Posts tonen met het label arbeidsovereenkomst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label arbeidsovereenkomst. Alle posts tonen

vrijdag 24 januari 2020

Maakt de Commissie-Borstlap de "fallacy of composition"? Waarom Lodewijk Asscher gelijk heeft

Het Eindrapport van de Commissie Regulering van Werk (Cie. Borstlap) getuigt van een inzicht dat misschien snel een nieuwe consensus wordt, namelijk dat de neoliberale ideologie van deregulering en kleine overheid zijn langste tijd heeft gehad. Misschien keren we gewoon terug op het pad van de vooruitgang. Je kunt dat rapport hier lezen: In wat voor land willen wij werken? Naar een nieuw ontwerp voor de regulering van werk.

Maar het rapport kent een opvallende ambivalentie. Aan de ene kant zijn er voorstellen om de flexibiliteit op de arbeidsmarkt vergaand terug te dringen. Maar daar staat weer het voorstel tegenover om de vaste contracten aanzienlijk flexibeler te maken. In de woorden van de Commissie (p. 65):
Om werkgevers ruimte te bieden voor het organiseren van aanpassingsvermogen binnen hun organisatie, adviseert de Commissie werkgevers soortgelijke rechten toe te kennen als de rechten van werknemers op grond van de Wet flexibel werken. Dit betekent concreet dat de interne wendbaarheid binnen het contract voor onbepaalde tijd voor werkgevers wordt vergroot op het terrein van arbeidsomvang en salaris (tot een bepaald percentage), maar ook op het terrein van functie, werklocatie en arbeidstijden. De werkgever krijgt de mogelijkheid deze arbeidsvoorwaarden eenzijdig te wijzigen indien bedrijfseconomische omstandigheden daartoe aanleiding geven.
En dat is opvallend, omdat alle argumenten die de Commissie noemt om de flexibiliteit terug te dringen, hier ineens geen rol meer lijken te spelen. Hier is ineens weer doorslaggevend dat werkgevers voldoende aanpassingsvermogen moeten hebben en dat ze daarom over voldoende "interne wendbaarheid" moeten beschikken. Met als gevolg dat, in de woorden van PvdA-voorman Lodewijk Asscher, je "zes of zeven miljoen mensen flex gaat maken in plaats van zekerheid geven."

Wat de Commissie met de ene hand, de hand van de vooruitgang, geeft, neemt ze met de andere, neoliberale, hand weer terug. Het lijkt alsof het rapport hier terugschiet in een neoliberale reflex, zonder oog te hebben voor die zorg om de behoefte van mensen aan bestaanszekerheid die eerder zo werd beleden.

Een element van die reflex lijkt een fallacy of composition te zijn. De fout namelijk om geen oog te hebben voor niveauverschillen. Want natuurlijk hebben individuele werkgevers behoefte aan interne wendbaarheid. Ze willen graag snel kunnen reageren op veranderingen, op fluctuaties in de vraag naar hun producten. Want ze moeten immers kunnen concurreren en dan is het zaak om snel je arbeidskosten te kunnen terugdringen.

Maar dat is het niveau van de individuele werkgever. En de regelingen omtrent het arbeidscontract spelen natuurlijk op het niveau van de markt. Ook die concurrenten hebben er mee te maken. Dat is de gedachte van het gelijke speelveld.

Waarbij aan elke werkgever wordt opgelegd om de werkelijke kosten van arbeid op te brengen en te verrekenen in de prijs van het product. En het voldoen aan de menselijke behoefte aan bestaanszekerheid hoort mee te wegen in die werkelijke kosten. Kosten die dus over de consumenten van dat product worden verdeeld.

En ja, het klopt dat wij nu met zijn allen voor veel producten te weinig betalen.

Door de overwegingen op het niveau van de individuele werkgever van toepassing te verklaren op het niveau van de markt waarop die werkgever opereert, maak je de fallacy of composition.

woensdag 27 november 2019

Wat sociale werkplaatsen en kinderbijslag met elkaar te maken hebben - En over sociale ordes

De Participatiewet was een product van het kabinet Rutte II, het kabinet Rutte - Asscher (eigenlijk Rutte - Samsom). Nu, vijf jaar later, is er de eindevaluatie van de wet door het Sociaal en Cultureel Planbureau.  Ik citeer uit de samenvatting daarvan:
De wet heeft tot doel om zo veel mogelijk mensen – ook degenen met weinig arbeidsvermogen – aan het werk te helpen, bij voorkeur bij een gewone werkgever. Daarnaast is het doel van de wet om de afhankelijkheid van uitkeringen zo klein mogelijk te maken. Hierbij ligt de nadruk op het activeren van mensen. Dat betekent dat er vooral wordt gekeken naar wat iemand wél kan, hoe die kwaliteiten op een werkplek benut kunnen worden en hoe iemand gestimuleerd kan worden om aan de slag te gaan.
Daarmee is die Participatiewet onderdeel van de verschuiving van het naoorlogse sociaaleconomische beleid gericht op volledige werkgelegenheid en verzorgingsstaat naar het neoliberale beleid van het geloof in de markt en de kleine overheid. Zie het bericht De verschuiving van full employment naar full employability loopt tegen zijn grenzen aan - Over de taaleis, de sollicitatieplicht en de tegenprestatie.

Volgens die neoliberale ideologie ligt het aan de mensen zelf als ze geen werk kunnen vinden. Geen werk hebben betekent dat je je eisen die je aan een baan stelt nog niet voldoende naar beneden hebt bijgesteld. Of dat je nog niet genoeg de vaardigheden hebt ontwikkeld om werk te vinden en om werknemer te zijn. Daarom is het nodig dat je "begeleid" en "geactiveerd" en "gestimuleerd" wordt.

En als je daar maar genoeg aan meewerkt, dan is er vast wel een baan voor jou te vinden. Zo nodig met een loonkostensubsidie voor je toekomstige werkgever. Of als dat ook niet lukt, biedt de gemeente je een beschutte werkplek aan. Hoe en in welke mate dat gebeurt, dat beslist de gemeente. Dat staat in die Participatiewet.

De teneur van die Eindevaluatie is dat die wet is mislukt. Volgens het SCP zijn de doelstellingen van de wet niet gehaald.

Daar is misschien discussie over mogelijk, zoals Pierre Koning in ESB betoogt. Maar over de mislukking van een onderdeel van die wet lijkt een consensus te groeien. Het gaat dan om het sluiten van de sociale werkplaatsen, als onderdeel van de wet, dat wil zeggen om het besluit te stoppen met het aanbieden van plaatsen in de sociale werkvoorziening. Die overheidstaak van het aanbieden van werk aan diegenen die de vaardigheden missen voor werk op de reguliere arbeidsmarkt, moest worden afgestoten. U weet wel, de markt moet het werk doen en we willen een kleinere overheid.

Er gaan nu stemmen op om dat besluit terug te draaien. De SP dient daartoe een initiatiefwet in. Ook de PvdA is nu voorstander van de herinvoering van de sociale werkplaatsen, evenals het wetenschappelijk bureau van het CDA.

Het gaat hier niet alleen om politiek, maar ook om het belangrijke sociaalwetenschappelijk thema hoe je het beste de nodige taken verdeelt over de bestaande sociale ordes, dus over Overheid, Markt, Organisaties en Primaire Sociale Orde. 

De arbeidsmarkt is in de mensheidsgeschiedenis een zo nieuw verschijnsel dat het bepaald niet gegarandeerd is dat iedereen daar werk kan vinden om in zijn levensonderhoud te voorzien. En hoe meer die markt echt "werkt", dus hoe meer concurrentie, hoe minder werkgevers de ruimte hebben en hoe minder gemotiveerd ze zijn om mensen een baan aan te bieden die niet productief genoeg zijn.

De concurrentie biedt werkgevers geen ruimte om hun gemeenschapsintuïties te volgen, zoals ze dat in de Primaire sociale orde van de persoonlijke relaties graag gedaan zouden hebben. Concurrentie verdringt pro-sociaal gedrag. Een bedrijf dat niet genoeg de arbeidskosten tergudringt, redt het op den duur niet.

Anders gezegd, van de sociale orde van de markt moeten we geen zaken verwachten die die orde niet te bieden heeft. Die markt is er juist vanwege de voordelen van de concurrentie. Die uiteraard gereguleerd moet worden.

Maar als je die zo probeert te reguleren dat werkgevers er wel voor zullen zorgen dat ook de zwakkeren werk vinden, dat blijkt dus niet goed te werken. Ook niet met loonkostensubsidies en met gemeenten die moeten proberen om beschutte werkplekken te vinden.

Dus was het bij nader inzien toch eigenlijk wel een goed idee om als overheid te zorgen voor sociale werkvoorziening, voor sociale werkplaatsen. Die er helemaal op zijn ingericht om werk en een werkomgeving aan te bieden aan mensen met te weinig vaardigheden voor de reguliere arbeidsmarkt.

Want eigenlijk waren die sociale werkplaatsen een groot succes. Totdat ze, als uitvloeisel van diezelfde neoliberale verschuiving meer moesten gaan concurreren. Ze moesten hun eigen inkomsten vergroten. Zodat ze voor de overheid goedkoper werden. De overheid moest kleiner en dus moesten de sociale werkplaatsen meer met private middelen gefinancierd worden.

Met als gevolg dat de werkplaatsen hun beste werknemers, die misschien anders regulier werk hadden kunnen vinden, probeerden te behouden. Vandaar dat de lonen in de sociale werkvoorziening gingen toenemen. Waardoor de sociale werkplaatsen nog duurder werden. En er wachtlijsten ontstonden en groeiden. Want de werkplaatsen begonnen in te zien dat het "bedrijfseconomisch" gezien niet verstandig was om datgene te doen waarvoor ze bedoeld waren: werk bieden aan de zwaksten op de arbeidsmarkt. Zie het bericht Een publieke taak moet je met publiek geld financieren - Over de publieke omroep en over de sociale werkvoorziening.

Dat neoliberale denken zorgde er dus eerst voor dat de werkplaatsen niet meer konden doen waarvoor ze op de wereld waren, waarna ze wegens "slecht functioneren" maar beter konden worden afgeschaft.

Datzelfde thema van de goede verdeling van taken over de sociale ordes speelde langer geleden met de kinderbijslag. Want aanvankelijk heersten nog ideeën over het "rechtvaardige loon", die inhielden dat wat marktrelaties betreft niet teveel mocht worden afgeweken van de persoonlijke relaties van de Primaire sociale orde. Daarin word je geacht om zorg te hebben voor elkaar en dat houdt ook in dat je met elkaars noden en behoeften rekening houdt.

Zoals met verschillen in behoeftes tussen werknemers. De een heeft kinderen te onderhouden en de ander niet. Dan heeft toch degene met (meer) kinderen meer nodig en hoort hij dus meer te verdienen dan degene zonder of met minder kinderen? Zo doen we dat toch als we rekening met elkaar houden?

Maar we kwamen al gauw tot het inzicht dat de arbeidsmarkt zo niet kan werken. Want concurrentie.

En als de markt het niet kan, dan moet dus de sociale orde van de Overheid inspringen. Zo kwam er de door de overheid gefinancierde kinderbijslag. Zie Kinderbijslag en de arbeidsovereenkomst.

Het goed toedelen van taken aan sociale ordes, dat is nu eenmaal een niet te vermijden collectieve uitdaging van de maatschappij waarin we terecht zijn gekomen.

dinsdag 6 juni 2017

Hoe langer in flexibele arbeidsrelaties, hoe meer stress en hoe slechter de gezondheid

Een van de neoliberale obsessies is die met de flexibiliteit van de arbeidsmarkt. Terwijl in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog de voordelen werden ingezien van langdurige arbeidsrelaties (de invisible handshake in plaats van de invisible hand), heerst nu de opvatting dat "de economie" vraagt om flexibiliteit. Banen voor het leven bestaan niet meer en horen ook niet meer te bestaan.

Dat heeft zoals bekend zijn uitwerking niet gemist. Volgens het CPB (Flexibiliteit op de arbeidsmarkt) hadden in 2016 vier van de tien werkenden geen vast contract. Zowel het aandeel flexibele dienstverbanden als het aandeel zzp'ers nam sterk toe, sterker dan in de meeste andere landen.

Die snelle toename leidt wel tot discussie over de voordelen en de nadelen ervan. Zo was er vorige week de KVS-lezing aan gewijd, met bijdragen van Bas Jacobs, Paul de Beer en Bas ter Weel (Flexibiliteit op de arbeidsmarkt, vloek of zegen?)

Maar mijn indruk is dat die discussie zich vooral afspeelt binnen de nauw getrokken grenzen van de economie. Als voordeel wordt opgevoerd dat meer flexibiliteit goed is voor het "aanpassingsvermogen" van de economie. Hij brengt ons dichter bij het ideaal (de fantasiewereld) van de zo onbelemmerd mogelijke werking van het marktmechanisme.

Maar daar staan nadelen tegenover, zoals minder loyaliteit met het bedrijf, minder scholing op het werk en een grotere (bestaans-)onzekerheid. Het CPB zegt daarover:
Op economische gronden valt niet te zeggen welk aandeel flexibele arbeidsrelaties in de beroepsbevolking wenselijk is. Een flexibele arbeidsmarkt heeft voordelen, zoals een sterker aanpassingsvermogen van de economie. De nadelen die aan flexibele arbeidsrelaties zijn verbonden, komen echter voor een betrekkelijk groot deel voor rekening van zwakkere groepen op de arbeidsmarkt. 
Maar er valt veel voor te zeggen dat de negatieve welzijns- en gezondheidseffecten van flexibilisering in die discussie te weinig aandacht krijgen.

Een voordeel van langdurige arbeidsrelaties is dat ze beter tegemoetkomen aan de fundamentele menselijke behoefte aan bestaanszekerheid. Dat kan doen vermoeden dat flexibilisering inderdaad negatief uitwerkt op welbevinden en gezondheid en daarmee ook economische kosten met zich meebrengt (ziekteverzuim, gezondheidszorg).

Het nieuwe onderzoek The Unintended Consequences of Flexicurity: The Health Consequences of Flexible Employment geeft een goed inzicht in die negatieve effecten van flexibele arbeidsrelaties (hier full text).

De onderzoekers kunnen met gebruikmaking van de gegevens van de British Household Panel Survey de gezondheidseffecten inschatten van de duur die werknemers in flexibele arbeidsrelaties hebben doorgebracht (seizoenswerk en tijdelijke contracten).

Daaruit komen de negatieve gezondheidseffecten (zoals op zelf ervaren gezondheid, hartproblemen, spijsvertering, ademhaling, angst/depressie en migraine) duidelijk naar voren. Die effecten bleven bestaan toen de onderzoekers er rekening mee hielden dat het verband ook omgekeerd kan zijn: dat gezondheidsproblemen de kans op een flexibele arbeidsrelatie vergroten.

Bovendien kan het onderzoek licht werpen op hoe deze effecten tot stand kwamen. Het bleek namelijk dat het ervaren van stress de tussenliggende stap is tussen flexibiliteit en de gezondheidsproblemen. Hoe langer in flexibele arbeidsrelaties, hoe meer stress (slapeloosheid, besluiteloosheid, gespannenheid, kwetsbaarheid, vertrouwensverlies) en daardoor meer gezondheidsproblemen.

Zoveel flexibiliteit is dus niet goed voor mensen. Zo verwonderlijk is dat niet. Er wordt wel gedacht dat vooral jongeren die onzekerheid niet zo erg vinden. Maar juist ook jongeren willen graag een vast contract: Millennials willen echte banen: vast en zeker.

dinsdag 19 augustus 2014

Op het werk veel moeten omgaan met vreemden verhoogt de kans op depressie - voor mannen

We leven in een maatschappij waarin bijna iedereen betaald werk moet verrichten om aan de kost te komen. Die toestand bestaat nog niet zo lang en we zijn dus nog bezig met uit te vinden hoe goed mensen overweg kunnen met dat sociale domein van het betaalde werk. Met de meestal hiërarchische organisaties waarin mensen dan terecht komen. En met de sociale omstandigheden van de werksituatie. Zo weten we dat het hebben van betaald werk (versus werkloosheid) bijdraagt aan ons welzijn, maar ook dat we het werk als activiteit gemiddeld bepaald niet als aangenaam ervaren. Zie Verhoogt werk ons welzijn? Ja en nee.

Dat de activiteit van het betaalde werk ons zo weinig gelukkig maakt, kan te maken hebben met de sociale omgeving die we op de werkplek aantreffen. Zo is bekend dat veel onvrede en ziekteverzuim voortkomt uit slechte relaties met leidinggevenden en met collega's (pesten op het werk).

Maar er zijn ook functies waar je veel omgang hebt met vreemden, in rollen als die van cliënt, klant en patiënt. Het gaat dan om functies als bij de politie, de gezondheidszorg, de jeugdzorg, de thuiszorg en de persoonlijke dienstverlening in het algemeen. In ons persoonlijke leven, buiten het werk, hebben we niet veel omgang met vreemden en hebben we bovendien de vrijheid om die omgang naar eigen goeddunken te doseren. Dat kan dus op het werk heel anders liggen. Contacten met vreemden kunnen daar onvermijdelijk zijn, ze horen bij het werk. Hoe goed kunnen mensen daar mee omgaan? Kan het een bron zijn van stress en ziekteverzuim?

De nieuwe studie Hell Is Other People? Gender and Interactions with Strangers in the Workplace Influence a Person’s Risk of Depression wijst inderdaad in die richting. De onderzoekers hadden een groot databestand in Duitsland tot hun beschikking van mensen met een ziektewetuitkering. En ze konden laten zien wat het uitoefenen van een functie waarin je veel contacten met vreemden hebt, uitmaakt voor de kans dat je ziek thuis zit met de diagnose depressie. Het gaat dus om degenen die ook echt van een dokter die diagnose hebben gekregen, uiteraard een veel beperktere groep dan die van mensen met klachten van depressieve aard. In het databestand had 6,8 procent (76563 personen) die diagnose depressie gekregen.

thumbnailHet blijkt dan dat de kans om die diagnose te krijgen groter is voor functies met veel contacten met vreemden. Maar: dat geldt alleen voor mannen. Sterker: bij vrouwen ligt het andersom: hoe meer contacten met vreemden ze hebben, hoe kleiner de kans op depressie. Zie de Figuur.

Dat man/vrouw verschil wijst er op dat je wel met het zogenaamde selectie-effect rekening moet houden. Dat effect houdt in dat mensen het soort werk proberen te vinden dat het beste bij hen past. De onderzoekers noemen onderzoek dat laat zien dat vrouwen functioneler met emoties kunnen omgaan dan mannen en dat kan verklaren dat ze beter zijn in het omgaan met vreemden. Vandaar dat vrouwen meer dan mannen in functies te vinden zijn waarin ze met mensen moeten omgaan.

Als je bedenkt dat dat selectie-effect ook werkzaam is binnen de groep mannen, dan maakt dat het gevonden verband nog sterker. Ondanks dat die mannen die graag omgaan met mensen het meeste kiezen voor functies waarin ze veel met vreemden omgaan, is het toch nog zo dat die mannen een grotere kans hebben op depressie. Het zegt iets over de grootte van de last van het omgaan met vreemden - voor mannen.

Overigens, van alle depressiediagnoses in dit bestand kwam de meerderheid (64 procent) terecht bij de vrouwen, die maar 36 procent van het bestand uitmaakten. De kans dat werk depressief maakt is groter voor vrouwen dan voor mannen, wat er op wijst dat werk over het geheel genomen nog steeds een mannenwereld is.

Tenslotte, voor zowel mannen als vrouwen gold dat het veel te maken hebben met conflictueuze contacten de kans op depressie verhoogde. Of we nu man of vrouw zijn, we houden er niet van om bij voortduring conflicten te moeten uitvechten. We houden van harmonie.

woensdag 22 januari 2014

Kinderbijslag en de arbeidsovereenkomst. De losse flodders van Peter de Waard

Kinderbijslag en de arbeidsovereenkomst? Wat hebben die met elkaar te maken? Meer dan je denkt en dat zal ik uitleggen.

De aanleiding daartoe is dat Peter de Waard in zijn column vandaag in De Volkskrant denkt dat de kinderbijslag
een archaïsch overblijfsel (is) uit de tijd dat de pastoor, de dominee en Troelstra de mensen opjoegen tot een geboortegolf, zodat hun zuil de grootste van Nederland zou worden en de dienst zou uitmaken. Nu zelfs de omroepen op een hoop zijn geveegd is de kinderbijslag het enige dat de ontzuiling nog tamelijk schadevrij heeft overleefd.
De kinderbijslag zou dus een product zijn van de verzuiling, bedoeld om het geboortecijfer op te jagen. Hm, dat klopt geloof ik alleen al niet omdat die zorg om het kindertal eigenlijk alleen bestond in katholieke kring. En onderdeel was van de behoefte aan emancipatie van het katholieke volksdeel. Dominees en Troelstra, die maakten zich daar toch niet druk om? Bovendien, het geven van kinderbijslag aan iedereen zou voor iedereen het kindertal verhogen, dus daar schiet je als zuil niets mee op. Nee, Peter de Waard schiet weer eens met losse flodders.

Met iets meer desk research had hij kunnen ontdekken dat de kinderbijslag een ontstaansoorzaak heeft die te maken heeft met de arbeidsovereenkomst. Om dat uit te leggen citeer ik mezelf uit een column van 2005 (verschenen in Facta, nu Sociologie Magazine):
De Kinderbijslagregeling dateert van 1938, maar heeft een motivering die teruggaat tot discussies in de negentiende eeuw over de wenselijkheid van een ongevallenwet. Het ging toen over de principiële vraag welk gedrag binnen marktrelaties als die van werkgever-werknemer is toegestaan. Eén opvatting, dat de overheid die relatie zoveel mogelijk vrij moet laten, had lang de overhand. Dit betekende dat lange arbeidstijden, slechte arbeidsomstandigheden, kinderarbeid en ontslag wegens ziekte of gebrek wettelijk waren toegestaan. De markt, zeker de arbeidsmarkt, was nog een nieuw verschijnsel. Er was dus tijd nodig om de aard ervan te ontdekken en uit te zoeken hoe dit beest moest worden getemd.
Er was ook een andere opvatting, namelijk die van het “rechtvaardige loon”. Die hield in dat arbeidsmarktrelaties niet teveel mogen afwijken van de van oudsher vertrouwde gemeenschapsrelaties. In een gemeenschap zijn mensen aan elkaar gehecht en bereid om bij te springen als iemand hulp nodig heeft. Die oriëntatie op elkaars noden behoort volgens deze opvatting ook in de marktrelatie te bestaan. En dus moet de werkgever in het loon rekening houden met de behoeften en noden van de werknemer. Bij een bedrijfsongeval heeft hij een zorgplicht voor de arbeider die niet meer kan werken. En als de arbeider naasten heeft die van zijn zorg afhankelijk zijn, bijvoorbeeld kinderen, dan moet dat in de hoogte van het loon tot uitdrukking komen. Beloning naar behoefte (en verplichting naar vermogen), zoals in een gemeenschap.
Voor de socioloog is dit een fascinerende discussie, want de allesoverheersende vragen van ons vak zijn hoe de marktmaatschappij zich ontwikkelt, wat dat voor mensen betekent en welke conclusies daaruit moeten worden getrokken voor de inrichting van de maatschappij. Hoe is die discussie verder verlopen? Al gauw bleek dat het principe van het rechtvaardige loon op praktische problemen stuitte. Want hoe kan een werkgever voor zijn werknemers zorgen als hij in een concurrentieverhouding staat met andere werkgevers? Als hij die zorgplicht serieus neemt, heeft hij hogere arbeidskosten dan zijn concurrenten en zal hij op den duur uit de markt verdwijnen. Dan is zijn zorgvermogen verloren en is alsnog de werknemer aan zijn lot overgelaten. In plaats daarvan zullen werkgevers bij de werving van personeel sollicitanten vermijden die al (veel) zorgafhankelijke kinderen hebben of die naar verwachting nog zullen krijgen. Die selectie is natuurlijk in strijd met het streven om de markt vorm te geven naar het voorbeeld van de gemeenschap. Het principe werkt dus niet. Of we moeten de markt helemaal niet willen, maar daar schrikt iedereen voor terug.
Hoewel dit een praktisch argument is, raakt de onderliggende problematiek het principiële verschil tussen markt en gemeenschap. Het is overduidelijk dat deze twee sociale vormen elkaar in de weg zitten, maar ook dat we beide nodig hebben. De taak uit te vinden welke combinatie van de twee het beste uitpakt, zal ons nog wel lang bezighouden. De praktische bezwaren tegen het rechtvaardige loon hebben pas ver in de twintigste eeuw tot de conclusie geleid dat een door de overheid gefinancierde kinderbijslag noodzakelijk was. Want als je de markt wilt, dan wil je concurrentie. Dus kun je (en wil je!) niet voorkómen dat werkgevers op arbeidskosten concurreren. En dan blijft alleen de overheid over om zich te ontfermen over het behoeftecriterium, met aanwending van belastingopbrengsten. Dat was de rechtsgrond van de kinderbijslagregeling van 1938 voor werknemers en de latere uitbreiding tot zelfstandigen.
Die kinderbijslag heeft dus te maken met een serieuze discussie over wat voor kapitalisme we eigenlijk willen. Hoe houden we het behoefteprincipe van de gemeenschapsrelatie zo goed mogelijk in stand als we tegelijk ook de voordelen willen van concurrentie op de arbeidsmarkt? Door als overheid de zorg voor dat behoefteprincipe op je te nemen.

Diezelfde redenering zou er overigens ook toe kunnen leiden die middelen voor de kinderbijslag aan te wenden voor gratis kinderopvang. Zoals Peter de Waard bepleit. Maar hij heeft daar een heel andere reden voor, namelijk dat vrouwen daardoor meer betaald zouden gaan werken. En dat zou goed zijn voor de economie. Daar ga ik nu maar even niet op in.

donderdag 27 september 2012

Grootouderschapsverlof (in Duitsland)

De Duitse regering maakt plannen voor de invoering van het grootouderschapsverlof. Zie de link hieronder naar het bericht in Der Spiegel van vandaag. Het zou inhouden dat werkende grootouders het recht krijgen om tijdelijk verlof op te nemen met recht op terugkeer naar de arbeidsplek. Om het gemakkelijker te maken dat grootouders bijspringen en een rol spelen in het grootbrengen van hun kleinkinderen.

Het lijkt een goede ontwikkeling. Grootouders kunnen een belangrijke rol spelen in het terugdringen van het sociale isolement van onze gezinnen, dat zo slecht uitwerkt op hoe onze kinderen opgroeien. En de meeste grootouders willen ook graag die rol spelen. Het is goed om de arbeidsovereenkomst wettelijk zo in te richten dat daarmee rekening wordt gehouden. Dat hoort onderdeel te zijn van de kosten van arbeid voor ondernemingen.

Hoe zit dat dan in Nederland? Wij hebben al een algemenere wettelijke regeling die hierin voorziet, namelijk het wettelijke recht op deeltijdwerk. Daar mogen we best trots op zijn. Want veel landen zijn daar jaloers op. Zie Juliet Schor daarover.

Zie ook deze eerdere berichten over het belang van grootouders voor het goed opgroeien van kinderen:

DEMOS over grootouders en over deeltijdwerk
Belang van kinderopvang en van grootouders voor het krijgen van kinderen
Belang van nabijheid grootouders voor arbeidsparticipatie
Grootouders van belang voor pro-sociaal gedrag van kleinkinderen
Belang van grootouders (vervolg)
Belang van grootouders

Schröder legt Gesetzentwurf für Großelternzeit vor - SPIEGEL ONLINE:

'via Blog this'