Posts tonen met het label Avner Offer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Avner Offer. Alle posts tonen

donderdag 29 april 2021

Dat werkelijkheidsvreemde, moreel luchtledige vak economie is aan een wel heel grondige revisie toe - Wat de morele luchtledigheid van het vak economie zoal betekent - deel 6

In de reeks berichten over het moreel luchtledige vak economie (hier het vorige bericht) ging het er onder andere over dat reële maatschappelijke en economische ontwikkelingen sinds de negentiende eeuw zich voltrokken zonder zich veel van de aanbevelingen van dat vak aan te trekken. Volgens die aanbevelingen moest de markt als de bron van welvaart bij uitstek beschouwd worden en moest dus zoveel mogelijk aan de markt worden overgelaten. 

Dus een zo klein mogelijke overheid met zo laag mogelijke belastingen, die zich zoveel mogelijk zou moeten beperken tot het beschermen van eigendom. Die de inkomensverdeling aan de markt moest overlaten en dus grote inkomensongelijkheid als de altijd juiste uitkomst van het marktproces ongemoeid moest laten. Die het tegemoetkomen aan de menselijke behoefte aan zekerheid moest zien als een vraag waaraan door de markt het beste kan worden voldaan. Dus geen ruimte voor de verzorgingsstaat. Die arbeid beschouwt als een goed als alle andere, dus geen regulering van de arbeidsmarkt en geen beleid gericht op volledige werkgelegenheid. Onvrijwillige werkloosheid kan niet bestaan, want er is altijd werk te vinden als je je eisen maar genoeg naar beneden bijstelt.

Maar wat we zagen gebeuren was de totstandkoming van democratieën die besloten om de belastinginkomsten sterk te vergroten, die met progressieve belastingtarieven de ongelijkheid sterk terugbrachten, die de sociale zekerheid van de verzorgingsstaat opbouwden, die, althans na de Tweede Wereldoorlog, een Keynesiaans beleid voerden gericht op volledige werkgelegenheid en die de arbeid beschermden.

In termen van Offer en Söderberg (The Nobel Factor): in de empirische werkelijkheid hadden de morele gemeenschapsintuïties van de sociaaldemocratie een grote invloed op het beleid en keek het moreel luchtledige vak economie aan de zijlijn toe. 

Althans, dat was het geval tot aan de opkomst van het neoliberalisme in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw. Maar alles doet vermoeden dat toen een merkwaardige tussenperiode begon waar we nu, begin jaren 20 van deze eeuw, met enig afgrijzen afscheid van nemen. Denk aan de overgang van het Trump-bewind naar de regering Biden in de Verenigde Staten.

Natuurlijk is dat alles algemeen bekend. Maar als er al bij wordt stilgestaan, dan wordt het met enig schouderophalen geaccepteerd als "zo zit de wereld nu eenmaal in elkaar".

Maar bij nadere beschouwing is het eigenlijk heel merkwaardig. Een als "wetenschap" alom gerespecteerd vak economie staat bij ingrijpende maatschappelijke ontwikkelingen aan de zijlijn. Het blijft volharden in een werkelijkheidsvreemd theoretisch apparaat, dat als het onverhoopt wel serieus wordt genomen, zoals in de afgelopen tientallen jaren, maatschappelijke rampspoed en menselijke ellende voortbrengt.

Offer en Söderberg wijzen in dat verband op het evenzeer merkwaardige gegeven dat de beoefenaars van dat vak heel verschillend denken over de aanbevelingen van hun vak. In het plaatje (p.117) zie je hoe economen antwoordden op enquêtevragen over de wenselijke mate van ongelijkheid, van het niveau van overheidsuitgaven en van de wenselijkheid van inkomensherverdeling door de overheid in het kader van sociale zekerheid. Het ging om Amerikaanse en Europese economen, overwegend werkzaam aan een universiteit. Allen dus opgeleid in dat moreel luchtledige vak economie.

En wat blijkt? Die economen zijn in grote meerderheid voor meer gelijkheid, zijn sterk verdeeld over het gewenste niveau van overheidsuitgaven en weer in grote meerderheid voor inkomensherverdeling. Offer en Söderberg daarover (p. 118):

The results are striking. To begin with, there was no unanimity. If economics was a science, there was no agreement on its core policy implications. One would hardly expect such lack of agreement over core issues in the application of physics, chemistry or biology. On the other hand, the distribution of opinion remained constant over time, especially in the United States, which suggests that the survey captured a stable distribution of preferences. 

En bovendien zijn die economen als persoon veel sociaaldemocratischer (links/progressiever) dan wat hun vak hen vertelt. Wat er op neerkomt dat ze hun morele gemeenschapsintuïties serieuzer nemen dan de morele luchtledigheid van hun vak.

De conclusie ligt voor de hand, maar wordt nog veel te weinig getrokken: dat werkelijkheidsvreemde, moreel luchtledige vak economie is aan een wel heel grondige revisie toe.

Een revisie die trouwens vergelijkbaar zou zijn met de revisie die het vak sociologie om andere redenen zou moeten ondergaan.

Lees hier het volgende bericht.

vrijdag 23 april 2021

Misschien hebben we nu, in 2021, genoeg geleerd om de les te trekken dat het met morele luchtledigheid niet de goede kant opgaat - Wat de morele luchtledigheid van het vak economie zoals betekent - deel 5

Het vorige bericht besloot ik met de overweging dat je de sociaaleconomische geschiedenis van de twintigste en het begin van een eenentwintigste eeuw kunt beschrijven met de strijd om invloed tussen het moreel luchtledige vak economie (de "economiedoctrine") en de politieke ideologie van de sociaaldemocratie op hoe het probleem van bestaansonzekerheid dient te worden opgelost. Waarbij die term sociaaldemocratie natuurlijk gebonden is aan specifieke politieke partijen, maar de inhoudelijke ideeën breder gedeeld kunnen zijn. 

Om de gedachten te bepalen: na de Tweede Wereldoorlog waren die ideeën heel breed gedeeld ("de gemeenschap, georganiseerd in de staat"). Met de opkomst van het neoliberalisme in de jaren zeventig en tachtig verdwenen ze naar de achtergrond, zelfs ook bij de sociaaldemocratische politieke partijen, waarna ze nu, na de confrontaties met de onzekerheden van financiële crises, de klimaatverandering en de coronapandemie weer de kop opsteken. Niet alleen omarmt de PvdA weer het grote belang van bestaanszekerheid (de sociaaldemocratie is terug; nu nog de kiezers), ook de andere partijen lijken naar links op te schuiven. En in de Verenigde Staten lijkt hetzelfde aan de hand met de nieuwe regering-Biden.

Die strijd om invloed is duidelijk een tussen intellectuele stromingen die verschillen in de plaats die ze toekennen aan morele noties in hoe maatschappijen zouden moeten worden ingericht. Ik noemde al herhaaldelijk de economische doctrine, dus het vak economie zoals dat aan het eind van de achttiende eeuw ontstond (Polanyi's waterscheiding), moreel luchtledig. Die karakterisering is erop gebaseerd dat je het oplossen van alle verdelingsproblemen voor eens en altijd kunt neerleggen bij de markt. Draag zoveel mogelijk over aan de markt en dan hoef je je in morele zin niet meer het hoofd te breken. 

Anders dan dat de markt het geheel is van vrijwillige transacties en dat daarmee tegemoet wordt gekomen aan de morele notie van vrijheid van overheersing. Maar als je die andere morele gemeenschapsnoties, die van iedereen telt mee, van wij met zijn allen en van rechtvaardigheid volledig negeert, dan is de term morele luchtledigheid wel op zijn plaats.

Die moreel luchtledige oplossing voor het probleem van bestaansonzekerheid ligt natuurlijk voor de hand. Iedereen moet dat probleem zelf oplossen. En de markt zorgt er voor dat zulks mogelijk is, want  zekerheid kun je aanschaffen. In de woorden van Offer en Söderbergs The Nobel Factor (p. 6):

In economics, in contrast, the risk is borne by every individual. each person's problem is how to transfer financial claims safely over time, from now, when premiums are paid or savings banked, to the future, when dependency might occur. Security is a commodity like any other, purchased in financial markets as insurance and savings, each person according to a sense of how much he or she can afford. Risks are pooled by insurance companies and banks. Individuals rely for security on commercial contracts.

Denk aan de poging van de Republikeinse partij gedurende de regering-Bush om de sociale zekerheid volledig te privatiseren. Weg met het wij-met-zijn-allen. Dat kregen ze er niet door, ook al vanwege de vele aanwijzingen dat een collectief georganiseerde sociale zekerheid goedkoper is.

Fraai daarmee contrasterend, in de zin van de morele lading benadrukkend, is de karakterisering van de sociaaldemocratie door de Zweedse sociaaldemocratische leider Albin Hansson in 1928 als "The People's Home", die Offer en Söderberg aanhalen (p. 5): 

The basis of the home is commonality and mutuality. A good home is not aware of any privileged or slighted, no darlings and no stepchildren. You see no one despise the other, no one who tries to gain advantage of others.... In the good home you find equality, compassion, cooperation, helpfulness.

Sinds die waterscheiding aan het eind van de achttiende eeuw kennen we die twee maatschappijvisies, de moreel luchtledige van het vak economie, toegespitst in de neoliberale ideologie, aan de ene kant en de sociaaldemocratie aan de andere kant. Misschien hebben we nu, in 2021, genoeg geleerd om de les te trekken dat het met morele luchtledigheid niet de goede kant opgaat. 

Lees hier deel 6.

donderdag 15 april 2021

Over de strijd tussen de morele gemeenschapsintuïties van de sociaaldemocratie en het amorele vak economie - Wat de morele luchtledigheid van het vak economie zoal betekent - deel 3

Wat de morele luchtledigheid van het vak economie zoal betekent, kan goed duidelijk gemaakt worden door die moreel luchtledige, dus amorele, economische blik op de wereld te confronteren met hoe maatschappijen zich na die bezittersmaatschappijen van de negentiende eeuw (Piketty) in werkelijkheid hebben ontwikkeld. In belangrijke opzichten heel anders namelijk dan wat met het amorele vak economie verklaard kan worden.

Ik stond in het vorige bericht al stil bij die ontwikkeling: sterk afnemende ongelijkheid, samenhangend met uitbreiding van het kiesrecht, dus met de groei van democratie, meer regulering van de arbeidsmarkt en bescherming van de zwakkeren en progressievere belastingheffing. In het eerste plaatje zie je de vanaf de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) afnemende vermogensongelijkheid afgebeeld voor Engeland (Piketty, Capital and Ideology, p. 195).

En in het tweede plaatje (p. 457) zie je voor vier Europese landen en de Verenigde Staten hoe dat gepaard ging met een sterke toename in precies dezelfde periode van de belastinginkomsten van de overheid. Dus met een toename van het morele wij-met-zijn-allen van de overheid als correctie op en indamming van het amorele ieder-voor-zich van de markt. 


En je ziet hoe de kracht van het morele iedereen-telt-mee tussen landen kan verschillen, sterker voor de continentaal-Europese landen dan voor het Verenigd Koninkrijk en vooral de Verenigde Staten.

Die ontwikkeling in het eerste driekwart van de twintigste eeuw kan moeilijk anders verklaard worden dan uit de toegenomen invloed van de morele gemeenschapsintuïties (iedereen telt mee, rechtvaardigheid) op de politieke besluitvorming, die mogelijk werd door het algemeen kiesrecht en dus door de vestiging van democratieën. Piketty spreekt over de politiek-ideologische voorwaarden die deze ontwikkeling in gang zetten (p. 417):

those decisions stemmed from profound and lasting changes in social perceptions of the system of private property and its legitimacy and ability to bring prosperity and offer protection against crisis and war. This challenge to capitalism had been in gestation since the middle of the nineteenth century before crystallizing as majority opinion in the wake of two world wars, the Bolshevik Revolution, and the Great Depression of the 1930s. After such shocks, it was no longer possible to fall back on the ideology that had been dominant until 1914, which relied on the quasi-sacralization of private property and the unquestioned belief in the benefits of generalized competition, whether among individuals or among states. The contending political forces therefore set out in search of new avenues, including various forms of social democracy and socialism in Europe and the New Deal in the United States.

Kunnen daar lessen uit worden getrokken voor nu? Ja, natuurlijk, die volgen dan ook meteen:

The lessons that can be drawn from this history are obviously relevant to what is happening today, especially since a neo-proprietarian ideology began to gain influence in the final decades of the twentieth century.

En dan gaat het over de terugkeer van de grote invloed van het moreel luchtledige vak economie vanaf de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw, het neoliberalisme dus. Wat we zich met dat alles zien afspelen is de strijd om invloed tussen enerzijds dat amorele vak economie en anderzijds de politiek-ideologische denkwereld van de sociaaldemocratie (ruim genomen), waarin de morele gemeenschapsintuïties proberen vorm te vinden.

Over die strijd hebben Avner Offer en Gabriel Söderberg zich gebogen aan de hand van de sinds 1969 uitgereikte Nobelprijzen voor economie in hun in 2016 verschenen The Nobel Factor. The prize in economics, social democracy, and the market turn. Dat boek verdient veel meer aandacht dan het heeft gekregen. Daarom daarover in het volgende bericht meer. (Het kwam op dit blog al eerder aan de orde in het bericht De Nederlandse sociaaldemocratie heeft zich nog niet aan de neo-liberale dominantie ontworsteld.)

dinsdag 25 oktober 2016

De Nederlandse sociaal-democratie heeft zich nog niet aan de neo-liberale dominantie ontworsteld

Wat te denken van het concept-verkiezingsprogramma van de PvdA?

Die vraag is van belang in een tijd waarin de sociaal-democratie als intellectuele, maatschappelijke en politieke kracht lijkt te versagen. Ik sta eerst even daar bij stil en keer daarna terug naar dat concept-verkiezingsprogramma.

Avner Offer, emeritus hoogleraar economische geschiedenis aan de Universiteit van Oxford, denkt dat de sociaal-democratie staat voor een ander wereldbeeld dan dat van de standaardeconomie, dat wil zeggen het vak aan de beoefenaars waarvan jaarlijks de Nobelprijs wordt uitgereikt.

Offner schreef daarover naar aanleiding van de uitreiking van die prijs een paar weken geleden: The Nobel prize in economics takes too little account of social democracy. En hij schreef daarover samen met Gabriël Söderberg het boek The Nobel Factor: The Prize in Economics, Social Democracy, and the Market Turn.

Zijn betoog komt er op neer dat het Nobelprijs-comité er aan heeft meegewerkt dat het economische wereldbeeld een neo-liberaal stempel heeft gedrukt op het maatschappelijke en politieke denken:
Like market liberalism, economics regards buying and selling in markets as the template for human relations and claims that market choices scale up to the social good. But the doctrines of economics are not well founded: premises are unrealistic, models inconsistent, predictions often wrong. The halo of the prize has lent credibility to policies that harm society, to inequality and financial disorder.
Maar er is ook een ander wereldbeeld, dat van de sociaal-democratie:
Economics does not have the field of policy entirely to itself. A different view of the world – social democracy – is used by governments to allocate about 30% of GDP in most developed countries for employment, healthcare, education, and pensions. Social democracy is not only a political orientation but also a bipartisan method of government. Like economics, it accepts the primacy of markets in production and consumption. Markets reward wealth and success. In social democracy, entitlement is equal, and arises from citizenship, though one-size-fits-all sometimes creates its own problems.
En hoewel het Nobelprijs-comité wel heeft geprobeerd om een evenwicht te bewaren tussen "rechtse" en "linkse" economen, is er toch maar één prijswinnaar geweest die echt als sociaal-democraat kon gelden (Gunnar Myrdal in 1974).  En in ieder geval één sociaal-democraat die hem had behoren te krijgen (John Kenneth Galbraith), zag hem aan zich voorbij gaan.
This is costly. Social democracy is not as deeply theorised as economics, but has been enormously successful in providing social and public goods. It has kept economic insecurity at bay. Its method of mutual support is more efficient and equitable than private healthcare, education, and pensions. Social-democratic politicians do not always understand this. If economics is compelling, social democracy is indispensable. The two doctrines have adapted to each other but their marriage is not happy.
Het zou goed zijn als het vak economie zich daar meer rekenschap van zou geven. En het zou dus goed zijn als dat zou doorklinken in de toekenning van de Nobelprijs. Zie ook dit interview met Avner Offer: The Political Slant of the Nobel Prize in Economics.

Dat in de sociaal-democratie het nastreven van economische bestaanszekerheid zo voorop staat, verklaart ook dat het werk van John Maynard Keynes daar zo goed werd ontvangen. Want Keynes zag dat de markt niet als vanzelf tot het optimale evenwicht tendeert, dat lange perioden van stagnatie (slechte evenwichten) kunnen bestaan en dat de overheid via begrotingsbeleid de taak op zich moet nemen om de daaruit voortkomende bestaansonzekerheid te voorkomen.

En hoe actueel is dat inzicht! We zien om ons heen, dat wil zeggen in Europa, dat het verwaarlozen er van en het stijfkoppig vasthouden aan het primaat van het begrotingsevenwicht, rampzalige gevolgen heeft gehad en heeft. Hoe anders zouden de ontwikkelingen geweest zijn als de invloed van het sociaal-democratisch denken op de inrichting van de eurozone en op het gevoerde beleid groter was geweest!

En inderdaad, de geluiden dat het anders moet en dat het de hoogste tijd is voor een actief begrotingsbeleid om uit de economische stagnatie te ontsnappen, worden sterker. Gisteren Should we rethink fiscal policy? van Sylvia Merler van de denktank Bruegel, die een fraaie opsomming geeft van recente bijdragen. En een paar dagen eerder Secular stagnation, bubbles, fiscal policy, and the introduction of the contraceptive pill van Jason Lu en Coen Teulings. Die laten zien dat de overheidsschulden juist moeten toenemen, om nieuwe financiële zeepbellen, en dus crises, te voorkomen. Maar dat zulks door het Stabiliteitspact van de eurozonelanden onmogelijk wordt gemaakt.

Goed. terug naar het concept-verkiezingsprogramma van de PvdA. Vinden we daarin wat terug van het grote belang van dat sociaal-democratische wereldbeeld als tegenhanger van het neo-liberale?

Als je dat concept doorleest, dan vind je in de eerste 10 van de 11 hoofdstukken een lange opsomming van voornemens en wensen waar je het gemakkelijk mee eens kunt zijn. En die in de media het beeld hebben doen ontstaan van een partij die weer "links opzoekt". Al die voornemens vereisen investeringen, verhoging van de overheidsuitgaven dus. Komen die er?

Nee, want dan arriveer je bij het elfde hoofdstuk, met als titel Financieel kader. En dat is verreweg het kortste hoofdstuk, zo kort dat ik het hier in zijn geheel kan citeren:
De PvdA heeft een traditie van verstandig begrotingsbeleid. Want we weten dat als de begroting uit de hand loopt, uiteindelijk gewone gezinnen en kwetsbare mensen de rekening betalen.
Het begrotingsbeleid van de afgelopen jaren heeft de basis gelegd voor de in dit programma voorgestelde investeringsagenda in de publieke sector: onderwijs, zorg, sociale zekerheid, duurzaamheid en veiligheid.
Aan het eind van de kabinetsperiode wil de PvdA structureel evenwicht op de begroting, zodat we onze kinderen niet opzadelen met de rekening en ouderen ook in een vergrijzende samenleving de zorg kunnen bieden die ze verdienen. Het tekort mag oplopen bij economische tegenslag of onvoorziene omstandigheden. Het belastingstelsel wordt eerlijker en groener.
Het begrotingsbeleid is dienend aan het bereiken van een duurzame, sociale en welvarende samenleving. De PvdA zal haar verkiezingsprogramma laten doorrekenen door het Centraal Planbureau en het Planbureau voor de Leefomgeving en aanbieden aan het Sociaal Cultureel Planbureau om een analyse te maken van de sociale gevolgen van het programma.
En daar lezen we dus dat de PvdA een "structureel evenwicht" op de begroting wil. Tekorten mogen niet, tenzij bij economische tegenslag of onvoorziene omstandigheden. Verdere uitleg ontbreekt. Schulden maken om te investeren? Nee hoor. Wel de demagogie over het opzadelen van onze kinderen met de rekening. En wel het erin volharden dat het met de VVD gevoerde bezuinigingsbeleid "verstandig" was, alle aanwijzingen negerend van de daardoor veroorzaakte economische schade.

Nee. als je hierop afgaat, dan kun je nog niet concluderen dat de Nederlandse sociaal-democratie zich aan de greep van de neo-liberale dominantie ontworsteld heeft.