Posts tonen met het label coöperatieve economie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label coöperatieve economie. Alle posts tonen

maandag 15 mei 2023

Over het belang van de aanwezigheid van de "morele persoon", die bestand is tegen de situaties en omgevingen die uitlokken tot statuscompetitief gedrag

We zouden allemaal beter af zijn met gemeenschapsgedrag, maar allerlei situaties en omgevingen waarin we terechtkomen zetten ons aan tot statuscompetitiegedrag. En we kennen al die aanwijzingen dat statuscompetitiegedrag niet goed voor ons is, dat wil zeggen, hoogstens "goed" als bescherming tegen het statuscompetitiegedrag van anderen. 

Veel van die situaties en omgevingen zijn te lokaliseren in arbeidsorganisaties, in sociologisch jargon: formele organisaties. Die worden erdoor gekenmerkt dat er een hiërarchie van posities bestaat, met ongelijkheid in bevoegdheden, macht, privileges en financiële opbrengsten. Bovendien is er vaak een zo groot verloop in het personeelsbestand dat de onderlinge relaties maar beperkt persoonlijk en vertrouwd kunnen worden. Die hiërarchie en de beperkte vertrouwdheid maken dat statuscompetitie en statushiërarchie altijd op de loer liggen of zelfs manifest zijn. In de vorm van onderlinge strijd om betere posities en in de vorm van overheersing (ook wel "grensoverschrijdend gedrag" genoemd) enerzijds en onderwerping anderzijds. 

We kennen de gevolgen in de vorm van de werkgerelateerde psychische en fysieke gezondheidsklachten, die blijken samen te hangen met te hoge werkdruk en te weinig autonomie. Hoewel het hebben van betaald werk goed is voor mensen, is de activiteit van het betaalde werk de minst gewaardeerde bezigheid. Zie Door meer autonomie op het werk hoger welzijn, De economische kosten van burn-out lijken aanzienlijk. En de autonomie in het werk neemt juist alleen maar af en Een baan met meer autonomie geeft minder kans op burn-out - Dat pleit voor minder hiërarchie op het werk.

Daarnaast lokt de externe omgeving van arbeidsorganisaties, waar immers met andere bedrijven moet worden geconcurreerd, statuscompetitief gedrag uit, waarin het vaak met morele grenzen niet zo nauw wordt genomen. Als toezicht ontbreekt, ontstaan er mogelijkheden voor zelfverrijking en fraude ten koste van anderen, die nogal eens benut worden.

Er is kortom veel voor te zeggen om dat statuscompetitiegedrag in en aan de top van organisaties en terug te dringen. Maar hoe doe je dat? 

Het meest voor de hand liggend, maar ook het meest ingrijpend, is om organisaties minder hiërarchisch te maken. Dus bevoegdheden meer te spreiden en privileges en inkomensverschillen te verkleinen. Ervaringen met coöperatieve organisaties wijzen uit dat zulks heel wel mogelijk is en grote voordelen oplevert. Zie Opmars van de coöperaties. Een stille revolutie? - Nancy Folbre. Denk ook aan de zelfsturende teams van Buurtzorg Nederland.

Minder ingrijpend, en waarschijnlijk daardoor "populairder", is te proberen om werknemers ertoe te bewegen om die bestaande verleidingen tot statuscompetitiegedrag te weerstaan en hen integendeel aan te zetten tot gemeenschapsgedrag. Dit gebeurt door in bedrijfskunde- en managementopleidingen vakken op te nemen die ingaan op "de ethiek van bedrijf en organisatie". 

Dat zulks gebeurt, wijst er al op dat er bij opleiders een besef bestaat van het probleem. Het besef dat hun studenten zoals de meeste mensen weliswaar zijn toegerust met de morele gemeenschapsintuïties, maar dat ze na hun studie terechtkomen in die situaties en omgevingen die ertoe uitnodigen om die morele noties te vergeten.

Hoe kun je zo'n vak over ethiek en moraal het beste gestalte geven? Daarover gaat de nieuwe studie Developing Moral Muscle in a Literature-based Business Ethics Course. Die is interessant omdat de onderzoekers zich er rekenschap van geven dat het inderdaad gaat om morele intuïties, dat wil zeggen om intrinsiek vage noties, die dus niet uitputtend omschreven kunnen worden en zich niet lenen voor de in opleidingen gebruikelijke "kennisoverdracht". We weten immers dat kinderen die morele gemeenschapsintuïties aan leren door op te groeien in een morele gemeenschapsomgeving. Te vergelijken met het aanleren van de eerste taal door op te groeien in een taalomgeving. Denk aan mijn berichten over de mythe van de opvoedbaarheid, de mythe die eruit bestaat dat kinderen hun morele intuïties leren doordat ouders hen "opvoeden". Zie Judith Rich Harris overleden. Ze dwong ons om anders en beter te kijken naar de rol van ouders in het opgroeien van kinderen. 

Natuurlijk hebben studenten bedrijfskunde die morele intuïties als het goed is al verworven bij het opgroeien. De vraag is dan hoe je hen er op voorbereidt dat ze na hun studie terechtkomen in die situaties en omgevingen waarin het "toepassen" ervan niet altijd of vaak niet eenvoudig is en voor de hand ligt. En waarin de neiging tot statuscompetitie op de loer ligt. 

De onderzoekers bepleiten een zogenaamde narratieve benadering. Ze lieten studenten wekelijks een geselecteerde tekst uit de wereldliteratuur lezen waarin personen geconfronteerd worden met een moreel dilemma. Het ging om dertien teksten uit o.a. Antigone van Sophocles, Things Fall Apart van Chinua Achebe, The Remains of the Day van Kazuo Ishigoru, A Man for All Seasons van Robert Bolt en The Prince van Niccolò Machiavelli. Ze beschrijven dan hoe studenten in het lezen en onderling bespreken van de teksten hun "morele spier" versterkten, dat wil zeggen dat hun "morele bewustzijn", hun motivatie voor een dagelijkse morele praktijk en hun wens tot morele karaktervorming ontwikkeld werden.

Die metafoor van de morele spier is heel toepasselijk. Net zo als je je spieren versterkt door ze te gebruiken, ontwikkel je je tot een "morele persoon" door de cumulatie van al je morele beslissingen en de reflectie daarover.

En precies in die situaties en omgevingen waarin de donkere kant van de menselijke sociale natuur, die van de neiging tot statuscompetitie, gemakkelijk de kop opsteekt, is het belangrijk dat er een morele persoon aanwezig is die daartegen bestand is.

Interessant artikel. Dat veel meer te bieden heeft dan de ultrakorte samenvatting die ik er hier van geef.

woensdag 19 juli 2017

Door meer autonomie op het werk hoger welzijn

We hebben een maatschappij tot stand gebracht waarin het hebben van betaald werk heel belangrijk is voor ons welbevinden, maar waarin tegelijkertijd de activiteit van het betaald werken een van de minst gewaardeerde bezigheden is. Zie Verhoogt werk ons welzijn? Ja en nee.

Dat we gemiddeld genomen zo ontevreden zijn over de activiteit van het betaald werk kan ermee te maken hebben dat de werkomstandigheden ons weinig gevoel van controle verschaffen. Wat we moeten doen en hoe we dat moeten doen wordt ons in hoge mate voorgeschreven door de leidinggevende en de omschrijvingen van de taken die we uitvoeren. Weinig autonomie op het werk dus en dat probleem neemt en dat probleem neemt volgens de cijfers van het CBS alleen maar toe.

Terwijl autonomie op het werk van groot belang is voor ons welzijn. Een baan met meer autonomie geeft minder kans op een burn out.

Nieuwe aanwijzingen voor het belang van autonomie op het werk voor welzijn en tevredenheid geeft het onderzoek Autonomy in Paid Work and Employee Subjective Well-Being. De gegevens van twee golven (2010-2011 en 2012-2013) van het Understanding Society - panel, waarin 40.000 werknemers werden ondervraagd, bevestigen de positieve welzijnseffecten van autonomie in het werk. Ook bij controle van leeftijd, opleiding, aantal kinderen en inkomen.

Leidinggevenden en managers scoren hoger op autonomie én op welzijn en tevredenheid. Het zou kunnen dat ze inzicht hebben in het verband tussen het en een het andere. Maar ze weten kennelijk in het leiding geven niet goed naar dat inzicht te handelen. Organisaties kennen nog altijd een hoge mate van hiërarchie. Of de hiërarchie op het werk is zelfs aan het toenemen. Voor Amerikaanse toestanden lees: How bosses are (literally) like dictators. Americans think they live in a democracy. But their workplaces are small tyrannies.

Hoe deze negatieve trend te keren? Het ligt voor de hand te denken dat lagere werkloosheid, volledige werkgelegenheid, erg zou helpen. Werknemers kunnen dan hogere eisen stellen. En misschien gaan we echt een ontwikkeling zien in de richting van een coöperatieve economie. Of moeten we naar het onvoorwaardelijke basisinkomen, waardoor je niet meer elke rotbaan hoeft te accepteren?

vrijdag 8 juli 2016

Marx' idee van het valse bewustzijn is weer helemaal terug - en over waarom dat terecht is

Chris Dillow (volg hem op Stumbling and Mumbling!) heeft nu een mooie analyse van hoe kiezers zo opvallend ideeën kunnen aanhangen die tegen hun eigen belangen ingaan. Dit naar aanleiding van Brexit en van het door het kiezersvolk gelaten ondergaan van of zelfs instemmen met het rampzalige Europese bezuinigingsbeleid. Zie Why Anger at Elites Was Channelled Towards Voting for Brexit.

Een en ander wijst er op dat we moeten inzien dat Marx gelijk had:
It’s because capitalism generates an ideology which opposes sensible radical reform. The idea of false consciousness should be taken a lot more seriously.
We zijn met zijn allen in een maatschappij terecht gekomen waarin we met het er in opgroeien niet zomaar de vermogens ontwikkelen om er onze weg in te vinden.

Dat geldt voor de individuele weg, de uitdaging waar ieder van ons voor komt te staan om uit te vinden hoe je een zinvol leven leidt dat voldoening geeft. Vandaar al die zelfhulpboeken en die hele bedrijfstak van life coaches, therapeuten en psychiaters. Denk ook even aan Aafke Hendriks.

Maar omdat we ook allemaal burgers en kiezers zijn, geldt dat ook voor de collectieve weg, de uitdaging om de maatschappij zo te doorgronden dat je tot gefundeerde oordelen kunt komen over het te voeren overheidsbeleid. En wat dat betreft had Marx (1818-1883) al door dat zulk een gefundeerde oordeelsvorming geenszins gegarandeerd is. Dat was zijn idee van het valse bewustzijn, de gedachte dus dat het kapitalisme een arbeidersklasse genereert die zijn eigen belangen en de weg om die te behartigen maar beperkt kent.

Chris Dillow geeft nu een korte opsomming van gedragseconomisch en sociaalpsychologisch onderzoek dat die gedachte ondersteunt. Dat gaat over cognitive biases, het anchoring effect, sociale vergelijking, wishful thinking, de just world illusion, de status quo bias en adaptive preferences. Als je al die inzichten in een mandje bij elkaar gooit, dan komt daar een theorie uit, de systeemrechtvaardigingstheorie, die verklaart hoe het komt dat ongelijkheid en onrechtvaardigheid blijven voortbestaan.

Specifiek voor Brexit stelt Dillow dat de overwinning van de Leavers verklaard kan worden door de mechanismen van wishful thinking, van de Prospect theory (op verlies reageren door meer risico te nemen) en van de "good begets good"-heuristiek (meer controle is goed, dus zijn ook alle effecten van meer controle goed).

Dillows conclusie:
I contend, therefore, that Marxian theories of ideology are supported by recent research. People aren’t just misinformed about political issues – there’s lots of surveys telling us that. They are irrational too. They have false consciousness.
De grote uitdaging is natuurlijk om uit te vinden hoe je ondanks dit alles in een democratie toch nog tot een beleid komt dat in het teken staat van het algemene belang. Dillow laat dat verder aan de lezers over, maar laat nog wel weten dat wat hem betreft het zou helpen als je een beleid voert dat burgers meer het gevoel van controle teruggeeft.

Hoe dan? Door invoering van een onvoorwaardelijk basisinkomen en door meer democratische besluitvorming in bedrijven, zoals in de vorm van coöperaties.

Wat dat laatste betreft, de eerste tegenwerping is natuurlijk dat zulks sterk ten koste zou gaan van de efficiëntie van de bedrijfsvoering en de productiviteit. Maar dat staat nog te bezien. Er is onderzoek dat wijst op het tegendeel.

woensdag 9 december 2015

Mensen gedijen in samenwerkingsverbanden, maar die zijn er te weinig - over de onvermijdelijkheid van de maakbare samenleving

Steeds meer onderzoek bevestigt wat we eigenlijk al wisten (en wat Darwin al wist): mensen zijn emotioneel en cognitief zo toegerust dat ze gemakkelijk met anderen samenwerken en in zulke verbanden goed gedijen. Eric Michael Johnson staat stil bij het vele onderzoek van Michael Tomassello en medewerkers naar de geneigdheid en het vermogen tot samenwerking bij jonge kinderen. Zo jong, dat je moet aannemen dat ze tot samenwerking en eerlijk delen zijn gepredisponeerd. Zie Survival of the Fairest. Why Corporate Culture Is out of Tune with Human Nature.

Tomassello maakt aannemelijk dat mensenkinderen, in tegenstelling tot chimpansees, al heel jong in staat zijn tot gedeelde intentionaliteit, het besef dat jij en de ander beide een bedoeling hebben, samen met het besef dat je dat van elkaar weet. Ook lijkt het dat kinderen interacties met gedeelde intentionaliteit uitlokken en opzoeken, kennelijk omdat ze het leuk vinden. Daarmee lijkt het de grondslag te vormen voor unieke menselijke trekken als instructie, taal en cultuur. Zie Shared intentionality van Tomassello en Carpenter. Ik stond eerder stil bij het werk van Tomassello in het bericht Michael Tomassello, kinderen, chimpansees en klauwaapjes. (In januari verschijnt van Tomassello een nieuw boek met de veelzeggende titel A natural history of human morality.)

Alles goed en wel, de vraag dringt zich natuurlijk op of wij in onze samenleving voor mensen wel genoeg de mogelijkheid creëren om ons vermogen tot en onze hang naar samenwerking uit te leven. Dat is een dringende vraag, omdat wij complex in elkaar zitten. We zijn er niet alleen op toegerust om samen te werken, nee, het vermogen tot statuscompetitie behoort daarnaast ook tot wat we overgeërfd hebben gekregen. We werken graag samen, maar als de mogelijkheden daartoe te weinig aanwezig zijn, dan gaat dat niet lukken.

Daardoor staan we onvermijdelijk voor de uitdaging om onze maatschappij, onze manier van samenleven, zelf en met elkaar vorm te geven. Die maakbare maatschappij is niet een linkse illusie, maar een onvermijdelijkheid. Als we die uitdaging niet aannemen en niet de samenwerkingsverbanden creëren waarin mensen gedijen, dan maken we daarmee in feite een maatschappij waarin statuscompetitie, wantrouwen en vijandigheid de boventoon voeren. De maatschappij maken, dat doen we so wie so.

Eric Michael Johnson, met wie ik dit bericht begon, spitst die uitdaging toe op hoe wij onze ondernemingen hebben georganiseerd. Want in de corporate culture is hiërarchie vanzelfsprekend. Als je werknemer wordt, ga je een positie in een hiërarchie innemen. Je hebt een functieomschrijving, moet richtlijnen opvolgen die van boven komen en moet opdrachten geven aan onder jou gestelden. Uiteraard is in veel organisaties ook samenwerking nodig, maar veel van de managementliteratuur gaat niet voor niets over het probleem hoe je samenwerking tot stand brengt ondanks dat je organisatie een hiërarchie is.

En de overheersende indruk is dat in de meeste bedrijven die noodzakelijke samenwerking onvoldoende tot stand komt. Het zou wel eens kunnen dat bedrijven die als coöperatie zijn georganiseerd een hogere arbeidsproductiviteit kennen. Is daar eigenlijk onderzoek naar gedaan, vroeg ik me af. En ja, dat is zo. Zie bijvoorbeeld hier, hier, hier en hier. (Gevonden door "worker cooperatives productivity") te googelen.) Daaruit kun je opmaken dat het weliswaar lastig is om te onderzoeken, maar dat er nogal wat voor te zeggen valt dat coöperaties een hogere productiviteit kennen.

Naast natuurlijk andere voordelen van coöperaties. Zie Lessen uit de Mondragón coöperaties (Tegenlicht), Is een coöperatieve economie een alternatief voor het kapitalisme? Nogmaals de Mondragon coöperaties en Mondragon Coöperatie zorgt niet alleen voor werkzekerheid, maar ook voor zekerheid dat er geld is.

dinsdag 10 maart 2015

De markt, dat is competitie, maar vooral ook samenwerking en vertrouwen

Gemeten aan de mensheidsgeschiedenis is het marktsysteem een heel recent verschijnsel. Dat betekent dat we het met onze cognitieve vermogens nog maar beperkt kunnen doorgronden. Dat hele stelsel van economische transacties die zich in ruimte en tijd afspelen, is te ingewikkeld om greep op te krijgen. Het gevolg daarvan is dat we het gevaar lopen er een te eenzijdig beeld van te hebben en daarop ons gedrag baseren. (Dit bericht is een vervolg op Het misverstand dat in "de economie" alles draait om concurrentie.)

Dat beeld kan in vele vormen eenzijdig zijn, maar het lijkt er op dat een bepaalde vorm het meest opduikt. Dat is de eenzijdigheid van het gelijkstellen van de markt aan competitie. Het is dat competitie-element dat het meest opvalt als je de markt vergelijkt met de Paleo Sociale Omgeving, de sociale vorm waarin onze verre voorouders werden geselecteerd op de vermogens tot samenwerking en collectieve onderdrukking van de statuscompetitie. (Vergelijk ook het baseline communisme van David Graeber.)

De ontwikkeling van de markt, samen met de opkomst van de landbouwsamenlevingen, leek er op te duiden dat je met zijn allen ook welvaart, juist welvaart!, en een geordende samenleving kon creëren door veel meer dan daarvoor te vertrouwen op de voordelen van het met elkaar concurreren. Dat kan er toe geleid hebben dat we teveel over het hoofd zien hoe essentieel het voor de goede werking van de markt is dat wij in staat zijn tot samenwerking op basis van onderling vertrouwen.

We weten dat vertrouwen tussen economische partners een grote bijdrage levert aan de efficiëntie van transacties of zelfs aan het tot stand komen van die transacties. Vandaar dat landen met een hoger onderling vertrouwen (generalized trust) ook de landen zijn met een hogere economische welvaart en groei. Zie bijvoorbeeld Trust and Growth (pdf) van Paul J. Zak en Stephen Knack uit 2001.

Maar dat is academische kennis en die is niet altijd evenveel bij iedereen beschikbaar. Er kan dus bij het algemene publiek of zelfs in de politiek een beeld ontstaan van de markt als het systeem waarin alles draait om competitie. En het lijkt er op dat dat beeld de afgelopen tientallen jaren nogal is gaan overheersen. Zo ongeveer sinds de tijd van Reagan in de Verenigde Staten en Thatcher in Groot-Britannië. Zeg maar de tijd van de opkomst van het neoliberalisme, eigenlijk de stroming die inderdaad altijd en overal de weldaden van concurrentie predikt.

Maar elke beweging roept op den duur een tegengestelde beweging op. Waardoor we nu weer meer meemaken dat economen er op gaan wijzen hoezeer de goede werking van de markt afhankelijk is van de menselijke bereidheid tot samenwerking op basis van onderling vertrouwen. Ik moest daaraan denken toen ik Six Reasons Why Economists Should Say Less About "Competition" van Timothy Taylor las, die daarin verwijst naar Emporiophobia (Fear of Markets): Cooperation or Competition? van Paul Rubin. Rubin legt daarin uit dat economen veel meer dan ze gewend zijn te doen aandacht zouden moeten besteden aan het economische belang van samenwerking. Interessante ontwikkelingen.

woensdag 24 september 2014

De economische kosten van burn-out lijken aanzienlijk. En de autonomie in het werk neemt juist alleen maar af

Het lijkt er op dat de mate van hiërarchie in onze arbeidsorganisaties een belangrijke bijdrage levert aan de burn-out van werknemers. En dat lijkt weer een goede reden om die hiërarchie te verminderen. Dus om werknemers meer autonomie te geven bij de uitvoering en de inrichting van hun taken. Zie Een baan met meer autonomie geeft minder kans op burn-out - Dat pleit voor minder hiërarchie op het werk. 

Maar is het probleem van burn-out wel zo groot dat het een compleet andere organisatiestructuur van het werk rechtvaardigt? Is het bijvoorbeeld realistisch is om te pleiten voor meer coöperaties als rechtsvorm en ondernemingsmodel?  Zie Opmars van de coöperaties. Een stille revolutie?

Ik heb wat gezocht, maar kon geen schatting vinden van de totale economische kosten van burn-out, dus van het ziekteverzuim, de uitkeringen, de lagere participatiegraad en van de gezondheidszorg. Ik kom her en der wel tegen dat TNO de totale kosten op 4 miljard per jaar zou schatten, maar kon dat op de website van TNO niet terugvinden.

Het CBS geeft wel cijfers over hoe vaak burn-out voorkomt, d.w.z. over het aandeel van de werknemers die er door getroffen worden. Dat lag in 2010 op 13 procent. En had toen de neiging om toe te nemen. In 2007 was het nog 11 procent. Recentere cijfers zijn er niet of ik kan ze niet vinden. O, wacht: TNO meldt dat in 2013 12,4 procent last had van burn-out. Weer een kleine daling dus. Maar een op de acht werknemers per jaar een burn-out, is dat niet wat veel?

Dat doet denken dat naast de psychische kosten de economische kosten wel eens heel hoog zouden kunnen zijn. Als je ook bedenkt dat een coöperatief ondernemingsmodel niet alleen die kosten sterk zou doen verminderen, maar bovendien daarnaast ook economische voordelen lijkt te hebben, dan is het niet zo moeilijk om te bedenken welke kant we uit zouden moeten.

Maar gaan we die kant wel op? Je hoort in managementland wel vaak spreken over plattere organisaties. Maar dat kon wel eens goedkope retoriek zijn. Want volgens de cijfers van het CBS zou de mate van zelfstandigheid op het werk nog wel een stuk hoger kunnen en neemt hij bovendien tussen 2008 en 2013 alleen maar af (hieronder de percentages van 2008 en 2013):
  • "Zelf kunnen beslissen" van 64,6 naar 59,6
  • "Volgorde werkzaamheden kunnen bepalen" van 65,8 naar 61,4
  • "Werktempo bepalen" van 61,1 naar 56,8
  • "Oplossingen bedenken" van 69,8 naar 67,0
  • "Verlof nemen" van 50,8 naar 48,8
Dan kun je bepaald niet zeggen dat we op de goede weg zijn.

dinsdag 23 september 2014

Een baan met meer autonomie geeft minder kans op burn-out - Dat pleit voor minder hiërarchie op het werk

Als slechte werkomstandigheden langdurig negatieve emoties oproepen, is de kans groot dat werknemers emotioneel uitgeput raken en met een burn-out thuis komen te zitten. Zie het bericht Mensen met burnout kunnen minder goed met negatieve emoties omgaan - Wat zegt dat over werkomstandigheden?

Overbelast zijn en een slecht sociaal klimaat op het werk zijn belangrijke aspecten van slechte werkomstandigheden. Die twee kunnen met elkaar samenhangen. Als je langdurig teveel taken op je bord krijgt, dan betekent dat dat er niet naar je klachten wordt geluisterd. Of dat de verhoudingen zo slecht zijn dat je niet durft te klagen. Als de zaken zo liggen, dan komt het gevoel van autonomie, dat mensen zo broodnodig hebben, in het gedrang. Je zit in de knel en kunt daar niets aan veranderen. Op den duur is dat slopend.

Maar daarnaast kan een tekort aan autonomie er ook aan liggen dat je niet zelf kunt beslissen hoe je je werk uitvoert en indeelt. Je moet het zo doen als iemand boven je heeft beslist hoe het moet. En die persoon of het bedrijf bepaalt wanneer en hoe lang je mag pauzeren. In het algemeen zal gelden dat minder autonomie gepaard gaat met meer hiërarchie in de organisatie.

Ook als je niet overbelast bent, kan dus een grote mate van hiërarchie in een bedrijf en een daarmee samenhangend laag niveau van autonomie op den duur tot emotionele uitputting leiden. Dat dat ook inderdaad zo is, blijkt uit het pas verschenen SCP-rapport Burn-out: verbanden tussen emotionele uitputting, arbeidsmarktpositie en Het Nieuwe Werken van Patricia van Echtelt e.a. Interessant is dat werknemers met meer autonomie ook meer toegewijd zijn aan hun werk. Naast een hoge werkdruk is een tekort aan autonomie een van de factoren die bijdragen aan de kans op emotionele uitputting.

Wat valt meteen op? Zowel die langdurig hoge werkdruk als dat tekort aan autonomie zul je meer aantreffen in sterk hiërarchische organisaties. Waarin werknemers teveel belast worden, zonder dat ze daar iets aan kunnen veranderen of daar over durven te klagen. En waarin van bovenaf gedetailleerd wordt voorgeschreven hoe het werk moet worden uitgevoerd. Zonder inbreng van onderaf.

Dat zelfde SCP-rapport geeft ook een indruk van de grote maatschappelijke kosten van burn-out. Mensen die met emotionele uitputting te kampen hebben gehad, komen in de gezondheidszorg en in een uitkeringssituatie terecht. En gaan minder werken of stoppen met werken.

We zouden er aan kunnen denken om onze arbeidsorganisaties minder hiërarchisch te maken. Waardoor de werkomstandigheden meer tegemoet zouden komen aan wat mensen nodig hebben. Mensen zitten nu eenmaal zodanig in elkaar dat het zonder voldoende autonomie niet lang goed met ze gaat. Denk nog eens aan die zelfbeschikkingstheorie.

Ik ging me afvragen of het nog wat wordt met de opmars van de coöperatie als ondernemingsmodel?

woensdag 12 december 2012

Cooperatief ondernemen als alternatief voor het kapitalisme

Een klein, maar interessant, berichtje van Niels Bosma over Coopaname, een coöperatie van zelfstandigen in Parijs. Acht jaar geleden gestart en nu 500 personen tellend. Zie de link onderaan. Iedereen brengt eigen geld binnen, uiteraard, en draagt 10 procent af aan de coöperatie.  Het mooie is o.a. dat er door onderlinge ruil van arbeid een mate van werkzekerheid gecreëerd wordt. Net als in de Mondragón-coöperaties, waar ik eerder over schreef.

 Is er een opmars van de coöperatieve economie? Waardoor de doelstelling van "volledige" werkgelegenheid op een nieuwe manier weer serieus wordt genomen? Als de overheid het niet (meer) doet, dan doen wij het maar. Zelf-organisatie! Zie eerder dit bericht, met daarin de links naar de berichten over de Mondragón-coöperaties.

Cooperatief ondernemen

dinsdag 2 oktober 2012

Opmars van de coöperaties. Een stille revolutie? - Nancy Folbre

De opmars van de coöperatie als ondernemingsmodel krijgt steeds meer aandacht. Misschien blijkt de kredietcrisis achteraf de waterscheiding te zijn geweest tussen het ongebreidelde managementkapitalisme van de vorige dertig à veertig jaar en de coöperatie-economie van de toekomst, een economie dus waarin werknemers eigenaars zijn. Nancy Folbre vraagt aandacht voor deze ontwikkeling. Zie de link onderaan dit bericht. Van 6 tot 12 oktober vindt in Quebec (Canada) de Internationale Top van Coöperaties plaats, de tegenhanger, zou je kunnen zeggen, van het World Economic Forum in Davos.

Zie ook mijn eerdere berichten over de Mondragon-coöperaties in Spanje:

Kan het anders? Vanavond kijken naar Tegenlicht: de Mondragón coöperaties

vrijdag 29 juni 2012

Mondragon Coöperatie zorgt niet alleen voor werkzekerheid, maar ook voor zekerheid dat er geld is

Nieuws over de Mondragon Coöperatie (MC), waar ik hier over berichtte. Zie de link hieronder. De MC zorgt voor werkzekerheid door werknemers/eigenaars tussen de coöperaties van het conglomeraat te laten wisselen als dat in verband met marktfluctuaties beter uitkomt. Maar nu zorgen ze ook voor de zekerheid om geld om handen te hebben. Wat de ene coöperatie aan liquiditeit beschikbaar heeft, wordt tijdelijk overgedragen aan een andere die tijdelijk krap bij kas zit. Er komt geen bank aan te pas. En dat is gunstig vanwege de geringe geldhoeveelheid in de Spaanse economie.

Mondragon coop gets credit-wise to beat the crunch:

'via Blog this'

woensdag 27 juni 2012

Is een coöperatieve economie een alternatief voor het kapitalisme? Nogmaals de Mondragon coöperaties

Richard Wolff van de Guardian heeft een bezoek gebracht aan de Mondragon Coöperatie in het Spaanse Baskenland. Zie de link onderaan dit bericht. Ik besteedde eerder aandacht aan de Mondragon Coöperatie in dit bericht en dit bericht.

De Mondragon Coöperatie (MC) bestaat uit een groot aantal coöperatieve ondernemingen verspreid over vier bedrijfstakken: industrie, financiën, detailhandel en kennis. Zie ook rechts het plaatje. De werknemers zijn lid van de coöperatie en dus samen eigenaar. Alle coöperaties samen vormen de MC, met in totaal zo'n 85000 werknemers/eigenaars. Er zijn 77 buitenlandse ondernemingen bij aangesloten. De MC is een van de tien grootste ondernemingen van Spanje. De leden van een coöperatie kiezen de directeuren. En ze stellen de beloningsstructuur vast. In de MC hebben ze ingezien dat er beloningsverschillen nodig zijn. Maar tot nu toe verdient de meest verdienende directeur niet meer dan 6,5 maal zoveel als de minstverdienende. (In een Amerikaanse onderneming verdient de CEO 400 maal meer dan het gemiddelde salaris.)

Is het succes van de Mondragon Coöperatie een aanwijzing dat een coöperatieve economie een levensvatbaar, en beter, alternatief is voor het kapitalistische stelsel? Dat zou kunnen. Het meest opvallende verschil met dat kapitalistische stelsel lijkt mij te zijn dat een coöperatieve economie veel meer gericht is op volledige werkgelegenheid. Je ziet dat aan de MC, want die heeft zichzelf als een heterogeen conglomeraat georganiseerd waardoor werknemers die in de ene coöperatie, eventueel tijdelijk, overbodig zijn met een grote kans in een andere te werk kunnen worden gesteld. Die constructie vloeit als vanzelfsprekend voort uit het belang van de werknemers/eigenaars: ze hechten uiteraard grote waarde aan werkzekerheid. En de diversificatie binnen de MC creëert de flexibiliteit om die werkzekerheid tot stand te brengen.

Nu kun je daar tegenin brengen dat ook de noodzaak om te moeten concurreren met andere, kapitalistische, bedrijven er voor zorgt dat de MC de prikkel heeft om die flexibiliteit te garanderen. Dus zou je kunnen denken dat een coöperatief conglomeraat toch dat kapitalistische stelsel als omgeving nodig heeft om efficiënt te kunnen zijn. Maar  in een coöperatieve economie is die concurrentie er natuurlijk ook, maar dan tussen coöperatieve conglomeraten. Het gaat niet om wel of geen concurrentie, maar hoe je de concurrentie organiseert.

Daartegenover staat dat een kapitalistische economie niet op deze manier, als vanzelf, georiënteerd is op volledige werkgelegenheid. Het winstmotief domineert en dat betekent dat de belangen van de aandeelhouders, of algemener van de kapitaalverschaffers/vermogenden, de beslissingen op het niveau van de bedrijven bepalen. Nu zijn wij met zijn allen, zoals in de vorm van pensioenfondsen, natuurlijk ook kapitaalverschaffers. Maar de beslissingsstructuur is niet zodanig ingericht dat wij als betalers van pensioenpremies volledige werkgelegenheid kunnen afdwingen. Of zelfs dat zouden willen!

Het verwaarlozen van het doel van de volledige werkgelegenheid in een kapitalistische economie blijkt er ook al uit dat dat dat doel "gemakshalve" is neergelegd bij de overheid. Er van uitgaande dat de overheid in staat is om dat kapitalisme voldoende bij te sturen. Maar dat blijkt een lange omweg te zijn over hobbelige wegen. Want het veronderstelt dat kiezers voldoende inzicht hebben in die noodzaak van overheidsbijsturing. En het veronderstelt dat de overheid zich kan onttrekken aan de beïnvloeding en de druk van die partijen die het meest gebaat zijn bij dat kapitalistische stelsel en de ongelijkheid en de zelfverrijkingsmogelijkheden die er mee samen gaan.

Op het ogenblik zien we vooral dat aan die voorwaarden niet is voldaan. De belangen van de kredietverschaffers en de schuldeisers worden vele malen beter behartigd dan de belangen van de beroepsbevolking bij volledige werkgelegenheid. De politieke en economische elite vindt het geen probleem om de werkloosheidscijfers langdurig hoog te laten oplopen.

Dat is misschien wel het "wezenskenmerk" van het kapitalistische stelsel: werkgelegenheid is slechts een middel om iets anders te bereiken. Dat pleit er erg voor om toch maar eens goed na te denken over dat alternatief van de coöperatieve economie.

Yes, there is an alternative to capitalism: Mondragon shows the way | Richard Wolff | Comment is free | guardian.co.uk:

'via Blog this'

woensdag 7 maart 2012

Lessen uit de Mondragón coöperaties (Tegenlicht)

Wat viel er te leren van de Tegenlicht-uitzending op maandagavond over het succes van de Mondragón-coöperaties? Zie dit bericht. Mij bleven twee lessen bij:

1. De coöperaties hebben een lange periode gehad waarin ze zich onder beschermende omstandigheden konden ontwikkelen. Dat was de periode van het Franco-regime, die duurde tot 1975. Het economisch beleid was toen sterk protectionistisch. Wat je verder ook van het Franco-regime kunt zeggen (niet veel goeds), het zorgde wel voor een soort broedkamer waarin deze coöperaties sterk genoeg konden worden om zich ook onder meer concurrerende omstandigheden te kunnen handhaven. Algemenere les is misschien dat als coöperaties van de grond af moeten beginnen, ze eerst een zekere bescherming nodig hebben.

2. De Mondragón-coöperaties vormen een soort lokaal conglomeraat van grote en kleinere bedrijven. Dat lijkt er op te wijzen dat om succesvol te kunnen zijn, coöperaties altijd met meer tegelijk moeten ontstaan. Ze hebben elkaar nodig en wel in elkaars nabijheid. Een concrete illustratie daarvan is dat werknemers, die immers ook mede-eigenaar zijn, niet zomaar kunnen worden ontslagen, zoals in een "normaal" bedrijf. Maar door marktfluctuaties kan soms minder personeel nodig zijn. Wat er in Mondragón in zulke gevallen gebeurt, is dat werknemers tijdelijk bij andere coöperaties te werk worden gesteld. Dat wijst er ook meteen op dat er in zo'n conglomeraat diversiteit moet bestaan, zodat slappe perioden van de een kunnen worden gecompenseerd door drukke perioden van een ander.

Dit is wat ik heb opgepikt. Heb ik iets gemist? Laat het weten!

maandag 5 maart 2012

Kan het anders? Vanavond kijken naar Tegenlicht: de Mondragón coöperaties

Tegenlicht is vanavond (21 tot 22 uur op Ned. 2) gewijd aan de coöperaties van Mondragón. Zie link onderaan dit bericht. In dat Baskische stadje werkt het overgrote deel van de bevolking in coöperaties. Ze zijn dus zowel mede-eigenaar als werknemer. En dat gebeurt al sinds 1956. Zie hier voor een uitgebreide beschrijving. En zie hier Louise Fresco over coöperaties en burgerinitiatieven. Ze sluit af met:
Juist omdat coöperaties de nadruk leggen op onderlinge afhankelijkheid en solidariteit, zijn ze actueler dan ooit. Na de desillusie van het 'graaikapitalisme' en het 'ieder voor zich', wordt het nieuwe motto 'wij voor elkaar'. Samen staan we sterk, voor publieke en private belangen. Dit past wonderwel in het hele politieke spectrum. De stevige zelfredzaamheid zou de rechtse partijen moeten aanspreken, de warme solidariteit de linkse. Daar zou toch iets moois uit te brouwen zijn voor Nederland.
De Verenigde Naties hebben 2012 uitgeroepen tot het jaar van de coöperaties.

'via Blog this'