Posts tonen met het label verbieden. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verbieden. Alle posts tonen

woensdag 31 december 2025

Over het niet normaliseren en zo nodig verbieden van vuurwerk en het niet normaliseren en zo nodig verbieden van rechts-extremistische politieke partijen

Het ziet ernaar uit dat deze jaarwisseling de laatste is zonder een landelijk vuurwerkverbod. In het bijna afgelopen jaar hebben zowel de Tweede als de Eerste Kamer ingestemd met zo'n landelijk verbod. Een nieuwe regering zal en wil weinig anders kunnen doen dan die wens van de kamers in wetgeving om te zetten. Daar zal, volgens een enquête van Kieskompas en ANP, zo'n twee derde van de Nederlanders mee instemmen. 

Vuurwerk afsteken rondom de jaarwisseling is een gedrag waar de afstekers, en veel omstanders en toeschouwers, genoegen aan beleven. Het wordt ook gezien als een traditie en veel mensen ontlenen genoegen aan het in standhouden van tradities. In lijn daarmee riep het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed het afsteken van vuurwerk nog in 2015 uit tot Nederlands cultureel erfgoed.

Maar het is ook een gedrag dat schade en leed toebrengt. Er is een kans dat afstekers en omstanders fysiek letsel oplopen. En die schade en overlast nemen toe hoe meer vuurwerk er wordt gekocht en afgestoken. Zolang het op kleine schaal gebeurt, zijn degenen die overlast ondervinden bereid om die te accepteren. Ze hebben weliswaar moreel gezien het recht op het niet te hoeven ondergaan van schade en overlast, maar zolang die binnen de perken blijven, maken ze daar geen punt van. Je gunt anderen een pleziertje, zo lang het niet uit de hand loopt.

Maar het is dus wel uit de hand gelopen. In de loop van de afgelopen tientallen jaren zijn de verkoop en het afsteken van vuurwerk sterk toegenomen. Afstekers van vuurwerk zijn nog altijd een minderheid, maar hun gedrag heeft gevolgen voor veel anderen. Vlak na de jaarwisselingen worden er in de stedelijke gebieden sterk verhoogde concentraties fijnstof gemeten, meer dan wat alle wegverkeer samen in een heel jaar uitstoot. De zware metalen in vuurwerk (barium, antimoon, koper en strontium) zijn schadelijk voor het milieu en voor de gezondheid van mens en dier. Rond de jaarwisseling zijn eerste hulpposten en oogklinieken druk met het zo goed mogelijk behandelen van hand- en oogblessures, met vaak blijvende verminkingen. Het is ook uit de hand gelopen in de zin dat sommige afstekers hun vuurwerk inzetten tegen hulpverleners, politieagenten en brandweerlieden. Frank Straver en Stefan Keukenkamp geven vandaag in Trouw een overzicht van "de jaarlijkse schade en ellende": In cijfers: hoe vuurwerk een spoor van vernieling trok.

Toen tijdens de coronajaren 2020 en 2021 geen vuurwerk mocht worden verkocht, om de zorg te ontlasten, namen de letselcijfers drastisch af. Oogarts Tjeerd de Faber verklaarde daarna tegenover de Vaste Kamercommissie Veiligheid en Justitie:

„Ik zei: we hebben twee jaar eigenlijk een vuurwerkverbod gehad. Ik ben wetenschappelijk opgeleid. Als je tijdens een experiment een ziekmakende factor weghaalt en je ziet de ziektecijfers met 75 procent zakken, dan is er geen enkele medisch ethische commissie die zegt: laten we het toch maar terugdraaien om te kijken of het aantal slachtoffers dan weer omhoog gaat.”

Kortom, het wel of niet verbieden van vuurwerk is een ethische kwestie. Het gaat om een moreel afgekeurd gedrag, anderen schade toebrengen. Dat kan aanvankelijk en zolang het op kleine schaal plaatsvindt, getolereerd worden. Maar door die tolerantie kunnen meer mensen die aan dat gedrag genoegen ontlenen, zich erbij aansluiten. Dat het wordt geaccepteerd, zijn ze als een aanwijzing gaan zien dat het met die schade en de overlast wel meevalt. Het is niet iets waar je bij stil hoeft te staan. Als die schade echt zo groot was, dan zou het toch wel verboden worden? Dat maakt dat het niet verboden zijn niet alleen de problemen laat bestaan, maar daarbovenop vergroot.

En zo ontwikkelt zich het proces van het "uit de hand lopen". Het moreel afgekeurde gedrag wordt "genormaliseerd". Zo genormaliseerd dat het zelfs tot het culturele erfgoed werd gerekend.

Sociaalwetenschappelijk gezien hebben we hier te maken met een interessant geval van complicaties bij het naleven van het morele grondprincipe van het anderen geen schade of leed toebrengen. Dat grondprincipe is de kern van het gemeenschapspatroon van het iedereen-telt-mee waartoe mensen in hun gedrag tegenover anderen in staat zijn. Je hoort anderen zo nodig te hulp te schieten als je daartoe in staat bent, maar minimaal hoor je met hun welzijn en belangen rekening te houden en hen dus niet te benadelen.

We weten dat mensen daartegenover ook in staat zijn tot het amorele ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon. Je ziet dan anderen als tegenstrevers en vijanden, die op eigen gewin uit zijn, juist ook als dat ten koste van jou gaat. Als dat patroon in ons gedrag domineert, dan brengen we met zijn allen een sociaal inferieure toestand tot stand. Onze gemeenschapsmoraal hebben we nodig om het statuscompetitiepatroon te ontmoedigen en te onderdrukken.

Complicaties ontstaan doordat we tegenwoordig niet alleen verkeren in het domein van de vertrouwde, persoonlijke relaties, het domein waarin lang geleden dat morele grondprincipe evolueerde, maar ook in het domein van de onpersoonlijke, anonieme relaties. Zoals in het domein van de democratie, waarin dat morele grondprincipe van het iedereen-telt-mee vorm krijgt in het algemeen kiesrecht. Waarin we met miljoenen anderen in een veel meer abstracte, want onpersoonlijke, zin zijn verbonden. 

In dat domein wordt bij ons het gemeenschapspatroon minder direct, minder "automatisch" geactiveerd. Want we verkeren meer in sociale onzekerheid. We weten niet goed hoe anderen zich opstellen. Misschien is ook bij hen het gemeenschapspatroon geactiveerd, maar het kan ook zijn dat het ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon actief is. Terwijl in het domein van de persoonlijke relaties meestal het gemeenschapsevenwicht ontstaat, behoort in het onpersoonlijke, anonieme domein ook een beweging in de richting van het statuscompetitie-evenwicht tot de mogelijkheden. 

Anders gezegd, in het persoonlijke domein ervaren we over het algemeen de sociale veiligheid van de verwachting dat de anderen het goed met ons voor hebben, terwijl we daar in het onpersoonlijke domein niet standaard van uit gaan. De democratie is wel bedoeld om sociale veiligheid te verschaffen (denk aan "de gemeenschap georganiseerd in de staat" en "We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal,...), maar die bedoeling wordt altijd maar beperkt gerealiseerd. Dat zien we terug in de verdeling van politieke voorkeuren van links tot rechts, want uit onderzoek is bekend dat mensen bij wie meer het gemeenschapspatroon geactiveerd is, meer links stemmen en dat mensen bij wie meer het statuscompetitiepatroon actief is, meer rechts stemmen.

Terug naar dat vuurwerk. Het proces van uit de hand lopen kon zich ontwikkelen doordat we aanvankelijk bereid waren om de afstekers van vuurwerk hun pleziertje te gunnen. Maar daardoor nam het aantal vuurwerkafstekers toe. Doordat anderen ook dat pleziertje wilden. Maar ook doordat het belang van dat morele grondprincipe van het anderen geen leed of schade toebrengen minder manifest werd. Mensen zijn nu eenmaal geen morele automaten. Als er aanwijzingen zijn dat een morele overtreding getolereerd wordt, dan is het gemakkelijker om hem te begaan. Ook al doordat dit alles zich afspeelt in dat onpersoonlijke, anonieme domein.

Een tweede complicerende factor is die van de schaalgrootte. Al die negatieve effecten van vuurwerk afsteken treden op doordat het zo massaal gebeurt. Doordat het al uit de hand is gelopen. Dan geldt voor iedereen afzonderlijk dat de eigen bijdrage tot die negatieve effecten maar zeer gering is. Iedereen ziet de bijdrage van zijn vuurwerk tot de totale schade en ellende als verwaarloosbaar. Sociaalwetenschappelijk staat dat bekend als het publieke goed dilemma: niemand wil die schade en ellende, maar die is wel de uitkomst van de optelsom van alle individuele gedragingen. Onze moraal "dient" nu juist om die sociaal inferieure uitkomst zo veel mogelijk te voorkomen.

En zo dringt zich het inzicht op dat het probleem van het uit de hand gelopen vuurwerk afsteken staat voor het algemenere probleem van de altijd onvolkomen werking van de moraal in het grootschalige, onpersoonlijke sociale domein. En dus ook in het domein van de democratie. Want het is niet toevallig dat het in de Tweede Kamer (op de SP na) vooral de linkse partijen waren die het landelijk vuurwerkverbod ondersteunden en dat de rechtse partijen, PVV, BBB, FvD en JA21, tegen stemden. Dat komt ermee overeen dat de stemmers op de Partij voor de Dieren, GroenLinks/PvdA en Volt het meest voor een verbod zijn en de stemmers op Forum voor Democratie, PVV, BBB en JA21 het vaakst tegen.

In die zin is het uit de hand gelopen probleem van het vuurwerk afsteken te vergelijken met het uit de hand gelopen probleem van het rechts-extremisme in de politiek. De schade en ellende van het vuurwerk tijdens de jaarwisseling moest, na aanvankelijke tolerantie en "normalisering", uiteindelijk ingedamd worden door een landelijk vuurwerkverbod. Zo zal ook de schade en ellende van het uit de hand gelopen rechts-extremisme, na de huidige tolerantie en "normalisering", misschien ook een keer door een verbod op rechts-extremistische politiek partijen moeten worden ingedamd. 

maandag 8 januari 2024

Er zijn duidelijke aanwijzingen dat een vuurwerkverbod, ook als er niet of weinig gehandhaafd wordt, het afsteken van vuurwerk vermindert

In Rotterdam geldt sinds 2020-2021 een vuurwerkverbod. Heeft dat verbod, dat niet gepaard ging met een grote inzet aan handhaving, het gewenste effect gehad? Is er in de afgelopen drie jaren minder vuurwerk afgestoken?

Sociaalwetenschappelijk gezien zou je dat kunnen verwachten. Zie het vorige bericht. De meeste mensen delen de morele intuïtie dat je anderen geen schade hoort te berokkenen of overlast te bezorgen. Maar mensen die graag vuurwerk afsteken, kunnen geneigd zijn om hun ogen te sluiten voor de informatie over de schade van vuurwerk. Het ontbreken van een vuurwerkverbod helpt hen daarbij. Want ze zijn geneigd dat op te vatten als een aanwijzing dat het met die schade wel meevalt. "Als het zo erg was, dan zouden ze het wel verbieden." 

Dat doet vermoeden dat het verbieden van het afsteken van vuurwerk wel degelijk effect kan hebben, ook als er niet of maar weinig wordt gehandhaafd. Mensen worden erdoor geattendeerd op de omvang van de veroorzaakte schade. En dat activeert die morele intuïtie.

Er blijken nu aanwijzingen te zijn die dat vermoeden bevestigen.Zo meldt DCMR Milieudienst Rijnmond dat ook dit jaar weer, net als in de twee voorgaande jaren dat er in Rotterdam een vuurwerkverbod gold, de concentratie fijnstof in het eerste uur van het nieuwe jaar beduidend lager was dan gemiddeld over de jaren 2012 - 2023. Zie de grafiek.

En na wat zoeken kwam ik op deze pagina terecht van het Compendium van de Leefomgeving: Luchtverontreiniging tijdens de jaarwisseling, 1994-2022. Daar kom je deze grafiek tegen:

Je ziet daar de pieken in de gemeten luchtverontreiniging van 1994 tot 2022. Tijdens de jaarwisselingen 2020-2021 en 2021-2022 golden er vuurwerkverboden vanwege corona. 

En wat blijkt? De piek in de stedelijke concentratie fijnstof was tijdens die jaarwisselingen lager dan in meteorologisch vergelijkbare jaren. "De inschatting is dat de vuurwerkverboden hebben geleid tot minder afgestoken vuurwerk en daarmee tot een lagere bijdrage aan de fijnstofconcentraties tijdens de jaarwisseling." En "De piek in de uurgemiddelden van de gemeten fijnstofconcentraties is bij de jaarwisseling van 2022 de laagste sinds het begin van de metingen in 1994...". 

Die vergelijking met meteorologisch vergelijkbare jaren is relevant omdat wind en regen het fijnstof sneller verspreiden dan wel sneller doen neerdalen, waardoor de metingen lager uitvallen.

Er zijn kortom duidelijke aanwijzingen dat een vuurwerkverbod, ook als er niet of weinig gehandhaafd wordt, het afsteken van vuurwerk vermindert. Waarschijnlijk doordat het mensen attendeert op de schade die er mee wordt veroorzaakt.

woensdag 3 januari 2024

Een sociaalwetenschappelijk zicht op de wenselijkheid van een vuurwerkverbod

In 2009 schreef ik voor het blad Openbaar Bestuur een beschouwing over de argumenten voor een wettelijk verbod als beleidsoptie. Zie Wanneer verbieden? Dat ging over vuurwerk, roken en zwerfafval en over de problemen van handhaving. Een conclusie was dat een verbod op het afsteken van vuurwerk voor 18 uur op oudejaarsdag, dat destijds in discussie was, verstandig zou zijn.

Ondertussen zijn we veertien jaar verder, waarin de roep om een algeheel vuurwerkverbod, door artsen, burgemeesters, politie, huisdierhouders en natuurbeschermers, alleen maar is toegenomen. Het massaal afsteken van vuurwerk veroorzaakt nu eenmaal grote schade. Hoe meer er wordt afgestoken, hoe groter de kans dat er slachtoffers vallen, afstekers zelf en omstanders. En hoe groter de negatieve effecten voor lucht, bodem, water en gezondheid. Zie Milieu Centraal en het RIVM.

Bovendien lijkt de vraag naar een sociologische blik op het probleem toe te nemen. De afgelopen jaren kreeg ik omstreeks deze tijd van het jaar verschillende keren het verzoek van journalisten om als socioloog commentaar te geven. Dit jaar leidde dat tot een artikel in het Algemeen Dagblad. En tot een uitnodiging van de redactie van Nieuwsuur, maar die heb ik niet aangenomen. Had ik natuurlijk wel moeten doen, maar ik volgde mijn eerste reactie.

Wat valt er nu, in 2024, als socioloog te zeggen over de wenselijkheid van een vuurwerkverbod?

Sociologie gaat over betrekkingen tussen mensen. En een sociologisch inzicht is dat mensen zijn toegerust met morele intuïties over het gedrag dat in die betrekkingen toelaatbaar of wenselijk is. Volgens de Theory of Dyadic Morality van Kurt Gray en anderen bestaat de kern van die gemeenschapsintuïties eruit dat gedrag dat anderen overlast, schade of leed berokkent, moreel wordt afgekeurd. Alle morele gevoelens die mensen ervaren, zijn uiteindelijk tot die kern terug te voeren. Zie Onze moraal is er om onderlinge horizontale relaties te promoten en het ontstaan van verticale relaties tegen te gaan.

Het feit dat die morele kern bestaat, betekent dat dat afgekeurde gedrag wel voorkomt. Onze moraal is er om het immorele gedrag, vaak samenhangend met het statuscompetitiepatroon, tegen te gaan.

Zulk immoreel gedrag kan voor de persoon zelf genoegen opleveren. Veel mensen ontlenen genoegen aan het afsteken en bewonderen van vuurwerk. Of, om de parallel met roken en het rookverbod in openbare ruimtes te trekken, veel mensen zijn verslaafd aan roken en ontlenen daar dus genoegen aan.

Als zulke genoegens maar groot genoeg zijn, dan kan het zijn dat de morele afkeuring of de innerlijke morele stem niet volstaat om het gedrag te doen stoppen. De afstekers van vuurwerk zijn dan geneigd om te denken dat het met die schade wel mee zal vallen. En geneigd om de informatie over die schade te negeren.

Daarbij "helpt" het als vuurwerk massaal wordt afgestoken. Want "als iedereen het doet, dan zal het toch wel meevallen". En het "helpt" als er geen wettelijk verbod bestaat en als politici aarzelen om dat verbod in te voeren. Want "als het echt zo schadelijk was, dan zou het wel worden verboden".

Natuurlijk kan daar het statuscompetitiemotief bijkomen van het zich willen laten gelden ten koste van anderen. In die gevallen is het veroorzaken van schade juist een oogmerk. De grens naar de bekende "ongeregeldheden" van het met vuurwerk belagen van hulpverleners en agenten wordt dan gepasseerd.

Daarvan afgezien, dringt zich de parallel met het roken op. Uiteindelijk kwam er dat verbod op roken in publieke ruimtes, doordat de informatie over de schadelijkheid voor anderen niet langer viel te negeren en de politiek ging inzien dat een verbod nodig was als een signaal voor de ernst van de schade. Net zo lijkt nu een verbod op de verkoop en het afsteken van vuurwerk noodzakelijk als een signaal voor de ernst van de aangerichte schade.

Daarbij speelt een rol dat er te lang gewacht is met dat verbod. Daardoor kon het afsteken van vuurwerk zo massaal worden dat de schade niet langer kan worden genegeerd. Er is niet meer een enkeling die bij de oogkliniek terechtkomt, maar het zijn tientallen.

Dat wijst op het dilemma waar we met zijn allen mee te maken hebben bij dit soort gedrag. Zolang het op kleine schaal voorkomt, zijn degenen die de schade ondervinden, geneigd om die te accepteren. Want ze gunnen de aanstekers hun pleziertje. Ook in het vertrouwen dat die met hun belangen rekening zullen houden.

Maar dat hoeft geen stabiele toestand te zijn, Er kan een sneeuwbaleffect in werking komen, waardoor later alsnog een ingrijpend verbod noodzakelijk wordt.

De parallel met het rookverbod doet vermoeden dat zo'n ingrijpen uiteindelijk breed geaccepteerd zal worden. Juist ook op grond van die algemeen aanvaarde morele kern dat je anderen geen schade hoort toe te brengen.Zie nu ook het vervolgbericht.

vrijdag 30 december 2022

Mensen willen geen polarisatie en willen geen vuurwerk - Waardoor zijn die er dan toch? In beide gevallen is er een kleine minderheid verantwoordelijk

Er zijn meer en grotere problemen, maar laten we even stil staan bij polarisatie en vuurwerk. 

Nederlanders geven aan zich zorgen te maken over polarisatie, aan verslechterde omgangsvormen en verharding in het politieke en publieke debat. En ze ergeren zich aan uitingen die zij als extreem of radicaal ervaren. Driekwart denkt dat meningsverschillen over maatschappelijke kwesties steeds groter worden. Zoals blijkt uit Burgerperspectieven bericht 2 2022 van het Sociaal en Cultureel Planbureau. 

Ook maken Nederlanders zich zorgen over het vele vuurwerk dat aan het eind van het jaar wordt afgestoken en over de schade en overlast die daarmee gepaard gaan. Volgens I&O Research is een meerderheid van 65 procent van mening dat het door particulieren afsteken van vuurwerk zou moeten worden verboden. Dit was in 2016 nog een minderheid van 42 procent.

Opvallend is dat er in beide gevallen een minderheid lijkt te zijn die het probleem veroorzaakt. Het SCP meldt dat er "over de hele linie geen aanwijzingen (zijn) voor politiek-culturele polarisatie, waarbij het gaat om opvattingen, houdingen en gevoelens richting de politiek en over politieke kwesties. Ook is er op veel maatschappelijke thema’s geen beweging naar de uitersten." (p. 49). Dit doet vermoeden dat er een relatief kleine groep is die verantwoordelijk is voor het ontstaan van dat beeld van polarisatie. 

Daar geeft het SCP geen cijfers over. Maar uit gesprekken met focusgroepen komt naar voren (p. 64):

Hierboven bespraken we de zorgen en ergernis van Nederlanders over in hun ogen extreme uitingen in het debat. We zagen al dat mensen dan vaak aan specifieke groepen denken, die zich in het maatschappelijk debat profileren met (soms scherpe) standpunten die afwijken van de gangbare opinie. Ze hebben het dan bijvoorbeeld over critici van coronabeleid en vaccinaties, complotdenkers, radicaal-rechtse politici, protesterende boeren, klimaatactivisten of antiracisten.
 
Dit roept de vraag op of de ervaren polarisatie in de samenleving misschien niet zozeer gebaseerd is op een splijting van de gehele samenleving als op een ontwikkeling waarbij kleine groepen zich nadrukkelijk(er) manifesteren in het publieke debat, al dan niet met een felle of harde toon? Zouden we zelfs van radicalisering van kleine groepen kunnen spreken (vgl. ook Boutellier 2021)?
 
Er lijkt kortom een kleine groep te zijn die dat ervaren probleem van polarisatie veroorzaakt. 
 
En dat is precies ook het geval met dat probleem van de zorgen over vuurwerk. Want I&O Research meldt dat slechts 11 procent van de Nederlandse bevolking zegt deze jaarwisseling zeker of waarschijnlijk vuurwerk te zullen gaan afsteken. Het vuurwerkprobleem wordt veroorzaakt door net iets meer dan een op de tien Nederlanders.
 
In beide gevallen hebben we dus te maken met een (kleine) minderheid die gedrag vertoont waar een grote meerderheid zich zorgen over maakt. Dat ligt er natuurlijk aan dat het in beide gevallen over gedrag gaat dat een groot bereik heeft. 
 
Het polariserende gedrag van die minderheid kan zich verspreiden over de sociale media, mede doordat die nog niet voldoende zijn gereguleerd. En het kan zich verspreiden doordat de publieke media er nu al heel wat jaren onevenredig veel aandacht aan besteden. Meer en betere regulering is wenselijk. Op Europees niveau is al het een en ander aan de gang (New EU Rules for Online Platforms). In eigen land is er wat betreft de publieke omroep nog wel wat te verbeteren. Hoe een omroep als Ongehoord Nederland tot het bestel kon worden toegelaten, roept vragen op. 

En vuurwerk afsteken heeft natuurlijk naar zijn aard een groot bereik. Heel eigenaardig dat die kleine minderheid van 11 procent zoveel overlast, schade en ergernis mag veroorzaken. Dat landelijke vuurwerkverbod had er al lang moeten zijn. 
 

donderdag 13 augustus 2020

Over de verplichte thuisquarantaine moet je niet alleen juridisch of bestuurlijk nadenken, maar ook sociaalwetenschappelijk

Is het verstandig om een wettelijk verplichte thuisquarantaine in te stellen voor mensen die contact hebben gehad met een potentieel besmet iemand? De maatregel daartoe werd dinsdag door minister Hugo de Jonge aangekondigd, maar die heeft nu laten weten dat hij er eerst nog eens goed over wil nadenken en zich wil laten adviseren. Daarin kan een rol gespeeld hebben dat er meteen vragen opkwamen of en hoe deze verplichting zou kunnen worden gehandhaafd. Met de onuitgesproken gedachte dat een verplichting geen zin heeft als de handhaving (controle, boetes) gebrekkig is of ontbreekt. (Andere problemen zullen ook een rol gespeeld hebben, zoals het nog ontbreken van regelingen om mensen in quarantaine te ondersteunen, zoals met compensatie voor inkomensderving.)

De verplichting tot thuisquarantaine komt neer op een verbod, het verbod namelijk om gedurende een bepaalde periode je huis te verlaten. Eerdere berichten op dit blog gingen er over dat in de discussies over de vraag wanneer het verstandig is om iets te verbieden, vaak het sociaalwetenschappelijk gezichtspunt ontbreekt. Zie de berichten achter het label verbieden. 

In het kort houdt dat gezichtspunt in dat het hier gaat om handelingen met zogenaamde negatieve externaliteiten. Dat zijn negatieve effecten van een gedrag op anderen die daar weinig of niets tegen kunnen doen. Denk aan roken in publieke ruimtes en aan vuurwerk afsteken. Dat slachtoffers daar weinig tot niets tegen kunnen doen, is vaak de eerste rechtvaardiging voor een wettelijk verbod. 

Maar wat ook meespeelt is dat het gedrag in strijd is met een morele intuïtie, namelijk de gemeenschapsintuïtie dat je anderen geen schade mag berokkenen of leed toebrengen. Zie Morele intuïties in het persoonlijke en onpersoonlijke domein. En dan gaat het over het thema van de verhouding tussen wet en moraal. En over de vraag: waarom nog een wettelijk verbod, als er al een moreel "verbod" bestaat?

Een antwoord daarop is dat een wettelijk verbod een belangrijke sociale functie kan hebben. Die kan er uit bestaan dat het omstanders gemakkelijker wordt gemaakt om er wat van te zeggen als iemand zich er niet aan houdt. Zonder dat verbod moet een omstander de dader aan die morele intuïtie herinneren. In de trant van: wat je nu doet, dat deugt niet. Het hoort niet. En dat is een grote stap, want de dader kan dat ervaren als een aanval op zijn morele integriteit. Omstanders zijn daarom vaak afwachtend en afhoudend. 

Dat wordt anders zodra er een wettelijk verbod is. Voor omstanders is het veel gemakkelijker om aan dat verbod te herinneren dan een morele kwestie aan te snijden. En de dader kan wegkomen met zich te verontschuldigen dat hij daar even niet aan gedacht had. De morele lading is er natuurlijk nog steeds, maar hij staat niet zo op de voorgrond. En dat vergemakkelijkt het sociale proces van er iets van zeggen, van de sociale of informele sanctionering.

Daar komt bij dat een wettelijk verbod ook rechtstreeks het gedrag van de potentiële dader kan beïnvloeden. In veel gevallen is het bestaan van de schade en de omvang ervan per geval niet overduidelijk. Er is een informatietekort. De dader kan er dan voor zichzelf mee wegkomen dat de schade wel niet zo groot zal zijn. Dat het wel meevalt. Als het echt zo schadelijk zou zijn, dan zou de overheid het wel al lang verboden hebben.

En precies dat laatste pleit dus voor een wettelijk verbod. Om het informatietekort op te heffen. Het gaat hier om ernstige zaken en daarom is er dat verbod. Denk even aan de invoering van dat verbod op het gratis verstrekken van plastic tasjes aan klanten. Ook daar werden van te voren problemen voorzien met de handhaving. Maar wat bleek? Handhaving was helemaal niet nodig. Bijna iedereen had zich al zorgen gemaakt over de schade van al dat plastic voor het milieu. Maar dat had nog nauwelijks effect op het gedrag. Zodra dat verbod er was, veranderde dat. Zie Plastic tasjes, sociale beïnvloeding en de maakbare samenleving.

Over een wettelijk verbod moet je dus niet alleen juridisch of bestuurlijk nadenken, maar ook sociaalwetenschappelijk. Een wettelijk verplichte thuisquarantaine zou wel eens, ook zonder veel inzet voor handhaving, heel goed kunnen werken. 

vrijdag 28 december 2018

Vrijwillige vuurwerkvrije zones, gaat dat werken?

Dit bericht gaat over die vrijwillige vuurwerkvrije zones, maar begint met een inleiding.

Als de maatschappij verandert, veranderen ook de problemen waar de sociale wetenschappen zich mee bezig houden. Of ze zouden moeten veranderen.

Denk wat dat laatste betreft aan de kritiek die de socioloog James S. Coleman uitoefende op de theorievorming in zijn vak. Die kritiek hield in dat de sociologie zich er maar langzaam rekenschap van gaf dat we in een maatschappij terecht zijn gekomen waarin we niet alleen meer als "natuurlijke personen" met elkaar omgaan. Een relatie tussen natuurlijke personen is er een van, zeg maar, mens tot mens.

De institutionele en juridische ontwikkeling van de laatste paar eeuwen heeft er immers toe geleid dat we naast de natuurlijke persoon ook de "rechtspersoon" kennen. Het gaat dan om zogenaamde formele organisaties, die met een bepaald doel en met een wettelijk kader zijn opgericht, zoals bedrijven, verenigingen, stichtingen, vakbonden, maar ook de democratische overheid en overheidsinstellingen. Coleman schrijft daarover in zijn Power and the Structure of Society (p. 14):
These "juristic persons" are intangible entities which none of us natural persons has ever seen. (...) In law, these persons must be treated somewhat differently from natural persons: they have no fixed life span, and thus may exist in perpetuity, they have no corpus, and thus cannot be physically imprisoned (though they can be punsihed in other ways, including death, a sentence not infrequently imposed by judges), they have no intrinsic capability of acting, and so must act through agents in the form of natural persons.
(Tussen haakjes: dat boekje uit 1974 is nog altijd lezenswaardig. En actueel, in een tijd van grote en machtige ondernemingen die een bedreiging zijn gaan vormen voor de democratische overheden. Lezenswaardiger dan dat latere, curieuze, omvangrijke en overambitieuze, boek van Coleman: Foundations of Social Theory uit 1990.)

Dit alles als, toegegeven, wat lange, inleiding tot waar het nu om gaat: de vrijwillige vuurwerkvrije zones. Want wat is het geval? Sinds we die democratische overheid en andere formele (dus in wetgeving en regels verankerde) organisaties kennen, is er de nieuwe sociaalwetenschappelijke problematiek van, om het maar eenvoudig te zeggen, wie wat moet doen.

Wat kunnen mensen het beste onderling zelf regelen, dus in hun relaties als natuurlijke personen? Welke taken moeten aan de overheid toevallen? Waarvoor kun je beter een organisatie oprichten dan het regelen in onderlinge, natuurlijke betrekkingen? (Denk ook aan het OMOP-schema.)

Veel van wat op dit blog in de loop van de jaren voorbij is gekomen, staat in het teken van precies die problematiek. Denk maar aan de overheidsonmacht in de jeugdzorg, waarin het erom gaat wat de overheid wel en niet kan doen als het om jeugd en gezin gaat.

En precies die vraag, naar wat een overheidstaak is en wat de mensen zelf beter kunnen doen, is in het geding als het gaat om het overheidsbeleid ten aanzien van het oudejaarsvuurwerk. Want vuurwerk geeft overlast. En leidt tot honderden vuurwerkslachtoffers, die naast menselijke ellende, medische kosten veroorzaken.

Technisch gezegd, vuurwerk gaat gepaard met zogenaamde negatieve externe effecten. Overlast voor anderen, die zich daar moeilijk aan kunnen onttrekken noch gemakkelijk een vergoeding kunnen opeisen. (Lees ook Asha ten Broeke vandaag in de Volkskrant.)

En een van de oplossingen daarvoor bestaat eruit dat de overheid de handeling die die externe effecten teweegbrengt, verbiedt. Een van de redenen dat we een overheid hebben is immers dat die verboden kan opleggen. Zo hebben we ook een rookverbod, onder meer vanwege de negatieve externe effecten van roken in openbare ruimtes.

Eerder noemde ik als een van de voordelen van een vuurwerkverbod dat het bestaan van dat verbod het mensen makkelijker maakt om er iets van te zeggen als iemand toch vuurwerk afsteekt. Je kunt dan immers die jongetjes die de hele dag met rotjes door de wijk lopen aanspreken met: jongens, het is niet alleen zo dat ik er last van heb, of dat mijn huisdier in paniek raakt, maar het is immers ook verboden. Het mag niet. Het bestaan van een verbod heeft ook sociale gevolgen.

Sociaalwetenschappelijk gezegd: het vergemakkelijkt de informele controle en sanctionering. En de effectiviteit daarvan hebben we gezien bij het in 2014 ingestelde verbod om overdag knalvuurwerk af te steken. Zie mijn bericht van 3 januari 2015: Een verbod kan effectief zijn, ook zonder (extra) handhaving - kijk maar naar het vuurwerkverbod.

Het is typisch een geval waarin niet of de overheid of de mensen zelf het moeten oplossen, maar waarin de overheid de mensen helpt om het zelf op te lossen. Niet of - of, maar en - en.

En dat is nu een inzicht dat met die vrijwillige vuurwerkvrije zones volledig in de wind is geslagen. De gemeente Utrecht omschrijft die zones als volgt:
Buurtbewoners maken met elkaar afspraken om geen vuurwerk af te steken in hun straat, rondom een pleintje of speeltuin of naast een park. De gemeente en de politie controleren dit niet, de bewoners maken zelf afspraken en spreken elkaar hierop aan.
Wilt u ook samen met uw buren een straat zonder vuurwerk? Maak dan gebruik van raamposters (zie afbeelding hiernaast). Deze liggen klaar op uw wijkbureau.
 Maar of dat gaat werken? Zonder de ondersteuning van een verbod?

Ik verwacht van niet.

donderdag 9 juni 2016

Plastic tasjes, sociale beïnvloeding en de maakbare samenleving

Dat het verbod op gratis plastic tasjes vanaf 1 januari van dit jaar zo goed werkt, heeft niet veel aandacht gekregen. Toch is het van belang er bij stil te staan.

Nederland voldoet met het verbod aan een Europese verplichting. En die is er omdat plastic tasjes uiteindelijk in het milieu terechtkomen en daar grote schade aanrichten. Denk aan de plasticsoep in de oceanen. En dichter bij huis is er het zwerfafval.

Hoe te verklaren dat het verbod zo goed werkt? Terwijl er van te voren geluiden waren dat het verbod niet zou kunnen worden gehandhaafd. Lees nog even het bericht Tasjesverbod gedrocht dat op 27 december in De Telegraaf verscheen.

Zoals ik eerder betoogde toen het ging om het vuurwerkverbod en het rookverbod, kan een verbod goed werken als het gaat om een gedrag dat schade aan anderen toebrengt (negatieve externe effecten). Als mensen goed geïnformeerd zijn over de omvang van die schade of die schade zelf waarnemen, dan vinden ze een verbod gerechtvaardigd en zullen ze het ook naleven.

Kijk maar naar de resultaten van de flitspeiling die op 17 mei werd afgenomen. 71% van de Nederlanders vindt de maatregel voor het verbod op gratis plastic tasjes uitstekend of zeer goed. En 83% geeft aan zelf een tas mee te nemen voor hun aankopen in de winkel.

Maar, kun je je dan afvragen, waarom is dan een verbod eigenlijk nog nodig? Waarom namen mensen dan al niet voor 1 januari 2016 al een eigen tasje mee naar de winkel en weigerden ze een gratis plastic tas?

Ik denk dat het er aan ligt dat het toch iets meer moeite kost om dat te doen. Het is wel lekker makkelijk, zo'n gratis tasje. En dat wijst er op dat mensen voor de goede zaak best een kleine moeite willen doen, maar pas als ze weten dat anderen dat ook doen. Als het "normaal" is om die moeite te doen.

Anders gezegd, niemand wil een zonderling zijn. En zo'n verbod helpt omdat het de boodschap verspreidt dat wij nu met zijn allen hebben besloten dat het afgelopen moet zijn met die gratis plastic tasjes. Als anderen het ook doen, dan doen wij graag mee.

En dat is precies het tweede, van de drie, sociaalwetenschappelijke inzichten die ik noemde in dat bericht over het vuurwerkverbod. Ik citeer:
Het tweede inzicht is dat mensen zich in hun gedrag sterk door wat anderen doen laten leiden. Informatie over het gedrag van anderen heeft meer invloed op het eigen gedrag dan informatie over de wenselijkheid of de voordelen van dat gedrag. Opvallend is dat mensen zich er niet van bewust zijn, want ze denken dat die wenselijkheid of voordelen de grootste rol in hun beslissingen spelen. We zijn sterk sociaal beïnvloedbaar, maar dat weten we niet van onszelf . Onze bereidheid om verboden na te leven op het terrein van negatieve externaliteiten is sterk afhankelijk van de informatie die we over het gedrag van anderen krijgen. 
Gratis plastic tasjes, vuurwerk en roken leren ons dus dat we met een eenvoudige maatregel als een verbod wel degelijk iets kunnen veranderen. Waar een overheid al niet goed voor is.

Hoe noemden we dat ook al weer? De maakbare samenleving!

dinsdag 10 november 2015

Gebruik sociaalwetenschappelijke inzichten om overheidsbeleid te verbeteren

President Obama heeft de diensten van de federale overheid opgedragen om in hun programma's standaard na te gaan of en hoe de uitvoering door toepassing van sociaalwetenschappelijke inzichten kan worden verbeterd. Hij deed dat naar aanleiding van het eerste jaarverslag van het Social and Behavioral Sciences Team dat hij vorig jaar aan het werk had gezet. Zie hier David Nussbaum daarover: How the science of human behavior is beginning to reshape the US government.

Het is een belangrijke ontwikkeling. We plukken er nu de wrange vruchten van dat het overheidsbeleid in het verleden veel te sterk uitsluitend door het vak economie is beïnvloed. Wat niet onaanzienlijk heeft bijgedragen aan het ontstaan van de economische crisis van 2008. (Iets anders is dat politici zich in hun reactie op die crisis wel wat meer hadden kunnen aantrekken van de bekende macro-economische inzichten.)

Een zelfde ontwikkeling als in de Verenigde Staten is waar te nemen in Engeland. waar de regering-Cameron het Behavioral Insights Team heeft ingesteld.

In Nederland kennen we natuurlijk de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Maar daarin lijkt de inbreng van de toegepaste sociale wetenschappen slechts beperkt. Van de acht leden van de Raad is er slechts een, Godfried Engbersen, die daaruit afkomstig is.

Het zou goed zijn als Nederland het voorbeeld van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk zou volgen. Zie het bericht Vuurwerkverbod wenselijk? Daar valt veel voor te zeggen voor een voorbeeld van toepassing van sociaalwetenschappelijke inzichten op een beleidsprobleem. Update. En niet te vergeten, zie natuurlijk ook Boete voor no-show in ziekenhuizen? en Over waarom je goede burgers niet kunt vervangen door goede prikkels.

zaterdag 3 januari 2015

Een verbod kan effectief zijn, ook zonder (extra) handhaving - kijk maar naar het vuurwerkverbod

Heeft het vuurwerkverbod gewerkt?

Ja, daar lijkt het op. Metingen van Sensornet wijzen uit dat het geluidsdrukniveau (decibel) pas na 18:00 uur echt boven de grens 'zeer lawaaiig' uitkwam. De metingen werden gedaan op 200 plekken verspreid over het land. Ter illustratie het plaatje voor straten in Nijmegen en Pijnacker.

De Volkskrant concludeert:
Uit de metingen van Sensornet blijkt dat het op oudejaarsdag tot 18 uur vrij rustig was. Vanaf dat moment liep het gemiddeld geluidsdrukniveau (decibel) langzaam op, met een piek om twaalf uur. Vanaf 01.00 uur zakte het gemiddeld geluidsniveau snel in. 'De resultaten laten duidelijk zien dat vrijwel iedereen zich aan de nieuwe regels heeft gehouden', aldus Ron Maas van Sensornet.
Natuurlijk zou je willen vergelijken met zulke metingen van vorig jaar, om echte conclusies te kunnen trekken. Maar kennelijk zijn die toen niet uitgevoerd.

Niettemin dringt de indruk zich op dat in ieder geval overdag tot zes uur er minder knalvuurwerk is afgestoken. En dat is een grote vooruitgang. Zie mijn eerdere berichten Vuurwerkverbod wenselijk? Daar valt veel voor te zeggen en Verbieden en ontmoedigen - rookverbod en vuurwerkverbod.

Het was wel spannend of dit verbod zou werken (zie Gaat het vuurwerkverbod werken?), omdat de politie had aangekondigd aan de handhaving er van geen extra prioriteit te geven. Dat kon worden opgevat als een uitnodiging om je er maar niet teveel van aan te trekken. 

Dat desondanks het verbod aardig lijkt te zijn nageleefd, pleit voor mijn argument dat invoering van een verbod, naast bestuurlijke, ook sociale effecten heeft. Het maakt het voor ouders gemakkelijker om hun zoontjes te verbieden om overdag met rotjes de straat op te gaan. En het maakt het voor buurtbewoners gemakkelijker om er wat van te zeggen.

Want je hebt het meest voor de hand liggende argument dat er maar kan zijn: Jongens, het mag niet. Ik verwachtte dan ook dat zulke sociale mechanismen er voor zouden zorgen dat het tot zes uur redelijk rustig zou blijven. En dat is dus uitgekomen.

Dat het gemakkelijker is om er wat van te zeggen, ervoer ik zelf. Want toen ik op oudejaarsdag om een uur of twaalf naar de supermarkt fietste, klonken er vanuit een zijstraat flinke knallen. Ik deed toen wat ik vorig jaar niet gedaan zou hebben: ik fietste er naar toe. En in mijn rol van vriendelijke oudere heer zei ik er wat van. 

Het ging om drie jongens van een jaar of veertien. "Maar jongens, jullie weten toch wel dat het pas om zes uur mag?" Ze keken me bedremmeld aan en zwegen. Ik probeerde een vaderlijke toon: "Om zes uur mag het en dan mag je ook heel veel afsteken. Oké?" Het bleef even stil en toen antwoordde er een van hen: "Oké, meneer".

"Veel plezier vanavond", voegde ik er nog aan toe en vervolgde toen mijn weg naar de supermarkt. Eerlijk gezegd, met enige voldoening, hoewel ik natuurlijk niet wist of mijn "interventie" ook een langer durend effect zou hebben.

Maar daar ging het ook niet om. Het verschil met vorig jaar was dat ik nu eenvoudig kon zeggen "Jongens, het mag niet" en er daardoor wel iets van zei, terwijl ik dat vorig jaar niet had gedaan. En dat zou wel eens voor meer mensen hebben kunnen gelden. 

Een verbod heeft dus ook sociale gevolgen. En de mate van naleving er van is dus niet alleen afhankelijk van handhaving door de politie. 

En dat bevestigt dat je naar de vraag of je iets moet verbieden of niet, niet alleen met een bestuurlijke blik, maar ook met een sociaalwetenschappelijke blik moet kijken.

dinsdag 16 december 2014

Gaat het vuurwerkverbod werken?

De komende Oudejaarsdag is het voor het eerst verboden om overdag vuurwerk af te steken. Tot vorig jaar mocht dat nog vanaf 10 uur (tot 2 uur 's nachts). Maar de Tweede Kamer heeft besloten dat het nu pas vanaf 18 uur is toegestaan. Bovendien hebben veel gemeenten vuurwerkvrije zones ingesteld, zoals gebieden rondom winkelcentra, verzorgingshuizen, monumentale panden en waar veel dieren verblijven.

Ik noteer dat natuurlijk met veel instemming. Want in eerdere berichten behandelde ik de argumenten die voor deze maatregelen pleiten. Zie Vuurwerkverbod wenselijk? Daar valt veel voor te zeggen (van 30 november 2012) en Verbieden en ontmoedigen - rookverbod en vuurwerkverbod (van 31 januari 2013).

Eigenlijk is hiermee alsnog een voornemen uitgevoerd van het kabinet-Balkenende IV (2007-2010). Dat kabinet slikte echter dat voornemen in na het advies van de Commissie - De Graaff. De vertegenwoordiging van de politie in die Commissie had een negatief advies weten te bewerkstelligen, met als argument dat de politie het verbod niet zou kunnen handhaven. De grote politie-inzet in de Oudejaarsnacht zou extra inzet overdag onmogelijk maken.

Voor dat argument is natuurlijk wel begrip op te brengen. Maar ik vond het een te strikt bestuurlijke aanpak. Want een verbod kan ook sociale gevolgen hebben. In de zin dat mensen de rechtvaardigheid er van kunnen inzien en dus ook zonder meer politiecontrole bereid zijn om het verbod op te volgen. Bovendien wordt het met een wettelijk verbod voor ouders (van rotjes afstekende jongens) en voor buurtbewoners gemakkelijker om er wat van te zeggen als er toch vuurwerk wordt afgestoken. Ik ben dus optimistisch over de werking van het verbod.

Wetgeving heeft naast bestuurlijke implicaties ook vaak sociale gevolgen en het is zaak om daar ook goed oog voor te hebben. Lees zo nodig nog eens die twee berichten waar ik hier boven naar link.

Ik bedacht overigens dat die berichten best nog wel van invloed kunnen zijn geweest op de besluitvorming. Want ze zijn veel gelezen. Dat eerste bericht staat op plaats 4 van de meest gelezen berichten van dit blog (dat sinds augustus 2011 in de lucht is), met op dit moment 1401 hits en dat loopt nog steeds op. (Op nummer 1 staat Wat is eigenlijk pro-sociaal gedrag? met 8182 hits.)

Maar nu komt straks natuurlijk het uur van de waarheid. Want de politie heeft al aangekondigd dat er op Oudejaarsdag overdag geen extra inzet zal zijn. En de burgemeesters hebben daar kennelijk mee ingestemd of zich er bij neergelegd. Zie Geen extra politie voor vuurwerkoverlast. Als het nu een fiasco wordt en ons overdag weer als vanouds de rotjes om de oren vliegen, dan is dat natuurlijk wel een weerlegging van mijn argumenten.

Ik ben heel benieuwd.

dinsdag 11 maart 2014

De vier grote gemeenten hebben gelijk dat ze uitbreiding van het vuurwerkverbod tot 23 uur op oudejaarsavond willen

Zouden de berichten op dit blog over een vuurwerkverbod op oudejaarsdag iets uitgehaald hebben? Zie Vuurwerkverbod wenselijk? en Verbieden en ontmoedigen. De vier grote steden (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht) bepleiten vandaag in een brief aan de minister van Binnenlandse Zaken een vuurwerkverbod op oudejaarsdag tot 23 uur (en na 1 uur 's nachts). Nu is het afsteken van vuurwerk op oudejaarsdag toegestaan na 10 uur. Ook willen de vier gemeenten kunnen bepalen op welke plaatsen vuurwerk mag worden afgestoken.

Dat eerste bericht (Vuurwerkverbod wenselijk?) dateert van 30 november 2012 en staat op plaats 3 van de meestgelezen berichten van dit blog. In dat bericht nam ik de tekst op van mijn artikel Wanneer verbieden? dat in december 2009 in Openbaar Bestuur verscheen.

Wat was ook al weer de aanleiding tot dat artikel? Dat was het besluit van het toenmalige kabinet (Balkenende IV) om af te zien van het aanvankelijke voornemen om het vuurwerkverbod op oudejaarsdag uit te breiden tot 18 uur. De reden daarvoor was dat de politie had gewaarschuwd voor handhavingsproblemen. Er zou een te grote uitbreiding van politie-inzet voor nodig zijn.

Ik vond dat toen een te beperkt bestuurlijke gedachtegang. Die inhield dat naleving van een verbod alleen er van afhangt of de politie wel genoeg kan handhaven (controleren, boetes uitschrijven, arresteren). Te beperkt bestuurlijk, omdat ook burgers zelf aan naleving van een verbod kunnen bijdragen. Niet alleen door geen vuurwerk meer af te steken, omdat het immers niet meer is toegestaan, maar ook door er wat van te zeggen of in te grijpen als anderen dat wel doen. Of als ouders het de kinderen verbieden om het te doen.

Want als er een verbod bestaat, heb je een voor de hand liggend argument: jongens, het mag niet. Terwijl je nu, zonder een verbod, er wel wat van kan zeggen, maar je meteen de tegenwerping krijgt: maar het mag toch? Anders gezegd: het instellen van een verbod verandert ook iets in de relaties tussen mensen. Degenen die de overlast van het vuurwerk ondervinden krijgen het wat gemakkelijker om er wat van te zeggen. En de afstekers hebben een argument minder. Dus ook zonder handhaving door de politie kan een verbod wel degelijk effect hebben. Ik vond het jammer dat dit inzicht kennelijk niet had meegespeeld.

Misschien heeft het nu wel meegespeeld in het besluit van de vier gemeenten om die brief aan de minister te schrijven. Naast het andere argument van de aanzienlijke schade die door het zo onbelemmerd kunnen afsteken van vuurwerk wordt aangericht (brandwonden, te amputeren handen en vingers, oogletsels). Het is niet alleen maar een kwestie van overlast.

De bestuurlijke en politieke molens malen over het algemeen langzaam. In 2009 was een uitbreiding van het verbod tot 18 uur nog een brug te ver. De meeste politieke partijen schrokken er voor terug, bang om "impopulaire maatregelen" te nemen. Maar de publieke opinie is al om. Gezegd moet worden dat Groen Links daaraan heeft bijgedragen, o.a. door het meldpunt vuurwerkoverlast.  Nu, in 2014, komt er misschien een uitbreiding tot 23 uur.

woensdag 4 september 2013

Ronald Coase zou geen voorstander zijn van de hypotheekrente-aftrek

De econoom en Nobelprijswinnaar Ronald Coase is overleden. Hij is 102 jaar oud geworden. Hij werd beroemd door en kreeg die prijs voor twee invloedrijke artikelen, The Nature of the Firm (1937) en The Problem of Social Cost (1960). Eerst heb ik het over dat tweede artikel en dan over het verband met de hypotheekrenteaftrek.

In dat artikel analyseerde Coase de wenselijkheid van overheidsingrijpen in gevallen waarin iemands activiteit als neveneffect schade toebrengt aan anderen. Economen noemen dat gevallen van negatieve externaliteiten (of externe effecten). Neem het voorbeeld van een fabriek die een rivier vervuilt door afvalstoffen te lozen. We hebben dan te maken met een suboptimale toestand, omdat die fabriek niet met de kosten rekening houdt die aan anderen worden toegebracht (mensen die stroomafwaarts wonen die last hebben van de stank en niet kunnen zwemmen). Daardoor is er in feite overproductie door die fabriek en dat is een welvaartsverlies. Wat te doen?

De analyse van Coase komt er op neer dat je niet te gauw aan overheidsingrijpen moet denken, zoals een heffing op die productie of zelfs een verbod. Want de veroorzaker van de schade en de slachtoffers daarvan zouden ook door onderhandelingen tot een optimaal resultaat kunnen komen. Daarvoor is wel nodig dat duidelijk is waar de rechten liggen en dat de onderhandelingskosten niet te hoog zijn. Als duidelijk zou zijn dat de fabriek daar legaal is gevestigd en het recht heeft om de rivier te vervuilen, dan zouden de stroomafwaartse bewoners een bedrag bij elkaar kunnen brengen dat genoeg is om de fabriek er toe te bewegen om minder te vervuilen. En andersom, als de bewoners het recht zouden hebben op schoon water, dan zou de fabriek hen een bedrag kunnen bieden als schadeloosstelling. In beide gevallen is er vanuit de beginsituatie door een vrijwillige transactie een welvaartswinst geboekt. Prima dus. Overheid, niet mee bemoeien.

Het verbaast niet dat Coase voor degenen die weinig met overheidsbemoeienis op hebben, een soort held is geworden. Maar hij was zelf niet blij met die omhelzing door rechts. In dat artikel had hij namelijk heel duidelijk de twee voorwaarden genoemd waaraan voldaan moet zijn, wil overheidsbemoeienis inderdaad onnodig zijn. Zie ook Ronald Coase and the Misuse of Economics, waarin John Cassidy gisteren in The New Yorker daarop inging. Want die voorwaarden zijn niet mis.

Dat die rechten duidelijk moeten zijn, betekent ook dat ze door beide partijen geaccepteerd moeten worden. En vaak gaat het in zulke gevallen juist om de vraag waar de rechten liggen. Denk bijvoorbeeld ook aan de problemen met de overlast door roken, die pas door een verbod op roken in openbare ruimtes zijn opgelost. Of denk aan de discussie over een vuurwerkverbod op oudejaarsdag. Zie ook mijn bericht Wanneer verbieden? Gevallen dus waarin partijen in plaats van te onderhandelen, een juridisch conflict uitvechten of de politiek proberen te beïnvloeden.

En de onderhandelingskosten zijn vaak te hoog, vooral als bijvoorbeeld de schade lijdende partij vele duizenden mensen telt. Die moeten zich dan organiseren en een actiecomité oprichten en dat kost veel tijd en geld. Of ze hebben sowieso, ook met zijn allen, zo weinig middelen dat hun macht in vergelijking met die van de fabriek in het niet valt. En een groot machtsverschil leidt tot onderdrukking in plaats van tot onderhandeling.

Daarom is dat artikel van Coase meer een theoretische exercitie dan een betoog met direct praktische toepassingen.Dat wordt wel eens vergeten. Zoals door Sheila Sitalsing, die vandaag in De Volkskrant schrijft dat Coase zou hebben laten zien dat onderhandelingen door individuele partijen
veelal efficiënter en voor alle betrokkenen bevredigender (zijn) dan wanneer de overheid zich ertussen wringt met ver- en geboden.
Niet veelal, maar alleen in uitzonderlijke gevallen.

Maar goed. Hoe zit dat dan met die hypotheekrenteaftrek? Welnu, een vaak onbelicht punt in de discussie over wel of niet overheidsingrijpen in geval van externaliteiten in de markt, is het effect van tijdsverloop.

Tijdsverloop? Ja, stel dat die bewoners die last hebben van die vervuilende fabriek huiseigenaar zijn en hun huis verkopen. Ze kunnen hun huis voor minder geld kwijt door het probleem van de locatie. De nieuwe eigenaars hebben het huis voor een lagere prijs gekocht, voor hen laag genoeg om de last van die vervuiling op de koop toe te nemen. In feite is daarmee het probleem van de negatieve externaliteit alsnog opgelost. Sneu voor die eerste eigenaar, maar ja. Als je die nieuwe eigenaar schadeloos stelt, dan wordt die eigenlijk dubbel gecompenseerd. Hij was al geheel vrijwillig bereid om daar te gaan wonen. Niet doen dus.

Maar dat werkt ook met positieve externaliteiten. En dan komen we bij die hypotheekrenteaftrek. Want die is er gekomen om het eigen woningbezit te bevorderen. Met het idee dat het eigen woningbezit positieve effecten heeft op ons allemaal. Woningbezitters willen de waarde van hun huis in stand houden en spannen zich dus meer in om hun buurt leefbaar te houden. Wat moeten we dan doen als overheid? Een subsidie invoeren op de aankoop van een eigen woning, zoals in de vorm van de hypotheekrenteaftrek.

Maar wat is het probleem? Door die subsidie neemt de vraag naar woningen toe, terwijl het aanbod nogal rigide is. Dus stijgen de prijzen van woningen. Nieuwe kopers moeten dus meer betalen. Wat betekent dat het voordeel van die subsidie bij de volgende "generatie" kopers in ieder geval voor een deel is verdwenen. Ze moeten gewoon meer betalen dan wanneer die hypotheekrenteaftrek niet was ingevoerd. Eigenlijk is die subsidie een gift aan de eerste generatie bewoners, die ze incasseren zodra ze hun huis verkopen.

Als dat zo werkt, dan kun je verwachten dat het bedoelde effect van de bevordering van het eigen woningbezit niet of maar heel beperkt optreedt. En dat blijkt ook het geval te zijn. Of anders gezegd, het kan niet worden aangetoond. Zie ook Bruce Bartlett daarover. Er is natuurlijk wel een toename van eigen woningbezit als de algehele welvaart toeneemt. Maar die hypotheekrenteaftrek, nee, die lijkt niet te werken, anders dan dat hij heeft bijgedragen aan een huizenzeepbel en een financiële crisis. Nee, ik denk dat Ronald Coase de hypotheekrenteaftrek zou zien als een ondoordachte vorm van overheidsingrijpen.

donderdag 31 januari 2013

Verbieden en ontmoedigen - rookverbod en vuurwerkverbod

Is het verstandig om het roken in kleine café's te verbieden? En is het verstandig om het afsteken van vuurwerk op oudejaarsdag te verbieden? In het bericht Vuurwerkverbod wenselijk? ging ik op deze vragen in. Nu lijkt er in de Tweede Kamer een meerderheid te bestaan om het gedoogbeleid ten aanzien van de kleine café's dat het vorige kabinet had ingesteld, te beëindigen. En de discussie over het vuurwerkverbod duurt voort en er lijkt een meerderheid van de bevolking voor een verbod te zijn. Tijd om nog eens bij beide vragen stil te staan.

Mijn redenering in dat vorige bericht over wanneer je iets moet verbieden, berustte er geheel op dat een verbod in aanmerking komt als een gedrag schade aan anderen berokkent die daar niets of weinig tegen kunnen doen. Economisch gezegd: als een gedrag negatieve externe effecten heeft. In dat geval zal het normale marktproces geen optimale toestand teweeg brengen. Doordat de veroorzakers van die externe effecten de last die anderen ondervinden onvoldoende meenemen in hun gedrag, is er een "overproductie" van dat gedrag. Reden voor overheidsingrijpen en dat kan een verbod inhouden.

Daarbij kwam ik met betrekking tot het roken in kleine café's tot de conclusie dat je dat moeilijk kunt verbieden als er alleen maar rokende stamgasten zijn en de kroegbaas ook zelf roker is of met dat roken van zijn clientèle instemt. Dan heb je een "zelf gekozen arrangement", waarbij er technisch gezien geen externe effecten optreden. Men rookt met elkaar mee, maar neemt geen schade waar of wil die niet waar nemen of accepteert hem. Waarom dat verbieden?

Maar deze redenering lijkt te beperkt. Want als je naar de Tabakswet kijkt en naar de Memorie van Toelichting (MvT) daarbij, dan blijkt dat het probleem van die externe effecten maar een deel is van de argumentatie om het roken in de horeca (en op andere plekken) te verbieden. Voorop staat het zogenaamde rookontmoedigingsbeleid en dat berust er vooral op dat roken ongezond is voor de roker. En voor de meeroker, natuurlijk, maar de wetgever vindt duidelijk die gezondheidsschade voor de roker zelf al voldoende voor dat ontmoedigingsbeleid.

Want daarbij treden meteen nieuwe externe effecten op. Dat zijn de "maatschappelijke kosten" waar in die MvT over wordt gesproken: als roken ongezond is, dan verhoogt het roken het ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid en het verhoogt de kans op branden. En de extra kosten die daardoor ontstaan, betalen we met zijn allen. En de premies van de ziektekostenverzekeringen gaan er door omhoog, zou je daar aan willen toevoegen.

De wetgever redeneert nu dat het op allerlei plaatsen verbieden van roken, in plaats van het roken helemaal te verbieden, er aan bijdraagt dat mensen minder gaan roken. Dat we zo het roken ontmoedigen. Daar zit natuurlijk wat in. En het betekent dat je het rookverbod in de kleine café's ook met die argumenten moet uitleggen. Niet: u mag niet roken omdat anderen daar schade van ondervinden, maar: roken is slecht voor uw eigen gezondheid en dat brengt kosten met zich mee die wij met zijn allen moeten betalen. We zouden daarom liever hebben dat u helemaal niet meer rookt, maar praktisch gezien kunnen wij u moeilijk verbieden om thuis of op straat te roken.

Diezelfde redenering gaat trouwens ook op voor het afsteken van vuurwerk. Daar zijn er ook, naast die directe externe effecten, de negatieve gezondheidseffecten voor de afstekers zelf: brandwonden, geamputeerde handen of vingers en oogletsels en de maatschappelijke kosten die daardoor worden veroorzaakt. Vandaar dat plastisch chirurgen en oogartsen pleiten voor een vuurwerkverbod.

Kortom, het probleem van die negatieve externe effecten is veel breder dan de directe schade die aan anderen wordt toegebracht. Er is ook die indirecte schade die ontstaat door die "maatschappelijke kosten". Dus ook zonder dat we een paternalistische overheid zouden willen, wat ook altijd nog kan, zijn er zwaarwegende redenen voor verboden en ontmoediging.

maandag 31 december 2012

Vuurwerkevenwichten - En een prettige jaarwisseling en een goed 2013 toegewenst

Dat we vandaag, en de dagen hieraan voorafgaand, zoveel overlast door knalvuurwerk moe(s)ten ondergaan, wijst op het verschijnsel van het bestaan van meerdere sociale evenwichten.

In ons land is het afsteken van vuurwerk niet toegestaan, behalve op oudejaarsdag vanaf 10 uur 's ochtends. En er lijkt geen land ter wereld te zijn waar ter gelegenheid van de jaarwisseling meer particulier vuurwerk wordt afgestoken dan Nederland. Zie ook nog eens dit bericht over de wenselijkheid van een vuurwerkverbod.

In veel andere landen is het afsteken van vuurwerk het hele jaar toegestaan. En niemand komt er ook maar op het idee om vuurwerk te kopen en af te steken.

Een boeiend sociaalwetenschappelijk probleem hoe zulke diametraal tegenovergestelde sociale evenwichten tot stand komen. De details van de oplossing zijn moeilijk te achterhalen, maar duidelijk is wel dat sociale beïnvloeding het onderliggende mechanisme is.

Al mijn abonnees en volgers een prettige jaarwisseling toegewenst en een goed en gezond 2013!

vrijdag 30 november 2012

Vuurwerkverbod wenselijk? Daar valt veel voor te zeggen

Het is de tijd van het jaar dat de discussie over het vuurwerkverbod oplaait. Een tijd terug schreef ik onderstaande beschouwing voor Openbaar Bestuur over de algemenere vraag wanneer je als overheid iets moet verbieden en wanneer je dat beter niet kunt doen. Het gaat over het rookverbod in de horeca, over het verbieden van het gooien van zwerfafval op straat en vooral over dat vuurwerkverbod. Het is een genuanceerd, "wetenschappelijk", betoog, met noten en al. En de uitkomst is dat een verbod op knalvuurwerk op oudejaarsdag voor 18:00 uur wenselijk zou zijn. Hier aan de vergetelheid ontrukt, omdat de discussie nog steeds voortduurt. 

Update. Zie nu ook dit bericht. Update update. En zie nu ook Gaat het vuurwerkverbod werken?

Wanneer verbieden?

Henk de Vos
Dr. Henk de Vos, sociologie, Rijksuniversiteit Groningen.

Verschenen in Openbaar Bestuur 19 (12): 35-38 (december 2009)

Het kabinet ziet af van het voornemen om het afsteken van vuurwerk tijdens de jaarwisseling pas vanaf 18 uur toe te staan, in plaats van vanaf 10 uur ’s ochtends. Beperkte mogelijkheden tot inzet van politie zou handhaving bemoeilijken, volgens de Commissie De Graaff. Maar handhavingsproblemen werden ook verwacht bij het rookverbod in de horeca. En handhaving van het verbod om afval op straat te gooien ontbreekt. Waarom in het ene geval wel een verbod (roken in de horeca, afval op straat gooien) en in het andere niet (vuurwerk)?

De drie genoemde handelingen (roken, afval vuurwerk) hebben negatieve externaliteiten, vervelende gevolgen voor anderen, die daarvoor geen compensatie ontvangen. Vuurwerk op oudejaarsdag is meestal knalvuurwerk dat rond lopende groepen jongetjes afsteken. Buurtbewoners en passanten hebben last van de knallen en de rommel op straat en ademen de vervuilde lucht in. In dicht bebouwde buurten verspreidt de hinder zich over veel personen, waarvan sommigen ziek of ernstig ziek zijn. Ook bij het roken in de horeca en het gooien van afval op straat zijn er negatieve externaliteiten.

Economisch gezien gaat het om een vorm van marktfalen, want er is overconsumptie van het desbetreffende goed. Als de consumenten de externaliteiten in hun afweging zouden meenemen, zouden ze minder knalvuurwerk afsteken op oudejaarsdag, minder roken in de horeca en minder afval op straat gooien. Het probleem is dat ze dat niet of onvoldoende doen, waardoor de collectieve welvaart lager is dan zij zou kunnen zijn. De overheid kan proberen door accijnzen de vraag terug te dringen of een hoog BTW-tarief te heffen. Maar als de prijselasticiteit van het goed gering is (roken, vuurwerk) of als het goed geen prijs kent (afval op straat gooien), dan werkt dat niet. Blijft regulering over. Mogelijkheden zijn een vergunningenstelsel, voorlichting of een verbod (noot 1).

Voor roken en vuurwerk is een vergunningenstelsel geschikt. Hierdoor is het aantal verkooppunten beperkt. Gevaarlijk vuurwerk mag niet worden verkocht. Ook rookwaar is gevaarlijk (roken is dodelijk), maar het mag wel worden verkocht. Of de huidige beperking van het aantal verkooppunten de vraag vermindert, is niet bekend. Een nog verdere beperking zou illegale handel kunnen bevorderen.

Voorlichting kan de vraag terugdringen als de informatie overtuigend is. Dat is zo in het geval van meeroken en er is dan ook een voorlichtingsbeleid. Maar omdat roken verslavend is, kunnen we niet aannemen dat rokers rationeel op die informatie (in de media of op de verpakking) reageren. De werking ervan is beperkt. Voorlichting over het veilig afsteken van vuurwerk is er, maar voorlichting over de last van knalvuurwerk voor anderen ontbreekt. Het verbod op het afsteken van (knal)vuurwerk gedurende de rest van het jaar en het aanvankelijke voornemen van de regering om bij de jaarwisseling het afsteken van knalvuurwerk tot 18 uur te verbieden, wijst op inzicht in bestaan en omvang van die last. Over het afval op straat was er de voorlichtingscampagne Nederland Schoon. Op het ogenblik loopt het Impulsprogramma Zwerfafval 2007-2009, waarvan voorlichtingscampagnes deel uitmaken.

Tenslotte de mogelijkheid van een verbod. Er is een rookverbod in publieke gebouwen, in het openbaar vervoer en er is een verbod voor café- en restauranthouders om roken toe te staan, tenzij in aparte rookruimtes. Er is een verbod op het afsteken van knalvuurwerk met uitzondering van oudejaarsdag en jaarwisseling, maar de vraag is of die uitzondering niet moet worden ingeperkt tot na achttien uur. En er is een verbod op het gooien van afval op straat. De maximale boete daarvoor is tot € 75 verhoogd. In de economische beleidsliteratuur wordt het verbod aangeraden als de negatieve gevolgen van het gedrag ernstig zijn en de kosten van handhaving niet te hoog zijn. Dat brengt ons op het handhavingsprobleem.

Handhaving van verboden

Handhavingsproblemen hebben een bestuurlijke en een sociaalwetenschappelijke benadering. De Commissie De Graaf bekeek de handhaving van de overwogen uitbreiding van het vuurwerkverbod louter als een bestuurlijk probleem (noot 2). Er is een overheid en er zijn burgers en alle relevante processen spelen zich tussen deze twee entiteiten af. Voor processen tussen burgers (sociale processen) is geen aandacht. Naleving van een verbod is geheel afhankelijk van de pakkans en de hoogte van de sanctie. Bij een vuurwerkverbod op oudejaarsdag moet de politie-inzet hoger zijn, maar dat is onuitvoerbaar. Derhalve geen verbod. Maar handhaving van het verbod om afval op straat te gooien is eveneens onuitvoerbaar. Hetzelfde geldt voor het rookverbod in kleine cafés. Wat is wijsheid? Geen vuurwerkverbod op oudejaarsdag, maar dan ook geen verbod op het gooien van afval op straat en geen verbod op het roken in kleine cafés? Of in alle drie de gevallen wel een verbod?

Sociaal-wetenschappelijke inzichten kunnen hier uitkomst brengen. Het eerste is dat mensen eerder bereid zijn een wet na te leven als ze die inhoudelijk en procedureel rechtvaardig vinden (noot 3). Als een wet intermenselijke verhoudingen rechtvaardiger maakt en als de betrokkenen de kans hebben gehad gehoord te worden, is naleving ervan waarschijnlijker dan wanneer die louter door pakkans en strafmaat wordt bepaald.

Het tweede inzicht is dat mensen zich in hun gedrag sterk door wat anderen doen laten leiden (noot 4). Informatie over het gedrag van anderen heeft meer invloed op het eigen gedrag dan informatie over de wenselijkheid of de voordelen van dat gedrag. Opvallend is dat mensen zich er niet van bewust zijn, want ze denken dat die wenselijkheid of voordelen de grootste rol in hun beslissingen spelen. We zijn sterk sociaal beïnvloedbaar, maar dat weten we niet van onszelf (noot 5). Onze bereidheid om verboden na te leven op het terrein van negatieve externaliteiten is sterk afhankelijk van de informatie die we over het gedrag van anderen krijgen. Dat wij dat zelf slecht in de gaten hebben, doet vermoeden dat beleidsmakers daar evenzeer weinig zicht op hebben.

Tenslotte weten we dat mensen bereid zijn anderen te sanctioneren die het wederkerigheidsbeginsel overtreden, ook als dat iets kost (noot 6). Dat wijst er op dat de daad zelf een goed gevoel verschaft en dat is ook zo (noot 7). Ook leidt het tot de gewenste gedragsverandering. Mensen zien de voordelen in van de mogelijkheid elkaar te sanctioneren of leren dat snel in te zien (noot 8). In de maatschappelijke werkelijkheid kan sociale sanctionering assertiviteit en moed vereisen als je de overtreder niet kent. Maar veldonderzoek wijst uit dat als mensen onderlinge langdurige relaties hebben, ze normen in stand houden en overtredingen sanctioneren (noot 9). Sociale sanctionering heeft voordelen boven formele sanctionering. Sociale sancties zijn als een vorm van sociale afwijzing, ingrijpend voor de ontvanger. Maar omdat iedereen sancties kan ontvangen, maar ook kan geven, blijven mensen gelijkwaardig en dat maakt dat ze sancties en de dreiging daarmee gemakkelijker accepteren.

Naast pakkans en strafmaat zijn ook percepties van rechtvaardigheid en van het gedrag van anderen en processen van onderlinge sanctionering van invloed op het naleven van wettelijke verboden. Een verbod dat mensen rechtvaardig vinden, waarvan ze de indruk hebben dat anderen het naleven en aan de naleving waarvan zij en anderen bijdragen door sociale sanctionering, vereist geen grote politie-inzet om het te handhaven. Mensen lossen een externaliteitenprobleem onderling op als maar duidelijk is hoe de verdeling van rechten ligt en als ze die verdeling aanvaarden (noot 10). Zo is bijvoorbeeld algemeen aanvaard dat je op bezoek bij anderen niet het recht hebt om te roken en dat je dus om toestemming moet vragen. In zulke gevallen is rechtsduidelijkheid afdoende.

Knalvuurwerk, zwerfafval, roken

De sociaal-wetenschappelijke inzichten zijn op de externaliteitsproblemen van het knalvuurwerk, het afval op straat en het roken in de horeca toe te passen. Wetten die bedoeld zijn om negatieve externaliteiten terug te dringen, zijn gemakkelijk rechtvaardig te vinden, omdat ze stroken met het diepgewortelde wederkerigheidsbeginsel voor sociale interacties (wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet). In een democratisch land vinden we ze ook procedureel rechtvaardig. Er is een hoge mate van naleving te verwachten van een verbod op knalvuurwerk, op het gooien van afval op straat en op het roken in de horeca.

Dat klopt. Bijna niemand steekt knalvuurwerk af op andere dagen dan oudejaarsdag, de meeste straten zijn schoon en rokers zijn gestopt met roken in restaurants en eetcafé's. Dat jongens op oudejaarsdag wel knalvuurwerk afsteken, komt doordat de huidige wet het toestaat. Jongens ontlenen daar voldoende genoegen aan om het te doen en rotjes kosten vrijwel niets. De overlast oefent weinig remmende werking uit, omdat het gedrag officieel is toegestaan. Misschien zouden sommige ouders het willen verbieden en buurtbewoners willen ingrijpen, maar dat zou gemakkelijker en effectiever zijn als er een wettelijk verbod was. Het verbod zou attenderen op de onrechtvaardigheid van de veroorzaakte overlast en zou het sociale proces van controle en sanctionering bevorderen. Een eenmaal in gang gezette afname zou door sociale beïnvloeding tot beëindiging van het gedrag kunnen leiden.

Waarschijnlijk draagt het bestaan van een verbod ertoe bij dat de meeste straten schoon blijven. Omdat het verbod de onderlinge sanctionering vergemakkelijkt, zullen mensen daarop anticiperen. Zeker in buurten met weinig verloop, waar mensen elkaar kennen, is dat sociale mechanisme effectief. Sociale beïnvloeding zorgt er voor dat schone buurten schoon blijven. In anonieme omgevingen (binnensteden, grote winkelcentra, parkeerplaatsen langs de snelweg en rondom grote stations en scholen) is van sociale sanctionering minder te verwachten en dit zijn precies de meeste vervuilde gebieden. Sociale beïnvloeding draagt ertoe bij dat ze vervuild blijven. Een eenmaal vervuild gebied draagt de boodschap uit dat het verbod daar mag worden overtreden. Sociale beïnvloeding kan er ook voor zorgen dat een eenmaal schoongemaakt gebied schoon blijft, als het maar realistisch is te denken dat dat komt door het gedrag van anderen. Het plaatsen van veel afvalbakken kan daarbij helpen. Het maakt het gemakkelijker het afval niet op straat te gooien en versterkt de indruk dat anderen dat ook niet doen. Sommige gemeenten zijn dan ook overgegaan tot het plaatsen van meer afvalbakken. Tenslotte kunnen publiekscampagnes burgers oproepen straten schoon te houden en sluimerende rechtvaardigheidsoverwegingen activeren. Maar ze kunnen ook de boodschap uitdragen dat kennelijk veel mensen hun afval laten slingeren, want anders was die campagne niet nodig. Sociale beïnvloeding kan er dan toe leiden dat het effect averechts is. Evaluaties van de campagne Nederland Schoon wezen op toename van het aantal weggegooide blikjes en flesjes, een aanwijzing voor dit averechtse effect (noot 11). Informatie over hoeveel andere burgers aan een schoon milieu bijdragen, is effectiever. Amerikaanse energiebedrijven passen dit inzicht succesvol toe om hun klanten energie te laten besparen (noot 12).

Voorafgaand aan het rookverbod in de horeca waren rechtvaardigheidsoverwegingen kennelijk onvoldoende om van het roken af te zien. Dat kan met het verslavende karakter van het gedrag te maken hebben. Maar het kan ook zijn dat de afwezigheid van het verbod gezien werd als een aanwijzing dat het met de negatieve gevolgen voor anderen wel meeviel. Omdat er altijd wel iemand (de meest verslaafde) een sigaret opstak, werd het voor andere bezoekers gemakkelijker dit ook te doen. Invoering van het verbod was effectief, omdat het nog eens op de ernst van de negatieve effecten attendeerde en omdat het sociale sanctionering gemakkelijker en effectiever maakte. Eenmaal een toestand van niet-roken bereikt, blijft deze door sociale beïnvloeding ook gemakkelijk bestaan. Maar rokende stamgasten van kleine cafés kiezen er voor elkaars negatieve externaliteiten te ondergaan en zien het verbod als een ongerechtvaardigde inmenging in hun zelfgekozen arrangement. Omdat ze als rokers bij elkaar komen, werken onderlinge sanctionering en sociale beïnvloeding juist in de richting van het negeren van het verbod. Dezelfde personen steken in een restaurant geen sigaret op, omdat ze het verbod daar rechtvaardig vinden en omdat de sociale beïnvloeding er in de goede richting werkt.

Conclusies

Als de overheid overweegt iets te verbieden, is het belangrijk in de beleidsafweging rekening te houden met sociaal-wetenschappelijke inzichten. Deze wijzen op de voorwaarden waaronder burgers gemakkelijker een verbod accepteren en op de sociale processen die de kans op naleving vergroten of verkleinen. Ook zonder hoge handhavingskosten is het rookverbod een succes gebleken waar dat verwacht kon worden, in het openbaar vervoer en restaurants. Dat bewijst de kracht van het wederkerigheidsbeginsel en van het mechanisme van de sociale beïnvloeding. Het laat ook zien dat de werking van dat beginsel een duidelijk signaal van de democratische overheid nodig kan hebben. Het is jammer dat de overheid dat signaal niet wil geven als het gaat om het knalvuurwerk op oudejaarsdag.

Noten
1. D.L. Weimer & A.R. Vining (1999). Policy Analysis. Concepts and Practices. Upper Saddle River, N.J.: Prentice Hall.
2. Ministerie BZK (2008). Rapport Commissie overlast jaarwisseling.
3. T.R. Tyler (2000). Social justice: outcome and procedure, International Journal of Psychology 35 (2):117-125.
4. R.B. Cialdini, R.R. Reno & C.A. Kallgren (1990). A focus theory of normative conduct: Recycling the concept of norms to reduce littering in public places, Journal of Personality and Social Psychology 58: 1015-1026; K. Keizer, S. Lindenberg & L. Steg (2008). The spreading of disorder. Science 332: 1681-1685.
5. J.M. Nolan e.a. (2008). Normative social influence is underdetected, Personality and Social Psychology Bulletin 34 (7): 913-923.
6. E. Fehr en S. Gächter (2002). Altruistic punishment in humans. Science 415:137-140
7. D.J.-F. De Quervain e.a. (2004). The neural basis of altruistic punishment, Science 305: 1254-1258.
8. O. Gürerk e.a. (2006). The competitive advantage of sanctioning institutions, Science 312: 108-111.
9. R.C. Ellickson (1994). Order Without Law. How Neighbors Settle Disputes. Cambridge (Mass.): Harvard University Press.
10. R.H. Coase (1960). The problem of social cost, Journal of Law and Economics 3: 1-44.
11. R. Heijungs en G. Huppes (2005). Waarschijnlijkheidsstudie beleidsresultaten zwerfafval. Leiden: Centrum voor Milieuwetenschappen (CML)
12. L Kaufman (2009). Utilities turn their customers green, with eny. New York Times 30-01-2009

zaterdag 31 december 2011

Wanneer verbieden? Vuurwerk, roken en zwerfafval

Elk jaar rond deze tijd ontstaat de discussie over de wenselijkheid van een vuurwerkverbod. Eerder schreef ik een stuk voor Openbaar Bestuur, met een pleidooi voor een sociaalwetenschappelijke kijk op het vuurwerkverbod en op verbieden in het algemeen. Zie de link naar het manuscript onderaan dit bericht. Ik citeer hier de conclusie:
Als de overheid overweegt iets te verbieden, is het belangrijk in de beleidsafweging rekening te houden met sociaal-wetenschappelijke inzichten. Deze wijzen op de voorwaarden waaronder burgers gemakkelijker een verbod accepteren en op de sociale processen die de kans op naleving vergroten of verkleinen. Ook zonder hoge handhavingskosten is het rookverbod een succes gebleken waar dat verwacht kon worden, in het openbaar vervoer en restaurants. Dat bewijst de kracht van het wederkerigheidsbeginsel en van het mechanisme van de sociale beïnvloeding. Het laat ook zien dat de werking van dat beginsel een duidelijk signaal van de democratische overheid nodig kan hebben. Het is jammer dat de overheid dat signaal niet wil geven als het gaat om het knalvuurwerk op oudejaarsdag.
Ja, ik ben wel voor een vuurwerkverbod. In ieder geval op oudjaarsdag tot 18 uur 's avonds. Iedereen een prettige jaarwisseling toegewenst!
Wanneer verbieden def.doc - Google Docs:

'via Blog this'

maandag 19 september 2011

Eenzaamheid verbieden....

In Zwitserland is eenzaamheid verboden. Ja, niet van mensen, maar van cavia's. Ik lees het hier. Je mag niet een enkele cavia houden. Minimaal twee.

Eerlijk gezegd is er wel iets te zeggen voor zo'n verbod. Sociaal isolement staat voor groepsdieren min of meer gelijk aan marteling. Maar veel mensen staan daar niet bij stil. Als de kinderen een cavia (of een konijn) willen, dan zou je net zo goed meteen twee kunnen nemen. Dan helpt het als je weet dat zo'n geïsoleerd beestje vreselijk last krijgt van eenzaamheid en van de stress die daarmee gepaard gaat. Of je moet al uit je zelf je empathische vermogens gebruiken om je in zo'n beestje in te leven, maar niet iedereen doet dat. Of vindt dat "soft".

In Zwitserland heeft dat verbod geleid tot een soort partnerbemiddeling voor cavia's, ik verzin het niet. Stel dat je twee cavia's hebt gekocht en een daarvan sterft en je wilt er niet een bij kopen. Tja, de kinderen worden ouder en zo zou je steeds maar met die beestjes blijven zitten, want ze sterven meestal niet gelijk. Je kunt er dan bij dat bemiddelingsbureau eentje huren.

Ik vind het prachtig! En het wijst op het verschijnsel dat een verbod, ook als je het niet zo goed handhaaft, gunstige effecten kan hebben. Het attendeert op de negatieve effecten van een gedrag. En het geeft het signaal dat die effecten serieus genoeg zijn om een verbod uit te vaardigen. Publieksvoorlichting is niet altijd genoeg. Denk aan het rookverbod. Je kunt op een pakje sigaretten laten zetten dat roken dodelijk is, maar het effect daarvan is gering als je sigaretten gewoon kunt kopen. Als roken echt zo slecht zou zijn, dan zouden ze het wel verbieden, kunnen mensen dan gaan denken. En door dat verbod op eenzame cavia's ontstaat er een gat in de markt voor zo'n partnerbemiddelingsbureau. (Zie ook mijn artikel "Wanneer verbieden?" in Openbaar Bestuur van december 2009. Niet op internet, helaas.)

Ik had er nog twee andere gedachten bij.

De eerste is dat ik me afvroeg of ze in Zwitserland een Partij voor de Dieren hebben. En of onze Partij voor de Dieren, waar ik overigens geen sympathisant van ben, niet voor zo'n verbod moet pleiten.

De tweede gedachte is de vraag of er niet een soort verbod moet komen op eenzaamheid van mensen. Publieksvoorlichting, zoals de campagne van de Week Tegen de Eenzaamheid die 22 september begint, heeft misschien maar weinig effect. Daar denk ik een andere keer verder over na....