Dat wat we bij volwassenen al weten, dat je datgene wat je nieuwsgierigheid opwekt, beter leert als het je wordt uitgelegd, is nu ook vastgesteld bij peuters van 16 maanden oud. Onderzoekers lieten peuters steeds paarsgewijs verschillende voorwerpjes zien die ze niet kenden. Zie Infants Learn What They Want to Learn: Responding to Infant Pointing Leads to Superior Learning. Als de peuter naar een van de twee voorwerpen, wees, lieten ze zien waarvoor je het zou kunnen gebruiken. Zoals bijvoorbeeld dat je je haar er mee zou kunnen borstelen. Elk voorwerp werd dus met een unieke handeling verbonden.
Maar in andere condities van het onderzoek demonstreerden ze juist het gebruik van het voorwerp waar de peuter niet naar had gewezen. Of lieten ze maar één voorwerp zien en demonstreerden daarvan het gebruik.
Na een onderbreking van 10 minuten kregen de peuters de voorwerpen opnieuw te zien, met de vraag waarvoor je ze zou kunnen gebruiken. Het bleek toen dat ze dat het beste hadden onthouden als het ging om de voorwerpen waar ze naar hadden gewezen.
Daaruit valt op te maken: (1) dat ze in staat waren duidelijk te maken waar ze het meest in geïnteresseerd waren (door er naar te wijzen), en (2) dat ze door die grotere interesse ook beter onthielden wat ze hadden geleerd. En het suggereert dat de geneigdheid van peuters om ergens naar te wijzen een communicatieve bedoeling heeft. De bedoeling dus om de eigen interesse aan de ander duidelijk te maken, samen met de wens om uitleg te krijgen.
Kortom, onze peuters zijn nieuwsgierig naar sommige dingen die in hun blikveld komen en willen die nieuwsgierigheid delen met anderen, in de hoop op uitleg en instructie.
Nu hebben wij als volwassenen, met goede bedoelingen, een sterke geneigdheid om kinderen uitleg en instructie te geven over zaken die wij belangrijk vinden. Dat noemen we opvoeding en onderwijs. En dat gaat er mee gepaard dat wij kinderen eerst moeten aansporen om op te letten.
De noodzaak van die aansporing wijst er dus al op dat veel van de zaken die wij belangrijk vinden niet samenvallen met de dingen waar kinderen in geïnteresseerd zijn. We weten dat het dan desondanks toch nog behoorlijk lukt om kinderen iets te leren. Maar dat gaat dan vaak met tegenzin. En de resultaten vallen soms nogal tegen.
Het leren zou beter gaan als we meer zouden reageren op de signalen van nieuwsgierigheid die onze kinderen uitzenden. Anders gezegd: niet onze kinderen zouden beter moeten opletten als wij ze iets willen leren. Nee, wij zouden beter moeten opletten als zij proberen ons duidelijk te maken wat ze interessant vinden.