Posts tonen met het label Christopher Boehm. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Christopher Boehm. Alle posts tonen

woensdag 13 maart 2024

Waar ligt het moment dat het kwaad moet worden tegemoetgetreden? - Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 19

De opening van het Nationaal Holocaustmuseum in Amsterdam doet ons terugdenken aan het verleden, aan de geschiedenis van de Jodenvervolging in Nederland, maar is evenzeer een oproep om de actualiteit van het huidige rechts-extremisme onder ogen te zien. Hier het vorige bericht. Zoals je op de website van het museum kunt lezen:

Hier komen bezoekers te weten hoe de Holocaust heeft kunnen gebeuren, wie de slachtoffers en verantwoordelijken waren en hoe we kunnen voorkomen dat dit opnieuw gebeurt. (...)

In het Nationaal Holocaustmuseum herdenk je de slachtoffers en bespreek je de gevolgen van onverschilligheid en discriminatie, toen en nu.

Een antwoord op de vraag hoe het kon dat Nederlanders het lieten gebeuren dat driekwart van hun Joodse landgenoten werden afgevoerd en vermoord, is niet alleen van historisch, maar ook van groot actueel belang. En het is een bijzonder geval van de fundamentele sociaalwetenschappelijke vraag naar de voorwaarden waaronder de extreme uitingsvormen van het statuscompetitiepatroon, het kwaad, in een samenleving ruim baan krijgen.

Wat die laatste vraag betreft, zagen we al hoe het natuurlijke tegenwicht tegen het kwaad van dat statuscompetitiepatroon, het gemeenschapspatroon, kan falen als het kwaad in kleine stapjes wordt toegediend. Er kan dan namelijk een switch plaatsvinden naar de activering van het statuscompetitiepatroon. Want hoe meer mensen dat patroon in hun omgeving waarnemen, hoe groter de kans dat ook hun eigen gedrag erdoor geleid gaat worden. Geheel volgens Stelling 2 van de Dual Mode-theorie. 

Het beeld van een onveilige wereld wordt dan overgenomen. Waardoor je ook gaat geloven dat er vijanden zijn (de Joden, de vreemdelingen, de linkse intellectuelen) die moeten worden bestreden. Of waardoor je in je schulp kruipt en probeert om het er door die "immobilisatie" nog zo goed mogelijk van af te brengen. In het eerste geval wordt je een meeloper of een collaborateur. En in het tweede geval maak je je kwetsbaar voor de beschuldiging van de onverschilligheid, van het wegkijken.

En we zagen dat mensen zich er zolang hun gemeenschapspatroon geactiveerd is, maar moeilijk het kwaad van dat statuscompetitiepatroon kunnen voorstellen. We kunnen aan ons beeld van een veilige wereld zo lang mogelijk willen vasthouden en daardoor het kwaad laten voortwoekeren tot het te laat is.

Er zijn dus verschillende wegen waarlangs het "gemeenschapsverzet" tegen het kwaad van het statuscompetitiepatroon niet tot stand komt. Terwijl dat verzet soms zo hoog nodig is.

Daarmee zijn we aangekomen bij het onderscheid dat Richard Wrangham in zijn The Goodness Paradox. The Strange Relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution maakt tussen reactieve en proactieve agressie. 

Reactieve agressie is de agressie die voortkomt uit het geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon. Je gaat er vanuit dat het in de wereld draait om ieder-voor-zich en dat je dus altijd op je hoede moet zijn en geen gelegenheid voorbij moet laten gaan om te laten zien hoe sterk en krachtig jij bent. Alles is al snel een aanleiding om je te laten gelden en anderen op hun nummer te zetten. Het is de vorm van agressie die je bij vrijwel alle dieren tegenkomt, omdat het statuscompetitiepatroon nu eenmaal zo wijd verbreid is. Wrangham noemt het the "hot" type of aggression. Hot in de zin van direct voortkomend uit de emoties van het onveilige wereldbeeld van het statuscompetitiepatroon. 

Daarentegen heeft zich in de menselijke evolutie ook het vermogen tot proactieve agressie ontwikkeld. En dan gaat het precies over dat gemeenschapsverzet tegen het kwaad van het statuscompetitiepatroon. Die proactieve agressie heeft het mogelijk gemaakt dat de mensheid zichzelf heeft "gedomesticeerd".  Dat wil zeggen, zich tot een soort heeft ontwikkeld die in grote mate staat is tot onderlinge goedaardigheid, dus tot gemeenschapsgedrag. 

Maar daarvoor was nodig dat mensen in dat verzet, dus het verzet tegen degenen die de baas willen spelen en willen onderdrukken en overheersen, en met dat oogmerk reactief agressief zijn, onderling samenwerkten. En precies dat is waar onze vroege voorouders, de jager-verzamelaars, toe in staat waren. Ze wisten door collectief optreden, voorafgegaan door onderling overleg, eerst zachtzinnig, zoals door overreding en sociale uitsluiting, maar zo nodig met "proactieve agressie", overheersingsgedrag te onderdrukken. Wrangham geeft daar fraaie beschrijvingen van, deels op basis van onderzoek door Christopher Boehm (Moral Origins. The Evolution of Virtue, Altruism, and Shame). Die proactieve agressie is "cold", planned and deliberate.

Dat het gemeenschapsverzet in die jager-verzamelaars samenlevingen vaak succesvol was, komt doordat het statuscompetitiegedrag meestal maar bij een enkel groepslid voorkwam, snel werd opgemerkt en er daardoor snel op kon worden gereageerd. Dat is een groot verschil met huidige samenlevingen, waarin immers statuscompetitiegedrag en de bijbehorende agressie zich gemakkelijk kan uitbreiden. Zoals wanneer een vijandelijk leger met kwaadaardige bedoelingen je land binnenvalt. Of zoals wanneer kwaadaardig rechts-extremisme zich weet uit te breiden. 

Wat bepaalt dan de kans dat gemeenschapsverzet zal ontstaan en succesvol is? In plaats van die switch naar het statuscompetitiepatroon of van dat in je schulp kruipen? Hier het vervolg.

woensdag 31 oktober 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 2

De eerste stap van de mensheidsgeschiedenis begon met de "keuze" van onze vroegste voorouders om het inkrimpende tropisch regenwoud te verlaten en zich aan te passen aan het savannelandschap. Zie het vorige bericht.

Die aanpassing had nogal wat om het lijf. Er werd een compleet nieuwe sociale structuur gevormd, die van egalitaire groepen die samenwerkten en deelden. Tussen die groepen bestonden overwegend vriendschappelijke relaties. Door onderlinge uithuwelijking, maar ook doordat er nauwelijks aanleidingen waren voor conflicten.

Als er lokale "overbevolking" dreigde, en dus de natuurlijke hulpbronnen schaars dreigden te worden, dan kon men zich meer over de ruimte verspreiden. Groepen splitsten en een deel trok verder. Zo verspreidden mensen zich gaandeweg en stapje voor stapje, waarschijnlijk vanuit Oostelijk Afrika, over nagenoeg het gehele aardse landoppervlak.

Dat alleen al wijst er op dat we hier te maken hebben met een heel succesvolle leefwijze. Die "Paleo Sociale Omgeving" hield onder meer in:
  • het gezamenlijk zorgen voor en grootbrengen van de kinderen (cooperative breeding)
  • waardoor kinderen vroeger en dus onrijper konden worden geboren, want moeders draaiden niet alleen voor de zorg op
  • waardoor de hersenen en de hersenomvang na het geboren worden zich verder konden ontwikkelen
  • wat het mogelijk maakte om zich qua sociale intelligentie aan te passen aan de uitdagingen van het complexe groepsleven waarin moest worden samengewerkt en gedeeld. Zie ook Menselijke intelligentie is uitkomst van op hol geslagen selectie
  • die sociale intelligentie (empathie, gedeelde intentionaliteit, sociaal leren) ging gepaard met een grotere algemene intelligentie. Zie Social intelligence: from brain to culture
  • waardoor allerlei fysieke verschijnselen beter konden worden begrepen
  • wat o.a. er toe leidde dat vuur werd beheerst en dat voedsel kon worden bereid
  • bereiding van voedsel (koken) bevorderde het delen en dus de sociale samenhang, want als je kookt, kost het weinig meer moeite om dat voor een groep te doen
  • koken had daarnaast als voordeel dat er minder energie nodig was voor de vertering en dus voor het darmstelsel, waardoor er meer energie beschikbaar kwam voor de ontwikkeling en de activiteit van de hersenen
  • wat weer de toename van intelligentie bevorderde. Zie voor meer Catching Fire. How Cooking Made Us Human (2009) van Richard Wrangham
  • door die toegenomen intelligentie en doordat we ondertussen rechtop waren gaan lopen, konden we wapens (stokken, stenen, pijlen) gebruiken
  • die waren niet alleen geschikt voor de jacht, maar dienden ook ter bevordering van de gelijkheid
  • want de fysieke kracht, zoals die van de chimpansee alfa-mannetjes, werd minder doorslaggevend, als iedereen over een wapen kon beschikken. Zie De oorsprong van ons pro-sociale gedrag: grote hersenen en wapens
  • waardoor de seksuele dimorfie afnam en daarmee de gelijkheid tussen mannen en vrouwen toenam
  • door dit alles was er een sociale structuur waarin geselecteerd werd op de morele intuïties van het gemeenschapsgedrag, die nodig waren voor dat o zo belangrijke samenwerken en delen
  • en als die intuïties eens een keer tekortschoten, dan kon degene die de baas wilde spelen of die zich egoïstisch gedroeg door de groep op zijn nummer worden gezet. Zie dit bericht over het werk van Christopher Boehm.
Deze, nog onvolledige, opsomming maakt al wel duidelijk dat die eerste stap van de mensheidsgeschiedenis een ingewikkeld geheel van processen vormde, met allerlei positieve terugkoppelingen.

Het resultaat was dat een heel succesvolle leefwijze ontstond, die het dus mogelijk maakte om de aarde vrijwel geheel te "veroveren". 

Maar dat succes zorgde ook voor de noodzaak van de tweede stap. Uiteindelijk konden gevallen van lokale overbevolking niet meer worden opgelost door verdere verspreiding over de ruimte.

Waardoor moest worden overgestapt op intensievere onttrekking van hulpbronnen aan de aarde. Door landbouw. Daarom in het volgende bericht over de Agrarische Revolutie.

woensdag 3 april 2013

Fraude en zelfverrijking en onze morele verontwaardiging - Banks gone bad: Our evolved morality has failed us - Christopher Boehm

Sociale controle op basis van het vermogen tot morele verontwaardiging is ouder dan de mens, maar kwam toch vooral tot ontwikkeling in de samenlevingen van jagers-verzamelaars. Dus in de Paleo Sociale Omgeving, die zeker al zo'n 45.000 jaar geleden bestond. Onze verre voorouders wisten met dit vermogen het voor elkaar te krijgen dat profiteurs en bedriegers en bazige types door sociale sancties, zoals genegeerd  of uitgesloten te worden, onder de duim werden gehouden. Sterker, door die sancties wisten de overtreders van de normen zich waarschijnlijk minder goed voort te planten, waardoor hun genen ook min of meer werden "uitgewied". Min of meer, want we kennen dit gedrag natuurlijk ook nog in onze huidige maatschappij.

Of misschien neemt het in onze tijd juist weer toe. Dat zou kunnen omdat die morele verontwaardiging tegenwoordig niet altijd zo gemakkelijk in sancties kan worden omgezet. Christopher Boehm, een van de grote kenners van de Paleo Sociale Omgeving, schrijft daarover in de NewScientist. Zie de link hieronder. Aanleiding is het wangedrag in de financiële sector, dat de kredietcrisis van 2008 en daarmee tot op de dag van vandaag veel menselijke ellende heeft veroorzaakt. Terwijl de kans dat een bankrover zijn straf niet ontgaat, behoorlijk groot is, lukt het de financiële fraudeurs en zelfverrijkers tot nu toe heel goed om er zonder kleerscheuren af te komen.

Terwijl onze morele verontwaardiging over hun wangedrag groot is. Dit wijst er op dat de grote mate van machtsongelijkheid die er in onze maatschappij bestaat, samen met de ingewikkeldheid en ondoorzichtigheid van ons democratische en juridische stelsel, er voor zorgen dat degenen die zich hebben misdragen door intensieve lobby's de dans weten te ontspringen.

Christopher Boehm vraagt zich af waar dat toe moet leiden. (Tot revolutie? Zoals in te hiërarchisch geworden samenlevingen natuurlijk niet ongewoon is.) In ieder geval is duidelijk dat dat oeroude systeem van op morele verontwaardiging gebaseerde sanctionering nu in zijn voegen kraakt.

Banks gone bad: Our evolved morality has failed us - opinion - 25 March 2013 - New Scientist:

'via Blog this'

maandag 15 oktober 2012

Elkaar bij de les houden in zelf-organisatie - Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (16)

Een van de voorwaarden voor succesvolle zelf-organisatie is dat de deelnemers moeten beseffen dat ze zelf naleving van de samen opgestelde regels moeten afdwingen. De onderlinge afhankelijkheid houdt in dat iedereen aan het collectieve goed kan bijdragen, maar dat ook altijd de verleiding bestaat om te profiteren van de inspanningen van de anderen. Dat betekent dat de deelnemers elkaar bij de les moeten houden. Door elkaar er aan te herinneren waar het om gaat en waarvoor de regels bedoeld zijn. En om er iets van te zeggen als iemand de neiging om te profiteren niet kan weerstaan. Dat is de onderlinge sanctionering, waarzonder zelf-organisatie gedoemd is te mislukken.

In experimenteel laboratoriumonderzoek is vastgesteld dat mensen bereid zijn om sancties uit te delen, ook als dat met kosten voor henzelf gepaard gaat en ook als de positieve werking ervan, gedragsverbetering van de profiteurs, niet aan henzelf toevalt. Dit lijkt alleen maar verklaard te kunnen worden doordat profiteursgedrag boosheid oproept, die het toedienen van een sanctie belonend maakt. Dat slaat op het goede gevoel dat je krijgt als je "er iets van gezegd hebt". Zie nog eens het bericht Mensen zijn bereid tot sanctionering in zelf-organisatie.

Vervolgonderzoek door Gürerk, Irlenbusch en Rockenbach heeft laten zien dat proefpersonen aanvankelijk niet allemaal inzien dat onderlinge sanctionering in zelf-organisatie noodzakelijk is. Als je mensen de keuze geeft om mee te spelen in een zelf-organisatiespel met die sanctiemogelijkheid en zonder die sanctiemogelijkheid, dan kiezen twee op de drie voor dat laatste. Het idee dat anderen jou kunnen bestraffen, schrikt hen blijkbaar meer af dan dat de mogelijkheid om anderen te kunnen bestraffen hen aantrekt. Maar naarmate het spel vordert, kiezen steeds meer deelnemers en uiteindelijk vrijwel iedereen voor het spel met de mogelijkheid van sanctionering. En dat doen ze niet voor niets, want de opbrengsten zijn steeds hoger als mensen elkaar kunnen sanctioneren. Het mooie is dat dat collectieve leerproces ook inhoudt dat uiteindelijk nauwelijks meer sancties te hoeven worden gegeven. Sancties werken zoals bedoeld en als ze een keer werken, hoeven ze niet meer te worden gegeven. (Dat laatste is verraderlijk, omdat de indruk er door kan ontstaan dat het ook zonder sancties kan, wat op den duur ook weer niet zo is.)

Nu is dat allemaal laboratoriumonderzoek. En de vraag is hoe levensecht dat eigenlijk is. Een sanctie geven doe je door een optie aan te klikken op je computerscherm, waardoor je ziet dat degene die je bestraft er een aantal punten op achteruitgaat. Bovendien zie je dat de sanctie jou zelf ook een aantal punten kost. En je beseft dat het bedoelde effect van de sanctie pas optreedt in de volgende ronde en dat dan de groepssamenstelling dan gewisseld is. Je profiteert dus niet zelf van het effect van je sanctie.

Hoewel daarmee veel ingrediënten van een levensechte zelf-organisatie aanwezig zijn, blijft toch staan dat een muisklik voldoende is. Die kost je wel een aantal punten, maar de vraag is of dat vergelijkbaar is met het probleem dat mensen in het echte leven ervaren bij het anderen aanspreken op hun gedrag. Je bent wel boos, maar misschien ook bang dat je die boosheid niet effectief onder woorden kunt brengen. Misschien ben je ook bang voor een agressieve reactie. Dus zijn mensen in het echte leven niet zo gemakkelijk bereid tot "sanctioneringsgedrag". (Zeg jij er wat van als je een groepje scholieren ziet die hun blikjes en snackverpakkingen om zich heen verspreiden en daar laten liggen als ze afdruipen?)

Maar dat hangt er maar vanaf. Als je nog eens terug kijkt naar die succesvolle zelforganisatie in de Paleo Sociale Omgeving, dan besef je dat daar sociale sanctionering eigenlijk nooit in een een-op-een relatie gebeurde. Informatie over elkaars gedrag wordt zo gemakkelijk en snel verspreid, dat er al heel veel geroddeld en overlegd is tussen degen die verontwaardigd zijn over het profiteursgedrag, waardoor het uiteindelijk sanctioneren veel meer een collectief gebeuren is dan een individueel. De "kosten" van sanctionering worden dus gedeeld en de verantwoordelijkheid er voor wordt verspreid. Dat is ook precies wat Christopher Boehm bedoelt met die omgekeerde dominantiehiërarchie van de Paleo Sociale Omgeving. En in veel gevallen heeft de overtreder de signalen opgevangen van dat collectieve proces van het voorbereiden van een sanctie. En dat is al genoeg. (Bovendien kent iedereen elkaar persoonlijk.)

In het echt is dus het geven van een sanctie wel iets heel anders dan een muisklik. Maar dat wijst er dus op dat in levensechte zelf-organisatie die gemakkelijke verspreiding van informatie, dus de continue onderlinge bereikbaarheid in het kader van langdurige relaties, heel belangrijk is.

NB. Dit blog houdt vanaf vandaag een week vakantie.

maandag 17 september 2012

Mensen zijn bereid tot sanctionering in zelf-organisatie - Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (14)

Als mensen onderling afhankelijk zijn, dan kunnen ze samen gedragsregels opstellen en als het lukt om elkaar aan die regels te houden, dan spreken we van een succesvolle zelf-organisatie. Maar wat is er voor nodig om elkaar aan die regels te houden?

Elinor Ostrom zegt daarover dat de deelnemers moeten beseffen, en dat van elkaar moeten weten, dat ze zelf naleving van de regels van dag tot dag moeten afdwingen. Ze moeten door hebben dat er niet een extern gezag is dat die klus van hen overneemt. Bovendien moeten ze de verwachting hebben dat iedereen zowel een principiële bereidheid heeft om zelf de regels na te leven, als de bereidheid om bij overtredingen die toch plaats vinden, de overtreder daarop aan te spreken. Anders gezegd, de overtreder te sanctioneren. Door er gewoon iets van te zeggen. Of, omdat dat niet altijd gemakkelijk is, er voor te zorgen dat ook anderen op de hoogte zijn en de overtreder op subtiele manier te laten weten dat er over zijn gedrag gepraat wordt. Dan gaat het om de zogenaamde sociale sancties, die er ook uit kunnen bestaan dat de overtreder wordt genegeerd (ostracisme). Vaak zijn subtiele aanwijzingen dat zo'n proces plaats vindt al genoeg om de overtreder op andere gedachten te brengen.

Boehm geeft mooie voorbeelden van sociale sancties, maar ook voorbeelden van hardhandiger sancties als de overtreder blijft volharden in zijn profiteursgedrag of in zijn pogingen om te domineren. Zie nog eens dit bericht. Dan gaat het om mensen die in het verband van de morele gemeenschap van jagers-verzamelaars, dus in die Paleo Sociale Omgeving, zijn opgegroeid en handelen. Zijn er aanwijzingen dat mensen ook nu nog bereid, of zelfs geneigd, zijn om sancties uit te delen aan mensen die meeprofiteren van de inspanningen van anderen?

Ja, die aanwijzingen zijn er als je afgaat op een reeks van experimentele studies, die begon met het artikel Altruistic punishment in humans (link naar pdf) van Ernst Fehr en Simon Gächter uit 2002. Zij lieten mensen een publieke goed-dilemma spelen. Dit kwam er op neer dat steeds vier personen elk €20 ontvingen en daarvan naar eigen goedvinden een deel konden bijdragen aan een groepsproject. Wat ze niet bijdroegen, mochten ze houden. Van iedere € die ze wel bijdroegen, kregen alle vier groepsleden €0,40, dus voor de groep als geheel €1,60. Als nu iedereen de gehele €20 zou bijdragen, dan zou iedereen met (80 x €0,40 =) €32 naar huis gaan. Dat is meer als je niet zou bijdragen, want dan bleef je op die €20 staan. Maar je zou nog beter af zijn als je zelf niet zou bijdragen en de anderen wel. Dat zou dus het profiteurs- of meeliftersgedrag zijn.

 Dit spel werd zes rondes lang gespeeld en na elke ronde werd iedereen geïnformeerd over de keuzes van zijn drie medespelers. De keuzes werden gelijktijdig gemaakt en alles gebeurde anoniem.

En er waren twee condities. In de "sanctie-conditie" werden de spelers er over ingelicht dat ze na elke ronde een of meer van de medespelers een sanctie konden geven. Die kon variëren tussen de 1 en 10 strafpunten, waarbij elke punt stond voor €3. Maar het geven van een strafpunt kostte ook iets, namelijk €1. In de "niet-sanctie-conditie" bestond die sanctiemogelijkheid niet.

Bovendien werden na elke ronde de groepen anders samengesteld. Je kon er dus niet van uitgaan dat je in de volgende ronde met dezelfde drie andere personen zou spelen. Dat betekende dat als je een medespeler een sanctie geeft en daarmee bewerkstelligt dat hij zich in de volgende ronde beter gedraagt, dat je daar dan niet zelf van profiteert. Vandaar dat het in de titel van het artikel gaat over altruïstische bestraffing: je hebt een sanctie gegeven, die misschien helpt om het gedrag van de profiteur te verbeteren, maar jou wel €1 per strafpunt kost, zonder dat jij het voordeel daarvan hebt.

Wat gebeurde er toen dit spel gespeeld werd? Allereerst bleek dat mensen bereid waren om sancties uit te delen. Ruim 84% gaf tenminste één maal een sanctie en een derde gaf meer dan vijf keer een sanctie. De sancties werden ook in de meeste (driekwart) van de gevallen gegeven zoals bedoeld, namelijk aan de profiteurs, en werden ook gegeven door degenen die het meeste bijdroegen. De straffen waren ook behoorlijk hoog, wat betekent dat de toedieners er van bereid waren  behoorlijk hoge kosten op zich te nemen.

En hadden de sancties het gewenst effect? Ja zeker, over het geheel genomen droegen de spelers in de "sanctie-conditie" meer bij aan het groepsproject dan in de "niet-sanctie-conditie". En bovendien bleek dat de gegeven sancties ook tot beter gedrag leidden: nadat een sanctie was ontvangen, was de bijdrage in de volgende ronde gemiddeld hoger dan in de vorige ronde. Dus ook in die zin is pro-sociaal gedrag een collectieve prestatie: elkaar (kunnen) sanctioneren maakt ons pro-socialer.

Wat was het precies dat mensen aanzette om sancties te geven, terwijl het geven daarvan iets kostte en de voordelen er van aan anderen toevielen? Uit een apart onderzoekje bleek dat er boosheid achter zat. Profiteursgedrag roept boosheid op en die boosheid brengt je er toe om die kosten van sanctionering wel te willen dragen. En ook bleek dat mensen die boosheid van anderen verwachtten als ze zelf zouden overwegen om zich als profiteur te gedragen.

En uit deze studie uit 2004 (pdf) bleek dat het toedienen van een sanctie ook inderdaad als belonend wordt ervaren. Profiteursgedrag maakt je boos en dan voelt het goed om iets te doen wat uit die boosheid voortkomt: de profiteur een lesje leren.

Deze studie van Fehr en Gächter heeft tot op de dag van vandaag geïnspireerd tot nieuw onderzoek. Daarover in volgende berichten meer.

maandag 3 september 2012

Zelforganisatie, onderlinge afhankelijkheid en oorsprong van de moraal - Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (12)

Een van de twee bronnen van inzichten over zelforganisatie is de Paleo Sociale Omgeving. (De andere is het onderzoek, van o.a. Elinor Ostrom, naar hedendaagse voorbeelden van zelforganisatie. Zie dit bericht.) Wat kunnen we leren van de Paleo Sociale Omgeving, van de wijze waarop onze verre voorouders als jagers-verzamelaars zichzelf zo wisten te organiseren dat ze niet alleen overleefden, maar zich ook succesvol over de aardbol wisten te verspreiden?

Een goede aanleiding om die vraag nu te stellen is dat Science vorige week een bespreking wijdde aan het prachtige boek Moral Origins. The Evolution of Virtue, Altruism, and Shame van Christopher Boehm. (Helaas achter de poort.) Buyun Zhao geeft in die bespreking een wonderbaarlijk korte samenvatting van het boek, die ik eerst maar even citeer (in mijn vertaling):
Grillige veranderingen in de omgeving gedurende het Pleistoceen maakten het noodzakelijk om samen te werken in grotere egalitaire eenheden om zo efficiënter te kunnen jagen. Toegerust met een ontluikende voorkeur voor gelijkheid, gingen die jagende groepen er toe over om afvalligen te bestraffen of te mijden. Door zo samenwerking af te dwingen, hadden de "sociale voorkeuren van de groepsleden als geheel" systematische effecten op de genenpoelen. Selectie bevoordeelde individuen "die beter waren in het onderdrukken van hun anti-sociale neigingen, oftewel uit vrees voor afstraffing, oftewel door de regels van de groep in zich op te nemen en zich er mee te identificeren." Op die wijze droeg dat proces bij aan het stabiliseren van gelijkheidsnormen en hield het meelifters en bullies in bedwang.
Dit komt er dus op neer dat er in de Paleo Sociale Omgeving een sociale selectie plaats vond. De neiging van mensen tot statuscompetitie en tot het vormen van een statushiërarchie, zoals ook  bij chimpansees en de meeste andere primaten, werd onderling, dus collectief, door sociale en fysieke sancties onderdrukt. Een proces van menselijke zelf-domesticatie, zou je kunnen zeggen. In zijn vorige boek, Hierarchy in the Forest. The Evolution of Egalitarian Behavior (1999) beschreef Boehm dit proces als een omgekeerde dominantiehiërarchie. Er is niet, zoals in een statushiërarchie of alfamannetjes-model, een overheersing van allen door de ene man aan de top. Maar integendeel, iedereen heeft er mee te maken dat als je je als profiteur gedraagt of als je de baas gaat spelen, dat je het dan met alle anderen aan de stok krijgt. Boehm geeft boeiende en dramatische beschrijvingen van dat "aan de stok krijgen", afkomstig van antropologen die jagers-verzamelaarsgroepen hebben bestudeerd.

Hoe kon het dat zulke sociale processen en de daaruit voortvloeiende sociale selectie in het Pleistoceen mogelijk waren? Dat lag er aan dat mensen sterk van elkaar afhankelijk waren. Boehm denkt daarbij vooral aan de afhankelijkheid in het jagen op groot wild. En er valt iets voor te zeggen dat er een cruciale periode moet zijn geweest waarin mensen alleen konden overleven door gebruik te maken van die mogelijkheid om in samenwerking op groot wild te jagen. Het moet de periode zijn geweest waarin vlees een groter deel van ons dieet ging uitmaken.

Een andere oorzaak van die toegenomen onderlinge afhankelijkheid kan zijn geweest dat er in de (waarschijnlijke) bakermat van de mensheid (Oostelijk-Afrika) een periode van droogte is geweest, waardoor het regenwoud inkromp en het savanna-landschap (zie afbeelding) zich uitbreidde. Hierdoor was voedsel meer verspreid en kon je je niet langer als groep door de ruimte bewegen en dan altijd wel tijdig voldoende concentraties van voedsel vinden om iedereen te kunnen voeden. Wat op die savanna wel kon, was dat je je in kleine groepjes verspreidde om voedsel te zoeken en dat naderhand, in het "basiskamp" teruggekeerd, met elkaar deelde. Een andere vorm van samenwerking, dus. Waardoor onze verre voorouders wel in staat waren om op de savanna een bestaan op te bouwen, in tegenstelling tot de andere primaten, die hun leefgebied, het tropisch regenwoud, tot op de dag van vandaag hebben zien inkrimpen.

Kortom, de eerste zelf-organisatie van mensen bestond uit samenwerking op basis van gelijkheid, noodzakelijk geworden door onderlinge afhankelijkheid. Een heel directe, persoonlijke onderlinge afhankelijkheid. "Als jij niet meehelpt in de jacht of in het zoeken naar voedsel, of als jij niet meedoet in het eerlijk delen, dan vorm je een bedreiging voor het voortbestaan van onze groep. Als je daar mee doorgaat, dan laten we je merken dat we dat niet tolereren." Boehm maakt aannemelijk dat onze voorouders ook echt inzicht hadden in die onderlinge afhankelijkheid en in de noodzakelijke sociale mechanismen om elkaar in het gareel te houden. En dat op de lange duur op die wijze de grondslag werd gelegd voor onze morele intuïties van gelijkheid en rechtvaardigheid.

Het grote belang van die onderlinge afhankelijkheid zien we terug in de voorbeelden van hedendaagse vormen van zelf-organisatie. In de succesvolle vormen die Elinor Ostrom onderzocht, gaat het bijvoorbeeld om vissers die visgronden beheren, om veehouders die weidegronden behoeden voor overbeweiding en om landbouwers die irrigatiewerken onderhouden.

Je zou daar, voorlopig, uit kunnen opmaken dat die persoonlijke, directe, onderlinge afhankelijkheid een noodzakelijke voorwaarde is voor het succes van zelf-organisatie. Maar daarover later meer.

vrijdag 1 juni 2012

Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (6): De anderen, die zijn er altijd. De fictie van het sociale vacuüm

Ben je goedgeefser (pro-socialer) als je zelf bepaalt hoeveel jezelf krijgt en hoeveel een ander of als je alleen maar een oordeel geeft over een verdeling over jezelf en een ander? In sociaal-psychologisch onderzoek zijn beide manieren gebruikt om te meten hoe pro-sociaal mensen zijn en hoe veel waarde ze hechten aan gelijkheid. En daarbij is waarschijnlijk vaak aangenomen dat de manier van meten voor de uitkomsten geen verschil uitmaakt. Maar uit deze studie (link naar het manuscript; vorig jaar gepubliceerd) blijkt dat het wel degelijk verschil maakt.

De Israëlische onderzoekers lieten proefpersonen een taak uitvoeren waarvoor ze 10 Shekel als  beloning kregen.

Vervolgens moesten ze in het ene geval beslissen of "een andere persoon" voor diezelfde taak ook 10 Shekel kreeg of 20 Shekel.

En in het andere geval moesten ze aangeven bij welke beloning voor die andere persoon ze zich het meest tevreden zouden voelen, 10 Shekel of 20 Shekel.

Het blijkt dan dat mensen in het eerste geval goedgeefser (royaler, pro-socialer) zijn dan in het tweede geval. Als jezelf bepaalt wat er gebeurt, dan bedeel je de ander royaler dan wat overeenkomt met waar je het meest tevreden over zou zijn. Wat je tevredenheid betreft, denk je misschien meer in de richting van een gelijke verdeling (allebei 10 Shekel). Maar als jij bepaalt, dan is de kans groter dat je de ander 20 Shekel gunt, twee keer zoveel als wat jij zelf krijgt.

Hoe kan dat? Mijn idee is dat dit er mee te maken heeft dat pro-sociaal gedrag een collectieve prestatie is. Met andere woorden: de beslissing om meer of minder goedgeefs te zijn, neem je nooit in een sociaal vacuüm. Ook niet als je in een sociaal-psychologisch laboratorium te horen krijgt dat jouw gedrag volstrekt anoniem blijft en dat je die andere persoon nooit te zien krijgt en hij/zij jou niet. Je hebt onvermijdelijk gedachten in je hoofd over wat anderen zouden doen, over wat je zou behoren te doen en over hoe anderen op jouw gedrag zouden reageren als ze er weet van hadden.

Anders gezegd, we hebben een geweten en dat is niet iets puur individueels. En dat geweten speelt meer op als we zelf verantwoordelijkheid dragen. Stel dat iemand te weten krijgt dat ik de ander niet die 20 Shekel heb gegund, terwijl ik daar zelf niet slechter van werd, zal mij dat niet worden aangerekend? Hoor ik al een fictief iemand "egoïst" zeggen? Zou je je dan niet schamen?

Maar daartegenover voel ik me veel vrijer om te laten blijken dat ik met een gelijke verdeling (allebei 10 Shekel) het meest tevreden zou zijn. Die voorkeur mag je hebben. Als je maar tegelijk, als het op jouw gedrag aankomt, laat blijken dat je goedgeefs bent als de mogelijkheid daartoe bestaat. Juist door je voorkeur voor een gelijke verdeling aan de kant te zetten, laat je je ruimhartigheid zien. Je gunt een ander wat.

Kortom, ondanks die anonimiteit waaronder die proefpersonen konden beslissen, denk ik dat er zulke gedachten of flitsen van gedachten door hun hoofd gingen.

En in mijn hoofd werd ik daarbij denk ik sterk beïnvloed door het boek Moral Origins. The Evolution of Virtue, Altruism, and Shame van Christopher Boehm, waarin ik zo nu en dan aan het lezen ben. Boehm maakt met een schat aan materiaal aannemelijk dat mensen door sociale selectie in het verleden in zekere mate een aangeboren neiging tot goedgeefsheid hebben, maar dat die neiging zonder culturele versterking te zwak blijft om veel effect te hebben. Vandaar dat in alle culturen en religies goedgeefsheid wordt aangemoedigd en egoïsme wordt afgekeurd en gesanctioneerd. En die culturele context is nooit helemaal afwezig, ook niet in die anonieme situatie in het sociaal-psychologische laboratorium.

Ik denk dat de onderzoekers mijn verklaring niet zouden onderschrijven. In het artikel houden ze vast aan de fictie (wat mij betreft) van die volledige anonimiteit. En dus van dat sociale vacuüm, waarin je puur individueel zou beslissen. Maar "de anderen, die zijn er altijd".

woensdag 4 januari 2012

Is de mensheid vreedzamer geworden? Vervolg

Zoals ik in dit bericht aankondigde, zou ik het boek The Better Angels of Our Nature. Why Violence Has Declined van Steven Pinker doorbladeren als het in de boekhandel zou liggen. Pinker verdedigt in dat boek zijn stelling dat het geweld in de loop van de mensheidsgeschiedenis alleen maar is afgenomen. Er is volgens hem nu minder geweld dan in de agrarische maatschappijen van voor de Industriële Revolutie.

Daar vind ik wel wat in zitten. Maar volgens Pinker was er in die agrarische maatschappijen weer minder geweld dan in de jagers-verzamelaars maatschappijen die daaraan vooraf gingen. En dat lijkt mij heel onwaarschijnlijk, zoals ik in dat vorige bericht uiteenzette. Dat maakte me wat wantrouwend over dat boek (terwijl ik eerdere boeken van Pinker heel goed vond). Dat wantrouwen werd versterkt door de bespreking van Timothy Snyder (zie onderaan het vorige bericht).

Hoe dan ook, ik was vandaag in Atheneum Boekhandel aan het Spui in Amsterdam en heb daar het boek doorgebladerd, ook de Nederlandse vertaling, die wel heel snel gemaakt is. Dat was een heel karwei, dat doorbladeren bedoel ik, want het is een dik boek. Het moedigde mij niet aan om het te kopen, hoewel er heel interessante passages in voorkomen.

Wat me echter meteen opviel toen ik de lijst met geraadpleegde literatuur doorkeek, was dat de drie naar mijn opinie onmisbare boeken als je je over de mate van geweld of vreedzaamheid van jagers-verzamelaars maatschappijen wilt informeren, in die lijst niet voorkomen.

Ik noemde die boeken in mijn vorige bericht. Ter herinnering: het gaat om Hierarchy in the Forest van Christopher Boehm, Beyond War. The Human Potential For Peace van Douglas P. Fry en Mothers and Others. The Evolutionary Origins of Human Understanding Van Sarah Blaffer Hrdy.

Ik vind dat heel vreemd. Het bevestigt de indruk van Timothy Snyder dat Pinker weliswaar uitbundig onderzoek van anderen citeert, maar meer als voetnoten bij zijn eigen al vaststaande oordelen dan als een kritische toetsing van die oordelen.

donderdag 29 december 2011

Is de mensheid vreedzamer geworden? Steven Pinker

Timothy Snyder bespreekt het nieuwe boek van Steven Pinker, getiteld The Better Angels of Our Nature. Why Violence Has Declined. Zie het bericht hieronder.

Ik was enthousiast over Pinkers eerste boek, The Language Instinct (1994). Prachtig boek, alleen al om de beschrijving en weerlegging van het Social Science Standard Model, dat zo heeft huisgehouden in de sociale wetenschappen en dat het bestaan van een menselijke natuur als "biologisch" afwees. Later werkte hij die kritiek uit in The Blank Slate (2002), dat ik ook met veel plezier las. Daartussen in schreef hij How The Mind Works (1997), waar ik niet doorheen kwam.

Nu is er dus dit nieuwe boek. Hij verdedigt daar de stelling dat het geweld in de loop van de mensheidsgeschiedenis alleen maar is afgenomen. Volgens deze bespreking van Snyder zijn er volgens Pinker twee fundamentele overgangen geweest:
from the anarchy of hunting and gathering societies to the controlled violence of early states and then from a "culture of honor" associated with these states to a "culture of dignity" characteristic of the better moments of modernity.
Die tweede transitie kan goed kloppen. Agrarische maatschappijen waren sterk als statushiërarchieën georganiseerd en om die tot stand te brengen en in stand te houden was veel geweld en onderdrukking nodig. Met de industrialisering nam de onderhandelingsmacht van de factor arbeid toe, waardoor de ongelijkheid afnam. Als onderdeel daarvan kregen we algemeen kiesrecht en democratie. En democratie is een middel om conflicten anders op te lossen dan door gebruik van geweld. (Of de democratie levensvatbaar blijft, vroeg ik me hier af.)

Maar dat Pinker gelooft dat jagers-verzamelaarsmaatschappijen nog gewelddadiger waren dan agrarische maatschappijen is verbazingwekkend. Er zijn veel aanwijzingen dat jagers-verzamelaars goed in staat waren om de menselijke neiging tot statuscompetitie collectief te onderdrukken. Daardoor konden ze gemeenschappen vormen op basis van onderlinge samenwerking en coöperatief grootbrengen van de kinderen. Er kwam wel geweld voor, maar vooral gericht tegen degenen die anderen wilden overheersen en vooral op hun eigen belang uit waren. En dat geweld werd pas dan gebruikt als mildere, sociale sancties (uitsluiting, negéren, ridiculisering) niet hielpen.

Tussen gemeenschappen konden conflicten bestaan, maar die leiden zelden tot "oorlogen". Want in plaats van een conflict uit te vechten, wat in de natuur so wie so weinig gebeurt, kon je altijd met je medestanders vertrekken en ergens anders je geluk zoeken. En dat gebeurde ook op grote schaal, want het is al in dit jagers-verzamelaars tijdperk geweest dat onze verre voorouders zich over de hele aardbol verspreidden. Vanuit waarschijnlijk Oostelijk Afrika via Eurazië naar Australië en het Amerikaanse continent. Dat grote succes van die coöperatieve leefwijze is moeilijk te rijmen met de gedachte dat dit de meest gewelddadige periode was in de mensheidsgeschiedenis.

Goede bronnen voor dit inzicht zijn het werk van Christopher Boehm (Hierarchy in the Forest. The Evolution of Egalitarian Behavior), van Douglas P. Fry (Beyond War. The Human Potential For Peace) en van Sarah Blaffer Hrdy, die ik al eerder noemde (o.a. Mothers and Others. The Evolutionary Origins of Mutual Understanding).

Hoe komt Pinker dan tot zijn stelling? Ik zou het boek moeten lezen, maar de tijd is beperkt. Ik ga nu even af op Snyder:
Pinker's first target is the tendency to romanticize the distant past. Since he believes that people fantasize about a peaceful prehistory, he deliberately over­emphasizes its violence, dwelling at length on the bloodiest passages of the Old Testament. His cheerful admission of this writerly tactic presages not only the friendly tone of the entire book but also one of its shortcomings. Although Pinker writes as a scientist, his approach in this book is discursive rather than deductive, charmingly but not quite persuasively advancing his ex cathedra views about life in general. The research of others, although abundantly and generously cited, too often seems to footnote Pinker's own prior assumptions.
Dat wekt geen vertrouwen. Lees ook wat Snyder later in zijn bespreking zegt over hoe Pinker omgaat met het probleem van de twee wereldoorlogen in de twintigste eeuw. Eerst zegt hij dat het "bad luck" was om twee van zulke conflicten vlak na elkaar te hebben. Dat komt niet sterk over. En hij claimt dat één individu, Adolf Hitler, toch vooral verantwoordelijk was. Als die er niet geweest was, ja, dan was de twintigste eeuw veel minder gewelddadig geweest. Tja, dat is wel een heel onwaarschijnlijke claim. Zie hierover ook mijn laatste bericht over de statushiërarchie van het Hitler-bewind.

Ik ben dus wat wantrouwend over Pinkers nieuwe boek. Als het in de boekhandel ligt, ga ik er eens door heen bladeren.
War No More | Foreign Affairs:

'via Blog this'