Posts tonen met het label anomietheorie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label anomietheorie. Alle posts tonen

vrijdag 9 oktober 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 51 - Maatschappijkritiek waar weinig mee werd gedaan. De maatschappij bleef een studieobject.

Het wordt tijd dat we Durkheim achter ons laten. Ik vond in de jaren 70 de anomietheorie zo belangrijk dat ik er college over gaf en de ontwikkeling van die theorie begon bij Durkheim. Hij kwam met het idee dat mensen individueel, dus zonder een sociaal verband, onverzadigbaar zijn. Ze hebben een voorstellingsvermogen dat hen ertoe brengt om altijd meer te willen dat ze al hebben. Alleen door deel uit te maken van een groter sociaal geheel, een gemeenschap, zijn ze in staat om beperkingen te aanvaarden en tevreden te zijn. Zonder zo'n gemeenschap heerst er in de maatschappij een toestand van anomie, van normloosheid. Hier het vorige bericht.

Welke literatuur ik voor dat college gebruikte en aan studenten voorschreef, kan ik me niet meer herinneren en kan ik ook niet meer achterhalen. Uit het literatuuroverzicht Anomie Theory in de Oxford Research Encyclopedia of Criminology and Criminal Justice van 2019 maak ik op dat de ontwikkeling van de anomietheorie en het onderzoek nog tot in de huidige eeuw is doorgegaan. Maar destijds zal er niet veel meer geweest zijn dan de bijdragen van Robert K. Merton, die uit 1983 (Social Structure and Anomie) en het vervolg daarop uit 1949 in zijn Social Theory and Social Structure, waarvan ik toen de editie van 1968 in huis had (zie editie 32 van deze reeks). 

Hoe dan ook, mij zal aan die anomietheorie geïnteresseerd hebben dat hij ingaat op de vraag hoe de maatschappij aansluit of dat juist niet doet op wat mensen kunnen en nodig hebben. Merton formuleerde dat in termen van cultuur en sociale structuur. De maatschappij kan mensen in cultureel opzicht (culturally defined goals, purposes, and interests) ertoe aanzetten om materieel succes en status na te jagen, maar daarmee vergeleken weinig nadruk leggen op de legitimiteit van de middelen (institutional means) die daarbij gebruikt kunnen worden. Die combinatie opent de weg voor "afwijkend gedrag", voor onwettige, criminele, handelingen om cultureel goedgekeurde, ja, wenselijke, doelen te bereiken. Als de maatschappij dan ook in economisch opzicht (structural) sterk ongelijk is, dan levert dat een mogelijke verklaring op voor een hoge mate van criminaliteit. 

Daarmee werd eigenlijk een maatschappijkritische analyse gegeven van de donkere kant van de American Dream. Iedereen wordt aangespoord om succes na te streven, maar niet iedereen krijgt dezelfde kansen om daarin op legitieme wijze te slagen. Richard A. Cloward en Lloyd E. Ohlin werkten dat in 1960 uit in hun Delinquency and Opportunity: A Theory of Delinquent Gangs,een destijds bekende studie die ik in dat college zeker behandeld heb.

Die maatschappijkritiek vond ik toen natuurlijk wel interessant. Maar het zal me toen al wel zijn opgevallen dat daar in de sociologie weinig mee werd gedaan. Maatschappelijke ongelijkheid werd weliswaar bestudeerd, als "sociale stratificatie", maar grote ongelijkheid werd niet als een sociaal inferieure toestand naar voren gebracht waar urgent iets aan gedaan zou moeten worden. Voor sociologen bleef de maatschappij bovenal een studieobject, in plaats van een collectief menselijk project aan de verbetering waarvan hun vak zou kunnen bijdragen. Dat er voor hun vak een theoretisch kader zou kunnen bestaan voor maatschappijverbetering, in moreel opzicht en naar menselijk welzijn, was voor sociologen een onbekend inzicht. 

Voor mijzelf ook. Maar daar begon verandering in te komen. Daarvoor was het nodig om de maatschappij echt als mensenwerk te gaan zien. 

woensdag 12 augustus 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 46 - Het is dus niet zo vreemd dat ik in die anomietheorie geïnteresseerd raakte

We treffen dus bij Durkheim het betoog aan dat mensen uitgerust zijn met een rechtvaardigheidsgevoel als ze in de marktmaatschappij terecht zijn gekomen. Hier het vorige bericht. Als in markttransacties geen gelijkwaardigheid bestaat, als de een gedwongen is voorwaarden te accepteren die door de ander zijn opgelegd, dan ervaren mensen dat als onrechtvaardig en dus onwenselijk. Een afwijking van het gelijkwaardigheidsbeginsel wordt afgekeurd (p.382-3 van mijn editie van The Division of Labor in Society):

... public conscience generally has a somewhat lively sentiment of this deviation. It finds unjust every exchange where the price of the object bears no relation to the trouble it cost and the service it renders.

Maar dan komt natuurlijk meteen de vraag op waar die afwijkingen dan vandaan komen. Als iedereen die gelijkwaardigheid zo wenselijk vindt, waardoor zijn dan niet alle transacties gelijkwaardig? Anders gezegd, hoe kan er dan toch anomie bestaan?

Het antwoord daarop vinden we in deze ene zin op p.383:

To be sure, we sometimes desire more for our product than it is worth; our ambitions are limitless and, consequently, are moderated only because they are restrained by those of others.

Onze ambities zijn grenzeloos. 

Wat hebben we? Durkheims theorie over de innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur, waarin mensen enerzijds streven naar gelijkwaardige sociale verhoudingen, maar anderzijds grenzeloze ambities hebben. Waarin die ambities van de een onvermijdelijk botsen met de ambities van de ander. Een menselijke sociale natuur die twee maatschappelijke toestanden mogelijk maakt, een van gelijkwaardige verhoudingen en een van botsende ambities en dus van competitie. Waarbij die toestand van gelijkwaardigheid superieur is aan de toestand van competitie, die immers de toestand is van anomie.

Ik denk dat ik dat destijds, in de jaren 70, toen ik me voor die anomietheorie begon te interesseren en er colleges over gaf, nog niet zo helder voor ogen had. Ik was toen niet in staat om het zo te formuleren als in de vorige alinea. Daar moesten kennelijk nog vele decennia over heen gaan om zo ver te komen. Denk aan Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen uit 2020. Maar ik moet er een vaag vermoeden van hebben gehad dat hier iets belangrijks gebeurde, waar ik me in moest gaan verdiepen.

Twee jaar later, in het hoofdstuk van Le Suicide (1896) over de
anomische zelfmoord, werkte Durkheim die anomietheorie verder uit. Dat boek staat geheel in het teken van de leer van de sociale feiten: statistische verbanden tussen onafhankelijke variabelen als kerkgenootschap (protestants, katholiek) of de toestand van de economie en het zelfmoordcijfer als de afhankelijke variabele. Maar het gaat natuurlijk over mensen en sociale processen als Durkheim probeert om die verbanden te verklaren. 

In dat hoofdstuk over anomische zelfmoord komen we opnieuw het idee van die grenzeloze ambities tegen (p.247 van mijn editie van Suicide. A Study in Sociology uit 1966). Mensen hebben in vergelijking met dieren het vermogen tot een

... more awakened reflection (that) suggests better conditions, seemingly desirable ends craving fulfillment. Such appetites, however, admittedly sooner or later reach a limit which they cannot pass. But how to determine the quantity of well-being, comfort or luxury legitimately to be craved by a human being? Nothing appears in man's organic nor in his psychological constitution which sets a limit to such tendencies. (...)

It is not human nature which can assign the variable limits necessary to our needs. They are thus unlimited so far as they depend on the individual alone. Irrespective of any external regulatory force, our capacity for feeling is in itself an insatiable and bottomless abyss.

Een onverzadigbare en bodemloze afgrond, die mensen tot zelfmoord kan drijven als die zich voor hen opent. Wanneer is dat het geval? In tijden van crisis, van (p.246):

disturbances of the collective order. Every disturbance of equilibrium, even though it achieves greater comfort and a heightening of general vitality, is an impulse to voluntary death. Whenever serious readjustments take place in the social order, whether or not due to a sudden growth or to an unexpected catastrophe, men are more inclined to self-destruction.

Dat laatste slaat op de statistieken die Durkheim aanhaalt die laten zien dat het zelfmoordcijfer zowel in tijden van economische rampspoed als economische voorspoed toenemen. 

Want in zulke tijden verzwakt die externe regulerende kracht. Die bestaat eruit dat de maatschappij, het collectief, ons vertelt wat moreel juist en rechtvaardig is om na te streven (p.249):

Men would never consent to restrict their desires if they felt justified in passing the assigned limit. But (...) they cannot assign themselves this law of justice. So they must receive it from an authority which they respect, to which they yield spontaneously. Either directly and as a whole, or through the agency of one of its organs, society alone can play this moderating role; for it is the only moral power superior to the individual, the authority of which he accepts.  

Een maatschappij verkeert kort gezegd in een sociaal superieure toestand als die externe regulerende kracht sterk genoeg is. Als de sociale verhoudingen overeenkomen met "het morele bewustzijn" van de maatschappij. Dan worden de verhoudingen tussen wat iemand inbrengt en wat hem dat oplevert als rechtvaardig geaccepteerd. 

According to accepted ideas, for example, a certain way of living is considered the upper limit to which a workman may aspire in his efforts to improve his existence, and there is another limit below which he is not willingly permitted to fall unless he has serieoulsy beneamed himself. Both differ for city and country workers, for the domestic servant and the day-laborer, for the business clerk and the offical, etc. Likewise the man of wealth is reproved if he lives the life of a poor man, but also if he seeks the refinements of luxury overmuch.

Eigenlijk treffen we hier dus een sociologie aan die een verbetervak wil zijn. Uitgerekend bij Durkheim die we tot de grondleggers rekenen van de leer van de sociale feiten en van de variabelensociologie. Er is een sociaal superieure toestand van sociale rechtvaardigheid en een inferieure toestand van anomie. Dezelfde Durkheim die zich ook afvraagt hoe we die sociaal superieure toestand dichterbij kunnen brengen. Dat doet hij in het laatste hoofdstuk, met de titel Practical Consequences. In het vervolg meer daarover.

Maar het is dus niet zo vreemd dat ik, ergens in het midden van de jaren 70, in die anomietheorie geïnteresseerd raakte. Hier het volgende bericht.

woensdag 29 juli 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 45 - O ja, dat is waar ook. Het andere gezicht van Durkheim

Van de twee gezichten van de klassieke socioloog Emile Durkheim, dat van de leer van de "sociale feiten" en dat van het morele criterium van de rechtvaardige maatschappij, is in de invloed die van hem op de ontwikkeling van het vak is uitgegaan, het tweede volledig ondergesneeuwd door het eerste. Hier het vorige bericht. Die leer van de sociale feiten verschafte de grondslag voor de top-down variabelensociologie, waarin de waardevrijheid van het doen van onderzoek werd verward met de waardevrijheid van het vak. Voor een vak dus dat de eigen wetenschappelijkheid zo opvat dat het beoordelen van maatschappelijke toestanden naar een uit de menselijke sociale natuur voortkomend moreel kader is uitgesloten.

Maar in dat vorige bericht zagen we dat Durkheim ook een ander gezicht kan aannemen. De mens is een sociaal wezen. Mensen hebben het nodig om onderdeel te zijn van een groter geheel. In de marktmaatschappij is dat een geheel van relaties en transacties tussen mensen die aan elkaar gelijkwaardig zijn. Waarin dus de onderlinge verhoudingen als rechtvaardig worden gevoeld. Aan de morele eis van gelijkwaardigheid is niet voldaan als de ene partij over zoveel meer middelen beschikt dat hij de ander voor hem ongunstige voorwaarden kan opleggen. Er heerst dan een toestand van anomie, die inferieur is aan een toestand van gelijkwaardigheid.

Ik moet eerlijk zeggen dat dat andere gezicht van Durkheim ook bij mijzelf wat was weggezakt. Voor het schrijven van het vorige bericht pakte ik mijn stukgelezen exemplaar van The Division of Labor in Society weer eens uit de boekenkast. En ik kwam bij de betreffende passages terecht (zie de citaten in het vorige bericht) en ik zag dat ik die in een ver verleden allemaal van potloodonderstrepingen had voorzien. Ik dacht; O ja, dat is waar ook, dat was óók Durkheim. En ik bedacht me dat ik in Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen juist ook naar die Durkheim had moeten verwijzen.

Stel je even voor dat het omgekeerd was geweest, dat dit tweede gezicht van Durkheim serieuzer was genomen dan het eerste en wat dat had betekend voor de verdere ontwikkeling van het vak. 

Sociologie was dan een vak geweest dat tegenwicht had geboden tegen de grote maatschappelijke invloed van een vak economie waarin gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid als onbelangrijk of zelfs als economisch schadelijk worden behandeld. Waarin maatschappelijke ongelijkheid juist gunstig zou zijn voor economische groei. Waarin machtigen hun voorwaarden kunnen opleggen aan machtelozen. Waarin een uitzendsector kan bestaan met uitbuiting als verdienmodel. Waarin de machtsverhoudingen met zich meebrengen dat de groei van de lonen structureel achterblijft bij de groei van de productiviteit. Waarin de machtsverhoudingen ertoe leiden dat de democratie, de institutionele vormgeving van gelijkwaardigheid, wordt bedreigd.

Maar zo ging het dus niet. Ik zou willen dat er ooit eens een wetenschapshistoricus uitzoekt hoe dat vak sociologie zich zo curieus heeft kunnen ontwikkelen. 

In het volgende bericht gaat het weer over hoe het met die anomietheorie verder ging.  

dinsdag 28 juli 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 44 - Durkheim en de oorsprong van de anomietheorie

De oorsprong van die anomietheorie waarmee ik het vorige bericht afsloot ligt al in het werk van Emile Durkheim. In zijn functionalistische systeemdenken bedreigde de ontwikkeling van de marktmaatschappij, in zijn woorden: de groei van de arbeidsverdeling, de solidariteit die voor de instandhouding van het sociale systeem noodzakelijk is. Maar er vindt een terugkoppeling plaats: de arbeidsverdeling zorgt zelf wel weer voor het zich ontwikkelen van een nieuwe vorm van solidariteit. Berustte de vroegere  "mechanische solidariteit" erop dat mensen in hun levensomstandigheden sterk met elkaar overeenkwamen en daardoor gemakkelijk vriendschappelijke verhoudingen tot stand brachten, zouden die verhoudingen in de nieuwe marktmaatschappij juist ontstaan doordat mensen van elkaar verschillen en daardoor elkaar aanvullen. In dat sociale systeem van de arbeidsverdeling draagt iedereen zijn eigen steentje bij aan het geheel en voelen mensen zich daardoor met elkaar verbonden. Er ontwikkelt zich een "organische solidariteit". Denk terug aan Het top down van het structureel-functionalisme.

Dat had Durkheim natuurlijk fraai bedacht, maar hij keek genoeg om zich heen om waar te nemen dat de maatschappelijke werkelijkheid er anders uitzag. Hij moet zich hebben afgevraagd hoe hij daarmee om moest gaan. Zijn oplossing (voor het zelf gecreëerde probleem van het systeemdenken) was dat hij "abnormale vormen" van arbeidsverdeling invoerde en daar in 1893 Deel 3 van zijn The Division of Labor in Society aan wijdde. In het eerste hoofdstuk van dat deel gaat het over de "anomische arbeidsverdeling". En precies daar ontmoeten we de oorsprong van die anomietheorie. En algemener van het sociologische onderzoeksterrein van het afwijkende gedrag.

Durkheim maakt eigenlijk pas daar, na veel omhaal van woorden, duidelijk wat hij verstaat onder een normale, en dus ook een abnormale, arbeidsverdeling (p.372 van mijn editie, cursivering van mij):

For, normally, the role of each special function does not require that the indivual close himself in, but that he keeps himself in constant relations with neighboring functions, take conscience of their needs, of the changes which they undergo, etc. The division of labor presumes that the worker, far from being hemmed in by his task, does not lose sight of his collaborators, that he acts upon them, and reacts to them. He is, then, not a machine who repeats his movements without knowing their meaning, but he knows that they tend, in some way, towards an end that he conceives more or less disntinctly. He feels that he is serving something.

Hij voelt dat zijn inspanningen in dienst staan van iets wat groter is dan hijzelf. En daarmee voelt hij zich onderdeel van een groter geheel. Natuurlijk merken we dan allereerst op dat Durkheim hier ad hoc het domein van de "sociale feiten" verlaat en een veronderstelling over de menselijke sociale natuur invoert. En we merken op dat die veronderstelling cruciaal en interessant is. Hij opent het venster waardoor we zicht krijgen op wat een abnormale, anomische toestand van de arbeidsverdeling is.

Want een toestand waarin mensen zich onderdeel voelen van het grotere geheel is een toestand waarin de onderlinge verhoudingen die uit de arbeidsverdeling voortkomen, als rechtvaardig worden ervaren. Die verhoudingen komen tot stand door middel van ruiltransacties en de uitkomsten van die transacties zijn rechtvaardig als voor iedere verkoper de opbrengsten van de ruil overeenkomen met de inspanningen die zijn verricht (de arbeid) en met de waarde die het geruilde product heeft voor de verkoper. (Durkheim gebruikt hier dezelfde arbeidswaardeleer als die van Karl Marx.) Een ruiltransactie is dus onrechtvaardig als (p.383-4):

... the price of the object bears no relation to the trouble it cost and the services it renders.

This definition set forth, we shall say that a contract is fully consented to only if the services exchanged have an equivalent social value. Under these conditions each receives in effect the thing he desires and delivers what he gives in return so that each has a value for the other.

Eenvoudiger gezegd, wil de marktmaatschappij als rechtvaardig worden beoordeeld, dan horen alle transacties plaats te vinden tussen aan elkaar gelijkwaardige partijen. Dat is het morele criterium ("the moral conditions of exchange") waar de marktmaatschappij aan behoort te voldoen. En daaraan is niet voldaan:

If one class of society is obliged, in order to live, to take any price for its services, while another can abstain from such action thanks to resources at its disposal which, however, are not necessarily due to any social superiority, the second has an unjust advantage over the first at law. In other words, there cannot be rich and poor at birth without there being unjust contracts. This was still more the case when social status itself was hereditary and law sanctioned all sorts of inequalities.

Laten we er even bij stil staan dat we hier, bij Durkheim in 1893, wel degelijk een theorie tegenkomen die het mogelijk maakt een sociaal inferieure toestand (een toestand van anomie, dus van ongelijkheid en daardoor onderdrukking van de een door de ander) te onderscheiden van een sociaal superieure toestand (een van rechtvaardige verhoudingen). Bij dezelfde Durkheim dus die als de grondlegger wordt beschouwd van dat top-down systeemdenken waarin er geen menselijke sociale natuur zou bestaan waaraan een maatschappelijke toestand kan worden beoordeeld. Een sociologie die nooit problemen zag ontstaan.

Om alle mogelijke twijfel weg te nemen (p.387-8):

The task of the most advanced societies is, then, a work of justice. That they, in fact, feel the necessity of orienting themselves in this direction is what we have already shown and what every-day experience proves to us. Just as the ideal of lower societies was to create or maintain as intense a common life as possible, in which the individual was absorbed, so our ideal is to make social relations always more equitable, so as to assure the free development of all our socially useful forces. (...)

Just as ancient people needed, above all, a common faith to live by, so we need justice ...

De oorsprong van de anomietheorie ligt dus bij de Durkheim die in 1893 inzag dat mensen, als ze in een marktmaatschappij leven, rechtvaardige verhoudingen nodig hebben. Vier jaar later, in Le Suicide, werkte hij dat inzicht verder uit. Daarover en over de latere ontwikkelingen in die anomietheorie meer in het vervolg.

Maar het valt dus goed te begrijpen dat die anomietheorie tijdens mijn studie en later in de 70 toen ik er colleges over gaf, mijn belangstelling wekte. Ik denk dat ik er iets in aantrof van mijn verwachting dat het in de sociologie zou moeten gaan om "mens en menselijkheid". Hier het vervolg.

donderdag 10 oktober 2019

Door meer ongelijkheid meer statuscompetitie en daardoor meer vraag naar een sterke leider die het niet zo nauw neemt met de democratie

Na de (verschrikkingen van) de Tweede Wereldoorlog was er een algemeen gedeeld inzicht dat de mate van ongelijkheid binnen de perken moest worden gehouden. Vandaar dat veel landen hoge marginale tarieven in de inkomstenbelasting kenden en vandaar dat veel landen zich inspanden om de algemene toegang tot het onderwijs te vergroten.

Maar die periode ligt al weer een poos achter ons en dat inzicht is op de achtergrond geraakt. Inkomens- en vermogensverschillen zijn in veel landen sterk toegenomen. Dat heeft de deur opengezet naar sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de negatieve effecten van die toegenomen ongelijkheid.

Zo zijn er aanwijzingen dat een toename van ongelijkheid de statuscompetitie tussen mensen aanwakkert, doordat inspanning gericht op verwerven en behoud van status meer kunnen opleveren als de verschillen groter zijn. En we kennen de negatieve gezondheidseffecten van statuscompetitie.

Ook kennen we de gevaren van grote ongelijkheid voor het behoud van de democratie. De exorbitant rijken zijn erop gebrand om hun positie te verdedigen tegen uitkomsten van het democratische proces, die over het algemeen, in de democratie telt immers iedereen evenveel mee, in de richting gaan van meer gelijkheid (het gemeenschapsevenwicht). En dus zal het Grote Geld zijn overvloedige middelen inzetten om die uitkomsten te beïnvloeden, door manipulatie en bedrog via de media en door omkoping van politici.

Voor het vermoeden dat toename van ongelijkheid de statuscompetitie aanwakkert (het statuscompetitie-evenwicht dichterbij brengt), zijn er nu nieuwe aanwijzingen. Ik noemde al dat mensen ook zelf inzien dat meer ongelijkheid een individualistisch en competitief normatief klimaat met zich meebrengt. Dus dat ze in hun sociale omgeving meer statuscompetitie verwachten waar te nemen als de ongelijkheid groter is.

Daar kunnen we nu de nieuwe studie “Our Country Needs a Strong Leader Right Now”: Economic Inequality Enhances the Wish for a Strong Leader aan toevoegen. Daaruit komt naar voren dat studenten in landen met een grotere ongelijkheid meer van mening zijn dat hun land een sterke leider nodig heeft.

Dat wordt bevestigd in onderzoek naar Australiërs die verschillen in hun oordeel over de mate van ongelijkheid in hun land. Degenen die meer ongelijkheid waarnemen, hebben meer een hang naar een sterke man als leider, die het niet zo nauw neemt met de regels van de democratie. En het komt naar voren uit onderzoek waarin mensen wordt gevraagd zich voor te stellen in een meer gelijke dan wel een meer ongelijke maatschappij te leven.

In alle drie gevallen is er een interessante tussenliggende factor: de mate van anomie die mensen in hun maatschappij waarnemen of in die fictieve maatschappij verwachten. Anomie (letterlijk normloosheid) is een begrip dat geïntroduceerd werd door Emile Durkheim (1858 - 1917), die er mee bedoelde dat het kapitalisme wel iedereen aanzet om het hoogste te willen bereiken, maar tekort schiet in het verschaffen van de middelen daartoe.

Een toestand dus waarin iedereen het maar zelf moet uitzoeken. Waarin niemand te vertrouwen is, van niemand moreel gedrag verwacht kan worden en waarin de overheid ineffectief is en illegitiem. Ene toestand die gemakkelijk kan worden aangeduid als die van het statuscompetitie-evenwicht.

Anomie als tussenliggende factor kan met dit plaatje worden afgebeeld:


De getallen bij de pijltjes geven aan hoe sterk het betreffende verband is. Hoe meer sterretjes hoe sterker. Als je anomie toevoegt aan de analyse, zie je dat de verbanden met Waargenomen ongelijkheid en de vraag naar een sterke leider heel sterk zijn, terwijl het rechtstreekse verband tussen ongelijkheid en vraag naar een sterke leider in sterkte is afgenomen (van 1,52 naar 1,37). Anders gezegd, het rechtstreekse verband wordt deels verklaard door de omweg via anomie. De omweg dus van de statuscompetitie.

Eigenlijk komen we met het huidige onderzoek dicht in de buurt van wat Durkheim meer dan een eeuw geleden al voor zich zag.

dinsdag 31 januari 2017

Bij meer bestaansonzekerheid meer schietpartijen op scholen in de V.S.

De negatieve gevolgen van een economisch (neoliberaal) beleid dat het grote belang van bestaanszekerheid voor mensen uit het oog verloren heeft, integendeel, bestaansonzekerheid als instrument gebruikt, worden steeds duidelijker.

We kennen al de negatieve gevolgen van werkloosheid en van armoede. Evenzo weten we dat bestaansonzekerheid samenhangt met anti-immigrantensentiment en rechts-extremisme. En we hebben gezien dat bestaanszekerheid bevorderlijk is voor sociale cohesie.

Er is nu nieuw onderzoek dat een bijzonder licht werpt op de vervelende gevolgen van bestaansonzekerheid in de levensfase van de overgang van onderwijs naar de arbeidsmarkt. De studie Economic insecurity and the rise in gun violence at US schools wijst namelijk op een verband tussen economische onzekerheid en schietpartijen op scholen (school shootings) in de Verenigde Staten.

De onderzoekers stelden voor de periode 1990 - 2013 een dataset samen van zulke schietpartijen en kunnen laten zien dat er een statistisch significant verband bestaat tussen toenames van schietpartijen en toenames van economische onzekerheid. Bij die onzekerheid gaat het om landelijke en regionale gegevens over werkloosheid, gedwongen verkopen van woningen en consumentenvertrouwen. Door de onderzoekers samengevat:
In the last 25 years, there have been two periods of elevated gun violence at schools in the United States and the timing of these periods significantly correlates with increased economic insecurity. With the unemployment rate as an indicator, this effect persists at the national, regional and city levels of geographic aggregation. Further, we find that this effect is measurable across several economic indicators, which underscores the robustness of our findings.
Het is voorstelbaar dat een toename van bestaansonzekerheid juist in de levensfase van de overgang van school naar arbeidsmarkt ernstige gevolgen kan hebben. Het is een levensfase waarin het er op aankomt of je zult slagen of niet. Als de kans op slagen kleiner wordt, zal dat over de hele linie leiden tot meer frustratie, minder zelfvertrouwen en zorgen over de toekomst. Gevoelens die allerlei gevolgen zullen hebben, maar kennelijk dus ook bij sommigen het overgaan tot zulke vreselijke gewelddaden.

Denk ook weer even aan die anomietheorie.

donderdag 9 juli 2015

Massale schietpartijen zijn besmettelijk - en over waar dat op wijst

Op 17 juni, schoot de 21-jarige Dylann Roof negen mensen neer die in de Emanuel African Methodist Episcopal Church in Charleston in Zuid Carolina meededen aan een Bijbelstudie.

Daarbij moet hij hebben geroepen "I have to do it. You rape our women and you're taking over our country. And you have to go." Later bleek dat hij online contacten had gehad met White Supremacists . Een van de slachtoffers was dominee en senator Clementa C. Pinckney, die protesten had georganiseerd na het neerschieten van de zwarte jongeman Walter Scott door een blanke politieagent.

Was dit een incident? Of zijn zulke voorvallen te vergelijken met de kanaries in de kolenmijn? Dat wil zeggen, de kanaries die mijnwerkers mee naar beneden namen om hen tijdig te waarschuwen voor giftige gassen. Laten ze zien wat er in de maatschappij ondergronds broeit en geven ze uiting aan ongenoegen, gefrustreerdheid en zich bedreigd voelen en de daaruit voortkomende agressie?

Dat laatste wordt aannemelijk als je bedenkt dat het bij deze massale schietpartijen (mass shootings) meestal gaat om aanvallen op instituties: scholen, bedrijven, supermarkten, politieke partijen (dat laatste in het geval van Anders Breivik). Het lijkt te gaan om ongearticuleerde agressie tegen onpersoonlijke, maatschappelijke "krachten" of "groepen" die frustratie opwekken. Waarschijnlijk bij heel veel mensen. En bij enkelingen zoveel agressie dat ze in dit soort vreselijke daden zoiets als een "oplossing" zien. Zie eerder mijn bericht Kanaries in een kolenmijn. Waar staat de toename van massale schietpartijen voor? - Peter Turchin.

Het lijkt bij deze daden vaak om narcistische jongemannen te gaan met hoge aspiraties, die mislukkingen meemaken. En die, tegenwoordig vaak via internet, een mogelijke oorzaak menen te ontdekken voor hun falen. De tegenwerking namelijk van anderen, hun medeleerlingen als het om een school killing gaat, of een bevolkingsgroep, zoals de immigranten, de moslims, de christenen, de zwarten.

En als je een maatschappij hebt waarin maatschappelijk succesvol zijn van het hoogste belang is, waarin dus de statuscompetitie voorop staat, dan is iedereen uitgenodigd om mee te concurreren. Waarna het niet valt te vermijden dat er verliezers en mislukkelingen zijn. En voor sommigen is die gedachte om zo iemand te zijn onverdraaglijk. Ze kunnen dan bizarre wegen inslaan om toch nog ergens successen te boeken en vooral: erkenning te vinden.

Wegen die er op gericht zijn om "tegenstanders" te treffen en uit te schakelen. Zwarten in het geval van Dylann Roof en politiek links in het geval van Anders Breivik. Sociaal isolement leidt er dan toe dat ze aansluiting zoeken bij medestanders, zoals bij de White Supremacists door Dylann Roof. Anders Breivik fantaseerde zelf een organisatie bij elkaar (de Knights Templar) nadat zijn poging om een rol te spelen in een anti-immigrantenpartij mislukt was.

Die redenering van te moeten slagen en niet over de reguliere middelen te beschikken om dat voor elkaar te krijgen, komt overeen met de in de sociale wetenschappen bekende anomietheorie (zie Hoe worden sommige jongemannen zo gevaarlijk dat ze aanslagen gaan plegen?) We leggen iedereen op om het hoogste na te streven, maar zijn dan maar slecht in staat om te verhinderen dat daarbij verkeerde middelen worden gebruikt.

Als daar wat in zit, zou dat betekenen dat er voor elke jongeman die om zich heen gaat schieten, vele andere zijn die net zo gefrustreerd zijn, maar nog niet diezelfde stap hebben genomen.

Er is nu onderzoek dat in die richting wijst. Althans daarmee in overeenstemming is. De studie Contagion in Mass Killings and School Shootings laat namelijk zien dat zulke massale schietpartijen anderen er toe aanzet om ook zoiets te doen. Schietpartijen blijken besmettelijk te zijn.

Er is kennelijk een heel sociaal reservoir van mislukkelingen of die dat dreigen te worden, die ontvankelijk zijn voor fantasieën over "tegenstanders" en "gevaren van buiten" die hen plotsklaps opnieuw een doel in het leven lijken te geven. De tegenstanders moeten worden getroffen en uitgeschakeld. (De jongeman Hitler was ook zo'n mislukkeling.)

Als iemand van hen dan het voorbeeld geeft en daar in de media over wordt bericht, dan vergroot dat de kans op een nieuwe schietpartij. De drempel om ook in actie te komen wordt even wat lager. De onderzoekers analyseerden databases van alle massale schietpartijen in de Verenigde Staten en berekenden dat de kans op een volgende schietpartij toenam tot 13 dagen na een eerdere schietpartij. Elk voorval lokt in die periode gemiddeld 0,3 nieuwe voorvallen uit. In het geval van schietpartijen op scholen 0,22 nieuwe voorvallen.

dinsdag 13 januari 2015

Hoe worden sommige jongemannen zo gevaarlijk dat ze aanslagen gaan plegen?

Ik vroeg me af wat er met sommige jonge mannen aan de hand is dat ze gevaarlijk worden en terreurdaden plegen. Zie het bericht Wat is het onderliggende probleem van terroristische daden? De islam of gevaarlijke jonge mannen? Het vinden van een volledig antwoord zal nog heel wat voeten in de aarde hebben. Maar de column van Paul de Grauwe vandaag lijkt ons een eindje in de goede richting te brengen. Ik waag een poging.

Ons economisch stelsel, het kapitalisme, zo stelt De Grauwe, heeft twee problemen: de ongelijke verdeling van de welvaart en de morele neutraliteit.

Dat eerste probleem brengt met zich mee dat:
Belangrijke delen van de bevolking (...) niet geïntegreerd (raken) en (...) werkloos en arm achter(blijven). Vooral migranten hebben daar last van. Ze komen terecht in een vicieuze cirkel: het systeem respecteert hen niet, en dit leidt dan ook tot een verlies aan zelfrespect en identiteit. Velen gaan dan op zoek naar identiteit en zelfrespect.
Dat zijn maar een paar zinnen, maar er zit een belangrijk sociaalwetenschappelijk inzicht in besloten. Het inzicht namelijk dat mensen niet alleen naar die materiële welvaart streven die het kapitalisme tot stand brengt, maar ook nog naar zaken als "identiteit en zelfrespect".

Door die ongelijkheid roept het kapitalisme een sterke mate van statuscompetitie in het leven. Degenen die in die competitie het onderspit delven, zijn niet alleen materieel arm. Ze ondergaan daarnaast ook de vernedering van het falen. En dat tekortschieten bedreigt hun identiteit en zelfrespect. Dus gaan mensen daarnaar op zoek.

Om te bepalen waar dat toe kan leiden, moeten we stilstaan bij dat tweede probleem, dat van die morele neutraliteit. Paul de Grauwe bedoelt daarmee dat onze maatschappij:
ultratolerant (is) ten aanzien van moraal en godsdienst. Het systeem laat alle visies, opinies en morele normen toe. Ze staat daar volledig onverschillig tegenover.
Bij velen leidt dit tot een reactie van verwerping en een zoektocht naar iets dat houvast biedt.
En daar komen we bij nog iets anders dat mensen klaarblijkelijk nodig hebben: zoiets als een moreel houvast.

Mijn aanvulling zou hier zijn dat het hier in de eerste plaats gaat om individualisme als kernprobleem en dat het gebrek aan moraal en normen daaraan inherent is. Dat zoeken naar een houvast bestaat dan bovenal uit het zoeken naar een sociale context die niet alleen morele richting geeft, maar ook de ervaring van geborgenheid verschaft. Update. Zie het bericht Juist in individualistische cultuur meer geneigdheid tot "eigen volk eerst" voor aanwijzingen dat mensen in een individualistische cultuur ook een triviale kans aangrijpen om een groepsgevoel te kunnen ervaren.

Kortom, wat we nu hebben is een kritiek op het kapitalisme, die stelt dat dit systeem er in tekortschiet om zaken als zelfrespect, moreel houvast en geborgenheid (identiteit) te verschaffen. Die kritiek lijkt sterk op sociaalwetenschappelijke inzichten in de traditie van Emile Durkheim (1858-1917), maar dat terzijde.

Wat zegt dit nu over gevaarlijke jonge mannen en terreurdaden? Om daar terecht te komen, zijn er nog wel wat vervolgstappen nodig. In de eerste plaats misschien de stap dat het vooral jongeren zijn die van deze problemen te lijden hebben. Want het is precies in hun levensfase dat de statuscompetitie en de sociale context de grote uitdagingen zijn. Aan het begin van een mogelijke loopbaan is de twijfel over succes of falen het grootst. En er is het verlies van de geborgenheid van het ouderlijk gezin en schoolvrienden, terwijl een nieuwe sociale context er nog niet hoeft te zijn.

Vervolgens de stap dat dat deze uitdagingen voor jonge mannen groter zijn dan voor vrouwen. Dat zou er mee te maken kunnen hebben dat mannen gemiddeld genomen meer geneigd zijn tot statuscompetitief gedrag en dat falen voor hen dus zwaarder weegt dan voor vrouwen. Daarvoor zijn aanwijzingen, maar die zou ik moeten opzoeken.

Oké, maar niet alle jonge mannen plegen terreurdaden. Waarom sommigen wel en anderen niet? Allereerst: er zijn natuurlijk veel jongeren die behoorlijk goed slagen in de statuscompetitie en in het vinden van voldoende geborgenheid in nieuwe sociale kringen. Zij bewandelen keurig het legitieme pad.

Voor anderen begint het duidelijk te worden dat die weg geen succes te bieden heeft. Dat kan er toe leiden dat illegitieme middelen gekozen gaan worden om een legitiem doel, materieel succes, te bereiken. Dat is de verklaring door de zogenaamde anomietheorie van de oververtegenwoordiging van jongeren in de misdaadstatistieken. (Die trouwens teruggaat naar diezelfde Durkheim.)

Maar er kunnen zich ook andere mogelijkheden aandienen, die minder uitsluitend op het materiële vlak liggen. De sociale context van een godsdienst of van nationalisme. Of van racisme. Of die van een zelfverzonnen "broederschap", zoals bij Anders Breivik het geval was.

En dan zijn we bij de laatste stappen aangeland. Want ergens moet die gewelddadigheid vandaan komen. En dan komen we waarschijnlijk terecht bij persoonlijkheidskenmerken als narcisme en sociale dominantie. Als je toch al meer narcistisch bent, dan moet het besef van falen in de statuscompetitie onverdraaglijk zijn. En de behoefte aan een sociale kring waarin anderen je bevestigen, wordt dan allesoverheersend.

Maar bovendien is een extreme reactie te verwachten op alles wat het bestaan van die kring bedreigt. Elke bedreiging is een bedreiging van het kwetsbare, maar tegelijk grandioze, zelfbeeld van de narcist. Die eigen, nieuw gevonden, kring van gelijkgezinden is bovendien de ideale voedingsbodem voor collectief narcisme en sociale dominantie. De eigen identiteit is zozeer met die kring verbonden, dat individueel lot en gezamenlijk lot niet meer zijn te onderscheiden. Wat de groep bedreigt, is een bedreiging van het grandioze zelfbeeld en dient dus te worden verwijderd of vernietigd. Zie ter aanvulling ook PVV-stemmers willen overheersen - Over Sociale Dominantie, collectief narcisme en rechts-extremisme en Zijn familiedrama's en schietpartijen een sociaal-wetenschappelijk probleem? Over maatschappij-verandering!

Deze schets van een mogelijke verklaring maakt, als hij wat waard is, in ieder geval duidelijk dat er verschillende verklarende "factoren" zijn die samen tot het eindresultaat leiden. Het is dus niet verstandig er één factor uit te lichten (godsdienst, islam, kapitalisme, ongelijkheid) en die tot de oorzaak uit te roepen.
Update. Zie nu ook het artikel Crisis in France Is Seen as Sign of Chronic Ills in de New York Times, dat ingaat op de grote problemen in de Franse voorsteden op het gebied van werk, opleiding en sociale uitsluiting.
Update. En zie (met dank aan Thomas Vanheste): Perspectives against extremism.