Posts tonen met het label intrisieke werkmotivatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label intrisieke werkmotivatie. Alle posts tonen

donderdag 27 februari 2020

De markt moet je niet gebruiken voor taken waarvoor je mensen met goede intenties nodig hebt - Over een nadeel van privatisering van de zorg waar de politiek te weinig aandacht voor heeft


Dat inzicht wijst op een mogelijk nadeel van het overhevelen van voorheen publieke taken naar de marktsector. Als het om taken gaat die appelleren aan de behoefte van mensen om iets goeds te doen voor anderen, dan kan het zijn dat privatisering en het vrij baan geven aan winstuitkering aan aandeelhouders een verschuiving teweegbrengt in het werknemers- en aanbiedersbestand. Dus minder werknemers die er voor anderen willen zijn en meer aanbieders die toetreden uit winstbejag.

Precies die verschuiving lijkt zich te hebben voorgedaan als gevolg van de privatisering van de zorg. Op veel nadelen van die privatisering is al gewezen, zoals op de toegenomen kosten van controle. Maar dit nadeel, dat je minder kunt vertrouwen op de pro-sociale en intrinsieke motivatie van degenen die in de zorg werkzaam zijn, krijgt nog weinig aandacht.

Aanleiding om daar bij stil te staan vormt de kamerbrief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Hugo de Jonge, waarin hij de Tweede Kamer een overzicht geeft "van de maatregelen die mijn collega-bewindspersonen van VWS en ik nemen om te voorkomen dat personen met verkeerde intenties in de zorg aan de slag gaan".

In die brief lees je een opsomming van de vele maatregelen die de minister gaat nemen om dus die personen met verkeerde intenties uit de zorg te weren. 

Zoals het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorgaanbieders (Wibz), waarin de wettelijke eisen aan de bedrijfsvoering van zorgaanbieders worden aangescherpt. En het wetsvoorstel Bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz), waarin het waarschuwingsregister zorgfraude wordt geregeld en het beter uitwisselen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de bestrijding van zorgfraude. En de uitbreiding van de Wet Normering Topinkomens, die moet voorkomen dat zowel hoofd- als onderaannemers in de zorg die wet ontwijken en zichzelf verrijken.

Waarbij je natuurlijk bedenkt dat de noodzaak van al die maatregelen, die dus nu pas wordt ingezien,  eruit voortkomt dat je er niet aan gedacht had dat de voordelen van concurrentie misschien niet zouden opwegen tegen de nadelen van het aantrekken van die "personen met verkeerde intenties".

De markt moet je niet gebruiken voor taken waarvoor je personen met goede intenties nodig hebt. Dus mensen die er voor anderen willen zijn.

Wat trouwens meer in het algemeen betekent dat het gebied waar de markt wel goed kan werken, veel minder groot is dan in de politiek vaak wordt gedacht.

zaterdag 28 juli 2018

Meedoen aan de statuscompetitie in de wetenschap vergroot de kans op dubieuze onderzoekspraktijken

In de wetenschap horen integriteit en waarheidsvinding voorop te staan. Maar hoe organiseer je universiteiten en andere onderzoeksorganisaties zo dat zulke zaken ook worden bevorderd?

In ieder geval lijkt het verstandig om ervoor te zorgen dat de statuscompetitie tussen onderzoekers binnen de perken blijft. Want daarmee zou je de kans vergroten dat onderzoekers door oneigenlijke doelen worden gemotiveerd. Status, dus, en door anderen erkend en bewonderd willen worden en anderen willen aftroeven en willen verslaan.

Wat universiteiten in werkelijkheid hebben gedaan is het tegenovergestelde. Door de prestatie-eisen op te voeren hebben ze een publicatiedruk laten ontstaan, die uitdrukkelijk uitnodigt tot statuscompetitie.

En daarmee tot onderzoekspraktijken die moeilijk zijn te rijmen met integriteit en waarheidsvinding. Denk even terug aan de affaire-Stapel en het naar aanleiding daarvan uitgebrachte rapport van de Commissie-Levelt: Bevordert publicatiedruk onderzoekscultuur van sloppyness en fraude? De affaire-Stapel.

Maar is het wel zo dat statuscompetitie de kans op dubieuze onderzoekpraktijken vergroot? Ja, de nieuwe studie Dark Pathways to Achievement in Science. Researchers’ Achievement Goals Predict Engagement in Questionable Research Practices verschaft aanwijzingen in die richting.

Junior psychologie-onderzoekers die lid waren van de Deutsche Gesellschaft für Psychologie en die aan een universiteit werkzaam waren, kregen de vraag voorgelegd of ze zich wel eens aan of meer van negen dubieuze onderzoekpraktijken hadden bezondigd, zoals het presenteren van een onverwacht resultaat als van te voren voorspeld, en of ze zich wel eens aan fraude hadden schuldig gemaakt (het vervalsen van data). Dat zulke praktijken in de sterk competitieve Duitse universitaire cultuur inderdaad niet zeldzaam zijn, bleek eruit dat 85,71 procent van de ondervraagden melding maakte van tenminste een dubieuze onderzoekspraktijk.

De onderzoekers was ook gevraagd of ze zich in hun werk meer lieten leiden door het streven zoveel mogelijk hun eigen kennis en competenties te vergroten of meer door het streven op anderen zo competent mogelijk over te komen. Het eerste streven kun je zien als een intrinsiek motief en het tweede als een statuscompetitiemotief.

Het bleek toen dat dubieuze onderzoekpraktijken significant meer werden gemeld door degenen die meer werden geleid door het statuscompetitiemotief en minder door degenen die meer werden geleid door het intrinsieke motief van het vergroten van eigen kennis en competenties.

Er was ook een Donkere Drie-vragenlijst afgenomen, om narcisme, psychopathie en Machiavellianisme te meten. Opvallend was dat degenen die hoger scoorden op narcisme meer het statuscompetitiemotief aanhingen.

zaterdag 26 november 2016

Is stringent beoordelen van leraren wel zo'n goed idee?

Omdat onderwijs zowel individueel als maatschappelijk zo belangrijk is, wordt er veel onderzoek gedaan naar de factoren die onderwijsprestaties bepalen. Als ik het goed overzie dan heeft dat onderzoek een allesoverheersend inzicht opgeleverd: het is de leraar waar het om draait. Van alles wat je maar kunt bedenken dat de leerprestaties zou kunnen beïnvloeden, blijkt vooral de leraar het verschil te maken.

Het eerder dit jaar verschenen Amerikaanse onderzoek WHAT DO TEST SCORES MISS? THE IMPORTANCE OF TEACHER EFFECTS ON NON-TEST SCORE OUTCOMES toont dat weer eens aan. Het laat zien dat de leraar invloed heeft op de cognitieve resultaten van leerlingen, maar ook op de niet-cognitieve vaardigheden, zoals blijkend uit minder verzuim en minder schorsingen.

Dat pleit er dus voor om te proberen de kwaliteit van
leraren te verhogen. Of om er voor te zorgen dat slechtere leraren niet worden aangenomen of eerder ander werk zoeken. Maar hoe doe je dat? Want wat precies die kwaliteiten zijn van een goede leraar, dat is nog niet zo gemakkelijk vast te stellen.

Wat je natuurlijk kunt doen is leraren stringent beoordelen en dan degenen vragen om ander werk te zoeken die herhaaldelijk slecht beoordeeld worden. Of dat wel of niet goed werkt is nu onderzocht in de eveneens Amerikaanse studie THE COMPOSITIONAL EFFECT OF RIGOROUS TEACHER EVALUATION ON WORKFORCE QUALITY.

Bij die beoordeling ging het om observaties in de klas door de schooldirecteur, om het voldoen aan regels en eisen met betrekking tot omgang met collega´s en bijscholing en om schattingen van de bijdrage aan de leerprestaties.

En wat kwam daaruit? Na verloop van een aantal jaren bleek inderdaad dat meer leraren met slechte beoordelingen waren vertrokken. Operatie geslaagd dus. 

Maar nee, want de verwachting dat de leerprestaties dan ook hoger zouden zijn, bleek niet uit te komen.

Want wat was er gebeurd? Ook de goed beoordeelde en de gemiddeld beoordeelde leraren hadden meer een andere baan gezocht. En gevonden. Waardoor de gemiddelde kwaliteit van het lerarenbestand niet was toegenomen.

De onderzoekers gaan er niet op in, maar wat ligt er meer voor de hand dan te denken dat invoering van zo'n stringent beoordelingssysteem leraren de school uit jaagt? Het is een aanslag op je autonomie. En die autonomie is juist zo wezenlijk voor je als je met hart voor het onderwijs en met hart en ziel voor je leerlingen voor de klas staat. 

Hoe zat dat ook al weer met die intrinsieke motivatie?
Voor de afbeelding zie De onvergetelijke leraar.

dinsdag 28 juli 2015

Over vakantie en hoe het komt het dat we de zin van het leven pas bij het ouder worden gaan inzien

In vakantietijd kun je de uitdagingen van het werk even achter je laten. Uitdagingen als: Presteer ik wel genoeg? Ben ik wel genoeg zichtbaar voor degenen waarvan ik afhankelijk ben? Weet ik me wel genoeg te onderscheiden van mijn collega’s? Laat ik niet teveel over me heenlopen?
Zo begint mijn nieuwe blog op Sociaalweb.nl. Lees hier verder. En kom meer te weten over de echte zin van het leven.

Over vakantie gesproken: dit blog is een poosje uit de lucht.

maandag 9 februari 2015

In verzorgingsstaten juist grotere intrinsieke motivatie voor betaald werk

Stel dat je een grote prijs in de loterij zou winnen en daardoor de rest van je leven niet meer zou hoeven werken. Zou je dan toch betaald werk willen blijven doen? Als je daar ja op antwoordt, dan ben je meer intrinsiek gemotiveerd om betaald werk te doen. Een betaalde baan levert jou dan meer op dan alleen het salaris wat je er mee verdient. Dat kan bijvoorbeeld het gevoel zijn dat je je nuttig maakt. Of het kan zijn dat je het werk op zich waardeert. Zoiets als arbeidsethos.

De onderzoekers van de studie The bigger the worse? A comparative study of the welfare state and employment commitment (betaalpoort) wilden weten of die intrinsieke motivatie voor betaald werk er van afhangt in welk land je woont. Meer in het bijzonder: er van afhangt hoe royaal de sociale bescherming is, dus van de omvang van de verzorgingsstaat.

Waarom is dat interessant? Omdat er een redenering is dat een meer genereuze verzorgingsstaat het aantrekkelijker maakt om niet te werken. Er zijn immers uitkeringen en sociale voorzieningen. Waarom je dan nog uitsloven? Sociale bescherming zou een afhankelijkheidscultuur in het leven roepen, die ten koste zou gaan van de intrinsieke werkmotivatie.

Maar wat blijkt nu uit dit onderzoek? Het is juist andersom. De onderzoekers vergeleken 18 Europese landen met elkaar en vonden dat de intrinsieke werkmotivatie groter is in landen met meer sociale bescherming.

Ter illustratie: het land met de laagste gemiddelde intrinsieke werkmotivatie is Tsjechië. Slechts 22,6 procent van de beroepsbevolking zou er voor kiezen om betaald te blijven werken ook als dat financieel niet nodig was. En bovenaan staat Noorwegen, met 78,7 procent waarvoor dat geldt. Nederland staat op de tweede plaats met 76 procent. Bovenaan staan vooral de verzorgingsstaten. En onderaan landen als Tsjechië, Slovenië en Estland, landen met veel minder sociale bescherming. Een interessante uitzondering is Bulgarije, dat de laagste sociale bescherming heeft, gecombineerd met een hoge intrinsieke werkmotivatie.

Je zou kunnen denken dat in verzorgingsstaten de werkomstandigheden beter zijn, waardoor de baantevredenheid er hoger is. Dat klopt ook. Vergelijk weer Tsjechië, waar 39,7 procent zeer tevreden is met zijn baan, met Noorwegen, waar 70,5 procent zeer tevreden is. Maakt dat dan dat de intrinsieke werkmotivatie in verzorgingsstaten hoger is?

Nee, dat is ook weer niet zo. Want als je statistisch controleert voor de mate van baantevredenheid, dan blijft die intrinsieke werkmotivatie in verzorgingsstaten hoger. Wat dus betekent dat een werknemer met een bepaalde baantevredenheid een hogere intrinsieke werkmotivatie heeft als hij in Noorwegen woont dan wanneer hij in Tsjechië woont.

Dat is intrigerend. Het lijkt er op dat de verzorgingsstaat mensen er juist toe brengt om werk meer te waarderen los van de financiële opbrengst er van. En dat in landen waar die financiële opbrengst belangrijker is, de waarde van het werk zelf er op achteruitgaat.

Er is nog wel een complicatie. Want het kan zijn dat het oorzakelijke verband andersom ligt. Dus dat in landen met een hogere intrinsieke werkmotivatie gemakkelijker een verzorgingsstaat ontstaat. Maar de onderzoekers noemen aanwijzingen uit ander onderzoek dat sociale bescherming ook echt leidt tot een hogere intrinsieke werkmotivatie. Waarschijnlijk gaat het verband beide kanten op.

Dat zou wijzen op een positieve terugkoppeling en doet vermoeden dat verzorgingsstaten zich in de richting van steeds meer sociale bescherming zullen ontwikkelen.