Posts tonen met het label Robert H. Frank. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Robert H. Frank. Alle posts tonen

dinsdag 3 oktober 2017

Ongelijkheid, bestedingscascades, schulden, de Grote Crisis en verstandige linkse regeringen

Inkomensongelijkheid wakkert de vraag naar positionele goederen aan. Met de aanschaf van een positioneel goed  (of statusgoed) laat je zien welke positie je inneemt in de statushiërarchie. Dat betekent dat statusgoederen schaars zijn en voor de meesten te duur.

De rijkaards aan de top kunnen zich een duur huis op een dure locatie veroorloven. Voor de iets minder rijken wordt daardoor een duur huis op een dure locatie aantrekkelijk om ook aan te schaffen. Ze zullen daar iets minder goed in slagen, maar lokken daardoor wel hetzelfde gedrag uit bij de nog iets minder rijken. En zo gaat dat door tot in de lagere regionen van de inkomenspiramide.

Zulke "bestedingscascades" vormen een mechanisme dat uitlokt tot geld lenen. Zoals in de vorm van hypotheken, studieleningen en consumptief krediet. De banken en andere kredietverschaffers komen daar natuurlijk graag aan tegemoet. Sterker, ze worden erdoor geprikkeld om bij de politiek deregulering van hun sector te bepleiten. Zodat ze meer hun gang kunnen gaan.

Daarmee kom je dus op de gedachte dat de toename van inkomensongelijkheid heeft bijgedragen tot de toename van de private schulden en uiteindelijk tot de kwetsbaarheid van het financiële systeem en het uitbreken van de Grote Financiële Crisis van 2008-2010.

Dat fenomeen van ongelijkheid die uitlokt tot een "positionele competitie" (of statuscompetitie door middel van consumptie) is al langer geleden beschreven door Fred Hirsch (Social Limits to Growth, 1977) en door Robert Frank (Choosing the Right Pond: Human Behavior and the Quest forStatus, 1985).

Het verbaast niet dat hun werk opnieuw in de belangstelling komt te staan. Zo is er nu de studie Taking Credit: Redistribution and Borrowing in an Age of Economic Polarization van John S. Ahlquist en Ben W. Ansell.

Zij analyseren de data van 18 OECD-landen over de periode 1980-2010. En komen na veel rekenwerk tot een duidelijke conclusie. Het samengaan van toegenomen inkomensongelijkheid en het optreden van de Grote Crisis was geen toeval. En de tussenliggende factor was de door die ongelijkheid uitgelokte toename van private schulden.

Maar wat vinden ze ook? Dat geldt niet voor alle landen in gelijke mate. Landen waarin gedurende langere perioden linkse partijen in de regering zaten, bleken in staat om door herverdelingsbeleid (via belastingen en andere regelingen) dit noodlottige mechanisme te voorkomen. In hun woorden:
rising income inequality and the global financial crisis were perhaps the two biggest economic stories of the first decade of the twenty-first century. We argue that their joint emergence was not a coincidence, but neither was it inevitable. In fact, greater levels of borrowing appear closely related to changes in income inequality, but only in those countries where left-wing government is less frequent. We interpret this finding as reflecting long-run, systematic, and partisan differences in redistributive efforts. Redistribution, in turn, dampens the positional consumption incentives produced by stagnant real wages at the middle and bottom of the income distribution, and by rising incomes at the top. Thus, in countries with histories of left-wing government and substantial redistribution, rising inequality failed to produce an associated surge in borrowing. In countries where both left-wing government and redistribution were less prevalent, inequality and credit rose together.
Dat linkse beleid van herverdeling was dus buitengewoon verstandig. Merkwaardig toch dat mensen na de Grote Crisis zo massaal op rechtse partijen zijn gaan stemmen.

dinsdag 21 juni 2016

Is het basisinkomen betaalbaar?

Om maar met de deur in huis te vallen: ik zou het niet weten. Als je "basisinkomen betaalbaar?" en "basisinkomen onbetaalbaar?" googelt, dan ben je binnen een paar minuten geheel ontregeld.

Dat ligt er deels aan dat er allerlei verschillende varianten van het basisinkomen de ronde doen, met bovendien allerlei verschillende voorstellen voor bijkomende maatregelen. Zo is er de vraag of je alle bestaande uitkeringen en sociale voorzieningen kunt afschaffen of niet. (Mij lijkt van niet.)

Maar daar komt bij dat we vooralsnog maar beperkt zicht hebben op welke effecten invoering van een basisinkomen zal hebben. En op hoe groot die effecten zullen zijn.

Zal het arbeidsaanbod er door afnemen? En heeft dat niet alleen negatieve effecten op de economie, maar ook positieve? Als je bedenkt dat werkenden gelukkiger zijn dan werklozen, maar dat betaald werk als bezigheid tot de minst gewaardeerde tijdsbestedingen behoort en dat de kosten van werkstress en burn-out hoog zijn, dan staat nog te bezien wat het saldo van kosten en baten is.

Denk in dat verband ook aan het pleidooi van Rutger Bregman: De oplossing voor bijna alles: minder werken. Onze keuzes voor betaald werken worden mede beïnvloed door de motieven van de statuscompetitie waarin we met elkaar verzeild raken en dat maakt dat die keuzes niet optimaal hoeven uit te vallen. Uitwerkingen van die gedachte vind je bij Robert H. Frank ( The Winner-Take-All Society en Luxury Fever: Money and Happiness in an Era of Excess).

En wat zal de waarde zijn van het onbetaalde werk dat mensen gaan doen als ze minder betaald gaan werken? Misschien gaan ze zich bijscholen. misschien besteden ze meer tijd aan sociale contacten, aan het uitbreiden van hun sociale kring en worden ze actiever in hun buurt. Dat zou goed zijn voor onze gezondheid en voor het opgroeien van kinderen. En het zou een bijdrage kunnen zijn aan het tegengaan van eenzaamheid. Wat natuurlijk weer economische voordelen heeft. Denk aan de kosten van de gezondheidszorg, de jeugdzorg en de kosten in het kader van de Participatiewet en de WMO.

Maar het invoeren van een basisinkomen zal naar verwachting ook de machtspositie van werknemers op de arbeidsmarkt vergroten. Dat lijkt hoognodig, nu het aandeel van de arbeid in het nationale inkomen al decennia lang gedaald is en daarmee samenhangend de macht van de vakbonden zo is afgenomen. Je mag verwachten dat werkgevers er door geprikkeld worden om de kwaliteit van het werk te verhogen. Wat de overheidsbemoeienis met arbeidsomstandigheden kan terugdringen. En betere arbeidsomstandigheden zouden op hun beurt juist weer kunnen leiden tot een verhoging van het arbeidsaanbod.

Kortom, welke effecten zullen optreden, hoe sterk die effecten zullen zijn en hoe ze met elkaar samenhangen of tegen elkaar in werken, we weten daar nog weinig van.

Wat dat praktisch en beleidsmatig en op korte termijn betekent? Ik kwam al zoekende ook het betoog Basisinkomen, basisbaan ofgewoon armoede bestrijden? van Paul de Beer tegen. Het lijkt me wel een verstandig pleidooi voor een aantal kleine, concrete stappen in de richting van het basisinkomen: maak het voor uitkeringsgerechtigden makkelijker om naast hun uitkering bij te verdienen, pas de arbeidskorting in de inkomstenbelasting zo aan dat het effectieve tarief voor werkenden met een laag inkomen negatief wordt en voer een algemene basisverzekering voor werkenden in.

maandag 20 juli 2015

Getting noticed - Over de tragiek van de cultuur van statuscompetitie

Het prestigieuze wetenschappelijke tijdschrift Science heeft een rubriek die gewijd is aan het leven op het werk (Working Life). Tien dagen geleden schreef de hoogleraar biochemie Eleftherios P. Diamandis van de Universiteit van Toronto daarin een artikel met de titel Getting noticed is half the battle. Hij geeft daarin advies aan jonge onderzoekers over hoe je in de wetenschap succesvol kunt worden.

Dat geeft een aardig kijkje in de cultuur van de statuscompetitie die aan de universiteiten, maar daar natuurlijk niet alleen, lijkt te overheersen. De hoogleraar beveelt niet aan om je intrinsieke motivatie, je eigen nieuwsgierigheid, te ontwikkelen en te volgen. Om een wetenschappelijke loopbaan na te streven die onderdeel is van je persoonlijke ontwikkeling.

Nee, integendeel. De titel zegt het al: gezien worden is de helft van het gevecht. "Succes" betekent dat je een gevecht voert met anderen en dat je dat gevecht wint. Niets persoonlijke ontwikkeling, de statuscompetitie staat voorop. En is volledig vanzelfsprekend, waardoor we met een cultuur te maken hebben.

In die cultuur is het natuurlijk belangrijk om goed ("excellent") onderzoek te doen en veel te publiceren. En hard te werken. Maar daar gaat het de hoogleraar nu niet om. En al helemaal niet om het ontwikkelen van je nieuwsgierigheid.

Nee, het gaat er vooral om dat je opgemerkt wordt. Door degenen die de banen weggeven. En dat doe je door hard te werken, door met een vrouw te trouwen met een deeltijdbaantje en door je kinderen te verwaarlozen.

En door kansen te benutten als ze langskomen. Hoe? Door alles wat je doet aan de grote klok te hangen. Zorg voor zichtbaarheid. Wees op elk onderzoeksseminar aanwezig, ook als dat veel ongemakken geeft. Loop als je binnenkomt altijd door het blikveld van het hoofd van de afdeling. Stel aan het eind altijd een of twee vragen die je van te voren goed hebt voorbereid. Kortom:
Making sure you are noticed can give you the edge you need over your silent competition.
Iedereen met werkervaring kent natuurlijk dit gedragspatroon. Van anderen en/of van zichzelf. Het is een tragische cultuur. Tragisch om tenminste twee redenen.

Ten eerste omdat datgene waar het in de wetenschap om zou moeten gaan, nieuwsgierigheid naar hoe de wereld in elkaar zit, volledig uit het zicht verdwijnt. Wees juist niet nieuwsgierig, want dat zou er toe kunnen leiden dat je teveel in je eentje op zoek bent. Dat is niet zichtbaar genoeg. En het zou in de weg staan van het snel geplaatst krijgen van je volgende artikeltje. En ja, natuurlijk kan dat streven naar zichtbaarheid je er toe verleiden om je onderzoeksresultaten wat te verfraaien door je data te manipuleren. Of, denk aan Diederik Stapel, door ze geheel te verzinnen.

En ten tweede omdat het sociale patroon van de statuscompetitie inherent verspillend is. Hoe meer de een zich inspant om de anderen de loef af te steken in het gevecht om status ("succes"), hoe meer die anderen zich dan ook gaan inspannen. Zo kan het gebeuren dat iedereen door het blikveld van het hoofd van de afdeling wil lopen, waardoor uiteindelijk niemand meer zichtbaar is. En zo kan het gebeuren dat iedereen heel hard werkt, waardoor iedereen uitgeput raakt en niemand meer in staat is om nog harder te werken dan anderen doen.

En zo gaat er veel energie verloren in de strijd om zichtbaarheid die beter aangewend had kunnen worden om de nieuwsgierigheid te ontwikkelen en te bevredigen. Wat zonder twijfel tot beter wetenschappelijk onderzoek zou leiden.

Dat we hier met een cultuur te maken hebben, blijkt er uit dat Science het kennelijk vanzelfsprekend acht om een artikeltje als dit te plaatsen. Niemand op de redactie heeft zich achter de oren gekrabd.

Literatuur. Zie voor meer over de verspilling van de statuscompetitie Choosing the Right Pond: Human Behavior and the Quest for Status en Luxury Fever: Money and Happiness in an Era of Excess, beide van Robert H. Frank.

donderdag 6 oktober 2011

Maakt het marktdenken mensen minder pro-sociaal?

Zijn de werknemers in het bedrijfsleven minder pro-sociaal dan die in de publieke sector omdat minder pro-sociale mensen er meer voor kiezen om in het bedrijfsleven te werken? Of zijn ze ook door het werken in het bedrijfsleven minder pro-sociaal, dus egoïstischer, geworden?

Het zou kunnen dat dat laatste effect, het beïnvloedingseffect, optreedt naast dat eerste, het selectie-effect. In onze maatschappij komt natuurlijk iedereen vaak in aanraking met het marktdenken, dat wil zeggen met het idee dat het najagen van eigenbelang gerechtvaardigd is omdat het marktmechanisme er wel voor zorgt dat dan toch alles goed komt. Maar je kunt vermoeden dat werknemers in het bedrijfsleven er meer mee in aanraking komen dan werknemers in de publieke sector. Als je in de publieke sector werkt, het bestuur, het onderwijs of de zorg, dan zul je vaker horen dat je met je werk direct in dienst staat van het algemene belang of het belang van anderen (leerlingen, cliënten). En dat jij en je collega's daar ook een deel van de motivatie uithalen.

Of het in aanraking komen met dat marktdenken mensen minder pro-sociaal maakt, zou niet alleen uit de beroepskeuze, maar ook uit de studiekeuze kunnen blijken. Maakt het studeren van het vak economie, en dan in het bijzonder het volgen van college's waarin dat marktdenken wordt gedoceerd, studenten minder pro-sociaal? Aanwijzingen dat dat inderdaad zo is, zijn te vinden in deze en deze studie van de econoom Robert H. Frank.