Posts tonen met het label marktfalen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label marktfalen. Alle posts tonen

woensdag 9 maart 2016

Wangedrag hoort bij de financiële advisering. In de VS. En in Nederland

Luigi Zingales, auteur van A Capitalism for the People, verzuchtte vorig jaar in zijn Presidential Address aan de American Finance Association:
I fear that in the financial sector fraud has become a feature and not a bug.
Anders gezegd: wangedrag is in plaats van een zo nu en dan voorkomend foutje een normaal ingrediënt geworden van de financiële sector.

Daarbij denken we natuurlijk meteen aan de grote schandalen, waaraan in de media veel aandacht is besteed. Maar hoe zit het met fraude en wangedrag in de dagelijkse routine in die sector, zoals in de financiële advisering?

Het vereist grondig onderzoek om daar zicht op te krijgen. En precies zulk onderzoek is nu uitgevoerd als het gaat om de financiële advisering in de Verenigde Staten: The Market for Financial Adviser Misconduct.

Op basis van openbare gegevens construeerden de onderzoekers een dataset van alle, ongeveer 1,2 miljoen, financiële adviseurs over de periode 2005 tot 2015. Van ongeveer 7 procent van hen zijn een of meer gevallen van geregistreerd wangedrag bekend, met een bedrag van 40.000 dollar als mediaan van de aan de benadeelden uitbetaalde compensaties.

Deze gevallen van wangedrag zijn niet willekeurig over alle adviseurs verdeeld: een derde van hen is recidivist. En degenen die eerder in de fout gingen, gaan vijf maal zoveel opnieuw in de fout dan gemiddeld. Daaruit blijkt dat de marktwerking (reputatie) noch de regulering er voor zorgen dat de rotte appels uit de mand worden verwijderd.

Bovendien blijkt het wangedrag zich in bepaalde bedrijven te concentreren. En vaak zijn dat bedrijven waar ook meer wangedrag is geregistreerd van bestuurders en leidinggevenden.

Dat alles wil niet zeggen dat er niet tegen misdragingen wordt opgetreden. In de helft van de gevallen volgt ontslag, maar het blijkt dat de gestraften vrij snel weer bij een ander bedrijf aan de slag kunnen. En dat zijn, inderdaad, overwegend die bedrijven waar meer wangedrag voorkomt.

Als al deze gegevens openbaar zijn, hoe komt het dan dat consumenten zich hier niet tegen wapenen? Dat zal er aan liggen dat veel van hen daar niet genoeg deskundig en bijdehand voor zijn. Dat klopt, want het blijkt dat het wangedrag meer voorkomt in de bedrijven die zich specialiseren in de advisering aan zulke consumenten. Er bestaat kennelijk een soort niche in de markt waar fraude het meeste loont en waar bedrijven zich op richten.

De markt voor financiële advisering is wel heel duidelijk een geval van informatie-asymmetrie, een bekende vorm van marktfalen. Een vertrouwensmarkt dus. En reputatie en regulering blijken maar beperkt het misbruik van dat vertrouwen tegen te gaan.

Dat versterkt de redenen om te denken dat markten zonder vertrouwen niet goed kunnen werken.

En het laat weer eens zien dat er veel werk aan de winkel blijft om de monsterachtige kant van de vrije markt te temmen.

Blijft de vraag hoe het zit met de markt voor financiële advisering in Nederland. Je gedachten gaan natuurlijk meteen uit naar de woekerpolisaffaire. En nu naar het rentederivatendossier.

Update. Naar aanleiding van dit onderzoek bepleit Nir Kaissar veel hogere toelatingseisen en meer professionalisering van financieel adviseurs, evenals een ethische code. Net als medici kunnen financieel adviseurs veel schade aanrichten. Dat pleit voor met medische beroepen vergelijkbare eisen. Zie You Deserve a Better Financial Adviser. In dezelfde geest: Brokers Behaving Badly door Barry Ritholtz.

In Nederland is als ik het goed heb de zorgplicht van financiële dienstverleners geregeld in de Wijzigingswet financiële markten 2014. Die zorgplicht houdt onder meer in dat de dienstverlener in het belang van de klant dient te handelen. Veelzeggend dat zulks wettelijk dient te worden vastgelegd.

En zie nu ook over de Rabobank en de rentederivaten: Rabo-baas Draijer krijgt tuchtklacht aan z'n broek om renteswapdossier.

Het gaat nog even door. Nu in De Groene Amsterdammer over het gebrekkige toezicht op de bankensector: Toezichthouder AFM: een waakhond zonder tanden.

woensdag 18 februari 2015

Het misverstand dat in "de economie" alles draait om concurrentie

Naast het misverstand dat "de economie" bestaat uit het bedrijfsleven, is er ook het wijdverbreide misverstand dat in "de economie" alles draait om concurrentie. Als er maar voldoende concurrentie is tussen aanbieders en als landen maar genoeg concurreren op hun "concurrentiekracht" (competitiviteit), dan zal de economie bloeien en zal de economische groei grote hoogten bereiken.

Dat misverstand ligt ten grondslag aan het grootscheepse proces van deregulering, liberalisering en privatisering dat we in veel landen de laatste tientallen jaren hebben meegemaakt. In dat proces zijn zeker ook schadelijke prijsopdrijvende kartels en beschermingsconstructies opgeruimd. Ook in Nederland, dat voordien bekend stond als het kartelparadijs. En het is juist Europese regelgeving geweest die dat proces heeft bevorderd. Dat wijst er op dat er te weinig concurrentie kan zijn. Maar we hebben ook geleerd dat het concurrentiedenken kan doorschieten.

Ook ligt het ten grondslag aan de economische doctrine die in Europa heerst, namelijk dat landen onderling dienen te concurreren om wie het meest exporteert en het minst importeert. Een strijd dus om wie het grootste betalingsbalansoverschot tot stand weet te brengen.

Er zijn goede redenen om vraagtekens te zetten bij een onbeperkt vertrouwen in de weldadige werking van concurrentie. Zowel als het gaat om concurrentie tussen aanbieders als concurrentie tussen landen. Nu over concurrentie tussen aanbieders; later meer over concurrentie tussen landen.

We weten al langer dat concurrentie tussen aanbieders onder bepaalde voorwaarden tot sub-optimale resultaten leidt. Met de aard van die voorwaarden houdt de theorie van het marktfalen zich bezig. Dan gaat het om het bestaan van externaliteiten (denk aan vervuiling), van informatie-asymmetrie (denk aan artsen), van publieke goederen (denk aan infrastructuur, schone lucht) en van het natuurlijke monopolie (denk aan het spoorwegennet). De mooiste samenvatting van al het denkwerk en onderzoek dat op dit terrein is verricht, vind je in Policy Analysis. Concepts and Practice van David Weimer en Aidan Vining, waarvan in 2010 de vijfde druk is verschenen. Ik heb er jarenlang college over gegeven.

Onder genoemde voorwaarden is er reden voor overheidsingrijpen in de markt of zelfs voor overheidsproductie. Maar omdat de overheid ook niet perfect is, is het wel zaak om de consequenties van marktfalen en van mogelijk overheidsfalen tegen elkaar af te wegen. In ieder geval zijn er dus aanwijsbare voorwaarden waaronder je niet zomaar kunt vertrouwen op concurrentie tussen aanbieders om een optimale uitkomst te genereren.

Maar genoeg daarover. Dit is alles bekende kost, hoewel niet bij sommige marktfundamentalisten.

Want naast die bestaande theorie van het marktfalen zijn er nog tenminste vier redenen om stil te staan bij de beperkingen van concurrentie als welvaartsgenererend mechanisme:
  1. Voor het tot stand komen van economische transacties is voldoende vertrouwen tussen partijen nodig, omdat contracten nooit volledig zijn. Je moet dus vaak op elkaars goede wil kunnen vertrouwen. Naast concurrentie is er vertrouwen nodig voor het bereiken van economische efficiëntie. Een fraai overzicht van het onderzoek op dit gebied is Trust, Growth and Well-being: New Evidence and Policy Implications (pdf) van Algan en Cahuc uit 2013. Zie ook Calculativeness, trust, and the reciprocity complex: is the market the domain of cynicism? van Rudi Wielers en mijzelf.
  2. Concurrentie kan uitkomsten tot stand brengen die velen van ons (dat hoeft niet iedereen te zijn) moreel afkeuren. We zijn nu eenmaal toegerust met rechtvaardigheids- en zorgemoties en concurrentie garandeert niet dat daar aan voldaan is. Vandaar de ontwikkeling van en de stabiele steun voor het idee van de verzorgingsstaat.
  3. Door alleen te vertrouwen op concurrentie kunnen we tekort doen aan het menselijk vermogen tot intrinsieke motivatie, de motivatie dus om dingen te doen voor jezelf of voor anderen omdat het je bevrediging en voldoening verschaft. Het concurrentiedenken houdt met deze motivatie geen rekening met mogelijk negatieve gevolgen.
  4. Concurrentie alleen zorgt maar beperkt voor investeringen die gericht zijn op innovatie. Zulke riskante investeringen komen vaak alleen tot stand als aanbieders een monopolie-achtige omvang hebben bereikt of als de overheid die taak op zich neemt. Zie het werk van Mariana Mazzucato.
In komende berichten zal ik hier verspreid over de tijd verder aandacht aan besteden. Een aardig recent boek is ook De limieten van de markt van Paul de Grauwe.