en onafhankelijkheid, belangrijk voor het leven in een individualistische maatschappij. En het is duidelijk dat die ontwikkeling vaak niet goed gaat, vooral bij een onstabiele sociale omgeving in de vroege jaren, en dat veel opgroeiende kinderen een vermijdende of ambivalente hechtingsstijl ontwikkelen. Evolutionair gezien lijken dat strategieën te zijn die zijn aangepast aan onstabiele en onveilige sociale omgevingen.

Maar hoe zit dat met de hechting van kinderen in culturen waarin gezinnen veel meer sociaal zijn geïntegreerd? Waarin kinderen veel meer coöperatief worden grootgebracht, niet alleen door de zorg van de eigen moeder, maar ook die van de vader, oudere broers en zussen, grootouders en verdere familie en andere vertrouwde personen? Het kan niet anders dan dat kinderen onder die omstandigheden veel minder exclusief gehecht zijn aan de eigen moeder. Heidi Keller vertelt bijvoorbeeld over de Efe in Zaïre, waar pasgeborenen tussen vrouwen van hand tot hand gaan en waar kinderen van zes weken oud meer tijd doorbrengen met anderen dan met de eigen moeder. En de kinderen van de Aka in het regenwoud van de Congo hebben per dag zo'n twintig personen die voor hen zorgen. Uiteraard is er meestal een speciale rol weggelegd voor de eigen moeder, maar moeders kunnen er juist ook voor waken dat hun kind zich te veel exclusief aan hen hecht.

Dit heeft interessante gevolgen. Zo blijkt dat de angst voor vreemden, die kinderen in westerse maatschappijen bijna standaard rond de 8 maanden oud ontwikkelen, vrijwel niet voorkomt in culturen waarin gezinnen sociaal geïntegreerd zijn. Zo leren de kinderen van de Beng in Ivoorkust al van jongs af aan om zich comfortabel te voelen in aanwezigheid van vreemden. Dat verklaart ook de vaak grote gastvrijheid die in dat soort culturen tegenover vreemden aan de dag wordt gelegd.

Een ander gevolg is dat het geven van zorg veel meer een over een grotere sociale kring verspreide levenservaring is dan wanneer alleen de moeder die rol op zich neemt. Zo leren oudere kinderen met vanzelfsprekende zorgtaken als vanzelf alles wat met zorg en verantwoordelijkheid te maken heeft. Ze groeien daardoor anders op dan kinderen die zulke taken niet of nauwelijks hebben. En ze creëren daardoor ook een meer zorgzame, volwassen sociale omgeving.

Een gevolg van dat sociale isolement van gezinnen, waar wij in onze maatschappij zo mee vertrouwd zijn, is natuurlijk ook dat wij een door de overheid gefinancierde en georganiseerde jeugdzorg hebben moeten laten ontstaan. In plaats van die vertrouwde sociale kring van oudere kinderen, grootouders, familieleden en anderen kennen wij jeugdhulpverleners en opvoedondersteuners en gezinsvoogden en andere professionals. Er is een aanzienlijke verschuiving geweest van wat mensen gewoon onderling doen naar wat opgeleide en collectief gefinancierde professionals doen. Met de vrij grote zekerheid dat we er door die verschuiving in overwegende mate op achteruit zijn gegaan. Update. Zie ook het bericht Overheidsonmacht in de jeugdzorg.