Posts tonen met het label Rita Smaniotto. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Rita Smaniotto. Alle posts tonen

maandag 3 februari 2014

Berust wederkerigheid op vertrouwdheid of op berekening?

Vertrouwdheid zou wel eens de voorwaarde kunnen zijn geweest voor de ontwikkeling van ons vermogen tot pro-sociaal gedrag (altruïsme). In de literatuur over de mogelijke biologische mechanismen achter dat vermogen, gaat het vooral om verwantschapsaltruïsme en wederkerigheidsaltruïsme. Zie het bericht Draait alles om vertrouwdheid.

In dat bericht had ik al, laten we zeggen, aannemelijk gemaakt, dat verwantschapsaltruïsme uiteindelijk is terug te voeren op vertrouwdheid. Bij afwezigheid van een perfect vermogen tot verwantschapsherkenning is vertrouwdheid de beste benadering daarvan. Dat maakt dat vertrouwdheid gaat fungeren als een omstandigheid die pro-sociaal gedrag uitlokt.

Hoe dan? Waarschijnlijk doordat het gevoel van vertrouwdheid overlapt met gehechtheid. En het vermogen tot hechting aan vertrouwde anderen, samen met de neiging tot zorg, is onlosmakelijk verbonden met de evolutie van zoogdieren. Zie Caregiving: The Forgotten Element in Attachment (betaalpoort).

Maar hoe zit het met wederkerigheidsaltruïsme?

Volgens dat mechanisme zou pro-sociaal gedrag evolutionair levensvatbaar zijn als het vooral tussen altruïsten wordt uitgewisseld. De altruïsten bevorderen zo de eigen en elkaars overleving en procreatie en voorkomen dat ze door egoïsten worden uitgebuit.

Maar wat houdt dat mechanisme precies in? Je zou kunnen denken dat het niet alleen ultimaat om uitwisseling moet gaan, maar ook proximaat. Ik bedoel de gedachte dat het gepaard zou moeten gaan met het vermogen en de motivatie om in de omgang met anderen berekenend te zijn en dus steeds goed in de gaten te houden wat jij hebt gegeven en wat je hebt teruggekregen. Dat je dus voortdurend een mentale boekhouding bijhoudt.

Maar de vraag is of dat wel klopt. Is het niet net als bij dat verwantschapsaltruïsme veel meer zo dat vertrouwdheid een uitwisseling mogelijk maakt die niet berekenend is, maar voortkomt uit empathie en zorg om elkaars welzijn? Dat daar dan ook wel eens uitkomsten uit kunnen voortkomen die op evenwicht wijzen, dus laten zien dat iedereen ruwweg evenveel gegeven heeft dan ontvangen, kan op toeval berusten. En dat zou dan dus niet tot de conclusie moeten leiden dat de partijen berekenend hebben gehandeld.

Wat zijn de aanwijzingen voor de ene gedachte, die van berekening, en voor de andere, die van vertrouwdheid?

Het mooiste overzicht van die aanwijzingen vind je zonder twijfel in het inleidende hoofdstuk van het proefschrift You Scratch My Back and I Scratch Yours Versus Love Thy Neighbour. Two proximate mechanisms of reciprocal altruism van Rita Smaniotto.

Rita laat daar zien dat de aanwijzingen voor berekening (scorekeeping) niet sterk zijn, noch bij niet-menselijke primaten, noch bij jagers-verzamelaars. De studies naar jagers-verzamelaars, waarvan hoofdstuk 2 een overzicht geeft, laten veel meer zien dat het delen van voedsel er op gebaseerd is dat behoefte, het in nood verkeren, richtinggevend is voor wie geholpen wordt. Met nauwelijks een rol voor berekening.

Dat patroon is beter te verklaren met een op vertrouwdheid en gehechtheid gebaseerde motivatie om te zorgen. Bovendien wijzen computersimulaties (hoofdstuk 3; zie ook hier) er op dat een strategie die naar evenwicht streeft tussen wat je gegeven hebt en wat je terugkrijgt, het minder goed doet dan een strategie die berust op de motivatie om vertrouwde anderen te helpen. Berekening lijkt niet te lonen onder omstandigheden waarin je van elkaar afhankelijk bent in een risicovolle omgeving.

Daar komen aanwijzingen bij dat studies naar vriendschap uitwijzen dat berekenend gedrag tussen vrienden als onverenigbaar met vriendschap wordt beschouwd. Vriendschap is een waarde op zichzelf, niet instrumenteel voor iets anders. Dat wijst evenzeer op een uit vertrouwdheid voortkomende motivatie om de ander bij te staan en de relatie op zich in stand te houden. Geen berekening, maar bonding.

Zijn mensen dan niet tot berekenend gedrag in staat? Dat lijkt natuurlijk ook weer niet het geval. Want we staan niet geheel met lege handen als we tussen anderen verkeren met wie we niet vertrouwd zijn. In omgang met vreemden zijn we behoorlijk goed tot berekenend gedrag in staat. Maar dit vereist, als aanpassing aan de meer anonieme sociale omgeving van de hedendaagse maatschappij, meer cognitieve inspanning. Onze voorkeur lijkt uit te gaan naar relaties met anderen waarin we niet voortdurend op onze qui-vive hoeven te zijn.

Vandaar de grote weerstand tegen de opkomst van de marktmaatschappij in de loop van de meer recente geschiedenis. En de grote steun voor de verzorgingsstaat, die je kunt zien als een arrangement om op de grote schaal van de nationale staat toch nog iets van die op vertrouwdheid gebaseerde motivatie tot zorg voor elkaar in stand te houden.

dinsdag 27 november 2012

Menselijk vermogen tot samenwerking en pro-sociaal gedrag is aanpassing aan onderlinge afhankelijkheid

Michael Tomasello, over wie ik eerder schreef (zie hier en hier), heeft samen met co-auteurs een prachtig artikel (pdf) geschreven over de evolutionaire grondslagen van het menselijk vermogen tot samenwerking en pro-sociaal gedrag. De link is naar het manuscript; het artikel is nu verschenen in Current Anthropology.

De auteurs laten zien dat het unieke menselijke vermogen tot gedeelde aandacht, communicatie, samenwerking en pro-sociaal gedrag kon ontstaan als aanpassing aan de mogelijkheid om er in situaties van onderlinge afhankelijkheid gezamenlijk beter van te worden. Het speltheoretische model voor zulke situaties is dat van de Hertenjacht (Stag Hunt). In dat model kan iedereen individueel overleven door op hazen te jagen, maar je kunt ook met zijn allen op herten jagen. Dat vereist samenwerking en coördinatie en de bereidheid om de veel grotere opbrengst eerlijk te delen. Of de bereidheid dat eerlijke delen af te dwingen als dat nodig mocht zijn. De oplossing van die gezamenlijk hertenjacht is precair, want zodra het vertrouwen in elkaar afbrokkelt, heeft iedereen nog altijd dat individuele alternatief van de hazenjacht.

Ik heb het artikel nu eenmaal en vrij snel gelezen, maar het is een uitvoeriger bestudering waard. Het sluit naadloos aan bij deze eerdere berichten over onderlinge afhankelijkheid als voorwaarde voor zelf-organisatie:

Mensen zijn bereid tot sanctionering in zelf-organisatie
Elkaar bij de les houden in zelf-organisatie

Ik heb in het verleden over de evolutionaire grondslagen van pro-sociaal gedrag altijd sterk in de richting gedacht die nu zo voortreffelijk door Tomasello c.s. wordt uiteengezet. Spannend dus om te volgen. Zie voor mijn eigen zeer bescheiden pogingen, samen met Evelien Zeggelink, Donald Elsas en Rita Smaniotto, waarin we onderlinge afhankelijkheid nog als een Prisoner's Dilemma modelleerden :

The emergence of reciprocal altruism and group-living (1994)
Reciprocal altruism in human social evolution (1997)
Reciprocal altruism under conditions of partner selection (2001)

Update. Oei, daar geef ik in de laatste zin zo maar een verkeerd beeld van het eigen werk. Die onderlinge afhankelijkheid modelleerden we juist niet als een gevangenendilemma. Dat kon ook niet omdat we de spelers in het model hun interactiepartners zelf wilden laten kiezen. Dat was toen in simulaties van het evolutionaire ontstaan van pro-sociaal gedrag nog nooit gedaan. Eigenaardig dat ik dat dan verkeerd opschrijf.

donderdag 4 oktober 2012

Is het goed of slecht om jezelf beter in te schatten dan je bent?

Rita Smaniotto reageerde op het bericht Jezelf beter inschatten dan je bent, helpt in de statuscompetitie met deze email:

Hoi Henk,

Dit is precies wat Trivers zegt over self-deception. Hij heeft het alleen niet over culturele verschillen. Een leuk voorbeeld dat hij geeft: 60%(?) van de wetenschappers beschouwt zichzelf als behorend bij de beste 10% op zijn haar vakgebied.

De laatste zin klopt volgens mij niet helemaal: als je ertoe in staat bent is het heel gunstig om jezelf stelselmatig beter in te schatten dan anderen: het maakt de statuscompetitie gemakkelijker en stressloos (jij bent immers gewoon de beste). (Ik ken wel een paar mensen voor wie dat zo geldt). Het probleem is dat niet iedereen even goed in staat is tot zelf-deceptie (vooral vrouwen kunnen het minder goed) en dat de gevolgen op collectief niveau niet altijd zo gunstig zijn.

Groet,
Rita

De verwijzing naar Trivers is naar de Labyrinth-documentaire Het nut van zelfbedrog (hier te zien) naar aanleiding van het boek van Robert Trivers over zelf-deceptie, die op 19 september op televisie te zien was. (Het ging om 94 procent van de hoogleraren die zichzelf tot de beste 50 procent rekenen.)

Mijn antwoord was:

Hoi Rita,

Je kunt gelijk hebben als je het stelselmatig te hoog inschatten van jezelf vergelijkt met het je stelselmatig te laag inschatten. Maar klopt het ook in vergelijking met je zelf goed inschatten, dus met een realistisch zelfbeeld? En het is de vraag of het wel zo stressloos is. Ik denk aan die twee typen narcisten, het kwetsbare en het grandioze. Die kwetsbare narcist moet zich behoorlijk inspannen om zijn overdreven positieve zelfbeeld in stand te houden, tegen allerlei negatieve aanwijzingen in. En die grandioze narcist? Ja, die komt vroeg of laat ten val. Maar inderdaad, dat kan laat zijn. En bedenk ook dat narcisten weinig goede vriendschappen hebben (moet ik nakijken).

Groet,
Henk

Maar daar kwam weer dit tegenantwoord op:

Hoi Henk,

Dat is interessant: de vraag of het realistisch inschatten van jezelf uiteindelijk het beste is. In diezelfde aflevering van Labyrinth waarin Trivers werd geinterviewd werd ook een experiment behandeld over zelf-deceptie op het gebied van schoonheid. Mensen met - hoe heet die ziekte, als je denkt dat je heel erg lelijk bent?- werden vergeleken met een controlegroep van gewone mensen.  Voor het experiment waren er portretfoto's van elke proefpersoon genomen die met de computer mooier en lelijker waren gemaakt (zodanig dat er een rij van 10 fototootjes ontstond van mooiere en lelijkere jij-en). De proefpersonen moesten kiezen welke foto echt van hen was. Uit het onderzoek bleek dat mensen in de controlegroep stelselmatig een mooiere foto van zichzelf uitkozen. De zieke mensen daarentegen kozen de echte foto. Zij bleken dus een realistisch beeld van zichzelf te hebben. Oftewel: is een realistisch zelfbeeld hebben wel zo gunstig?

Groet,
Rita

Ja, is een realistisch zelfbeeld hebben wel zo gunstig? Ik ga nog eens op zoek naar meer antwoorden. In ieder geval nog weer eens kijken naar The Narcissism Epidemic. Living in the Age of Entitlement van Jean M. Twenge en W. Keith Campbell, waar, als ik mij goed herinner, met kracht van argumenten aangeraden wordt om realistisch naar je zelf te kijken. Komt terug.