Posts tonen met het label anti-immigrantensentiment. Alle posts tonen
Posts tonen met het label anti-immigrantensentiment. Alle posts tonen

vrijdag 25 april 2025

Een sociaalwetenschappelijk zicht op het fenomeen van de foute leider - 31 - Een genereuze verzorgingsstaat beschermt tegen anti-immigrantensentiment en daarmee tegen foute leiders

Foute leiders komen in een democratie aan de macht doordat ze zich weten te presenteren als de redder in nood in een vijandige wereld. Zie hier het vorige bericht. Ze moeten dus de kiezers kunnen voorhouden dat er bedreigingen zijn van interne en/of externe vijanden. Adolf Hitler hield de Duitsers voor dat ze bedreigd werden door hun Joods landgenoten en "het internationale Jodendom". In de politieke actualiteit zien we dat foute leiders hameren op de bedreigingen die zouden uitgaan van immigranten. Die zouden de culturele eigenheid bedreigen en ze zouden economisch een bedreiging zijn. Door de hoge kosten van opvang en integratie en doordat ze zouden worden aangetrokken door de sociale voorzieningen, die daardoor onbetaalbaar zouden worden. Terwijl Hitler dus het antisemitisme aanwakkerde, doen de foute leiders van nu dat met het anti-immigrantensentiment.

Je zou kunnen denken dat die foute leiders meer succes hebben met dat aanjagen van het anti-immigrantensentiment als de sociale voorzieningen in het land ruimhartiger zijn. Want dan kun je immigranten geloofwaardiger aanwijzen als "gelukzoekers" en "profiteurs". Ze zijn niet zozeer op de vlucht voor oorlogsgeweld en vervolging, maar zoeken op onze kosten een beter leven. 

Maar de recente studie Welfare policy and immigration attitudes in Western Europe wijst precies op het tegendeel: hoe ruimhartiger de sociale voorzieningen van een land, hoe positiever de inwoners staan tegenover immigranten. De onderzoekers analyseerden data van de European Social Survey van 16 West-Europese landen over de periode 2002 - 2018. Voor de houding tegenover immigranten stelden ze een index samen die bestond uit het oordeel of immigratie goed of slecht is voor de economie, het oordeel of immigranten het culturele leven ondermijnen of verrijken en het oordeel of immigranten het land een betere of slechtere plek maken om te leven. De ruimhartigheid of strengheid van de sociale voorzieningen werd vastgesteld voor regelingen voor werkloosheid, ziekte en de oude dag. Daarvan werd een index samengesteld die staat voor de mate van sociale bescherming, anders gezegd, voor de mate van door de overheid gegarandeerde bestaanszekerheid.

Na veel analyses blijkt uiteindelijk dat meer sociale bescherming, zowel nu als in het verleden, samengaat met een positievere houding tegenover immigranten.

Sociaalwetenschappelijk gezien kan dat erop duiden dat in landen waarin bij de kiezers meer het iedereen-telt-mee van het gemeenschapsgedrag geactiveerd is, zowel de sociale voorzieningen ruimhartiger zijn als de houding tegenover immigranten positiever is. En tegelijk kan het zo zijn dat die ruimhartige sociale voorzieningen voor burgers de bestaanszekerheid vergroot, waardoor ze minder vatbaar zijn voor foute leiders die angst voor immigranten willen aanjagen.

Kortom, een genereuze verzorgingsstaat beschermt tegen anti-immigrantensentiment en daarmee tegen foute leiders. Hier het vervolg.


maandag 19 september 2022

Meer contact vergroot het draagvlak voor asielzoekers - Twee nieuwe aanwijzingen voor de contacthypothese en de Dual Mode-theorie

Zes op tien Nederlanders (60 procent) vinden het 'onze morele plicht' om asielzoekers fatsoenlijk op te vangen. En 61 procent onderschrijft de uitgangspunten van het Nederlandse asielbeleid, zoals die vastliggen in internationale verdragen en Europees recht. Dit blijkt uit onderzoek van I&O Research, gebaseerd op een representatieve steekproef van 2684 Nederlanders. Het werd uitgevoerd in opdracht van de NOS, die daar gisteren over berichtte.

Er is de laatste tijd veel te doen over die opvang van asielzoekers. Denk aan die honderden asielzoekers die bij het COA in Ter Apel buiten moesten slapen vanwege een tekort aan slaapplekken. Volgens de VN Vluchtelingenorganisatie UNHCR lag dat er vooral aan dat de Nederlandse regering al jarenlang een kortetermijnbeleid voert. Als er even wat minder asielzoekers komen, worden opvangplekken snel gesloten. 

De indruk bestaat dat de regering terughoudend is in het opvolgen van de eisen van die internationale verdragen en het Europees recht. Misschien omdat vooral regeringspartij VVD beducht is voor stemmenverlies aan rechts-extremistische partijen die die verdragen en het geldende recht opzij willen zetten en een asielstop willen invoeren. 

Hoe dan ook, het blijkt dus dat een ruime meerderheid, die je overigens nog wel ruimer zou willen hebben, een fatsoenlijke opvang een morele plicht vindt en de uitgangspunten van het asielbeleid onderschrijft. Voor die meerderheid geldt dat de morele gemeenschapsintuïtie van het iedereen-telt-mee zich ook uitstrekt tot mensen die vluchten voor oorlog, geweld of vervolging.

Er werd in het onderzoek ook gevraagd naar het draagvlak voor een asielzoekerscentrum (azc) in de eigen buurt. Daar kwam een interessant verschil uit tussen mensen zonder en met een azc in de buurt (binnen 500 meter). 55 procent van de ondervraagden zonder een azc in de buurt zou vestiging van een azc acceptabel vinden. Dat percentage stijgt tot 73 procent voor degenen met wel een azc in de buurt. Hen werd gevraagd of ze vestiging van een azc in de buurt acceptabel hadden gevonden als hen dat destijds was gevraagd.

Het lijkt plausibel om aan te nemen dat dat hogere percentage eruit voortkomt dat die laatste groep ervaringen heeft opgedaan met met de aanwezigheid van asielzoekers in hun buurt. En contacten met hen heeft gehad.

Als dat zo is, dan zou dat geheel overeenkomen met de sociaalwetenschappelijke contacthypothese. Zie hier voor mijn laatste bericht over die contacthypothese: Door meer contact en dus vertrouwdheid bewegen we naar het gemeenschapsevenwicht. Volgens die hypothese nemen door een toename van onderling contact negatieve vooroordelen tussen mensen af en gaan ze positiever over elkaar oordelen. Door die toename van contact raken mensen meer met elkaar vertrouwd. Wat weer het gevoel van veiligheid bevordert dat maakt dat gemeenschapsgedrag waarschijnlijk wordt. Geheel volgens Stelling 2 van de Dual Mode-theorie. 

Dit onderzoek van I&O Research voegt dus een aanwijzing toe aan al die aanwijzingen die er al bestaan voor die contacthypothese. En daarmee voor de Dual Mode-theorie.

Toevallig kwam er vandaag ook deze studie voorbij Exposure to Past Immigration Waves and Attitudes toward Newcomers, Die laat zien dat Duitsers die in gebieden wonen die in de jaren negentig een instroom meemaakten van immigranten uit de vroegere Sovjet-Unie, immigranten met een Duitse achtergrond, in 2016 positiever stonden tegenover de vluchtelingen uit het Midden-Oosten, in het bijzonder uit Syrië.  Dat is dus nog weer een aanwijzing erbij.

In beide gevallen gaat het overigens niet om een toename van persoonlijke vertrouwdheid, dat wil zeggen de vertrouwdheid met dezelfde personen. Een toename van vertrouwdheid met vertegenwoordigers van een bepaalde categorie (vluchtelingen, immigranten, asielzoekers) blijkt zich dus uit te kunnen breiden naar andere vertegenwoordigers van die categorie. Het sociale veiligheidsgevoel blijkt zich gemakkelijk te generaliseren.

vrijdag 20 juli 2018

De uitspraken van minister Blok sociaalwetenschappelijk bekeken - Politici zouden beter op de hoogte moeten zijn van het sociaalwetenschappelijk onderzoek

Onze minister van Buitenlandse Zaken, Stef Blok, is van mening dat een multi-etnische of multiculturele samenleving niet vreedzaam kan zijn en dat dit eraan ligt dat de menselijke sociale natuur voor zo een samenleving ongeschikt is. Dat valt af te lezen aan de combinatie van de volgende twee uitspraken die uit zijn mond zijn opgetekend:
Noem mij een voorbeeld, van een multi-etnische of multiculturele samenleving, waar de oorspronkelijke bevolking nog woont (...) en waar een vreedzaam samenlevingsverband is. Ik ken het niet.
Waarschijnlijk zit ergens diep in onze genen dat we een overzichtelijke groep willen hebben om mee te jagen of om een dorpje te onderhouden. En dat we niet goed in staat zijn om een binding aan te gaan met ons onbekende mensen.
Even afgezien van de politieke lading ervan, wat valt er sociaalwetenschappelijk gezien over te zeggen? Dat is ook van belang omdat het idee dat we hier tegenkomen in wijdere kringen bestaat.

De lijn van sociaalwetenschappelijk onderzoek die meer inzicht kan verschaffen, kan met trefwoorden als sociale identiteit, in-group bias, intergroepsrelaties en etnocentrisme worden aangeduid. Die lijn begon al aan het begin van de twintigste eeuw met het werk van de Amerikaanse socioloog William Graham Sumner, wiens klassieker Folkways (1906) je op Project Gutenberg zomaar voor niks kunt lezen.

Volgens Sumner hebben mensen een neiging om zichzelf als lid van een groep te zien, hun in-group, waarbinnen mensen elkaar vertrouwen en loyaal aan elkaar zijn. Dat gaat ermee samen dat mensen een voorkeur hebben om met leden van hun eigen groep om te gaan en allerlei eigenschappen van hun eigen groep hoger waarderen dan die van andere groepen (in-group favoritism).

Vanaf de jaren 70 van de vorige eeuw zijn deze ideeën theoretisch verder uitgewerkt, in wisselwerking met empirisch onderzoek. Baanbrekend was het werk van de Engelse onderzoeker Henri Tajfel, die o.a. liet zien dat mensen ook bij een onderscheid tussen in-group en out-group op grond van een onbenullig criterium (zoals voorkeur voor de ene dan wel de andere kunstenaar) geneigd zijn om de leden van "hun eigen groep" voor te trekken. Dat leidde tot veel onderzoek, onder het trefwoord minimal group paradigm.

Een vooraanstaand onderzoekster in deze lijn van onderzoek is Marilynn Brewer. (Zie ook het bericht Kunnen wij wereldburgers zijn? Een beetje uit 2013.) Toen zij in 2007 de Award for Distinguished Scientific Contributions uitgereikt kreeg, gaf ze in een lezing, die verscheen onder de titel The Importance of Being We: Human Nature and Intergroup Relations, een fraai overzicht van het tot dan verrichtte onderzoek.

Wat komt daaruit naar voren over de veronderstelde menselijke hang naar een eigen in-group en negatieve houding tegenover andere groepen? Dit citaat geeft uitsluitsel:
Despite widespread belief that in-group positivity and out-group derogation are reciprocally related, empirical research demonstrates little consistent relation between the two. Indeed, results from both laboratory experiments and field studies indicate that variations in in-group positivity and social identification do not systematically correlate with degree of bias or negativity toward out-groups (Brewer, 1979; Hinkle & Brown, 1990; Kosterman & Feshbach, 1989; Struch & Schwartz, 1989). For example, in a study of the reciprocal attitudes among 30 ethnic groups in East Africa, Brewer and Campbell (1976) found that almost all of the groups exhibited systematic differential positive evaluation of the in-group over all out-groups on dimensions such as trustworthiness, obedience, friendliness, and honesty. However, the correlation between degree of positive in-group regard and social distance toward out-groups was essentially .00 across the 30 groups.
Kort gezegd, er bestaat wel een neiging om positief te oordelen over de eigen groep, qua zaken als betrouwbaarheid, vriendelijkheid en eerlijkheid, maar dit gaat niet systematisch samen met een negatief oordeel over andere groepen. Het is dus ook niet zo dat hoe positiever mensen zijn over de eigen groep, hoe negatiever en vijandiger tegenover andere groepen. Ook uit het minimal group paradigm-onderzoek blijkt dat hoewel mensen ertoe neigen de eigen groep te bevoordelen, ze ervoor terugdeinzen om andere groepen expliciet te benadelen. Gehechtheid aan de eigen groep staat niet gelijk aan vijandigheid tegenover andere groepen. Brewer:
The point is simply that in-group attachment may be a necessary but not sufficient cause of intergroup hostility and that it is possible to have in-group loyalty and attachment in the absence of conflict with out-groups.
Voor alle duidelijkheid: het is dus goed mogelijk dat gehechtheid aan en loyaliteit met de eigen groep bestaat zonder vijandigheid tegenover andere groepen.

Terug naar minister Stef Blok: sociaalwetenschappelijk gezien klopt het dus niet dat de hang naar dat overzichtelijke eigen groepje of naar dat dorp een multi-etnische of multiculturele samenleving onmogelijk maakt. Beide kunnen goed samengaan.

Hoe zit dat dan met de wel bestaande conflicten tussen groepen en met de groepsgerichte vijandelijkheid? Denk nog even aan Wat is er eigenlijk aan de hand in Europa? Over rampzalig economisch beleid en rechtsextremisme.

Welnu, vijandigheid tegen over een andere groep ontstaat alleen dan als er aanwijzingen zijn dat die groep een bedreiging vormt. Brewer:
To justify out-group hate and intergroup conflict, the very existence of the out-group, or its goals and values, must be seen as a threat to the maintenance and the social identity of the in-group. Thus, understanding the relationship between in-group identification and out-group hostility requires understanding how the interests of the in-group and those of the out-group come to be perceived as in conflict.
En die bedreiging en dat belangenconflict kunnen reëel zijn, maar ze kunnen ook kunstmatig worden aangewakkerd. Brewer staat daar bij stil in een paragraaf met de titel Power politics. Politici kunnen er belang bij hebben om bedreigingen door andere, externe of interne, groepen voor te spiegelen en zo groepsgerichte vijandigheid aan te wakkeren:
When groups are political entities, however, these processes may be exacerbated by group leaders’ deliberate manipulations to mobilize collective action to secure or maintain political power. Social category differentiation provides the fault lines in any social system that can be exploited for political purposes.
En het valt te verwachten dat ze daarmee meer succes hebben als burgers toch al op zoek zijn naar verklaringen voor een toegenomen bestaansonzekerheid. Zie Door economische bestaansonzekerheid meer succes van rechts-extremistische partijen - Nieuwe aanwijzingen.

Marilynn Brewer hield dit betoog in 2007. Zal ze toen vermoed hebben dat het in 2018 zo bijzonder actueel zou zijn?

En je zou natuurlijk graag willen dat politici beter op de hoogte waren van het sociaalwetenschappelijk onderzoek.

vrijdag 22 juni 2018

De oorlog tegen de kwetsbaren en de armen als verschijningsvorm van de statuscompetitie

De menselijke sociale natuur is innerlijk tegenstrijdig. Het kan de kant op gaan van gemeenschap, van het samenwerken en delen met anderen. Maar het kan ook de kant op gaan van statuscompetitie en statushiërarchie, van anderen zien als tegenstrevers in de strijd om status en de voordelen daarvan.

Die innerlijke tegenstrijdigheid zien we natuurlijk terug in hoe mensen omgaan met het publieke domein van maatschappelijke verhoudingen en nationale en internationale politiek. De kant van de gemeenschap zien we terug in de principes van de democratie en de verzorgingsstaat en op het internationale vlak van de mensenrechten en de vluchtelingenverdragen.

Maar daarnaast zien we dus ook de verschijningsvormen van de statuscompetitie en de statushiërarchie. Ik maakte een begin met een inventarisatie daarvan in het bericht De sociale verschijningsvormen van de statuscompetitie en de statushiërarchie.

Bij twee van de vormen die ik daar opsomde, het vijfde en zesde bullet, gaat het om de houding ten opzichte van kwetsbaren en armen. Overheerst het statuscompetitiepatroon, dan past geen mededogen met degenen die het moeilijk hebben. Zij zullen hun precaire positie wel aan zichzelf te wijten hebben en moeten dus leren van hun verkeerde gedrag. Als ze daartoe niet in staat zijn, dan is dat uitsluitend hun eigen probleem.

Als je probeert het nieuws te volgen, tegenwoordig geen aangename bezigheid, dan zie je die houding her en der, en het lijkt steeds meer, de kop opsteken. Een kleine selectie, in willekeurige volgorde:

Dat in de Verenigde Staten in het kielzog van Donald Trump de Republikeinen aan de macht zijn, heeft als een nog te weinig opgemerkt gevolg dat geprobeerd wordt om de Amerikaanse verzorgingsstaat te ontmantelen. Kwetsbaren en armen horen aan hun lot te worden overgelaten. Lees de berichten Behind Trump’s Plan to Overhaul the Government: Scaling Back the Safety Net en
G.O.P. Wants Hungry Kids to Fund Tax Cuts, die gisteren in de New York Times verschenen. En lees nog eens Paul Krugmans Trump’s War on the Poor van april vorig jaar.

En denk aan de tot nu toe niet geslaagde pogingen om Obamacare om zeep te helpen. In het Republikeinse denken zou het ongrondwettelijk zijn om burgers te verplichten zich te verzekeren tegen ziektekosten. Een verplichting waarzonder een collectieve gezondheidszorg niet kan bestaan. Republikeinen zijn van mening dat je ziek worden zelf in de hand hebt en dat je er dus niet op mag rekenen dat de overheid voorziet in een collectieve ziektekostenverzekering. Lees Justice Dept. Says Crucial Provisions of Obamacare Are Unconstitutional. 

Maar laten we ook naar Europa kijken. Ook in Nederland (tegenprestatie in de bijstand) en in Duitsland (Hartz-IV) is de afbraak van de verzorgingsstaat in gang gezet. Lees nog eens De neoliberale overheid neemt je je waardigheid af. In Duitsland is intussen over Hartz-IV discussie ontstaan (Was an Hartz IV wirklich abgeschafft gehört). Maar in Nederland lijken de tegenprestatie,  en de voedselbanken, nu algemeen aanvaard te zijn. (Net zo als het algemeen aanvaard is dat we een euro in stand houden die tot voor kort bizar gevonden werkloosheidscijfers in Griekenland, Italië en Spanje met zich mee heeft gebracht.)

En dan is er natuurlijk, in de Verenigde Staten en in Europa, die andere verschijningsvorm van de statuscompetitie, de vijandige houding tegenover vluchtelingen en immigranten. In het Amerika van Trump is er nu het schandaal van de gescheiden gezinnen aan de grens. Anne Applebaum daarover: In Trump’s world, morality is for losers. Met een kop waarin wel heel bondig de tegenstelling tussen gemeenschap (morality) en statuscompetitie (losers) naar voren komt.

En aan de randen van Europa is er al langer dat andere schandaal, dat van de bootvluchtelingen die vanuit Afrika proberen de Middellandse Zee over te steken. Sinds 2014 zijn daarbij naar schatting 15.000 migranten verdronken. Dat we dat als Europeanen hebben laten gebeuren, dat wijst er wel heel duidelijk op dat in die innerlijk tegenstrijdige sociale natuur van ons het statuscompetitiepatroon het roer kan overnemen.

maandag 7 mei 2018

Populisme verklaard door 'economie" of door "cultuur"? Niet of-of, maar en-en

Update 1. Lees nu ook David Leonhardt: Yes, the Economy Helped Elect Trump.
Update 2. Lees nu ook Robert Reich: How To Stop Trump
Er valt veel voor te zeggen dat de opkomst van het rechts-extreme populisme is veroorzaakt door de toegenomen economische bestaansonzekerheid. Die op zijn beurt het gevolg was van in het verleden gemaakt politieke keuzes, beïnvloed door het om zich geen grijpende neoliberale denken van marktwerking en kleine overheid. Zie de berichten op dit blog achter het label bestaansonzekerheid, in het bijzonder het bericht Heeft de, politiek gemotiveerde, toename van bestaansonzekerheid de tegenstellingen aangewakkerd?

Toch kom je ook voorstanders tegen van een "culturele verklaring" voor de opkomst van het populisme. Door globalisering en immigratie zouden mensen zich niet zozeer hun economische, maar vooral in hun culturele zekerheden bedreigd zijn gaan voelen. En daardoor zou de culturele behoudzucht (Zwarte Piet, het volkslied, In Rotterdam spreken we Nederlands) en de vijandigheid tegen immigranten van populistische partijen voor vele zo aantrekkelijk zijn geworden.

Het Amerikaanse onderzoek Status threat, not economic hardship, explains the 2016 presidential vote lijkt enige onderbouwing te geven aan deze culturele verklaring. Het gaat om een panelonderzoek, waarin dezelfde mensen zowel in 2012 als in 2016 ondervraagd werden. Zo kon worden nagegaan of het verschuiven van het in 2012 stemmen op Obama naar het in 2016 stemmen op de populist Donald Trump meer werd verklaard door een toename van economische bestaansonzekerheid (inkomensachteruitgang, werkloos worden) dan wel door het zich meer in status bedreigd voelen (gemeten aan een toename in de Sociale Dominantie Oriëntatie en van een negatieve houding tegenover immigratie en internationale handel).

De analyses wijzen dan uit dat er geen verband was tussen de toename van economische bestaansonzekerheid en de verschuiving richting Trump, maar wel een verband met de toename van statusbedreiging. Dus toch "cultuur" en niet "economische bestaansonzekerheid"?

Dat staat nog te bezien. Want bestaansonzekerheid wordt door meer bepaald dan door de eigen inkomensachteruitgang en het zelf werkloos worden. Het gaat ook om baanonzekerheid. En het gaat om jouw inkomen en arbeidsmarktpositie in vergelijking met die van je ouders. Lees ook de reactie op het onderzoek van Andrew J. Cherlin gisteren in de New York Times: You Can’t Separate Money From Culture.

En we weten uit ander onderzoek dat bestaansonzekerheid samenhangt met een hogere score op de Sociale Dominantie Oriëntatie en met meer anti-immigrantensentiment. Het lijkt plausibel dat economische bestaansonzekerheid en statusbedreiging twee kanten zijn van dezelfde medaille. Niet of-of, maar en-en.

Wat ook weer niet wegneemt dat het met de economische verklaring zou zijn overeengekomen als die Amerikanen die inkomensachteruitgang of werkloosheid hadden meegemaakt, meer op Trump waren gaan stemmen.

dinsdag 17 april 2018

Door economische bestaansonzekerheid meer succes van rechts-extremistische partijen - Nieuwe aanwijzingen

Nieuw onderzoek bevestigt de vele aanwijzingen voor het verband tussen economische bestaansonzekerheid en het stemmen op rechts-extremistische partijen. Zie voor de al bestaande aanwijzingen de berichten op dit blog achter het label bestaansonzekerheid, in het bijzonder de berichten Toename van aanhang van populistische rechtse partijen hangt samen met toename van ervaren sociale daling, Heeft de, politiek gemotiveerde, toename van bestaansonzekerheid de tegenstellingen aangewakkerd? en Meer onderzoek naar verband tussen bestaansonzekerheid en rechts-extremisme.

In de nieuwe Zweedse studie Economic Distress and Support for Far-right Parties – Evidence from Sweden laat Sirus Dehdari zien dat 31 procent van de toename van stemmers op de rechts-extremistische Swedish Democrats tussen 2006 en 2010 toegeschreven kan worden aan de toename van ontslagen onder laaggeschoolde, in Zweden geboren, werknemers.

Hij kan dat doen op basis van data over de aantallen ontslagen per kiesdistrict. Zo laat hij ook zien dat het effect onafhankelijk is van hoeveel laaggeschoolde immigranten in een kiesdistrict aanwezig zijn, hoewel het wel sterker is bij een grotere aanwezigheid.

De resultaten wijzen erop dat het vooral de laaggeschoolde werknemers zijn die ertoe neigen om de oorzaken van hun bestaansonzekerheid te zoeken in de toegenomen immigratie. Terwijl het onderzoek er overwegend op wijst dat de economische gevolgen van immigratie neutraal zijn of zelfs positief.

Een en ander zal er mee te maken hebben dat er in het politieke speelveld rechts-extremistische partijen zijn opgedoken die de ontstane kansen hebben aangegrepen en met succes de immigratie-issues zijn gaan uitdragen. Dat in Zweden het anti-immigrantensentiment en de xenofobie niet zijn toegenomen, integendeel juist gestaag zijn afgenomen, wijst erop dat veel van die toegenomen rechts-extremistische stemmen instrumenteel van aard zijn. Laaggeschoolden zijn op zoek naar een oorzaak voor hun precaire situatie en die wordt hen ter rechterzijde aangeboden

Des te opvallender is het onvermogen of de onwil van linkse en centrumpartijen om te wijzen op het gevoerde economische beleid als oorzaak van de toegenomen bestaansonzekerheid onder laaggeschoolden.

maandag 15 januari 2018

Door persoonlijke contacten minder vooroordelen geldt niet met een rechts wereldbeeld

In deze tijd van toenemend rechts-extremisme, anti-immigrantensentiment en het aan hun lot overlaten van vluchtelingen in erbarmelijke omstandigheden staat het sociaalwetenschappelijke thema van de sociale contacthypothese weer opnieuw in de belangstelling. Volgens die hypothese is de kans op acceptatie van een andere dan de eigen groep groter naarmate er meer gelegenheid is geweest voor persoonlijk, sociaal contact met leden van die groep.

We hebben al gezien dat er veel aanwijzingen zijn dat die hypothese klopt. Zie voor overzichten van onderzoek het bericht Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt. Ook hebben we gezien dat een of twee positieve ervaringen met iemand van een outgroup al de empathie met die groep doet toenemen.

Het achterliggende mechanisme zal ermee te maken hebben dat
  • we er als sociale diersoort op zijn ingesteld om ons te bewegen in een groep van vertrouwde anderen, met wie we delen en samenwerken
  • we in ontmoetingen met vreemden aanvankelijk voorzichtig en achterdochtig zijn, zeker als er signalen zijn van vijandschap en bedreiging
  • positieve contacten met vreemden dat aanvankelijke wantrouwen verminderen
  • waardoor we hen zelfs kunnen toelaten tot onze kring van vertrouwdheid
  • en een positievere houding ontwikkelen tegenover de outgroup waartoe ze behoren.
Maar mensen kunnen natuurlijk verschillen in het gemak waarmee dit proces zich zal kunnen voltrekken. Sommigen zullen wantrouwender zijn dan anderen. Sommigen hebben (veel) meer positieve contacten nodig om hun vooroordelen te kunnen laten varen.

Uit de nieuwe studie Contact Reduces Immigration-Related Fears for Leftist but Not for Rightist Voters valt op te maken dat degenen die meer rechts georiënteerd zijn op het politieke links-rechts spectrum meer wantrouwend zijn en meer positieve contacten nodig hebben. Voor hen gaat de contacthypothese in mindere mate of zelfs geheel niet op.

In de twee landen waarin het onderzoek werd uitgevoerd, de Verenigde Staten en Duitsland, werd mensen gevraagd naar hun houding tegenover immigranten en naar hoeveel vrienden ze in het buitenland hadden en hoeveel vrienden die van een ander land afkomstig waren.

Het bleek toen dat die contacthypothese wel opging voor degenen die op een linkse politieke partij hadden gestemd (de Democraten in de V.S. en de SPD of Die Linken in Duitsland) en niet voor degenen die op een rechtse partij hadden gestemd (de Republikeinen in de V.S en de CDU, de FDP of de AfD in Duitsland).  In Duitsland was het effect van contacten zelfs averechts: het maakte de houding tegenover immigranten negatiever.

De onderzoekers gingen ook nog na waar het aan lag dat voor rechts de hypothese niet opging. Had het ermee te maken dat je op een rechtse partij stemde (denk aan de CDU van Merkel) of kwam het er speciaal uit voort dat je op een rechtse partij stemde die zich heel uitgesproken negatief uitlaat over immigranten (denk aan de AfD). 

Dat eerste bleek het geval. Er is kennelijk iets met dat politiek rechtse wereldbeeld aan de hand dat maakt dat het hebben van persoonlijke contacten niet zo gemakkelijk leidt tot minder negatieve vooroordelen.

vrijdag 11 augustus 2017

Meer onderzoek naar verband tussen bestaansonzekerheid en rechts-extremisme

We zijn zo'n 70 jaar na de Tweede Wereldoorlog getuige van een golf van opkomend rechts-extremisme. Die golf bestaat er niet alleen uit dat rechts-extremistische partijen tot het politieke landschap zijn gaan behoren, maar ook uit het naar rechts opschuiven van middenpartijen.

Dat is eigenlijk niet een verrassende ontwikkeling. Want we hebben een grote financiële crisis achter de rug en onderzoek wijst uit dat in de periode 1870-2014 zulke crises steevast gepaard zijn gegaan met een opleving van rechts-extremisme. Zie Meer rechts-extremisme na financiële crises - niet na economische crises.

Alles wijst erop dat dit verband veroorzaakt wordt door de door zulke crises aangewakkerde bestaansonzekerheid. In een kapitalistische maatschappij zijn we voor ons bestaan afhankelijk van inkomen uit arbeid en een financiële crisis doet zekerheden over geld en werk wankelen.

Rechts-extremistische partijen profiteren van die toegenomen bestaansonzekerheid door succesvol naar vermeende "vijanden" of zelfs "vijanden van het volk" te wijzen. Dat zijn interne vijanden: de "politiek-correcte elites", de minderheden en de uitkeringstrekkers, en de externe: de vluchtelingen en de migranten.

De aanwijzingen voor het verband tussen bestaanszekerheid en rechts-extremistische opvattingen stapelen zich op. Zie Beleid dat bestaansonzekerheid zaait, oogst rechts-extremisme, Ongelijkheid verhoogt de Sociale Dominantie Oriëntatie en daarmee racisme, seksisme en anti-immigranten- en anti-uitkeringstrekkerssentiment en Meer over baanonzekerheid en rechts-extremisme.

Daar is nu onderzoek in Duitsland bijgekomen naar de kenmerken van mensen met sympathie voor de rechts-populistische partij AfD: Einstellung und sozialeLebenslageEine Spurensuche nach Gründen fürrechtspopulistische Orientierung,auch unter Gewerkschaftsmitgliedern. Een mooie samenvatting geeft de powerpoint van de presentatie op de persconferentie: WER WÄHLTRECHTSPOPULISTEN?

Op grond van een online vragenlijst onder een representatieve steekproef van tegen de 5000 inwoners van Duitsland komen de onderzoekers tot de conclusie dat het niet zozeer de objectieve economische positie is die de sympathie voor de AfD verklaart, maar veeleer de angst voor sociale daling (statusangst), die weer blijkt samen te hangen met de indruk dat men er in vergelijking met de eigen ouders op achteruit is gegaan. Daar komen grotere zorgen bij over de eigen toekomstige financiële positie en die van de kinderen.

Die onzekerheid gaat bovendien samen met meer egoïsme, minder vertrouwen in anderen, een autoritair wereldbeeld en een anti-vreemdelingensentiment.

Het is helaas een bekend en vertrouwd beeld dat naar voren komt. Hoog tijd dat politici er meer van doordrongen raken hoe belangrijk bestaanszekerheid als beleidsdoelstelling is.

vrijdag 9 juni 2017

Over de negatieve gezondheidseffecten van politiek die haat, vooroordeel en verdeeldheid zaait

We weten al veel over het verband tussen de persoonlijke sociale omgeving waarin mensen verkeren en hun gezondheid. Dan gaat het erover dat eenzaamheid en de stress van statuscompetitie de kans op gezondheidsproblemen vergroten. Zie De weg van eenzaamheid en sociale stress via verhoogde ontstekingsactiviteit naar gezondheidsproblemen.

Maar onze sociale omgeving omvat meer dan de persoonlijke relaties die we wel of niet hebben. Er is daaromheen ook het wijdere publieke domein, waarin de politiek zich afspeelt.

En ook de politiek kan onze gezondheid beïnvloeden. Natuurlijk in de eerste plaats doordat die politiek tot beleidsmaatregelen leidt die uitwerkingen hebben op onze gezondheid. Denk even aan de WRR-lezing van Martin McKee van eind vorig jaar (Martin McKee over het vergeten belang van verzorgingsstaat en bestaanszekerheid).

Maar daarnaast staan we ook bloot aan wat politici te melden hebben en aan de stemming en de atmosfeer die ze daarmee in het land creëren.

Als ze oproepen tot vooroordeel, haat en verdeeldheid, dan heeft dat een negatieve uitwerking op de gezondheid van bevolkingsgroepen. In het medisch tijdschrift The New England Journal of Medicine vragen onderzoekers daar aandacht voor: Health Effects of Dramatic Societal Events — Ramifications of the Recent Presidential Election. Zie ook dit bericht op Vox voor een interview met een van de onderzoekers: Study: the wave of hostility under Trump is going to make us sick.

De aanleiding daartoe is de verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten. Het lijkt erop dat die verkiezing het onderlinge gedrag van Amerikanen negatief heeft beïnvloed en het anti-minderhedensentiment in het land heeft versterkt. Ik stond daar in het bericht van gisteren al bij stil (Over de slechte invloed van statuscompetitieve leiders. En dus over Donald Trump). 

Een indruk van de ontstane atmosfeer geeft deze passage uit dat artikel:
One of the first postelection messages on the Daily Stormer, a hate website, claimed that the election was a referendum on “multiculturalism” and encouraged verbal intimidation of foreigners, especially those wearing Islamic clothing. It declared, “We want these people to feel unwanted. We want them to feel that everything around them is against them. And we want them to be afraid.”
Waarna de onderzoekers een overzicht geven van de aanwijzingen dat zulke vormen van racisme, vooroordelen tegen minderheden en vijandigheid tegen immigranten negatieve gezondheidseffecten hebben op de betreffende bevolkingsgroepen. Die effecten ontstaan deels doordat mensen rechtstreeks blootstaan aan zulke gedragingen en uitingen, maar ook door een algehele toename van zorgen, waakzaamheid en piekeren.

Politiek is, dat wisten we natuurlijk al, niet een onschuldig tijdverdrijf. Maar niet alle politici lijken daar oog voor te hebben.

donderdag 11 mei 2017

Ongelijkheid verhoogt de Sociale Dominantie Oriëntatie en daarmee racisme, seksisme en anti-immigranten- en anti-uitkeringstrekkerssentiment

Zaken als ongelijkheid, economische onzekerheid en gebrek aan democratie blijken samen te gaan met een verhoogde mate waarin burgers de Sociale Dominantie Oriëntatie (SDO) aanhangen. En die verhoogde mate van SDO blijkt weer samen te gaan met racisme, seksisme en anti-immigranten en anti-uitkeringstrekkerssentiment. Daarop wijst de studie Preferences for group dominance track and mediate the effects of macro-level social inequality and violence across societies.

Iemands SDO is hoger hoe meer hij het eens is met uitspraken als:
Sommige groepen mensen zijn gewoon inferieur aan andere groepen
Het is oké als sommige groepen betere levenskansen hebben dan andere
Als bepaalde groepen meer hun plaats kenden, dan hadden we minder problemen
Met een hoge SDO-score ben je gefascineerd door de gedachte dat de samenleving een statushiërarchie is en door de innerlijke behoefte om jezelf en je soortgenoten (het eigen volk) aan de top daarvan te zien. Dat suggereert dat er een samenhang is met narcisme en dat blijkt ook het geval te zijn. Zie Collective narcissism and its social consequences 

We zagen al dat PVV-stemmers en in het algemeen stemmers op rechts-extremistische partijen uitblinken in een hoge SDO-score. Zie PVV-stemmers willen overheersen - Over Sociale Dominantie, collectief narcisme en rechts-extremisme.

Dit nieuwe onderzoek verschaft inzicht in hoe de gemiddelde SDO-score in een land samenhangt met andere kenmerken van dat land. Uit een vergelijking van 27 landen komt naar voren dat de SDO-score van de dominante bevolkingsgroep hoger is als er in een land meer ongelijkheid is, als er meer gewelddadige conflicten zijn, als er meer corruptie is, als er minder persvrijheid is en als er minder sociale vooruitgang is.

Het lijkt plausibel dat zulke macro-kenmerken van een land er aan bijdragen dat burgers zo'n hoge SDO-score ontwikkelen, maar het onderzoek kan daarover geen uitsluitsel geven.

De onderzoekers vergeleken ook de staten van de Verenigde Staten. Daaruit kwam naar voren dat Amerikanen die in een staat wonen met een grotere economische ongelijkheid en met meer geweldsincidenten een hogere SDO-score hebben. En die hogere SDO-score gaat op zijn beurt samen met meer racisme, meer seksisme en een negatievere houding tegenover minderheden en uitkeringstrekkers.

Tezamen genomen lijken die macro-kenmerken te staan voor de mate waarin in een land de statuscompetitie overheerst. Want we weten dat ongelijkheid en bestaansonzekerheid het statuscompetitiegedrag aanwakkeren. Zich uitend in het neerkijken op minderheden en verliezers en in ressentiment als je zelf verliezer bent.

Anders gezegd, collectief narcisme, rechts-extremisme en het neerkijken op minderheden en verliezers, dat zijn geen raadselachtige verschijnselen, maar te verwachten bij meer ongelijkheid, meer bestaansonzekerheid en een meer statuscompetitieve maatschappij.

woensdag 25 januari 2017

Beleid dat bestaansonzekerheid zaait, oogst rechts-extremisme

Als je zoals ik in de Tweede Wereldoorlog geboren bent en bent opgegroeid in de tijden van de opbouw van de verzorgingsstaat, dan is het extra moeilijk te bevatten dat we nu opnieuw de opkomst van rechts-extremisme meemaken.

Dus probeer ik zo goed mogelijk bij te houden wat er zoal onderzocht en gepubliceerd wordt over de mogelijke oorzaken van dat rechts-extremisme.

Het beeld dat daar uit naar voren komt is natuurlijk nog niet definitief. Maar wat al wel duidelijk lijkt, is dat het niet de globalisering op zich is die het rechts-extremisme zo heeft aangewakkerd. Nee, de rol van overheidsbeleid is cruciaal.

Want hoewel de globalisering over de hele linie welvaartsverhogend heeft uitgewerkt, hebben velen er ook de nadelen van ondervonden.

En precies daar komt het belang van overheidsbeleid naar voren. Joseph Stiglitz wees daar al op in zijn WRR-lezing eind 2014: Globalization has not always been well managed - Joseph Stiglitz over globalisering en de eurocrisis. Welvaartstheoretisch gezien zouden de voordelen voor de winnaars groot genoeg zijn geweest om de verliezers (werkloosheid, stagnerende lonen) te compenseren. Maar daar was overheidsbeleid voor nodig geweest. Beleid gericht op hogere belastingen voor de rijken met het oog op grotere sociale bescherming voor de armen en de middeninkomens.

Maar dat beleid is niet gevoerd. Integendeel, lagere lonen en minder bescherming werden juist als verstandig beleid aangeprezen. U weet wel, neo-liberalisme.

Het was dus het beleid dat tekort schoot in het goed begeleiden van de globaliseringstrend. Die trend vroeg juist om meer bescherming in plaats van minder.

Door groeiende bestaansonzekerheid te tolereren of zelfs bewust na te jagen, hebben de politici een cruciale bijdrage geleverd aan de opleving van het rechts-extremisme.

Ze lieten de financiële sector de vrije hand, waardoor de crisis van 2008-2010 de economieën kon teisteren. Met als bekend gevolg een steun in de rug voor rechts-extremisme, anti-immigrantensentiment en vreemdelingenhaat (Meer rechts-extremisme na financiële crises - niet na economische crises).

Ze lieten de combinatie van groeiende bestaansonzekerheid en ongelijkheid ongemoeid, waardoor niet alleen bij de armeren, maar ook bij de meer welgestelden de zorgen over de toekomst toenamen. Zorgen die blijken samen te hangen met toenemend anti-immigranten stemgedrag (Anti-immigranten sentiment beïnvloed door inkomenspositie en bestaansonzekerheid).

Dat alles had niet hoeven te gebeuren. Martin McKee wees er al op, in zijn WRR-lezing 2016, dat de politieke keuzes anders hadden kunnen zijn. En dat ze ook gunstiger effecten hadden waar ze anders gemaakt werden (Martin McKee: toenemende kwetsbaarheid en onzekerheid zijn gevolg van politieke keuzes).

En nu zijn er Michael Jacobs en Mariana Mazzucato die een duidelijk verband leggen tussen het Brexit-en-Trump Syndroom en het tekortschietende overheidsbeleid van de neo-liberale politici:
The tragedy of globalisation over the last 30 years is that it has occurred at the same time as the dominance of an economic orthodoxy that saw the state retreat from active economic management. The precise opposite was required: as international trade – which increases national income but brings inequality and geographic dislocation – expanded, what was needed was a more active state redistributing its rewards to develop the productive economy and to ensure fairer outcomes. (The Brexit-Trump Syndrome: it’s the economics, stupid).
En er is Why far right parties do well at times of crisis: the role of labour market institutions van Tim Vlandas en Daphne Halikiopoulou, die laten zien dat het niet de gevolgen van de crisis op zich waren die het stemmen op rechts-extremistische partijen verklaren.

Nee, het gaat om de mate waarin de arbeidsmarkt is gereguleerd; hoe minder ontslagbescherming en hoe soberder de werkloosheidsuitkeringen, hoe beter de uitslagen van de rechts-extremistische partijen bij de Europese verkiezingen. De onderzoekers vatten hun resultaten als volgt samen (mijn cursivering):
They suggest that the rise of the far right is not merely the result of exogenous forces that are outside of policy makers’ control. On the contrary, it is more likely the outcome of labour market policy choices. In a number of European countries, governments of both the left and right have reduced entitlements to unemployment benefits and have deregulated job security regulations. As a result, the unemployed have seen their standard of living deteriorate, while a growing segment of the labour force now works on temporary contracts and workers on permanent contracts feel increasingly insecure. The most affected economies have responded to the financial crisis by pursuing policies of austerity (Theodoropoulou and Watt 2011), further exacerbating economic uncertainty. The irony is that it is precisely these policies, targeted at solving Europe’s economic predicament, that have intensified political instability in many European countries. If we are right, the adoption of these policies increases the risks and costs of unemployment, which, in turn, makes the rise of the far right more likely. Social democratic parties and the union movement should continue to oppose austerity not only because of its adverse economic effects, but also because of its dangerous political consequences in times of crisis. 

maandag 19 september 2016

Minder anti-immigrantensentiment door meer sociaal contact - Nieuwe aanwijzingen

In verreweg het grootste deel van de mensheidsgeschiedenis, de periode van de Paleo Sociale Omgeving, hebben mensen hun leven doorgebracht in een sociale kring van vertrouwden. Met de opkomst van de landbouwsamenlevingen, 8000 tot 10.000 jaar geleden, ontstond er een nieuwe sociale uitdaging: hoe om te gaan met vreemden en met leden van andere etnische groepen?

Omdat die uitdaging nieuw was, konden ontmoetingen met vreemden verschillende kanten opgaan: die van vriendelijke kennismaking en acceptatie tot wantrouwen en vijandigheid. Een in de sociale wetenschappen bekende hypothese, die teruggaat tot Gordon Allport (The Nature of Prejudice 1954), is dat de kans op acceptatie groter wordt naarmate er meer gelegenheid is geweest voor sociaal contact. Hoe meer contact, hoe meer vertrouwdheid en hoe meer acceptatie. Zie mijn eerdere bericht over de contacthypothese: Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt.

Er zijn veel aanwijzingen dat die sociale contacthypothese klopt. Studies in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten hebben herhaaldelijk aangetoond dat autochtonen (whites) die in een wijk wonen met een groter aandeel minderheden en immigranten positiever staan tegenover leden van andere groepen dan degenen die in een homogeen witte wijk wonen. En dat moet er aan liggen dat ze meer gelegenheid hebben om met die anderen contact te hebben en er enige vertrouwdheid mee te ontwikkelen.

Maar er is kritiek mogelijk op dat onderzoek. Want het zou kunnen zijn dat als je naar verhuisbewegingen zou kijken, dat dan blijkt dat degenen met een anti-immigrantensentiment zulke gemengde wijken al hebben verlaten (white flight) of al eerder hebben besloten om er niet te gaan wonen (white avoidance). Waardoor degenen die immigranten en minderheden gemakkelijker accepteren in gemengde wijken zijn oververtegenwoordigd.

Of dat zo is en in welke mate dat zo is, kan natuurlijk alleen blijken uit onderzoek dat naar een langere periode kijkt. Precies zulk onderzoek is nu uitgevoerd in Engeland en Wales: “White Flight” orPositive Contact? LocalDiversity and Attitudesto Immigration in Britain.

De onderzoekers analyseerden de gegevens van Understanding Society. The UK Household Longitudinal Study over een periode van 20 jaar. En ze vinden niet of nauwelijks aanwijzingen voor white flight: er is geen verschil tussen autochtone bewoners met anti- en pro-immigrantensentiment in de neiging om uit een gemengde wijk weg te trekken. Wel is er een klein verschil in de geneigdheid om naar een gemengde wijk toe te trekken.

Een en ander betekent dat de sociale contacthypothese overeind blijft: slechts een klein deel van de positievere houding van witte bewoners van gemengde wijken tegenover minderheden en immigranten kan verklaard worden door zelfselectie, dus door white flight en white avoidance.

Wat dus blijft staan is dat contact mensen bij elkaar brengt.

(De afbeelding toont de sociaal-psycholoog Gordon Allport, 1897-1967.)

vrijdag 26 augustus 2016

Wat is er eigenlijk aan de hand in Europa? Over rampzalig economisch beleid en rechtsextremisme

We maakten een rondreis door de Baltische staten. Ook daar was er weer alle aanleiding om bij de Europese geschiedenis stil te staan. Bij de gruwelen en verschrikkingen die zich in de twintigste eeuw in ons kleine werelddeel met zoveel nationaliteiten hebben afgespeeld. En ik dacht weer even aan Helmut Schmidt.

Ik ben midden in de Tweede Wereldoorlog geboren en heb dus vooral herinneringen aan de tijd dat iedereen er van overtuigd was dat het van nu af aan beter zou worden. Europa had zijn lessen geleerd en zou vol overtuiging gaan werken aan een vreedzame en welvarende toekomst. Samenwerking in plaats van vijandschap, democratie in plaats van dictatuur, openheid en tolerantie in plaats van vooroordelen en discriminatie.

Lang heb ik het volgehouden om met die optimistische bril naar de ontwikkelingen in Europa te kijken. Maar dat lukt niet meer, zeker niet nadat ik doorkreeg, toen de financiële crisis ook Europa trof, dat we geregeerd worden door een neoliberale sekte. Die een obsessie heeft met concurrentie tussen landen, terwijl voor welvaart coördinatie en samenwerking veel belangrijker zijn. Zeker als landen een monetaire unie vormen. Als ik beter had opgelet, had ik het trouwens eerder kunnen doorhebben, want alles lijkt te zijn begonnen met Reagan en Thatcher in de jaren tachtig en met de toen al ingezette teloorgang van de Europese sociaal-democratie.

Dat rampzalige economische beleid, met die obsessie met overheidstekorten, heeft geleid tot massawerkloosheid, toenemende ongelijkheid, bestaansonzekerheid en armoede, op een schaal die je voor Europa niet voor mogelijk had gehouden.

En vrijwel zeker daarmee samenhangend, tot die opleving van rechts-extremisme en vreemdelingenhaat die we nu dagelijks in het nieuws tegenkomen. O, wat lijkt dit allemaal verontrustend veel op wat zich in de jaren 30 afspeelde.

Wat valt er sociaalwetenschappelijk over te zeggen? Enige kijk daarop geeft Daniel Little in het bericht Survey research on right-wing extremism in Europe. Het haalt teveel overhoop om nu kort te kunnen samenvatten, ook al omdat de zon op de ramen van mijn studeerkamer begint te schijnen.

Maar ik volgde even de link naar het rapport Intolerance, Prejudice  and Discrimination A European Report van de Friedrich Ebert-Stiftung. Dat rapport doet verslag van onderzoek naar de omvang van wat wordt genoemd groepsgerichte vijandelijkheid (vooroordelen en discriminatie) in acht Europese landen, waaronder Nederland. Het dateert uit 2011 en je kunt vrezen dat het daarna alleen maar erger is geworden.

Die groepsgerichte vijandelijkheid bestaat er uit dat iemand neerkijkt op (leden van) andere groepen, zich er boven verheven voelt. Anderen zijn minderwaardig en moeten hun plaats kennen. De onderzoekers noemen de kern er van een ideologie van statusongelijkheid. Als op een groep wordt neergekeken, dan ook op andere. In het onderzoek ging het om anti-immigrantensentiment, racisme, antisemitisme, anti-moslim, seksisme en homofobie.

Ik citeer een paar passages uit de samenvatting:
Group-focused enmity is widespread in Europe. It is weakest in the Netherlands, and strongest in Poland and Hungary. With respect to anti-immigrant attitudes, anti-Muslim attitudes and racism there are only minor differences between the countries, while differences in the extent of anti-Semitism, sexism and homophobia are much more marked.
About half of all European respondents believe there are too many immigrants in their country. Between 17 percent in the Netherlands and more than 70 percent in Poland believe that Jews seek to benefit from their forebears’ suffering during the Nazi era. About one third of respondents believe there is a natural hierarchy of ethnicity. Half or more condemn Islam as “a religion of intolerance”. A majority in Europe also subscribe to sexist attitudes rooted in traditional gender roles and demand that: “Women should take their role as wives and mothers more seriously.” With a figure of about one third, Dutch respondents are least likely to affirm sexist attitudes. The proportion opposing equal rights for homosexuals ranges between 17 percent in the Netherlands and 88 percent in Poland; they believe it is not good “to allow marriages between two men or two women”.
Three ideological orientations are especially associated with group-focused enmity: authoritarianism (an underlying attitude espousing law and order and discipline), Social Dominance Orientation (advocating social status hierarchies) and the rejection of diversity (a general rejection of cultural, ethnic and religious diversity within a country). (Zie in dit verband ook mijn bericht PVV-stemmers willen overheersen - Over Sociale Dominantie, collectief narcisme en rechts-extremisme.)
General political attitudes are relevant only to a certain degree. Respondents who describe themselves as tending to the right, who feel politically powerless and who wish for a strong leader and support the death penalty are on average more prejudiced. The intensity of political interest is of little relevance for the dissemination of prejudice.
Group-focused enmity need not remain restricted to attitudes. It can also have consequences for action. We investigated this in relation to immigrants. Respondents who denigrate weak groups are more likely to oppose integration of immigrants, to refuse them equal political participation, to discriminate against them and to use violence against them. (Denk ook even aan de gevaarlijke jonge mannen.)
Alongside an authoritarian mentality that supports hierarchies the most important explanatory factors for group-focused enmity are a subjective feeling that immigrants represent a threat and a general feeling of social disorientation. Low income and the feeling of being disadvantaged also play a role.
 En tenslotte over wat die groepsgerichte vijandelijkheid kan afzwakken of juist versterken:
The most important factors mitigating against group-focused enmity are trust in others, the ability to forge firm friendships, contact with immigrants, and above all a positive basic attitude towards diversity. Religiosity on the other hand does not mitigate against group-focused enmity, and holding general values that emphasize security and universalism plays only a small role in explaining tolerant attitudes.
Denk bij dat "contact with immigrants" ook even aan deze twee blogberichten: Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt en
Hoopvol: Een of twee positieve contacten zijn genoeg om gebrek aan empathie met outgroup weg te nemen.
Update. En zie nu ook het bericht Minder anti-immigrantensentiment door meer sociaal contact - Nieuwe aanwijzingen.

dinsdag 12 januari 2016

Hoopvol: Een of twee positieve contacten zijn genoeg om gebrek aan empathie met outgroup weg te nemen

Omdat wij met maar een klein deel van de sociale wereld om ons heen persoonlijk vertrouwd zijn, kunnen we over andere delen daarvan gemakkelijk allerlei negatieve vooroordelen ontwikkelen. We nemen dan soms snel "het zekere voor het onzekere". Tot nu toe blijkt het beste middel daartegen een toename van contacten tussen groepen te zijn. Zie Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt.
Dit is een citaat uit het bericht Over het vermogen om je empathie uit te schakelen. En over verantwoordelijke politici. In dat bericht en in het bericht waar ik in het citaat naar link, gaat het erover dat mensen in staat zijn tot het ontwikkelen van ingroup-outgroup indelingen en dat bovendien de maatschappij waarin wij leven tot het denken in zulke indelingen uitnodigt. Een actueel inzicht, mag je wel zeggen.

Een in de sociale wetenschappen al langer bestaand inzicht is dat negatieve vooroordelen minder worden als er meer contact is tussen groepen. Dit is bekend geworden als de contacthypothese, een term die in 1954 geïntroduceerd werd door de sociaal-psycholoog Gordon Allport (1897 - 1967). Door meer contact is er meer vertrouwdheid en we weten dat vertrouwdheid belangrijk bijdraagt aan empathie.

Er is nu nieuw onderzoek dat meer vertelt over wat voor contact, en hoeveel contact, dat dan zou moeten zijn: How learning shapes the empathic brain. Het onderzoek werd in Zwitserland uitgevoerd, waar een grote minderheid immigranten uit de Balkan woont, wat door veel Zwitsers als problematisch wordt gezien.

Stel je voor dat je een Zwitser bent. In het onderzoek word je een aantal keren met een andere Zwitser of met een Balkan-immigrant gekoppeld, waarbij na elke ronde de personen wisselen. Degene waar mee je gekoppeld bent, kan tegen inlevering van 5 Frank voorkomen dat jij een milde, maar ook weer niet prettige, schok krijgt toegediend op de rug van je hand. Maakt het dan verschil wie die ander is die daarover beslist, een mede-Zwitser of een Balkan-immigrant?

De onderzoekers gingen dat na doordat ze van te voren gemeten hadden hoe empathisch de proefpersonen reageerden op het zien van die toch wat pijnlijke ervaring van die schok door mede-Zwitsers en door Balkan-immigranten. Dit deden ze door de activiteit van de betreffende hersengedeeltes af te lezen (de personen lagen in een hersenscanner.) Meer activiteit in die gedeeltes staat voor meer empathie. Aan het eind van het onderzoek werden die metingen herhaald.

Toen bleek dat het geholpen worden door een Balkan-immigrant (door die schok te voorkomen) de empathie met die persoon, maar ook met andere Balkan-immigranten sterk verhoogde. Anders gezegd, positieve ervaringen met een lid van de outgroup generaliseerden naar de andere leden van die groep.

Bovendien bleek dat die toename van empathie tot stand kwam via een positiever gevoel over de leden van de outgroup. Een vergelijkbare toename van empathie was er niet bij de mede-Zwitsers, waar de empathie aanvankelijk al hoger was.

Hoe vaak moest je dan geholpen zijn voor dat die toename van empathie intrad? Na een grondige analyse van de gegevens kwamen de onderzoekers tot de conclusie dat dit effect al optrad na een of twee keer geholpen te zijn. Leertheoretisch gezien: een of enkele positieve ervaringen met een tot dan negatieve stimulus was voldoende om je van je negatieve gevoelens te genezen.

Al met al levert het onderzoek sterke aanwijzingen op voor de geldigheid van de contacthypothese. Negatieve vooroordelen zijn te bestrijden door mensen met elkaar in contact te brengen en gelegenheden te creëren om iets voor elkaar te doen.

Dat geeft, in deze toch wat barre tijden, een beetje hoop.
(De afbeelding is afkomstig van Gordon Allport.)

maandag 30 november 2015

Gevoelens van wrok verhogen zorgen over immigratie

We wisten al dat gevoelens van bestaansonzekerheid er toe leiden dat mensen negatiever staan tegenover immigranten. Vrees voor maatschappelijke daling zou kunnen verklaren dat niet alleen de meer gedepriveerden, maar ook de meer bevoorrechten meer dan gemiddeld een anti-immigrantensentiment hebben. Zie Anti-immigranten sentiment beïnvloed door inkomenspositie en bestaansonzekerheid.

Nieuw onderzoek voegt daaraan toe dat ook gevoelens van wrok (bitterheid) een rol spelen. De studie Bitterness in Life and Attitudes Towards Immigration laat met Duitse representatieve paneldata zien dat mensen die vinden dat ze vergeleken met anderen in het leven niet hebben bereikt wat ze verdienen, zich meer zorgen maken over immigratie.

Het verband is sterk. Bovendien blijkt dat op een toename van wrok een toename van zorgen volgt. Een aanwijzing dus voor een oorzakelijk verband.

De onderzoekers denken dat mensen met wrokgevoelens teleurgesteld zijn in het leven en daardoor geneigd zijn om succes ook aan anderen, dus ook aan immigranten, te ontzeggen.

Een andere interpretatie zou zijn dat het succes van anderen hen extra confronteert met het eigen falen.

Hoe dan ook, willen we een ontspannen en gastvrije maatschappij tot stand brengen, dan weten we wat ons te doen staat. Voorkom dat mensen onnodig bestaansonzekerheid ervaren. En bestrijd de maatschappelijke ongelijkheid die veel mensen in wrok en bitterheid achterlaat.

donderdag 29 oktober 2015

Anti-immigranten sentiment beïnvloed door inkomenspositie en bestaansonzekerheid

De toename van vluchtelingenstromen lijkt een sterke toename van het anti-immigrantensentiment te veroorzaken. Wat weten we over de achterliggende oorzaken van de negatieve houding tegenover nieuwkomers en immigranten?
Zo begint mijn nieuwe blog op Sociaalweb.nl. Lees hier verder: Anti-immigranten sentiment beïnvloed door inkomenspositie en bestaansonzekerheid.