Posts tonen met het label autisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label autisme. Alle posts tonen

vrijdag 1 april 2022

Het voordeel van taal en bewustzijn is er alleen als het vermogen tot systematiseren samen gaat met aandacht voor details - En over autisme en grote wetenschappers

Deze reeks berichten, hier het vorige bericht, begon met de vraag wat het betekent om geen zelfbewustzijn en taal te hebben, maar wel geheugen. Om inzicht te krijgen in wat het betekent om, als mensen, naast dat geheugen ook taal en zelfbewustzijn te hebben, leek het goed om eerst zo goed mogelijk te begrijpen wat de afwezigheid daarvan betekent. 

Zo makkelijk is dat laatste niet, want als wij mensen iets willen "begrijpen",  gebruiken we welhaast onvermijdelijk (zelf-)bewustzijn en taal. Iets gaan begrijpen is immers het tot dan onbekende en vreemde herkennen als een geval van een al bestaand en bekend inzicht. In termen van David Bohm: het onbekende, onverwachte onderbrengen bij een of meer bestaande vooronderstellingen over hoe de wereld in elkaar zit. Vooronderstellingen die in de vorm van taal zijn vervat en een filter vormen waarmee we naar de wereld kijken. 

En vanwege de sterke samenhang tussen taal en zelfbewustzijn, is het moeilijk, misschien wel onmogelijk, om je voor te stellen (te begrijpen) hoe het is om wel, zoals alle leven, een geheugen te hebben, maar geen zelfbewustzijn en taal. Zie (nog eens) Hoe nemen mensen de werkelijkheid waar? Over het filter van vooronderstellingen, taal, zelfbewustzijn en geheugen. 

Het zou vereisen dat we ontsnappen aan dat filter van vooronderstellingen en, ja, hoe?, "maagdelijk" naar de wereld kijken. Zoals wezens zonder taal en bewustzijn, dus dieren, kijken. Denk terug aan Temple Grandin, die betoogt dat haar autisme het mogelijk maakt om niet geabstraheerd, maar gedetailleerd, waar te nemen en zo dieren beter te begrijpen. Zie Over vooronderstellingen, waarneming, autisme en bewustzijn - En over Temple Grandin.  Door dat filter hebben wij maar beperkt oog voor details.

Dat alles roept natuurlijk de vraag op wat het voordeel is, als het een voordeel is, om bewustzijn en taal te hebben. Een te grote vraag om nu even tussendoor te beantwoorden. Maar voor de hand liggend is dat we er door in staat gesteld werden om wetenschap te bedrijven. Om, al abstraherend, regelmatigheden en patronen in de waargenomen wereld te ontdekken. Om onze kennis te vergroten. Waar je echter meteen aan moet toevoegen dat wetenschap alleen dan voortschrijdt als er ook oog is voor details, dus voor gevallen en waarnemingen die juist met die regelmatigheden en patronen (theorieën, wetten) in strijd zijn. Want alleen daardoor komen we tot betere, diepere, inzichten. 

Kortom, dat voordeel is er alleen als dat vermogen tot veralgemenisering samen gaat met de aandacht voor de bijzondere gevallen, voor de details waaraan die algemeenheden worden getoetst. Juist de combinatie van die twee is wetenschap. 

En dat brengt je zomaar op het idee dat het geen toeval is dat de grote wetenschappers, de onderzoekers die doorbraken in de menselijke kennis teweeg hebben gebracht, ook een autistisch trekje gehad moeten hebben. Neem nu de drie grootste wetenschappers die je dan meteen te binnen schieten: Newton, Darwin en Einstein. Van alle drie wordt met goede redenen vermoed dat ze trekken van Asperger hadden. Zie Einstein and Newton showed signs of autism en Darwin ‘had Asperger’s Syndrome’. 

En in de studie Talent in autism: hyper-systemizing, hyper-attention to detail and sensory hypersensitivity betogen Simon Baron-Cohen e.a. dat de groep van zeer getalenteerde autisten juist wordt gekenmerkt door de combinatie van sterke neiging tot systematiseren en uitzonderlijk oog voor detail.

In het volgende bericht terug naar het mysterie van het geheugen. Want alles begon met geheugen.

dinsdag 11 januari 2022

Over vooronderstellingen, waarneming, autisme en bewustzijn - En over Temple Grandin

In David Bohms pleidooi om meer in dialoogvorm met elkaar te communiceren dan in debatvorm vallen twee inzichten te onderkennen. Zie hier het vorige bericht. Het inzicht van de vooronderstellingen en het inzicht van verschillen in vooronderstellingen tussen mensen.

Het eerste inzicht is dat aan al onze meningen en oordelen vooronderstellingen ten grondslag liggen. Vooronderstellingen over hoe de wereld in elkaar zit, die resulteren uit de ervaringen die we in het verleden hebben opgedaan. Die ervaringen zijn opgeslagen in ons geheugen. Daarbij speelt op een of andere manier een rol dat wij taal beheersen. Daardoor kunnen die opgeslagen ervaringen de vorm van taalconstructies aannemen en dus van abstracties. De werkelijkheid wordt er niet in gepresenteerd, maar gerepresenteerd. Er is iets mee gebeurd, er is geselecteerd, ingedeeld, geordend, kortweg geabstraheerd.

Daardoor kijken we anders naar de wereld. Globaler, met minder aandacht voor details. 

Hier ligt een uitweiding voor de hand die je bij Bohm niet tegenkomt. Temple Grandin beschrijft dat haar autisme maakt dat ze met veel meer oog voor details naar de wereld kijkt dan niet-autisten doen. En dat ze daardoor zo goed in staat is om zich te verplaatsen in hoe dieren de wereld waarnemen. Citerend uit Animals in Translation. The woman who thinks like a cow, dat ze samen met Catherine Johnson schreef:

Unfortunately, when it comes to dealing with animals, all normal human beings are too abstractified, even the people who are hands-on. That's because people aren't just abstract in their thinking, they're abstract in their seeing and hearing. Normal human beings are abstractified in their sensory perceptions as well as their thoughts. (p. 30)

When an animal or an autistic person is seeing the real world instead of his idea of the world that means he's seeing detail. This is the single most important thing to know about the way animals perceive the world: animals see details people don't see. They are totally detail-oriented. That's the key.

It took me almost thirty years to figure this out. During all that time I kept a growing list of small details that could spook an animal without realizing that "seeing in details" was a core difference between animals and people. (p. 31)

Verderop in het boek lees je een interessante passage over de samenhang tussen globaal waarnemen en bewustzijn:

My other reason for thinking everyone has the potential for extreme perception (detailwaarneming) is the fact that animals have extreme perception, and people have animal brains. People use their animal brains all day long, but the difference is that people aren't conscious of what's in them. (...) A lot of what animals see normal people see, too, but normal people don't know they're seeing it. Instead, a normal person's brain uses the detailed raw data of the world to form a generalized concept or schema, and that's what reaches consciousness. Fifty shades of brown turn into just one unified color: brown. That's why normal people see only what they expect to see - because they can't consciously experience the raw data, only the schema their brains create out of the raw data.

Normal people see and hear schemas, not raw sensory data. (p. 65)

(Met dank aan Liesbeth Sterck, die mij het boek van Temple Grandin op 3 juni 2010, toen ik, op mijn verjaardag, afscheid nam van de Rijksuniversiteit Groningen, cadeau deed.)

Daarmee zijn we geattendeerd op de samenhang tussen dat eerste inzicht, dat van het altijd met vooronderstellingen kijken naar de wereld, en het "hebben" van bewustzijn. Dat verband komen we ook nog tegen bij David Bohm. En, zoals dan zal blijken, bij Jospeh LeDoux in zijn The Deep History of Ourselves. The four-billion-year story of how we got conscious brains, dat ik al aankondigde in Over body-mind therapieën als individuele oplossingen voor individuele problemen - En over een collectieve oplossing.

Wordt vervolgd.

zondag 5 februari 2017

Zondagochtendmuziek - Seiji Ozawa en Haruki Murakami over Glenn Gould die Beethoven speelt

Bij een Beethoven-pianist denk je niet in de eerste plaats aan Glenn Gould.

Maar toch is het interessant om de opname van het Derde Pianoconcert met Leonard Bernstein en het Columbia Symphony Orchestra uit 1960 eens te beluisteren.

Precies dat doen de Japanse schrijver Haruki Murakami en de dirigent Seiji Ozawa tijdens een van hun gesprekken die zijn opgetekend in Haruki Murakami's Absolutely on Music. Conversations with Seiji Ozawa. Het mooie is dat je op de website van Murakami middels een Spotify-lijst de muziek kunt beluisteren die de beide heren bespreken.

De klank van de uitvoering van dat Derde Pianoconcert door Gould en Bernstein doet wel erg ouderwets aan. Niet om lang naar te luisteren. Maar wat Gould doet is wel boeiend. Murakami vraagt aan Ozawa:
His interpretation here is absolutely free, isn't it?
Waarop Ozawa antwoordt:
Pure genius. Utterly convincing. But it's very different from the score. Still it doesn't sound at all strange.
En bij een passage in het tweede deel:
Now that - where he took that pause - that's absolutely Glenn at his freeest. It's the hallmark of his style, those perfectly timed spaces. (...) Now, we're completely in Glenn Gould's world. He's totally in charge now. In Japan we talk about ma in Asian music - the importance of those pauses or empty spaces - but it's there in Western music, too. You get a musician like Glenn Gould, and he's doing exactly the same thing. Not everybody can do it - certainly no ordinary musician. But somebody like him does it all the time.
Dat Glenn Gould autistische trekken had, zal er aan bijgedragen hebben dat hij zo een geniale en eigenzinnige uitvoerder was. Hij is wel hét voorbeeld van een uitvoerder die de componist eer aandoet door zijn werk creatief te benaderen. Niet iedere musicus hoeft natuurlijk zo creatief te zijn, maar dat ze bestaan, is wel erg prettig.

Ik bladerde nog even door Gould's verzamelde opstellen: Glenn Gould. Over muziek (Bosch & Keuning, 1990), geredigeerd door Tim Page, die ook een mooi voorwoord schreef. Daaruit:
Hij werkte het liefst in eenzaamheid, leefde het leven van een monnik en hield nagenoeg uitsluitend via de telefoon contact met de buitenwereld. (...) Gould vond persoonlijke ontmoetingen in de regel overbodig en beschouwde ze als ongewenst stoornissen; hij beweerde dat hij het wezenlijke van iemands persoonlijkheid beter via de telefoon kon begrijpen. Hij had enkele vrienden die hij nooit ontmoette en met wie hij uitsluitend telefonisch contact onderhield.
En hier is een prachtig interview met Tim Page, die heel boeiend vertelt over zijn eigen autisme, dat van zijn vriend Glenn Gould en over hun vriendschap: Tim Page: ‘Glenn Gould had a lot of autism’.

En nu we het er toch over hebben, hier meer over de evolutionaire achtergrond van het bestaan van autisme: Een evolutionaire verklaring voor het bestaan van autisme (Asperger).

donderdag 17 november 2016

Een evolutionaire verklaring voor het bestaan van autisme (Asperger)

Dat wij mensen zo fundamenteel sociaal zijn, met een groot empathisch vermogen en met het vermogen tot gedeelde intentionaliteit, is het resultaat van een selectieproces dat in het verleden heeft plaatsgevonden.

In de Paleo Sociale Omgeving hing ons overleven er van af of we wel genoeg samenwerkten en deelden. Dat we overleefden en zelfs zo succesvol dat we ons over de aardbol konden verspreiden, lag er aan dat die sociale vermogens tot gemeenschapsgedrag evolutionair versterkt werden en onze neigingen tot statuscompetitie en tot het vormen van een statushiërarchie verzwakt.

Diezelfde sociale vermogens hielpen om het altijd op de loer liggende statuscompetitiegedrag collectief te onderdrukken. Iemand die toch nog de baas wilde spelen of egoïstisch was, kreeg van de anderen op zijn kop.

Deze bekende inzichten vinden een verdere uitwerking in de nieuwe studie Are there alternative adaptive strategies to human pro-sociality? The role of collaborative morality in the emergence of personality variation and autistic traits.

Want de noodzaak van dat samenwerken en delen in groepsverband hield meer in dan dat iedereen in een-op-een interacties voldoende pro-sociaal was. Ook in de evolutionair oudere statushiërarchieën (het alfa-mannetjes model) bestonden er al de een-op-een allianties. Maar in de menselijke jagers-verzamelaarsgroepen ging het om meer dan dat. Het ging er om de groep in stand te houden en daarvoor was nodig dat iedereen voldoende aan zijn trekken kwam, dat iedereen naar vermogen bijdroeg en dat er rechtvaardig werd verdeeld. Een ingewikkeld groepsproces dus, waarin normen ontwikkeld en onder woorden gebracht werden en waarin op naleving daarvan gelet werd.

En waarin het er dus ook om ging wat iedereen kon bijdragen aan het groepswelzijn en om het belang van die verschillende bijdragen goed te kunnen onderkennen. Het verschil met de toestand van een-op-een allianties maken de auteurs in dit plaatje duidelijk.


In de rechter afbeelding zie je een groepsgebeuren, waarin een samenwerkingsmoraal heerst. En die houdt ook in dat sociaal kwetsbare leden van de groep, die zich waarschijnlijk in een structuur van een-op-een allianties niet zouden kunnen handhaven, bescherming genieten omdat ze wel een bijdrage aan de groep leveren.

Anders gezegd, er kan daardoor een selectie plaatsvinden op een breder repertoire aan sociale vermogens. Er ontstaat een speelveld waarin ook sociale vaardigheden op het groepsniveau, naast die op het een-op-een niveau belangrijk worden en dus gewaardeerd worden. Er is ruimte voor een differentiatie in de vaardigheden en vermogens waarop geselecteerd wordt.

Daarmee komen we op het terrein van de evolutionaire verklaring voor het bestaan van de diversiteit van persoonlijkheidseigenschappen. Denk bijvoorbeeld aan de variatie in creativiteit. Het kan zijn dat een hoge mate van creativiteit voor de overleving van de groep heel belangrijk was, ook als die misschien samenging met eigenschappen die iemand sociaal kwetsbaar maakten. Te denken valt aan eigenschappen die we nu tot de psychische stoornissen rekenen, zoals schizotypie, bipolariteit en obsessiviteit.

Maar in dat artikel werken de auteurs deze gedachtegang in het bijzonder uit voor autisme, maar dan de variant van autisme zonder intellectuele beperkingen (Asperger). En die uitwerking is uiterst fascinerend, Kortheidshalve neem ik hieronder het plaatje over waarin ze een overzicht geven van de bijzondere perceptuele, analytische en sociale vaardigheden die met autisme samenhangen.


Waarna de auteurs er vervolgens uitvoerig op ingaan hoe zulke vaardigheden van groot belang geweest moeten zijn voor het functioneren van die jagers-verzamelaarsgroepen, voor het verwerven en cumuleren van kennis over de natuurlijke omgeving en over de interne sociale mechanismen. In zekere zin was dat domein van de samenwerkingsmoraal precies het ideale speelveld voor de intelligente autist. (Nu geen tijd om daar verder over uit te weiden, maar ik neem me voor om er nog een keer op terug te komen.)

Waardoor autisten waarschijnlijk cruciale bijdragen leverden, die ook door de andere leden van de groep konden worden onderkend. En waardoor de (vele) genen die met autisme samenhangen succesvol aan volgende generaties werden doorgegeven. Kortom, een interessante evolutionaire verklaring voor het bestaan van autisme.

woensdag 20 februari 2013

Meer aanwijzingen voor negatieve gevolgen van televisiekijken op jonge leeftijd

Ik ben nog van de generaties die meemaakten dat het eerste televisietoestel het huis werd binnengedragen. Sterker: ik was al het huis uit toen mijn ouders een toestel aanschaften. En op mijn studentenkamer had ik alleen een radio.

Kortom, de televisie is er ongeveer een halve eeuw. Voor opgroeiende kinderen is de aanwezigheid van televisie de gewoonste zaak van de wereld. Wat maakt het voor kinderen uit dat er een toestel in huis is? Eerder maakte ik er melding van dat er serieuze aanwijzingen zijn dat de verspreiding van televisie heeft bijgedragen aan de toename van autisme. Onderzoekers keken naar leeftijdscohorten in provincies van Californië en Pennsylvania die drie jaar of jonger waren toen de kabeltelevisie werd geïntroduceerd. Dat laatste gebeurde in verschillende provincies op verschillende tijdstippen. Na veel statistische bewerkingen en controles komen ze tot de conclusie dat de introductie van kabeltelevisie inderdaad heeft bijgedragen tot de toename van autisme diagnoses. Ze berekenen dat 18 procent van de toename van autisme kan worden toegeschreven aan de toename van kabeltelevisieprogramma's voor kinderen.

Waarschijnlijk heeft de introductie van het televisiekijken op jonge leeftijd de kans op autisme vergroot bij kinderen die al meer dan gemiddeld aanleg voor autisme hadden (gen-omgevingsinteractie). En dat zou er aan kunnen liggen dat het meer televisiekijken in de plaats komt van sociale interactie. Voor de ontwikkeling van hun sociale vaardigheden hebben kinderen een intensief "bad in de sociale wereld" nodig. Dat hebben ze tegenwoordig so wie so al minder dan in tijden dat gezinnen minder sociaal geïsoleerd waren en kinderen meer leeftijdsgemengd opgroeiden. Maar als kinderen dan bovendien nog veel tijd doorbrengen voor het scherm, dan wordt dat bad wel een heel klein teiltje. Nu is er wel veel sociale inhoud op de televisie (je ziet vooral pratende hoofden), maar dat kan natuurlijk geen vervanging zijn voor echte sociale interactie waaraan een kind actief deelneemt en daartoe voortdurend wordt uitgenodigd.

Er is nu nieuw onderzoek (pdf) dat wijst op andere negatieve effecten van op jonge leeftijd veel televisiekijken. Onderzoekers in Nieuw-Zeeland volgden ruim 1000 kinderen die in 1972-1973 waren geboren tot dat ze 26 jaar waren. Het blijkt dan dat kinderen die tussen hun vijfde en hun vijftiende levensjaar meer televisie hadden gekeken een grotere kans hadden om op jongvolwassen leeftijd veroordeeld te zijn voor (gewelds)criminaliteit, om een diagnose te hebben gekregen voor antisociale persoonlijkheidsstoornis en om agressieve persoonlijkheidstrekken te hebben. Daarbij werd gecontroleerd voor o.a. intelligentie, sociaal-economische status, ouderlijk toezicht en antisociaal gedrag op jongere leeftijd. Dat laatste is er een aanwijzing voor dat het televisiekijken ook inderdaad een oorzakelijk verband heeft met die problemen op jongvolwassen leeftijd.

Ook hier kan hebben meegespeeld dat het televisiekijken ten koste ging van de leerschool van de echte sociale interactie. Maar het kan daarnaast ook nog zo zijn dat kinderen op televisie meer antisociaal en agressief gedrag te zien kregen dan dat ze hadden meegemaakt als ze gewoon buiten hadden gespeeld.

Overigens heeft veel televisiekijken ook op volwassen leeftijd negatieve gevolgen. Zie mijn berichten over televisiekijken.

maandag 2 april 2012

Vergroot televisiekijken op jonge leeftijd de kans op autisme? Vandaag Wereld Autisme Dag

Wat kan de oorzaak zijn van de sterke toename van het aantal autisme diagnoses bij kinderen en volwassenen? Aanleiding tot deze vraag is dat het vandaag World Autism Awareness Day is. In Nederland is deze dag zelfs uitgebreid tot een Autismeweek. Ingrid Robeyns wijdt er op Crooked Timber een aantal blogberichten aan. In dit bericht wijst ze op de vooral in Nederland heersende neiging om te vinden dat die toename in diagnoses niet een aanwijzing is voor een echte toename van autisme stoornissen. Er zou "alleen maar" meer vraag naar diagnoses zijn omdat ouders en andere volwassenen steeds minder tolerant zijn voor afwijkend en lastig gedrag. En omdat het etiket autisme nodig is voor medicatie en voor ondersteuning. Bovendien wil de farmaceutische industrie graag die medicijnen verkopen.

Die verklaringen voor de toename van autisme (en AD(H)D) diagnoses kunnen wat mij betreft best kloppen. Sterker, ik denk dat ze kloppen. Maar ze sluiten helemaal niet uit dat er daarnaast ook nog een echte toename van autisme heeft plaats gevonden. Een interessante onderzoekslijn vind ik die waarin een verband wordt gelegd met de toename van televisiekijken door kinderen. Want het is opvallend dat de periode van de introductie en verspreiding van de televisie ongeveer samenvalt met de toename van autisme diagnoses.

Een behoorlijk overtuigende studie naar dit verband vind ik dit onderzoek van Waldman, Nicholson en Adilov. (De versie waar ik naar link is recent en zit voor degenen zonder een abonnement achter een poort. Maar eerdere versies zijn op internet te vinden.) De auteurs kijken naar de introductie en verspreiding van kabeltelevisie abonnementen tussen 1972 en 1992 in provincies van Californië en Pennsylvania en gaan na of er een verband is met de groei van de autisme in die provincies. Specifiek kijken ze naar leeftijdscohorten die drie jaar of jonger waren toen de kabeltelevisie werd geïntroduceerd. Na veel statistische bewerkingen en controles komen ze tot de conclusie dat de introductie van kabeltelevisie inderdaad heeft bijgedragen tot de toename van autisme diagnoses. Ze berekenen dat 18 procent van de toename van autisme kan worden toegeschreven aan de toename van kabeltelevisieprogramma's voor kinderen.

De vraag blijft natuurlijk wat er precies gebeurt met kinderen die in hun eerste drie levensjaren veel naar televisie kijken. Waarschijnlijk lijkt dat er een gen-omgevingsinteractie plaats vindt. In de zin dat het televisiekijken de kans op autisme vergroot voor die kinderen die al een genetische aanleg in die richting hebben. Maar hoe dat dan precies werkt?

Het zou kunnen zijn dat het veel televisiekijken ten koste gaat van de tijdsbesteding aan sociale interactie met anderen. En dat "bad" in die sociale wereld, dat ook prikkelt en uitdaagt tot actieve deelname aan die wereld, lijkt noodzakelijk voor een gunstige sociale en morele ontwikkeling. Het lijkt plausibel dat kinderen die op die jonge leeftijd veel televisiekijken minder tijd in dat sociale bad doorbrengen. In plaats daarvan gaan ze wel op in al die sociale gebeurtenissen die zich op dat scherm afspelen. Maar dat doen ze noodzakelijkerwijs puur eenzijdig: ze zijn toeschouwer. Misschien heeft ook die overmaat aan toeschouwen op die jonge leeftijd iets te maken met de ontwikkeling van autisme verschijnselen.

Tenslotte: jaren geleden las ik een eerste versie van dit onderzoek. De onderzoekers waren er toen, vraag niet hoe, achter gekomen dat het aantal autisme diagnoses samenhing met hoeveel neerslag er was gevallen in de eerste levensjaren. Ze gingen er toen aan denken dat het te weinig buiten spelen misschien iets met het ontstaan van autisme te maken had. Tot ze er over gingen nadenken wat die kinderen dan wel zouden doen als ze niet buiten speelden. Ja, televisiekijken.