Posts tonen met het label Dictator-spel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dictator-spel. Alle posts tonen

dinsdag 15 december 2020

Door anderen te vertrouwen creëer je voor hen een veilige sociale omgeving, die ook weer vertrouwen uitlokt

We zagen al allerlei aanwijzingen voor Stelling 2 van de Dual Mode-theorie, die inhoudt dat mensen gemakkelijk met gemeenschapsgedrag reageren als ze dat gedrag bij anderen waarnemen. Pro-sociaal gedrag is besmettelijk, zoals trouwens statuscompetitiegedrag dat ook is. Ik noemde die aanwijzingen in de paragraaf Het belang van de sociale omgeving (Stelling 2) van Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen. Dat mensen zo reageren is begrijpelijk, want gemeenschapsgedrag van anderen schept een sociaal veilige omgeving en als de sociale kust veilig is, dan zijn mensen maar al te graag bereid om met anderen rekening te houden en anderen bij te staan.

Het verschijnen van de studie Trust Does Beget Trustworthiness and Also Begets Trust in Others maakt het mogelijk om daar een aanwijzing aan toe te voegen. Daarin gaat het over het stellen van vertrouwen in anderen en het wel of niet beschamen van dat vertrouwen. Dat gebeurt met het vertrouwensspel, dat in 1995 werd geïntroduceerd in de veel geciteerde studie Trust, Reciprocity, and Social History van Joyce Berg, John Dickhaut en Kevin McCabe. 

In dat spel mag speler A een bedrag verdelen over hemzelf en een anonieme andere persoon (B). Daarna wordt het aan B toegewezen deel van het bedrag verdrievoudigd en kiest B welk deel daarvan hij wil toekennen aan A. Hoe hoger het vertrouwen dat A in B heeft, hoe meer hij aan B zal toekennen. Als B dat vertrouwen waarmaakt, dan zal hij het verdrievoudigde bedrag eerlijk met A delen. Maar hij kan het vertrouwen van A ook beschamen en alles of het meeste voor zichzelf houden. 

Bedenk dat als B zou handelen volgens de rationele keuzetheorie, hij alles voor zichzelf zou houden. En dat A volgens diezelfde theorie dat gedrag zou verwachten en dus het hele beginbedrag voor zichzelf zou houden. Niet een optimale uitkomst, want B ontvangt niets en A minder dan hij zou ontvangen als hij B had vertrouwd en B dat vertrouwen niet had beschaamd.

Er is met dat vertrouwensspel al veel onderzoek gedaan en daaruit komen vrijwel over de hele linie weerleggingen van die rationele keuzetheorie naar voren. Mensen zijn vaak bereid een anonieme andere persoon te vertrouwen en zijn ook vaak bereid om het in hen gestelde vertrouwen niet te beschamen.

Dat "vertrouwensgedrag" behoort natuurlijk tot het gemeenschapsgedrag, tot gedrag zoals in een gemeenschap. Die gemeenschap is immers die veilige sociale omgeving waarin we met elkaar rekening houden en elkaar ondersteunen. En waar we elkaar dus kunnen vertrouwen.

Als persoon A de anonieme andere persoon B vertrouwt, wat dus in onderzoek vaak het geval is, wil dat zeggen dat hij bereid is om een onbekende andere als iemand te beschouwen die tot "de gemeenschap" behoort. Zoals de gemeenschap van alle mensen. Dat wordt ook wel generalized trust genoemd of vertrouwen in mensen in het algemeen. Zie het bericht Meer omgang met vrienden, familie en buren vergroot het algemene vertrouwen in anderen. 

Wat A dus in dat geval doet, is dat hij voor B een veilige sociale omgeving schept. Hij gedraag zich als in een gemeenschap.

Dat gemeenschapsgedrag van A blijkt voor een deel voort te komen uit het in B gestelde vertrouwen, maar voor een ander deel ook uit goedaardigheid, dus uit de bereidheid iets aan iemand anders af te staan. Dat inzicht komt voort uit het onderzoek waarin mensen naast het vertrouwensspel ook het Dictatorspel spelen. Daarin zagen we immers dat mensen ook bereid zijn om van een bedrag een deel aan iemand anders af te staan, ook zonder dat er een verwachting van wederkerigheid in het spel kan zijn. Uit dat onderzoek blijkt dat wat mensen in het vertrouwensspel aan B afstaan, de "optelsom" is van hun goedaardigheid en hun vertrouwen in B. Zie How to identify trust and reciprocity. Een ander woord voor die optelsom is: gemeenschapsgedrag.

Hoe reageert B op die veilige sociale omgeving die A voor hem creëert? Door het verdrievoudigde van A ontvangen bedrag vervolgens met A eerlijk te delen. Dat wil zeggen, dat gemeenschapsgedrag komt in het onderzoek verreweg het meest voor. Als mensen een signaal krijgen van een veilige sociale omgeving, door het gemeenschapsgedrag van anderen, dan zijn ze ook zelf graag bereid tot datzelfde gemeenschapsgedrag. 

Maar daar komt nog iets bij. Want de onderzoekers van die studie Trust Does Beget Trustworthiness and Also Begets Trust in Others hadden iets bedacht dat nog niet eerder was gedaan. Ze lieten degenen die als speler B hadden gespeeld, in een tweede spel optreden als de speler A. Om na te gaan wat het effect zou zijn van het in het eerste spel wel of niet vertrouwd zijn geweest op het gedrag in het tweede spel. 

En wat bleek? Degenen waarin in het eerste spel vertrouwen was gesteld, waren in het tweede spel meer bereid om zelf ook vertrouwen in de ander te hebben. Het in hen gestelde vertrouwen had iets bijgedragen aan hun beeld van een sociaal veilige wereld. Waardoor ze in het tweede spel ook meer vertrouwen voor de ander konden opbrengen dan wanneer ze dat in hen gestelde vertrouwen niet hadden ervaren.

Dat alles is dus geheel in overeenstemming met Stelling 2 van de Dual Mode-theorie. Gemeenschapsgedrag schept sociale veiligheid. En sociale veiligheid lokt gemeenschapsgedrag uit. En zo komt een gemeenschapsevenwicht dichterbij.

maandag 24 februari 2020

Achter "Eigen volk eerst" gaat 'Ik eerst" schuil - meer aanwijzingen dat pro-sociaal gedrag niet parochiaal, maar universalistisch is

Op onze neiging tot pro-sociaal gedrag, tot het rekening houden met en bijstaan van anderen, zijn we geselecteerd in de lange periode van de Paleo Sociale Omgeving, toen we als jagers-verzamelaars in groepen van vertrouwde anderen waren aangewezen op samenwerken en delen om te overleven. Daardoor zijn we ook nu nog toegerust met de morele intuïties van het gemeenschapsgedrag.

Maar onze sociale omgeving is sindsdien ingrijpend veranderd. In een kring van vertrouwde anderen gedragen we ons gemakkelijk en zonder dralen pro-sociaal. Maar daarbuiten kunnen we ook in aanraking komen met statuscompetitiegedrag, dus met anderen die ons niet gunstig gezind behoeven te zijn en waartegen we ons misschien moeten verdedigen. We kunnen dan moeten terugvallen op de intuïties van het statuscompetitiegedrag, dus op de vermogens om gevaar te detecteren en om daarop gepast te reageren, met vechten of vluchten, of met onderdanigheid of zelfs bevriezen (immobiliseren) als het gevaar overweldigend is.

Maar vaak weten we niet goed wat we van die anderen buiten onze kring van vertrouwde anderen, vreemden dus, te verwachten hebben. Wat doen we in die toestand van onzekerheid? Zijn we om te beginnen goed van vertrouwen? Of juist argwanend en op onze hoede?

Het antwoord zal enerzijds afhangen van de omstandigheden. Maar anderzijds zou je ook kunnen denken dat mensen van elkaar verschillen.

Dat laatste is een bekend thema in het sociaalwetenschappelijk onderzoek. Twee vermoedens ("hypothesen") staan tegenover elkaar.

Aan de ene kant de hypothese dat pro-sociaal gedrag altijd "parochiaal" is, dat wil zeggen dat degenen bij wie meer die gemeenschapsintuïties aanwezig zijn, ook altijd degenen zijn die het meeste onderscheid maken tussen vertrouwden en vreemden. Tegenover hun vrijgevigheid ten aanzien van hun vertrouwden zou dus juist hun wantrouwen en zelfs vijandigheid staan tegenover vreemden. Volgens dit vermoeden is gemeenschapsgedrag dus altijd van het type "Eigen volk eerst".
De evolutionaire gedachte hierachter lijkt te zijn dat de selectie op gemeenschapsgedrag in die Paleo Sociale Omgeving een selectie tussen onderling concurrerende en vijandige groepen was. Groepen die intern meer solidair waren, dus meer parochiaal pro-sociaal gedrag kenden, zouden succesvoller zijn in de conflicten tussen groepen. En zouden er dus zo voor zorgen dat er op dat parochiale pro-sociale gedrag geselecteerd werd.
Maar dat er in de Paleo Sociale Omgeving dat type groepsselectie plaats vond is onwaarschijnlijk. Jagers-verzamelaarsgroepen onderhielden over het algemeen goede contacten met elkaar, ook al op basis van uithuwelijkingsrelaties. Gewelddadige conflicten tussen groepen, oorlogen, kwamen pas met de landbouwrevolutie de mensheidsgeschiedenis binnen.
Aan de andere kant is er dan ook de hypothese dat gemeenschapsgedrag juist altijd universalistisch is. Dus dat een grotere geneigdheid tot pro-sociaal gedrag ten opzichte van vertrouwden juist samen gaat met dezelfde geneigdheid ten opzichte van vreemden. Volgens deze gedachte verschillen mensen "over de hele linie" in hun geneigdheid tot gemeenschapsgedrag.
Dit komt overeen met de evolutionaire gedachte dat in de Paleo Sociale Omgeving binnen de jagers-verzamelaarsgroepen werd geselecteerd op gemeenschapsgedrag. Als uitkomst van het zelfdomesticatieproces: het tegenovergestelde statuscompetitie gedrag werd door coalities van groepsleden onderdrukt, desnoods met geweld. Denk aan Richard Wranghams The Goodness Paradox. The Strange Relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution. 
Wat wijst het sociaalwetenschappelijk onderzoek uit? Tot nu toe levert dat voor beide hypothesen aanwijzingen op. In de nieuwe studie Prosociality in the economic Dictator Game is associated with less parochialism and greater willingness to vote for intergroup compromise vind je een aantal literatuurverwijzingen. Maar die studie zelf doet verslag van een onderzoek dat de tweede hypothese ondersteunt, dus dat gemeenschapsgedrag meer universalistisch van aard is.

De onderzoekers, onder wie David G. Rand, deelden deelnemers aan hun onderzoek, dat plaats vond via internet (Amazon Mechanical Turk), in twee verschillende groepen in (de blauwe groep en de paarse groep). Gedurende het experiment konden ze een stem uitbrengen voor hun eigen groep of voor de andere groep. Als aan het eind van het spel een van de groepen een bepaald minimumaantal stemmen (de drempel) had behaald, dan ontvingen de leden van beide groepen een beloning, zij het dat die voor de leden van de "winnende" groep hoger was. Als geen van de beide groepen de drempel haalde, dan kreeg niemand een beloning.

Het was dus in ieders belang dat een groep de drempel haalde. Dat betekende dat het voor de leden van een groep die duidelijk minder stemmen leek te gaan krijgen, verstandig kon zijn om een stem uit te brengen op de andere groep. Om er zo aan bij te dragen dat de drempel werd gehaald. Bij wijze van compromis. Het blijven stemmen op je eigen groep, werd gezien als een uiting van parochiaal pro-sociaal gedrag en het zo nodig stemmen op de andere groep als een uiting van universalistisch pro-sociaal gedrag. In het eerste geval is het "Eigen volk eerst" en in het tweede geval staat het algemenere belang voorop.

Los van dat groepsexperiment werd de neiging tot pro-sociaal gedrag gemeten met het zogenaamde anonieme Dictatorspel, waarin je gevraagd wordt om een bedrag naar eigen goeddunken te verdelen over jou en "een andere persoon". Er is dus niets dat je tegenhoudt om alles voor jezelf te houden. Hoeveel je dan toch weggeeft, zegt iets over je geneigdheid tot pro-sociaal gedrag.

Het blijkt dan dat hoe pro-socialer iemand is, hoe minder parochiaal en hoe meer universalistisch. Daarmee kwam overeen dat de meer pro-socialen zich ook meer identificeerden met alle deelnemers aan het experiment, terwijl de minder pro-socialen zich meer met alleen de leden van de eigen groep identificeerden.

De uitkomst wijst in dezelfde richting als het eerdere onderzoek waaruit bleek dat de geneigdheid tot "Eigen volk eerst", zoals gemeten met de Sociale Dominantie Oriëntatie, zoals verwacht samen hangt met meer vijandigheid tegenover de andere groep en dat dit niet "gecompenseerd" werd met meer pro-sociaal gedrag tegenover de eigen groep. Parochialisme gaat samen met egoïsme en universalisme met pro-sociaal gedrag. Achter "Eigen volk eerst gaat "Ik eerst" schuil.

zaterdag 15 december 2018

De Onderwijsraad heeft gelijk dat leerlingen meer met klasgenoten met andere achtergronden in aanraking zouden moeten komen

De Onderwijsraad waarschuwt voor Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel. Want daardoor draagt het onderwijs bij aan de toch al toenemende sociale segmentering. Een citaat:
mensen uit verschillende sociale lagen in de samenleving bewegen zich steeds meer in gescheiden groepen en treffen elkaar niet meer vanzelfsprekend. Ook in het onderwijs zien we deze sociale segmentering. Dit begint al bij de voorschoolse voorzieningen. Deze voorzieningen zijn gefragmenteerd en georganiseerd rond verschillende doelstellingen en verschillende doelgroepen, waardoor kinderen met een risico op achterstanden vaak gescheiden blijven van andere kinderen. In het basis- en voortgezet onderwijs gaan kinderen en jongeren uit diverse sociale groepen vaak naar verschillende scholen. Dit komt deels doordat kinderen en jongeren met eenzelfde sociale achtergrond in dezelfde wijk wonen en ook in die wijk naar school gaan. Daar komt bij dat scholen soms expliciet inspelen op de keuzevrijheid en wensen van (groepen) ouders. Zo profileren scholen zich als cultuurschool, technasium, bieden Cambridge English of nieuwe vakken, categoraal onderwijs of onderwijs op religieuze of pedagogische didactische grondslag. Dit gevarieerde aanbod leidt soms tot segmentering met ongewenste gevolgen. 
Ook de scheiding tussen sectoren, schoolsoorten, leerwegen en opleidingen in het onderwijsstelsel heeft tot gevolg dat verschillende groepen leerlingen elkaar niet meer vanzelfsprekend treffen. Cijfers van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) laten zien dat bijna driekwart van alle leerlingen in het voortgezet onderwijs is ingeschreven aan een brede scholengemeenschap waar alle schoolsoorten zijn vertegenwoordigd (zie onderstaand figuur). Maar ze laten ook zien dat het overgrote deel van die scholengemeenschappen de verschillende schoolsoorten aanbiedt op aparte locaties. Slechts 18% van de leerlingen op brede scholengemeenschappen zit op een locatie met alle schoolsoorten bij elkaar. 
Als jongeren met verschillende sociale achtergronden elkaar op school niet meer ontmoeten, komen ze minder in aanraking met leerlingen of studenten die andere inzichten en waarden hebben. Terwijl de school een plek zou moeten zijn waar jongeren kunnen oefenen in het omgaan met conflicten, het voeren van een dialoog, afwijkende meningen en gedragingen tolereren, respect opbrengen voor andersdenkenden en tot consensus komen. Scholen zijn bij uitstek de plaats waar jongeren moeten leren omgaan met verschillen. Wanneer daartoe minder gelegenheid is, kan het onderwijs jongeren maar beperkt voorbereiden op een pluriforme en democratische samenleving en maar beperkt bijdragen aan sociale samenhang in de samenleving.
Kunnen scholen inderdaad bijdragen aan sociale cohesie door leerlingen met verschillende achtergronden met elkaar in contact te brengen?

De toevallig net verschenen studie Familiarity Does Not Breed Contempt:Generosity, Discrimination and Diversity in Delhi Schools geeft inderdaad sterke aanwijzingen in die richting.

De onderzoeker, Gautam Rao (Harvard University, Cambridge) maakte gebruik van een dataset van 2300 leerlingen verspreid over 17 scholen in Delhi, India. Er was een beleidswijziging die inhield dat elitescholen verplicht werden om gratis plaatsen aan te bieden aan arme leerlingen. Maar doordat sommige scholen hiervan werden vrijgesteld en andere scholen een jaar later aan deze nieuwe verplichting mochten voldoen, kon door een vergelijking tussen die twee groepen scholen (wel of geen arme leerlingen) nagegaan worden wat de effecten waren van de verandering.

Rao keek in het bijzonder naar de effecten van contact met arme klasgenoten op het gedrag van de rijke leerlingen. En zijn resultaten zijn nogal opvallend.

Zo bleek dat de rijke leerlingen met arme klasgenoten zich meer pro-sociaal gedroegen dan de rijke leerlingen zonder arme klasgenoten, gemeten aan hun bereidheid om vrijwilligerswerk en liefdadigheidswerk te doen. Ook waren ze rechtvaardiger in een afgenomen Dictator-spel, waarin je gevraagd wordt om iets te verdelen over jezelf en "een andere persoon", waarbij het niet uitmaakte of die andere persoon arm of rijk was.

Bovendien bleek dat het hebben van arme klasgenoten ertoe leidde dat rijke leerlingen minder arme leerlingen discrimineerden.

Gingen rijke leerlingen minder presteren door de aanwezigheid van arme klasgenoten? Een vaak gehoord mogelijk bezwaar van rijke ouders. Op een samengestelde index van prestaties op de vakken Engels, Hindi en wiskunde bleek dat niet het geval.

In India zijn de verschillen tussen arm en rijk aanzienlijk groter dan in ons land. Maar dat is eigenlijk geen reden om te denken dat de resultaten in ons land geheel anders zouden uitvallen.

De Onderwijsraad heeft dus wel een punt met het advies om het onderwijs meer zo in te richten dat leerlingen van verschillende groepen meer met elkaar in contact komen. Dat zou inderdaad bevorderlijk zijn voor de sociale cohesie.

Geheel in overeenstemming overigens met de bekende contacthypothese.

vrijdag 10 november 2017

Mensen gedragen zich pro-socialer als je hen er even aan herinnert wat moreel juist is

Mensen zijn morele wezens, maar geen morele robots. We zijn in staat om rekening te houden met anderen, dus tot pro-sociaal of gemeenschapsgedrag, maar we kunnen ook egoïstisch zijn of zelfs vijandig (statuscompetitiegedrag).

Vaak is het voor de hand liggend en vanzelfsprekend om rekening te houden met anderen. Je komt dan niet eens op het idee om egoïstisch te zijn. Maar vaak is er ook onduidelijkheid; je kunt het ene, maar ook het andere doen.

Hoe krijg je mensen er in zulke situaties toe om voor het morele gedrag te kiezen? Verschillende mogelijkheden zijn bekend en hun effecten zijn ook sociaalwetenschappelijk onderzocht. Zo kun je een kleine beloning in het vooruitzicht stellen. Of juist een boete voor het egoïstische gedrag. Maar zulke "prikkels" hebben hun bezwaren. Zie Waarom het niet eenvoudig is om mensen met prikkels te beïnvloeden en Over waarom je goede burgers niet kunt vervangen door goede prikkels - Sam Bowles.

Nieuw onderzoek wijst nu uit dat je ook kunt volstaan met mensen er even aan te herinneren wat het juiste morele gedrag is. Dus met het geven van een duwtje in de goede richting (een nudge). Zie  What’s the right thing to do? Increasing pro-sociality with simplemoral nudges.

De onderzoekers lieten mensen keuzes maken tussen pro-sociale en egoïstische opties in het Dictator-spel en in het gevangenendilemma. Het bleek toen dat degenen die van te voren de vraag kregen voorgelegd wat volgens hen (of volgens anderen) de moreel juiste keuze zou zijn, meer voor het pro-sociale gedrag gingen.

Dat effect bleef bestaan in een volgende keuzesituatie, waarin ze er niet nog eens die vraag kregen voorgelegd. En hetzelfde effect werd gevonden in een vervolgonderzoekje waarin mensen konden kiezen hoeveel ze aan een goed doel wilden geven.

We zouden met zijn allen, en als maatschappij, beter af zijn als we ons vaker pro-sociaal gedroegen. Maar misschien beseffen we niet genoeg dat mensen vaak een duwtje in de goede richting nodig hebben. We zijn weliswaar morele wezens, maar geen morele robots.

woensdag 2 november 2016

Pro-sociaal gedrag van mensen met hogere status is meer strategisch en berekenend

Dat pro-sociaal gedrag zo duidelijk sociaal is ingebed, komt er uit voort dat het een uit de Paleo Sociale Omgeving overgeleverd gedragspatroon is. In jagers-verzamelaarssamenlevingen waren mensen sterk onderling afhankelijk en waren samenwerking en delen essentieel voor overleving.

Wat wij nu pro-sociaal gedrag noemen - gedrag dat ook anderen ten goede komt - dat was in die egalitaire sociale omgeving vanzelfsprekend. Kinderen leerden het bij het opgroeien. En mocht iemand toch eens toegeven aan egoïstische (statuscompetitieve) impulsen, dan waren er altijd anderen om duidelijk te maken dat zulks niet werd gewaardeerd. Zie Zelforganisatie, onderlinge afhankelijkheid en oorsprong van de moraal.

Maar we leven niet meer in een egalitaire samenleving, waarin samenwerking en delen altijd vanzelfsprekend zijn. Wat betekent maatschappelijke ongelijkheid, het bestaan van statusverschillen, voor de kans op pro-sociaal gedrag?

Wat je zou kunnen verwachten is dat degenen met lagere status meer een sociale omgeving om zich heen hebben waarin elkaar bijstaan en delen belangrijk is om rond te komen dan degenen met hogere status. De rijkeren redden zich ook wel alleen, terwijl de armeren nog wel eens elkaars hulp kunnen gebruiken. Bedenk daarbij dat armeren en rijkeren ook in verschillende sociale werelden leven (inkomenssegregatie).

Die redenering zou betekenen dat je bij mensen met lagere status, dus aan de onderkant van de samenleving, meer pro-sociaal gedrag verwacht dan bij de rijkeren. En er is inderdaad onderzoek dat in die richting wijst. Zie het bericht Hogere status maakt mensen minder pro-sociaal,

Maar er is ook onderzoek dat juist op het tegendeel wijst. Rijkeren zouden procentueel meer aan goede doelen geven en hulpvaardiger zijn dan armeren. Zie A Large Scale Test of the Effect of Social Class on Prosocial Behavior.

Wat zou hier aan de hand kunnen zijn? Een mogelijke oplossing is dat het uitmaakt of het om openbaar, publiekelijk, pro-sociaal gedrag gaat of niet.

En precies dat is onderzocht in de nieuwe studie Social Class and Prosocial Behavior. The Moderating Role of Public Versus Private Contexts.

In dat onderzoek blijkt namelijk dat als het gaat om het publiekelijk bijdragen aan een goed doel, dus met naam en toenaam doneren, de kans dat iemand met hogere status (inkomen, opleiding, beroepsstatus) bijdraagt groter is dan de kans dat iemand met lagere status dat doet.

En in het zogenaamde Dictator-spel waren mensen met hogere status vrijgeviger als ze met naam en toenaam bekend waren dan wanneer een en ander anoniem gebeurde. Dit in tegenstelling tot degenen met lagere status, waarbij het omgekeerde het geval was.

Dat doet de gedachte opkomen dat het pro-sociale gedrag van degenen met hogere status meer strategisch van aard is. Meer voortkomend uit het streven naar een goede reputatie dan uit echte bekommernis en empathie.

En dat komt er mee overeen dat degenen met hogere status meer aangaven zich op hun werk bezig te houden met "netwerken", dus met een instrumenteel doel sociale contacten aan te gaan en te onderhouden. Ook gaven ze meer aan dan degenen met lagere status dat ze trots waren op hun vrijgevige gedrag. Wat de neiging doet vermoeden om er mee te pronken.

De onderzoekers concluderen:
These differences appear to arise from reputational concerns: Whereas lower class individuals exhibited greater prosocial behavior in private than in public contexts, upper class individuals’ tendency to expect pride following prosocial acts predicted a tendency to favor public over private prosociality.
It is interesting to speculate about how social class shapes the nature of relationship patterns. For example, relatively upper and lower class individuals may respond to relationship needs for different reasons: Lower class individuals may be more motivated by the avoidance of threat and suffering, whereas upper class individuals may be more motivated by public reputation concerns. Recent evidence suggesting that upper class individuals spend more time socializing with friends than with neighbors or family members than lower class individuals seems to support this possibility (Bianchi & Vohs, 2016).
Een en ander bevestigt dat de sociale omgeving van de rijkeren verder af staat van de Paleo Sociale Omgeving dan die van de armeren. En dat het pro-sociale gedrag van de rijkeren, als het er is, minder vanzelfsprekend is en meer voortkomt uit berekening en strategie.
(De afbeelding is er een van mensen die lijken te netwerken. Overgenomen van deze site.)

maandag 8 december 2014

Niet-Westerse kinderen leren sneller om eerlijk te delen dan Westerse

De geneigdheid tot eerlijk delen kun je bij mensen vaststellen door hen iets te geven (geld of iets anders) en hen te vragen hoe ze dat het liefst over zichzelf en een andere persoon, die ze niet kennen en ook niet zullen ontmoeten, te verdelen. Deze keuzesituatie staat bekend als het Dictator-spel, zo genoemd omdat de persoon geheel in vrijheid kan beslissen wat hij zelf krijgt en wat een ander krijgt.

Dat spel is al vele malen in onderzoek gebruikt om na te gaan hoe altruïstisch mensen zijn of hoe veel belang ze hechten aan eerlijk delen. Ook is het spel al vaak aan kinderen voorgelegd. Zie eerder het bericht Hoe leren kinderen eerlijk delen? Eerst: hoe verdelen volwassenen? Daar noemde ik onderzoek waaruit bleek dat jonge kinderen eerst behoorlijk egoïstisch zijn, maar bij het opgroeien leren om eerlijk te delen. En dat leren lijkt er vooral uit te bestaan dat ze leren om hun eerste (egoïstische) impuls te beheersen. En zich dus socialer te gedragen.

Er is nu de nieuwe studie Little Dictators: A Developmental Meta-analysis of Prosocial Behavior, waaruit blijkt dat het leertraject van kinderen in Westerse samenlevingen sterk verschilt van dat van kinderen in niet-Westerse samenlevingen. De onderzoeker (Paul Ibbotson) verrichtte een meta-analyse op onderling vergelijkbare onderzoeken naar de keuzes van in totaal 1601 kinderen tussen 3 en 18 jaar in verschillende landen.

Daar kwam zoals verwacht uit dat kinderen aanvankelijk egoïstisch kiezen. Maar er kwam ook uit dat de niet-Westerse kinderen (Brazilië, China, Peru, Fiji) veel sneller leren om eerlijk te delen dan de kinderen uit de Westerse landen (Verenigde Staten, Engeland, Duitsland, Zwitserland). Hun leercurve gaat veel steiler omhoog. Met als gevolg dat ze op ongeveer 5- à 7-jarige leeftijd gemiddeld de helft weggeven. Terwijl Westerse kinderen dan nog overwegend minder dan de helft weggeven. Voor vroege impulsbeheersing bij kinderen moet je dus niet in Westerse samenlevingen zijn.

Dat kan er op wijzen dat de niet-Westerse kinderen meer opgroeien in een sociale omgeving waarin eerlijk delen meer verbreid is. En dat klopt. De studie Dictator Games: A Meta Study (pdf) laat zien dat mensen in niet-Westerse landen meer weggeven (gemiddeld 35 procent) dan mensen in Westerse landen (gemiddeld 27 procent). In jagers-verzamelaarssamenlevingen is het weggeven van de helft, dus eerlijk delen, zelfs de meest voorkomende keuze.

Kortom, kinderen komen ter wereld met het vermogen om zich aan te passen aan de aard van de sociale omgeving die ze aantreffen. Hoe egoïstischer die is, hoe meer moeite het kost om te leren om eerlijk te delen. En hoe pro-socialer de omgeving, hoe gemakkelijker en hoe vanzelfsprekender dat leren wordt.

En zo reproduceren samenlevingen zich. En de sociale omgevingen binnen die samenlevingen. Omdat de menselijke sociale natuur nu eenmaal duaal is, kan het dus beide kanten op. Zie bijvoorbeeld ook nog eens Statuscompetitie is bij mensen nooit ver weg - maar gemeenschap ook niet.

dinsdag 30 september 2014

Egoïstisch/competitieve keuzes geven ons geen goed gevoel - hersenactiviteit bij onrechtvaardige keuzes

Leidse onderzoekers, waaronder Eveline Crone (zie ook dit bericht), zijn nagegaan wat er in onze hersenen gebeurt als we onrechtvaardig handelen. Zowel in het geval dat we dat doen in ons eigen voordeel, als wanneer we iemand anders genereus behandelen. Zie de studie Neural Correlates of Advantageous and Disadvantageous Inequity in Sharing Decision

De proefpersonen kregen, terwijl ze in een fMRI scanner lagen, keuzes voorgelegd over verdelingen van munten over henzelf en een andere persoon, die ze niet kenden. Ze konden, in een zogenaamd Dictator Spel, steeds paarsgewijs en enkele malen achter elkaar kiezen tussen een gelijke verdeling (allebei 1 munt) en de volgende ongelijke verdelingen:
  • zelf 1 en de ander 0,
  • zelf 2 en de ander 0,
  • zelf 1 en de ander 2.
Het bleek dat er zowel rechtvaardig werd gekozen (allebei 1) als onrechtvaardig. In dat laatste geval werd meer egoïstisch/competitief gekozen (zelf 1 of 2 en de ander 0) dan pro-sociaal (zelf 1 en de ander 2). Bedenk dat de proefpersonen pro-sociaal konden kiezen zonder zichzelf tekort te doen, want zowel bij een rechtvaardige verdeling als bij een pro-sociale kregen ze zelf 1 munt. Eigenlijk is dus een pro-sociale keuze een geschenk aan de ander.

Uit de analyses van de hersenactiviteit bleek dat bij alle onrechtvaardige keuzes een hersengebied verhoogd actief was, de cortex cingularis anterior. Dit is een gebied dat o.a. betrokken is bij de verwerking van pijn en het signaleren van conflictsituaties. Zoals situaties waarin je rechtvaardig zou kunnen handelen, maar ook egoïstisch of genereus zou kunnen zijn.

Kennelijk werd het (kunnen) afwijken van de sociale norm van de rechtvaardigheid, in dit geval dus van de gelijke verdeling, ervaren als een conflictsituatie. Je zou eigenlijk rechtvaardig moeten handelen, maar je beslist om dat niet te doen. Je doet iets wat niet helemaal oké voelt, ook niet als je de ander meer geeft dan jezelf krijgt.

Was er dan geen verschil te zien tussen die beide onrechtvaardige keuzes, de egoïstisch/competitieve en de pro-sociale keuze? Jawel, want in het geval van de pro-sociale keuze waren er bovendien andere hersengebieden verhoogd actief, zoals het ventrale striatum. Dat zijn  gebieden die betrokken zijn bij situaties waarin het om beloningen gaat, niet alleen om beloningen voor jezelf, maar ook om het belonen van anderen, zoals bij het geven aan goede doelen of bij het samenwerken met anderen voor het gezamenlijk belang. Bovendien zijn ze betrokken bij empathie, dus bij het je verplaatsen in anderen.

Opmerkelijk is dat we dus kennelijk ambivalent zijn ten aanzien van een schenking aan een ander. Het voelt enerzijds niet helemaal oké, want het wijkt af van rechtvaardigheid. Maar anderzijds voelt het ook goed. Als de beloning die je ervaart als je iets goeds doet voor een ander.

De onderzoekers gaan er aan voorbij, maar mij viel op dat dat beloningencircuit dus niet verhoogd actief was als de proefpersonen egoïstisch/competitieve keuzes maakten. Dat zou er op kunnen duiden dat wij mensen zo hypersociaal zijn dat we weliswaar egoïstisch en competitief kunnen zijn, maar dat ons dat niet een goed gevoel geeft.

Intrigerend.

maandag 21 mei 2012

Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (4): op de automatische piloot zijn we pro-socialer dan wanneer we nadenken

Als we ons pro-sociaal gedragen, is dat dan vooral een uitkomst van bewuste overwegingen? Of zijn we juist pro-socialer als we niet de kans krijgen om na te denken?

Uit dit onderzoek (fulltext achter de poort, maar het manuscript is hier te downloaden) waar ik in dit bericht al naar verwees, valt op te maken dat als we niet teveel nadenken, zeg maar spontaan of automatisch handelen, pro-socialer zijn dan wanneer we weloverwogen handelen.

De onderzoekers baseren zich op de inzichten die we hebben in de verschillen tussen mensen in hun sociale waarde-oriëntaties. Mensen lijken behoorlijk goed te kunnen worden ingedeeld in aanhangers van pro-sociale waarden en aanhangers van egoïstische waarden. Als je mensen vraagt om te kiezen tussen allerlei verdelingen over henzelf en "een andere persoon", dan blijken sommigen een voorkeur te hebben voor zo groot mogelijke en zo gelijk mogelijke opbrengsten voor beiden. Dit zijn de pro-socialen. Maar anderen, de egoïsten, geven er blijk van dat ze alleen maar zelf een zo hoog mogelijke opbrengst willen (de individualisten) of een zo groot mogelijk verschil met de andere persoon in hun eigen voordeel (de competitievelingen). Deze waarden blijken behoorlijk stabiel te zijn. En de meeste mensen blijken ingedeeld te kunnen worden als pro-sociaal of egoïstisch.

Van de 159 proefpersonen die aan dit onderzoek meededen, bleken er 80 voldoende consistent pro-sociaal te zijn en 70 voldoende consistent egoïstisch. Deze 150 personen kregen vijf munten van €0,20, die ze moesten verdelen over zichzelf en een willekeurige andere, anonieme, deelnemer, waarbij gold dat ze konden houden wat ze voor zichzelf hielden. Met andere woorden, ze speelden een Dictator Spel, dat ook in dit bericht aan de orde kwam.

Voorafgaand aan dat spel kreeg de ene helft van de deelnemers de opdracht om dit getal van zeven cijfers te onthouden: 5684524. Terwijl de andere helft het getal 1234567 moest onthouden. Beide getallen waren gedurende 8 seconden op het computerscherm te zien. Deze opdracht was bedoeld om te kunnen nagaan wat het effect zou zijn van het cognitief afgeleid worden bij het spelen van het Dictator Spel. Uiteraard vergt het veel meer bewuste aandacht om dat eerste getal te onthouden dan het tweede. En de gedachte was dat daardoor de beslissing over hoeveel munten weg te geven veel meer automatisch en minder weloverwogen zou worden genomen.

Wat was het resultaat? De cognitieve afleiding zorgde er alleen bij de pro-socialen voor dat ze meer munten weg gaven. Als ze niet werden afgeleid, en er dus meer over na dachten, gaven ze minder weg en wel net zo veel als de egoïsten. De bestaande neiging tot pro-sociaal gedrag komt dus gemakkelijker tot uiting als je meer automatisch handelt.

Wat gebeurt er dan precies bij dat meer weg geven als je automatisch handelt? De onderzoekers vermoedden dat pro-socialen meer de neiging hebben om zich verbonden te voelen met anonieme, andere personen. En dat egoïsten minder die neiging hebben. Dat bleek in een vervolgonderzoek ook inderdaad  het geval te zijn. (Voor de geïnteresseerden: ze deden dat met de Inclusion of Other in the Self Scale.) En bovendien bleek dat grotere gevoel van verbondenheid voor een deel te verklaren waarom pro-socialen meer weg gaven als ze werden afgeleid. Als pro-socialen er minder over nadenken, nemen ze gemakkelijker aan dat een anonieme andere persoon iemand is waar mee je je wel verbonden kunt voelen. En dus geven ze meer weg.

Dat werd tenslotte nog eens op een andere manier bevestigd door in een derde onderzoek de helft van de proefpersonen de indruk te geven dat ze het Dictator Spel speelden met een andere persoon die wat interesses en dagelijkse bezigheden sterk op hen leek. Uit veel onderzoek blijkt dat mensen zich gemakkelijker verbonden voelen met anderen die op hen lijken. En wat bleek? Degenen die speelden met iemand die op hen leek gaven meer weg dan degenen die speelden met iemand die juist weinig op hen leek, maar alleen als ze werden afgeleid. En dit gold niet alleen voor de pro-socialen, maar ook voor de egoïsten. Ook de egoïsten geven meer weg aan iemand waarmee ze zich verbonden voelen, maar alleen als ze er niet te lang over kunnen nadenken.

Wat leren we hiervan? Dat waarschijnlijk ook in situaties in het dagelijks leven waarin mensen meer of minder met anderen rekening kunnen houden, en waarin geen duidelijke normen bestaan over hoe je je hoort te gedragen, mensen die al pro-sociaal van aard zijn, zich pro-socialer gedragen als ze meer op de automatische piloot handelen. En dat laatste geldt zelfs ook voor egoïsten, maar alleen als ze zich met anderen verbonden voelen.

Dit alles lijkt mij te suggereren dat onze impuls tot pro-sociaal gedrag ook echt een impuls is. En dus vanuit een "dieper" niveau van onze hersenen afkomstig is dan daar waar we bewust en weloverwogen over ons gedrag nadenken. Dat is iets om verder over na te denken!

woensdag 28 maart 2012

Van het Ultimatum-spel naar het Dictator-spel in de realiteit: afnemende vakbondsmacht en zelfverrijking in de V.S.

Harald Meyersohn in de Washington Post (zie de link onderaan dit bericht) bespreekt het onderzoek van Emmanuel Saez, waaruit blijkt dat van de inkomensgroei in 2010 in de Verenigde Staten 97% naar de 1% rijkste Amerikanen ging. De resterende 3% moest worden verdeeld over de 99% anderen.

Het gaat er op lijken dat de Amerikanen in een wel heel realistische variant van een verschuiving van Ultimatum-spel naar Dictator-spel (zie mijn vorige bericht) terecht zijn gekomen. Meyersohn noemt ook onderzoek waaruit blijkt dat de sociaal-economische mobiliteit tussen generaties in de V.S. sterk is afgenomen. De rijken weten dus hun rijkdom steeds beter door te geven aan hun kinderen. En hij noemt gegevens die laten zien dat in 1968, toen 28 procent van de werkende bevolking lid was van een vakbond, er 53% van het nationale inkomen naar de middenklasse ging. In 2010, toen nog maar 11,9% lid was van een vakbond, was het aandeel van de middenklasse gedaald tot 46,5%.

Tja, hoe meer de macht van vakbonden afneemt, en dus hoe meer je opschuift naar het Dictator-spel, hoe meer je in een dictatuur van de rijken, een plutocratie, terecht komt.

En die dictatuur doet zijn werk ook door met onbeperkte middelen de werking van de democratie in zijn voordeel te beïnvloeden. Zie daarover de laatste column van Paul Krugman.

Concentrated wealth is a long-term threat to America - The Washington Post:

'via Blog this'

dinsdag 27 maart 2012

Hoe leren kinderen eerlijk delen? Eerst: hoe verdelen volwassenen?

Over het algemeen leren kinderen bij het opgroeien om eerlijk te delen. Hoewel ze aanvankelijk nog vooral op eigen voordeel georiënteerd zijn, ontwikkelen ze tussen het derde en het achtste levensjaar een aversie tegen ongelijkheid. Zie hier. Die aversie is een van onze morele intuïties. En gedurende het opgroeien zie je dat ze ook meer gaan delen met anderen. Zie hier. Wat is verantwoordelijk voor deze ontwikkeling? Ligt het aan sociale vaardigheden als het je kunnen verplaatsen in een andere persoon en het kunnen meevoelen met een ander (empathische bezorgdheid)? Of ligt het aan het verstandelijk begrijpen wat eerlijk en rechtvaardig is?

Uit dit recente onderzoek van Steinbeis, Bernhardt en Singer valt op te maken dat het eerst en vooral ligt aan de ontwikkeling van het vermogen tot impulsbeheersing. De onderzoekers lieten kinderen van tussen de zes en dertien jaar oud twee verdelingsopgaven uit de speltheorie spelen, het Dictator-spel en Ultimatum-spel.

In het Dictator-spel moet je een bedrag verdelen tussen jou en een andere persoon. Die andere persoon kan niets anders doen dan accepteren wat hij krijgt. Er staat jou dus niets in de weg om egoïstisch te verdelen: veel voor jezelf en weinig voor de ander. Dat wil zeggen, als je vindt dat eerlijk delen belangrijk is, dan staat dat gevoel je in de weg en zul je het bedrag minder egoïstisch of zelfs precies gelijk verdelen.


De gever kan hier 10 dollar naar eigen goeddunken verdelen. Hij kan 8 zelf houden en dan krijgt de ontvanger 2. Of hij houdt het hele bedrag voor zichzelf. (Je zou het niet een "spel" noemen, maar die naam heeft het nu eenmaal omdat het door speltheoretici is bedacht.)


In het Ultimatum-spel moet je ook een bedrag verdelen, maar heeft de ontvanger de mogelijkheid om de verdeling af te wijzen. En in het geval dat hij dat doet, krijgt geen van beide spelers iets uitgekeerd. Als de ontvanger de verdeling wel accepteert, dan krijgen beiden het bedrag volgens die verdeling (net zoals in het Dictator-spel). In een voorbeeld is speler 1 de verdeler en speler 2 degene die accepteert of afwijst. Speler 1 kan 10 dollar verdelen. Hij kan een bedrag van tussen de 1 cent en 10 dollar aan speler 2 aanbieden. In het plaatje geeft hij een bedrag x (ongeveer 3 dollar) weg en houdt de rest. Als speler 2 het aanbod accepteert, krijgt hij dus dat bedrag x (zeg, 3 dollar) en krijgt speler 1 het bedrag 10-x (zeg, 7 dollar). Maar speler 2 kan het bod ook afwijzen en dan krijgen beide spelers niets.

Bedenk dat in beide gevallen de spelers elkaar niet kennen en elkaar ook niet voor of na het spel ontmoeten. Alles speelt zich af op een computerscherm.

Als je volwassenen beide spelen als gever laat spelen, wat Steinbeis, Bernhardt en Singer gedaan hebben, dan kun je nagaan hoe hun verdelingen verschillen. Het blijkt dan dat ze gemiddeld genomen in het Ultimatum-spel meer aanbieden dan in het Dictator-spel. Je kunt zeggen dat ze er rekening mee houden dat de andere speler hun verdeling kan afwijzen, waardoor ze beide niets krijgen. Je kunt ook zeggen dat ze in het Dictator-spel de mogelijkheid om meer aan zich zelf te geven, benutten. (De onderzoekers geven informatie over de gemiddelde verdeling in het Supplement bij het artikel, maar dat is kennelijk nog niet beschikbaar, want ik krijg geen toegang.)

Hoe dan ook, dit laat zien dat mensen weliswaar houden van eerlijk delen, maar dat ze in hun verdelingsgedrag wel degelijk worden beïnvloed door de macht van de ander. Als die niets heeft in te brengen, dan verdelen ze egoïstischer dan wanneer die wel iets heeft in te brengen. Anders gezegd: als je mensen de kans geeft om zich ongestoord zelf te verrijken ten nadele van anderen, dan hebben ze de neiging om die kans te benutten. Dat zegt toch iets over hoe we de maatschappij moeten inrichten, lijkt me.

In een volgend bericht ga ik in op wat de onderzoekers te melden hebben over hoe kinderen van verschillende leeftijden zich in deze beide spelen gedragen.