Posts tonen met het label armoede. Alle posts tonen
Posts tonen met het label armoede. Alle posts tonen

donderdag 30 maart 2023

In het statuscompetitieve wereldbeeld van de marktvuistregel is armoede niet een urgent probleem

Hieronder de Nieuwsbrief die ik vandaag op LinkedIn plaatste. Met een aantal berichten die eerder op dit blog verschenen.

 

Gisteren was er het bericht dat ongeveer tienduizend gezinnen in armoede leven door een overheidsfout. Hoe dat precies zit, wordt mij uit dat bericht niet helemaal duidelijk. Maar het heeft ermee te maken dat stellen met één UWV-uitkering en een aanvulling door de gemeente tot bijstandsniveau en stellen met één UWV-uitkering rond het bijstandsniveau als gevolg van een bepaalde belastingregel een zo hoog bruto-inkomen hebben dat ze toeslagen moeten terugbetalen waar ze eigenlijk recht op hebben. (Nee, ik begrijp het ook niet.) Daardoor vervallen ze tot armoede, met een groot risico op schulden.

Het is niet alleen opvallend dat zo'n "overheidsfout" gemaakt kon worden, maar ook dat het zoveel moeite kost om die fout te herstellen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde een half jaar geleden al dat de slachtoffers (ja, slachtoffers) gecompenseerd dienen te worden, maar dat is tot op heden niet gelukt.

Sterker: de Nationale Ombudsman kaartte de problemen al in 2016 aan. Sindsdien hebben opeenvolgende kabinetten het probleem bestudeerd, zonder het op te lossen.

Daarmee wordt duidelijk dat we hier niet met een incident, maar met een patroon te maken hebben. Een patroon dat onvermijdelijk de kans krijgt om zich te ontwikkelen als de politiek in de ban is van de "neoliberale" marktvuistregel. De vuistregel dat de overheid zich ondergeschikt dient te maken aan de markt, waar competitie zorgt voor de grootst mogelijke welvaart. Zie vooral ook de eerste editie van deze nieuwsbrief: De Nederlandse polycrisis. Als politici die vuistregel hanteren, dan hebben ze geen problemen met grote ongelijkheid. Net zo min als exorbitante rijkdom aan de bovenkant een reden tot zorg is, is armoede aan de onderkant dat niet. Ja, armoede, of een reële kans daarop, is zelfs nodig om er voor te zorgen dat mensen zich voldoende inspannen. Zonder "prikkels" komen ze niet in actie.

De psychologie achter die manier van denken is die van het statuscompetitiepatroon van het ieder-voor-zich. Het morele gemeenschapspatroon van het iedereen-telt-mee is uit het zicht verdwenen.

Naar aanleiding van het aftreden van Rutte-3 vorig jaar om de Toeslagenaffaire verzamelde ik toen de berichten die ik eerder schreef op toegepastesocialewetenschap.blogspot.com/ en op sociaalweb.nl over dat patroon van een overheid die zich weinig zorgen maakt over armoede. Toegegeven, dat is geen prettige lectuur. Maar we moeten onder ogen zien wat voor overheid we hebben gecreëerd. Om er de conclusie uit te trekken dat we terug moeten naar de overheidsvuistregel van het iedereen-telt-mee.

Ik heb die berichten hieronder, met enige aanpassingen, opgenomen. Waar ze over gaan, mag niet achter de horizon van de vergetelheid verdwijnen.


15 januari 2021

Vandaag treedt het kabinet Rutte-III af vanwege de Toeslagenaffaire. De affaire dus waarover de Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag tot het oordeel kwam dat de grondbeginselen van de rechtsstaat waren geschonden. 

Door wie? Door de uitvoerende macht, dus de regering en haar ambtenaren van de Belastingdienst, door de politiek, dus de volksvertegenwoordigers die gebiologeerd waren door de jacht op fraude, en door de rechterlijke macht, dus de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De regering is nu dus afgetreden. Het Openbaar Ministerie besloot om de ambtenaren niet te vervolgen, maar de getroffen ouders gaan daarmee niet akkoord. De Raad van State heeft aangekondigd lering te willen trekken uit wat boven tafel is gekomen.

Ik betoogde al dat de Toeslagenaffaire onderdeel is van een omvangrijker probleem, het probleem namelijk van een neoliberale visie op de rol van de overheid. In die "vulgair-economische" visie is de overheid niet een zelfstandige bron van het het welzijn van de burgers. Dat welzijn komt namelijk tot stand via de markt en daarom moet de overheid vooral de markt zo goed mogelijk en op zoveel mogelijk gebieden laten werken en daarnaast zichzelf zo veel mogelijk terugtrekken. 

Burgers moeten dus allemaal zoveel mogelijk "de markt op" en als ze daar niet zo goed slagen, dan ligt dat in de eerste plaats aan henzelf. De overheid hoort hen daarom zo weinig mogelijk bij te staan. Als ze toch om die bijstand vragen, dan moet er van worden uitgegaan dat ze zelf nog niet genoeg hebben gedaan om op eigen benen te staan. Anders gezegd, de kans dat ze ten onrechte voor steun aankloppen is groot. Dus moet er streng op fraude worden gecontroleerd.

Achter die visie duikt natuurlijk het wereldbeeld op van de statuscompetitie en de statushiërarchie. Volgens dat wereldbeeld is iedereen uitsluitend gemotiveerd door eigenbelang en is dus niemand te vertrouwen. Als dat wereldbeeld overheerst, kun je spreken van een statuscompetitiecultuur. In die cultuur past het niet om mededogen te hebben met degenen die laag in de statushiërarchie zijn terechtgekomen. Zij zijn zwak en kwetsbaar, hebben zich onvoldoende ingespannen en nemen dus de plaats in die ze verdienen. Vandaar dat ik de Toeslagenaffaire karakteriseerde als dat waarin de statuscompetitiecultuur van vernedering in is geculmineerd.

Dat betekent dat er al het een en ander aan is voorafgegaan. Trudie Knijn wees er al op dar er al jaren lang een bijstandsaffaire in de maak is: De schandalige bijstandsaffaire komt eraan. Met de Participatiewet van 2015 is de jacht geopend op fraude van mensen die van bijstand afhankelijk zijn. Met schrijnende resultaten. Onderdeel van de wet is dat van uitkeringstrekkers een vernederende tegenprestatie mag worden verlangd.

Zelf begon ik al in 2015 berichten te schrijven over de gevolgen voor rechtszekerheid en bestaanszekerheid van deze neoliberale afbraak van de verzorgingsstaat. Ik zocht ze weer eens op en je kunt ze hieronder achterelkaar lezen. (Ik zie nu dat ik al op 2 juni 2015 hoopte dat minister Asscher en staatssecretaris Klijnsma nog eens op het idee zouden komen om hun excuses aan te bieden.)


27-03-2015

Onze morele intuïties en de zorg voor kwetsbaren

De regelingen van de rechtsstaat en de verzorgingsstaat berusten niet alleen op ons welbegrepen eigenbelang, maar ook op onze morele intuïties van zorg voor elkaar en rechtvaardigheid. Die intuïties maken dat we verontwaardigd reageren op moreel wangedrag.

Maar diezelfde morele gevoelens komen ook in werking als het gaat om de zorg voor kwetsbaren. Hoewel we een zekere mate van ongelijkheid tolereren, voelen we sterk dat er in ons land een ondergrens moet zijn aan de armoede waarin iemand kan komen te verkeren. Vandaar dat we de bijstandsuitkering kennen.

Maar daarnaast kennen we ook de beslagvrije voet. Die is er om te voorkomen dat iemand die in de schulden is geraakt, niet onder het bestaansminimum zakt. Het is wettelijk vastgelegd dat bij invordering van schulden altijd met die beslagvrije voet rekening moet worden gehouden.

Goed geregeld dus. Maar nee, het blijkt dat schuldeisers, waaronder de Belastingdienst, die beslagvrije voet vaak niet respecteren. En omdat het vaak om kwetsbare burgers gaat, komen die daar ook niet altijd tegen in het geweer.

Gelukkig hebben we de Nationale Ombudsman. Die trouwens ook zijn bestaan te danken heeft aan diezelfde intuïties van zorg en rechtvaardigheid. We vinden dat iemand in nood altijd ergens nog zijn recht moet kunnen halen. De Ombudsman besliste eind februari dat een schuldenaar die niet tijdig de benodigde informatie aan de Belastingdienst had verstrekt, met terugwerkende kracht recht heeft op de bij zijn situatie passende beslagvrije voet. De Belastingdienst had eerder anders beslist.

Het is een interessant besluit, dat je hier kunt vinden. De Ombudsman redeneert dat de beslagvrije voet het absolute bestaansminimum is dat ten allen tijde dient te worden gerespecteerd. Waarbij het geen “excuus” kan zijn dat de schuldenaar tekortschoot in het tijdig verstrekken van informatie.

Want de Belastingdienst heeft ook zelf de verantwoordelijkheid om zich er van te vergewissen dat de beslagvrije voet niet te laag is vastgesteld. Een zorgplicht dus. Als iemand zichzelf tekort doet door niet de nodige informatie te verstrekken, dan mag je als instantie dus niet je schouders ophalen. Je hoort er van uit te gaan dat uit onwetendheid is gehandeld en je hoort actie te ondernemen om er voor te zorgen dat de burger krijgt waar hij recht op heeft.

Het handhaven van dat bestaansminimum is daarmee terecht gekenschetst als een collectieve verantwoordelijkheid. Terecht in de zin van overeenkomend met die morele intuïtie van zorg voor elkaar. Volgens die intuïtie is het niet gerechtvaardigd iemand te laten creperen omdat hij nu eenmaal zelf nalatig is geweest. Zo zit “zorg voor elkaar” niet in elkaar. En daar moesten ambtenaren van de Belastingdienst kennelijk aan worden herinnerd.

Wat overigens niet betekent dat nu alles op orde is. Want begin maart schreven de wethouders van de vier grote steden een noodbrief waarin ze staatssecretaris Klijnsma opriepen om er aan mee te werken dat die beslagvrije voet als bestaansminimum nu ook echt in de praktijk wordt gerespecteerd. Zij krijgen namelijk nog steeds te maken met klanten van de schuldhulpverlening die door onzorgvuldige behandeling in grote problemen zijn gekomen. En die zich dan maar tot de gemeente wenden.

De wethouders zouden graag zien dat de Rijksoverheid zich actief inzet om het bestaansminimum te waarborgen. Ook interessant, die brief.


02-06-2015

Mensenrechten van bijstandsgerechtigden geschonden?

Er lijkt iets vreemds aan de hand met hoe wij omgaan met kwetsbare mensen. Denk aan mensen die afhankelijk zijn van een persoonsgebonden budget en die te lijden hebben onder de gebrekkige uitvoering van de uitbetaling. Staatssecretaris Van Rijn en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) hebben daarvoor nu hun excuses aangeboden. Maar denk ook aan mensen die afhankelijk zijn van de bijstand.

In het kader van hun re-integratie zijn uitkeringsgerechtigden tegenwoordig verplicht om een tegenprestatie te leveren. En kunnen ze op hun uitkering gekort worden als ze dat weigeren of zich onvoldoende inspannen. Of worden ze gekort als ze niet de goede informatie hebben verstrekt, ook als er duidelijk geen opzet in het spel is. Met dit beleid hebben we in de uitvoering een machtsongelijkheid gecreëerd die misstanden uitlokt.

Toen ging het over de praktijken in Amsterdam, maar nu is ook Rotterdam negatief in het nieuws. De Ombudsman, Anne Mieke Zwaneveld, is uiterst kritisch. Het voorbeeld passeert van een werkzoekende die al jarenlang een dag in de week vrijwilligerswerk deed voor verstandelijk gehandicapten en die van de gemeente uitgerekend op die vaste dag moest gaan vegen.

Historici moeten later maar eens uitzoeken hoe het heeft kunnen gebeuren dat we zijn gaan vinden dat het goed is om kwetsbare medeburgers zo te bejegenen. En zo te vernederen.

Want ergens zijn wij, of in ieder geval onze politici en die zijn door ons gekozen, anders gaan aankijken tegen werkloosheid. Er was een tijd dat de overheid een economisch beleid voerde dat gericht was op het bereiken van volledige werkgelegenheid. Met het achterliggende idee dat de markt niet in staat mag worden geacht om daar altijd goed voor te zorgen. Zonder (macro-economisch) overheidsbeleid kunnen langdurige perioden met hoge werkloosheid bestaan.

Dat inzicht, dat werkloosheid een collectief probleem is, dat hebben onze politici ingeruild voor de mythe dat werkloosheid kan worden opgelost door werklozen harder aan te pakken. Werkloosheid is een individueel probleem geworden. Dat dus opgelost moet worden door werklozen en bijstandstrekkers achter de broek te zitten. Zie ook Jesse Frederik daarover.

Maar hopelijk keert de wal het schip. Want nog er van afgezien dat dit beleid economisch niet deugt, lijkt het niet te voldoen aan de eisen van moraliteit en dus van mensenrechten. Het College voor de Rechten van de Mens verwerpt in principe niet de eis van een tegenprestatie, maar heeft wel grote twijfels over problemen met de uitvoering daarvan. Zo kunnen strafkortingen er toe leiden dat mensen onder het bestaansminimum zakken. En omdat de tegenprestatie kan betekenen dat je werk doet waar anderen gewoon voor betaald worden, komt de eis van gelijk loon voor gelijk werk in gevaar.

Maar bovendien is er nu in Duitsland een uitspraak gedaan door het Sozialgericht Gotha die niets aan duidelijkheid te wensen overlaat. De rechters zijn van mening dat het opleggen van strafkortingen mensen onder het bestaansminimum drukt en dat zulks duidelijk in strijd is met de eisen van de menselijke waardigheid. En omdat die eisen in de Duitse Grondwet verankerd zijn, wordt de uitspraak doorverwezen naar het Bundesverfassungsgericht, het Hof dat wetten beoordeelt op hun overeenstemming met de Grondwet.

Dat wordt nog interessant wat daar uit komt. En wat dat voor gevolgen heeft voor het beleid in Nederland. Misschien maken we nog mee dat minister Asscher en staatssecretaris Klijnsma, maar eigenlijk de politici in het algemeen, er achter komen dat ze hun excuses moeten aanbieden.


10-03-2016

Zijn we vergeten dat we een maatschappij zonder armoede willen? En nodig hebben?

Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft onderzoek gedaan naar armoede in Nederland over de periode 1989 tot 2013. In die periode is de armoede toegenomen en vooral ook de langdurige armoede. Dit geldt in de eerste plaats voor uitkeringstrekkers en pensioenontvangers. Onder uitkeringstrekkers ligt het armoedepercentage bijna viermaal zo hoog als onder de algemene bevolking.

Maar bovendien blijkt dat het hebben van werk minder een garantie is geworden om niet arm te zijn. In 2013 was bijna de helft van de totale groep langdurig armen actief op de arbeidsmarkt.

De kans op langdurige armoede is vooral groot onder werkloze ouderen. Zij komen niet alleen nauwelijks meer aan het werk, ook krijgen ze te maken met versoberingen in de regelingen die nu nog gelden als hun WW-uitkering stopt. Samen met de verhoging van de AOW-leeftijd, kan dit betekenen dat mensen die veertig jaar gewerkt hebben, alsnog langdurig arm worden.

Je wordt er somber van. En je vraagt je af wat deze cijfers teweeg zullen brengen. Wat mogen we van de politici en de beleidsmakers verwachten die deze informatie tot zich nemen?

Wat lezen we daarover in dat armoederapport van het SCP? Daarin vind je een paragraaf over de beleidsrelevantie van het onderzoek. Die bestaat er volgens het SCP uit dat:

  • Armen in een neerwaartse spiraal terecht kunnen komen, doordat armoede leidt tot gevoelens van onmacht, incompetentie en gebrek aan erkenning
  • De sterke flexibilisering van de arbeidsmarkt een bijdrage levert aan de toename van armoede, waardoor werk niet meer de bestaanszekerheid biedt die er in het verleden wel was.
  • Langdurige armoede kan leiden tot een tweedeling in de maatschappij.

En in een paragraaf over beleidsimplicaties van het onderzoek merkt het SCP terecht op dat de overheid sterk inzet op betaalde arbeid als middel om armoede te voorkomen en om uit de armoede te geraken, maar dat uit dit onderzoek dus blijkt dat bijna de helft van de langdurig armen werkzaam is. De overheid zou zich dus eens achter de oren moeten krabben.

En dat zou ze ook moeten doen als je kijkt naar de toename van langdurige armoede onder uitkeringstrekkers, vooral de ouderen onder hen.

Maar toen ik dit alles tot me liet doordringen, ging ik me ook afvragen hoe dat ook al weet zat met die verzorgingsstaat die we na de Tweede Wereldoorlog opbouwden. We wilden toch een maatschappij die niet alleen economisch welvarend zou zijn, maar ook een met een zodanige gelijkheid dat niemand in bestaansonzekerheid hoeft te verkeren?

Want dat wisten we nog heel goed, dat de massawerkloosheid, de bestaansonzekerheid en de armoede in de jaren dertig, gevolgen van economische crisis en slecht economisch beleid, tot rampzalige gevolgen hadden geleid.

Nooit gedacht dat dat belangrijke inzicht ooit nog weer zo actueel zou kunnen worden.

Zijn we vergeten dat we een maatschappij zonder armoede willen? En dat we een maatschappij zonder armoede nodig hebben om maatschappelijke onrust, ontreddering en erger te voorkomen?


07-01-2019

Is in Nederland het recht op het absolute bestaansminimum wel gegarandeerd? Nee dus

De zorg die de overheid (en dus wij met zijn allen) voor de bestaanszekerheid van iedereen behoort te hebben, is vastgelegd in Artikel 20 van de Grondwet. En uitgewerkt in wetten en regels omtrent de sociale zekerheid en de bijstand. In de regels van de verzorgingsstaat.

Een bijzondere uitwerking van die zorg is de verplichting van de Belastingdienst om bij loonbeslag in geval van schulden rekening te houden met de beslagvrije voet, dat gedeelte van het inkomen dat als het absolute bestaansminimum mag worden beschouwd. Dat deel dus dat altijd in stand hoort te blijven.

Als dat laatste niet gegarandeerd is, dan kun je wel stellen dat de overheidszorg voor de bestaanszekerheid niet wordt uitgeoefend.

En dat laatste lijkt helaas in ons land het geval te zijn. Al in 2015 (!) schreef ik over het besluit van de Nationale Ombudsman dat de Belastingdienst die beslagvrije voet ten alle tijden dient te respecteren, in voorkomende gevallen ook met terugwerkende kracht. En dat de Belastingdienst hier een zorgplicht heeft, dus zich er zelf dient van te vergewissen dat het bestaansminimum altijd in acht wordt genomen.

Dat zou ook vanzelf moeten spreken, denk je dan. In een verzorgingsstaat. Maar ja, sinds de ideologie van het neoliberalisme heeft postgevat, is het niet meer zo vanzelfsprekend dat onze overheid de bestaanszekerheid van haar burgers een hoge prioriteit geeft. Zie Heeft de, politiek gemotiveerde, toename van bestaansonzekerheid de tegenstellingen aangewakkerd?

Maar goed, dat bericht dateerde van 2015. We zijn nu 2019 en de Belastingdienst zal die zorgplicht nu toch wel in acht nemen?

Nee, dat blijkt niet het geval te zijn. Een en ander zou geregeld worden in de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet, maar de implementatie van die wet is uitgesteld en zal nu waarschijnlijk pas in 2021 ingaan. Vandaag bericht Binnenlands Bestuur dat hierover vragen zijn gesteld door de CDA-Tweede Kamerleden René Peters en Pieter Omtzigt (hulde!) aan de staatssecretarissen Menno Snel (Financiën) en Tamara van Ark (Sociale Zaken en Werkgelegenheid): UITERST KRITISCHE VRAGEN OVER UITSTEL NIEUWE BESLAGVRIJE VOET.

Uit die vragen blijkt ook dat er in juni vorig jaar een uitvoeringstoets is geweest door de Belastingdienst met "alarmerende resultaten", hetgeen ten onrechte niet met de Tweede Kamer is gedeeld. Ook wijzen de Kamerleden erop dat de toenmalige Nationale Ombudsman Alex Brenninkmeijer in 2013 al (!) waarschuwde dat overheden de beslagvrije voet regelmatig niet respecteren.

Je kunt moeilijk anders dan je afvragen of we nog wel een overheid hebben die de zorg voor het absolute bestaansminimum, en dus voor bestaanszekerheid, serieus neemt.

05-03-2017

En lees tenslotte ook De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding?

dinsdag 2 augustus 2022

Over een minister voor Armoedebeleid en over de machtsstrijd tussen kapitaal en arbeid - En over kabinetten-Rutte

We hebben een armoedeminister, voluit een Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen. De minister, Carola Schouten, wordt geïnterviewd in het blad Binnenlands Bestuur: 'Overheid moet menselijker gezicht krijgen'. De minister vertelt dat ze niet alleen noodhulp wil bieden aan mensen die de hoge energierekeningen niet kunnen betalen, maar dat ze ook bezig is met "een fundamentele hervorming van de sociale zekerheid". 

Wat is er dan mis met die sociale zekerheid? Welnu, die is in de afgelopen decennia, zeg de jaren van de kabinetten-Rutte, zo verschraald en tegelijkertijd ingewikkelder geworden, dat mensen de overheid zijn gaan wantrouwen. En dat het nu tijd wordt dat de overheid "een menselijker gezicht" krijgt. Dat moet gebeuren door het minimumloon en daarmee de bijstandsuitkeringen te verhogen. En door mensen in de bijstand niet meer te bestraffen als ze mantelzorg verlenen, als ze een bijbaan hebben, als ze hun kinderen na hun 21e in huis houden of als ze af en toe een boodschappentas van de buurvrouw krijgen.

Is dat allemaal eigenlijk niet heel vanzelfsprekend, is de vraag aan de minister. Waarop de minister antwoordt:

Het is inderdaad zo vanzelfsprekend dat het eigenlijk raar is dat we dit eerder niet hebben toegestaan. Die vanzelfsprekendheid wil ik weer terugbrengen in de wet. 

Dat klinkt allemaal goed en het verdient natuurlijk instemming. Maar wat opvallend mist, is reflectie op hoe het allemaal zo gekomen is. Niet alleen bij deze minister, maar bij vrijwel de hele Nederlandse politiek en de media die daarover berichten. Waardoor kreeg de overheid een onmenselijk gezicht, waardoor waren de uitkeringen te laag en waardoor werd uitkeringsgerechtigden het leven zo zuur gemaakt? Waar is de eis van een tegenprestatie vandaan gekomen? Waar kwam het arbeidsmarktbeleid vandaan dat het fenomeen van de werkende armen creëerde? Waardoor nam in die afgelopen decennia alom de bestaansonzekerheid toe?

Het antwoord is eenvoudig en zou bekend behoren te zijn. Dat alles was politiek gemotiveerd. Dat was wat vrijwel alle politieke partijen, de VVD van Mark Rutte voorop, wilden en nastreefden. Het was het neoliberale beleid, gericht op zoveel mogelijk bevordering van marktwerking, niet alleen op de gebieden van goederen- en dienstenmarkten, maar ook op het gebied van de arbeidsmarkt. Die moest zoveel mogelijk worden gedereguleerd, opdat ondernemers efficiënter en met lagere arbeidskosten konden opereren. 

Dat hield meteen ook in dat de sociale zekerheid moest worden versoberd. Want slechtere arbeidsomstandigheden en lagere lonen dienden te worden geaccepteerd. Denk aan VVD-verkiezingsslogans waarin uitkeringen met een lekkere hangmat werden vergeleken en waarin werd gesuggereerd dat mensen liever hun hand ophouden dan uit de mouwen te steken. Het moest ondernemers zoveel mogelijk naar de zin worden gemaakt en dus verschoven risico's van werkgevers naar werknemers. En voor de laatsten moest de uitwijkmogelijkheid van de sociale zekerheid zoveel mogelijk worden geblokkeerd.

Dat leek allemaal verstandig en pragmatisch beleid, een beleid van "economische hervormingen", en zo werd het ook gepresenteerd en verkocht, maar het was in feite een ideologische gemotiveerde verschuiving in de maatschappelijke machtsverhoudingen. Meer macht voor het kapitaal, minder macht voor de arbeid. De politiek wordt nu geconfronteerd met de nadelige gevolgen daarvan en denkt dat op te kunnen lossen door een ministerie voor Armoedebeleid te introduceren. En voor de rest zoveel mogelijk door te gaan op de ingeslagen weg. Voer een beleid dat armoede creëert en zadel een minister op met armoedebeleid. De weg van de kabinetten-Rutte.

Het is precies die machtsverschuiving die we ook hebben gezien in het evenzeer neoliberale macro-economische beleid waarin de naoorlogse overheidsdoelstelling van volledige werkgelegenheid werd verlaten en waarin werkloosheid niet meer als een onaanvaardbaar maatschappelijk kwaad werd gezien, maar slechts als een middel om inflatie te bestrijden. 

Die kwestie is weer opvallend actueel nu we ineens hoge inflatiecijfers meemaken. En centrale banken de rente verhogen, met als oogmerk om via een recessie en oplopende werkloosheid de inflatie terug te brengen. Mensen in de werkloosheid duwen omdat dat nu eenmaal noodzakelijk zou zijn voor de prijsstabiliteit. En om maar te voorkomen dat de machtsstrijd tussen arbeid en kapitaal in het voordeel van de arbeid uitvalt. 

Daarover meer in een volgend bericht.

dinsdag 26 januari 2021

Door opgroeien in armoede minder goed executief functioneren op volwassen leeftijd

We zagen al de waaier van negatieve effecten van een toename van bestaansonzekerheid. Zie de powerpoint in het bericht Heeft de, politiek gemotiveerde, toename van bestaansonzekerheid de tegenstellingen aangewakkerd? Het ging o.a. om negatieve welzijns- en gezondheidseffecten van baanonzekerheid, flexibele contracten, werkloos geweest zijn en van een toename van de werkloosheid. Ook werkt werkloosheid van de vader negatief uit op de school- en arbeidsloopbaan van de kinderen. En er zijn aanwijzingen dat armoede schadelijk is voor het cognitieve functioneren. En dan hebben we het er nog niet over dat bestaansonzekerheid de kans op pro-sociaal gedrag verkleint en de kans op rechtsextremisme vergroot.

Omdat het verkeren in armoede meestal gepaard zal gaan met bestaansonzekerheid, ligt het voor de hand om ook naar het onderzoek naar de gevolgen van armoede te kijken. We zagen al dat bij arm opgroeiende kinderen inkomensverbeteringen terug zijn te zien in hogere scores op verbale en wiskundige vermogens op latere leeftijden. En dat opgroeien in armoede is af te lezen aan langzamere hersenontwikkeling in eerste levensjaren. 

En we zagen het onderzoek van Gary W. Evans naar de negatieve gevolgen van blootstelling aan armoede. Zie de berichten Door opgroeien in armoede meer stress en hulpeloosheid en minder goed werkgeheugen op volwassen leeftijd, Armoede maakt ziek door gevoel anders behandeld te worden en Lage status, armoede, piekeren en chronische stress. 

Van diezelfde Gary Evans, samen met Martha J. Farah en Daniel A. Hackman, is er nu de studie Early Childhood Poverty and Adult Executive Functioning: Distinct, Mediating Pathways for Different Domains of Executive Functioning. Daarin gaat het om effecten van het opgegroeid zijn in armoede op twee vaardigheden van het cognitieve functioneren: werkgeheugen en inhibitie. Werkgeheugen slaat op het beoordelen van nieuwe informatie, het ophalen, vasthouden en bewerken van opgeslagen informatie. En inhibitie is het vermogen om gedrag en gedachten te beheersen. 

Het blijkt dan dat kinderen die een groter deel van hun jeugd zijn blootgesteld aan armoede een slechter werkgeheugen hebben op 24-jarige leeftijd. Een samenhang die deels wordt verklaard door een grotere mate van chronische stress (allostatische belasting) op 13- en 17-jarige leeftijd.. 

En er is een een negatieve samenhang met het vermogen tot inhibitie op diezelfde leeftijd. Daarin speelt niet chronische stress een verklarende rol, maar wel de mate van responsiviteit van de moeder op 13-jarige leeftijd. Dit lijkt te wijzen op een indirect effect van armoede, namelijk via de verhoogde stress van de moeder. die daardoor minder beschikbaar is.

dinsdag 26 juni 2018

Een inkomensverbetering bij arme gezinnen is af te lezen aan hogere cognitieve vermogens van de kinderen op latere leeftijd

We weten al dat opgroeien in armoede is af te lezen aan langzamere hersenontwikkeling in eerste levensjaren. Ook weten we dat het opgroeien in armoede gepaard gaat met meer chronische stress en dat de gevolgen ervan nog op 17- en 24-jarige leeftijd kunnen worden vastgesteld aan onder meer een slechter werkgeheugen.

Arm opgroeien in een voor het overige welvarende maatschappij zet kinderen dus wat hun cognitieve vermogens betreft op achterstand. Want we weten ook dat er in de verklaring van verschillen in cognitieve vermogens naar sociaal-economische status naast een genetische weg ook een weg via de opgroei-omgeving een rol speelt.

Als het arm opgroeien voor de cognitieve vermogens van kinderen inderdaad slecht uitwerkt, dan zou het zo moeten zijn dat een inkomensverbetering gevolgen heeft voor de cognitieve ontwikkeling van kinderen in de periode daarna.

Precies dat vinden de onderzoekers in de studie Income Gains Predict Cognitive Functioning Longitudinally Throughout Later Childhood in Poor Children. Ze analyseerden de longitudinale data van het Amerikaanse NICHD Early Child Care Research Network. Bij arm opgroeiende kinderen zijn inkomensverbeteringen terug te zien in hogere scores op verbale en wiskundige vermogens op latere leeftijden. Net zo zijn inkomensverslechteringen terug te zien in lagere scores op hogere leeftijden.

Mogelijke verklaringen liggen erin dat het extra inkomen zo wordt besteed dat de huiselijke omgeving voor kinderen stimulerender is en dat het extra inkomen zorgt voor minder stress bij de ouders en bij de kinderen zelf.

vrijdag 22 juni 2018

De oorlog tegen de kwetsbaren en de armen als verschijningsvorm van de statuscompetitie

De menselijke sociale natuur is innerlijk tegenstrijdig. Het kan de kant op gaan van gemeenschap, van het samenwerken en delen met anderen. Maar het kan ook de kant op gaan van statuscompetitie en statushiërarchie, van anderen zien als tegenstrevers in de strijd om status en de voordelen daarvan.

Die innerlijke tegenstrijdigheid zien we natuurlijk terug in hoe mensen omgaan met het publieke domein van maatschappelijke verhoudingen en nationale en internationale politiek. De kant van de gemeenschap zien we terug in de principes van de democratie en de verzorgingsstaat en op het internationale vlak van de mensenrechten en de vluchtelingenverdragen.

Maar daarnaast zien we dus ook de verschijningsvormen van de statuscompetitie en de statushiërarchie. Ik maakte een begin met een inventarisatie daarvan in het bericht De sociale verschijningsvormen van de statuscompetitie en de statushiërarchie.

Bij twee van de vormen die ik daar opsomde, het vijfde en zesde bullet, gaat het om de houding ten opzichte van kwetsbaren en armen. Overheerst het statuscompetitiepatroon, dan past geen mededogen met degenen die het moeilijk hebben. Zij zullen hun precaire positie wel aan zichzelf te wijten hebben en moeten dus leren van hun verkeerde gedrag. Als ze daartoe niet in staat zijn, dan is dat uitsluitend hun eigen probleem.

Als je probeert het nieuws te volgen, tegenwoordig geen aangename bezigheid, dan zie je die houding her en der, en het lijkt steeds meer, de kop opsteken. Een kleine selectie, in willekeurige volgorde:

Dat in de Verenigde Staten in het kielzog van Donald Trump de Republikeinen aan de macht zijn, heeft als een nog te weinig opgemerkt gevolg dat geprobeerd wordt om de Amerikaanse verzorgingsstaat te ontmantelen. Kwetsbaren en armen horen aan hun lot te worden overgelaten. Lees de berichten Behind Trump’s Plan to Overhaul the Government: Scaling Back the Safety Net en
G.O.P. Wants Hungry Kids to Fund Tax Cuts, die gisteren in de New York Times verschenen. En lees nog eens Paul Krugmans Trump’s War on the Poor van april vorig jaar.

En denk aan de tot nu toe niet geslaagde pogingen om Obamacare om zeep te helpen. In het Republikeinse denken zou het ongrondwettelijk zijn om burgers te verplichten zich te verzekeren tegen ziektekosten. Een verplichting waarzonder een collectieve gezondheidszorg niet kan bestaan. Republikeinen zijn van mening dat je ziek worden zelf in de hand hebt en dat je er dus niet op mag rekenen dat de overheid voorziet in een collectieve ziektekostenverzekering. Lees Justice Dept. Says Crucial Provisions of Obamacare Are Unconstitutional. 

Maar laten we ook naar Europa kijken. Ook in Nederland (tegenprestatie in de bijstand) en in Duitsland (Hartz-IV) is de afbraak van de verzorgingsstaat in gang gezet. Lees nog eens De neoliberale overheid neemt je je waardigheid af. In Duitsland is intussen over Hartz-IV discussie ontstaan (Was an Hartz IV wirklich abgeschafft gehört). Maar in Nederland lijken de tegenprestatie,  en de voedselbanken, nu algemeen aanvaard te zijn. (Net zo als het algemeen aanvaard is dat we een euro in stand houden die tot voor kort bizar gevonden werkloosheidscijfers in Griekenland, Italië en Spanje met zich mee heeft gebracht.)

En dan is er natuurlijk, in de Verenigde Staten en in Europa, die andere verschijningsvorm van de statuscompetitie, de vijandige houding tegenover vluchtelingen en immigranten. In het Amerika van Trump is er nu het schandaal van de gescheiden gezinnen aan de grens. Anne Applebaum daarover: In Trump’s world, morality is for losers. Met een kop waarin wel heel bondig de tegenstelling tussen gemeenschap (morality) en statuscompetitie (losers) naar voren komt.

En aan de randen van Europa is er al langer dat andere schandaal, dat van de bootvluchtelingen die vanuit Afrika proberen de Middellandse Zee over te steken. Sinds 2014 zijn daarbij naar schatting 15.000 migranten verdronken. Dat we dat als Europeanen hebben laten gebeuren, dat wijst er wel heel duidelijk op dat in die innerlijk tegenstrijdige sociale natuur van ons het statuscompetitiepatroon het roer kan overnemen.

dinsdag 9 januari 2018

Meer sociale wijsheid bij lagere klassen - En over hoe dat komt

Na de Holocaust en de Tweede Wereldoorlog waren we nog zo verstandig om in te zien dat mensen bestaanszekerheid nodig hebben en dat een al te grote ongelijkheid heel vervelende gevolgen heeft. Vandaar dat we de verzorgingsstaat opbouwden en een sterk progressieve inkomstenbelasting kenden.

Maar die verstandige inzichten hebben we sindsdien losgelaten. Door allerlei politieke maatregelen, samen te vatten als de opkomst van het neoliberalisme, zijn de bestaansonzekerheid en de ongelijkheid sterk toegenomen.

Dat proces is nu al enkele tientallen jaren aan de gang. Lang genoeg om steeds beter inzicht te kunnen krijgen in de gevolgen ervan. Zo weten we dat meer inkomensongelijkheid de statuscompetitie aanwakkert en mede daardoor negatieve gezondheidseffecten heeft. Ook weten we dat grotere ongelijkheid slecht is voor stabiele economische groei.

Daarnaast is ook ons inzicht gegroeid in hoe ongelijkheid gedifferentieerd uitwerkt voor de armen en de rijken. In het bericht Loopt het kapitalisme op zijn laatste benen? Economische, maar ook sociaalwetenschappelijke inzichten vind je een opsomming van wat armoede met armen doet en rijkdom met rijken. Een opsomming die doet vermoeden dat een eenmaal in gang gezette ongelijkheid de neiging heeft om zichzelf te versterken.

Omdat we voorlopig van die grote ongelijkheid nog niet verlost zijn, mag je verwachten dat er meer inzichten in de gevolgen ervan naar boven zullen komen. Zo is er nu het onderzoek Social class and wise reasoning about interpersonal conflicts across regions, persons and situations, dat inzicht geeft in wat arm of rijk zijn doet met je vermogen om sociaal wijs te handelen. Zie ook The lower your social class, the ‘wiser’ you are, suggests new study voor een samenvatting van het onderzoek.

Het begrip sociale wijsheid maakt enige opgang in het sociaalwetenschappelijk onderzoek. Er wordt een combinatie van de volgende vijf vermogens onder verstaan:
  • erkenning van de beperkingen van de eigen kennis en intellectuele bescheidenheid
  • besef dat de wereld verandert en dat een situatie zich in verschillende richtingen kan ontwikkelen
  • een situatie kunnen bekijken vanuit de gunstiger positie van iemand anders
  • erkenning van gezichtspunt van anderen
  • bereidheid tot compromissen en inzien van belang van conflictoplossing
Lees Wisdom in Context voor meer toelichting.

De onderzoekers keken in twee verschillende studies naar het verband tussen de mate van sociale wijsheid en sociale klasse. Ze verwachtten bij lagere sociale klassen, die meer bestaansonzekerheid ervaren, daardoor meer afhankelijk zijn van elkaar en zich in het algemeen meer moeten aanpassen, meer sociale wijsheid aan te treffen. Doordat ze vaker te maken hebben met risico´s en bedreigingen, zullen ze bovendien meer aandacht hebben voor hun omgeving en wat daarin zou kunnen veranderen. 

En die verwachting bleek uit te komen. Zoals ze in hun conclusies samenvatten:
In contrast to a long line of research suggesting that higher social class is aligned with superior cognition [2,3], the present data indicated that higher class is associated with a lower propensity of reasoning wisely in interpersonal situations. Our results were systematic across group, individual and situational levels of analysis when controlling for regional differences in scholastic aptitude, population, urbanization, income inequality, demographic factors such as age and gender, and a host of individual differences in agreeableness, openness to new experiences, consideration of others' emotions and individualism–collectivism.
En:
while higher-class individuals may enjoy the cognitive benefits of status (e.g. environments that foster development in such areas as fluid cognition), those same environments may constrain their ability or motivation to reason wisely (e.g. acknowledge change, uncertainty, and the limits of their knowledge). Conversely, limited resources and other threats associated with lower class environments may promote wise reasoning about interpersonal affairs, enabling greater vigilance and management of uncertainty associated with such environments.
Ik vind het een boeiend resultaat. Er is wel een aanmerking. De onderzoekers gaan ervan uit dat het verschil tussen arm en rijk geheel tot stand komt door het zogenaamde beïnvloedingseffect: door arm te zijn en arm op te groeien, kom je meer terecht in omstandigheden waardoor je, bij wijze van aanpassing, sociale wijsheid ontwikkelt.

Maar het zou ook kunnen zijn dat meer sociale wijsheid jouw kans verkleint om rijk te worden. Dat zou het zogenaamde selectie-effect zijn. Volgens dat effect schop je het in onze maatschappij niet ver als je teveel compromissen zoekt, teveel conflicten probeert te vermijden, te bescheiden bent en teveel rekening houdt met het gezichtspunt van anderen.

Dat laatste is geen prettige gedachte.

maandag 27 maart 2017

Het gezondheidsrisico van lage sociaaleconomische status staat vast - Wat te doen?

Er valt een sterk pleidooi te maken voor het toevoegen van lage sociaaleconomische status aan de door de WHO (World Health Organization) opgestelde lijst van zeven risicofactoren voor de niet-overdraagbare ziektes, ook bekend als chronische ziektes (hart- en vaatziektes, kanker, ademhalingsziektes en diabetes). Zie eerder het bericht Lage sociaaleconomische status verlaagt levensverwachting fors, nog los van andere risicofactoren.

Volgens dat pleidooi moet lage status dus als een gezondheidsrisico worden behandeld op dezelfde lijn als risico's als roken, overmatig alcoholgebruik, inactiviteit en overgewicht. Martin Tobias, Public Health Physician and Principal Epidemiologist van het Nieuw-Zeelandse Ministry of Health vraagt daar nu aandacht voor in The Lancet: Social rank: a risk factor whose time has come?

Dat een lage status een gezondheidsrisico is, ligt er niet alleen aan dat hij meer gepaard gaat met een ongezonde leefstijl. Daarnaast spelen een verhoogde kans op stress, op "major life events" (scheiding, werkloosheid, ongeval, overlijden van een naaste), op armoede en op slechte arbeidsomstandigheden een grote rol. In de studie waar het in het vorige bericht over ging, was 18,9 procent van de sterfte van volwassen mannen toe te schrijven aan lage status en 15,3 procent van de sterfte van volwassen vrouwen.

Dat komt er op neer dat sociaaleconomische ongelijkheid een ernstig gezondheidsprobleem is. Dat wisten we natuurlijk. Denk aan het werk van Wilkinson en Pickett (Het is immoreel om het probleem van ongelijkheid niet aan te pakken).

Maar het mooie van dat stuk van Martin Tobias is dat hij een (lange) lijst opstelt van alle op onderzoek gebaseerde aanbevelingen om dit probleem aan te pakken. Ik heb de lijst hieronder in zijn geheel overgenomen. Lees en laat tot je doordringen wat daar allemaal staat. En je komt dan zomaar tot de conclusie dat we om redenen van volksgezondheid een egalitaire verzorgingsstaat nodig hebben,

Jawel, een verzorgingsstaat. En dat is dus een heel andere richting die we met onze maatschappij op moeten dan die van de neoliberale nachtmerrie van zoveel mogelijk marktwerking en zo klein mogelijke overheid.

Panel
Evidence-based strategies to minimise the impact of social hierarchy on health

Invest in children
  • •
    Early childhood development enrichment programmes
  • •
    Intensive parent support (home visiting) programmes
  • •
    Enrolment of all children in early childhood education
Get the welfare mix right
  • •
    Regulate markets as necessary
  • •
    Implement income transfer policies that redistribute resources (ie, progressive tax and benefit regimes)
  • •
    Optimise balance between targeted and universal social protection policies through benefit design that minimises both undercoverage and leakage
  • •
    Eliminate child poverty through monetary and non-monetary support for families with dependent children
Provide a safety net
  • •
    Provide income support or tax credits
  • •
    Provide social housing
  • •
    Subsidise childcare
  • •
    Provide free access to health care (especially preventive services)
Implement active labour market policies
  • •
    Provide job enrichment programmes
  • •
    Democratise the workplace (involve employees in decision making)
  • •
    Provide career development and on-the-job training
  • •
    Provide fair financial compensation and intrinsic rewards
  • •
    Promote job security
  • •
    Discourage casualisation of the workforce
Strengthen local communities
  • •
    Foster regional economic development
  • •
    Promote community development and empowerment
  • •
    Encourage civic participation
  • •
    Create mixed communities with health-enhancing facilities
Provide wrap-around services for the multiply disadvantaged
  • •
    Coordinate services across government and NGOs
  • •
    Provide intensive case management when necessary
  • •
    Foster engagement of the targeted families and individuals
Promote healthy lifestyles
  • •
    Strengthen tobacco control and addiction services
  • •
    Improve the diet of poor families (eg, through subsidising fruit and vegetables, community gardens, purchasing co-ops, school meals)
  • •
    Provide green space and subsidised sport and recreation facilities
Ensure universal access to high quality primary health care
  • •
    Subsidise practices serving high need populations
  • •
    Provide additional nursing and social worker support for practices in disadvantaged areas
  • •
    Assist patients with clinic transport and childcare
  • •
    Provide services free at point of use
  • •
    Provide conditional cash transfers (to increase demand for clinical preventive services)
Strategies are collated from multiple sources.

zondag 5 maart 2017

De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding?

Op verzoek van het Trendbureau Overijssel schreef ik het essay De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding? Verschenen als Hoofdstuk 3 in: Hans Peter Benschop (red.), Nieuwe tegenstellingen. Wat doen we ermee? Den Haag: Boom bestuurskunde (p. 75-91)

Lees hieronder het begin en lees hier verder.


De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding?

Inleiding: “De gemeenschap, georganiseerd in de staat …”

Na de Tweede Wereldoorlog vond er een klein wonder plaats. Vrijwel voor het eerst in de geschiedenis van staten werd besloten om de fundamentele morele intuïties van samenwerking en delen op het niveau van de nationale staat te institutionaliseren. Er was een les geleerd van de crisis van de jaren dertig en van het toen opkomen van het nationaalsocialisme. De vreselijke gevolgen van gebrek aan bestaanszekerheid op grote schaal waren duidelijk geworden, zowel individueel als maatschappelijk. Zo overweldigend groot dat er grote tegenstellingen, maatschappelijke ontwrichting, oorlog en zelfs genocide uit bleken te kunnen voortkomen. 
 
Het algemeen gedeelde gevoelen was dat de maatschappij moest worden ingericht met het oog op het tegengaan van grote tegenstellingen door het streven naar bestaanszekerheid voor iedereen en dat een cruciale rol van de overheid daarin onvermijdelijk was. De Commissie-Van Rhijn, die al gedurende de oorlog aan het werk was gezet (Kappelhof 2004), formuleerde dit als volgt:
‘De gemeenschap, georganiseerd in de staat, is aansprakelijk voor sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek van al haar leden, op voorwaarde dat deze leden het redelijke doen om zich die sociale zekerheid en vrijwaring te verschaffen.’
Dit werd het rechtsbeginsel voor de opbouw van de verzorgingsstaat (Giebels 2009). Het behelst de gedachte dat de staat uitvoerder is van de in de bevolking levende morele beginselen van de gemeenschap. De aansprakelijkheid “voor sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek” kun je lezen als het gemeenschapsbeginsel dat burgers elkaar via de omweg van de staat bijstaan in het streven naar bestaanszekerheid. Volgens datzelfde beginsel mogen burgers van elkaar verwachten dat ze “het redelijke” doen om te voorkomen dat ze die bijstand nodig hebben.

donderdag 15 december 2016

Harry van Dalen over de actualiteit van A Christmas Carol van Charles Dickens - En over I, Daniel Blake

Onder de titel Waarom ‘A Christmas Carol’ verplichte kost voor economen is heeft Harry van Dalen een fraaie beschouwing over de maatschappijkritiek die Charles Dickens met dit kerstverhaal beoogde. 

Het boek verscheen in 1843 en werd meteen veel gelezen. Het verhaal van Scrooge, die vindt dat de armen niet moeten worden geholpen, omdat ze daar maar lui van worden en meer kinderen verwekken, waardoor er nog meer armen komen, leert ons hoe in die tijd door economen en de overheid over armoede werd gedacht.

Maar tegelijk zegt de populariteit van Dickens' aanklacht ons iets over hoe gewone mensen daarover dachten en denken.

Volgens de toen invloedrijke Thomas Malthus (1766 - 1834) waren honger en armoede onvermijdelijk en was het verkeerd om de armen te helpen. Wat er aan sociale zekerheid bestond, de Poor Laws, werkte alleen maar averechts.
Door de armen geld en eten te geven zouden ze lui worden en meer kinderen nemen dan ze zelfstandig konden onderhouden. Met andere woorden, het bieden van een armenhulp creëerde alleen nog maar meer armen. Volgens Malthus was dan ook het beste als de lokale Poor Laws zouden worden opgeheven waarbij alleen nog de workhouses als laatste toevluchtsoord voor de armen over moesten blijven. Armenhulp mocht echter geen pretje zijn omdat afhankelijkheid als een kwaad werd gezien. In 1834 werd de visie van Malthus min of meer overgenomen in de nieuwe wet. ‘Outdoor relief’ – dus het bieden van geld of voedsel – werd afgeschaft en lokale Workhouses moesten gaan functioneren als zogenaamde Union Workhouses, waar armen in verschillende categorieën bij elkaar werden gezet. Mannen bij mannen, vrouwen bij vrouwen, kinderen bij kinderen.
Dickens was bekend met die workhouses, waarvan het idee was dat het leven er zo onaangenaam mogelijk moest zijn omdat het anders maar luiaards zou aantrekken. Waarbij dit citaat van Malthus een inspiratiebron moet zijn geweest:
A man who is born into a world already possessed, if he cannot get subsistence from his parents on whom he has a just demand, and if the society do not want his labour, has no claim of right to the smallest portion of food, and, in fact, has no business to be where he is. At nature's mighty feast there is no vacant cover for him. She tells him to be gone, and will quickly execute her own orders.
Dit is gemakkelijk te herkennen als het soort economie dat egoïsme rechtvaardigt. Armen hebben geen recht op bestaan en dus ook geen recht op onze hulp en solidariteit. Sterker, het zou onjuist zijn om hen te helpen.

Maar Dickens laat Scrooge 's nachts bezoek krijgen van drie geesten die het hem flink lastig maken en waarvan de laatste hem toevoegt:
“Man,” said the Ghost, “if man you be in heart, not adamant, forbear that wicked cant until you have discovered What the surplus is, and Where it is. Will you decide what men shall live, what men shall die? It may be, that in sight of Heaven, you are more worthless and less fit to live than millions like this poor man’s child.”
Met the surplus wordt het bevolkingsoverschot bedoeld, waarmee Malthus de armen aanduidde.

En tenslotte komt Scrooge tot inkeer en betert hij zijn leven.

Van Dalen is er niet zo expliciet over, maar, helaas, Dickens' aanklacht is in 2016 nogal actueel. Ook nu zijn er onder economen en politici ideeën over werkloosheid en armoede waar de honden geen brood van lusten.

In de neoklassieke economische modellen bestaat geen onvrijwillige werkloosheid. Iedereen zonder werk weigert om een voldoende laag loon te accepteren. Politici wijzen macro-economisch beleid gericht op volledige werkgelegenheid af. Werkgelegenheid is niet een doel, maar een middel om marktevenwicht te bereiken.

In dat wereldbeeld past het om het uitkeringstrekkers niet te gemakkelijk te maken en van hen een tegenprestatie te eisen. En het past om bij het minste of geringste tekortschieten een sanctie op te leggen. Werkloos zijn is je eigen schuld. Dat er zoveel voedselbanken zijn, wordt er mee afgedaan dat er natuurlijk altijd mensen op afkomen als je dingen gratis uitdeelt.

We lijken in sommige opzichten weer terug te zijn in het midden van de negentiende eeuw. Waarin dus de populariteit van Dickens' aanklacht er op wees dat gewone mensen dat wereldbeeld afwijzen.

We zouden nu zo'n aanklacht ook goed kunnen gebruiken.

Maar wacht, die is er al. Gisteren de film I, Daniel Blake van Ken Loach gezien. Lees hier wat The Guardian daarover schrijft: I, Daniel Blake review – Ken Loach's quiet rage against injustice. Met aan het eind een verwijzing naar, jawel, Charles Dickens.

dinsdag 13 december 2016

Door opgroeien in armoede meer stress en hulpeloosheid en minder goed werkgeheugen op volwassen leeftijd

Over de gevolgen die het opgroeien in armoede heeft, kun je meer te weten komen door kinderen uit arme en niet-arme gezinnen bij dat opgroeien te volgen.

Gary W. Evans en zijn mede-onderzoekers hebben dat gedaan voor een groep van 341 jongeren in de Verenigde Staten, die ze vanaf hun negende jaar volgden. In die groep waren kinderen uit arme gezinnen oververtegenwoordigd, waardoor een vergelijking kon worden gemaakt met kinderen uit niet-arme gezinnen.

In het bericht Lage status, armoede, piekeren en chronische stress ging het over de resultaten van dat onderzoek toen de kinderen 17 jaar waren geworden. Het bleek dat degenen die langer in armoede hadden doorgebracht, meer last hadden van chronische stress (allostatische belasting). En het meer last hebben gehad van chronische stress, had ook het werkgeheugen verminderd (hoeveel je op korte termijn kunt onthouden). Het verband tussen armoede en werkgeheugen bleek te verdwijnen als je rekening houdt met die chronische stress.

In later onderzoek lieten Evans c.s. zien dat die chronische stress er uit voortkomt dat kinderen uit arme gezinnen het gevoel hebben vanwege hun achtergrond of komaf anders behandeld te worden. Anders gezegd: zich gediscrimineerd te voelen. Zie Armoede maakt ziek door gevoel anders behandeld te worden.

Die kinderen zijn intussen 24 jaar geworden en Evans laat nu in het onderzoek Childhood poverty and adult psychological well-being zien wat de gevolgen zijn van opgroeien in armoede als je jong-volwassen bent geworden. Die gevolgen bestaan er uit dat
  • het werkgeheugen minder goed functioneert. Het werkgeheugen is een belangrijk fundament voor cognitieve vaardigheden en voor leerprestaties. Bekend is dat het werkgeheugen negatief beïnvloed wordt door stress
  •  je meer gestresst bent (allostatische belasting)
  • je meer last hebt van externaliserende gedragssymptomen (zoals agressie)
  • je meer last hebt van gevoelens van hulpeloosheid.
Bedenk daarbij dat deze gevolgen blijven bestaan als je in de statistische analyses rekening houdt met deze problemen op eerdere leeftijden. En dat wijst er op dat je armoede ook echt kunt aanwijzen als oorzaak.

Er is dus zacht gezegd nogal wat voor te zeggen om te voorkomen dat kinderen opgroeien in armoede. Zie Armoede in kaart, 2016 van het SCP voor de ontwikkeling van armoede in Nederland sinds 2001. Citaat:
De laatste cijfers die beschikbaar zijn, betreffen 2014. Dit jaar laat weer een lichte daling van de armoede zien. Het aantal armen volgens de ruimere niet-veel-maar-toereikendgrens bedraagt nu iets meer dan 1,2 miljoen (7,6%) en volgens de basisbehoeftengrens ruim 810.000 (5,1%). 
Nadat de armoede na 2005 flink daalde, nam hij na 2010 door de crisis, maar vooral ook door het rampzalige bezuinigingsbeleid als antwoord daarop, sterk toe.

Onderzoek wijst dus op de negatieve gevolgen daarvan, ook op de langere termijn. En het wijst op de maatschappelijke kosten die daaruit voortkomen.

Soms denk je dat we zijn vergeten dat we een maatschappij zonder armoede willen.

vrijdag 11 maart 2016

Armoede, verzorgingsstaat en basisinkomen

Het bericht Zijn we vergeten dat we een maatschappij zonder armoede willen? En nodig hebben? roept bij sommigen de vraag op waarom ik het niet verbonden heb met een pleidooi voor de invoering van het onvoorwaardelijk basisinkomen. Ik denk dat ik hen, waaronder Joop Böhm, een uitleg verschuldigd ben.

Het punt waar het om draait, staat in de titel van het bericht. De opbouw van de verzorgingsstaat na de Tweede Wereldoorlog was bedoeld om een economie en een maatschappij zonder armoede in te richten.

Niet alleen omdat armoede ellendig is voor degenen die er door getroffen worden, maar ook omdat het bestaan van armoede iets doet met degenen die niet arm zijn. Het verhoogt de algehele bestaansonzekerheid en dat maakt mensen gestresst, wantrouwend, zelfzuchtig en vijandig tegenover buitenstaanders. De gruwelen van het nazi-bewind en de Jodenvervolging hebben natuurlijk veel te maken gehad met het na de Tweede Wereldoorlog alom verbreide vaste voornemen om een verzorgingsstaat op te bouwen.

Maar het lijkt alsof die lessen zijn vergeten. In de kringen van politici en beleidsmakers wordt schamper gedaan over de verzorgingsstaat. Het garanderen van bestaanszekerheid wordt afgedaan als "pamperen". De verzorgingsstaat zou achterhaald en onhoudbaar zijn.

Armoede en werkloosheid worden als individuele problemen gezien, die op te lossen zijn door "disciplinering" en 'tegenprestaties". In plaats van volledige werkgelegenheid als macro-economische doelstelling na te streven, is het bon ton geworden om massawerkloosheid te zien als een middel om de lonen omlaag te brengen als aanpassing aan een nieuw marktevenwicht. In het neoliberale denken gaat het niet meer om wat mensen nodig hebben, maar is de markt van middel tot doel op zichzelf geworden.

Politiek gezien zijn de sociaal-democratie en de christen-democratie, die elk met eigen accenten die verzorgingsstaat hielpen opbouwen, hierin meegegaan. Het zacht gezegd eigenaardige Duitse economische denken, waarin vooral iedereen zijn eigen stoepje moet vegen en waarin mensen door pijn te lijden hun lessen moeten leren, is de Europese politiek gaan domineren. Update. Zie vandaag ook Barry Eichengreen daarover: Confronting the Fiscal Bogeyman.

Dat alles heeft de te verwachten nare gevolgen. In het politieke landschap is vrij baan voor demagogie en vreemdelingenhaat. Overeenkomsten met de jaren 30 van de vorige eeuw dringen zich op.

Mijn conclusie daaruit is dat de strijd, want een strijd is het, nu moet gaan over de verzorgingsstaat. En die strijd kan gewonnen worden, want ondanks alle neoliberale propaganda (there is no alternative) is de steun voor de verzorgingsstaat aanzienlijk. Mensen willen geen kleinere overheid en zijn bereid de belastingen daarvoor op te brengen.

Hoe zit dat dan met dat onvoorwaardelijk basisinkomen? Ik ben daar een voorstander van en vind dat het er moet komen. Maar dan als een sluitstuk van de verzorgingsstaat, niet als een alternatief daarvan. Zie Is het Onvoorwaardelijk Basis Inkomen het sluitstuk in de opbouw van de verzorgingsstaat?

Want ook met een basisinkomen zijn armoede en ellende niet de wereld uit. Ook dan is er een overheid nodig die zich om de pechvogels bekommert, die problemen hebben waar ook een basisinkomen niet aan tegemoetkomt . En een overheid die het tot zijn verantwoordelijkheden rekent om een macro-economisch beleid te voeren dat zorgt voor voldoende economische groei om basisinkomen en andere sociale voorzieningen in stand te kunnen houden.

De neoliberale staat is niet minder een nachtmerrie als hij een onvoorwaardelijk basisinkomen kent.

woensdag 9 maart 2016

Zijn we vergeten dat we een maatschappij zonder armoede willen? En nodig hebben?

Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft onderzoek gedaan naar armoede in Nederland over de periode 1989 tot 2013. In die periode is de armoede toegenomen en vooral ook de langdurige armoede. Dit geldt in de eerste plaats voor uitkeringstrekkers en pensioenontvangers. Onder uitkeringstrekkers ligt het armoedepercentage bijna viermaal zo hoog als onder de algemene bevolking.
Zo begint mijn nieuwe blog op Sociaalweb.nl. Lees hier verder: Zijn we vergeten dat we een maatschappij zonder armoede willen? En nodig hebben?

Update. Zie nu ook Armoede, verzorgingsstaat en basisinkomen.

dinsdag 19 januari 2016

Hoe hoog is de echte werkloosheid? Er is nog helemaal geen economisch herstel

Onze regering wil ons graag laten geloven dat het bezuinigingsbeleid succesvol is geweest, dat we daardoor nu uit de crisis zijn en dat beter tijden op het punt staan aan te breken. Omdat verkiezingen dichterbij komen, heeft de regering er voor gezorgd dat de belastingen worden verlaagd en we er bijna allemaal iets in koopkracht op vooruit gaan. En de media doen graag mee met het aanwakkeren van dit succesverhaal.

Maar er is weinig reden tot juichen. Want de aanwijzingen dringen zich op dat de economie van de eurozone stagneert. Zie EURO ZONE: IN THE GRIP OF ‘SECULAR STAGNATION’?

Daar mee komt overeen dat in ons land de werkloosheid sinds het hoogste punt begin 2014 nog maar weinig is gedaald en in de tweede helft van 2015 weer is gaan oplopen. Zie CBS: Werkloosheid toegenomen. In november waren er 616.000 mensen werkloos.

Maar zegt dat wel alles? Nee, want als je kijkt naar de mensen die in deeltijd werken en graag meer uren zouden willen werken, dan blijken dat er 537.000 te zijn. Zie Wil meer uren werken. Omdat het hier gaat om een groep die ook direct beschikbaar is voor meer uren, mag je aannemen dat het extra werk ook echt nodig is met het oog op extra inkomen. Een groot deel van deze groep bestaat uit de werkende armen. Anders gezegd: verborgen werkloosheid.

Maar vandaag krijgen we bovendien zicht op een andere vorm van verborgen werkloosheid. Het CBS publiceert cijfers over aantallen werkenden die onder het niveau van hun opleiding werken. En dat zijn grote aantallen. Van de hoger opgeleiden werken er 769.000 onder hun niveau en van de middelbaar opgeleiden 225.000. Samen 994.000. Die dus niet de werkervaring opdoen die bij hun opleiding zou horen.

Update. Als je al deze aantallen zou optellen, dan kom je op het verbijsterende aantal van 2 miljoen en 183.000. Maar dan tel je een onbekend aantal mensen dubbel die zowel meer uren zouden willen werken als onder hun niveau werken.

Al met al niet alleen een menselijk, maar ook een economisch drama. Aangericht door het rampzalige bezuinigingsbeleid. Lees ook nog even weer Voorpaginanieuws: schade bezuinigingsbeleid 20-30 miljard euro per jaar, 200.000 tot 300.000 banen.

En blijf je er over verbazen hoe zorgvuldig de media vermijden om hier ruchtbaarheid aan te geven.

Update. En zie ook hier hoe het consumentenvertrouwen, dat weliswaar sinds april 2015 weer positief is, miezerig net boven de nullijn blijft schommelen en sinds december weer daalt. Bepaald geen overtuigend herstel.

Update. En zie nu ook De Nederlandsche Bank: Arbeidsmarkt ruimer dan werkloosheid doet vermoeden.

donderdag 29 oktober 2015

Anti-immigranten sentiment beïnvloed door inkomenspositie en bestaansonzekerheid

De toename van vluchtelingenstromen lijkt een sterke toename van het anti-immigrantensentiment te veroorzaken. Wat weten we over de achterliggende oorzaken van de negatieve houding tegenover nieuwkomers en immigranten?
Zo begint mijn nieuwe blog op Sociaalweb.nl. Lees hier verder: Anti-immigranten sentiment beïnvloed door inkomenspositie en bestaansonzekerheid.

dinsdag 29 september 2015

Negatieve effecten van armoede bestrijd je door armen minder arm te maken

Het wordt steeds duidelijker dat armoede grote negatieve effecten heeft op de armen en hun kinderen. Ik stond daar eerder bij stil in de berichten Lage status, armoede, piekeren en chronische stress en Opgroeien in armoede is af te lezen aan langzamere hersenontwikkeling in eerste levensjaren.

Bij de bestrijding van armoede gaan we er vaak van uit dat we de oorzaken moeten aanpakken en die denken we te vinden in eigenschappen van de armen. Ze missen vaardigheden en ze hebben te weinig opleiding. En daar moeten we dan dus wat aan doen.

Maar de aanwijzingen worden steeds sterker dat een goede manier van armoedebestrijding er eenvoudigweg uit bestaat dat je de armoede opheft door de financiële positie van armen te verbeteren. Het blijkt dan namelijk dat wat je eerst aanzag voor eigenschappen die de armoede veroorzaakten, in werkelijkheid gevolgen zijn van armoede.

Nu is er weer de studie How Does Household Income Affect Child Personality Traits and Behaviors? De onderzoekers benutten een unieke gelegenheid om de effecten van een "inkomensoverdracht" van rijk naar arm te bestuderen. Het gaat om een longitudinaal onderzoek, de Great Mountains Study of Youth, dat in 1993 begon in Noord-Carolina in de Verenigde Staten. In de steekproef  waren kinderen van Cherokee Indiaanse ouders (over-)vertegenwoordigd. Kinderen en hun ouders werden verschillende keren geïnterviewd, de kinderen tot ze 19 en 21 jaar oud waren.

Tijdens het verloop van het onderzoek werd er, zoals in meer Indianenreservaten in de V.S., een casino geopend, dat eigendom werd van het bestuur van de Cherokee indianen. Een deel van de winst werd  halfjaarlijks verdeeld over alle volwassen leden van de stam. Zonder enige voorwaarden, anders dan dat je bekend moest zijn als lid. Het ging om bedragen van ongeveer 4000 dollar per jaar, vergelijkbaar met sommige Amerikaanse uitkeringen.

Je zou kunnen zeggen dat hier een "inkomensoverdracht" plaats vond, van de overwegend rijke bezoekers van het casino naar de overwegend arme indianen. Het gevolg hiervan was dat het gemiddelde inkomen van de indianenouders werd opgetrokken tot in de buurt van het gemiddelde inkomen van de andere ouders. De armen werden minder arm.

De onderzoekers konden nagaan wat de effecten hiervan waren op gedrags- en emotionele stoornissen en persoonlijkheidseigenschappen bij de indianenkinderen in de periode daarna. Het bleek toen dat gedragsproblemen sterk afnamen (26,7 procent van een standaarddeviatie) en dat de scores op de persoonlijkheidseigenschap zorgvuldigheid (conscientiousness) sterk toenamen (42,8 procent vaneen standaarddeviatie).

Ook konden ze iets zeggen over de weg waarlangs deze effecten tot stand kwamen. Ze konden namelijk vaststellen dat de fysieke en mentale gezondheid van de ouders verbeterden, wat wijst op een afname van stress. In lijn daarmee verbeterde het ouderlijk toezicht op de kinderen en vonden de kinderen dat de relatie met hun ouders prettiger was. Ook verbeterde de relatie tussen de ouders. Bovendien nam hun alcohol- en druggebruik af.

Sterke aanwijzingen dus voor de effectiviteit van de bestrijding van de negatieve effecten van armoede door armen minder arm te maken. En dus sterke aanwijzingen voor de wenselijkheid van de verzorgingsstaat, voor een beleid gericht op meer inkomensgelijkheid en op inkomensoverdrachten van arm naar rijk. (Zie natuurlijk ook nog eens het bericht Hogere uitkeringen verbeteren cognitief functioneren van ouderen.)

En je vraagt je af of al die economen die het basisinkomen afdoen als economisch onhaalbaar, wel voldoende met zulke onderzoeksresultaten rekening houden.

maandag 28 september 2015

Hogere uitkeringen verbeteren cognitief functioneren van ouderen

We wisten al dat een betere inkomenspositie bij ouderen samengaat met een betere gezondheid, beter cognitief functioneren en een langer leven. Maar de achterliggende oorzaken waren niet geheel duidelijk. Het kan zijn dat die ouderen ook in het verleden al gezonder waren en beter cognitief functioneerden, daardoor een hoger arbeidsinkomen hadden, met als gevolg een betere financiële positie in hun latere leven.

Zo begint mijn nieuwe blog op Sociaalweb.nl. Lees hier verder: Hogere uitkeringen verbeteren cognitief functioneren van ouderen.

woensdag 26 maart 2014

Is geloof in God nodig voor moreel gedrag?

Is het voor moreel gedrag nodig om in God te geloven? Veel mensen denken van wel. Het Pew Research Center deed onderzoek in 40 landen. Ze vroegen mensen of ze het wel of niet noodzakelijk vonden om in God te geloven om morele en goede waarden te hebben. In 22 van de 40 landen vond een duidelijke meerderheid dat geloof in God noodzakelijk is. Daarzonder zouden dus morele waarden, en moreel gedrag, niet mogelijk zijn.

Die 22 landen liggen overwegend in Afrika, het Midden-Oosten (m.u.v. Israël), Azië en Latijns-Amerika. China is een opvallende uitzondering: slechts 14 procent vindt dat geloof in God noodzakelijk is. Maar dat kan er aan hebben gelegen dat de Chinese term voor God die in de vraag gebruikt werd, voor Chinezen sterk geassocieerd is met het Protestantse christendom. De religieuze ervaring van de meeste Chinezen wordt daarmee niet gevangen. Zie de interessante beschouwing daarover van Ian Johnson.

In Europa en Noord-Amerika liggen de zaken anders. In de meeste landen is er een meerderheid die denkt dat geloof in God niet noodzakelijk is. Dat loopt op tot ongeveer 80 procent in Frankrijk, Spanje, Tsjechië en Groot-Brittannië. (Nederland zat niet in het onderzoek.) Hier is de Verenigde Staten de uitzondering: 53 procent is van mening dat geloof in God noodzakelijk is.

De algemene indruk die je krijgt is dat er een verband is met de rijkdom van landen. Inwoners van rijkere landen lijken minder overtuigd van het verband tussen geloof in God en morele waarden dan inwoners van armere landen. En dat blijkt ook het geval te zijn, maar wel met de V.S. als opvallende outlier (zie de figuur). Naast China, maar zie hierboven.

Een verklaring zou kunnen zijn dat inwoners van armere en slechter functionerende landen meer gelovig zijn en dat gelovigen meer overtuigd zijn van de noodzaak van geloof in God voor moraliteit.

En ik vond inderdaad dat religie meer bloeit in armere en slechter functionerende landen, d.w.z. landen met problemen als ongelijkheid, corruptie, criminaliteit en een lage levensverwachting. Zie The Chronic Dependence of Popular Religiosity upon Dysfunctional Psychosociological Conditions, met als samenvatting van de resultaten:
popular religion is usually a superficial and flexible psychological mechanism for coping with the high levels of stress and anxiety produced by sufficiently dysfunctional social and especially economic environments. Popular nontheism is a similarly casual response to superior conditions. 
Dat zou ook de positie van de V.S. verklaren: weliswaar rijk, maar zeer ongelijk en een relatief lage levensverwachting.

Hoewel er geen aanwijzingen zijn dat ongelovigen minder moreel gedrag vertonen dan gelovigen, is het wel zo dat religie de kans op het plegen van een delict iets lijkt te verkleinen.

Dat veel mensen geneigd zijn om te denken dat moreel gedrag niet goed mogelijk is zonder geloof in God, zegt natuurlijk niet dat God zelf, of geloof in God, de bron is van onze morele intuïties. Die morele intuïties leren we als kinderen vanzelf aan als we maar opgroeien in een morele gemeenschap.

Op het gemakkelijk leren daarvan zijn we bij de geboorte voorbereid. Maar het proces van dat leren voltrekt zich grotendeels onbewust, vergelijkbaar met het leren van onze moedertaal. We kunnen het later niet meer navertellen. Maar omdat we wel graag een aanwijsbare oorzaak zouden willen kennen van onze morele overtuigingen, zijn we geneigd zo'n oorzaak te gaan zoeken. En dan denken we bijvoorbeeld aan God. Of aan opvoeding. Zie Moreel besef en de "fallacy of misplaced concreteness": opvoeders en God.