Posts tonen met het label Steven Pinker. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Steven Pinker. Alle posts tonen

dinsdag 4 november 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 20 - Er was geen vak dat er aan had kunnen bijdragen dat het nooit weer zou gebeuren.

Waar waren we gebleven? De sociologie in de tijd dat ik studeerde leed aan twee mankementen: dat van een curieuze wetenschapsopvatting en dat van de fictie van het eigen domein. Aan hoe het vak daarmee omging, zijn drie richtingen te onderscheiden. De eerste was die van de variabelensociologie, dus van zo veel mogelijk empirie en zo weinig mogelijk theorie. De tweede was die van de macrosociologie en de derde die van het het niet zo serieus nemen van die wetenschapsopvatting en van het eigen domein. We waren nog bezig met die richting van de macrosociologie. Hier het vorige bericht..

Die macrosociologie was er in twee gedaanten, die van het structureel-functionalisme en die van de marxistische sociologie. Voor ik naar die tweede overga eerst nog een enkele opmerking over het structureel-functionalisme.

De kern daarvan was de gedachte van de maatschappij als een sociaal systeem dat altijd naar een nieuw evenwicht tendeert, dat ook altijd het goede evenwicht is. Met de veronderstelling van een onbeperkt flexibele menselijke sociale natuur die geheel ondergeschikt is aan wat het systeem vraagt. Die veronderstelling leefde trouwens breder dan alleen in het vak sociologie. 

Het was de tijd van het Standard Social Science Model (SSSM), de term die de psychologen Leda Cosmides en John Tooby er in 1992 aan gaven. De menselijke sociale natuur zou figureren als een leeg blad (blank slate) dat door de invloed van de sociale omgeving, door de cultuur, dus top down, beschreven wordt (cultureel determinisme). Daartegenover bepleitten ze een psychologie die er juist uitdrukkelijk op gebaseerd is dat de mens een biologisch organisme is, dat dus het resultaat is van een evolutionair proces. Hun conclusie daaruit was dat de menselijke geest bestaat uit een soort blokkendoos van special-purpose modules, die zich in een proces van natuurlijke selectie ontwikkelden als oplossingen voor de uitdagingen waar mensen in het verre verleden aan blootstonden. Een bekend voorbeeld van zo'n module is de vaardigheid om snel bedrog te ontdekken (het cheater-detection mechanism). 

Steven Pinker betoogt in zijn The Language Instinct (1994) dat de invloed van de veronderstellingen van dat SSSM niet beperkt bleef tot de sociologie, maar zich zelfs uitstrekte tot het gehele "moderne intellectuele leven", waar het zelfs de vorm van een ideologie aannam (p.405-6): 

Modern intellectual life is suffused with a relativism that denies that there is such a thing as a universal human nature (...)
The doctrine underlying that relativism, the Standard Social Science Model (SSSM), began to dominate intellectual life in the 1920s. (...)
The SSSM has not only been the foundation of the study of humankind within the academy, but serves as the secular ideology of our age, the position on human nature that any decent person should hold. 

Op die kenschets van het vak psychologie is ook wel weer kritiek gekomen. David S. Wilson laat zien dat de waarheid ergens in het midden ligt tussen de blank slate-psychologie en de blokkendoos-psychologie (Evolutionary Psychology and the Standard Social Science Model: Regaining the Middle Ground). Bovendien wijst hij op interessante ontwikkelingen in de toegepaste psychologie, waar therapeuten zich weinig aantrokken van de academische discussies. En daar duikt de naam op van Steven C. Hayes, die we al tegenkwamen toen het over de menselijke neiging tot psychologische starheid ging, als een inadequate reactie op het ervaren van sociale onveiligheid.

Maar dan hebben we het over de latere ontwikkeling van het vak psychologie. Wat de sociologie betreft, liggen de zaken duidelijk anders. Er was voor Rudi Wielers en mij in 1999 nog meer dan genoeg reden om sociologen op te roepen zich meer open te stellen voor de biologie en mijn indruk is dat je een kwart eeuw later niet kunt zeggen dat die oproep veel heeft uitgehaald. En mijn in 2020 biologisch en neurofysiologisch onderbouwde sociaalwetenschappelijk zicht (Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen) is in het vak een wel heel vreemde eend in de bijt.

Terug naar de tijd dat ik studeerde. Dat het structureel-functionalisme toen zo veel invloed had, betekende dus ook dat het vak sociologie toen sterk neigde naar een toeschouwersrol. Er ontbrak een theoretisch kader waarmee de bestaande toestand van de samenleving kon worden beoordeeld. Waarmee beleidsvoorstellen konden worden gedaan voor verbetering, voor het dichterbij brengen van een toestand die meer tegemoetkomt aan de menselijke sociale natuur, aan wat mensen kunnen en willen. Want de maatschappij moest gezien worden als een sociaal systeem en dat zou uit zichzelf altijd wel in het goede evenwicht terechtkomen.

Vandaar dat het vak sociologie niet of nauwelijks een rol speelde, ja, zich terughoudend opstelde, in de naoorlogse opbouw van de verzorgingsstaat. Dat was een duidelijke ontwikkeling in de richting van de sociaal superieure toestand van het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon. En een duidelijke reactie op het meegemaakt hebben van de sociaal inferieure toestand van een veroveringsoorlog, de bezetting en de genocide van de Holocaust. 

Er was dus geen wetenschappelijk vak dat in staat was om wat er zich had afgespeeld theoretisch te verwerken en dat de opgedane inzichten kon uitdragen. Dat er aan had kunnen bijdragen dat het nooit weer zou gebeuren.

Dat is om over na te denken nu we wederom te maken hebben met de dreiging van een ontwikkeling naar een sociaal inferieure toestand. Hier het vervolg.

woensdag 23 juli 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -11 - Over het eerste van de twee mankementen van het vak sociologie: een curieuze wetenschapsopvatting

Ja, wat was er eigenlijk aan de hand met dat vak sociologie dat ik in 1965 begon te studeren? Hier het vorige bericht. En wat is er nog steeds mee aan de hand, want gezien met de blik van het nieuwe sociaalwetenschappelijke zicht waar ik het over heb, is er weinig veranderd. 

Wat er allereerst aan de hand was, is dat de ideeën van iemand als Willem Banning, die betoogde dat je sociologie moest bedrijven op grond van een mensbeeld en in dienst van een op dat mensbeeld gebaseerde wenselijke maatschappelijke toestand ("vrede en gerechtigheid"), in dat vak in het geheel geen weerklank vonden. Zoals gezegd, ik kwam die ideeën niet in mijn studie tegen. Wat Banning voorstond, is gemakkelijk op te vatten als een voorloper van dat sociaalwetenschappelijke zicht op mens en maatschappij waar ik in de loop van de jaren bij terechtkwam. Een in het oog springend verschil is dat Banning zich toen nog niet op biologisch en sociaalwetenschappelijk onderzoek kon baseren, terwijl ik dat wel kon. Denk aan Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen. 

Natuurlijk begon ik mijn studie met het voor de eerstejaarsstudent gepaste ontzag voor de vakken die ik volgde en de docenten. Maar gaandeweg moest ik steeds meer de gedachte toelaten dat de vakken sociologie intellectueel niet zoveel voorstelden en weinig boeiend waren. De hoorcolleges kabbelden voort en lieten weinig indruk na. 

Een uitzondering was het college dat meteen in de propedeuse werd gegeven over de "klassieke sociologen", Karl Marx (1818 - 1883), Max Weber (1864 - 1920) en Emile Durkheim (1858 - 1917).  Maar toch viel het me op dat het ontzag voor die klassieken uit het verleden wel erg groot was en dat de vraag of en hoe er daarna ook vooruitgang was geboekt, weinig aandacht kreeg. Veel later kwam ik nog weleens in aanraking met collega's die er vanuit bleken te gaan dat "sociologische theorie" eruit bestond dat je de klassieken bestudeerde. Ik had natuurlijk nog maar een weinig ontwikkeld idee van wat wetenschap was, maar dat je zo bleef staan bij wat in het verleden al bedacht was, leek me niet de bedoeling.

Gelukkig was er in het studieprogramma veel ruimte voor het volgen van bijvakken. In de propedeuse waren de bijvakken psychologie, rechtswetenschap, sociaal-economische geschiedenis, filosofie en economie algemeen verplicht. Daarna koos ik voor filosofie en economie als grote bijvakken. 

Filosofie was in de propedeuse nog niet veel meer dan een schools overzicht van de geschiedenis van het vak, zeg van de Grieken tot en met Kant. Maar daarna werd het ingevuld met wetenschapsfilosofie. Samen met filosofiestudenten lazen we van week tot week The Logic of Scientific Discovery, de vertaling van het in 1935 verschenen Logik der Forschung, van Karl Popper (1902 - 1994). We lazen de vijfde herziene editie uit 1968. 

Ik vond dat fascinerende lectuur. Ik pakte het kapot gelezen exemplaar, vol met mijn potloodonderstrepingen en uitroeptekens en opmerkingen in de kantlijn, net nog even uit de boekenkast. Hier was iemand aan het woord die echt had nagedacht over de logische, niet de psychologische, structuur van menselijke kennisverwerving, over wat wetenschappelijke groei van kennis precies is. Hoofdstuk 5 (The problem of the empirical basis) zette me aan tot het schrijven van mijn doctoraalscriptie, die ik in januari 1971 inleverde, waarna ik als wetenschappelijk medewerker bij de subfaculteit sociologie werd aangenomen. Mijn taak werd omschreven als "metatheorie", ik denk omdat de term "wetenschapsfilosofie" problemen met de Faculteit Wijsbegeerte zou opleveren. Een paar jaar later werd die taak op mijn verzoek omgezet in "theoretische sociologie". Ik was uitgekeken op het nadenken over wetenschap en wilde wel een wetenschap beoefenen.

Door het bijvak economie kwam ik in aanraking met een "verbetervak". Ik leerde hoe de Keynesiaanse theorie in het vak groei van kennis betekende ten opzichte van de neoklassieke theorie, omdat hij de voorwaarden aangaf waaronder het marktmechanisme tot een inferieur evenwicht kan leiden. En ik leerde hoe een wetenschap oplossingsvoorstellen kon doen voor maatschappelijke problemen ten behoeve van menselijk welzijn.  Zoals gezegd, sociologie was niet een verbetervak en wilde dat ook niet zijn. 

Al met al had ik in 1971 het idee dat ik meer een wetenschapsfilosoof dan wel een econoom was dan een socioloog. En dat zette me er natuurlijk toe aan om uit te zoeken hoe het kwam dat het vak sociologie zo weinig te bieden had, terwijl ik er voor gekozen had omdat het het vak van de toekomst leek. . 

Pas veel later en gaandeweg begon ik inzicht te krijgen in twee in het oog springende mankementen van het vak zoals het was ontstaan en in de negatieve gevolgen daarvan die tot op de dag van vandaag doorwerken.

In de eerste plaats het mankement van het streven naar wetenschappelijkheid dat gehinderd werd door een curieuze opvatting van wat wetenschappelijkheid is. En in de tweede plaats het mankement van het idee dat het vak een eigen werkelijkheidsdomein nodig had, duidelijk afgegrensd van domeinen van andere vakken. Een domein dat je geacht werd bij het zoeken naar verklaringen niet te verlaten. In termen van Emile Durkheim: "sociale feiten" moeten verklaard worden uit andere "sociale feiten". Wat dat precies betekende, leg ik later uit.

Eerst terug naar dat eerste mankement, dat trouwens ook tot het werk van Durkheim is terug te voeren. Daarmee wek ik de indruk dat Durkheim de kwade genius is, maar dat doet hem tekort. Naar zijn inhoudelijk werk beoordeeld, zoals in La division du travail social (1893), Le suicide (1897) en Les formes élémentaires de la vie religieuse (1912) vind ik hem interessanter dan Max Weber en Karl Marx. Zie ter illustratie de berichten:

Maar hij rekende het daarnaast tot zijn opdracht om van de sociologie een erkend academisch vak te maken, wat het toen nog niet was. En om dat te bereiken dacht hij dat het nodig was om uit te dragen dat sociologie een echte wetenschap is. Die zich dus radicaal moet onderscheiden van common sense, van het alledaagse denken, en van wat mensen denken door introspectie, door het zich inleven in anderen, denken te kunnen weten. 

Durkheim wilde voor zichzelf graag een leerstoel sociologie aan de prestigieuze Sorbonne in Parijs, maar moest uiteindelijk in 1887 genoegen nemen met een leerstoel sociologie en pedagogiek in Bordeaux. Zelfs dat ging niet zonder problemen, want sociologie werd in de universitaire wereld niet erg serieus genomen. Dat moet Durkheim hebben aangezet tot zijn curieuze wetenschapsopvatting, die sterk geïnspireerd was door het voorbeeld van de natuurwetenschappen en die geen recht doet aan hoe de sociale wetenschap daarvan verschilt. 

Want als je zo rond je twintigste sociologie gaat studeren, of, zeg, psychologie, dan heb je al persoonlijke ervaringen opgedaan met het object van je studie. Je bent opgegroeid in een gezin, een buurt, een dorp, ja, in een samenleving. Je moet dus al van alles hebben ervaren over hoe mensen met elkaar omgaan, over je eigen inbreng daarin en over de effecten daarvan op hoe je je voelt en op je eigen ontwikkeling. Je bent dus, ook als je nog geen college hebt gevolgd en nog geen studieboek hebt opengeslagen al een "kleine socioloog". Hoewel dat natuurlijk niet hoeft te betekenen dat je die ervaringen hebt verwerkt en die verwerking goed onder woorden kunt brengen.

Het gaan studeren van een sociale wetenschap verschilt daarmee fundamenteel van het gaan studeren van een natuurwetenschap. Als je scheikunde of natuurkunde of astronomie gaat studeren, dan wordt je ingewijd in een voor jouw nieuw kennisgebied, waar jijzelf, als persoon, geen deel van uitmaakt. Alle kennis die je krijgt aangereikt is nieuw en het kost vaak moeite om je die eigen te maken. Denk aan de moeite die het kost om de kwantummechanica te begrijpen, die een wereld beschrijft die wij als bizar ervaren, maar die wel de ons vertrouwde wereld "produceert". De beginnende natuurkundestudent staat voor de uitdaging om een vreemde, onbekende wereld te leren begrijpen. Hij is niet al op grond van opgedane ervaringen een "kleine natuurkundige".

Wat Durkheim bezielde toen hij in 1895 zijn wetenschapsopvatting uiteenzette in Les règles de la methode sociologique, komt erop neer dat hij de gedachte dat de beginnende sociologiestudent al een "kleine socioloog" is, rigoureus afwees. Ik herinnerde me dat ik in 1996 in De twee talen van de sociologie dit citaat opnam (mijn vertaling uit het Frans):

Maar zodra het om de eigenlijke feiten gaat, zijn ze, op het moment dat we ze wetenschappelijk behandelen, noodzakelijkerwijs onbekenden voor ons, dingen waar we niets vanaf weten, want de voorstellingen die we er in de loop van ons leven van hebben gemaakt, hebben, omdat ze zonder methode en kritiekloos tot stand zijn gekomen, geen wetenschappelijke waarde en moeten (daarom) aan de kant worden geschoven.

Anders gezegd, als we sociologen opleiden dan moeten we hen het besef aanleren dat ze hun studieobject op dezelfde manier moeten benaderen als de natuurkundestudenten dat doen met het terrein van de kwantummechanica. Laat alles varen wat je alledaagse ervaringen je hebben geleerd over hoe mensen samenleven. Vergeet het. Er zijn voor jou als socioloog vanaf nu alleen maar de inzichten, de "sociale feiten", die door sociologisch onderzoek tot stand zijn gekomen. Je gaat een nieuw rijk binnen, net zo nieuw als het rijk van de kwantummechanica.

Een wel heel curieuze opvatting van wat een sociale wetenschap is. Die helaas wel een grote invloed heeft gehad op de verdere ontwikkeling van het vak sociologie. En die als ik het goed zie in inleidende vakken nog altijd kritiekloos als grote wijsheid wordt herhaald. 

Curieus omdat ook in het alledaagse leven bestaande inzichten het resultaat zijn van correcties op vorige. Wetenschap is een voortzetting van dat corrigeren, met een streven naar correcties, naar nieuwe en diepere inzichten (theorieën), ook als de bestaande in de praktijk nog voldoen. In de woorden van Karl Popper The logic of scientific discovery, p. 22): wetenschappelijke kennis 

is common sense knowledge writ large, as it were. Its very problems are enlargements of the problems of common-sense knowledge. For example, it replaces the Humean problem of 'reaonable belief' by the problem of the reasons for accepting or rejecting scientific theories.

Alledaagse kennis "in het groot". Overeenkomend met het inzicht van de evolutie van kennisverwervingsstrategieën, van beweging naar gestuurde beweging, naar culturele transmissie, naar door verbeelding gestuurd leren, waar het over gaat in mijn De wetenschappelijkheid en de alledaagsheid van sociologische verklaringen. 

Zoals gezegd, de invloed van Durkheims curieuze opvatting van sociologie als wetenschap is groot geweest. Het was denk ik die invloed die er verantwoordelijk voor was dat ik Bannings ideeën over mens en menselijkheid in mijn studie sociologie niet tegenkwam. Want dat waren immers ideeën die niet met de wetenschappelijke methode tot stand waren gekomen. Ze waren religieus geïnspireerd, ondersteund door levenservaringen. Er was nog geen wetenschappelijk onderbouwd inzicht in de menselijke sociale natuur. Dus moeten we als sociologen doen alsof we daar niets van afweten. 

Het daarnaar handelen was in het vak zo algemeen verbreid dat Steven Pinker het in zijn The language instinct (p. 405-6 van mijn editie uit 1995) als het Standard Social Science Model betitelde. Ook kwamen we het tegen in het citaat van Kees Schuyt, vooraanstaand Nederlands socioloog, dat ik aanhaalde in Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen: 

Men moet oppassen te zeggen dat mensen van nature gelijk zijn of van nature ongelijk zijn. Beide stellingen kan men betrekken, maar ze suggereren dat bij de discussie over gelijkheid teruggegrepen moet of kan worden op zoiets onbekends als ‘de natuur’ of ‘de menselijke natuur’.

En het ernaar handelen leidde tot grote problemen in de sociologische theorievorming. Want hoe kom je tot theorie als je niet mag teruggrijpen op "zoiets onbekends" als de menselijke sociale natuur, op mens en menselijkheid, op wat mensen willen en kunnen? En je je alleen mag bewegen binnen het domein van de "sociale feiten"? Wetende dat de samenleving wel degelijk mensenwerk is.

Maar omdat dit bericht al lang genoeg is, meer daarover in het vervolg. 

donderdag 27 juni 2019

Heeft de sociologische theorie een blinde vlek voor kwaadaardigheid? - Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? - deel 12

Update. Zie nu ook deel 13 van deze reeks berichten: De belichaming van de innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur.
Er zijn goede redenen om te vermoeden dat de menselijke sociale natuur ambivalent is tussen enerzijds het gemeenschapspatroon en anderzijds het statuscompetitiepatroon. Zie Statushiërarchie en gemeenschap: de innerlijk tegenstrijdige ("flexibele") sociale menselijke natuur. En de evolutionaire achtergrond daarvan. Zoals in eerdere berichten van deze reeks uiteengezet (zie hier het vorige bericht), zou die ambivalentie wel eens een belangrijk ingrediënt kunnen zijn voor een maatschappelijk belangrijker vak sociologie.

Ik wees er al op dat je die ambivalente sociale natuur niet zult aantreffen in de inleidingen tot het vak sociologie, noch in de sociologie tijdschriften. En dat zulks er mee te maken heeft dat de sociologie zich altijd verre heeft gehouden van de evolutietheorie en dus van de gedachte dat er een menselijke sociale natuur bestaat waar je je in je vak iets van zou moeten aantrekken. Het vak heeft nog altijd te lijden van het Social Science Standard Model. zoals dat in 1994 zo fraai werd gekenschetst door Steven Pinker in zijn The Language Instinct. 

Dat ontbreken van een, empirisch gefundeerde, karakterisering van de menselijke sociale natuur maakt dat het vak sociologie er moeite mee heeft om expliciet uit te gaan van veronderstellingen over wat mensen willen en kunnen. Met als gevolg dat het vak tekort schiet in het formuleren van een te prefereren toestand (het gemeenschapsevenwicht). Boven die andere toestand, die van het statuscompetitie-evenwicht.

Ik bedacht me dat een en ander ook inhoudt dat de sociologische theorie daardoor een blinde vlek heeft voor de kwaadaardige kant van de menselijke natuur, zoals die tot uiting komt in het statuscompetitiegedrag. Zie nog eens De sociale verschijningsvormen van de statuscompetitie en de statushiërarchie om van die kwaadaardigheid een indruk te krijgen.

Want neem nu de differential association theory, die Edwin H. Sutherland voor en na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde (zie hier een fraai overzichtsartikel) en die in de sociologie nog steeds een belangrijke rol speelt.

Daarin gaat het over de verklaring van criminaliteit, dus over een categorie gedrag die niet door de sociologie zelf, maar door de wetgeving van een land wordt onderscheiden. Er is niet een sociologische theorie waarin een rol is weggelegd voor kwaadaardigheid.

Ik denk ook even aan dat lijvige boek Foundations of Social Theory van James S. Coleman. Als je dat van begin tot eind bestudeert, wat ik ooit gedaan heb, dan kom je nergens een analyse tegen van de kwaadaardige kanten van het menselijk gedrag.

Let wel, er zijn wel degelijk sociologen, of sociaal-psychologen, die zich met kwaadaardig gedrag hebben beziggehouden. Je denkt al gauw aan Philip Zimbardo van het Stanford Prison Experiment. (Lees Rutger Bregman daarover.) Maar ook aan Roy F. Baumeister (Evil: Inside Human Violence and Cruelty) en Ervin Staub (The Roots of Evil: The Origins of Genocide and Other Group Violence).

Maar het gaat erom dat de sociologische theorie zich niet uitlaat over een menselijke sociale natuur waar ook kwaadaardigheid deel van uitmaakt. Voor kwaadaardigheid heeft het vak een blinde vlek.

En dat gaat ten koste van de maatschappelijke belangrijkheid van het vak.

maandag 24 september 2012

Muziek, taal en coöperatief grootbrengen van kinderen

Er zijn nieuwe ontwikkelingen op het gebied van onze inzichten in hoe wij als baby's en kleuters taal en muziek leren. En daarmee in de evolutionaire oorsprong van taal en muziek.

In Music and early language acquisition maken Anthony Brandt, Molly Gebrian en L.Robert Slevc aannemelijk dat er in de vroege ontwikkeling van kinderen eerst muziek is en dat dan pas de taal zich ontwikkelt.

Waar begint alles mee? Met onze onbedwingbare neiging om tegen baby's te gaan praten. Maar we doen dat niet door "het woord te voeren", maar door een soort babytaaltje te spreken, wat Engelsen "motherese" (of "parenthese") noemen. Dat is een vereenvoudigd en repetitief soort taal, met overdreven intonatie en ritme. Niet alleen de eigen moeder praat zo met haar baby, maar ook de vader, familieleden en zelfs vreemden. Er is iets met het zien van een baby dat mensen er gemakkelijk toe brengt om "ta-ta-ta" en "waaristiedan? waaristiedan?" te gaan zeggen.

Te gaan zingen, had ik bijna opgeschreven en er is ook veel voor te zeggen om dit meer muziek dan taal te noemen. En wat baby's terug doen, of zelfs uit zichzelf al doen, is een soort brabbeltaal produceren die daar erg op lijkt en die ook veel met muziek gemeen heeft. Een citaat uit het artikel (mijn vertaling):
In het eerste levensjaar horen baby's taal als een voor hen bedoelde en vaak herhaalde vocale voorstelling. Ze luisteren er naar niet alleen vanwege de emotionele inhoud, maar ook voor de ritmische en fonemische (klank-)patronen. Zoals Newham zegt: "... terwijl het verbale kind later zulke geluiden organiseert naar de regels van het woordenboek, ordent de baby, die daarmee nog niet bekend is, ze naar een intuïtief, creatief en aangeboren gevoel voor toonhoogte, melodie en ritme op een manier die direct verwant is aan het componeren van muziek." (...) Als geluiden verbonden worden met betekenis, krijgt de verwijzende functie van taal steeds meer de aandacht van het kind, omdat het sociale belang daar van groot is. Echter, tijdens het eerste levensjaar overheerst een ander soort van luisteren. Muziek als een kunstvorm zou wel eens een manier kunnen zijn om deze heel vroege periode, toen de wereld als een concert op ons overkwam en toen zinnen nog slechts geluiden waren, te laten voortduren in ons volwassen leven.
Zie bijvoorbeeld deze YouTube video en bepaal of je wel of niet muziek hoort.Ik zou zeggen: muziek.
2 month old Baby Talking: Says I Love You! - YouTube:

'via Blog this'

Dit is een interessante gedachte, ook al omdat er redenen zijn om te denken dat muziek ook fylogenetisch, dus in de evolutie van de menselijke soort, aan taal is voorafgegaan. De gedachte is echter ook nieuw omdat tot nu toe, als ik het wel heb, sinds Chomsky, werd uitgegaan van een aangeboren taalmodule. Die zou er moeten zijn omdat anders niet zou kunnen worden verklaard hoe de ingewikkelde, hiërarchische, structuur van taal aangeleerd kan worden. Door het "hebben" van die module zouden kinderen dus eerst taal leren en zou het vermogen tot muziek zich later ontwikkelen. De auteurs verwijzen naar Steven Pinker, die in How the Mind Works (1997) muziek opvatte als een soort auditief gebakje zonder enig biologisch nut. Als nu zou blijken dat muziek nodig is om taal te kunnen leren, dan is dat inzicht daaraan wel volledig tegenovergesteld.

Toevallig is er recentelijk ook How hierarchical is language use? verschenen, waarin Stefan L. Frank, Rens Bod (van de Universiteit van Amsterdam) en Morten H. Christiansen betogen dat het met die ingewikkelde, hiërarchische structuur van taal eigenlijk heel erg meevalt. Ze laten zien dat je inderdaad een hiërarchische structuur aan onze taal kunt onderkennen. Zinsdelen zijn delen van een groter geheel van een zin of van zinsdelen die weer deel zijn van een groter geheel, enzovoort. Maar als je naar het gebruik van taal kijkt, dan kun je zinnen net zo goed, of beter, opvatten als opeenvolgingen van zinsdelen. En volgens de auteurs zijn er veel overwegingen om die sequentiële structuur als fundamenteler te beschouwen.

Als ze gelijk hebben, dan zou dat precies sporen met het inzicht dat muziek vooraf gaat aan de taal, zowel evolutionair (fylogenetisch) als in de individuele ontwikkeling (ontogenetisch). Muziek, een opeenvolging van klanken, zou dan de grondslag hebben gelegd en leggen voor het koppelen van klanken aan betekenissen. Waarmee een sequentiële structuur ontstaat, die zo complex kan worden, dat je er een hiërarchie in kunt aanwijzen.

Blijft nog de vraag waarom wij mensen als enige diersoort muziek en taal kennen. Dat moet er mee te maken  hebben gehad dat wij in onze Paleo Sociale Omgeving onze kinderen coöperatief groot brachten. En dat was nodig geworden door onze toegenomen onderlinge afhankelijkheid. Moeders waren niet langer in staat om het zorgen en groot brengen in hun eentje te doen. Zorg door anderen (allocare) was nodig. Dat betekende een selectie op het vermogen van baby's om niet alleen de eigen moeder, maar ook anderen te engageren. Dus door contact te maken. En in te spelen op het vermogen van volwassenen en oudere kinderen om brabbeltaal schattig te vinden en er op te reageren. Brabbeltaal zou dan als functie hebben om ook van anderen zorg los te krijgen dan van de eigen moeder. Vergelijk dat met de chimpansees, waar moeder en jong heel lang onafscheidelijk zijn en de jongen er het zwijgen toe doen. Andere verzorgers zijn niet nodig, dus waarom zou je ze proberen voor jou te engageren?

Daarmee komt overeen dat de klauwaapjes, die hun jongen ook coöperatief grootbrengen (zie nog eens dit bericht), ook een soort gebrabbel kennen waarmee hun jongen zorg uitlokken. Anders gezegd, de klauwaapjes maken muziek! Alleen is dat bij hen (nog) niet tot een taal geëvolueerd.

Zie hier een aardig filmpje over klauwaapjes: Common Marmosets are Highly Social - YouTube:

'via Blog this'

woensdag 4 januari 2012

Is de mensheid vreedzamer geworden? Vervolg

Zoals ik in dit bericht aankondigde, zou ik het boek The Better Angels of Our Nature. Why Violence Has Declined van Steven Pinker doorbladeren als het in de boekhandel zou liggen. Pinker verdedigt in dat boek zijn stelling dat het geweld in de loop van de mensheidsgeschiedenis alleen maar is afgenomen. Er is volgens hem nu minder geweld dan in de agrarische maatschappijen van voor de Industriële Revolutie.

Daar vind ik wel wat in zitten. Maar volgens Pinker was er in die agrarische maatschappijen weer minder geweld dan in de jagers-verzamelaars maatschappijen die daaraan vooraf gingen. En dat lijkt mij heel onwaarschijnlijk, zoals ik in dat vorige bericht uiteenzette. Dat maakte me wat wantrouwend over dat boek (terwijl ik eerdere boeken van Pinker heel goed vond). Dat wantrouwen werd versterkt door de bespreking van Timothy Snyder (zie onderaan het vorige bericht).

Hoe dan ook, ik was vandaag in Atheneum Boekhandel aan het Spui in Amsterdam en heb daar het boek doorgebladerd, ook de Nederlandse vertaling, die wel heel snel gemaakt is. Dat was een heel karwei, dat doorbladeren bedoel ik, want het is een dik boek. Het moedigde mij niet aan om het te kopen, hoewel er heel interessante passages in voorkomen.

Wat me echter meteen opviel toen ik de lijst met geraadpleegde literatuur doorkeek, was dat de drie naar mijn opinie onmisbare boeken als je je over de mate van geweld of vreedzaamheid van jagers-verzamelaars maatschappijen wilt informeren, in die lijst niet voorkomen.

Ik noemde die boeken in mijn vorige bericht. Ter herinnering: het gaat om Hierarchy in the Forest van Christopher Boehm, Beyond War. The Human Potential For Peace van Douglas P. Fry en Mothers and Others. The Evolutionary Origins of Human Understanding Van Sarah Blaffer Hrdy.

Ik vind dat heel vreemd. Het bevestigt de indruk van Timothy Snyder dat Pinker weliswaar uitbundig onderzoek van anderen citeert, maar meer als voetnoten bij zijn eigen al vaststaande oordelen dan als een kritische toetsing van die oordelen.

donderdag 29 december 2011

Is de mensheid vreedzamer geworden? Steven Pinker

Timothy Snyder bespreekt het nieuwe boek van Steven Pinker, getiteld The Better Angels of Our Nature. Why Violence Has Declined. Zie het bericht hieronder.

Ik was enthousiast over Pinkers eerste boek, The Language Instinct (1994). Prachtig boek, alleen al om de beschrijving en weerlegging van het Social Science Standard Model, dat zo heeft huisgehouden in de sociale wetenschappen en dat het bestaan van een menselijke natuur als "biologisch" afwees. Later werkte hij die kritiek uit in The Blank Slate (2002), dat ik ook met veel plezier las. Daartussen in schreef hij How The Mind Works (1997), waar ik niet doorheen kwam.

Nu is er dus dit nieuwe boek. Hij verdedigt daar de stelling dat het geweld in de loop van de mensheidsgeschiedenis alleen maar is afgenomen. Volgens deze bespreking van Snyder zijn er volgens Pinker twee fundamentele overgangen geweest:
from the anarchy of hunting and gathering societies to the controlled violence of early states and then from a "culture of honor" associated with these states to a "culture of dignity" characteristic of the better moments of modernity.
Die tweede transitie kan goed kloppen. Agrarische maatschappijen waren sterk als statushiërarchieën georganiseerd en om die tot stand te brengen en in stand te houden was veel geweld en onderdrukking nodig. Met de industrialisering nam de onderhandelingsmacht van de factor arbeid toe, waardoor de ongelijkheid afnam. Als onderdeel daarvan kregen we algemeen kiesrecht en democratie. En democratie is een middel om conflicten anders op te lossen dan door gebruik van geweld. (Of de democratie levensvatbaar blijft, vroeg ik me hier af.)

Maar dat Pinker gelooft dat jagers-verzamelaarsmaatschappijen nog gewelddadiger waren dan agrarische maatschappijen is verbazingwekkend. Er zijn veel aanwijzingen dat jagers-verzamelaars goed in staat waren om de menselijke neiging tot statuscompetitie collectief te onderdrukken. Daardoor konden ze gemeenschappen vormen op basis van onderlinge samenwerking en coöperatief grootbrengen van de kinderen. Er kwam wel geweld voor, maar vooral gericht tegen degenen die anderen wilden overheersen en vooral op hun eigen belang uit waren. En dat geweld werd pas dan gebruikt als mildere, sociale sancties (uitsluiting, negéren, ridiculisering) niet hielpen.

Tussen gemeenschappen konden conflicten bestaan, maar die leiden zelden tot "oorlogen". Want in plaats van een conflict uit te vechten, wat in de natuur so wie so weinig gebeurt, kon je altijd met je medestanders vertrekken en ergens anders je geluk zoeken. En dat gebeurde ook op grote schaal, want het is al in dit jagers-verzamelaars tijdperk geweest dat onze verre voorouders zich over de hele aardbol verspreidden. Vanuit waarschijnlijk Oostelijk Afrika via Eurazië naar Australië en het Amerikaanse continent. Dat grote succes van die coöperatieve leefwijze is moeilijk te rijmen met de gedachte dat dit de meest gewelddadige periode was in de mensheidsgeschiedenis.

Goede bronnen voor dit inzicht zijn het werk van Christopher Boehm (Hierarchy in the Forest. The Evolution of Egalitarian Behavior), van Douglas P. Fry (Beyond War. The Human Potential For Peace) en van Sarah Blaffer Hrdy, die ik al eerder noemde (o.a. Mothers and Others. The Evolutionary Origins of Mutual Understanding).

Hoe komt Pinker dan tot zijn stelling? Ik zou het boek moeten lezen, maar de tijd is beperkt. Ik ga nu even af op Snyder:
Pinker's first target is the tendency to romanticize the distant past. Since he believes that people fantasize about a peaceful prehistory, he deliberately over­emphasizes its violence, dwelling at length on the bloodiest passages of the Old Testament. His cheerful admission of this writerly tactic presages not only the friendly tone of the entire book but also one of its shortcomings. Although Pinker writes as a scientist, his approach in this book is discursive rather than deductive, charmingly but not quite persuasively advancing his ex cathedra views about life in general. The research of others, although abundantly and generously cited, too often seems to footnote Pinker's own prior assumptions.
Dat wekt geen vertrouwen. Lees ook wat Snyder later in zijn bespreking zegt over hoe Pinker omgaat met het probleem van de twee wereldoorlogen in de twintigste eeuw. Eerst zegt hij dat het "bad luck" was om twee van zulke conflicten vlak na elkaar te hebben. Dat komt niet sterk over. En hij claimt dat één individu, Adolf Hitler, toch vooral verantwoordelijk was. Als die er niet geweest was, ja, dan was de twintigste eeuw veel minder gewelddadig geweest. Tja, dat is wel een heel onwaarschijnlijke claim. Zie hierover ook mijn laatste bericht over de statushiërarchie van het Hitler-bewind.

Ik ben dus wat wantrouwend over Pinkers nieuwe boek. Als het in de boekhandel ligt, ga ik er eens door heen bladeren.
War No More | Foreign Affairs:

'via Blog this'