Posts tonen met het label Tim Kasser. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Tim Kasser. Alle posts tonen

vrijdag 2 februari 2018

De neurochemische grondslag voor de menselijke persoonlijkheidsstijl die samenwerking en delen mogelijk maakte

De cruciale veranderingen in het sociale gedrag van onze verre voorouders, vergeleken met de Laatste Gemeenschappelijke Voorouder die we met de chimpansees en de bonobo's delen, bestonden eruit dat we in egalitaire groepen groepen van vertrouwde anderen samenwerkten en deelden. Onderdeel van dat sociale arrangement was dat we collectief de pogingen van enkelingen om een statushiërarchie te vestigen, met de daarbij behorende monopolisering van de voortplanting, onderdrukten.

En daarmee hing weer samen dat we, als jagers-verzamelaars, min of meer monogaam werden en dat vaders (en andere groepsleden) meehielpen bij het grootbrengen van de kinderen, die langer zorg nodig hadden (cooperative breeding). Hetgeen weer gepaard ging met de ontwikkeling van empathie, pro-sociaal gedrag en van taal.

De nieuwe studie A neurochemical hypothesis for the origin of hominids geeft inzicht in de veranderingen in de hersenstructuur en de neurochemie die dat sociale gedrag mogelijk maakten. Als een eenvoudig socioloog begrijp ik daar niet alles van, maar wel net genoeg om het uiterst fascinerend te vinden.

Want de auteurs maken het aannemelijk dat die onderliggende anatomische en neurochemische veranderingen een op een dopamine-gedomineerd striatum gebaseerde persoonlijkheidsstijl in het leven riep.

En dat is een persoonlijkheid waarbij het gedrag sterk door externe factoren wordt gemotiveerd. Dat zijn aan de ene kant de sociale factoren die behoren tot het leven in een groep, waarin, zoals gezegd, samengewerkt en gedeeld wordt. Wil zo'n groep functioneren, dan moeten de groepsleden sterk op elkaar en op elkaars gedrag en op elkaars bedoelingen betrokken zijn. Er moet dus veel aandacht zijn voor wat anderen doen en een grote bereidheid om zich daar wat van aan te trekken.

Dat lijkt de grondslag te zijn voor de specifiek menselijke gedeelde intentionaliteit. Zie in dat verband het bericht Menselijk vermogen tot samenwerking en pro-sociaal gedrag is aanpassing aan onderlinge afhankelijkheid, met een verwijzing naar het onderzoek van Michael Tomasello. En bedenk dat verlegenheid als persoonlijkheidstrek (in tegenstelling tot stoutmoedigheid) daarmee belangrijk werd. Zie Het menselijke temperament: verlegenheid, eveneens met een verwijzing naar onderzoek van Tomasello.

Maar aan de andere kant moet die motivatie om door externe factoren te worden gemotiveerd, ook zijn uitwerking hebben gehad op onze houding ten opzichte van de fysieke omgeving. Een houding die onze voorouders ertoe aanzette om die omgeving te verkennen en beter te leren kennen, ook los van de directe behoefte van honger hebben en eten gaan zoeken. Onze neiging dus tot kennisverwerving en exploratie van de wereld. Die de grondslag legde voor de ontwikkeling van cultuur en wetenschap.

Dat is fascinerend. Ons pro-sociale gedrag en onze geneigdheid tot kennisverwerving en wetenschap zijn kennelijk onderdeel van een en hetzelfde pakket van aanpassingen dat voor onze overleving cruciaal was..

En fascinerend is dat het onderzoek van Tim Kasser naar wat mensen in het leven nastreven hiermee
geheel overeenkomt. Want volgens dat onderzoek kun je mensen indelen naar of ze meer gemeenschapsaspiraties hebben of meer statuscompetitie-aspiraties. De gemeenschapsmensen streven naar naar zaken als goede relaties met anderen, iets goeds doen voor de maatschappij en anderen bijstaan, terwijl de statuscompetitiemensen erop uit zijn om veel geld te verdienen en om een hoge status te hebben. 

En wat blijkt? Het zijn de gemeenschapsmensen, en niet de statuscompetitiemensen, die het belangrijk vinden om zichzelf te ontplooien, dus om hun kennis te vergroten en zichzelf te ontwikkelen. 

Die statuscompetitiemensen worden meer gemotiveerd door de interne en individuele drijfveren van geld, status en roem, voor de verwerkelijking waarvan je juist wat minder met anderen rekening moet houden. Zie het bericht Gezondheid en sociale omgeving (9): maakt het uit wat mensen nastreven? voor de negatieve gezondheidseffecten daarvan.

woensdag 9 oktober 2013

Je gelukkig voelen is prima, maar een zinvol leven leiden is beter

In het onderzoeksterrein van de positieve psychologie maken onderzoekers onderscheid tussen twee opvattingen over wat geluk is:
  1. de hedonische opvatting: geluk is gelijk aan de subjectieve ervaring van plezier en tevredenheid
  2. de eudaimonische opvatting: geluk is er bij het streven naar een zinvol leven en een nobel doel dat de bevrediging van egoïstische behoeften overstijgt
Dat onderscheid wordt nog duidelijker als je kijkt naar hoe die twee versies worden gemeten. Hedonisch geluk is meestal het antwoord op een vraag als "Hoe gelukkig zou u zeggen dat u bent de laatste tijd?" in de vorm van bijvoorbeeld een rapportcijfer tussen 0 en 10. Daartegenover meten onderzoekers de eudaimonische versie bijvoorbeeld met de volgende 8 uitspraken, waarvan je kunt aangeven hoezeer je het er mee oneens of eens bent (mijn vertaling uit het Engels):
  1. Ik leid een doelgericht en zinvol leven
  2. Mijn sociale relaties zijn ondersteunend en waardevol
  3. Ik ben betrokken bij en geïnteresseerd in mijn dagelijkse bezigheden
  4. Ik draag actief bij aan het geluk en welbevinden van anderen
  5. Ik ben kundig en capabel in de bezigheden die voor mij belangrijk zijn
  6. Ik ben een goed mens en leid een goed leven
  7. Ik ben optimistisch over mijn toekomst
  8. Mensen respecteren mij
Oké, maar dan zullen mensen die het zeer met deze uitspraken eens zijn, toch ook wel gelukkig zijn? Ja, dat is zo. De correlaties tussen de scores op deze twee maten is over het algemeen hoog. In het onderzoek dat aanleiding was tot dit blogbericht was hij 0,79. Maar dat is ook weer niet een perfecte samenhang. Maakt het dan wat uit of je meer gelukkig bent in de hedonische dan wel meer in de eudaimonische versie?

Ja en daar heeft de studie A functional genomic perspective on human well-being (pdf) meer over te melden. De onderzoekers vonden een intrigerend verschil in de samenhang van de beide versies van geluk met de werking van het immuunsysteem op het niveau van genenexpressie. Bij mensen met een hogere score op eudaimonisch geluk vonden ze o.a. een lagere expressie van pro-inflammatoire genen. Tegenover juist een hogere expressie bij mensen met een hoog hedonisch geluk. Anders gezegd, de kans op ontstekingen is lager als je eudaimonisch gelukkig bent dan wanneer je hedonisch gelukkig bent. Biologisch en voor je gezondheidstoestand maakt het dus verschil.

En dat is opmerkelijk, want het lijkt er op dat mensen subjectief gezien weinig tot geen verschil ervaren tussen hedonisch en eudaimonisch geluk. Je voelt je in beide gevallen oké, zoals er uit blijkt dat je in beide gevallen even weinig last hebt van depressieve symptomen. Maar op het biologische niveau is er wel degelijk een verschil en dat heeft (op den duur) gezondheidseffecten.

Het is natuurlijk ook weer niet zo dat het hedonische geluk slecht voor je is. Want de positieve gezondheidseffecten er van zijn bekend. Maar beter is dus het eudaimonische geluk.

Kortom: voel je je gelukkig? Oké. Prima. Maar is je leven ook wel doelgericht en zinvol? Heb je ook wel waardevolle sociale  relaties? Ben je dagelijks betrokken en geïnteresseerd? Draag je actief bij aan het welzijn van anderen? (Ben je pro-sociaal?) Doe je dingen waarin je kundig en capabel bent? Ben je een goed mens? Ben je optimistisch? Respecteren andere je? Als dat alles zo is, dan zou het kunnen dat je een ietsje minder (hedonisch) gelukkig bent, terwijl dat dan toch beter voor je is. De evolutie heeft ons kennelijk gestuurd in een richting waarin betrokkenheid bij anderen, ontplooiing van onze talenten en het leiden van een zinvol en goed leven bijdragen aan onze gezondheid en overleving. Dat is goed om even bij stil te staan. Update. Zie daarom nu ook het volgende bericht.

Aantekening voor mij zelf: Dit geeft ook een biologische onderbouwing van het onderzoek van Tim Kasser e.a. dat wijst op de positieve gezondheidseffecten van intrinsieke (in plaats van extrinsieke) aspiraties. Zie dit bericht.

maandag 20 februari 2012

Gezondheid en sociale omgeving (9): maakt het uit wat mensen nastreven?

Dat de aard van de sociale omgeving waarin mensen verkeren, verschil kan maken voor hun gezondheid is wel duidelijk. Zie de vorige acht berichten in deze reeks. Maar er is ook onderzoek gedaan naar de gezondheids- en welzijnseffecten van wat mensen in het leven nastreven of wat ze in het leven belangrijk vinden. In dat onderzoek gaat het dan over aspiraties en waarden.

Tim Kasser en anderen hebben daar onderzoek naar gedaan, beginnend in de jaren negentig met dit artikel en dit artikel (dat laatste is niet full-text op het vrije internet). Zie ook dit artikel. In al dat onderzoek is mensen gevraagd naar wat ze voor de toekomst belangrijk vonden. Ze konden dan uit een lijst met aspiraties aankruisen welke ze het belangrijkst vonden. Mensen blijken dan te kunnen worden ingedeeld als meer gemeenschapsmensen of als meer statuscompetitiemensen. Dat zijn mijn termen. In de literatuur spreekt men meestal van intrinsieke versus extrinsieke (of materialistische) aspiraties.

Gemeenschapsmensen vinden de volgende aspiraties in het bijzonder belangrijk: goede vrienden hebben waar je op kunt rekenen, iets goeds doen voor de maatschappij, anderen in nood helpen, jezelf accepteren, je zelf ontplooien. (Die laatste twee blijken altijd goed met de vorige samen te gaan.)

Statuscompetitiemensen vinden deze aspiraties in het bijzonder belangrijk: financieel succesvol zijn, een baan met hoge status hebben, dingen kunnen kopen die je wilt hebben, er altijd aantrekkelijk uitzien.

Het blijkt nu dat gemeenschapsmensen meer energie hebben, minder last van depressieve stoornissen en angstgevoelens, en minder gezondheidsklachten (hoofdpijn, buikpijn, spierpijn en keelpijn) dan statuscompetitiemensen. Ook zijn ze minder narcistisch en gebruiken ze minder verslavende middelen. Zie naast de al genoemde artikelen ook dit artikel en dit artikel (van allebei alleen samenvatting op het open internet). Dit lijkt er aardig mee overeen te komen dat de gemeenschapsmensen minder last hebben van stress (type II allostatische overbelasting) dan de statuscompetitiemensen. Zie dit bericht.

Alles goed en wel, maar zijn het nu wel die aspiraties zélf die effect hebben op je gezondheid? Anders gezegd: welke mechanismen zitten hier achter? Je zou denken dat die gemeenschapsmensen niet alleen meer gemeenschapswaarden nastreven, maar ook meer een gunstige sociale omgeving om zich heen hebben. Wat ze nastreven, hebben ze ook al behoorlijk gerealiseerd. En dan zijn ze daardoor gezonder. En analoog hieraan verwacht je dan van statuscompetitiemensen dat ze meer een ongunstige sociale omgeving om zich heen hebben, dus vooral omgaan met anderen die ook om status concurreren. En zijn ze daardoor minder gezond.

Het zou ook nog kunnen zijn dat mensen hun aspiraties aanpassen aan de aspiraties die het meest in hun sociale omgeving voorkomen. Als je in een omgeving van gemeenschapsmensen opgroeit of terecht komt, dan wordt je ook een gemeenschapsmens. En als je in een statuscompetitie-omgeving opgroeit of  terechtkomt, dan wordt je een statuscompetitiemens. Dat is wat je zou verwachten op grond van de evolutionaire theorie van de socialisering.

Volgens die theorie zou zo een vermogen tot aanpassing aan de omgeving ook adaptief zijn. Zo zou gemeenschapsgedrag in een omgeving van statuscompetitiemensen bepaald niet aan je welzijn en gezondheid bijdragen. Als de evolutie ons heeft toegerust met de vermogens tot gemeenschapsgedrag én statuscompetitiegedrag, dan ligt het ook voor de hand dat we ook min of meer in staat zijn om te "weten" wanneer het ene dan wel het andere gedragspatroon adequaat is. Zie ook dit bericht waar ik deze veronderstellingen als Dual Mode-theorie betitelde.

Hieruit zou de verwachting volgen dat de gezondheidseffecten van die twee typen aspiraties afhankelijk zijn van het soort sociale omgeving waarin een persoon verkeert. Het hebben van gemeenschapsaspiraties zou dus wel goed zijn voor je gezondheid in een gemeenschapsomgeving, maar niet in een statuscompetitie-omgeving. En het hebben van statuscompetitie-aspiraties zou juist goed zijn voor je gezondheid als je je in een statuscompetitie-omgeving bevindt. Met andere woorden: het congruent zijn met je omgeving, dat is waar het om draait. Voor gezondheid bestaan daar voor tot nu toe geen aanwijzingen. Maar wel voor het effect op het zelf ervaren welzijn, zoals uit dit onderzoek blijkt.