Posts tonen met het label prisoners' dilemma. Alle posts tonen
Posts tonen met het label prisoners' dilemma. Alle posts tonen

dinsdag 27 september 2022

Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 6. Over de immobilisatiereactie, het belang van wat anderen doen en het "Ontwaakt, verworpenen der aarde!"

Wat maakt dat collectief en massaal verzet tegen terreur en onderdrukking zo moeilijk van de grond komt? Wat hield veel Nederlanders tegen gedurende de Duitse bezetting van 1940-1945? Wat hield veel Duitsers zelf tegen, nadat ze doordrongen waren geraakt van de ware aard van het Hitler-bewind?

Het zijn vragen die ook nu nog, of weer, van groot belang zijn, in een tijd waarin het rechts-extremisme weer her en der de kop opsteekt.


Zo eindigde het vorige bericht. Een bekende sociaalwetenschappelijke aanpak van vragen als deze maakt gebruik van de rationele keuzetheorie. In die aanpak wordt de situatie waar het hier over gaat gemodelleerd als een publiek (of collectief) goed-dilemma.

In de speltheorie, die een toepassing is van de rationele keuzetheorie op strategisch gedrag, is dat een zogenaamd N-persoons gevangenendilemma. Een groep mensen zou beter af zijn als iedereen zou bijdragen aan verzet tegen de onderdrukker. Dan zou het verzet groot genoeg zijn om aan de onderdrukking een einde te maken. Die beëindiging is het publieke goed, een goed waar iedereen belang bij heeft. Maar voor ieder individu afzonderlijk is het beter om niet bij te dragen. Want elke individuele bijdrage is te verwaarlozen en kan wel hoge kosten met zich meebrengen (het gevaar van arrestatie). Dus zal niemand bijdragen en komt het publieke goed niet tot stand. Het collectieve en massale verzet komt niet van de grond.

In afwijking daarvan zien we dat er vaak wel verzet is, maar niet genoeg om de onderdrukking te beëindigen. Of we zien soms dat het verzet toch zo omvangrijk is dat we kunnen spreken van een geslaagde revolutie. Dezer dagen zien we beelden van het verzet in Iran tegen de onderdrukking door het ayatollah-regime, dat zo omvangrijk lijkt dat het misschien wel slaagt. En we zien in Rusland uitingen van verzet tegen het Poetin-bewind. 

Bij zulke verschijnselen staan aanhangers van de rationele keuzetheorie met de handen in het haar. Ze moeten er hulpveronderstellingen bijhalen, zoals de veronderstelling dat mensen niet goed geïnformeerd zijn over de kosten en opbrengsten van hun gedrag. Of ze sluiten hun ogen voor de "irrationaliteit" van dat gedrag. Vervelend dat de werkelijkheid zich niet houdt aan wat de theorie toch luid en duidelijk voorschrijft. Denk ook aan hoe economen nog wel eens willen reageren op onwelgevallige resultaten van empirisch onderzoek.

Genoeg over die rationele keuzetheorie. Ik had het er al over in het derde bericht van deze reeks. 

Want er is natuurlijk een beter alternatief. De benadering van de Dual mode-theorie namelijk, die zich wel laat informeren over de menselijke sociale natuur en dus in die zin niet biologievrij is. Daarmee kom ik terug op de berichten Over de biologievrije sociale wetenschap. En over Charles Darwin, de Polyvagaaltheorie en het werk van Bessel van der Kolk en Over de immobilisatiereactie op individuele, maar ook op collectieve trauma's - Nu de ramp van de klimaatverandering, toen die van de Tweede Wereldoorlog. 

Als we er door die bril naar kijken, dan komen onderdrukking en de reacties op onderdrukt worden voort uit het statuscompetitiepatroon. Onderdrukt worden is een toestand van sociale onveiligheid, waarop mensen, afhankelijk van de omstandigheden en de toestand van hun autonome zenuwstelsel, reageren met vluchten (flight), het plegen van verzet (fight) of met die immobilisatiereactie. Reacties die dus voortkomen uit de diepere lagen van de menselijke sociale natuur. Geen weloverwogen, "rationele" daden (in het geval van vluchten of vechten) en niet een weloverwogen, "rationeel" afzien van daden, maar immobilisatie, verstijfd zijn door angst, verdringing, dissociatie, terugtrekking, blokkering. 

Mensen zijn nu eenmaal geen "koele kikkers", als die al bestaan, maar wezens van vlees en bloed en met een autonoom zenuwstelsel. Waardoor het niet plegen van verzet er dus ook uit kan voortkomen dat mensen immobiliseren, verstijfd zijn door angst en in die toestand zo goed mogelijk proberen door te leven, zichzelf voorhoudend dat er niets anders op zit. 

En als de onderdrukking een collectieve bedreiging is, dan hebben we in het geval dat veel mensen terechtkomen in die immobilisatiereactie dus te maken met een collectief trauma. De afwezigheid van verzet komt niet door weloverwogen passiviteit of onverschilligheid, maar door angst en blokkering. 

Individuele trauma's, angststoornissen en daarmee samenhangende aandoeningen kunnen behandeld worden en vaak met succes. Succes bestaat er dan uit dat het sociale betrokkenheidssysteem, dus het gemeenschapspatroon, zodanig geactiveerd wordt dat mensen uit dat statuscompetitiepatroon kunnen ontsnappen. Daarmee leren ze dat het niet langer nodig is om naar de wereld te kijken als vol van gevaren en bedreigingen. Het herwonnen gevoel van veiligheid maakt dat ze weer op anderen betrokken kunnen zijn. Denk aan de op het autonome zenuwstelsel gerichte therapie op basis van de polyvagaaltheorie zoals uiteengezet door Stanley Rosenberg in De nervus vagus als bron van herstel. Of denk aan het werk van psychiater Bessel van der Kolk, waar ik het hier over had.

Maar hoe doe je dat met een collectief gevoel van onveiligheid? Dat bovendien niet een nasleep is van in het verleden ervaren onveiligheid, zoals met individuele trauma's, maar voortkomt uit bedreigingen in het hier en nu. 

Precies hier komt de Dual Mode-theorie binnen en wel in het bijzonder Stelling 2. Die houdt immers in dat mensen beïnvloed worden door wat ze in hun sociale omgeving ervaren. Hoe meer gemeenschapsgedrag je ervaart, hoe veiliger je sociale omgeving en hoe meer ook jouw gemeenschapsgedrag wordt geactiveerd. Dus hoe actiever jouw sociale betrokkenheidssysteem. En andersom, hoe meer je in aanraking komt met statuscompetitiegedrag, in dit geval in de vorm van blootstelling aan onderdrukking, hoe onveiliger je sociale omgeving en hoe sterker jouw terugtrekkingsreactie.

Daar is dus tegenwicht nodig. Die kan er zijn als de onderdrukten over elkaar geïnformeerd raken en over elkaars bereidheid om in verzet te komen. En verzet tegen onderdrukking is een vorm van gemeenschapsgedrag. Het is de strijd tegen het statuscompetitiepatroon en een strijd die je niet alleen voor jezelf, maar ook voor alle andere onderdrukten voert. Als de onderdrukten uit hun isolement bevrijd worden, en dus over elkaars bereidheid tot verzet geïnformeerd raken, dan groeit het tegenwicht tegen ieders terugtrekking en verlamming. Door de met elkaar gedeelde bereidheid tot het gemeenschapsgedrag van het verzet, gloort er hoop..

Kort gezegd, collectief en massaal verzet zal opbloeien hoe meer de informatie zich verspreidt over ieders bereidheid tot verzet. Vandaar het belang van demonstraties in de straten en op de pleinen. Vandaar het belang van sociale media. Mensen moeten het van elkaar weten. Vandaar ook de pogingen van de onderdrukkers om die informatieverspreiding tegen te gaan. Door censuur, propaganda en afsluiten van het internet.

En vandaar ook het belang van gebeurtenissen die de onderdrukten een indruk geven van de algemene bereidheid tot verzet. En die dat verzet uitlokken. Zo'n uitlokkende gebeurtenis was in Iran de dood van de 22-jarige Mahsa Amini, die vanwege het niet juist dragen van de hoofddoek door de "moraliteitspolitie" was opgepakt. Niet alleen was iedereen daar verontwaardigd over, ook was iedereen er meteen van overtuigd dat ieder ander daar verontwaardigd over was. Die overtuiging zorgde er voor dat mensen de straat opgingen in de vaste verwachting dat ze niet de enige zouden zijn. Dus massale demonstraties, die op hun beurt weer nieuwe demonstraties uitlokten.

Toch nog even terug naar die rationele keuzetheorie. Merk op dat het voor die theorie niet uitmaakt wat mensen weten over de bereidheid van anderen. Hoe klein of groot die bereidheid ook is, het blijft voor ieder individu de beste ("rationele") optie om niet mee te doen. En wel te profiteren van wat andere eventueel doen. Een mistroostig, maar vooral ook onrealistisch mensbeeld.

Als het inderdaad zo is dat die immobilisatiereactie tot het menselijk gedragsrepertoire behoort, dan zou je mogen verwachten dat mensen daar ook zelf weet van hebben. Dat het tot de algemeen gedeelde kennis behoort. Dat lijkt mij ook het geval. We hebben er immers naast een sociaalwetenschappelijke vakterm als immobilisatie ook woorden voor in onze omgangstaal: verstijfd door angst, blokkering, terugtrekking. Woorden waarvan iedereen weet wat er mee bedoeld wordt.

Ik dacht ook even aan de eerste vier woorden van de Internationale: "Ontwaakt, verworpenen der aarde!" Hier de vertaling door Henriëtte Roland Holst uit 1899 van de oorspronkelijk Franse tekst. Daarin worden onderdrukten opgeroepen om te ontwaken. Ontwaken uit de sluimer van de immobilisatie. En wordt gewezen op de groeiende bereidheid om in verzet te komen: "Reed‘lijk willen stroomt over de Aarde, en die stroom rijst al meer en meer".

Na deze lange omweg gaan we in het volgende bericht weer terug naar de vraag waarmee deze reeks begon: waardoor was er niet een massaler verzet van de Nederlanders tegen de Duitse bezetting en de Jodenvervolging van 1940-1945? Hier het vervolg.

zaterdag 24 september 2022

Statuscompetitie ondermijnt samenwerking. In het klein en in het groot.

Vanuit de Dual Mode-theorie gezien, zou je verwachten dat mensen als ze de keuze hebben om met iemand samen te werken of niet, minder voor samenwerking kiezen als ze aanwijzingen hebben dat die andere persoon meer door het statuscompetitiepatroon gemotiveerd wordt. Hoewel de waarneming van veiligheid dan wel onveiligheid al in het autonome zenuwstelsel plaatsvindt (neuroceptie), zijn mensen ook in staat tot een bewust besef van de bijpassende gedragspatronen, gemeenschapsgedrag in het geval van veiligheid en statuscompetitiegedrag in het geval van onveiligheid. Evenals tot een bewust besef van de noodzakelijkheid van gemeenschapsgedrag voor samenwerking. Mensen zullen dus op hun hoede zijn als ze aanwijzingen hebben voor statuscompetitiegedrag van iemand.

Die verwachting wordt bevestigd door de nieuwe studie On the Value of Modesty: How Signals of Status Undermine Cooperation. De onderzoekers lieten proefpersonen een gevangenendilemma spelen met een gefingeerde partner (Studie 1) of een onbekende andere persoon (Studie 2). In dat dilemma kun je door samen te werken de voor beide spelers hoogste opbrengst verkrijgen. Maar voor elk van de spelers geldt dat ze door niet samen te werken, terwijl de ander dat wel doet, een hogere opbrengst krijgen, terwijl de ander dan zeer slecht af is. Nog slechter dan wanneer ze allebei kiezen om niet samen te werken. De spelers beslissen onafhankelijk van elkaar. 

De rationele keuzetheorie voorspelt in dit geval dat beide spelers er voor kiezen om niet samen te werken. Ze zijn dan altijd beter af, wat de andere speler ook kiest. Niet-samenwerken is de zogenaamde dominante strategie. We zagen al dat veel mensen niet volgens die voorspelling handelen. Zo zijn er veel mensen die uit zijn op samenwerking, daar ook voor kiezen en er, in een herhaald spel, pas mee stoppen als gebleken is dat de andere speler anders kiest. Anderen kiezen so wie so voor niet-samenwerken.

In dit onderzoek gaven de onderzoekers de gefingeerde partner een avatar, waarmee de persoon zich geacht werd te presenteren. En in het geval van de onbekende andere persoon als partner lieten ze deze persoon zelf een avatar kiezen. Die avatars hadden wel of geen luxueuze uitstraling. In het geval van luxe ging het om kleding van dure merken (zoals Prada, Gucci, Dior, Louis Vuitton). In andere gevallen ging het om merkloze kleding. De proefpersonen kregen die avatars te zien voorafgaand aan hun keuze om samen te werken of niet.

Het idee daarachter was dat een luxe avatar door de proefpersoon zou worden opgevat als een aanwijzing dat de persoon achter de avatar gemotiveerd werd door het statuscompetitiepatroon. Dat hij of zij uit was op het streven naar status door middel van "conspicuous consumption". En dat zo'n aanwijzing zou ontbreken in het geval van merkloze kleding. Uit een "manipulatiecheck" bleek inderdaad dat de proefpersonen in het geval van de luxe avatar meer de indruk hadden dat die persoon gemotiveerd werd door het streven naar status.

Maakte die wel of niet luxe avatar wat uit voor de keuze van de proefpersonen om samen te werken of niet? Jazeker. In Studie 1 koos 57 procent voor samenwerking als de partner bescheiden was (geen luxe avatar), tegenover 45 procent als de partner streefde naar status (luxe avatar). Hiermee kwam overeen dat de proefpersonen van de partners die naar status streefden minder samenwerking verwachten dan van de bescheiden partners.

En in Studie 2 koos 54 procent voor samenwerking in geval van een bescheiden partner en slechts 38 procent in geval van een statusgerichte partner. 

Kozen de partners die meer voor een luxe avatar hadden gekozen ook inderdaad minder voor samenwerking? Jazeker, van hen koos slechts 27 procent voor samenwerking, tegenover 53 procent van de bescheiden partners.

Dat laatste wijst er dus op dat ook zoiets op het oog onbeduidends als het kiezen voor een luxe uitstralende avatar iets zegt over het eigen gedrag. Naast dat het gevolgen heeft voor hoe anderen je beoordelen, namelijk als iemand waarmee je beter niet samenwerkt.

Het onderzoek laat in het klein iets zien wat we natuurlijk ook in het groot, in de natuurlijke omgang tussen mensen en in maatschappij en politiek, kunnen waarnemen. We zagen al dat statusvertoon en vriendschap elkaar slecht verdragen.  En we zagen dat mensen in landen met meer zorg voor elkaar er ook meer voor kiezen om middels uitgebreidere overheidsvoorzieningen onderling samen te werken en te delen. Zoals we ook zien dat de samenwerking in de vorm van democratie en mensenrechten moet worden veroverd op de bedreigingen van statuscompetitie in de vorm van autocratie en fascisme.

maandag 22 augustus 2022

Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 3. De bereidheid tot verzet was waarschijnlijk veel groter, maar een belangrijke voorwaarde, genoeg vertrouwen in de bereidheid van anderen, ontbrak

Nog lang na de Tweede Wereldoorlog, en na de Holocaust van het Hitlerbewind, leek het vanzelfsprekend dat bedreigingen van de democratie vanuit rechts-extremistische hoek tot het verleden zouden behoren. De gedachte was dat de mensheid belangrijke lessen had geleerd.

Maar het eerste kwart van de eenentwintigste eeuw leert ons hoe naïef die hoop was. Het statuscompetitieve, rechts-extremistische wereldbeeld is weer helemaal terug en is in tal van landen een groot gevaar voor de democratie. De actuele vraag is of de verdediging van de democratie op tijd zal komen. Of dat we eerst weer een periode moeten doormaken waarin de kwade kant van de menselijke sociale natuur ruim baan krijgt. Met daarbij meteen de vraag of de door ons veroorzaakte klimaatverandering ons daarvoor wel voldoende tijd zal gunnen.

Wat kunnen we in dat verband van de gebeurtenissen uit het verleden leren? Zoals van de gebeurtenissen in het door het extreemrechtse Hitlerbewind bezette Nederland van 1940 tot 1945. Waardoor was het verzet van Nederlanders tegen die bezetting en onderdrukking niet veel massaler? Was er een massaler verzet mogelijk geweest? Zie hier het vorige bericht, waarin het ging over de mislukte Februaristaking. En over de vergelijking met Denemarken in dezelfde periode, waar een collectieve actie ontstond die zeer succesvol Joodse landgenoten redde. Terwijl de Nederlanders daarbij vergeleken sterk tekortschoten.

In de sociale wetenschap is een bepaalde benadering van zo'n probleem van collectieve actie gangbaar, namelijk die van de door het economisch denken geïnspireerde rationele keuzetheorie. Aanhangers van die theorie, als ze nog bestaan, vatten problemen van collectieve actie op als meerpersoonsgevangenendilemma's, dat wil zeggen als sociale situaties waarin het weliswaar voor iedereen beter zou zijn om met zijn allen bij te dragen aan de collectieve actie, maar waarin het voor iedereen individueel beter is om dat niet te doen. Zie voor uitleg de wikipediapagina. De voorspelling van de rationele keuzetheorie is dan ook dat in zulk soort sociale situaties collectieve actie niet tot stand komt. Nederland in 1940-1945 zou dus dichter in de buurt komen van die voorspelling dan Denemarken in 1940-1945.

Over de waarde van die rationele keuzebenadering ontstonden al snel twijfels. Op dit blog stond ik in 2012 stil bij het in 1970 verschenen artikel Social interaction basis of cooperators' and competitors' beliefs about others van de sociaal-psychologen H.H. Kelley en A.J. Stahelski. Zie het bericht Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (2): samenwerking, competitie en het gedrag van anderen. 

Uit dat onderzoek bleek dat een grote groep mensen in een situatie van collectieve actie erop uit is om met anderen samen te werken. Maar tegelijk met de mogelijkheid rekening houdt dat er anderen kunnen zijn die daar niet op uit zijn. Afhankelijk van hun inschatting of waarneming hoeveel anderen ook op samenwerking uit zijn, zullen ze er voor kiezen om samen te werken. Hoe meer anderen samenwerken, hoe groter hun bereidheid om dat ook te doen. Hoe minder, hoe kleiner hun bereidheid. 

Daarnaast was er een kleinere groep die ervan uitging dat anderen nooit zullen samenwerken en die dat dus ook zelf niet deden.

Van beide groepen kun je zeggen dat ze zich gedroegen volgens Stelling 2 van de Dual Mode-theorie. Samenwerken is een vorm van gemeenschapsgedrag en volgens die stelling vertonen mensen meer gemeenschapsgedrag hoe meer anderen dat ook doen. Dat is het gedrag van de eerste, grotere, groep. Daarentegen keek de tweede, kleinere, groep met een statuscompetitieve blik naar de sociale wereld, waardoor ze ook zelf kozen voor competitie in plaats van samenwerking. Geheel in overeenstemming met Stelling 2. Zoals ik in dat bericht uit 2012 al opmerkte, luidde dat artikel van Kelley en Stahelski indertijd voor mij het einde van de rationele keuzetheorie in. Waar vele jaren later de Dual Mode-theorie voor in de plaats kwam.

Toegepast op de situatie waarin Nederlanders zich bevonden gedurende de Duitse bezetting van 1940-1945, kun je dus als verklaring voor het beperkte karakter van het verzet aanvoeren dat misschien veel meer Nederlanders tot verzet bereid waren, maar er te weinig op vertrouwden dat anderen dat ook waren. Ze kregen te weinig signalen van die bereidheid. Bedenk wederom dat er geen internet en sociale media waren. Alle informatie moest komen van horen zeggen. En er was niet meer, zoals in Denemarken wel, een nog enigszins onafhankelijke overheid die zich tot woordvoerder van die grote bereidheid kon opwerpen.

Dus mislukte de Februaristaking. Dus was er geen massale opstand tegen de Jodenvervolging. Dus ging voor de niet-Joodse Nederlanders het gewone leven door terwijl hun Joodse landgenoten zich moesten laten registreren en de door henzelf betaalde en door een Nederlandse fabriek vervaardigde Jodenster moesten dragen. En stapsgewijs van het publieke leven werden uitgesloten. En uiteindelijk per trein, met Nederlands personeel, naar Westerbork en verder werden afgevoerd.

Dat kon allemaal gebeuren. Driekwart van de Nederlandse Joden werd door het Hitler-bewind vermoord. Door het ontbreken van massaal verzet, werd de Holocaust helaas maar weinig in de weg gelegd. 

Nogmaals, natuurlijk met erkenning van en waardering voor wat er wel aan verzet was. Maar navrant is het wel dat de bereidheid tot verzet waarschijnlijk veel groter was, maar dat een belangrijke voorwaarde daar voor, genoeg vertrouwen in de bereidheid van anderen, ontbrak. Wordt vervolgd. Hier het vervolg.

vrijdag 12 april 2019

Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? En over wat de Dual Mode-theorie te bieden heeft - deel 2

Dit is deel 2 van een reeks berichten over het vak sociologie. Hier lees je deel 1.
En hier lees je deel 3 en hier deel 4. 
Het vorige bericht besloot ik met de constatering dat de twee stellingen van de Dual Mode-theorie aanvulling behoeven met een derde stelling. Dit bericht gaat over die derde stelling.

Maar eerst maar even voor het gemak die eerste twee stellingen aangehaald:
Stelling 1. In hun sociale gedrag (d.i. gedrag ten opzichte van anderen) zijn er twee aan elkaar tegengestelde bundels van gedragspatronen die mensen vaak onbewust en ongepland uitvoeren of gaan uitvoeren: het statuscompetitiepatroon en het gemeenschapspatroon.
Stelling 2. Mensen worden bij het aanleren en uitvoeren van deze gedragspatronen sterk beïnvloed door de mate waarin ze met het ene dan wel het andere gedragspatroon in hun sociale omgeving in aanraking komen.
Die twee gaan over wat mensen wat hun sociale gedrag betreft kunnen. Maar wil de theorie dienstig zijn aan het vergroten van het maatschappelijk belang van het vak sociologie, dan moet hij ook iets te zeggen hebben over wat mensen willen, over hun behoeften. Daarover gaat de derde stelling;
Stelling 3. De combinatie van de twee vorige stellingen impliceert dat er in een menselijke samenleving twee evenwichten mogelijk zijn: een waarin iedereen handelt volgens het gemeenschapspatroon en een waarin iedereen handelt volgens het statuscompetitiepatroon. Van die twee evenwichten komt het gemeenschapsevenwicht beter tegemoet aan de menselijke behoeften dan het statuscompetitie-evenwicht.
De rest van dit bericht en de berichten die er nog wel op zullen volgen, dienen om deze derde stelling toe te lichten.

Eerst maar even over dat begrip evenwicht. Dat slaat op een toestand waarin niemand het een goed idee vindt om voor het andere gedragspatroon te kiezen dan wat hij nu uitvoert. Dat is hetzelfde evenwichtsbegrip als dat van de economie en de speltheorie. Een toestand dus waarin alleen exogene factoren, dus invloeden van buitenaf, kunnen zorgen voor veranderingen.

Waarom dat zo is, blijkt uit Stelling 2. Als iedereen alleen maar in aanraking komt met het gemeenschapspatroon, dan zal iedereen precies daarvoor kiezen. En als iedereen alleen maar in aanraking komt met het statuscompetitiepatroon, dan zal iedereen ook daarvoor kiezen. (Kiezen steeds tussen aanhalingstekens, want veel van de invloed die anderen uitoefenen, voltrekt zich onbewust.)

Van die twee evenwichten die mogelijk zijn, is dus het gemeenschapsevenwicht het beste. In de zin dat het beter tegemoetkomt aan de menselijke behoeften. En dus een hoger welzijn verschaft.

Dat betekent dat we Stelling 3, sterk gestileerd, in het plaatje hieronder kunnen afbeelden. Lees door onder het plaatje.
Het plaatje beeldt de situatie af waarin een persoon i, een lid van een groep of samenleving, zich bevindt. Vanaf het punt linksonder zie je op de horizontale as het aantal andere personen van die groep of samenleving die kiezen voor het gemeenschapspatroon (NG - 1). Stel dat we het hebben over de Nederlandse samenleving, dan staat N - i dus voor alle Nederlanders behalve de persoon i. Helemaal rechts kiezen alle andere Nederlanders voor gemeenschapsgedrag en helemaal links kiezen nul andere Nederlanders voor gemeenschapsgedrag, en dus voor statuscompetitiegedrag.

Op de verticale as is afgebeeld hoeveel welzijn de persoon i ontleent aan oftewel de keuze voor het  gemeenschapspatroon (G) oftewel de keuze voor het statuscompetitiepatroon (S). We zien dat het welzijn heel laag is (C) als i de enige is die kiest voor gemeenschapsgedrag, maar toeneemt met het aantal anderen dat voor het gemeenschapspatroon kiest. Het maximale welzijn (A) is bereikt als alle anderen dat doen.

En we zien dat het welzijn dat i zou ontlenen aan statuscompetitiegedrag (B) behoorlijk hoog is als alle anderen voor datzelfde gedrag kiezen, maar afneemt met het aantal anderen dat kiest voor gemeenschapsgedrag. i komt dan steeds meer in aanraking met gemeenschapsgedrag en heeft dan steeds minder een goed gevoel als hij doorgaat met statuscompetitiegedrag (en dus een lager welzijn) en/of krijgt steeds meer te maken met sociale afwijzing en afkeuring (en dus een lager welzijn).

Wat Stelling 3 zegt is dat punt A hoger ligt op de welzijnsas dan punt B. Het gemeenschapsevenwicht A komt meer tegemoet aan de menselijke behoeften dan het statuscompetitie-evenwicht B. A is het optimale evenwicht en B het sub-optimale evenwicht. Bedenk dat wat in het plaatje voor persoon i wordt afgebeeld, net zo geldt voor alle andere personen.
Ingewijden in de speltheorie zullen het plaatje hebben herkend als een variant van het plaatje waarmee het N-persoons gevangenendilemma vaak wordt afgebeeld. In dat dilemma gaat het om de keuze tussen Cooperate en Defect (vergelijkbaar met gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag), waarbij Defect altijd een hoger welzijn (in de speltheorie "nut") oplevert dan Cooperate. In dat geval is er dus alleen meer het sub-optimale evenwicht waarin iedereen kiest voor Defect. We zagen al dat proefpersonen zich niet zo goed houden aan de voorspelling van de speltheorie dat iedereen kiest voor Defect. Zie het bericht Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (2): samenwerking, competitie en het gedrag van anderen. 
Natuurlijk geeft het plaatje een sterk gestileerd beeld van een heel ingewikkelde sociale situatie. Het is ook niet meer dan een geraamte dat voor concrete toepassingen veel vlees en bloed nodig heeft. Zoals inzichten in de geïnformeerdheid van mensen over het gedrag van anderen. En dus in welke signalen ze daarvan krijgen, zoals via de media. En inzicht in mogelijke verschillen tussen mensen in hun geneigdheid tot het ene dan wel het andere patroon en verschillen in hun beïnvloedbaarheid door wat anderen doen.

En het cruciale punt is dus de "welzijnswinst" die geboekt wordt bij een verschuiving van evenwicht B naar evenwicht A. In het volgende bericht ga ik in op alle empirische aanwijzingen die we hebben voor de stelling dat die welzijnswinst er inderdaad is.

vrijdag 15 maart 2013

Zijn beurshandelaars psychopaten? Nee, dat niet. Maar er is wel iets met hen aan de hand.

Thomas Noll is een Zwitserse psychiater, die samen met anderen onderzoek heeft gedaan naar het gedrag van beurshandelaars in een gesimuleerd prisoner's dilemma. Dat is een spel uit de speltheorie, waarin je door met iemand anders samen te werken een voor beiden hoogste opbrengst kunt genereren. Maar je kunt er ook voor kiezen om te proberen zelf een nog hogere opbrengst te krijgen, wat dan ten koste gaat van de opbrengst van de ander. En mocht je allebei daarvoor kiezen, dan heb je allebei de laagst mogelijke opbrengst. Zie dit bericht over het prisoner's dilemma.

In die studie (A Comparison of Professional Traders and Psychopaths in a Simulated Non-Zero Sum Game - pdf) vergeleken de onderzoekers het gedrag van 28 beurshandelaars met dat van 24 psychopaten (patiënten van forensisch-psychiatrische ziekenhuizen) en van 24 gewone burgers. Ze verwachtten dat die beurshandelaars een mate van egoïsme en competitiviteit zouden laten zien die die van de psychopaten zou benaderen. Maar wat bleek: de beurshandelaars handelden zelfs nog egoïstischer en competitiever dan de psychopaten. In hun gedrag leken ze vooral uit te zijn op een hoge opbrengst voor zichzelf én een lage opbrengst voor de ander. Ze kozen vaker niet-coöperatief dan de psychopaten (die weer vaker niet-coöperatief kozen dan de gewone burgers). Dat leverde hen trouwens niet een hogere opbrengst op. Wel een lagere opbrengst voor de ander.

Natuurlijk kun je hieruit niet generaliseren naar alle beurshandelaars. Niet alle beurshandelaars zijn psychopaten. Maar het lijkt waarschijnlijk dat ze sterk competitief zijn ingesteld. En zich dus weinig gelegen laten liggen aan het door samenwerking tot stand brengen van een hoge gezamenlijke opbrengst. Of ze die eigenschap al bezaten toen ze hun beroep kozen of dat ze hem ontwikkeld hebben door de uitoefening van hun beroep, dat weten we niet.

Uit de uitslagen van de psychopatietests (de PPI-R) die de onderzoekers afnamen, blijkt dat de handelaren gemiddeld iets lager scoorden dan de gewone burgers en behoorlijk veel lager dan de psychopaten. Je kunt ze dus inderdaad geen psychopaten noemen. Maar ze scoorden opvallend hoog op de subschalen Machiavellistische egocentriciteit en sociale invloed. Terwijl bovendien hun antwoorden in hoge mate verdacht waren, in de zin van afwijkend en inconsistent.

Kortom, beurshandelaars zijn volgens dit onderzoek geen psychopaten, maar er is bepaald wel iets met hen aan de hand. Het onderzoek heeft in Duitsland veel aandacht getrokken. Thomas Noll was gisteren te gast bij Maybritt Illner. En hij werd door Der Spiegel geïnterviewd. Op de vraag of de fout ligt in het financiële systeem, antwoordde hij (mijn vertaling):
Het systeem maakt de handelaars tot asociale mensen. In de psychiatrie is er een theorie die onderscheid maakt tussen persoonlijkheidsdaders en situatiedaders. Bij de eersten zijn de risicofactoren vast in hun persoonlijkheid verankerd, ze zoeken actief naar situaties waarin ze hun nietsontziendheid kunnen uitleven. Daarentegen laten de situatiedaders slechts weinig of niets opvallends zien. Ze worden pas door de situatie een risico. Zoals de beurshandelaars. Die zijn nog heel jong als ze de banken binnenkomen - en laten zich dan gemakkelijk beïnvloeden. In ons onderzoek bleek dat het voor hen vaak zelfs belangrijker was om hun concurrenten te schaden dan om zelf winst te behalen.
Noll denkt dus dat het geheel aan de situatie ligt. Maar je kunt je ook afvragen of zulke situaties niet door sommigen meer gezocht worden dan door anderen. Het kan goed zijn dat  er naast het beïnvloedingseffect ook een selectie-effect is. Zie ook Werknemers in publieke sector zijn pro-socialer dan in het bedrijfsleven.

zaterdag 3 november 2012

Mannen zijn opportunistischer en wraakzuchtiger als ze in een omgeving met meer geweld zijn opgegroeid - Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (17)

Het pas verschenen artikel Harsh childhood environmental characteristics predict eploitation and retaliation in humans (pdf) verschaft nieuwe aanwijzingen voor de evolutionaire theorie van socialisering van Belsky en voor de gedachten achter de Dual Mode-theorie. Zie ook het vorige bericht in de reeks berichten over sociale omgeving en pro-sociaal gedrag: Pubers en levensloopstrategie en dit bericht: Het Hitler-bewind sociaal-wetenschappelijk bekeken.

In deze nieuwe studie lieten de onderzoekers studenten een prisoner's dilemma spelen tegen een voorgeprogrammeerde strategie die sterk coöperatief was. De mannelijke studenten die hadden aangegeven in een meer conflictueus en gewelddadig gezin en in een meer gewelddadige buurt te zijn opgegroeid, beantwoordden die coöperatieve strategie meer met het opportunistisch uit zijn op eigen voordeel. Ook waren ze wraakzuchtiger tegenover een niet-coöperatieve strategie. Beide golden niet voor de vrouwelijke studenten.

Ook bleek dat het verband voor een deel verklaard werd doordat deze groep studenten die in hun jeugd meer met geweld in aanraking was geweest, meer statuscompetitief waren ingesteld. Dat wil zeggen dat ze meer een erecode aanhingen. Ze waren het meer eens met uitspraken als:
  • Als iemand mij slecht behandelt, dan vind ik dat ik hem nog slechter moet behandelen
  • Soms moet je vechten om je eer hoog te houden of om iemand op zijn plaats te zetten
en meer oneens met uitspraken als:
  • Ik probeer om anderen te vergeven, zelfs als zij zich niet schuldig voelen voor wat ze gedaan hebben
Er zijn meer aanwijzingen dat vrouwen beter bestand zijn tegen een riskante jeugd dan mannen. Een andere keer daarover meer.

dinsdag 15 mei 2012

Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (2): samenwerking, competitie en het gedrag van anderen

In het eerste bericht in deze serie besprak ik onderzoek waaruit bleek dat de bereidheid van mensen tot pro-sociaal gedrag afhankelijk is van het vertrouwen dat ze hebben in het pro-sociale gedrag van anderen. Als dat vertrouwen minder is, als ze de wereld als onverschillig of zelfs vijandig ervaren, dan gedragen ze zich minder pro-sociaal. De mate waarin die afhankelijkheid bestaat, verschilt wel tussen mensen. Sommigen zijn over de hele linie pro-socialer, en sommigen a-socialer, dan anderen, maar voor de grote meerderheid geldt dat hun pro-sociale gedrag sterk afhankelijk is van  de vraag of ze er op vertrouwen dat anderen zich ook pro-sociaal gedragen. Dat betekent dat we met zijn allen gemakkelijk een grote mate van onderlinge hulpbereidheid tot stand kunnen brengen, maar ook even gemakkelijk een toestand van wederzijdse onverschilligheid of zelfs vijandigheid. Vandaar dat pro-sociaal gedrag niet zozeer een individuele, maar een collectieve prestatie is. Zie nog eens dit bericht.

Dit is eigenlijk een eenvoudig en intuïtief aansprekend inzicht. Toch is het niet wijdverbreid. Mensen hebben niet noodzakelijkerwijs een grote mate van zelfinzicht, niet in hun individuele eigenaardigheden, maar ook niet in de algemeen menselijke gedragsprincipes. De eerste keer dat het inzicht tot mij doordrong, moet ergens in de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn geweest. Het was toen ik dit artikel van de sociaal-psychologen Kelley en Stahelski uit 1970 onder ogen kreeg (fulltext helaas achter de poort). Het is een beroemd artikel geworden, met tot vandaag 716 citaties.

Kelley en Stahelski bespreken in dat artikel een groot aantal laboratoriumexperimenten, waarin proefpersonen het zogenaamde gevangenendilemma moesten spelen. (Zie de link voor uitleg over de naam van het dilemma.) In dat "spel" uit de speltheorie hebben mensen de keuze om, met een andere persoon, samen te werken of  niet. Als A en B (zie de figuur) allebei kiezen voor samenwerken, hebben ze allebei een hoge opbrengst (allebei 3 in de figuur). Maar als een van de twee er voor kiest om niet samen te werken en de ander daar wel voor kiest (linksonder en rechtsboven), dan heeft de eerste een nog hogere opbrengst (5) en de tweede juist een lagere (0). De niet-samenwerker profiteert van de inspanningen van de ander. Beide willen natuurlijk voorkomen dat ze de lage opbrengst krijgen als de ander van hen profiteert. Als ze dus allebei kiezen om niet samen te werken, hebben ze allebei een lagere opbrengst (beide 1, rechtsonder) dan wanneer ze allebei wel zouden samenwerken.

Volgens de speltheorie, die er van uitgaat dat mensen rationeel kiezen, zeg maar, hun eigen belang nastreven, zullen mensen in dit spel niet samenwerken. Dat is namelijk altijd beter dan dat wel te doen. Want als je niet samenwerkt (Defect):
  1. en de ander doet dat wel, dan profiteer je van de inspanning van de ander en is je opbrengst (5) hoger dan wanneer je wel had samengewerkt (3),
  2. en de ander doet dat ook niet, dan heb je met een opbrengst van 1 voorkomen dat je de laagste opbrengst hebt (0) doordat de ander van jouw inspanning profiteert.
Niet samenwerken is dus de zogenaamde dominante strategie. En dat is tragisch, want de opbrengst is dan voor beide 1 en die was hoger geweest als ze wel allebei hadden samengewerkt (beide 3).

Een voorbeeld van dit dilemma uit het echte leven, maar dan met meer dan twee personen, is het ontstaan van files. Als we allemaal met het openbaar vervoer zouden gaan (en het openbaar vervoer zou voldoende capaciteit hebben), dan waren we beter af dan wanneer we allemaal met de auto gaan, want dan stonden we in de file. Tegelijk geldt voor elk van ons dat we nog beter af zijn als alle anderen met het openbaar vervoer gaan en wij zelf met de auto. Maar als we dat allemaal doen, dan staan we dus allemaal in de file.

Toen Kelley en Stahelski dit artikel in 1970 schreven, was al wel bekend dat mensen in zulke laboratoriumexperimenten anders handelen dan de rationale keuzetheorie voorspelde. Veel mensen blijken namelijk wel bereid te zijn om samen te werken, ook al is dat niet hun "dominante strategie". Mensen lijken meer tot samenwerking bereid, en zijn dus pro-socialer, dan volgens die theorie verwacht mocht worden. En datzelfde bleek ook uit de experimenten van Kelley en Stahelski.

Maar Kelley en Stahelski deden ook een interessante ontdekking doordat ze de proefpersonen hadden ondervraagd wat ze in het spel wilden nastreven. Er waren spelers die samenwerking zeiden te willen nastreven, wat inhield dat ze zowel met de eigen opbrengst als met de opbrengst van de ander rekening wilden houden. Maar anderen gaven aan competitie op het oog te hebben, inhoudende dat ze alleen in hun eigen opbrengsten geïnteresseerd waren. Het bleek toen dat als je degenen die op samenwerking gericht waren liet spelen met degenen die op competitie gericht waren, ze met competitie reageerden op het competitieve gedrag van hun medespeler. Hoewel samenwerking hun doel was, ontdekten ze dat de ander daarin niet mee ging en pasten ze hun gedrag daar op aan. Datzelfde gold echter niet voor degenen die op competitie gericht waren. Die begonnen competitief en bleven daarin volharden.

De onderzoekers trokken daaruit, en uit verdere ondervraging van de spelers, de conclusie dat samenwerkers er van uitgaan dat andere mensen ook op samenwerking gericht kunnen zijn, maar ook competitie kunnen nastreven. Als ze nog niet weten met wat voor iemand ze te maken hebben, stellen ze zich eerst coöperatief op. Maar als de ander zich competitief gedraagt, passen ze hun gedrag aan door dat ook te doen. Samenwerkers hebben een gedifferentieerd beeld van hoe mensen kunnen zijn, coöperatief of competitief.

Daarentegen blijken degene die op competitie gericht zijn, de overtuiging te hebben dat andere mensen dat ook zijn. Als een ander zich coöperatief gedraagt, dan verandert dat hun wereldbeeld niet. Misschien denken ze dat de ander probeert hen er in te laten lopen. Ze vertrouwen het niet, lijkt het. En omdat ze zelf competitief handelen, lokken ze dat zelfde gedrag bij anderen uit, waardoor ze ook meestal in hun verwachtingen bevestigd worden. Ze creëren dus met hun gedrag een wereld die ze ook al verwachten. Terwijl de samenwerkers ontdekken dat hun gedrag soms bij anderen samenwerking uitlokt, namelijk als ze een andere samenwerker tegenkomen, blijven degenen die op competitie gericht zijn, onkundig van de effecten van hun gedrag op anderen. Anders gezegd: door hun competitieve gedrag leren ze nooit dat pro-sociaal gedrag met pro-sociaal gedrag kan worden uitgelokt.

Het opvallende is nu dat het competitieve wereldbeeld, dus de veronderstelling dat anderen altijd op competitie gericht zijn, sterk overeenkomt met de veronderstellingen van die rationele keuzetheorie. De beperkte blik van degenen die op competitie gericht zijn, vinden we terug in die theorie. Vandaar dat de aanhangers van die rationele keuzetheorie grote moeite hadden om te accepteren dat er samenwerkers bleken te bestaan. Dat klopte niet met de theorie. Dus probeerden ze om dat samenwerkingsgedrag weg te verklaren. Bijvoorbeeld door te veronderstellen dat de spelers die er voor kozen om samen te werken, dat deden doordat ze het spel nog niet goed genoeg hadden begrepen. En dat ze zich dus wel competitiever zouden gedragen als ze meer ervaring met het spel hadden en meer tijd gehad hadden om over hun gedrag na te denken. Maar uit later onderzoek bleek dat dat niet opging. (Voor mij was het artikel van Kelley en Stahelski het begin van mijn afscheid van de rationele keuzetheorie.)

Toch zit er wel iets in de gedachte dat spontaniteit en pro-sociaal gedrag gemakkelijk samen gaan. Want uit dit recente onderzoek (fulltext achter de poort), waar ik de volgende keer op terug kom, blijkt dat minder tijd krijgen om na te denken, en dus meer intuïtief en op de automatische piloot moeten handelen, pro-sociaal gedrag bevordert. Dat klopt met de waarneming dat het helpen van iemand in een noodsituatie, als het gebeurt, vaak spontaan en direct gebeurt. Als er wat tijd over heen gaat, blijkt soms de hulpbereidheid snel af te nemen. Maar meer daarover dus de volgende keer.