Posts tonen met het label persoonlijke domein. Alle posts tonen
Posts tonen met het label persoonlijke domein. Alle posts tonen

vrijdag 13 maart 2026

Over de potentie voor sociale verbetering die klaar ligt om te worden gerealiseerd. En over waarom dat niet gebeurt.

Onze sociale omgeving bestaat enerzijds uit onze persoonlijke relaties, gezinsleden, familie, vrienden buren, collega's. Maar daarbuiten hebben we een wijdere kring van buurtgenoten, dorps- of stadsgenoten, streekgenoten, landgenoten, ja zelfs, de kring van alle medemensen. Want hoewel we al die mensen in die wijdere kring niet persoonlijk kennen, zijn we via allerlei wegen wel van hun bestaan en vaak van hun wederwaardigheden op de hoogte. En we delen met hen een web van onderlinge afhankelijkheden. 

Met buurt-, dorps- en stadsgenoten creëren we een publieke ruimte, die als veiliger, afstandelijker of onveiliger kan worden ervaren. Met landgenoten delen we een democratisch verband, waarin iedereen hoort mee te tellen en houden we dat wel of niet in stand. Of als we in een dictatuur leven delen we een verband dat alles bij elkaar genomen die toestand van overheersing laat voortbestaan of er een einde aan maakt. En met alle medemensen op aarde delen we een verband met oorlogen of vrede of zelfs met een internationale rechtsorde als mogelijke uitkomsten. En met wel of niet de instandhouding van de voorwaarden voor het voortbestaan van de mensheid als uitkomst. 

Dat is het complexe sociale landschap waarin wij ons leven doorbrengen en waarin we een weg proberen te vinden. In die zoektocht zijn we aangewezen op wie we zijn, op wat we kunnen en willen, dat wil zeggen op onze innerlijk tegenstrijdige, en daardoor flexibele, sociale natuur. We zijn een sociale diersoort, die er op geselecteerd is om een sociaal veilige omgeving te zoeken. Die vinden we over het algemeen in dat domein van de persoonlijke en dus vertrouwde relaties. Daarin wordt gemakkelijk ieders gemeenschapsmoraal van iedereen-telt-mee geactiveerd, zodat we elkaar die verlangde sociale veiligheid verschaffen. Er gelden dat wat Homans in 1951 in The Human Group de waarden van de kleine groep noemde. 

Die moraal stond aan de oorsprong van de mensheidsgeschiedenis, toen het voortbestaan zo onzeker was geworden dat onze vroege voorouders alleen door samenwerken en delen konden overleven. Dat kon alleen slagen als iedereen er van uit kon gaan dat met hem/haar rekening zou worden gehouden, ook als het individueel een keer zou tegenzitten. En daar was weer voor nodig dat het rekening houden met anderen als een morele verplichting werd gevoeld. In plaats van als een altijd onzekere uitkomst van een rationele berekening aangestuurd door het individuele eigenbelang. Want die moraal moest daartegen opboksen, tegen het al bestaande vermogen tot onderlinge statuscompetitie, waarin het ieder-voor-zich voorop stond. 

Dat vermogen en de wil tot statuscompetitie staat tot onze beschikking en wordt gemakkelijk geactiveerd als we onze sociale omgeving als onveilig ervaren. En dat is meer het geval hoe meer we bij anderen dat statuscompetitiegedrag of signalen daarvan waarnemen. 

We zijn dus, uitgerust met die sociale flexibiliteit in de huidige maatschappij terechtgekomen. En precies in die wijdere sociale omgeving komt die ons van pas. Ieder van ons zoekt op eigen houtje de beste aanpassing. Die meer uit gemeenschapsgedrag bestaat, hoe meer ik datzelfde gedrag in mijn omgeving waarneem. En meer uit statuscompetitiegedrag, hoe meer dat zich voordoet. 

Met natuurlijk als complicatie dat we over het gedrag van anderen grotendeels heel indirect worden geïnformeerd. We nemen anderen waar in de publieke ruimte, op straat, in het verkeer, in het openbaar vervoer. Maar veel dringt tot ons door via de sociale media en de traditionele media. En al die waarnemingen, die natuurlijk maar een deel zijn van wat we hadden kunnen waarnemen, generaliseren we naar het geheel. En zo komen, vaak onder het expliciete bewustzijnsniveau, tot een inschatting van de veiligheid dan wel onveiligheid van onze wijdere sociale omgeving, die op zijn beurt ons eigen gedrag aanstuurt, in het ene geval meer gemeenschapsgedrag, in het andere geval meer statuscompetitiegedrag.

Maar het zoeken naar wat individueel de beste oplossing is, kan collectief gezien zowel tot een superieure uitkomst leiden, een gemeenschapstoestand, als tot een inferieure uitkomst, een statuscompetitietoestand. Inferieur omdat de onveiligheid van de strijd om status stressvol en ziekmakend is. En omdat die strijd ook de vorm van discriminatie, geweld, oorlog en zelfs genocide kan aannemen.

Oké, dat was de theorie. Nu een blik op de empirie. De aanleiding daartoe is het verschijnen van het rapport In 25-Country Survey, Americans Especially Likely To View Fellow Citizens as Morally Bad van het Pew Research Center. Ik kwam daarop terecht doordat Robert Reich erop attendeerde: Why do Americans hate each other while Canadians love each other?

In een groot aantal landen kreeg een representatieve steekproef van inwoners de vraag voorgelegd hoe ze "de moraal en ethiek" van hun landgenoten beoordelen, van heel goed tot heel slecht. Dat valt op te vatten als een meting van de gemiddelde inschatting van de mate waarin bij de inwoners het gemeenschapspatroon geactiveerd is. 

We zien dat die inschattingen tussen landen sterk uiteenlopen. De Verenigde Staten valt op als het enige land waarin een minderheid, 47 procent, hun landgenoten als moreel en ethisch goed inschat, terwijl dat percentage in Canada, dat met de V.S. een grens deelt van bijna 9000 kilometer, 92 bedraagt. In Nederland vindt 80 procent hun landgenoten moreel en ethisch goed.

Die diversiteit komt overeen met de vergelijkbare vraag in ander onderzoek naar het "interpersoneel vertrouwen", de vraag of in het algemeen andere mensen zijn te vertrouwen. Zie INTERPERSONAL
TRUST ACROSS THE WORLD
. 

Een en ander klopt met de gedachte dat mensen zich over dat wijdere sociale domein altijd op gebrekkige signalen moeten baseren, veel gebrekkiger dan als het gaat om het domein van de persoonlijke relaties. Het is waarschijnlijk ook geen toeval dat mij geen onderzoek bekend is naar hoe mensen de moraal van hun vertrouwde anderen inschatten. Of naar de mate waarin ze vertrouwde anderen vertrouwen. De kringen van persoonlijke relaties berusten immers over het algemeen juist op die moraal en op het onderlinge vertrouwen, vermoedelijk op de basis van selectie- en beïnvloedingsprocessen. Zie ook het bericht Over morele eilandjes in een boze buitenwereld, met onderzoek dat laat zien we in ons dagelijkse persoonlijke leven vooral met moreel gedrag in aanraking komen. En dat we vooral van horen zeggen en via de media over immorele gedragingen te weten komen.

Al met al is het dus vooral die wijdere sociale omgeving waarin wij tegenwoordig ook ons leven doorbrengen die het zo ingewikkeld maakt om de gewenste sociaal superieure gemeenschapstoestand te bereiken. Dat is tragisch, want hoe meer we daar dat immorele, statuscompetitieve gedrag we daar menen waar te nemen, hoe meer we ook zelf, als dat flexibele sociale wezen, daaraan meedoen. 

In dat wijdere sociale domein, van nationale staten en van de wereldbevolking, ligt dus vermoedelijk een aanzienlijke potentie aan sociale verbetering klaar om te worden gerealiseerd. Daar voor zou nodig zijn dat we veel beter over elkaars goede bedoelingen, dus over elkaars bereidheid tot gemeenschapsgedrag, geïnformeerd worden. Diezelfde flexibiliteit zou er dan voor zorgen dat "ons betere ik" geactiveerd wordt.

Maar wat dat betreft valt er van onze huidige media weinig goeds te verwachten.

woensdag 31 december 2025

Over het niet normaliseren en zo nodig verbieden van vuurwerk en het niet normaliseren en zo nodig verbieden van rechts-extremistische politieke partijen

Het ziet ernaar uit dat deze jaarwisseling de laatste is zonder een landelijk vuurwerkverbod. In het bijna afgelopen jaar hebben zowel de Tweede als de Eerste Kamer ingestemd met zo'n landelijk verbod. Een nieuwe regering zal en wil weinig anders kunnen doen dan die wens van de kamers in wetgeving om te zetten. Daar zal, volgens een enquête van Kieskompas en ANP, zo'n twee derde van de Nederlanders mee instemmen. 

Vuurwerk afsteken rondom de jaarwisseling is een gedrag waar de afstekers, en veel omstanders en toeschouwers, genoegen aan beleven. Het wordt ook gezien als een traditie en veel mensen ontlenen genoegen aan het in standhouden van tradities. In lijn daarmee riep het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed het afsteken van vuurwerk nog in 2015 uit tot Nederlands cultureel erfgoed.

Maar het is ook een gedrag dat schade en leed toebrengt. Er is een kans dat afstekers en omstanders fysiek letsel oplopen. En die schade en overlast nemen toe hoe meer vuurwerk er wordt gekocht en afgestoken. Zolang het op kleine schaal gebeurt, zijn degenen die overlast ondervinden bereid om die te accepteren. Ze hebben weliswaar moreel gezien het recht op het niet te hoeven ondergaan van schade en overlast, maar zolang die binnen de perken blijven, maken ze daar geen punt van. Je gunt anderen een pleziertje, zo lang het niet uit de hand loopt.

Maar het is dus wel uit de hand gelopen. In de loop van de afgelopen tientallen jaren zijn de verkoop en het afsteken van vuurwerk sterk toegenomen. Afstekers van vuurwerk zijn nog altijd een minderheid, maar hun gedrag heeft gevolgen voor veel anderen. Vlak na de jaarwisselingen worden er in de stedelijke gebieden sterk verhoogde concentraties fijnstof gemeten, meer dan wat alle wegverkeer samen in een heel jaar uitstoot. De zware metalen in vuurwerk (barium, antimoon, koper en strontium) zijn schadelijk voor het milieu en voor de gezondheid van mens en dier. Rond de jaarwisseling zijn eerste hulpposten en oogklinieken druk met het zo goed mogelijk behandelen van hand- en oogblessures, met vaak blijvende verminkingen. Het is ook uit de hand gelopen in de zin dat sommige afstekers hun vuurwerk inzetten tegen hulpverleners, politieagenten en brandweerlieden. Frank Straver en Stefan Keukenkamp geven vandaag in Trouw een overzicht van "de jaarlijkse schade en ellende": In cijfers: hoe vuurwerk een spoor van vernieling trok.

Toen tijdens de coronajaren 2020 en 2021 geen vuurwerk mocht worden verkocht, om de zorg te ontlasten, namen de letselcijfers drastisch af. Oogarts Tjeerd de Faber verklaarde daarna tegenover de Vaste Kamercommissie Veiligheid en Justitie:

„Ik zei: we hebben twee jaar eigenlijk een vuurwerkverbod gehad. Ik ben wetenschappelijk opgeleid. Als je tijdens een experiment een ziekmakende factor weghaalt en je ziet de ziektecijfers met 75 procent zakken, dan is er geen enkele medisch ethische commissie die zegt: laten we het toch maar terugdraaien om te kijken of het aantal slachtoffers dan weer omhoog gaat.”

Kortom, het wel of niet verbieden van vuurwerk is een ethische kwestie. Het gaat om een moreel afgekeurd gedrag, anderen schade toebrengen. Dat kan aanvankelijk en zolang het op kleine schaal plaatsvindt, getolereerd worden. Maar door die tolerantie kunnen meer mensen die aan dat gedrag genoegen ontlenen, zich erbij aansluiten. Dat het wordt geaccepteerd, zijn ze als een aanwijzing gaan zien dat het met die schade en de overlast wel meevalt. Het is niet iets waar je bij stil hoeft te staan. Als die schade echt zo groot was, dan zou het toch wel verboden worden? Dat maakt dat het niet verboden zijn niet alleen de problemen laat bestaan, maar daarbovenop vergroot.

En zo ontwikkelt zich het proces van het "uit de hand lopen". Het moreel afgekeurde gedrag wordt "genormaliseerd". Zo genormaliseerd dat het zelfs tot het culturele erfgoed werd gerekend.

Sociaalwetenschappelijk gezien hebben we hier te maken met een interessant geval van complicaties bij het naleven van het morele grondprincipe van het anderen geen schade of leed toebrengen. Dat grondprincipe is de kern van het gemeenschapspatroon van het iedereen-telt-mee waartoe mensen in hun gedrag tegenover anderen in staat zijn. Je hoort anderen zo nodig te hulp te schieten als je daartoe in staat bent, maar minimaal hoor je met hun welzijn en belangen rekening te houden en hen dus niet te benadelen.

We weten dat mensen daartegenover ook in staat zijn tot het amorele ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon. Je ziet dan anderen als tegenstrevers en vijanden, die op eigen gewin uit zijn, juist ook als dat ten koste van jou gaat. Als dat patroon in ons gedrag domineert, dan brengen we met zijn allen een sociaal inferieure toestand tot stand. Onze gemeenschapsmoraal hebben we nodig om het statuscompetitiepatroon te ontmoedigen en te onderdrukken.

Complicaties ontstaan doordat we tegenwoordig niet alleen verkeren in het domein van de vertrouwde, persoonlijke relaties, het domein waarin lang geleden dat morele grondprincipe evolueerde, maar ook in het domein van de onpersoonlijke, anonieme relaties. Zoals in het domein van de democratie, waarin dat morele grondprincipe van het iedereen-telt-mee vorm krijgt in het algemeen kiesrecht. Waarin we met miljoenen anderen in een veel meer abstracte, want onpersoonlijke, zin zijn verbonden. 

In dat domein wordt bij ons het gemeenschapspatroon minder direct, minder "automatisch" geactiveerd. Want we verkeren meer in sociale onzekerheid. We weten niet goed hoe anderen zich opstellen. Misschien is ook bij hen het gemeenschapspatroon geactiveerd, maar het kan ook zijn dat het ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon actief is. Terwijl in het domein van de persoonlijke relaties meestal het gemeenschapsevenwicht ontstaat, behoort in het onpersoonlijke, anonieme domein ook een beweging in de richting van het statuscompetitie-evenwicht tot de mogelijkheden. 

Anders gezegd, in het persoonlijke domein ervaren we over het algemeen de sociale veiligheid van de verwachting dat de anderen het goed met ons voor hebben, terwijl we daar in het onpersoonlijke domein niet standaard van uit gaan. De democratie is wel bedoeld om sociale veiligheid te verschaffen (denk aan "de gemeenschap georganiseerd in de staat" en "We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal,...), maar die bedoeling wordt altijd maar beperkt gerealiseerd. Dat zien we terug in de verdeling van politieke voorkeuren van links tot rechts, want uit onderzoek is bekend dat mensen bij wie meer het gemeenschapspatroon geactiveerd is, meer links stemmen en dat mensen bij wie meer het statuscompetitiepatroon actief is, meer rechts stemmen.

Terug naar dat vuurwerk. Het proces van uit de hand lopen kon zich ontwikkelen doordat we aanvankelijk bereid waren om de afstekers van vuurwerk hun pleziertje te gunnen. Maar daardoor nam het aantal vuurwerkafstekers toe. Doordat anderen ook dat pleziertje wilden. Maar ook doordat het belang van dat morele grondprincipe van het anderen geen leed of schade toebrengen minder manifest werd. Mensen zijn nu eenmaal geen morele automaten. Als er aanwijzingen zijn dat een morele overtreding getolereerd wordt, dan is het gemakkelijker om hem te begaan. Ook al doordat dit alles zich afspeelt in dat onpersoonlijke, anonieme domein.

Een tweede complicerende factor is die van de schaalgrootte. Al die negatieve effecten van vuurwerk afsteken treden op doordat het zo massaal gebeurt. Doordat het al uit de hand is gelopen. Dan geldt voor iedereen afzonderlijk dat de eigen bijdrage tot die negatieve effecten maar zeer gering is. Iedereen ziet de bijdrage van zijn vuurwerk tot de totale schade en ellende als verwaarloosbaar. Sociaalwetenschappelijk staat dat bekend als het publieke goed dilemma: niemand wil die schade en ellende, maar die is wel de uitkomst van de optelsom van alle individuele gedragingen. Onze moraal "dient" nu juist om die sociaal inferieure uitkomst zo veel mogelijk te voorkomen.

En zo dringt zich het inzicht op dat het probleem van het uit de hand gelopen vuurwerk afsteken staat voor het algemenere probleem van de altijd onvolkomen werking van de moraal in het grootschalige, onpersoonlijke sociale domein. En dus ook in het domein van de democratie. Want het is niet toevallig dat het in de Tweede Kamer (op de SP na) vooral de linkse partijen waren die het landelijk vuurwerkverbod ondersteunden en dat de rechtse partijen, PVV, BBB, FvD en JA21, tegen stemden. Dat komt ermee overeen dat de stemmers op de Partij voor de Dieren, GroenLinks/PvdA en Volt het meest voor een verbod zijn en de stemmers op Forum voor Democratie, PVV, BBB en JA21 het vaakst tegen.

In die zin is het uit de hand gelopen probleem van het vuurwerk afsteken te vergelijken met het uit de hand gelopen probleem van het rechts-extremisme in de politiek. De schade en ellende van het vuurwerk tijdens de jaarwisseling moest, na aanvankelijke tolerantie en "normalisering", uiteindelijk ingedamd worden door een landelijk vuurwerkverbod. Zo zal ook de schade en ellende van het uit de hand gelopen rechts-extremisme, na de huidige tolerantie en "normalisering", misschien ook een keer door een verbod op rechts-extremistische politiek partijen moeten worden ingedamd. 

dinsdag 18 november 2014

Hoe komt het dat we meer statusgedrag bij anderen zien dan bij ons zelf? Een sociaal informatieprobleem

Uit onderzoek blijkt dat wij statusgedrag afkeuren en het meer waarnemen bij anderen dan bij onszelf. Ik besprak dat onderzoek in het bericht Statusgedrag zien we wel bij anderen, maar niet bij onszelf. Volgens de onderzoekers komt dat resultaat er uit voort dat mensen dat afkeurenswaardige gedrag van zichzelf niet willen toegeven. Misschien omdat wij van onszelf graag een positief beeld hebben. Onze zelfwaarneming zou dus verstoord zijn in de meer rooskleurige richting.

Uitkomsten van sociaalwetenschappelijk onderzoek zijn vaak wel duidelijk. Iets is zo of het is niet zo. Maar hoe je die uitkomst dan moet interpreteren, is een tweede. 

In dat bericht ging ik een eind mee met de interpretatie van de onderzoekers. Er van uitgaande dat statusgedrag een natuurlijk gedrag is, dat wij dus meestal automatisch en onbewust uitvoeren, bedacht ik dat we het van onszelf minder gemakkelijk opmerken dan van anderen. Ik citeer mezelf:
Een antwoord zou kunnen zijn dat veel van dat statusgedrag zo natuurlijk is, dat we ons er maar weinig van bewust zijn. We zijn al bezig met ons beter voor te doen dan we eigenlijk zijn zonder dat we daar over hebben nagedacht. Het verbergen van onze zwaktes en kwetsbaarheden, dat doen we als vanzelf. En waar je niet bij stilstaat, dat weet je niet van jezelf.
Bij anderen zie je het gemakkelijker, want dan ben je de toeschouwer die even de tijd kan nemen om zich af te vragen waar hij naar kijkt.
Maar toeschouwer zijn van je eigen gedrag, dat is veel moeilijker.
In beide interpretaties gaat het dus om een verstoorde waarneming die veroorzaakt dat we statusgedrag meer bij anderen zien dan bij onszelf.

Het zou kunnen. Maar ik bleef er over nadenken en bedacht dat je er ook anders naar kunt kijken.

Want hoe komt onze waarneming van ons eigen gedrag en van het gedrag van anderen tot stand? Ons eigen gedrag nemen we waar in alle situaties waarin we komen te verkeren. Zowel in de omgang met familie en vrienden, dus in het domein van de vertrouwde, persoonlijke relaties, als in de omgang met degenen die verder van ons af staan of zelfs met vreemden. Dat laatste is het (publieke) domein van de onpersoonlijke relaties.

Maar kijk nu naar alle anderen waarvan we gedrag waarnemen. Het grootste deel van die waarnemingen speelt zich af in dat publieke domein. Want daar is waar we de meeste mensen tegenkomen. Of waarover we informatie krijgen via de media, zoals door wat we zien als we naar televisiepersoonlijkheden zitten te kijken. Per dag doen we veel meer van dat soort waarnemingen, verspreid over een veel groter aantal personen, dan dat we in onze eigen vertrouwde kring doen van vrienden en familie.

Als dat zo is, dan is de waarneming van het gedrag van anderen meer een specifieke selectie daarvan dan van ons eigen gedrag. Het gedrag van anderen in het publieke domein is oververtegenwoordigd. Want die vele anderen waarover we iets te weten komen, die maken we niet mee in hun eigen persoonlijke domein. Er zijn immers maar weinigen onder hen die we persoonlijk kennen en bij wie we over de vloer komen.

Wat betekent dat? Het betekent dat we meer met statusgedrag van anderen in aanraking komen dan met statusgedrag van onszelf. Want we zijn met zijn allen meer met statuscompetitie bezig in dat publieke domein. Omdat we elkaar daar niet zo goed kennen, proberen we om ons beter voor te doen dan we zijn. We maken ons daar drukker om status, prestige en de dunk die anderen van ons hebben.

In het persoonlijke domein is al dat statusgedoe veel minder aanwezig. Sterker, daarin keuren we het af. Stel je niet zo aan. Doe maar gewoon. Als we elkaar goed kennen, weten we van elkaar wat voor vlees we in de kuip hebben. En laten we ons niet intimideren of overheersen of een rad voor ogen draaien.

Omdat het publieke gedrag van anderen in onze waarnemingen oververtegenwoordigd is, wekt dat bij ons dus de indruk dat anderen veel meer met statuscompetitie bezig zijn dan wijzelf.

En dat is wel vervelend. Want ieder van ons gaat daardoor denken dat de maatschappij als geheel meer beheerst wordt door statuscompetitie dan hij in werkelijkheid is. We hebben hier te maken met een probleem van onvolledige sociale informatie.

En sociale beïnvloeding zorgt er dan voor dat we verleid worden om aan die statuscompetitie mee te doen. Dat lijkt op een ingebouwde positieve feedback, die steeds meer statuscompetitie genereert.

woensdag 30 oktober 2013

Vooroordelen, vuistregels, sociale zeepbellen en ideologieën. Zullen we ooit het publieke domein onder de knie krijgen?

We leven in een maatschappij met een omvangrijk publiek domein. Dat is het sociale domein dat bestaat uit alle mensen, relaties, omstandigheden en gebeurtenissen waar we geen directe, op persoonlijke ervaringen berustende kennis van hebben. In vergelijking met het persoonlijke domein, dat van de familie en vrienden waarmee we een persoonlijke geschiedenis delen, is onze relatie met het publieke domein er een van een fundamenteel informatietekort. Vrijwel alles wat we weten of menen te weten, hebben we van horen zeggen. Sommigen van ons doen hun best om dat informatietekort te verminderen. Ze lezen kranten, ze raadplegen boeken en internet en ze volgen het (sociaalwetenschappelijk) onderzoek. Maar verreweg de meesten maken zich afhankelijk van wat ze zoal horen en onder ogen krijgen bij hun dagelijkse bezigheden die op andere zaken gericht zijn.

Nou en? Zou je kunnen denken. Maar zo gemakkelijk kom je er niet van af. Want onze lotgevallen zijn met wat er in dat publieke domein gebeurt wel innig verbonden. Wat al die anderen die we niet persoonlijk kennen, doen en nalaten, in economie, openbaar bestuur en politiek, daar van ondervinden we wel de gevolgen. Denk maar aan werkloos worden als gevolg van een economische recessie die door een ten onrechte gedereguleerde bankensector is veroorzaakt. En denk er aan wat het dan voor verschil maakt of je in een land leeft met een behoorlijke sociale zekerheid of niet.

Afhankelijk zijn van het onbekende maakt onzeker. Dat heeft emotionele gevolgen (stress), maar ook cognitieve. Want we kunnen die onaangename onzekerheid verminderen door op vuistregels te vertrouwen. Niet door de feiten gestaafde inzichten, die echter wel plausibel lijken en die in ieder geval niet overduidelijk door die feiten weerlegd worden. Zo'n vuistregel is bijvoorbeeld dat je de meeste mensen (die je niet persoonlijk kent) wel kunt vertrouwen. Of dat je ze juist niet kunt vertrouwen. Of neem de nog concretere vuistregel dat je altijd maar beter je fiets op slot kunt zetten.

Vooroordelen zijn ook vuistregels. Als we andere mensen niet kennen, hebben we snel de neiging om ze in groepen in te delen en ze binnen die groepen over een kam te scheren. Zie het vorige bericht. Die vooroordelen zijn vaak negatief. Dat zal er mee te maken hebben dat evolutionair gezien overdreven angst en behoedzaamheid succesvoller zijn dan te grote naïviteit en lichtzinnigheid.

Maar evenzeer zijn er vuistregels in de vorm van sociale zeepbellen en ideologieën. Zoals de sociale zeepbel dat het een goed idee is om als overheid te bezuinigen in een balansrecessie. En de (neoliberale) ideologie dat overheidsingrijpen in het marktmechanisme als regel meer kwaad dan goed doet. In een volgend bericht meer aandacht voor deze vuistregels aan de hand van enkele actualiteiten.

Dat allemaal in het kader van de vraag of we het publieke domein wel ooit onder de knie zullen krijgen. De vuistregel is misschien: nee, dat zullen we niet.

maandag 28 oktober 2013

Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt

Hoe komen we van het bestaan van vooroordelen af? En daarmee van de vaak gewelddadige conflicten die uit vooroordelen voortkomen?

Een in de sociale wetenschappen bekend antwoord op die vragen is dat vooroordelen die verschillende groepen over elkaar hebben, verminderen als de leden van die groepen meer contacten over en weer hebben. Dit heet wel de contacthypothese en die werd door de sociaal psycholoog Gordon Allport in 1954 geïntroduceerd in zijn boek The Nature of Prejudice.

Ananthi Al Ramiah en Miles Hewstone geven nu in Intergroup Contact as a Tool for Reducing, Resolving, and Preventing Intergroup Conflict Evidence, Limitations, and Potential (betaalpoort) een mooi overzicht van al het onderzoek dat is gedaan om te checken of die hypothese klopt. Daarmee bouwen ze voort op de studie A meta-analytic test of intergroup contact theory van Pettigrew en Tropp uit 2006, die de data van ruim 500 studies bij elkaar veegden en analyseerden.

Al dat onderzoek heeft opgeleverd dat het inderdaad klopt dat door meer persoonlijk contact tussen leden van verschillende groepen met negatieve vooroordelen over elkaar, die vooroordelen verminderen. Waardoor naar verwachting ook de kans op gewelddadige conflicten of onderdrukking van minderheden vermindert.

Dit is zonder meer een van die onderzoeksgebieden waarmee de sociale wetenschappen hun grote maatschappelijke belang bewijzen. Wij leven dicht bij huis en wereldwijd in maatschappelijke verhoudingen met groepsgrenzen naar nationaliteit, etniciteit, religie, cultuur en sociaaleconomische status. Daardoor ontwikkelen we gemakkelijk vooroordelen, vooral negatieve, over leden van andere groepen. Die zijn vaak onschuldig. Maar als daar echte of vermeende belangenconflicten bij komen, die ideologisch aangewakkerd worden, dan ontstaan gevaarlijke toestanden.

Na de gruwelen van het Hitler-bewind, met de genocide op Joden, Roma, homo's en gehandicapten, en die van het Stalin-regime hebben we (ik ben van 1943) een poos gedacht dat zoiets voorgoed geschiedenis was, maar die optimistische tijd is al lang voorbij. In Europa hadden we Noord-Ierland en in de jaren 90 de moordpartijen in het voormalige Joegoslavië. En hebben we nu het door de economische crisis en het rampzalige bezuinigingsbeleid oplevende rechts-extremisme. Zie ook nog eens Verontrustend actueel. En buiten Europa hadden we de apartheid in Zuid-Afrika en de Verenigde Staten en de verschrikkingen in China (Mao), in Cambodja (Pol Pot) en de moordpartijen in Congo, Rwanda, Darfur en Sudan. Het gaat ergens over.

Inzicht in de gunstige werking van persoonlijke contacten is dus van groot belang. Enkele zaken die me opvielen bij het lezen van dat artikel van Al Ramiah en Hewstone zijn:
  1. Er zijn aanwijzingen dat persoonlijke contacten met leden van een andere groep ook vooroordelen vermindert over leden van andere groepen waarmee geen persoonlijk contact bestaat. De werking er van is algemener. Kennelijk zijn mensen in staat om uit het niet kloppen van vooroordelen in het ene geval te concluderen dat ze dan misschien wel in het algemeen niet kloppen. Ze worden in het algemeen toleranter, ruimdenkender en realistischer.
  2. Waardoor vermindert dat contact de bestaande vooroordelen? Doordat de angst voor de anderen er door vermindert en doordat empathie toeneemt. Dat moet er mee te maken hebben dat mensen elkaar gewoon beter leren kennen. Er ontstaat iets van die onderlinge vertrouwdheid die in de eigen groep vanzelfsprekend is en die mensen nodig hebben om samen te kunnen leven. Denk aan die Paleo Sociale Omgeving, waarin de mensheid is geëvolueerd. Die sociale omgeving is nog altijd een model voor menselijk samenleven dat we niet straffeloos blijken te kunnen negeren.
  3. Meer persoonlijk contact vermindert niet alleen vooroordelen, maar vergroot ook het vertrouwen, de vergevingsgezindheid en de bereidheid tot verzoening. Dat zijn ook de eigenschappen die kenmerkend zijn voor de Paleo Sociale Omgeving.
  4. Is het alleen het persoonlijke contact dat deze gunstige effecten heeft? Nee, er zijn aanwijzingen dat ook virtueel contact helpt (internet). En ook parasociale contacten, dus het meer leren over andere groepen en culturen door het kijken naar televisieprogramma's. Ook hoef je het contact niet eens zelf te hebben. Als je vrienden hebt met zulke contacten, verminderen ook jouw vooroordelen.
We kunnen dus wel degelijk wat doen om vooroordelen terug te dringen en zo bij te dragen tot een vreedzamere wereld. Er is zonder meer een taak voor de media weggelegd. Alleen is het de vraag of we daar in de regelgeving (publieke omroep!) wel voldoende rekening mee houden.

En ik moest er ineens aan denken dat die vroegere militaire dienstplicht, naast alle nadelen, wel het voordeel had dat je maatjes werd met anderen van verschillende rangen en standen. Wat dat aangaat, hadden we die dienstplicht nu misschien wel goed kunnen gebruiken.

zondag 26 augustus 2012

Beoordeel politici op hun beleidsvoorstellen, niet op de indruk die je hebt van hun karakter - Paul Krugman

Paul Krugman waarschuwt er voor om politici te beoordelen op hun karakter. Zie de link onderaan dit bericht.

Hij doet dat naar aanleiding van de zogenaamde Very Serious People in de Verenigde Staten die wel wat zien in Paul Ryan, de vice-presidentskandidaat van Mitt Romney, omdat die zo "aardig, serieus en redelijk" overkomt. En die daardoor geneigd zijn om aanwijzingen over de harde werkelijkheid van zijn beleidsvoorstellen te negeren of van de hand te wijzen.

Het punt is dat we, in Krugmans woorden, niet zo goed zijn in "the character-sniffing thing". Dus in het (correct) opsnuiven van iemands karakter, op basis van televisie-optredens. "Bedenk dat we George Bush ooit zagen als een rondborstige, eerlijke vent."

In ons persoonlijke leven hebben we volop de mogelijkheid om mensen grondig te leren kennen. Zo grondig dat we er niet meer over na denken hoe we die inzichten hebben verkregen. Misschien maakt dat ons te weinig kritisch over de personen die we alleen maar van het publieke leven, van televisie-optredens, kennen.

Ik denk dus dat Krugman helemaal gelijk heeft. En dat het een waarschuwing is die we zouden moeten rondbazuinen. Want het lijkt in de politiek juist steeds meer te gaan om het karakter en de persoonlijkheid van de politieke leiders. Daarbij bevinden we ons steeds meer op glad ijs.

Hoe komt dat eigenlijk? Doordat zowel de politici zelf als ook hun kiezers steeds minder moeite doen om zich goed te informeren? En doordat de media en de journalisten daarin slaafs volgen? Omdat ze daartoe door onderlinge concurrentie om de kijkcijfers en de abonnee's wel gedwongen worden? Ik denk het. Als alles om winst en rendement draait en als goed informeren en goed geïnformeerd zijn niet winstgevend zijn, ja, wat kun je dan anders verwachten?

Het maakt de kans groter dat politici opkomen die vlot en aardig en competent weten over te komen, maar die de politiek gebruiken om hun persoonlijke belangen, hun behoefte aan machtsuitoefening en/of hun (ideologische) obsessies na te jagen. (Ik wilde nu een paar voorbeelden noemen, maar wist niet meer waar te stoppen.)

Ayn And The Apologists - NYTimes.com:

'via Blog this'

zaterdag 4 augustus 2012

Over de broekriem en het huishoudboekje - Nog eens over de gevaren van beeldspraak in het publieke domein

Als we nadenken over oplossingen voor problemen in het publieke domein, zoals nu het probleem van de eurocrisis en de economische crisis in het algemeen, is het verleidelijk om dat te doen zoals we ook nadenken over het persoonlijke domein, dat van gezin, familie en vrienden. Dat is niet altijd, maar soms wel verkeerd. En dan heel verkeerd.

Eerder, in dit bericht, wees ik op de gevaren van het gebruiken van de beeldspraak van de broekriem die moet worden aangehaald als je teveel hebt uitgegeven. Die beeldspraak is goed van toepassing op het persoonlijke domein van het huishouden. Maar niet op het publieke domein van een overheid, die, in plaats van een huishouden een hele economie moet bestieren. Ik neem nog maar even dit citaat van Robert Shiller op uit dat vorige bericht:
wat verstandig is voor het huishouden is niet verstandig voor de maatschappij als geheel. Dit idee, soms de paradox van de zuinigheid genoemd, is dat als we allemaal tegelijk de broekriem aanhalen, de economie zo verzwakt wordt dat we uiteindelijk minder kunnen besparen, en integendeel allemaal slechter af zijn. Als dat gebeurt, dan is er collectieve actie - overheidsstimulering - nodig.
Eigenlijk is dit een eenvoudig te begrijpen inzicht. Als je er niet naar handelt, maak je de fallacy of composition, de fout van het ten onrechte geldig verklaren van inzichten in de werking van een deel op de werking van het samengestelde geheel. Zie ook nog eens dit bericht, mijn eerste bericht over de bezuinigingszeepbel.

Naast die van de broekriem kom je ook veel de beeldspraak van het huishoudboekje tegen. Waarmee dezelfde fout gemaakt wordt. Teruggekomen van vakantie en de stapel kranten door nemend, kwam ik het opiniestuk "Van schulden is een land nooit ziek geworden" in de Volkskrant van 25 juli van Steven Brakman en Dirk Bezemer tegen. Ze nemen nog maar weer eens de moeite om uit te leggen dat die beeldspraak van het huishoudboekje niet goed van toepassing is op het probleem van overheidsschulden. Voor niet-abonnees is de tekst hier te vinden. Lees het, want het is een verademing, in deze tijd waarin veel politici en, helaas, economen in het verleden verworven inzichten luchthartig en waarschijnlijk onwetend, maar in ieder geval onverantwoordelijk, negeren. Ik las met instemming deze reactie van Jacob Jurg:
Zolang er nog ingezonden brieven nodig zijn om duidelijk te maken wat vroeger voor zich sprak (volgt verwijzing naar het stuk van Brakman en Bezemer), namelijk dat micro-economie niet hetzelfde is als macro-economie, zal het doormodderen blijven.

zondag 20 mei 2012

Bezuinigers gevangen in de beeldspraak van de broekriem - Robert Shiller

Ook Robert Shiller buigt zich over de vraag hoe de bezuinigingszeepbel kon ontstaan en zich kan handhaven, zij het met steeds meer moeite. Zie de link onderaan dit bericht. Zeker als het gaat om het publieke domein, wordt ons denken sterk gestuurd door metaforen. Bij onvolledige informatie kunnen we in ons denken in de ban raken van beeldspraak die suggereert dat we de kennis die we wel hebben eenvoudig kunnen overhevelen naar een minder bekend gebied. En zo kan de illusie ontstaan dat we middels een metafoor tot een geïnformeerd oordeel zijn gekomen.

In het geval van de bezuinigingszeepbel gaat het om de metafoor van het huishouden dat de broekriem moet aantrekken als het teveel geld heeft uitgegeven. En die metafoor is krachtig, want hij sluit aan bij de sterke morele intuïties van verantwoordelijk gedrag. Maar die intuïtie verwerven we in het domein van de persoonlijke relaties, waarover we als regel veel beter geïnformeerd zijn dan over het publieke domein. Dan ligt de fout op de loer dat we hem onvoldoende geïnformeerd toepassen op de publieke domein. Zie ook nog eens dit bericht.

De aanhangers van het bezuinigen als oplossing van de economische crisis gebruiken graag de metafoor van het huishouden dat de broekriem moet aanhalen als richtlijn voor wat de overheid moet doen. Wat moreel goed voelt, moet ook wel het juiste overheidsbeleid zijn. Iemand die daaraan twijfelt, moet wel haast immoreel of onverantwoordelijk zijn. Vandaar dat de bezuinigers ("austerians") in Nederland graag van zichzelf en van elkaar zeggen dat ze "hun verantwoordelijkheid nemen", daarmee implicerend dat hun tegenstanders onverantwoordelijk handelen. En vandaar dat Premier Cameron het "gevaarlijke stemmen" noemt die oproepen om het bezuinigingspad te verlaten. Zie hier (vierde alinea) en zie Paul Krugman daarover (hier). En Simon Wren-Lewis.

Zakelijke discussies worden lastig als zulke onjuiste metaforen in het spel zijn gebracht. Paul Krugman en anderen laten steeds maar zien dat de bezuinigers het feitelijk bij het verkeerde eind hebben. Maar het lijkt weinig uit te halen, omdat de bezuinigers er alleen maar de kracht van de metafoor tegenover hoeven te stellen om, althans in eigen ogen en die van hun aanhangers, hun gelijk te bevestigen.

Ook Shiller geeft nog weer eens de goede zakelijke argumenten voor een stimuleringsbeleid, in plaats van bezuinigen, in een tijd van oplopende werkloosheid waarin de private consumptie is ingestort. En hij noemt maar weer eens de paradox van de zuinigheid:
wat verstandig is voor het huishouden is niet verstandig voor de maatschappij als geheel. Dit idee, soms de paradox van de zuinigheid genoemd, is dat als we allemaal tegelijk de broekriem aanhalen, de economie zo verzwakt wordt dat we uiteindelijk minder kunnen besparen, en integendeel allemaal slechter af zijn. Als dat gebeurt, dan is er collectieve actie - overheidsstimulering - nodig.
Als al die zakelijke argumentatie onvoldoende helpt, moeten we dan niet een tegengestelde metafoor bedenken die net zo krachtig is? Shiller stelt de metafoor van de "winter op de boerderij" voor. Als de winter invalt is er op de familieboerderij niet voldoende werk. Moeten de gezinsleden dan maar de hele winter niets doen (werkloos zijn)? Of is het niet beter om de winter te gebruiken voor langere termijn-projecten, zoals het repareren van de schuur, het graven van een bron of het bouwen van een afrastering?

Zit wat in, zou ik zeggen.

Maar Peter Dorman is er niet helemaal tevreden mee. Want die winter suggereert dat het probleem iets is wat van buiten komt, terwijl de economische winter nu juist zelf is gecreëerd. Hij stelt daarom het volgende voor (mijn vertaling):
er is een land ver hier vandaan met maar twee boeren en hun gezinnen. De een verbouwt tarwe en de ander houdt koeien voor de melk. Elk produceert voor zichzelf en verkoopt wat overblijft aan de andere boer. Op een dag besluit de melkveehouder om een koolhydraatarm dieet te gaan volgen en de aankoop van tarwe door het gezin terug te brengen. Het inkomen van de bouwboer daalt en het gezin houdt een spoedvergadering om uit te vinden wat hier aan toe doen. "Ons inkomen is gedaald," zegt de bouwboer, "en we hebben geen ander alternatief dan de broekriem aan te halen. Dit betekent dat we minder melk kunnen aanschaffen." En zo geschiedt. Maar dan daalt ook het inkomen van de melkveehouder en zij houden ook een vergadering, met als resultaat dat ze nog minder tarwe gaan kopen. En zo gaat het door, heen en weer, totdat beide gezinnen helemaal geen inkomen meer hebben en iedereen op een houtje moet bijten.
Een eenvoudige en krachtige metafoor, lijkt me. Om er het land mee in te gaan. Net zo als je soms intimidatie met intimidatie moet bestrijden, moet je soms ook een verkeerde metafoor onschadelijk maken door een goede.

How National Belt-Tightening Goes Awry - Economic View - NYTimes.com:

'via Blog this'

donderdag 26 april 2012

Wat is nú het hoofdverhaal voor de politiek? En voor de verkiezingen?

Politieke partijen hebben een hoofdverhaal ("master narrative") nodig om aan kiezers voor te leggen. De politiek speelt zich af in en gaat over het publieke domein. Het domein waarin we collectief beslissen over hoe onze maatschappij het beste kan worden ingericht. Over dat domein zijn we altijd minder goed geïnformeerd dan over ons eigen persoonlijke sociale domein. Maar in dat persoonlijke domein ontstaan wel onze morele intuïties, waarmee we ook het publieke domein beoordelen. Politieke (of ideologische) hoofdverhalen hebben dus ook altijd morele funderingen. Wat bepaalt het succes van een hoofdverhaal?

Drew Westen betoogt in zijn The Political Brain (2007) dat een succesvolle politieke beweging een hoofdverhaal moet hebben dat het ontstaan van onze huidige problemen uitlegt en laat zien waarom die beweging de oplossing heeft. (Ik baseer mijn weergave van het betoog van Westen op dit artikel van Haidt, Graham en Joseph uit 2009.) Dat hoofdverhaal moet een begintoestand hebben, er moeten hoofdpersonen in optreden, er moet een probleem of obstakel zijn, er moeten schurken zijn die in de weg staan, er moet zich een conflict of botsing voordoen en er moet tenslotte een ontknoping zijn. Succesvolle ideologieën hebben altijd al deze ingrediënten.

Maar wat is succesvol? Er is succes op de korte termijn en dat is de winst bij de volgende verkiezingen. Als je alleen op die korte termijn stuurt, dan zul je vooral zorgvuldig proberen om alle genoemde ingrediënten in je verhaal op te nemen. En het verhaal zo in te kleden dat het zo goed mogelijk tegemoetkomt aan de morele intuïties van de kiezers die je hoopt aan te trekken. Veel hoofdverhalen die je tegenkomt, lijken vooral op het korte termijn-succes gericht.

Maar als je ook naar de langere termijn kijkt, dan zul je daarnaast ook streven naar een zo goed mogelijke fundering van je hoofdverhaal in de feiten. Want hoe beter je doorgrondt wat er zich in dat publieke domein heeft afgespeeld en afspeelt, hoe waarheidsgetrouwer je de begintoestand kunt karakteriseren, de hoofdpersonen kunt aanwijzen, het probleem en het conflict kunt omschrijven en de ontknoping kunt schilderen. En die waarheidsgetrouwheid maakt ook een betere morele beoordeling mogelijk.

Wat lijkt nu het hoofdverhaal te zijn dat voor de korte, maar ook voor de lange, termijn succesvol is? En dat ook nog voldoet aan de eis dat het in een paar zinnen valt te vertellen? Ik had al een poos het gevoel dat dat verhaal voor het grijpen ligt. En gisteren zag ik het ineens voor me. Ik las het volgende:
Toen de onverantwoorde risico's - die de financiële markten door falend overheidstoezicht de afgelopen 20 jaar konden nemen - in 2008 de systeemcrisis blootlegden, kozen politici ervoor banken met belastinggeld van de bevolking overeind te houden.
Nu nationale begrotingen daardoor tekorten vertonen, eisen de financiële markten via hun politieke connecties dat regeringen door bezuinigingen nog meer geld bij de bevolking weghalen, zodat die in wezen twee keer betaalt voor de hebzucht van deze gokkerselite.
De politicus die zich openlijk tegen dit fundamenteel onrechtvaardige financieel-economische stelsel en het dictaat van de financiële markten durft uit te spreken, zou weleens een fikse verkiezingsoverwinning kunnen boeken.
Alle ingrediënten zijn aanwezig. En de fundering in de feiten lijkt mij, zacht gezegd, heel behoorlijk. Waar las ik deze regels? In de rubriek Geachte Redactie van de Volkskrant van gisteren. Geschreven door Gerard Aartsen, Amsterdam. Politici, doe er uw voordeel mee.

donderdag 15 maart 2012

Tijd om het kapitalisme te redden van zijn excessen. Robert Reich

Een helder verhaal van Robert Reich, minister van Arbeid in de regering-Clinton, auteur van o.a. Supercapitalism en recentelijk van Aftershock, over de teloorgang van de moraal in het publieke domein. En over het belang van het maken van onderscheid met de moraal van het persoonlijke domein. Hij sluit af met:
Het is wederom tijd om het kapitalisme te redden van zijn eigen excessen - en om een nieuw tijdperk van hervorming te baseren op de publieke moraal en op gezond verstand.
Zie ook mijn eerdere berichten over morele intuïties in het publieke (onpersoonlijke) domein en in het persoonlijke domein.
Robert Reich (The Difference Between Private and Public Morality):

'via Blog this'

maandag 6 februari 2012

Morele intuïties in het persoonlijke en onpersoonlijke domein

Jonathan Haidt is bekend geworden met de volgende twee inzichten die hij met zijn onderzoek meer of minder (de meningen verschillen) heeft onderbouwd:
  1. onze morele oordelen komen voort uit met emotie geladen intuïties over "wat deugt" en "wat niet deugt". Die intuïties leren we grotendeels onbewust aan gedurende het opgroeien in een morele gemeenschap. Het vermogen om ze makkelijk aan te leren is aangeboren. Verstandelijk redeneren komt er alleen bij kijken als morele oordelen over een handeling tussen mensen verschillen en als mensen dan proberen om elkaar te overtuigen.
  2. er zijn zes van zulke morele intuïties, die elk met twee tegenstellingen van "goed" tegenover "kwaad" kunnen worden gekarakteriseerd: zorgen/leed toebrengen, rechtvaardigheid/bedrog, vrijheid/overheersing, loyaliteit/verraad, gezag aanvaarden/gezag ondermijnen en heiligheid/ontering.
In het artikel over Haidt waar ik naar link in het bericht waar ik hierboven naar link (!), gaat het vooral over de toepassing van deze inzichten op onze oordelen over politiek en maatschappij. Dus over het publieke, onpersoonlijke domein. Het gaat dan bijvoorbeeld over hoe groot de verschillen tussen arm en rijk mogen zijn en over hoe streng misdrijven moeten worden bestraft.

Maar die morele intuïties verwerven we in het persoonlijke domein, in het sociale netwerk van familie en vrienden waarin we opgroeien. En het zijn vooral de intuïties van het gemeenschapsgedrag die we daar leren: je hoort voor elkaar te zorgen (of elkaar in ieder geval de ander geen leed berokkenen), je moet eerlijk zijn tegenover elkaar (in ieder geval de ander niet bedriegen), je moet elkaar in elkaars vrijheid laten (in ieder geval niet de ander willen overheersen) en je hoort onderling loyaal te zijn zodat je op elkaar kunt rekenen (in plaats van de ander te verraden en te laten vallen).

De resterende twee (gezag aanvaarden/gezag ondermijnen en heiligheid/ontering) zijn, lijkt mij, eigenlijk meer morele intuïties die ons er toe aanzetten om in een statushiërarchie te functioneren. Gezag komt van boven en het is maar beter om het te respecteren. En alles wat van boven komt heeft ook altijd een zweem van heiligheid en dat hoor je dus niet te onteren.

Als Haidt gelijk heeft dat wij ze aanleren gedurende het opgroeien, zou dat er dan een gevolg van zijn dat onze maatschappij ambivalent is tussen gemeenschap en statushiërarchie. Dat kleine gemeenschapsnetwerkje waarin onze kinderen opgroeien, is ingebed in een maatschappij waarin statuscompetitie en statushiërarchie een prominente rol spelen. Daar krijg je als kind natuurlijk van alles van mee. Je ouders functioneren in een statushiërarchie als ze een betaalde baan hebben. En zodra je onderwijs gaat genieten, heb je met gezagsverhoudingen te maken. Terwijl de gemeenschappen van lang geleden, die van de jagers/verzamelaars, in zekere zin in "zuivere vorm" functioneerden, dat wil zeggen dat ze onze neiging tot statuscompetitie succesvol onderdrukten, leven we nu in een maatschappij waarin gemeenschap en statuscompetitie (en-hiërarchie) veel in allerlei mengvormen aanwezig zijn.

Maar in grote lijnen kun je wel zeggen dat gemeenschapsgedrag veel gemakkelijker getriggerd wordt in het domein van de persoonlijke relaties. In relaties tussen vrienden ben je gelijkwaardig en is het not done om gezag te willen uitoefenen. Terwijl de uitoefening van gezag in een bedrijf vaak, met meer of minder tegenzin, geaccepteerd wordt. In het onpersoonlijke, publieke domein, dat van bedrijf, overheid en openbare ruimte, overheerst dus de ambivalentie van de intuïties van gemeenschap en statushiërarchie.

Dat maakt dat we in ons denken over politiek en maatschappij veel minder automatisch op onze intuïties kunnen varen. Er komt ook een input bij van ons goed informeren en verstandelijk redeneren. Zo ontstaan ideologieën, maatschappijvisies die wel berusten op bepaalde morele intuïties, maar waar ook denkwerk aan te pas komt. En volgens Haidt is de progressieve ("liberal") ideologie vooral gebaseerd op de intuïties van zorg, rechtvaardigheid en vrijheid. Terwijl de conservatieve ideologie daarnaast óók gebaseerd is op de intuïties van gezag en heiligheid. En daaruit zou volgen dat de conservatieven de progressieven beter begrijpen (omdat ze dezelfde intuïties delen) dan andersom (omdat de progressieven de intuïties van gezag en heiligheid niet kennen of niet willen kennen). Zie dit artikel, dat ondertussen is verschenen in de Journal of Personality and Social Psychology.

donderdag 19 januari 2012

De kracht van goede bedoelingen

Dit is maar een onderzoekje (zie de link onderaan dit bericht), maar ik denk dat de betekenis er van misschien onverwacht groot is.

De onderzoeker laat zien dat als iemand jou pijn of ongemak toebrengt, je dat als minder pijnlijk ervaart als je weet dat het met goede bedoelingen gedaan is. Minder pijnlijk dan wanneer het per ongeluk gebeurde en wanneer het met kwade bedoelingen gebeurde.

In dezelfde lijn bleek dat mensen een behandeling met een elektrische massagestoel als aangenamer ervaren als die stoel door een persoon bediend wordt dan door een computer (terwijl de massage in beide gevallen volledig identiek is). De bedoeling van een massage is om als aangenaam ervaren te worden. Maar in het eerste geval is er ook echt een persoon aan wie je die goede bedoeling kunt toeschrijven. Aan een computer doe je dat niet.

En tenslotte vinden mensen een snack lekkerder als ze die uitgereikt krijgen met een briefje waarop staat "Ik heb dit voor jou speciaal uitgekozen. Hoop dat het je blij maakt" dan met een briefje "Hoe dan ook. Kan me niet schelen. Ik heb willekeurig wat uitgezocht."

De betekenis die je hieraan kunt geven, heeft te maken met het onderscheid tussen persoonlijke en onpersoonlijke relaties. Anders gezegd, het onderscheid tussen het persoonlijke domein en het onpersoonlijke domein van onze sociale leefwereld.

In het persoonlijke domein, dat van familie en vrienden, gaan we gemakkelijker uit van de aanwezigheid van goede bedoelingen bij de mensen waarmee we omgaan dan in het onpersoonlijke domein. En omdat we de kracht van die goede bedoelingen nodig hebben, regelen we zaken liever binnen het persoonlijke dan binnen het onpersoonlijke domein. Als dat mogelijk is.

Vandaar dat ouders de opvang van hun kinderen liever informeel regelen (grootouders!) dan dat ze gebruik maken van de kinderopvang of de buitenschoolse opvang. En vandaar dat mensen als ze zorg nodig hebben, liever zo lang mogelijk mantelzorg ontvangen.

En vandaar dat in de jeugd- en gezinszorg de werkwijze van de Eigen Kracht-conferenties vaak zo succesvol is. Hulp en begeleiding in de sfeer van de eigen persoonlijke relaties heeft nu eenmaal het voordeel dat goede bedoelingen meer vanzelf spreken dan wanneer hulpverleners aan de deur komen.
The Power of Good Intentions | Psych Central News:

'via Blog this'

zondag 18 december 2011

Het geloof in de "vrije markt" en andere ideologieën in en over het publieke domein

Ian Fletcher schrijft in het bericht hieronder dat iedereen die zegt in de vrije markt te geloven, dat op een abstract niveau ook wel inderdaad zal doen, maar praktisch gezien zo handelt dat hij als aanbieder altijd probeert om die vrije markt te ontwijken. Iedereen die iets aanbiedt, probeert volledige concurrentie tegen te gaan. Omdat dat winst oplevert. Vandaar al die pogingen tot productdifferentiatie, merkontwikkeling (branding) en andere drempels tot toetreding tot de markt voor anderen.

Maar iedere aanbieder is ook vrager van producten. En in die hoedanigheid zou hij altijd graag een volledig vrije markt voor zich willen zien, waarin hij volledig geïnformeerd is en alle mogelijke alternatieven voor zich ziet uitgestald. Als je dus een kerstboom wilt kopen (huur er liever een), dan zou je alle aangeboden bomen voor je willen zien, zodat je de mooiste en goedkoopste zonder enige moeite kunt uitkiezen.

Iemand die gelooft in de "vrije markt", gelooft daar dus  tegelijk wel en niet in. Wel op een abstracte manier, maar in concreto niet als aanbieder en wel als vrager. Dat betekent dat iedereen die in de vrije markt gelooft, in de woorden van Ian Fletcher, of liegt, of dom is, of het hele concept niet goed genoeg heeft doorgedacht.

Dat laatste, het concept niet goed genoeg hebben doorgedacht, is eigenlijk altijd het geval als wij nadenken en meningen vormen over het onpersoonlijke, publieke domein, dat sociale domein dat uitstijgt boven al onze sociale persoonlijke domeinen. We hebben het dan over "systemen" en "processen" die we alleen maar in behoorlijk abstracte termen kunnen beschrijven. Zoals de vrije markt, de economie, de overheid, de democratie, de politiek, de heersende machten, de tijdgeest, de publieke opinie, de cultuur. Het is het domein waarin en waarover ideologieën ontstaan, stelsels van abstracte ideeën die natuurlijk wel enig verband hebben met de werkelijkheid , maar die vooral ook door onderlinge sociale beïnvloeding tot stand komen. Als mensen weinig directe toegang hebben tot iets, dan hebben ze nu eenmaal de neiging om naar elkaar te kijken om hun oordeel te vormen. Denk aan de sociale zeepbellen.

Dat publieke domein staat altijd verder van ons af dan het persoonlijke domein, het domein waarin we onze persoonlijke relaties beleven. Dat laatste domein is behoorlijk concreet, we vormen onze oordelen over wat daar in gebeurt op grond van onze directe ervaringen of hoogstens "uit de tweede hand". Maar onze oordelen over het publieke domein berusten veel meer op de derde of de vierde of de vijfde of de zoveelste hand. We moeten ons er over informeren, door een goede krant te lezen of zelfs door kennis te nemen van wat wetenschappelijk onderzoekers er over te melden hebben. Als we al de neiging hebben om zulke oordelen te vormen, want we kunnen ook besluiten om ons maar zoveel mogelijk tot dat persoonlijke domein te beperken. En ons af te sluiten voor al die "informatie" die we toch niet kunnen bevatten.

Ian Fletcher geeft deze mooie omschrijving van dat verschil tussen ons denken over het persoonlijke en publieke domein:
Many people do their thinking about political ideology in an entirely different - and dreamily disconnected - mental space than they use for managing real life.
En het was eigenlijk deze zin die me er toe aanzette om dit bericht te schrijven. Het belang er van is algemener dan dat van het te eenvoudige geloof in de vrije markt. Want dit inzicht houdt in dat er over dit publieke domein so wie so heel gemakkelijk de meest uiteenlopende ideologieën ontstaan. In plaats van in de weldadige werking van de vrije markt kun je ook geloven in de weldadige werking van een almachtige overheid. En als velen dat doen, dan ontstaat de ideologie van het communisme. Zulke ideologieën kunnen naast elkaar bestaan. Dan is een deel van het volk aanhanger van het kapitalisme en noemt zich "liberaal" en een andere deel noemt zich sociaal-democraat of socialist of communist. Maar ook kunnen ideologieën elkaar opvolgen in populariteit. Als je ouder wordt, heb je dan een grote kans om golven van populariteit in verschillende richtingen te hebben meegemaakt.

Zulke populariteitsgolven lijken onvermijdelijk bij dat denken over het publieke domein te horen, omdat die "mentale ruimte" nu eenmaal niet zo direct met de werkelijkheid is verbonden. Wat je dan zou willen is dat de geschiedenis meer is dan alleen maar een afwisseling van zulke golven, zonder dat we bij elke golf wat geleerd hebben van de mislukkingen die er het gevolg van waren.

Ik weet niet of we er wel gerust op kunnen zijn dat dat laatste voldoende gebeurt. Hebben we uit het duidelijke falen van het communisme en het ineenstorten daarvan in 1989 wel meer geleerd dan dat we daarna triomfantelijk "de overwinning van het kapitalisme" hebben uitgeroepen? En zullen we in de (nabije?) toekomst, als het kapitalisme wereldwijd bezwijkt aan die zich steeds sneller opvolgende economische crisissen, de overwinning van, ja, van wat, afkondigen?

(Dat wereldwijde bezwijken, dat dat helemaal ondenkbaar is, hm, is dat nog wel vol te houden?)
Why Free-Market Economics is a Fraud « Real-World Economics Review Blog:

'via Blog this'

donderdag 1 december 2011

Morele oordelen in het publieke domein

Peter Dorman reageert op Tyler Cowen die de morele superioriteit van de Duitse regering (min of meer) verdedigde. Ik denk dat hij gelijk heeft dat het morele oordeel van de Duitse regering over het beleid van de "club med"-landen te eenvoudig is, in de zin van niet goed genoeg geïnformeerd.

Dat de discussie plaats vindt, wijst er op dat morele oordelen over spelers in het publieke domein veel meer geïnformeerdheid behoeven dan doorgaans nodig is in het persoonlijke domein. Dat laat zien dat ons vermogen tot moreel oordelen berust op morele intuïties die ontstaan tijdens het opgroeien in een persoonlijk domein (dat van het sociale netwerk van gezin, familie, vrienden). Daarmee is niet gegarandeerd dat dat vermogen even gemakkelijk tot goede oordelen komt in het publieke domein. Zie ook alle berichten met het label morele intuïties in de lijst met labels.
EconoSpeak: I Hope “The Moral Superiority of the Germans” Isn’t Translated Into German:

'via Blog this'

maandag 3 oktober 2011

Samen eenzaam

Moniek van Dijk mailde me over het interview met Sherry Turkle (Ned. 2, 25 september), de schrijfster van het boek Alone Together. Why We Expect More From Technology and Less From Each Other. Moniek was getroffen door de stelling dat mensen wel contact maken (steeds meer virtueel), maar het steeds moeilijker vinden om echt verbinding te maken.

Ik heb het boek niet gelezen. Maar ben wel dat interview gaan zien, heb het interview van Margriet Oostveen met de schrijfster gelezen en heb rondgeneusd in de besprekingen van het boek op Amazon. De stelling die Moniek trof, is wat verder uitgewerkt te vinden in deze bespreking op Amazon:
Distance communication in all of its forms (print media, broadcasting, telecommunications, online) tends to facilitate what the sociologists call `weak (or loose) ties'. One sociological argument is that society at large depends on the maintenance of loose ties between distant acquaintances and those we know only indirectly, functioning as a sort of social glue, in addition to the strong ties and commitments that bind us rather more closely to our `immediate' family and `close' friends. As a psychoanalyst, however, the author argues that the personal cost may be that we are coming to rely too much on online communication with relative strangers at the expense of intimacy with, and commitment to the people we know from face-to-face interaction. For instance, her earlier enthusiasm for online worlds as `identity workshops' is tempered by a concern that the mediation of a screen encourages more premeditated behaviour, which has in turn led many teenagers to prefer texting to speaking on the phone because speech `reveals too much'.
De stelling lijkt te zeggen dat we ons erg aangetrokken voelen tot het communiceren met anderen die we niet zo goed kennen op het net, zoals op Facebook of door texting, maar dat we uiteindelijk slechter af zijn als we daardoor minder face-to-face communiceren met familie en vrienden. Dat roept twee vragen op: 1. vanwaar die aantrekkingskracht?, en 2. waarom zijn we uiteindelijk slechter af?

Ik begrijp, ook uit deze bespreking in de New York Times, dat die aantrekkingskracht er in ligt dat de communicatie gemakkelijker gecontroleerd kan worden dan wanneer je direct contact hebt, via de telefoon of face-to-face. Een citaat van een student in het boek illustreert dat:
“When you talk on the phone, you don’t really think about what you’re saying as much as in a text. On the telephone, too much might show.”
 En dit citaat uit dat interview verduidelijkt dat nog:
As Ms. Turkle sees it, online life tends to promote more superficial, emotionally lazy relationships, as people are “drawn to connections that seem low risk and always at hand.” This tendency to treat other people as objects that can be quickly discarded, she says, is embodied at its most extreme by the social Web site Chatroulette, “which randomly connects you to other users all over the world”:
“You see each other on live video. You can talk or write notes. People mostly hit ‘next’ after about two seconds to bring another person up on their screens.”
En in dat interview op Ned. 2 zegt Sherry Turkle dat on line communicatie de illusie van vriendschap verschaft, zonder de verplichtingen en de moeilijkheden die nu eenmaal bij een echte vriendschap horen. Kortom, volgens de stelling ligt de aantrekkingskracht er in dat we iets krijgen dat slechts oppervlakkig belonend is, maar waar we toch voor kiezen omdat het weinig kost en weinig risico's met zich mee brengt.

En uiteindelijk zouden we slechter af zijn (vraag 2) omdat we de beloningen van diepere, intieme vriendschappen meer aan ons voorbij laten gaan dan wanneer we daar meer tijd aan zouden besteden. Het zou een voorbeeld zijn van de algemeen-menselijke zwakte om verleidingen het hoofd te bieden die korte-termijn genoegens opleveren, maar het lange-termijn welzijn verlagen.

Daar komt misschien nog bij dat we minder oefenen in het onderhouden van echte vriendschappen en dus minder goed leren hoe dat moet. In plaats daarvan zijn we voortdurend bezig met ons zo goed mogelijk voor te doen, dus een schijn ophouden, waarbij steeds de vrees aanwezig is dat we een keer door de mand vallen. Daardoor worden we met zijn allen wat narcistischer, want een kenmerk van narcisme is dat je andere mensen als object beschouwt, die er alleen maar zijn om er aan bij te dragen dat jij je goed voelt. En het is bekend dat narcisme weliswaar op korte-termijn goed voelt, maar op langere termijn slecht uitpakt.

Ik formuleer met enige terughoudendheid omdat Sherry Turkle in dat boek haar stelling alleen anekdotisch onderbouwt. Het is een zogenaamde kwalitatieve studie, in die zin dat de ondervraagden niet representatief zijn voor de gehele bevolking of voor een bepaalde leeftijdsgroep. Ook baseert ze zich niet op experimenteel of vergelijkend onderzoek.

Maar je komt de stelling vaker tegen. Toevallig dit weekend in het Volkskrant magazine, met een voorpublicatie uit het boek Allemaal losers - De kunst van het verliezen van Wilma de Rek. Die schrijft dat we ons allemaal beter proberen voor te doen dan we zijn, uit angst om als een loser te worden gezien. Die neiging wordt tegenwoordig aangewakkerd door "reclamemensen,  filmregisseurs, journalisten, modeontwerpers, architecten, fotografen, romanschrijvers, designers, (...), koks, pr-jongens, lobbyisten, kappers, psychologen, winkeliers, scenarioschrijvers", die ons elke dag een keer of duizend "een volmaakte schijnwereld" opdringen. Uit de gesprekken die zij voor haar boek voerde, ook hier is de onderbouwing anekdotisch, werd het haar duidelijk
dat ongeveer iedereen zich geregeld een loser voelt. Het maakt weinig uit of mensen belangrijke banen hebben of huisman zijn, of ze vier prachtige kinderen hebben of nul, of ze in een klein appartement wonen of in een dure villa. (...) Diep in veel mensen blijkt de angst te schuilen die ik ook ken: op een dag val ik door de mand. Op een dag komen ze erachter dat ik eigenlijk niks kan. Wat zullen ze lachen.
Sociaalwetenschappelijk gezien lijkt het me dat de neiging van mensen om zich beter voor te doen dan ze zijn vooral optreedt in situaties waarin ze omgeven worden door anderen die ze (nog) niet zo goed kennen. Waarin er weinig informatie over elkaar is en waarin het er op aankomt welke indruk je op anderen weet te maken. Situaties dus waarin het publieke domein meer plaats inneemt dan het persoonlijke domein, dat van je familie en vrienden. Die kennen je goed genoeg om te voorkomen dat jij een schijn ophoudt. En dus hoef je die angst om een loser te zijn daar ook niet te hebben.

Dat klopt met de bevinding die ik eerder noemde dat het in een stad wonen of opgegroeid zijn negatieve effecten heeft op de manier waarop je met sociaal-evaluatieve situaties omgaat. Het lijkt er op dat het stadsleven mensen gevoeliger maakt voor negatieve oordelen van anderen. Anders gezegd (mijn woorden): ze zijn meer bezig met het niet willen falen in de ogen van anderen. Dus meer met het proberen eigen zwakheden te verbergen. Stadsbewoners bewegen zich in het algemeen meer in dat publieke domein van mensen die weinig informatie over elkaar hebben dan dorpsbewoners dat doen.

Ook komt er mee overeen dat studenten van grotere Amerikaanse colleges minder hechte en diepgaande vriendschappen hadden dan studenten van kleinere colleges. Op die grotere colleges zijn er meer medestudenten die je niet zo goed kent en zijn er dus meer alternatieven om vriendschappen te sluiten. Dat leidt er toe dat vooral vriendschappen ontstaan tussen studenten die meer op elkaar lijken. Maar die vriendschappen zijn dus minder hecht en diepgaand. En je kunt dus verwachten dat narcisme en de angst om loser te zijn meer op die grotere colleges voorkomen dan op de kleinere.

En er komt tenslotte mee overeen dat narcisme meer voorkomt bij "celebrities", dus bij mensen die sterk worden aangetrokken door het publieke domein en daar veel tijd doorbrengen, dan bij de gemiddelde bevolking. "Celebrities" hebben wellicht ook een meer dan gemiddelde angst om door de mand te vallen, maar ik ken geen onderzoek dat dat vermoeden ondersteunt.

woensdag 21 september 2011

De bezuinigingszeepbel

Dat er in Europa en de Verenigde Staten een bezuinigingszeepbel is ontstaan, wordt steeds duidelijker. Maar kunnen al die politici die hem hebben doen ontstaan ("bezuinigen is de oplossing voor al onze problemen!"), nog wel op hun schreden terugkeren? Schaüble, Merkel, Cameron, Rutte? (Obama lijkt de U-bocht gemaakt te hebben.) Paul Krugman is daar pessimistisch over, omdat ze dan zouden moeten toegeven dat ze eigenlijk geen idee hadden waar ze over praatten. Dus: hoe redden ze hun gezicht? Laten we voor de goede afloop maar hopen dat ze daar een antwoord op weten te vinden.

Hoe dan ook, sociaalwetenschappelijk gezien is het niet alleen belangrijk om een zeepbel waar te nemen als hij er is, maar ook om inzicht te hebben in hoe hij is ontstaan. Dat helpt bij het voorkomen er van in de toekomst. In ieder geval de volgende twee inzichten lijken mij van belang.

Het eerste is dat zeepbellen dreigen te ontstaan als mensen te weinig informatie hebben om zelfstandig gefundeerde keuzes te maken. Als ze dan een keuze niet kunnen ontlopen, kopiëren ze het gedrag van anderen. De enkelen die dan als eersten een keuze maken, die ongefundeerd kan zijn, kunnen dan een geweldige invloed hebben. De les hieruit is dat we bedacht moeten zijn op informatietekorten. Die tekorten doen zich meer voor in het publieke domein dan in het persoonlijke domein. In onze persoonlijke leefwereld zijn we voor de meeste beslissingen behoorlijk op de hoogte van de zaken waar het om gaat. Maar als we bij verkiezingen onze stem uitbrengen of als we over een beleidsmaatregel een oordeel vormen, dan zijn we meestal slecht geïnformeerd en dus sterk beïnvloedbaar door het gedrag en de meningen van anderen. Kortom, zeepbellen tref je vooral aan in het publieke domein. Het benadrukt de noodzaak van goed onderwijs, goede voorlichting, persvrijheid en een cultuur waarin mensen het als een morele plicht beschouwen om zich goed te informeren.

Het tweede inzicht is dat mensen allereerst in het persoonlijke domein hun morele overtuigingen verwerven en die niet alleen in dat domein, maar ook in het publieke domein toepassen. In in dat laatste geval kan dat tot problemen leiden. Kan, want vaak is een gedrag dat we in het persoonlijk leven als oneerlijk beoordelen, ook oneerlijk als het publiek gedrag is. Maar het publieke domein is te complex om er altijd met uitsluitend onze moraal uit het persoonlijke domein goed over te kunnen oordelen.

Neem de bezuinigingszeepbel. Een van de meest gehoorde en indruk makende argumenten voor overheidsbezuinigingen is dat de overheid, net als een gezin, niet meer moet uitgeven dan er binnenkomt, "de tering naar de nering" moet zetten. Je mag je zelf en je naasten niet in de problemen brengen, ook al omdat je dan uiteindelijk een beroep op anderen moet doen en dat is moreel verwijtbaar als het te vermijden was geweest. Net zo mag de overheid door te hoge begrotingstekorten geen lasten afschuiven naar volgende generaties.

Maar die analogie tussen een gezin en de overheid heeft mankementen. De overheid beheert een totale economie, is voor zijn inkomsten afhankelijk van hoe goed die economie draait en kan dat beïnvloeden. De situatie kan zich voordoen dat die economie tot stilstand komt doordat consumenten (gezinnen) te weinig hebben te besteden, doordat ze werkloos zijn of bezig zijn met het aflossen van schulden. Er kan dan, als bovendien het renteniveau laag is en de bedrijven zwemmen in het geld, een "liquiditeitsval" bestaan, met als oplossing dat de overheid zijn bestedingen verhoogt, met geleend geld, en daarmee het begrotingstekort verhoogt. Daardoor trekt de economische groei weer aan, trekken de bedrijven weer personeel aan, nemen de inkomens toe, kunnen gezinnen hun schulden aflossen en nemen de belastinginkomsten van de overheid toe. Op de langere termijn kan de overheid het tekort weer verlagen. Maar om in te kunnen zien dat het moreel juiste gedrag voor een gezin niet het moreel juiste gedrag hoeft te zijn voor een overheid, moet je behoorlijk goed geïnformeerd zijn over macro-economische inzichten, die op hun beurt door grondige studie en onderzoek tot stand zijn gekomen. Er is dus veel individuele en collectieve inspanning voor nodig.

Het tragische is dat die politici die inspanning niet hebben kunnen opbrengen.

Update. De fout om dat wat op het ene niveau (het gezin) juist is, ook juist te verklaren op het andere niveau (de overheid), is een voorbeeld van de "fallacy of composition".

maandag 29 augustus 2011

Openingsbericht: Toegepaste sociale wetenschap

Toegepaste sociale wetenschap

Ik houd dit blog bij met de bedoeling om bij te dragen aan de ontwikkeling van toegepaste sociale wetenschap.

Disciplines die ik als sociale wetenschap beschouw zijn in ieder geval:

psychologie, i.h.b. evolutionaire, sociale, cross-culturele, positieve en ontwikkelingspsychologie,
psychiatrie,
gedragseconomie,
sociale neurowetenschap,
sociologie,
antropologie.

Deze disciplines en sommige andere verschaffen veel inzichten die toepasbaar zijn op:

1.      De vraag hoe het welbevinden van mensen te bevorderen,
2.      De vraag hoe te bevorderen dat mensen zich meer pro-sociaal en coöperatief gedragen.

Aanleiding

De aanleiding om dit blog te beginnen is allereerst mijn observatie dat de sociale wetenschap veel meer toepassingspotentieel heeft dan in het algemeen bekend is.

Maar bovendien is het mijn indruk dat mensen geneigd zijn het vak economie (let wel: niet de gedragseconomie) als bron van toepasbare inzichten te overschatten. Dit doen ze zowel individueel, door te veel waarde te hechten aan geld als bron van eigen welbevinden. Maar ook doen ze het collectief, door zich bij een politiek neer te leggen, of die zelfs te omarmen, die economische groei ziet als het allesoverheersende middel om het welbevinden van burgers te vergroten. Ik zeg niet dat economie en economische groei onbelangrijk zijn, maar wel dat mensen geneigd zijn het belang te overschatten. Een oorzaak daarvan kan zijn dat mensen minder op de hoogte zijn van sociaalwetenschappelijke inzichten dan van economische inzichten. Dit blog brengt daar misschien verandering in.

Sociale en maatschappelijke voorwaarden

Sociale wetenschap is toepasbaar omdat hij inzichten verschaft in de sociale en maatschappelijke voorwaarden voor welbevinden en pro-sociaal en coöperatief gedrag. Als je iets wilt veranderen, moet je weten wat de oorzaken er van zijn. En als je die oorzaken of sommige van die oorzaken kunt beïnvloeden, dan weet je bij wijze van spreken aan welke knoppen je moet draaien. Zo “mechanisch” gaat het natuurlijk niet in de praktijk, omdat we met ingewikkelde processen te maken hebben. Maar juist als de zaken ingewikkeld zijn, hebben we in ieder geval altijd baat bij meer inzicht.

Met die sociale voorwaarden bedoel ik zaken die te maken hebben met het domein van de persoonlijke relaties van mensen, anders gezegd: hun directe sociale omgeving (familie, vrienden, kennissen, buren). Hoeveel van zulke relaties heeft iemand en hoe vaak is er contact? Is hij of zij eenzaam of niet? Maar ook: van welke aard zijn die relaties? Zijn ze wederzijds ondersteunend, in de zin dat mensen om elkaar geven en voldoening ontlenen aan de omgang met elkaar (pro-sociaal en coöperatief)? Of zijn ze juist meer antagonistisch van aard, in de zin dat mensen zich met elkaar vergelijken, met elkaar concurreren, elkaar eerder belemmeren dan ondersteunen en afgunstig zijn op elkaars “succes”? En is iemand eenzaam in de zin van een gebrek aan sociale contacten? Of eenzaam in de zin van het vooral hebben van antagonistische contacten? En wat maakt dit uit voor iemands welbevinden en gezondheid? En wat maakt het uit voor de kans dat iemand zich pro-sociaal en coöperatief zal gedragen?

Met die maatschappelijke voorwaarden bedoel ik het onpersoonlijke sociale domein. Dit domein bestaat uit mensen en collectieve arrangementen waarover we slechts indirect informatie krijgen, door eigen waarneming, zoals in de publieke ruimte, of via de media (televisie, radio, internet). Anders gezegd, gaat het hier om kenmerken van de maatschappij waarin iemand leeft, zoals het niveau van criminaliteit, de mate van veiligheid in de publieke ruimte, de mate van inkomensongelijkheid, het niveau van collectieve sociale zekerheid, de  mate van informele onderlinge zorg en de mate van onderling vertrouwen. Hangen zulke maatschappelijke voorwaarden samen met die sociale voorwaarden? En wat is hun invloed, direct of indirect (via die sociale voorwaarden), op welbevinden en gezondheid? En wat is hun invloed op de kans dat iemand zich pro-sociaal en coöperatief zal gedragen?

Ik ga er van uit dat het hebben van meer inzicht in deze voorwaarden het mogelijk maakt om het persoonlijk leven beter in te richten. Dit geldt voor het bevorderen van het eigen welbevinden, maar ook voor het vinden van mogelijkheden om bij te dragen aan het welbevinden van anderen en aan een betere maatschappij.

Maar ga ik er ook van uit dat het voor het beter voeren van overheidsbeleid belangrijk is dat degenen die dat beleid bepalen, politici én kiezers, beschikken over meer inzicht in deze voorwaarden. We hebben met zijn allen belang bij een hoog niveau van welbevinden en gezondheid. En we willen liever in een maatschappij leven waarin mensen iets voor elkaar over hebben en elkaar kunnen vertrouwen dan een maatschappij met onderling wantrouwen, egoïsme en onderlinge tegenwerking. We willen dus graag een beleid dat daaraan zo goed mogelijk bijdraagt. En de sociale wetenschappen kunnen inzichten aandragen die daarbij kunnen helpen.

Vragen

Deze interesse in praktische sociale wetenschap zet mij er toe aan om zo goed mogelijk op de hoogte te blijven van het wetenschappelijk onderzoek dat inzichten verschaft in de aard van die voorwaarden. Ik probeer al het onderzoek te volgen dat behulpzaam kan zijn om antwoorden te vinden op in ieder geval de hierna genoemde vragen. In het blog doe ik daar van verslag. Uiteraard maak ik daarbij een persoonlijke selectie, persoonlijk omdat ik de zaken er uit licht die mijzelf het meeste boeien en omdat dit blog in ieder geval mij zelf plezier moet verschaffen.