Posts tonen met het label criminaliteit. Alle posts tonen
Posts tonen met het label criminaliteit. Alle posts tonen

woensdag 1 november 2017

Waardoor neemt de criminaliteit af? De rol van buurtorganisaties in de Verenigde Staten - En over het hart van de sociologie

Update. Ook de New York Times besteedt nu aandacht aan dit onderzoek. Zie The Unsung Role That Ordinary Citizens Played in the Great Crime Decline van Emily Badger.
De politieke ontwikkelingen in de Verenigde Staten zijn zacht gezegd zorgwekkend. Maar laten we eens stilstaan bij een trend die opvallend positief is: de sinds het midden van de jaren 90 steeds maar dalende criminaliteitscijfers. De cijfers voor de geweldsmisdrijven halveerden en de vermogensmisdrijven namen af met ruim 40 procent (What Caused The Crime Decline?).

Dat is een indrukwekkende daling. Wat kunnen daarvan de oorzaken zijn geweest? Een reeks van meer of minder goed onderbouwde verklaringen is aangedragen. Zie voor overzichten 10 (Not Entirely Crazy) Theories Explaining the Great Crime Decline, What Caused the Crime Decline? en
What Caused the Great Crime Decline in the U.S.?.
Ook in Nederland maken we een opvallende daling van de criminaliteit mee. Zie Verdere daling geregistreerde misdrijven en verdachten voor de cijfers sinds 2007 (maar de daling was al eerder ingezet). En ook hier zijn allerlei mogelijke verklaringen aangedragen, zoals hier door het WODC.
Maar er is nu de nieuwe Amerikaanse studie Community and the Crime Decline: The Causal Effect of Local Nonprofits on Violent Crime, die laat zien dat in de Verenigde Staten de daling van de geweldsmisdrijven in ieder geval voor een deel ook is toe te schrijven aan de toegenomen activiteit van nonprofit organisaties die op lokaal niveau werkzaam zijn.

Het gaat dan om organisaties die
  • zich specifiek richten op misdaadpreventie
  • werken aan buurtontwikkeling (denk aan wat wij opbouwwerk noemen)
  • zich bezig houden met drugsbestrijding
  • job training aanbieden en arbeidspotentieel vergroten (workforce development programs)
  • vrijetijds- en sociale activiteiten organiseren voor jongeren.
Kortom, om organisaties die proberen om lokaal een veilige, sociale omgeving proberen tot stand te brengen, waarin mensen elkaar kennen, waarin degenen die dat nodig hebben worden geholpen en waarin mogelijkheden bestaan om je vrije tijd zinvol en samen met anderen te besteden.

En ja, dat is natuurlijk eigenlijk "gewoon" de sociale omgeving zoals mensen die nodig hebben om zich tot verantwoordelijk en moreel persoon te kunnen ontwikkelen. Zeg maar een gemeenschapsomgeving. Die tegenwoordig niet meer als vanzelfsprekend aanwezig is, maar die je wel met inspanning (soms veel inspanning) en goede wil (soms veel goede wil) tot stand kunt brengen.

En die dus aanwijsbaar lagere criminaliteitscijfers tot gevolg heeft.
De onderzoekers plaatsen hun werk terecht in de theoretische traditie van het "systemische model van de gemeenschapsorganisatie" en van de sociale desorganisatietheorie, die tot het hart van de sociologie gerekend kunnen worden. Denk aan het werk van Robert J. Sampson (Mensen wonen in buurten! Nieuw boek van Robert Sampson).

vrijdag 20 november 2015

Over het succesvol aanmoedigen tot moreel gedrag

Als je bedenkt dat onze morele intuïties van samenwerking, hulpvaardigheid, eerlijk delen en rechtvaardigheid hun oorsprong hebben in het verre verleden waarin we in kleine groepen de problemen van onderlinge afhankelijkheid oplosten, dan verbaast het niet dat we tegenwoordig veel gedrag zien dat niet met die gemeenschapsintuïties in overeenstemming is.

Want er zijn ten minste twee opvallende verschillen tussen die vroegere sociale omgeving en die van tegenwoordig.

Het ene is dat we nu te maken kunnen hebben met contacten tussen verschillende groepen of leden van verschillende groepen. Die gemeenschapsmoraal is er niet goed op toegesneden om voor zulke intergroepscontacten een leidraad te bieden. Voorbeelden uit de actualiteit liggen voor het oprapen. Voor contacten tussen groepen en voor het oplossen van problemen tussen groepen hebben we daarom, volgens Joshua Greene, een metamoraal nodig.

Joshua Greene is de auteur van Moral tribes. Emotion, Reason, and the Gap Between Us and Them en hij was vorige week een van de twee interessantste sprekers op de conferentie Institutions for moral behavior in Utrecht, die ik bijwoonde. (De andere van de twee was Frans de Waal.) Die metamoraal zou utilitaristisch moeten zijn, in de zin dat de leidraad zou moeten zijn dat het geluk van iedereen even zwaar zou moeten wegen. Greene werkt dat idee in dat boek verder uit, maar dat heb ik nog pas sinds gisteren in huis.

Het andere opvallende verschil is dat we tegenwoordig veel met anderen contact hebben van wie niet duidelijk is tot welke groep ze behoren. Anders gezegd, de groepsgrenzen zijn vaak diffuus, zelfs ook in die zin dat we vaak zelf niet eens weten of we wel tot een groep behoren en tot welke. Nog anders gezegd, we hebben in ons dagelijks leven veel met anderen te maken die we niet of nauwelijks persoonlijk kennen. Maar wat we doen of laten, kan voor die anderen wel grote gevolgen hebben.

Denk aan de zogenaamde onpersoonlijke criminaliteit: fraude, belastingontduiking, corruptie, verduistering, winkeldiefstal. Misdragingen die objectief gezien immoreel zijn, maar omdat er tussen pleger en benadeelden geen persoonlijke relatie bestaat, zijn onze morele intuïties meestal weinig werkzaam. En dat is tragisch, want de maatschappelijke kosten van zulk gedrag zijn hoog.

Het punt is dat we om zulk gedrag tegen te gaan niet zozeer een nieuwe moraal nodig hebben, zoals die metamoraal van Greene. Onze gemeenschapsmoraal zou naar inhoud volstaan. Het probleem is dat we hem in zulke onpersoonlijke situaties gemakkelijk terzijde schuiven. De bijbehorende emoties komen niet spontaan voldoende naar boven. Waardoor we onszelf en anderen kunnen wijsmaken dat we ze zijn "vergeten".

Vandaar dat Dan Ariely en anderen pleitten voor interventies die moreel gedrag aanmoedigen. Zie  Three Principles to REVISE People’sUnethical Behavior (betaalpoort). Want uit onderzoek blijkt dat zulke aanmoedigingen wel degelijk effect kunnen hebben. Het blijkt te helpen als je belastingbetalers
er aan herinnert dat belastingopbrengsten aan iedereen ten goede komen. En de aanwezigheid van een eenvoudig bord met als tekst "Wees aardig voor elkaar" krijgt het voor elkaar dat een parkeerplek voor gehandicapten minder vaak door anderen gebruikt wordt.

Ook helpt het als je de situatie persoonlijker maakt. Het schijnt dat belastingformulieren met reeds ingevulde persoonlijke gegevens eerlijker worden ingevuld. En winkeldiefstal schijn je succesvol tegen te kunnen gaan door bij de kassa en de uitgang grote spiegels op te hangen.

En tenslotte schijnt het effect te hebben als je mensen er toe brengt om zichzelf als een moreel persoon te zien. Zo bevorder je het eerlijk invullen van een belastingaangifte of een verzekeringsclaim als je het formulier begint met het ondertekenen van een eerlijkheidsverklaring. In plaats van aan het eind ("ik heb dit formulier naar waarheid ingevuld").

zaterdag 27 december 2014

Vakantiebaantjes werken preventief tegen jeugdcriminaliteit - En over waarom dat zo is

Criminaliteit is vooral een jongerenprobleem. Als je een grafiek bekijkt van aantallen verdachten naar leeftijd per 1000 inwoners van de betreffende leeftijdsgroep, dan zie je een curve die vanaf zo'n 12 jaar steil klimt naar zo'n 18 tot 20 jaar en dan weer afneemt. Zoals de grafiek hieronder (CBS/WODC 2009), die dateert uit 2006, maar het patroon is door de jaren heen hetzelfde.
fig58_600

We zijn geneigd om dat verschijnsel als een onvermijdelijkheid te beschouwen. Het is nu eenmaal zo dat jongeren nog niet willen deugen en daar moeten we ons maar bij neerleggen.

Maar is dat wel zo? Want je zou kunnen denken dat wij dit patroon met zijn allen tot stand brengen door dat wij onze jongeren veroordelen tot hun eigen wereld, de sociale wereld van leeftijdsgenoten. Het zou om allerlei redenen veel beter zijn om kinderen zo gauw mogelijk te integreren in een leeftijdsgemengde sociale wereld. Kinderen en jongeren doen dan veel rijkere en waardevollere ervaringen op wanneer ze alleen onder leeftijdsgenoten verkeren.

We weten al dat leeftijdsgemengde schoolklassen er toe bijdragen dat kinderen minder agressief zijn en minder last hebben van sociaal-emotionele problemen en eenzaamheid. Wat er op wijst dat wij met de strikte leeftijdssegregatie die wij in ons onderwijs hanteren, sociale omstandigheden creëren die pestgedrag bevorderen. Onder leeftijdsgenoten is het zaak om stoer te doen en je partijtje mee te blazen in de competitie om populariteit en status. Zie Het beste middel tegen pesten: leeftijdsgemengde groepen.

Dat criminaliteitspatroon lijkt in dezelfde richting te wijzen. Crimineel gedrag kan een middel zijn om in de leeftijdsgroep van peers status en aanzien te verwerven. Bovendien hebben allerlei vormen van criminaliteit te maken met een gebrek aan impulsbeheersing. Impulsbeheersing moet je leren en het kan helpen om veel met voorbeelden daarvan in aanraking te komen. Maar die vind je uitgerekend niet in de groep van leeftijdsgenoten, want daar is impulsiviteit juist stoer en dus nastrevenwaardig.

Hoe zou je kunnen aantonen dat die gescheiden sociale wereld van jongeren bijdraagt aan dat opmerkelijke criminaliteitspatroon? Door jongeren eens uit die wereld te halen en hen te integreren in de wereld van volwassenen. En dan te kijken of ze zich vervolgens minder crimineel gedragen dan andere jongeren waar mee je dat niet hebt gedaan.

Je zou dat bijvoorbeeld kunnen doen door jongeren met en zonder een vakantiebaan met elkaar te vergelijken. En dat is precies wat in Chicago is gebeurd en waarvan in Science van begin deze maand door criminologe Sarah B. Heller verslag wordt gedaan. Zie Summer jobs reduce violence among disadvantaged youth (betaalpoort).

Ruim 1600 jongeren, gemiddeld 16 jaar oud, uit achterstandswijken met een hoog niveau van criminaliteit werden willekeurig verdeeld over een groep met een vakantiebaan en een groep zonder vakantiebaan (de controlegroep). Die laatste groep kwam op een wachtlijst te staan. Die vakantiebanen hielden in dat acht weken lang vijf dagen per week en vijf uur per dag gewerkt werd. Tenzij er ook een sociaal-emotionele training werd gevolgd, die in werktijd plaatsvond en die gericht was op het beter beheersen van het eigen gedrag. De jongeren ontvingen het minimumloon, een maaltijd per dag en bustickets voor het woon-werkverkeer.

De banen waren geselecteerd met het oog op mogelijkheden om interesses en vaardigheden te verkennen, om kennis over beroepen op te doen, om team- en leiderschapsvaardigheden te ontwikkelen en om creativiteit te tonen en problemen op te lossen. Het ging om banen in de nonprofit sector en bij de overheid. Voorbeelden van banen waren: begeleider bij zomerkampen, werken in een buurttuin, kantoorbaan of begeleider bij de YMCA en assistent van een wethouder. De jongeren met een vakantiebaan kregen bovendien een mentor toegewezen.

Alle jongeren werden 16 maanden gevolgd. In die periode werd 17 procent van de jongeren in de controlegroep aangehouden voor een misdrijf. De groep met een vakantiebaan verschilde daarvan wat betreft het aantal geweldsmisdrijven. Dat lag 43 procent lager dan bij de controlegroep, een groot en statistisch significant verschil. Dit lag er niet aan dat die jongeren door hun vakantiebaan minder in de gelegenheid waren om misdrijven te plegen, want de afname vond vooral plaats in de periode na afloop van de vakantiebaan en hield gedurende die 16 maanden aan. Anders gezegd, het verschil met de controlegroep werd met de tijd groter.

Dit wijst er op dat de ervaringen die werden opgedaan het gedrag van de jongeren in gunstige zin veranderde. Dit bleken niet de ervaringen te zijn van de sociaal-emotionele training, want het gevolgd hebben van die training voegde aan het effect van de vakantiebaan op zich niets toe. Dit kan er aan liggen dat de vaardigheden die op die training geleerd werden, even goed tijdens het werk werden verworven. Door het contact met de mentor, dat behoorlijk intensief was, of gewoon door het werk zelf en de omgang met andere volwassenen. Denk aan impulsbeheersing, doelgerichtheid en frustratietolerantie.

Het zou dus wel eens kunnen zijn dat die verandering van sociale omgeving, van de leeftijdshomogene peergroup naar een omgeving met volwassenen, cruciaal is geweest. Bovendien een omgeving waarin de jongeren in aanraking kwamen met sociaal verantwoordelijk gedrag van die volwassenen en waarin ook verantwoordelijk gedrag van henzelf verwacht werd. Kortom een omgeving waarin de morele intuïties van het rekening houden met anderen konden worden aangeleerd, niet door instructie, maar eenvoudig door er mee in aanraking te komen.

Een aanwijzing dus dat een relatief kleine interventie, een vakantiebaan, een grote invloed kan hebben op jongeren, juist omdat ze voor het overige vrijwel geheel onder leeftijdsgenoten verkeren. Dat zegt ook iets over het soort werk dat die invloed uitoefent. Dat contact met volwassenen, daar gaat het om. En het blijft vreemd dat wij de waarde daarvan voor jongeren nog steeds zo weinig onder ogen zien.

Denk in dit verband ook nog even aan de gunstige effecten van de maatschappelijke stage. Zie Maatschappelijke stage geeft gelegenheid tot pro-sociaal gedrag - En daardoor worden jongeren pro-socialer en Maatschappelijke stage is heel goed voor jongeren - Hoe meer, hoe beter.
Update. En zie ook het bericht Door leeftijdssegregatie grotere kans om met geweld in aanraking te komen.
Update. Update. En zie ook dit bericht in de Washington Post: Chicago gave hundreds of high-risk kids a summer job. Violent crime arrests plummeted.

woensdag 20 februari 2013

Meer aanwijzingen voor negatieve gevolgen van televisiekijken op jonge leeftijd

Ik ben nog van de generaties die meemaakten dat het eerste televisietoestel het huis werd binnengedragen. Sterker: ik was al het huis uit toen mijn ouders een toestel aanschaften. En op mijn studentenkamer had ik alleen een radio.

Kortom, de televisie is er ongeveer een halve eeuw. Voor opgroeiende kinderen is de aanwezigheid van televisie de gewoonste zaak van de wereld. Wat maakt het voor kinderen uit dat er een toestel in huis is? Eerder maakte ik er melding van dat er serieuze aanwijzingen zijn dat de verspreiding van televisie heeft bijgedragen aan de toename van autisme. Onderzoekers keken naar leeftijdscohorten in provincies van Californië en Pennsylvania die drie jaar of jonger waren toen de kabeltelevisie werd geïntroduceerd. Dat laatste gebeurde in verschillende provincies op verschillende tijdstippen. Na veel statistische bewerkingen en controles komen ze tot de conclusie dat de introductie van kabeltelevisie inderdaad heeft bijgedragen tot de toename van autisme diagnoses. Ze berekenen dat 18 procent van de toename van autisme kan worden toegeschreven aan de toename van kabeltelevisieprogramma's voor kinderen.

Waarschijnlijk heeft de introductie van het televisiekijken op jonge leeftijd de kans op autisme vergroot bij kinderen die al meer dan gemiddeld aanleg voor autisme hadden (gen-omgevingsinteractie). En dat zou er aan kunnen liggen dat het meer televisiekijken in de plaats komt van sociale interactie. Voor de ontwikkeling van hun sociale vaardigheden hebben kinderen een intensief "bad in de sociale wereld" nodig. Dat hebben ze tegenwoordig so wie so al minder dan in tijden dat gezinnen minder sociaal geïsoleerd waren en kinderen meer leeftijdsgemengd opgroeiden. Maar als kinderen dan bovendien nog veel tijd doorbrengen voor het scherm, dan wordt dat bad wel een heel klein teiltje. Nu is er wel veel sociale inhoud op de televisie (je ziet vooral pratende hoofden), maar dat kan natuurlijk geen vervanging zijn voor echte sociale interactie waaraan een kind actief deelneemt en daartoe voortdurend wordt uitgenodigd.

Er is nu nieuw onderzoek (pdf) dat wijst op andere negatieve effecten van op jonge leeftijd veel televisiekijken. Onderzoekers in Nieuw-Zeeland volgden ruim 1000 kinderen die in 1972-1973 waren geboren tot dat ze 26 jaar waren. Het blijkt dan dat kinderen die tussen hun vijfde en hun vijftiende levensjaar meer televisie hadden gekeken een grotere kans hadden om op jongvolwassen leeftijd veroordeeld te zijn voor (gewelds)criminaliteit, om een diagnose te hebben gekregen voor antisociale persoonlijkheidsstoornis en om agressieve persoonlijkheidstrekken te hebben. Daarbij werd gecontroleerd voor o.a. intelligentie, sociaal-economische status, ouderlijk toezicht en antisociaal gedrag op jongere leeftijd. Dat laatste is er een aanwijzing voor dat het televisiekijken ook inderdaad een oorzakelijk verband heeft met die problemen op jongvolwassen leeftijd.

Ook hier kan hebben meegespeeld dat het televisiekijken ten koste ging van de leerschool van de echte sociale interactie. Maar het kan daarnaast ook nog zo zijn dat kinderen op televisie meer antisociaal en agressief gedrag te zien kregen dan dat ze hadden meegemaakt als ze gewoon buiten hadden gespeeld.

Overigens heeft veel televisiekijken ook op volwassen leeftijd negatieve gevolgen. Zie mijn berichten over televisiekijken.

donderdag 25 oktober 2012

Psychopathie in de gevangenis. En in het bedrijfsleven?

Robert D. Hare is de meest aangehaalde deskundige op het gebied van de psychopathie en het maatschappelijk functioneren van psychopaten. Hij is de opsteller van de Psychopathy Check List (PCL), de test die bedoeld is om de mate van psychopathie vast te stellen. Psychopathie heeft volgens die test vier domeinen (Interpersoneel, Affectief, Leefstijl en Anti-sociaal), met op elk domein vier à vijf eigenschappen. Volgens het plaatje hieronder, inclusief de statistische onderlinge samenhangen.



Van Hare is de uitspraak bekend dat "niet alle psychopaten in de gevangenis zitten, sommigen zitten in de bestuurskamers" (van grote ondernemingen). Wat weten we over het vóórkomen van psychopathie?

De scores op de PCL-R(evised) liggen tussen 0 en 40. Volgens Babiak en Hare, in hun boek Snakes in Suits. When Psychopaths Go To Work (pdf), hebben de meeste mensen een score van 5 of lager, terwijl de gemiddelde score voor mannelijke criminelen 22 is en voor vrouwelijke 19. Een score van 30 of hoger wordt gezien als een sterke aanwijzing dat je met een psychopaat te maken hebt. Van alle veroordeelden heeft ongeveer 15 procent van de mannen een score boven de 30 en ongeveer 10 procent van de vrouwen.

Snakes in SuitsBabiak en Hare schatten dat ongeveer 1 procent van de totale bevolking psychopaat zou blijken te zijn als je iedereen deze test zou kunnen afnemen. Maar voor nog eens 10 procent zou gelden dat die genoeg psychopathische trekken heeft om anderen tot last te zijn.

Hoe zit dat dan in het bedrijfsleven? Uiteraard is het moeilijk om daar iets over te zeggen, omdat je bij deze groep minder gemakkelijk die test kunt afnemen dan bij veroordeelden. Maar hij is een keer afgenomen bij 203 managers en bestuurders die door zeven Amerikaanse ondernemingen waren geselecteerd voor een management ontwikkelingsprogramma vanwege hun "high potential". Van die groep had 3,5 procent een score die het etiket psychopaat rechtvaardigde. Dat is natuurlijk niet zo veel, maar wel drie en een half maal zoveel dan die 1 procent in de bevolking als geheel. Zie verder ook het artikel Corporate Psychopathy: Talking the Walk (achter de poort).

woensdag 25 januari 2012

Van welke persoonlijke en maatschappelijke problemen is bekend dat ze mede veroorzaakt worden door de sociale omgeving?

Analoog aan de (vereenvoudigde) redenering achter het Paleo Dieet kun je een redenering opzetten over de (mogelijke) wenselijkheid van een sociale omgeving die de Paleo Sociale Omgeving dichter benadert. Dat wil zeggen, dichter dan het soort sociale omgeving waarin de meeste mensen in onze huidige maatschappij opgroeien en hun leven leiden. Zie dit bericht. Die redenering zou, denk ik, uit de volgende vier stappen bestaan:
  1. Een inventarisatie van de in onze maatschappij bestaande persoonlijke en maatschappelijke problemen waarvan we weten dat ze mede worden veroorzaakt door kenmerken van de sociale omgeving van mensen.
  2. Aanwijzingen dat die kenmerken van de huidige sociale omgeving niet of veel minder aanwezig waren in de Paleo Sociale Omgeving van de jagers-verzamelaars.
  3. Aanwijzingen dat die persoonlijke en maatschappelijke problemen (zie stap 1) niet of veel minder aanwezig waren in de jagers-verzamelaars maatschappijen. En aanwijzingen dat die jagers-verzamelaars niet te kampen hadden met andere persoonlijke en maatschappelijke problemen die wij niet meer kennen.
  4. Vinden van (praktisch toepasbare) mogelijkheden om onze huidige sociale omgeving dichter in de buurt te brengen van de Paleo Sociale Omgeving.
Ik maak nu een begin met stap 1.

Voor zover ik de sociaalwetenschappelijke onderzoeksliteratuur ken, zijn er voor de volgende vijf persoonlijke/maatschappelijke problemen aanwijzingen dat  ze mede worden veroorzaakt door kenmerken van de sociale omgeving:
  1. gezondheidsproblemen
  2. problemen met het cognitief/intellectuele functioneren
  3. criminaliteit en algemener: asociaal gedrag
  4. economische stagnatie en economische instabiliteit
  5. problemen met het functioneren van de democratie.
Voor deze vijf problemen zal ik in komende berichten een overzicht proberen te geven van het onderzoek dat licht werpt op de mate waarin en de manieren waarop deze problemen voortkomen uit kenmerken van de sociale omgeving waarin mensen verkeren. Dat gaat vaak over onderzoek waarin personen worden vergeleken die qua sociale omgeving van elkaar verschillen. Bijvoorbeeld onderzoek waarin mensen die weinig persoonlijke relaties hebben (die eenzaam zijn) worden vergeleken met mensen die meer of veel persoonlijke relaties hebben. Maar het gaat ook over onderzoek waarin landen worden vergeleken, bijvoorbeeld landen waarvan de bewoners elkaar onderling veel vertrouwen en landen waarvan de bewoners elkaar juist weinig vertrouwen.

Daarmee bouw ik voort op werk dat ik al eerder heb gedaan en dat een deel van de stof uitmaakte van het vak Sociale Welvaart dat ik tot 2008/2009 aan de sociologie-opleiding van de Groningse universiteit doceerde. Zie dit bericht voor een beschrijving van dat vak. Sinds die tijd is er natuurlijk voortschrijdend inzicht bij mijzelf, maar is er ook veel interessant sociaalwetenschappelijk onderzoek bijgekomen.