Posts tonen met het label sociologie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sociologie. Alle posts tonen

dinsdag 18 augustus 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 47 - Durkheim over "normale" en "pathologische" zelfmoordcijfers

Als er sociale en maatschappelijke omstandigheden zijn aan te wijzen die blijken samen te hangen met hoeveel mensen zelf een einde aan hun leven maken, moeten we dat dan niet opvatten als een aanwijzing dat we iets aan die omstandigheden dienen te veranderen? Als er maatschappelijke veranderingen zijn die leiden tot een toename van gevoelens van wanhoop, zinloosheid of uitzichtloosheid en daarmee tot een toename van het zelfmoordcijfer, moeten we dan niet willen ingrijpen in die veranderingen? En dus onder ogen willen zien dat de maatschappij mensenwerk is, waarin zaken ook niet goed kunnen gaan en dus vragen om verbetering.

Dat vraagt Durkheim zich in 1896 af in het laatste hoofdstuk van zijn Le Suicide. Hier het vorige bericht. 

Maar hij is natuurlijk ook de functionalistische systeemdenker en onderzoekt daarom eerst de mogelijkheid dat een bepaalde hoeveelheid zelfmoorden "normaal" is, dus onderdeel van de werking van de maatschappij als sociaal systeem. Ongeveer zoals een bepaalde hoeveelheid criminaliteit normaal zou zijn omdat de "functie" ervan is dat het mensen er aan herinnert wat de normen zijn en zo de normen versterkt. (Ik vond dat een kromme redenering.) En zoals de arbeidsverdeling normaal kan zijn, maar ook de abnormale vormen kan aannemen die gepaard gaan met anomie. 

Hij moet dan iets bedenken om aannemelijk te maken dat zelfmoorden een functie zouden kunnen hebben. Dat gaat ongeveer als volgt. De gevoelens van wanhoop, zinloosheid en uitzichtloosheid zijn in de maatschappij natuurlijk breder aanwezig dan alleen bij het kleine aantal mensen dat overgaat tot zelfmoord. Als die gevoelens toenemen, dan zal ook het aantal gevallen toenemen waarin die gevoelens zo extreem zijn dat ze tot zelfmoord leiden. Het gaat er dus om of het bestaan van zulke gevoelens normaal kan zijn, dus een functie kan hebben in de werking van het sociale systeem.

Ja, Durkheim vindt dat dat kan. Want, eenvoudig gezegd, ook de negatieve gevoelens horen bij het leven (p.365-6):

...it is wrong to believe that unmixed joy is the normal state of sensibility. Man could not live if he were entirely impervious to sadness. Many sorrows can be endured only by being embraced, and the pleasure taken in them naturally has a somewhat melacholy character. So, melancholy is morbid only when it occupies too much place in life; but it is equally morbid to be wholly excluded from life.The taste for happy expansiveness must be moderated by the opposite taste; only on this condition will it retain measure and harmonize with reality. Is is the same with societies as with individuals.(...) This is why there has to be, beside the current op optimism which impels men to regard the world confidently, an opposite current, less intense, of course, and less general than the first, but able to restrain it partially; for a tendency does not limit itself, it can never be restrained except by another tendency.

Het zou niet goed zijn als er alleen maar vreugde en optimisme was in het leven. De neiging to melancholie is morbide als die de overhand krijgt, maar de volledige afwezigheid ervan eveneens.

Is dit ook niet een kromme redenering? Jazeker. Zoals elk organisme is de mens erop ingesteld om dat te doen wat bijdraagt tot overleving en reproductie. Dus om adequaat te reageren op bedreigingen daarvan. Dan moeten die bedreigingen de negatieve gevoelens genereren die aanzetten tot die adequate reacties. Het vermogen tot het ervaren van negatieve gevoelens, en trouwens ook van positieve gevoelens, heeft zich evolutionair ontwikkeld en is dus in die zin een normaal onderdeel van het leven. 

Maar Durkheims redenering ontbeert die biologische en natuurlijk ook voor de hand liggende achtergrond. In zijn systeemdenken moeten die negatieve gevoelens een functie hebben, want anders zouden ze niet bestaan. Daarom moet hij postuleren dat mensen niet zouden kunnen leven als ze alleen maar geluk zouden kennen. Dus hebben negatieve gevoelens de functie om tegenwicht te bieden. Een kromme redenering.

Maar goed, als een zekere hoeveelheid zelfmoorden normaal zou kunnen zijn, dan zou in dat geval de sociologie niet naar een verklaring hoeven te zoeken. Want die is er al: het is de hoeveelheid die onderdeel is van de werking van het sociale systeem. Een fraai voorbeeld van een functionele verklaring en dus van top-down sociologie. Ik zocht nog even op "functional explanation" en kwam terecht bij Assessing functional explanation in the social sciences uit 1990 van Harold Kincaid, die de gebrekkigheid en ervan bespreekt, maar er ook op wijst hoe wijdverbreid die manier van denken gedurende de twintigste eeuw was. Ik weet dat niet, maar het zou kunnen zijn dat ook de sociologie van daarna er niet vrij van is.

Uiteindelijk, na vijf pagina's, komt Durkheim tot de conclusie dat de sterke toenames van zelfmoordcijfers die hij onder ogen ziet niet als "normaal" kunnen worden beschouwd. Ze zijn duidelijk niet een "normaal onderdeel" van de toename van "beschaving", maar een uiting van anomie, van een "pathologische toestand" (p.368-9):

Thus, we may believe  that this aggravation springs not form the intrinsic nature of progress but from the special conditions under which it occurs in our day, and nothing assures us that these conditions are normal. (...) It is then very possible and even probable that the rising tide of suicide originates in a pathological state just now accompanying the march of civilization without being its necessary condition. (...) Thus, what the rising flood of voluntary deaths denotes is not the increasing brilliancy of our civilization but a state of crisis and perturbation not to be prolonged with impunity.

Het is een problematische ontwikkeling, waar we iets aan moeten doen. In het mensenwerk gaat iets niet goed, er is "afwijkend gedrag" en dus is er voor de socioloog werk te doen.

Maar wat? Daarover gaat het volgende bericht. 

dinsdag 2 juni 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -38 - Mankementen gepresenteerd als verworvenheden

Het vak sociologie dat in de loop van de vorige eeuw academische erkenning kreeg, door leerstoelen en studierichtingen, was onder een verkeerd gesternte geboren. Want het leed aan het mankement van een curieuze wetenschappelijkheidsopvatting, aan het mankement van de fictie van het eigen domein en uit die twee voortvloeiend aan het mankement van de waardevrijheid. 

Dat had niet gehoeven. Want er had zich binnen de universiteiten ook een sociale wetenschap kunnen ontwikkelen zonder die mankementen, voortbouwend op denkers als Thomas Hobbes, die de meer voor de hand liggende weg volgden om de maatschappij als mensenwerk te onderzoeken en om te proberen dat mensenwerk te verbeteren.  Dat inzicht begon in de tweede helft van de vorige eeuw ook tot sommige sociologen door te dringen. Zoals tot George C. Homans, die het voordeel had dat hij niet als socioloog was opgeleid en die er in 1964 voor pleitte om de mens in de sociologie terug te brengen. En zoals tot James S. Coleman, die op zijn beurt het voordeel had dat hij voor hij aan de sociologie-opleiding begon, al een studie technische scheikunde achter de rug had.

Maar buiten het vak sociologie waren de eigenaardigheden ervan al eerder opgevallen.  Ik noemde in het vorige bericht de econoom F.A. Hayek, die in 1952 een aantal artikelen die al in de jaren veertig waren verschenen, bijeenbracht in The Counter-Revolution of Science. Studies on the Abuse of Reason. Daarin betoogde hij dat het ontstaan van dat vak sociologie een geval is van de scientistische fout, namelijk van het slaafs toepassen van de methoden van de natuurwetenschappen op de studie van het sociale domein, van de menselijke samenleving. 

Omdat we in de natuurwetenschappen het alledaagse en bekende verklaren uit het onbekende en niet direct waarneembare, zouden we dat in de studie van de maatschappij net zo moeten doen. We moeten onze alledaagse inzichten opzij zetten en de maatschappelijke verschijnselen benaderen als nog onbekend terrein. We zullen dan regelmatigheden tegenkomen ("sociale feiten"), die we door steeds meer onderzoek hopen te kunnen verklaren uit algemenere regelmatigheden (andere "sociale feiten"). Denk aan die curieuze wetenschappelijkheidsopvatting die we bij Durkheim tegenkwamen:

... als we sociologen opleiden dan moeten we hen het besef aanleren dat ze hun studieobject op dezelfde manier moeten benaderen als de natuurkundestudenten dat doen met het terrein van de kwantummechanica. Laat alles varen wat je alledaagse ervaringen je hebben geleerd over hoe mensen samenleven. Vergeet het. Er zijn voor jou als socioloog vanaf nu alleen maar de inzichten, de "sociale feiten", die door sociologisch onderzoek tot stand zijn gekomen. Je gaat een nieuw rijk binnen, net zo nieuw als het rijk van de kwantummechanica. 

Hayek bespreekt in het tweede deel van zijn boek uitvoerig de bronnen van die scientistische fout, in het werk van Saint-Simon en Comte, waar hij ook ingaat op de verrassende overeenkomsten met het werk van Hegel. En eerder al komen we die fictie van het eigen domein tegen als The Collectivism of the Scientistic Approach (hoofdstuk 6) en The Historicism of the Scientistic Approach (hoofdstuk 7). 

In dat hoofdstuk 6 treffen we fraaie karakteriseringen van wat ik de variabelensociologie noemde. In het streven om net zo "objectief" te willen zijn als de natuurwetenschappen, behandelt de variabelensocioloog sociale verschijnselen (p.94-104):

not as something of which the human mind is a part and the principles of whose organization we can reconstruct from the familiar parts, but as if they were objects directly perceived by us as wholes. (...)

... there is the rather vague idea that since "social phenomena" are to be the object of study, the obvious procedure is to start from the direct observation of these "social phenomena," where the existence in popular usage of such terms as society or economy is naively taken as evidence that there must be definite "objects" corresponding to them. (...)

The endeavor to grasp social phenomena as wholes finds its most characteristic expression in the desire to gain a distant and comprehensive view in the hope that thus regularities will reveal themselves which remain obscure at closer range. Whether it is the conception of an observer from a distant planet, (...) , or whether it is the survey of long stretches of time through which it is hoped that constant configurations or regularities will reveal themselves, it is always the same endeavor to get away from our inside knowledge of human affairs and to gain a view of the kind which, it is supposed, would be commanded by somebody who was not himself a man but stood to men in the same relation as that in which we stand to the external world.

En in hoofdstuk 7 gaat het in feite over wat ik de richting van de (marxistische) macrosociologie noemde. Zie De richting van de macrosociologie en de fout van de misplaatste concreetheid en Van Marx' visie op de menselijke sociale natuur naar zijn macrosociologie. 

En in de hoofdstukken 3 (The Subjective Character of the Data of the Social Sciences) en 4 (The Individualist and "Compositive" Method of the Social Sciences) maken we kennis met hoe een sociale wetenschap wel te werk zou moeten gaan. Door de maatschappij als mensenwerk te beschouwen en te bestuderen. Waardoor ook de opdracht in zicht kan komen om dat mensenwerk niet alleen te bestuderen, maar ook om daarmee inzichten te verwerven waarmee het kan worden verbeterd. 

Het treft mij als opvallend dat in de tijd dat het vak sociologie zo veelbelovend leek, en in de tijd dat ik dat vak ging studeren, er van buiten dat vak al zo'n fundamentele kritiek op was gegeven. Ik ben er vrij zeker van dat ik tijdens mijn studie, van 1965 tot 1971, noch in de colleges noch in de tentamenliteratuur de naam van Hayek ben tegengekomen. Het vak werd gepresenteerd als een gevestigd en succesvol vak. 

Natuurlijk kwamen die drie mankementen aan de orde, alleen:niet als problemen, maar integendeel als verworvenheden. Pas nadat ik aan de universiteit was aangesteld, begon die kritiek tot me door te dringen en ging ik Hayek lezen. Zodat ik het in 1981 in mijn proefschrift over de compositieve methode kon hebben. Hier het vervolg.

 

donderdag 12 februari 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -31 - Homans' contouren in 1951

Toen ik aan deze reeks berichten begon, verwachtte ik dat ik in het voorbijgaan ook even aandacht zou moeten besteden aan het werk van George C. Homans (1910 - 1989). Maar dat begon met bericht 25 en ik merk dat ik er nog niet mee klaar ben. Als ik er nu op terugkijk en me erin verdiep, komt het me als belangrijker voor dan ik destijds dacht. Het is niet alleen zo dat hij de mens terugbracht in de sociologie, maar ook dringt het nu pas tot me door dat je bij hem al de ingrediënten van de sociologie als een verbetervak kunt aanwijzen. Je kunt dat wel een late ontdekking noemen. (Hier het vorige bericht.)

Hoe kan dat, vroeg ik me af. Hoe komt het dat ik dat vroeger, tijdens mijn studie en de eerste jaren van mijn aanstelling aan de universiteit, niet gezien heb? 

Dat kan er aan hebben gelegen dat ik al snel concludeerde dat Homans' poging, in zijn Social Behavior uit 1971, om de mens terug te brengen, maar dan in de vorm van de Skinneriaanse operante conditionering, niet de goede weg was. Dat de menselijke interactie alleen maar zou bestaan uit de uitwisseling van beloningen, zoals ook in de ruiltheorie waarvan Homans als grondlegger wordt beschouwd, leek me onwaarschijnlijk. 

Ik moet wel bekennen dat ik daar toen, erop terugkijkend, niet diep over nadacht. Want wat later behoorde ik wel tot degenen die de rationele keuzetheorie omarmden. Die kwam uit het vak economie en daarin ging het niet over beloningen en bestraffingen, maar over nut. Maar net zo als in de Skinneriaanse gedragstheorie wat belonend en wat bestraffend was, buiten de theorie werd gehouden, gebeurde dat in de rationele keuzetheorie met wat wel of niet nut opleverde. In beide gevallen ging het om een wel heel "kale" theorie over de menselijke natuur. (Later natuurlijk meer over mijn jaren met de rationele keuzetheorie.)

Hoe dan ook, ik nam te snel afscheid van Homans en kwam, zoals gezegd, wat zijn The Human Group uit 1951 betreft, niet heel veel verder dan dat ik het een aantal keren had opengeslagen. Achteraf gezien was dat onverstandig.

Want wat was Homans daar eigenlijk aan het doen? In plaats van eerst een denksprong te maken naar een theorie over menselijk groepsleven, zoals de theorie dat dat leven altijd het karakter heeft van een sociaal systeem, ging hij na welke lessen er zijn te trekken als je dat groepsleven gewoon observeert. Dat wil zeggen, hij bestudeerde de observaties die eerder door anderen in vijf studies naar kleine groepen waren verricht. Studies waarin niet een vooropgezette theorie de waarnemingen had gestuurd. Waarin de onderzoekers alleen gewapend met hun eigen alledaagse inzichten in het menselijke sociale gedrag waren gaan kijken wat er zich afspeelde en daar verslag van hadden gedaan. 

Net zo als, bedenk ik nu, Frans de Waal het groepsleven van een andere primaat, de chimpansees, observeerde en zich daarbij uitdrukkelijk niet liet leiden door het Skinneriaanse gebod dat je de chimpansee als een black box diende te beschouwen.. Ik citeer uit Frans de Waal overleden - Zijn eerste boek, Chimpanseepolitie, uit 1982, was baanbrekend:

Frans de Waal begon zijn wetenschappelijke carrière aan de Universiteit Utrecht met zijn beroemd geworden onderzoek naar de chimpanseegroep van Burgers Dierenpark in Arnhem. Hij schreef daarover dat prachtige boek Chimpanseepolitiek. Macht en seks bij mensapen, dat in 1982 verscheen. 

Dat was een baanbrekend onderzoek, omdat hij, tegen de wetenschappelijke consensus van die tijd in, chimpansees nauwgezet en langdurig observeerde en hun gedrag interpreteerde als dat van een soort die heel dicht bij de mens staat. Het was een tijd waarin het behaviorisme nog invloedrijk was en waarin het niet werd gewaardeerd als je gedrag beschreef in termen van motieven en doelen. Want dat was niet objectief.

Er is dus enige overeenkomst tussen hoe Frans de Waal rond 1980 keek naar het groepsgedrag van chimpansees en hoe Homans in 1951 keek, weliswaar indirect, naar het groepsgedrag van mensen. Zonder een andere vooringenomenheid dan de eigen alledaagse inzichten. Homans had niet de last van het gesocialiseerd zijn in een sociologie-opleiding en ging dus vrijuit zijn gang. Frans de Waal was beïnvloed door de ethologen, die hij karakteriseerde als "geduldige waarnemers" (p.28).

Laat ik nog even nagaan wat dat opleverde. Zoals gezegd, het ging om twee studies naar groepen van werknemers van een onderneming, een groep van straatjongeren, een groep mensen die op het eiland Tikopia leefden van tuinbouw en visvangst en een groep inwoners van een dorp in New England, dat Hilltown wordt genoemd. Volledigheidshalve: er werd niet alleen geobserveerd, er werden ook interviews afgenomen.

In die twee groepen van werknemers, de Bank Wiring Observation Room en de Electrical Equipment Company, ging het om het gedrag van mensen die deel uitmaken van een bestaande, formeel vastgelegde, hiërarchie. Mensen bekleedden een positie in een hiërarchie van bevoegdheden en verschillen in beloning en autonomie. Homans nam waar dat mensen gemakkelijk vriendschappen ontwikkelen als ze langer met elkaar omgaan (denk aan de contacthypothese), maar dat dat niet gebeurt bij verschillen in status. Sterker, dan ontstaan fricties en tegenstellingen. En hij nam waar dat mensen superioriteitsgevoelens ontleenden aan hun hogere status en dat degenen met lagere status met ondermijnende acties daartegen verzet aantekenden. Waardoor een vicious spiral van attack and counterattack in gang werd gezet (p.140-144). Ook creëerde de hiërarchie gevestigde privileges die bij een dreigende sociale daling met acties werden verdedigd (p. 407-414). 

Anders gezegd, een formeel vastgelegde statushiërarchie activeert het statuscompetitiepatroon van het ieder-voor-zich. Maar mensen ervaren dat als in strijd met het gemeenschapspatroon van het iedereen-telt-mee, waarmee ze natuurlijk ook bekend zijn. Homans (p. 127):

...the feeling that no man should act as if he had authority over someone else is an article in the democratic creed - and note that the creed is realized to some degree in American society and would not survive unless it were.

Een aan de tekentafel ontwikkelde hiërarchie kan dus in theorie economisch efficiënt zijn, maar loopt in de praktijk aan tegen wat mensen kunnen willen, de menselijke sociale natuur. Dat is het inzicht dat leidt tot de bekende pleidooien voor minder hiërarchie in organisaties en voor de coöperatie als organisatievorm. Pleidooien dus voor een betere maatschappij.

In Homans' analyse van de Norton Street Gang, gaat het om een groep van dertien straatjongeren die werd bestudeerd door William Foot White, die daar in 1943 in Street Corner Society verslag van deed. Dat boek kreeg aanvankelijk weinig aandacht, maar werd na een herdruk in 1955 een bestseller, waar iedere eerstejaarsstudent sociologie op zijn minst van had gehoord. We zien enerzijds dat er in die groep een statushiërarchie is ontstaan, met een van hen, Doc, als leider aan de top. Doc stond in het middelpunt van de aandacht, zowel van communicaties naar boven als naar beneden. Hij was de leider omdat hij het best in staat was te voldoen aan de in de groep heersende normen (p.178-179):

The Nortons, like all groups, evaluated a man's behavior by certain norms. He was expected to be strong en skillful at games and athletic sports, partcularly those in which the group was interested; he should be openhanded and ready to meet his obligations; he should be able to "dish it out and take it"; he should be no sucker, and so on. (...) The more closely a man in his activities conformed to these standards, the more popular he was and the higher his social rank.

Maar anderzijds zien we dat die statushiërarchie in toom wordt gehouden. Doc waakt er voor om al te bazig over te komen, omdat hij weet dat de anderen dat niet zullen accepteren. Doordat ze al lang met elkaar optrekken, zorgt de onderlinge vertrouwdheid er voor dat het gemeenschapspatroon ook gemakkelijk geactiveerd wordt. Een statushiërarchie kan van bovenaf opgelegd zijn, zoals in een bedrijf, of spontaan ontstaan, maar in beide gevallen zien we dat de leden van de groep er verzet tegen aan tekenen en daarnaar handelen. 

In de hoofdstukken over Tikopia, de naam van het eiland in Polynesië en van de ongeveer 1200 mensen die er wonen, baseert Homans zich op de beroemd geworden studie van Raymond Firth uit 1936, We, The Tikopia. A sociological study of kinship in primitive Polynesia. De Tikopia leefden verspreid over dorpen en in huishoudens van meerdere generaties. Hier gaat de analyse natuurlijk vooral over verwantschapsrelaties, die zich uitstrekken tot ver buiten het kerngezin van twee ouders en hun kinderen, ja, tot vrijwel het gehele eiland. 

De kern daarvan ligt erin dat de kinderen die het huishouden verlaten, niet zich niet alleen in de buurt vestigen, maar ook relaties van samenwerken en delen in stand houden. Met elkaar en met de ouders. Daardoor worden de relaties van "vrijheid en vriendelijkheid" die binnen het huishouden bestaan opgetild naar de relaties tussen huishoudens. Door de combinatie van de onderlinge vertrouwdheid die in stand blijft en de mogelijkheden en noodzaak van onderlinge hulpverlening, het samenwerken en delen, wordt dus heel gemakkelijk het gemeenschapspatroon geactiveerd. Homans gaat in op het grote verschil met het westerse, sociaal geïsoleerde kerngezin en op de sociale problemen die daarmee samenhangen, dus van eenzaamheid en sociale vluchtigheid (p.276-280).

Gegeven de dominantie van het gemeenschapspatroon, is er niettemin een statushiërarchie aanwezig. Het gaat om een patriarchale samenleving, waarin mannen meer te zeggen hebben dan vrouwen. Maar als een vrouw zich slecht behandeld voelt, kan ze terug naar haar familie. Er zijn vier clanhoofden, de chiefs, die organisatorische en religieuze functies vervullen. Maar hun machtsuitoefening wordt sterk ingeperkt door de algemene verwachting dat ze zich verantwoordelijk gedrag en zich niet verrijken. 

Dan is er tenslotte de groep van inwoners van het dorp Hilltown, waar een aanvankelijke gemeenschapstoestand door economische ontwikkelingen, zoals schaalvergroting en functiescheiding, overging in een toestand van sociale onzekerheid en vluchtigheid, met toename van eenzaamheid en activering van het statuscompetitiepatroon. Daar had ik het al over in het vorige bericht.  

Samengevat, Homans gaf in 1951 al een fraai overzicht van de verschillende manieren waarop groepen mensen kunnen omgaan met de innerlijke tegenstrijdigheid van de twee sociale gedragspatronen waarmee ze zijn toegerust. Onder verschillende omstandigheden leidt dat tot verschillende uitkomsten. Met als overkoepelend inzicht dat steeds geprobeerd wordt om het statuscompetitiepatroon zoveel mogelijk in toom te houden. Soms lukt dat beter en soms gaat het de verkeerde kant op. 

Daarmee schilderde hij wat mij betreft al de contouren van dat sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving waar het in deze reeks berichten over gaat. Hier het vervolg.

vrijdag 6 februari 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -30 - Homans en de sociologie als een verbetervak

Je kunt uit Homans' The Human Group niet anders concluderen dan dat hij de contouren schilderde van de sociologie als een verbetervak. De toestand van een maatschappij kan als beter worden gekarakteriseerd hoe meer die maatschappij erin is geslaagd kenmerken van de kleine groep terug te laten keren in hoe die maatschappij reilt en zeilt.

At the level of the small group, society has always been able to cohere. We infer, therefore, that if civilization is to stand, it must maintain, in the relation between the groups that make up society and the central direction of society, some of the features of the small group itself.

Hier het vorige bericht. En dat betekent dat we voor de maatschappij als geheel ervoor dienen te zorgen dat we eenzaamheid ("psychosocial isolation") voorkomen, dat we zorgen voor de voorwaarden waaronder nieuwe generaties kunnen socialiseren ("circulation"), dat we er voor zorgen dat mensen goed geïnformeerd zijn ("communication") en dat we statuscompetitie tegengaan ('conflict", "control"). Kortom, het is zaak voor de maatschappij als geheel (en zelfs voor de wereldbevolking) zoveel mogelijk tot stand te brengen van wat we in de kleine groep tot stand te brengen.

Dat klinkt nogal als een opgave en dat is het natuurlijk ook. Maar een opgave die we onder ogen moeten zien. En als we dat doen, komen we tot de conclusie dat we op het niveau van de maatschappij de democratie nodig hebben. En op het niveau van de wereldbevolking samenwerking tussen staten en verdragen over mensenrechten. Want zo proberen we zo goed mogelijk te bereiken dat het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon van de kleine groep wordt opgetild naar dat hogere niveau van maatschappij en wereldbevolking. Met als na te streven uitkomst dat we met ieders belangen in gelijke mate rekening houden. 

Geheel in overeenstemming met de gedachte dat de gemeenschapstoestand van het iedereen-telt-mee superieur is aan de statuscompetitietoestand van het ieder-voor-zich. Wat erop wijst dat als we die opgave denken niet aan te kunnen, het alternatief eruit bestaat dat we ons neerleggen bij het ieder-voor-zich, dat onvermijdelijk uitmondt in het "recht" van de sterkste, dus in dictatuur, onderdrukking en zelfs genocide. Grote woorden, maar helaas met een wel heel actuele strekking.

Terug naar Homans en The Human Group. Homans analyseert daar vijf studies naar kleine groepen, die toen bekend waren en ook later door sociologen nog vaak zijn aangehaald. Het gaat om twee studies naar groepen van werknemers van een onderneming, een groep van straatjongeren, een groep mensen die op het eiland Tikopia leven van tuinbouw en visvangst en een groep inwoners van een dorp in New England, dat Hilltown wordt genoemd. 

In het hoofdstuk over Hilltown gaat het over de ongeveer duizend inwoners, die in het verleden in staat waren om een rijk sociaal leven te onderhouden, dat echter na verloop van tijd uiteen is gevallen. De studie beschrijft een proces van sociale desintegratie. Het dorp had in het verleden, na zijn ontstaan aan het eind van de achttiende eeuw, nog allerlei functies die later door de staat of zelfs de federale overheid werden overgenomen. In dorpsvergaderingen (town meetings) werd overlegd over de bouw en onderhoud van scholen en wegen en van de (Calvinistische) kerk en de aanstelling van de predikant, en over de ondersteuning van de armen en behoeftigen. En er werd belasting geheven en er werd recht gesproken. Dat zorgde er voor dat er veel gelegenheden waren om elkaar goed te leren kennen en om samen te werken en te delen. Dat laatste gebeurde ook in de vorm van hulpverlening tussen buren bij het ploegen, oogsten of bouwen van een nieuwe schuur.

Kortom, er waren de voorwaarden voor de gemakkelijke activering van het gemeenschapspatroon: onderlinge afhankelijkheid en vertrouwdheid. En op de basis daarvan ontstonden er de georganiseerde, gezamenlijke activiteiten die voor het materiële bestaan nodig waren en op de basis daarvan een rijk sociaal en verenigingsleven. Er was weliswaar enige sociale ongelijkheid, maar van de paar leden van de  upper class werd met succes een ook wat grotere inzet voor het geheel verwacht.

Maar toen begon het proces van de economische en bestuurlijke schaalvergroting en van de functiescheiding (wonen en werken) en dus ook van de dagelijkse uitzwerming (Putnams sprawl). Hilltown werd een forensendorp, net zo als mijn geboortedorp Akkrum dat werd. En net zo als het proces dat zich in het Drentse Anderen afspeelde en dat ik aanroerde in Geld en 'de rest'. Met onvermijdelijk een sterk verlies aan die onderlinge afhankelijkheid en vertrouwdheid en dus van die gemakkelijke activering van het gemeenschapspatroon.

In al die gevallen zien we een beweging van een sociaal superieure gemeenschapstoestand, waarin iedereen als vanzelfsprekend meetelt, naar een toestand van sociale onzekerheid. Onzekerheid over het gedrag dat je van anderen kunt verwachten en het gedrag dat anderen van jou verwachten. Zal het iedereen-telt-mee van het gemeenschapsgedrag gelden? Of moet je uitgaan van het ieder-voor-zich van het statuscompetitiegedrag? Een onzekere toestand, met grotere kansen op sociale vluchtigheid en dus op sociaal isolement en eenzaamheid.  En op statuscompetitieve ontmoetingen, waarin je je sterker en competenter voor moet doen dan je werkelijk bent. Of waarin je jouw hogere status moet laten gelden of waarin je je juist wat bescheiden en zelfs nederig behoort op te stellen. 

Kortom, ontmoetingen waarin je veel minder jezelf kunt zijn dan in die gemeenschapstoestand waarin je erop kunt rekenen dat je geaccepteerd wordt om wie je bent. Een beweging dus weg van de sociaal superieure in de richting van een sociaal inferieure toestand. Homans noemt dat een proces van sociale desintegratie. 

Dat is weinig opgemerkt, maar met die analyse over Hilltown liep hij vooruit op later sociologische studies. Ik denk in het bijzonder aan die eenvoudige, maar eigenlijk diepgravende studies van Michael Young en Peter Willmott: Family and Kinship in East London van 1975 en Family and Class in a London Suburb van 1960. De onderzoekers interviewden Londenaars die van de sterk sociaal geïntegreerde arbeidersbuurt Bethnal Green verhuisd waren naar een nieuwe voorstad. Ik heb er veel aan overgehouden, maar in ieder geval ook de mooie omschrijving die een van de geïnterviewden gaf van de overgang van een toestand "waarin je vrienden hebt" naar een toestand "waarin je vrienden moet zien te maken". Dus van een gemeenschapstoestand naar een toestand van sociale onzekerheid en vluchtigheid.

Maar daar moeten we natuurlijk meteen bij bedenken dat daar door sociologen ook heel anders over werd gedacht. Ik denk aan dat betoog van de nog jonge Jacques van Doorn, die in 1955 sterk beïnvloed was door het structureel-functionalistische denken dat het sociale systeem er altijd wel voor zal zorgen dat alles weer goed komt: Wijk en stad: reële integratiekaders? De "wijkgedachte" dat voor mensen lokale, vertrouwde sociale contacten belangrijk zijn, was achterhaald en romantisch. In plaats van de "territoriale integratie" komt er de "functionele integratie", de "geobjectiveerde" contacten op het werk. En omdat er geen noemenswaardige menselijke sociale natuur bestaat, is dat geen enkel probleem. De maatschappij verandert en de mensen passen zich probleemloos aan.

Dat laatste was zoals gezegd het heersende sociologische denken in de tijd dat ik studeerde. En dat in de weg stond van een ontwikkeling van het vak naar een verbetervak. Eigenlijk had Homans aan het begin van die ontwikkeling kunnen staan. Hier het vervolg.

vrijdag 30 januari 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -29 - De ingrediënten voor een verbetervak sociologie waren er al in 1951.

Twintig jaar eerder dan zijn Social Behavior, in 1951, schreef Homans zijn The Human Group. Met het voordeel van het niet gesocialiseerd zijn in een sociologie-opleiding, keek hij met open interesse naar het studieobject van het vak: mensen in groepen en in de maatschappij. Hij nam uitdrukkelijk afstand van het structureel-functionalistische systeemdenken (pp. 268 - 272) en van de Durkheimiaanse opvatting van de eigenstandigheid van het vak, waarin alleen "sociale feiten" mogen bestaan (pp. 317 - 319). Hier het vorige bericht.

Dat zal veel sociologen van toen tegen de haren hebben ingestreken, maar de intellectuele kwaliteit van dat boek viel niet te negeren. Twee jaar later volgde zijn aanstelling in Harvard als sociologiehoogleraar. En nog later, in 1964, sprak hij als voorzitter van de American Sociological Association de verzamelde Amerikaanse sociologen toe met de boodschap dat de mens terug moest in de sociologische theorie.

Ik herinner me van destijds dat in het kringetje waar ik verkeerde de mening rond ging dat The Human Group eigenlijk Homans' beste boek was, beter dan Social Behavior. En ik moet het toen wel hebben open geslagen, maar niet heel veel meer dan dat. Daarom heb ik me er nu opnieuw in verdiept. Met als conclusie dat het een nog altijd actueel boek is, waarin de ingrediënten voor een sociologie als een verbetervak aanwezig zijn. Dat probeer ik uit te leggen.

Homans sluit het boek af met de volgende zinnen (p. 468):

At the level of the small group, society has always been able to cohere. We infer, therefore, that if civilization is to stand, it must maintain, in the relation between the groups that make up society and the central direction of society, some of the features of the small group itself. If we do not solve this problem, the effort to achieve our most high-minded purposes may lead us not to Utopia but to Byzantium. The problem will not be easily solved, but one step we can take in the beginning is to learn the characteristics of the human group.

Wat staat hier? Allereerst, het gaat over de kleine groep enerzijds en de maatschappij anderzijds. Met civilization bedoelt Homans de maatschappijen die zich ontwikkelden na de Agrarische Revolutie, van de zeer ongelijke landbouwsamenlevingen in de vorm van keizerrijken tot de dictaturen en de democratieën van nu. En waaraan de jagers-verzamelaarssamenlevungen voorafgingen, waarin uitsluitend die kleine groepen bestonden. De kleine groepen, van uitsluitend persoonlijke relaties, die zich wisten te handhaven dankzij hun samenhang. 

De samenhang bestond eruit dat de leden van de groep met elkaar vertrouwd waren en bleven, doordat ze onderling samenwerkten en de opbrengsten daarvan deelden. (Ik parafraseer in het boek verspreide passages.) Ze waren op elkaar aangewezen. Daardoor waren de relaties grotendeels egalitair. Waardoor de groep tegemoet kwam aan de behoefte aan gezelschap en vriendschap. Het functioneren in zo'n groep moest geleerd worden, maar opgroeiende kinderen leerden dat als vanzelf. 

Kortom, in mijn woorden (van nu, niet van destijds): de kleine groep sluit precies aan op wat mensen kunnen en willen. Ze willen sociale veiligheid en die verschaffen ze elkaar doordat het gemeenschapspatroon van het iedereen-telt-mee geactiveerd is. Ze zijn in staat tot het gedrag dat ze van elkaar nodig hebben en op prijs stellen. Een en ander houdt in dat ze het statuscompetitiegedrag van het ieder-voor-zich, waartoe ze ook in staat zijn, bij zichzelf en bij elkaar, door afkeuring, onderdrukken. 

In Homans woorden (pp. 456 - 464): de kleine groep gaat "psychosociaal isolement" tegen, zorgt voor socialiseren van nieuwe generaties ("circulatie"), voor gemakkelijke onderlinge toegankelijkheid ("' communicatie") en voor het onderdrukken van de statuscompetitie ("conflict" en "controle"). Met als conclusie:

Let us repeat: all of these problems - psychosocial isolation, conflict, circulation, communication, and control - are handled more or less well at the level of the group. (...) What is true of the group must also be true of the civilization if the latter is to maintain itself. Civilization fails when it cannot solve these problems on its own vast scale (...).

Waarna een passage volgt over de democratie, als een geheel van uitvindingen om die oplossingen van de kleine groep op te tillen naar het niveau van de maatschappij. De democratie als hedendaagse vormgeving van de "waarden van de kleine groep", van het iedereen-telt-mee. 

Daarmee hebben we de ingrediënten van een sociologie als verbetervak op tafel liggen. Er valt een sociaal superieure toestand ("Utopia") aan te wijzen, die we dichterbij bij kunnen brengen door het iedereen-telt-mee van de kleine groep vorm te geven op het niveau van de maatschappij. Hoe beter dat lukt, hoe meer we een sociaal inferieure toestand ("Byzantium") weten te voorkomen. 

Ingrediënten die er dus in 1951 al waren. In dat boek The Human Group. Maar die heel lang, tot op de dag van vandaag, geen vervolg kregen. Hier het vervolg.

vrijdag 23 januari 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -28 - Een feitelijk inzicht was er. Maar de normatieve conclusie werd niet getrokken

 In het vorige bericht vroeg ik me af:

Maar hoe zit het dan met de vraag of die maatschappij, als mensenwerk, wel genoeg tegemoetkomt aan wat mensen willen en kunnen? De vraag dus of dat mensenwerk niet alleen dient te worden bestudeerd, maar ook kan worden beoordeeld naar maatstaven van "mens en menselijkheid"? Moest de sociologie dan niet ook een sociale wetenschap worden die sociaal inferieure toestanden kan identificeren en verbetervoorstellen kan doen? Was dat niet urgent, na het Hitler-bewind en de Holocaust? 

Nee, dat vond Homans niet urgent. Sterker, hij bracht de mens terug, weliswaar in een zeer afgeknotte vorm, maar kwam helemaal niet op het idee dat de sociologie ook een verbetervak kon zijn. Dat een groep of maatschappij meer of minder tegemoet kan komen aan wat mensen willen en kunnen en dat het vak sociologie daarin een taak op zich zou kunnen nemen, dat kwam niet bij hem op. 

Daar op terugkijkend, vind ik dat verrassend, zo niet verbijsterend, maar het was toen, en is nog steeds de gangbare manier waarop sociologen naar hun vak kijken. En waarop ikzelf destijds naar dat vak keek. Natuurlijk waren er toen en zijn er nu sociologen die er als persoon naar streven om met hun onderzoek aan een betere maatschappij bij te dragen, maar die niet de stap zetten naar het inzicht dat wat hen daartoe drijft, een wezenlijk bestanddeel is van het mens zijn dat tot het onderzoeksobject van hun vak behoort. 

Nu komt een herinnering naar boven aan gesprekken met collega's over wat we de "ethische impuls" noemden van sommige studenten. Dat ze die hadden, vonden we oké, maar alleen omdat het motiveerde. En we waren het erover eens dat je hen er wel op moest wijzen dat die impuls een particuliere zaak was en buiten de inhoud van het vak moest blijven. Want dat moest "waardevrij" zijn. Wat ik toen niet doorhad, is dat we de waardevrijheid van het doen van onderzoek verwarden met de waardevrijheid van het vak.

Maar goed, bij Homans zijn, zoals gezegd, passages te vinden die hem op andere gedachten hadden kunnen brengen. Ik denk o.a. aan wat hij schrijft over de voorkeur van mensen om om te gaan met anderen van gelijke status (pp. 323-327 in Social Behaviour). Homans heeft het daar over de resultaten van een sociometrisch onderzoek op een meisjesschool. Een veel gegeven reden om een klasgenote uit te kiezen om vrije tijd mee door te brengen was "Ik kan bij haar mezelf zijn." Het jezelf kunnen zijn, het je niet anders voor te hoeven doen dan je werkelijk bent, is kennelijk welzijnsverhogend. 

Verdere analyse levert dan op dat het jezelf kunnen zijn alleen geldt voor omgang met anderen van dezelfde status. (Status was in dit onderzoek het aantal klasgenoten door wie jij uitgekozen wordt.) De meisjes prefereerden omgang met anderen van dezelfde status boven omgang met anderen van hogere of van lagere status. Als je met een ander van lagere status omgaat, dan kan dat ertoe leiden dat je je eigen status naar beneden haalt. Om dat te voorkomen, moet je je enigszins superieur gedragen en dan ben je dus niet jezelf. En als je met iemand van hogere status omgaat, dan moet je je laten welgevallen dat de ander op je neerkijkt en moet je daarmee zien om te gaan. Ook dan kun je niet jezelf zijn. Homans trekt een algemenere conclusie:

... the association netween social equality and interaction on what Americans call "social" occasions - spendig leisure time, going to parties, or eating in company - is a conspicuous feature of status, class, and caste systems in all times and places.

Wat hebben we hier? Een analyse die volledig past binnen dat sociaalwetenschappelijke zicht waar het in de titel van deze reeks berichten over gaat. Het is welzijnsverhogend om in omgang met anderen jezelf te kunnen zijn, dat wil zeggen met anderen die jou accepteren zoals je bent. Dat is een toestand waarin bij iedereen het gemeenschapspatroon van iedereen-telt-mee geactiveerd is. In vergelijking daarmee is omgang met andere van lagere of hogere status welzijnsverlagend, omdat mensen zich anders voor moeten doen dan ze zijn. Dat is een statuscompetitietoestand, waarin mensen zich moeten gedragen naar bestaande statusverschillen en waarin het ieder-voor-zich is geactiveerd. Het verschil in welzijn komt eruit voort dat mensen zich in die gemeenschapstoestand sociaal veilig voelen en in die statuscompetitietoestand sociaal onveilig.

En wat had nu voor de hand gelegen? Dat Homans op het idee was gekomen dat een groep of maatschappij met geringere statusverschillen, en dus minder inkomens- en vermogensongelijkheid, beter tegemoetkomt aan wat mensen kunnen en willen, een hoger welzijn oplevert, dan een groep of maatschappij met grotere statusverschillen. Mensen hebben sociale veiligheid nodig om zich goed te kunnen voelen en die kunnen ze elkaar meer verschaffen, hoe geringer de statusverschillen. 

En op het idee was gekomen dat het vak sociologie zich tot taak stelt om ons inzicht te vergroten in de voorwaarden waaronder mensen beter in staat zijn om elkaar die sociale veiligheid te verschaffen. Dus de voorwaarden waaronder bij zoveel mogelijk mensen het gemeenschapspatroon actief is en het statuscompetitiepatroon wordt onderdrukt. De voorwaarden dus voor een betere maatschappij.

Een feitelijk inzicht was er. Maar de stap naar de normatieve conclusie daaruit werd niet gemaakt. Hier het vervolg.

dinsdag 2 december 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -24 - Had het met de sociologie ook anders gekund?

Recapitulerend: het vak sociologie in de tijd dat ik studeerde leed aan twee mankementen: de eis van een curieuze wetenschapsopvatting (alleen "sociale feiten" tellen) en de eis van (de fictie van) het eigen domein. In de poging om aan die twee eisen te voldoen ging het vak de richting op van de theoretische onbestemdheid van de variabelensociologie (zo veel mogelijk empirie en zo weinig mogelijk theorie) en de richting van de macrosociologie. Maar ik kondigde nog een derde "richting" aan, die van het niet zo serieus nemen van die twee eisen. Hier het vorige bericht.

Als je er op terugkijkt, kun je haast niet anders concluderen dan dat die twee eisen irreëel waren. Ze stonden een vruchtbare ontwikkeling van het vak in de weg. En doordat het vak er nooit met zoveel woorden afscheid van heeft genomen, is dat eigenlijk nog steeds zo. Want doordat die twee eisen in de retoriek van het vak hun invloed bleven uitoefenen, ontstond er niet de ruimte om een theoretisch kader te ontwikkelen waarmee "de maatschappij als mensenwerk" kon worden bestudeerd en waarmee de uitkomsten van dat mensenwerk konden worden beoordeeld aan de menselijke sociale natuur, aan wat mensen kunnen en willen. De sociologie moest het doen en moet het tot op de dag van vandaag blijven doen zonder een realistisch normatief kader.

Dat was een stand van zaken die met zich meebracht dat die twee eisen weliswaar in de retoriek werden beleden, maar in de praktijk niet zo serieus werden genomen. 

En dat is al meteen vanaf het begin, dus in het werk van Durkheim, waar te nemen. Hij grijpt in zijn redeneringen achter zijn zoektocht naar "sociale feiten" (statistische verbanden tussen variabelen) vrijelijk terug op inzichten waarvan hij zelf ook zou toegeven dat ze tot het domein van de psychologie behoren. Of tot het domein van de alledaagse, en dus "onwetenschappelijke", kennis.  Denk aan zijn redenering hoe de arbeidsverdeling kan zorgen voor solidariteit. De solidariteit was er voorafgaand aan de arbeidsverdeling op gebaseerd dat mensen met elkaar overeenkomen en daarna op de omstandigheid dat mensen weliswaar verschillen, maar juist daardoor elkaar aanvullen. Als mensen met elkaar overeenkomen, dan leiden ze hetzelfde soort leven en raken ze gemakkelijk met elkaar vertrouwd. Maar ook, als mensen van elkaar verschillen, dan is de kans groot dat elk iets te bieden heeft waarover de ander niet beschikt. Dan zijn ze aanvankelijk misschien wel vreemden voor elkaar, maar doordat ze elkaar iets te bieden hebben, groeit er toch solidariteit.

Dat was niet een in de psychologie van Durkheims tijd bestaande theorie. Het is een (ad hoc) theorie van zijn eigen makelij, die hij ontleende aan zijn eigen alledaagse mensenkennis. In zijn eigen ogen dus onwetenschappelijk, maar wel noodzakelijk  voor het "ontdekken" van het wetenschappelijke "sociale feit" van het verband tussen de variabele "mate van arbeidsverdeling" en "mate van solidariteit". In die zin zijn in Durkheims werk allerlei psychologische theorieën aan te wijzen. Zie ook Three psychological theories of a classical sociologist uit 1975 van Siegwart Lindenberg (die in 1981 mijn copromotor was).

Het was dus een ongemakkelijke situatie waarin het vak sociologie zich met die twee mankementen had gemanoeuvreerd. Die psychologische en/of alledaagse inzichten werden weggezet als onwetenschappelijk, maar in de praktijk bleek je er niet zonder te kunnen.

Had dat niet anders gekund? Jazeker. Met Durkheim kreeg het vak sociologie een positivistische oorsprong, namelijk in het werk van Saint-Simon (1760 - 1825) en August Comte (1798 - 1857). De laatste introduceerde de term sociologie en zag het als taak van die nieuwe wetenschap om de wetten te doorgronden en te formuleren die de sociale werkelijkheid beheersen. In navolging van Saint-Simon meende hij dat er een historisch, 'wetmatige", ontwikkeling is in drie stadia, het theologische stadium, waarin verklaringen gezocht worden in bovennatuurlijke krachten, het metafysische stadium, waarin de verschijnselen teruggevoerd worden tot abstracte begrippen (de Ziel, de Rede) en het positieve stadium, waarin verschijnselen door middel van wetten door andere verschijnselen verklaard worden. Die "historisch wetmatigheid" doet denken aan Karl Marx. En het is inderdaad zo dat Marx al heel jong in aanraking kwam met de ideeën van Saint-Simon (George Lichtheim, Marxism. An historical and critical study, 1964, p. 20).

 Dat was dus het continentaal-Europese denken waar de sociologie uit voortkwam. Maar er was ook het Angelsaksische denken, dat een heel andere weg was ingeslagen. Ik herinnerde me dat ik me in mijn proefschrift Verklaring en interpretatie in de sociologie in 1981 met Thomas Hobbes, John Locke en de Schotse moraalfilosofen had beziggehouden en zocht dat even op (p. 15-19). 

Hobbes kende, via zijn vriend de anatoom William Harvey (1578 - 1657), de natuurwetenschappelijke methode als het leren kennen van dingen door ze, in realiteit of in gedachten, te ontbinden in hun eenvoudigste elementen (de methode van ontbinding) en ze vervolgens uit deze elementen opnieuw samen te stellen (de methode van compositie). Deze compositie zal slagen als de 'eerste principes' zijn ontdekt die de eenvoudigste elementen sturen. In de natuurwetenschappen zijn de te ontbinden verschijnselen ons het meest vertrouwd. Dat zijn de dingen 'van middelbare grootte', die zich direct aan ons voordoen. En die eenvoudigste elementen en eerste principes moeten ontdekt worden. 

Maar in de sociale wetenschap (civil philosophy), zo redeneerde Hobbes, ligt dat precies andersom. Juist de eenvoudigste elementen, de individuen, en de eerste principes, de wetten van de menselijke natuur, zijn ons het meest vertrouwd.. Terwijl wat daaruit voortkomt, de maatschappij, de commonwealth, verder van ons af staat. Dat die maatschappij mensenwerk is, dat weten we al. En onze eigen geest en ons eigen handelen kennen we. 

Hobbes' omgekeerde methode (...) komt er dus op neer dat we niet hoeven te zoeken naar de eenvoudigste elementen en de eerste principes, omdat we ze reeds van zeer nabij kennen. De taak van de sociale wetenschap is niet om iets nieuws te ontdekken, maar om te laten zien hoe de staat (de maatschappij) ontstaat uit de werking van de ons bekende eerste principes. Van deze principes hoopte Hobbes dat de intuïtief net zo voor de hand zouden liggen als Euclides' axioma's. Hij zag ook sterke overeenkomsten tussen de sociale wetenschap en de meetkunde: beide zijn bewijzende wetenschappen, omdat ze zich bezighouden met objecten (resp. staten en meetkundige figuren), die door mensen gemaakt zijn. Omdat de objecten van de natuurwetenschappen dat niet zijn, moeten daarvan de elementen en principes worden ontdekt.

Hobbes bepleitte dus een sociaalwetenschappelijke werkwijze die precies tegengesteld is aan wat Durkheim voor ogen stond voor het vak sociologie. Hobbes' invloed reikte ver, tot het werk van Spinoza en via John Locke tot dat van de Schotse moraalfilosofen (David Hume, Adam Ferguson, Francis Hutcheson en Adam Smith). 

Maar niet zo ver dat het kon voorkomen dat dat vak sociologie zich vooral ontwikkelde als het vak met die twee mankementen, dat van die curieuze wetenschapsopvatting en dat van de fictie van het eigen domein. Hier het vervolg.

vrijdag 7 november 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 21 - Het normatieve humanisme van Erich Fromm

Dat structureel-functionalisme in de sociologie was dus onderdeel van een veel breder heersende manier van denken, in de woorden van Steven Pinker een ideologie, die nog lang bleef bestaan en eigenlijk ook nu nog grote invloed heeft. Er bestaat geen noemenswaardige menselijke sociale natuur. Mensen zijn zo flexibel dat ze in staat zijn zich aan te passen aan wat de maatschappij van hen vraagt. Er is dus ook in die menselijke sociale natuur, in wat mensen kunnen en willen, geen maatstaf aan te wijzen waarmee een maatschappelijke toestand en veranderingen daarin kunnen worden beoordeeld. Voor het vak sociologie moest dat wel betekenen dat het zich beperkte tot het doen van onderzoek, tot het aandragen van onderzoekresultaten, en het aan de politiek overlaten van wat daar mee te doen. Of en hoe de bestaande maatschappelijke toestand verbeterd zou kunnen worden, daar moest het vak zich niet mee bezig houden. Er was binnen de opleidingen sociologie vaak wel een specialisatie beleidssociologie, maar daar werd de sociologie van beleidsprocessen onder verstaan, niet een sociologie als aandrager van beleidsvoorstellen. Hier het vorige bericht.

Toch bestonden er, ook al in de tijd dat ik studeerde, ondanks die heersende ideologie, ook andere ideeën over hoe het vak sociologie eruit zou moeten zien. Want ik kwam daar al mee in aanraking nog voor ik ging studeren toen ik dat boekje Om mens en menselijkheid in maatschappij en politiek van Willem Banning las, dat in 1960 was verschenen. Daar komen we wel degelijk inzichten tegen in de aard van de menselijke sociale natuur, inzichten waar de sociologiebeoefening van uit zou behoren te gaan . En natuurlijk bestonden die er, ondanks dat voor hen vanwege die curieuze wetenschapsopvatting geen plaats was in het vak sociologie. 

En hoewel Banning in het vak sociologie een marginale figuur was, ik kwam zijn naam in mijn opleiding niet tegen, stond hij niet alleen. Hij stond in de traditie van critici van het kapitalisme en van het vak economie, van Karl Polanyi, R.H. Tawney en E.P. Thompson, die Tim Rogan bespreekt in zijn boek The Moral Economists. Dat was een kritiek die eruit bestond dat de bestaande maatschappelijke toestand, die van het kapitalisme, slecht tegemoetkomt aan de menselijke sociale natuur. Een kritiek waar het vak sociologie door zelfgekozen handicaps niet toe in staat was.

En Banning baseerde zich, zoals gezegd, op het werk van Erich Fromm (1900 - 1980), de psychiater die toen veelgelezen en tot op de dag van vandaag herdrukte boeken schreef. Die betoogde dat de inrichting van de maatschappij zo goed mogelijk tegemoet behoorde te komen aan de fundamentele levensbehoeften van de mens, te weten:

De behoefte om eenzaamheid te overwinnen
De behoefte om boven zichzelf uit te stijgen o.a. in scheppende arbeid
De behoefte aan liefderijke zorg
De behoefte aan identificatie met een “wij”
De behoefte om de wereld en zichzelf verstandelijk te begrijpen en aldus zijn leven inhoud te geven. 

Daar komt dus wel degelijk een menselijke sociale natuur tevoorschijn waaraan de maatschappelijke toestand kan worden beoordeeld. En wordt beoordeeld. 

In 1955 publiceerde Fromm zijn boek The Sane Society, in 1958 vertaald als De Gezonde Samenleving, met in ieder geval in 2013 een herdruk en met nu de aankondiging van de uitgever van een te verschijnen nieuwe editie. Daarin maakt Fromm meteen in het begin duidelijk dat zijn denken afwijkt van het dan heersende sociologisch relativisme (p. 12 van de editie uit 1958):

To speak of a whole society as lacking in mental health implies a controversial assumption contrary to the position of sociological relativism held by most social scientists today. They postulate that each society is normal inasmuch as it functions, and that pathology can be defined only in terms of the individual's lack of adjustment to the ways of life in his society. To speak of a "sane society" implies a premise different from sociological relativism. It makes sense only if we assume that there can be a society which is not sane, and this assumption, in turn, implies that there are universal criteria for mental health which are valid for the human race as such, and according to which the state of health of each society can be judged. This position of normative humanism is based on a few fundamental premises.

Daar vind je kort en bondig het verschil uitgelegd met dat sociologische structureel-functionalisme. En omdat het zo helder is ook nog dit citaat even verderop (p.14):

The point of view taken here is neither a "biological" nor a "sociological" one if that would mean separating these two aspects from each other. It is rather one transcending such dichotomy by the assumption that the main passions and drives in man result from the total existence of man, that they are definite and ascertainable, some of them conducive to health and happiness, others to sickness and unhappiness. Any given social order does not create these fundamental strivings but it determines which of the limited number of potential passions are to become manifest or dominant. Man as he appears in any given culture is always a manifestation of human nature, a manifestation, however, which in its specific outcome is determined by the social arrangements under which he lives. Just as the infant is born with all human potentialities which are to develop under favorable social and cultural conditions, so the human race, in the process of history, develops into what it potentially is. 

The approach of normative humanism is based on the assumption that, as in any other problem, there are right and wrong, satisfactory and unsatisfactory solutions to the problem of human existence.

Normatief humanisme. Om mens en menselijkheid. Er bestond dus in de tijd dat ik studeerde wel degelijk al een alternatief voor dat sociologisch denken waarin de menselijke sociale natuur flexibel is en waarin mensen zich aanpassen of dienen aan te passen aan wat de maatschappij van hen vraagt.

En hoewel dat alternatief niet onbekend was, de boeken van Erich Fromm waren bij het grote publiek populair, drong het niet door tot het vak sociologie. Net zo min als ik de naam Willem Banning tegenkwam gedurende mijn opleiding, was ook de naam Erich Fromm een grote afwezige. De sociologie had zichzelf opgesloten achter de tralies van die curieuze wetenschapsopvatting en die fictie van het eigen domein.

Daarop terugkijkend voelt het wat wrang dat ik me dat destijds, als student, maar nauwelijks realiseerde. Ik had wel het vage gevoel dat er iets mankeerde. Maar wat precies, dat werd me pas veel later duidelijk.  Hier het vervolg.

dinsdag 4 november 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 20 - Er was geen vak dat er aan had kunnen bijdragen dat het nooit weer zou gebeuren.

Waar waren we gebleven? De sociologie in de tijd dat ik studeerde leed aan twee mankementen: dat van een curieuze wetenschapsopvatting en dat van de fictie van het eigen domein. Aan hoe het vak daarmee omging, zijn drie richtingen te onderscheiden. De eerste was die van de variabelensociologie, dus van zo veel mogelijk empirie en zo weinig mogelijk theorie. De tweede was die van de macrosociologie en de derde die van het het niet zo serieus nemen van die wetenschapsopvatting en van het eigen domein. We waren nog bezig met die richting van de macrosociologie. Hier het vorige bericht..

Die macrosociologie was er in twee gedaanten, die van het structureel-functionalisme en die van de marxistische sociologie. Voor ik naar die tweede overga eerst nog een enkele opmerking over het structureel-functionalisme.

De kern daarvan was de gedachte van de maatschappij als een sociaal systeem dat altijd naar een nieuw evenwicht tendeert, dat ook altijd het goede evenwicht is. Met de veronderstelling van een onbeperkt flexibele menselijke sociale natuur die geheel ondergeschikt is aan wat het systeem vraagt. Die veronderstelling leefde trouwens breder dan alleen in het vak sociologie. 

Het was de tijd van het Standard Social Science Model (SSSM), de term die de psychologen Leda Cosmides en John Tooby er in 1992 aan gaven. De menselijke sociale natuur zou figureren als een leeg blad (blank slate) dat door de invloed van de sociale omgeving, door de cultuur, dus top down, beschreven wordt (cultureel determinisme). Daartegenover bepleitten ze een psychologie die er juist uitdrukkelijk op gebaseerd is dat de mens een biologisch organisme is, dat dus het resultaat is van een evolutionair proces. Hun conclusie daaruit was dat de menselijke geest bestaat uit een soort blokkendoos van special-purpose modules, die zich in een proces van natuurlijke selectie ontwikkelden als oplossingen voor de uitdagingen waar mensen in het verre verleden aan blootstonden. Een bekend voorbeeld van zo'n module is de vaardigheid om snel bedrog te ontdekken (het cheater-detection mechanism). 

Steven Pinker betoogt in zijn The Language Instinct (1994) dat de invloed van de veronderstellingen van dat SSSM niet beperkt bleef tot de sociologie, maar zich zelfs uitstrekte tot het gehele "moderne intellectuele leven", waar het zelfs de vorm van een ideologie aannam (p.405-6): 

Modern intellectual life is suffused with a relativism that denies that there is such a thing as a universal human nature (...)
The doctrine underlying that relativism, the Standard Social Science Model (SSSM), began to dominate intellectual life in the 1920s. (...)
The SSSM has not only been the foundation of the study of humankind within the academy, but serves as the secular ideology of our age, the position on human nature that any decent person should hold. 

Op die kenschets van het vak psychologie is ook wel weer kritiek gekomen. David S. Wilson laat zien dat de waarheid ergens in het midden ligt tussen de blank slate-psychologie en de blokkendoos-psychologie (Evolutionary Psychology and the Standard Social Science Model: Regaining the Middle Ground). Bovendien wijst hij op interessante ontwikkelingen in de toegepaste psychologie, waar therapeuten zich weinig aantrokken van de academische discussies. En daar duikt de naam op van Steven C. Hayes, die we al tegenkwamen toen het over de menselijke neiging tot psychologische starheid ging, als een inadequate reactie op het ervaren van sociale onveiligheid.

Maar dan hebben we het over de latere ontwikkeling van het vak psychologie. Wat de sociologie betreft, liggen de zaken duidelijk anders. Er was voor Rudi Wielers en mij in 1999 nog meer dan genoeg reden om sociologen op te roepen zich meer open te stellen voor de biologie en mijn indruk is dat je een kwart eeuw later niet kunt zeggen dat die oproep veel heeft uitgehaald. En mijn in 2020 biologisch en neurofysiologisch onderbouwde sociaalwetenschappelijk zicht (Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen) is in het vak een wel heel vreemde eend in de bijt.

Terug naar de tijd dat ik studeerde. Dat het structureel-functionalisme toen zo veel invloed had, betekende dus ook dat het vak sociologie toen sterk neigde naar een toeschouwersrol. Er ontbrak een theoretisch kader waarmee de bestaande toestand van de samenleving kon worden beoordeeld. Waarmee beleidsvoorstellen konden worden gedaan voor verbetering, voor het dichterbij brengen van een toestand die meer tegemoetkomt aan de menselijke sociale natuur, aan wat mensen kunnen en willen. Want de maatschappij moest gezien worden als een sociaal systeem en dat zou uit zichzelf altijd wel in het goede evenwicht terechtkomen.

Vandaar dat het vak sociologie niet of nauwelijks een rol speelde, ja, zich terughoudend opstelde, in de naoorlogse opbouw van de verzorgingsstaat. Dat was een duidelijke ontwikkeling in de richting van de sociaal superieure toestand van het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon. En een duidelijke reactie op het meegemaakt hebben van de sociaal inferieure toestand van een veroveringsoorlog, de bezetting en de genocide van de Holocaust. 

Er was dus geen wetenschappelijk vak dat in staat was om wat er zich had afgespeeld theoretisch te verwerken en dat de opgedane inzichten kon uitdragen. Dat er aan had kunnen bijdragen dat het nooit weer zou gebeuren.

Dat is om over na te denken nu we wederom te maken hebben met de dreiging van een ontwikkeling naar een sociaal inferieure toestand. Hier het vervolg.

maandag 27 oktober 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -19 - Het vak dat ik studeerde, was een sociologie die nooit problemen zag ontstaan

Het structureel-functionalisme was dus een vorm van macrosociologie waarin de theorievorming top down moest. Zich geheel moest voltrekken op het niveau van de samenleving, dus in de variabelentaal, waarin het gaat over verbanden tussen variabelen. Bovendien werd die samenleving geacht een sociaal systeem te zijn dat zich door terugkoppeling in stand houdt en waarin mensen geacht worden zo flexibel te zijn dat ze zich aanpassen aan wat het systeem vraagt. En waarin wordt genegeerd dat er een menselijke sociale natuur zou kunnen bestaan, met vaardigheden en behoeften, waaraan de uitkomsten van de werking van het sociale systeem kunnen worden beoordeeld. Hier het vorige bericht.

Het was, anders gezegd, een vorm van evenwichtsdenken, die, weliswaar geïnspireerd op de analogie met het biologisch organisme als een systeem, sterk overeenkomt met het economische evenwichtsdenken. Daarin gaat het immers om de markt met volledige concurrentie als een sociaal systeem dat zichzelf door voortdurende aanpassing in stand houdt. In beide gevallen, dat van het structureel-functionalisme en dat van het vak economie, was de gevolgtrekking die van de toeschouwersrol van het vak. Als je het sociale systeem, de samenleving of de markt, maar zijn werk laat doen, dan ontstaat er altijd weer een nieuw evenwicht en dat wordt geacht ook altijd het goede evenwicht te zijn. Zowel de structureel-functionalistische socioloog als de econoom roepen de overheid op om zo weinig mogelijk de goede werking van "hun" sociale systeem te verstoren. 

De vraag of een en ander dan ook tegemoetkomt aan de menselijke sociale natuur, aan wat mensen kunnen en willen, komt niet in het gezichtsveld. In Parsons' The Social System niet doordat echte mensen worden gereduceerd tot actoren die streven naar het bereiken van bevrediging (attainment of gratifications) en het vermijden van ontberingen (avoidance of deprivations) en in de economie tot actoren die streven naar nut. Met in beide gevallen het uitdrukkelijke besluit om de vraag naar wat bevrediging en ontberingen en wat nut nu eigenlijk inhouden buiten de theorie te houden.  

Wat dat voor de socioloog betekende, valt aardig duidelijk te maken aan de hand van het in 1969 verschenen artikel Primary Group Structures and Their Functions: Kin, Neighbors, and Friends van Eugene Litwak. Daarin gaat het over het verdwijnen van de uitgebreide familie doordat kinderen verder van hun ouders weg gaan wonen. Is dat niet een negatieve ontwikkeling? Nee, want er is een terugkoppeling die eruit bestaat dat de telefoon wordt geïntroduceerd waarmee mensen gemakkelijk en snel over afstand kunnen communiceren. En de onderlinge hulpverlening? Grootouders die even bijspringen? Volwassen kinderen die de ouders een handje helpen (wat we nu mantelzorg noemen)? Ook daar is er een terugkoppeling, namelijk van de nieuwe mogelijkheid om geld over te maken. Het sociale systeem zorgt uit zichzelf voor nieuwe, passende ontwikkelingen. 

Merk op dat er in die redenering niet een menselijke sociale natuur opduikt, waarin er een behoefte aan face-to-face contact en aan de veiligheid en vertrouwdheid daarvan zou kunnen bestaan. En dat daardoor ook niet de problemen van sociale vluchtigheid en onzekerheid in beeld komen, die de kans vergroten op eenzaamheid en statuscompetitie. Dat er de problemen die we nu kennen, van eenzaamheid en van de "hypernerveuze samenleving", ooit zouden kunnen ontstaan, dat was in die structureel-functionalistische sociologie uitgesloten.

In de Nederlandse sociologie in de tijd dat ik studeerde (1965 - 1971) was er in dezelfde lijn het toen invloedrijke Wijk en stad: reële integratiekaders? uit 1955 van de toen nog jonge socioloog Jacques van Doorn (1925 - 2008), de latere hoogleraar en columnist en samen met Cor Lammers auteur van het in 1959 verschenen en vele malen herdrukte Moderne Sociologie. Een systematische inleiding.  

Van Doorn betoogde dat "de wijkgedachte" achterhaald was. Dat de buurt of de wijk als sociale omgeving tegemoet zou kunnen komen aan de menselijke behoefte aan sociale contacten, was volgens hem een "romantische visie" die we achter ons moesten laten. Ik citeer nu even mezelf uit 2015 (Van het afscheid van de wijkgedachte in 1955 naar de buurtrechten in 2015 - hoe het denken over de buurt veranderde):

Als je het betoog nu terugleest, dan merk je op dat het nog best genuanceerd is. Maar dat is minder het geval met de invloed die het heeft uitgeoefend. In de sociologie en in het beleid is er vaak naar verwezen als het afdoende "bewijs" dat mensen hun buurt als bron van sociale contacten niet meer nodig hebben. Geleerd gezegd: de ouderwetse territoriale integratie heeft definitief plaats gemaakt voor de moderne functionele integratie. In concreto betekende dat dat mensen hun contacten wel uit hun werk halen. Daar zijn medebuurtbewoners niet meer voor nodig.

En dat was ook een ontwikkeling die diende te worden toegejuicht. Die romantische, territoriale contacten, die waren maar benauwend en controlerend. Het was modern om meer "geobjectiveerde" contacten te hebben. Die term haalde Van Doorn bij Karl Mannheim (1893-1947) vandaan, overigens een interessant man, maar nu totaal vergeten. Dat "geobjectiveerd" betekent in feite: oppervlakkig en, jawel, functioneel.

Hadden mensen dan geen persoonlijke en meer diepgaande contacten nodig? Jawel, maar die vonden ze in het eigen gezin en dat was voldoende. Van Doorn spreekt ook over "gezinsindividualisme", wat hij niet ziet als een sociaal probleem. Ik kan het niet laten om een citaat op te nemen:

Wanneer men zich op het standpunt stelt, dat dit gezinsindividualisme niet op een moreel verval wijst, maar een van de symptomen is van een algemene tendentie in de samenleving, en dat er bovendien geen reden is om te veronderstellen dat dit gezinsisolationisme spanningen of conflicten oproept, kan men inderdaad niet van een zodanig sociaal knelpunt spreken.
Duidelijker vind je niet het optimisme van de naoorlogse sociologie verwoord. Het optimisme van de individualistische maatschappij waarin geen eenzaamheid zou bestaan, waarin mensen tevreden zouden zijn in hun sociaal geïsoleerde gezinnetje en met voor de rest alleen die geobjectiveerde contacten. Het was een sociologie die nooit problemen zag ontstaan. Want de maatschappij verandert en mensen zijn zo flexibel dat ze zich aan elke verandering succesvol aanpassen.

 Het vak dat ik studeerde, was een sociologie die nooit problemen zag ontstaan. Hier het vervolg.

dinsdag 26 augustus 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -14 - De variabelensociologie stuurt ook de probleemkeuze

De "theoretische onbestemdheid" van de variabelensociologie (hier het vorige bericht) kwam voort uit het streven naar zo veel mogelijk empirie en zo weinig mogelijk theorie. Het streven dat op zijn beurt voortkwam uit het zo goed mogelijk proberen te voldoen aan de eisen van een eigenaardige opvatting van wetenschappelijkheid en van het eigen sociologische domein. Want als je uitsluitend "sociale feiten" in de beschouwing mag betrekken, en de onderliggende sociale processen als een black box dient te beschouwen, dan is het lastig theoretiseren.

Nadat ik het vorige bericht had verzonden, bedacht ik me dat die variabelensociologie niet alleen gekenmerkt werd door een bepaalde vorm van onderzoek (zo veel mogelijk empirie en zo weinig mogelijk theorie), .maar ook door een voorkeur voor bepaalde verklaringsproblemen. Ik kwam daarop doordat ik nog eens door dat vriendenboek voor Reinhard Wippler bladerde, waar ook mijn bijdrage De twee talen van de sociologie deel van uitmaakte. Mijn oog viel op het hoofdstuk waarin Wout Ultee en Henk Flap hypothesen ontwikkelen over verschillen tussen Nederlandse gemeenten tijdens de Duitse bezetting in het percentage Joodse inwoners dat door de Duitsers opgepakt, afgevoerd en vermoord werd (De Nederlandse paradox. Waarom overleefden zoveel Nederlandse Joden de Tweede Wereldoorlog niet?)

De aanleiding daartoe was het bekende gegeven dat in Nederland een hoger percentage Joodse inwoners vermoord werden dan in andere door de Duitsers bezette landen. De poging om dat verschil door middel van onderzoek te verklaren, wordt erdoor gehinderd dat het om slechts weinig onderzoekseenheden gaat (22 landen of gebieden) waardoor je moeilijk kunt uitsluiten dat toevalligheden een rol spelen. Maar dat probleem is veel kleiner als je Nederlandse gemeenten vergelijkt, want dan kom je op 100 onderzoekseenheden, namelijk de 100 gemeenten (van in totaal 1000) met 25 of meer Joodse inwoners (volgens de volkstelling van 1930). 

Daar kun je statistiek op loslaten. En kun je hypothesen ontwikkelen over onafhankelijke variabelen, zoals de politieke voorkeur (wel of niet NSB-lidmaatschap) van de burgemeester en de hoogste politie-ambtenaar, de bevolkingsdichtheid van de gemeente (hoe hoger, hoe meer mogelijkheden om onder te duiken), de wel of niet aanwezigheid van een vestiging van de Joodsche Raad, het percentage NSB-stemmers, de mate van verzuildheid (hoe meer verzuild, hoe minder contacten tussen Joods en niet-Joods inwoners en hoe minder onderduikmogelijkheden) en het percentage gereformeerde inwoners. Later onderzoek waarin sommige van deze en andere hypothesen werden getoetst (De Duitse bezetting, de verzuildheid van Nederlandse gemeenten, de overlevingskansen van hun joodse inwoners), leverde wisselende resultaten op. 

De ontwikkeling van die hypothesen en het latere onderzoek zijn zonder meer voorbeeldig, creatief en degelijk wetenschappelijk werk. Maar wel binnen de grenzen van die variabelensociologie. Zoveel mogelijk empirie en zo weinig mogelijk theorie. Ultee en Flap vullen weliswaar de black box van het onderliggende proces op met een theorie van doelgericht handelen, maar die speelt bepaald geen cruciale rol in het denkproces. De "theoretische onbestemdheid" van de variabelensociologie wordt niet opgeheven. (Op die theorie, ook wel de rationele keuzetheorie genoemd, en op de plaats die die theorie een tijd in mijn eigen werk innam, kom ik in latere berichten uitvoerig terug.)

Maar waar het mij nu om gaat, is de probleemkeuze. Want mij valt op hoe het indringende probleem van hoe Nederlanders reageerden op de Duitse bezetting en hoe het kon gebeuren dat ze in overgrote meerderheid passief toekeken bij het uitsluiten, oppakken, afvoeren en vermoorden van hun Joodse medeburgers, eigenlijk naar de achtergrond verdwijnt. Het probleem van de aard van de menselijke sociale natuur die maakt dat dit passief toekijken tot de mogelijkheden behoort. Het probleem onder welke voorwaarden die mogelijkheid ook werkelijkheid wordt. Het probleem waar ik me mee bezighield in de reeks berichten die begon met Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 1. 

In plaats daarvan wordt gekozen voor het toch bepaald veel minder indringende probleem van verschillen tussen gemeenten in de overlevingskans van Joodse inwoners. Minder indringend, omdat het de black box van de menselijke sociale natuur en van de sociale processen waar die natuur toe kan leiden, gesloten houdt. 

Anders gezegd, de variabelensociologie stuurt niet alleen de aard van het onderzoek, maar ook de aard van de probleemkeuze. Hier het vervolg.

dinsdag 19 augustus 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -13 - De theoretische onbestemdheid van de variabelensociologie

Het vak sociologie waarmee ik tijdens mijn studie (van 1965 tot 1971) en daarna, toen ik aan de universiteit werkzaam was, in aanraking kwam, leed aan twee mankementen, dat van een curieuze wetenschappelijkheidsopvatting en dat van de fictie van het eigen domein. Hier het vorige bericht. Wat betekende dat voor hoe het vak werd beoefend en hoe het zich ontwikkelde? En wat betekende het voor hoe ikzelf het vak beoefende en hoe mijn benadering van het vak zich ontwikkelde?

Een consequentie van die twee mankementen, die er op terugkijkend al tijdens mijn studie tot me doordrong, was dat het vak problemen had met het ontwikkelen van theorie, van mogelijke verklaringen voor sociale en maatschappelijke verschijnselen ("sociale feiten"). Want hoe zou die theorie eruit moeten zien als je het domein van de sociale feiten niet mag verlaten? Als je het op je alledaagse ervaringen gebaseerde inzicht dat die verschijnselen resultaten zijn van menselijk handelen, als onwetenschappelijk terzijde moet schuiven? Als je de menselijke sociale natuur als een tabula rasa, als een onbeschreven blad, behoort op te vatten? Als je alleen mag denken in termen van de variabelentaal en de sociale processentaal moet zien te vermijden? (Denk aan De twee talen van de sociologie.) 

De antwoorden op die vragen gingen in drie verschillende richtingen: de richting van zo weinig mogelijk theorie, de richting van uitsluitend theorie op het niveau van de maatschappij ("macrosociologie") en de richting van het niet zo serieus nemen van die eisen van de wetenschappelijkheidsopvatting en van de fictie van het eigen domein. 

Die eerste richting kwamen we al tegen in het vorige bericht, waarin het ging over Reinhard Wipplers dissertatie naar de sociale determinanten van vrijetijdsgedrag uit 1968. De theorie die we daarin aantreffen, komt pas binnen als een onafhankelijke variabele, het soort werk, in vorig onderzoek op twee met elkaar strijdige manieren blijkt samen te hangen met het soort vrijetijdsbesteding. Toen moest de variabelentaal even worden verlaten en moest, onwetenschappelijk, gespeculeerd worden over de menselijke natuur. 

Maar in de sociologie van die tijd werden zulke uitstapjes zo veel mogelijk vermeden. Wipplers promotor, Ivan Gadourek (1923 - 2013), was zeker een pionier in de Nederlandse sociologie, in de zin dat hij het grootschalige survey-onderzoek en een "empirische bedrijfsstijl" introduceerde. Zie Ivan Gadourel, een heuse pionier van Arie Glebbeek, Rie Bosman en Jules Peschar uit 2014. Maar de auteurs wijzen ook op achilleshiel daarvan: een "onbestemd theoretisch kader". En ze vragen zich af of die theoretische onbestemdheid niet tot op de dag van vandaag voor het vak sociologie kenmerkend is. 

Met die theoretische onbestemdheid maakte ik tijdens mijn studie kennis toen we bij het leeronderzoek waren aanbeland. Ik citeer even uit De twee talen van de sociologie (p. 69):

Dit had de positie van de kleine middenstand op het Groninger platteland als onderwerp. Aangekomen in de fase van wat we nu het theoriehoofdstuk zouden noemen, werden wij naar huis gestuurd om voor de volgende week 'hypothesen te bedenken'. Dit was een merkwaardige ervaring, want het leek alsof de volstrekte willekeur had toegeslagen: we mochten kennelijk bedenken wat we wilden, want aanwijzingen werden niet gegeven. Achteraf meen ik te begrijpen wat hier gebeurde. Er waren in de literatuur geen variabelen over de kleine middenstand. Die moesten dus op eigen kracht worden gevonden, misschien door ons in te leven in de positie van de winkeliers in de Groninger dorpen, of door te rade te gaan bij ons eigen reservoir van alledaagse ervaringen. Maar omdat 'inleving' en 'onze eigen ervaringen' geacht werden onwetenschappelijk te zijn, behoorden wij hier slechts buiten het sociologisch instituut gebruik van te maken, op onze studentenkamertjes of in de kroeg. Als op die manier dan éénmaal variabelen 'tevoorschijn waren gekomen', dan kon de wetenschap weer verder.

En ik herinner me nu dat we voorafgaand aan dat bedenken van hypothesen al de vragenlijst in elkaar hadden gezet. Die volgorde was toen, in die theoretisch onbestemde sociologie, zo vreemd niet. De vragenlijst diende om te komen tot mogelijke onafhankelijke variabelen, zoals geslacht, leeftijd, opleiding, inkomen, gezinssamenstelling, religie. We zullen die winkeliers ook wel hebben gevraagd naar het soort winkel, naar hoe hun omzet zich ontwikkelde en hun toekomstperspectief. Misschien was dat toekomstperspectief wel de voornaamste afhankelijke variabele, want het ging toen over de leegloop van het platteland.

Dat theoretisch onbestemde onderzoek was dus bovenal "variabelensociologie". Eenvoudig gezegd: stel een vragenlijst op om tot zoveel mogelijk potentiële onafhankelijke variabelen te komen en ga na of er statistisch significante verbanden met de afhankelijke variabele gevonden kunnen worden. En bedenk dat de kans daarop groter is bij een grotere steekproef. Vandaar de hang van de variabelensociologie naar grote databestanden. 

De richting dus van zo veel mogelijk empirie en zo weinig mogelijk theorie. In het vervolg over de twee andere richtingen, die van de macrosociologie en die van het niet zo serieus nemen van die wetenschappelijkheidsopvatting en van het eigen sociologische domein. Hier het vervolg.

donderdag 7 augustus 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -12 - Het tweede mankement van het vak sociologie: de fictie van het eigen domein

Toen ik in 1965 ging studeren en daarna aan de Groningse universiteit ging werken, werd het mij gaandeweg duidelijk dat het vak sociologie aan twee mankementen leed. In het vorige bericht ging het over het eerste mankement, dat van de curieuze wetenschappelijkheidsopvatting. Als socioloog moet je alles wat je op grond van eigen ervaringen al denkt te weten, uit je gedachten bannen, want alleen de kennis die "met de wetenschappelijke methode" tot stand is gekomen, is het waard om in je wetenschappelijke arbeid een rol te spelen. Je moet de sociale werkelijkheid als een tabula rasa tegemoet treden. Het is een vreemd gebied, waarvan je nog niets weet, anders dan de al bestaande onderzoeksuitslagen.

Het tweede mankement bestaat eruit dat het vak zich strikt dient te beperken tot het eigen domein, het domein van "de sociale feiten". Wat dat inhoudt, valt goed uit te leggen aan de hand van Durkheims onderzoek naar de sociale oorzaken van verschillen in zelfmoordcijfers tussen groepen. In Le Suicide (1897) laat hij zien dat een bepaald type zelfmoord, dat hij egoïstische zelfmoord noemt, meer voorkomt als mensen minder sociaal geïntegreerd zijn. En inderdaad, uit statistieken waarover hij beschikte, blijkt dat onder Protestanten, die minder sociaal geïntegreerd zijn dan Katholieken, ook meer zelfmoord voorkomt. En daarmee zijn we terechtgekomen bij een sociaal feit: onder Protestanten ligt het zelfmoordcijfer hoger dan onder Katholieken. 

Anders en statistisch gezegd, sociale feiten zijn verbanden tussen variabelen op het sociale niveau, het niveau van groepen of samenlevingen. In dit geval tussen de variabele religieuze denominatie en de variabele aantal zelfmoorden per hoeveelheid aanhangers van een denominatie. De eis dat het vak sociologie zich zou moeten beperken tot het domein van de sociale feiten, komt dus neer op de eis dat het vak zich uitsluitend bedient van wat ik in De twee talen van de sociologie de "variabelentaal" noemde. Die omschreef ik daar als (p.65): 

Dit is de taal waarin probleemstellingen, hypothesen en onderzoeksbevindingen worden geformuleerd. De begrippen van deze taal zijn objecten van onderzoek, onafhankelijke en afhankelijke variabelen (kenmerken van die objecten) en termen waarmee verbanden tussen onafhankelijke en afhankelijke variabelen worden aangeduid (bijvoorbeeld 'heeft een positief effect op'). (...) Gegeven dat statistische bewerkingen nodig zijn om te kunnen concluderen tot onderzoeksbevindingen, kunnen we ook de taal van de statistiek tot de variabelentaal rekenen.

Ik citeer hier uit mijn bijdrage aan het vriendenboek voor Reinhard Wippler, dat in 1996 werd uitgebracht ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar aan de Universiteit Utrecht. Wippler  overleed in 2020 en hij was in 1981 mijn promotor.

In die bijdrage gebruikte ik Wipplers eigen dissertatie uit 1968, Sociale determinanten van het vrijetijdsgedrag, als voorbeeld van een onderzoek waarin we vooral de variabelentaal aantreffen. Het was het soort onderzoek dat toen, dus in de tijd dat ik studeerde, gebruikelijk was. Of het nu ook nog voorkomt, weet ik eerlijk gezegd niet, want ik volg de sociologietijdschriften en -dissertaties niet meer zo goed.

Wippler onderscheidde verschillende vormen van vrijetijdsbesteding, zoals praktisch-nuttig gedrag, lichamelijk actief gedrag en formele sociale participatie, en wilde uitzoeken welke mensen meer voor de ene dan wel de andere vorm kozen. Of in variabelentaal gezegd: hij was op zoek naar onafhankelijke variabelen die variantie in die verschillende vormen van vrijetijdsgedrag konden verklaren. 

Een flink deel van die zoektocht speelde zich af binnen het domein van de variabelentaal, het domein dus van de sociale feiten. Want een literatuurstudie leverde eerder onderzoek op naar vrijetijdsgedrag, waarin gekeken was naar de invloed van onafhankelijke variabelen als leeftijd, opleidingsniveau, soort opleiding, geslacht, religie en inkomen. Door die variabelen in het eigen onderzoek mee te nemen, kon hij dus nagaan in hoeverre die eerder gevonden sociale feiten konden worden bevestigd. 

Merk op dat er hier theoretisch niet meer aan de hand is dan dat binnen het domein van de sociale feiten, dus eerdere onderzoeksuitslagen, gezocht wordt naar mogelijke verklaringen (onafhankelijke variabelen) voor verschillen in vrijetijdsbestedingen. Er ontbreekt een theoretische beschouwing over wat je uitgaande van inzichten in de menselijke natuur, in wat mensen kunnen en willen, zou kunnen verwachten over wat mensen die voor hun levensbehoeften voor een groot deel zijn aangewezen op betaalde arbeid, het liefste in hun vrije tijd zouden doen. Want dat zou "psychologie" zijn of zelfs biologie, als je onder ogen zou zien dat de mens een biologisch organisme is. Je zou het domein van de sociale feiten verlaten.

Maar wacht, toch kom je iets van een theoretische beschouwing tegen. Met, veelzeggend, als aanleiding dat twee al bestaande onderzoeksbevindingen over het belang van het soort beroep elkaar tegenspreken. Er is dus die onafhankelijke variabele "soort beroep", maar in het ene onderzoek is gevonden dat mensen in hun vrije tijd iets heel anders willen doen dan wat ze in hun werk al doen (wat klopt met de contrasthypothese), terwijl in het andere onderzoek juist het tegendeel wordt gevonden: mensen zoeken in hun vrije tijd juist iets wat met hun werk overeenkomt (overeenkomend met de congruentiehypothese). 

Hoe dat op te lossen? Door even, het kan niet anders, even het domein van de sociale feiten te verlaten. Even niet over variabelen te denken, maar over mensen, echte mensen. In De twee talen van de sociologie schreef ik (p.66):

De oplossing van dit probleem zoekt Wippler erin dat hij wil aangeven onder welke condities de ene hypothese dan wel de andere van toepassing is. Bij het formuleren van die condities komen we in de tekst 'echte' individuen tegen, die niet alleen maar dragers van kenmerken zijn, maar die kennelijk iets willen of nastreven, omdat ze bijvoorbeeld op hun werk een gemis aan ontplooiingsmogelijkheid hebben, wat ze in hun vrije tijd compenseren, of omdat ze de in hun werk ontwikkelde vaardigheden ook in hun vrije tijd ergens voor willen gebruiken. Uit de uitwerkingen van deze gedachte valt vervolgens op te maken dat mensen: niet teveel willen worden belast, niet teveel verantwoordelijkheden willen hebben, liever dingen doen waar ze vaardig in zijn, het op prijs stellen om buiten in de natuur te zijn of om lichamelijk actief te zijn, etc.

En dan treffen we dus alsnog boeiende inzichten aan in de menselijke natuur, in wat mensen willen en kunnen. Alsnog, want niet als een theorie over vrijetijdsgedrag waaruit hypothesen worden afgeleid die in het onderzoek worden getoetst, maar als een ad hoc middel om een bestaande empirische tegenstrijdigheid over het effect van een onafhankelijke variabele op te lossen. 

Maar die inzichten zijn niet met de wetenschappelijke methode tot stand gekomen,  hebben geen wetenschappelijke waarde en horen dus aan de kant te worden geschoven. De menselijke natuur is ons noodzakelijkerwijs onbekend, iets waar we niets van afweten. Ze liggen buiten het domein van de sociale feiten. Denk terug aan het citaat van Durkheim in het vorige bericht. 

Wat dit laat zien is dat het niet goed mogelijk is om aan die twee eisen van Durkheim te voldoen, de eis dat alleen "sociale feiten" wetenschappelijk zijn en de eis dat de sociologie een eigen domein heeft dat niet mag worden verlaten. 

Het toch aan die eisen willen vasthouden, wat dus het geval was in de tijd dat ik studeerde (en nog lang daarna), leverde dus een vak sociologie op met twee mankementen.. Meer daarover in het volgende bericht.