Posts tonen met het label Rutger Bregman. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Rutger Bregman. Alle posts tonen

woensdag 14 maart 2018

Is de mens van nature goed? Ja. Maar hij is ook van nature slecht. Hij is dus van nature flexibel

Rutger Bregman bespreekt in het lezenswaardige essay Dit is de vraag waar bijna al onze politieke debatten om draaien (en het antwoord geeft hoop) wat er zoal, sinds Rousseau en Hobbes, is bedacht en geschreven over de vraag of de mens van nature goed of slecht is. Rousseau betoogde dat de mens van nature goed is en Hobbes dat hij integendeel van nature slecht is.

Aan het eind neigt Rutger tot de conclusie dat Rousseau gelijk had:
Toch denk ik dat het tijd is om terug te gaan naar de oude boeken van die Franse dromer.
Jean-Jacques Rousseau herinnert ons waar we vandaan komen. Hij helpt ons te onthouden wat we van nature zijn, en waar we van nature naar verlangen. We zijn geen onbeschreven blad. Als mens hebben we 95 procent van onze geschiedenis in een vreedzame en egalitaire wereld geleefd. We zijn geëvolueerd om samen te werken en om te zorgen voor elkaar.
Maar dan blijft natuurlijk de vraag hoe te verklaren dat er zoveel ellende op de wereld is die mensen elkaar aandoen. Dat moet Rutger zich tot ook hebben afgevraagd, want een zin later lezen we:
Mensen kunnen elkaar verschrikkelijke dingen aandoen, maar als je nuchter naar de wereldgeschiedenis kijkt, blijken we ons hart meestal op de juiste plaats te hebben.
En belangrijker nog: als we aannemen dat mensen bovenal verlangen naar vriendschap, verbinding en vertrouwen, en als we onze economie, democratie en onderwijs dáárop inrichten, halen we het beste in elkaar naar boven.
Anders gezegd, soms hebben we het hart niet op de juiste plaats en soms moeten we het beste in elkaar naar boven halen.

Dat wijst erop dat we niet alleen maar van nature tot het goede geneigd zijn, maar ook tot het slechte. Want er moet iets gebeuren om het goede naar boven te halen en dus om het andere, het slechte, te onderdrukken.

Hoe kan dat? Dat kan als je je er rekenschap van geeft dat de menselijke sociale natuur flexibel is. Dat zowel goed gedrag, dus het pro-sociale of gemeenschapsgedrag, dat op samenwerking en zorg gericht is, als het slechte gedrag, dus het vijandige, egoïstische, statuscompetitieve gedrag, tot het natuurlijke menselijke gedragsrepertoire behoren. Anders gezegd, de menselijke sociale natuur is innerlijk tegenstrijdig.

Aangevuld met het vermogen om de sociale omgeving te kunnen scannen op de mate waarin hij veilig en zorgzaam is dan wel onveilig en vijandig is. En afhankelijk van de uitslag van die scan te kiezen voor het goede dan wel het slechte gedrag. De menselijke sociale natuur is flexibel.

De volgers van dit blog weten dan dat we zijn aanbeland bij de Dual Mode-theorie, die ik hier in twee stellingen samenvatte:
Stelling 1. In hun sociale gedrag (d.i. gedrag ten opzichte van anderen) zijn er twee bundels van gedragspatronen die mensen vaak onbewust en ongepland uitvoeren of gaan uitvoeren: het statuscompetitiepatroon en het gemeenschapspatroon.
Stelling 2. Mensen worden bij het aanleren en uitvoeren van deze gedragspatronen sterk beïnvloed door de mate waarin ze met het ene dan wel het andere gedragspatroon in hun sociale omgeving in aanraking komen.
Die menselijke flexibiliteit is een bijzonder geval van wat biologen fenotypische plasticiteit noemen. Het idee daarachter is dat er op plasticiteit geselecteerd wordt als een soort langdurig met een wisselende, veranderende omgeving wordt geconfronteerd. Dan is het voor overleving en reproductie van belang om flexibel te kunnen reageren.

In de mensheidsgeschiedenis zijn die omgevingsveranderingen aan te wijzen. Onze laatste gemeenschappelijke voorouder met de chimpansees zal nog het van de meeste primaten bekende alfa-mannetjesmodel van statuscompetitie en statushiërarchie gekend hebben. Gekenmerkt door weinig samenwerking, waarbij zorggedrag zich beperkt tot de zorg van de moeder voor haar eigen nageslacht.

De eerste mensen, Homo sapiens, hebben kunnen overleven en zich zelfs over de aardbol kunnen verspreiden doordat ze in staat waren om bij het verwerven van voedsel door jagen en verzamelen, bij het bieden van bescherming tegen roofdieren en bij het grootbrengen van de kinderen samen te werken en te delen. Dat was een soort sociale uitvinding, die er ook uit bestond dat de nog steeds aanwezige neigingen tot statuscompetitie collectief werden onderdrukt. We werden geselecteerd op de ontwikkeling van de morele intuïties van eerlijk delen en rechtvaardigheid, maar ook op het vermogen om moreel verontwaardigd (en agressief) te reageren op egoïsme en bedrog.

Vanaf die tijd, de tijd van de Paleo Sociale Omgeving, zijn mensen dus toegerust met die twee gedragspatronen, het "nieuwe" gemeenschapsgedrag en het "oude" statuscompetitiegedrag. In die Paleo Sociale Omgeving kon je maar het beste "kiezen" voor dat gemeenschapsgedrag, want anders werd je door je groepsgenoten wel duidelijk gemaakt dat de baas willen spelen en meer willen hebben dan de anderen niet op prijs werd gesteld. Daar kon je maar beter naar luisteren, want in je eentje redde je het niet.

Met de komst van de landbouwsamenlevingen, vanaf zo'n 10.000 jaar geleden, veranderde dat alles ingrijpend. Want er kwam de mogelijkheid om eigendom te hebben en dat vormde de basis voor ongelijkheid. De deur voor statuscompetitie, economische ongelijkheid en ongelijkheid tussen mannen en vrouwen werd wijd opengezet.

En dat is waar we nu nog steeds mee te maken hebben. Wat zich tegenwoordig in onze maatschappij afspeelt is een voortdurend wisselende uitkomst van de werking van onze aan elkaar tegengestelde neigingen tot gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag. Denk aan het bericht De sociale verschijningsvormen van de statuscompetitie en de statushiërarchie. En soms denk je dat we in een tijd leven waarin het statuscompetitiepatroon het wint van het gemeenschapspatroon.

Kortom, die innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur houdt in dat onze competitieve neigingen even natuurlijk zijn als onze hang naar gemeenschap. We zijn allemaal beter af als iedereen zou kiezen voor gemeenschapsgedrag, maar individueel blijft steeds de verleiding bestaan om de statuscompetitie aan te gaan. Om meer te willen dan anderen, om anderen te overheersen.

Dat verklaart waarom wij mensen ertoe zijn veroordeeld om een onophoudelijke sociale en maatschappelijke en politieke strijd te voeren. Als het even kan natuurlijk graag binnen de kaders van de democratie en de mensenrechten. Maar ook voor de handhaving daarvan is strijd onvermijdelijk.

donderdag 16 maart 2017

Wilders heeft gewonnen. En over waarom de PvdA is geïmplodeerd

Twee commentaren op de verkiezingsuitslag springen er wat mij betreft uit.

Het ene is dat Geert Wilders in feite de verkiezingen gewonnen heeft. Rutger Bregman wijst daarop. Niet alleen heeft hij er vijf zetels bijgekregen, maar hij is er ook in geslaagd om andere partijen, met name VVD en CDA, inhoudelijk zijn kant op te trekken.

En hij heeft het voor elkaar gekregen dat mensenrechten in de Nederlandse politiek niet langer vanzelf spreken. Het is immers niet zomaar dat Amnesty International vandaag in de dagbladen een volle pagina heeft ingekocht om de politici te herinneren aan de 30 artikelen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Me bekroop een gevoel van plaatsvervangende schaamte toen ik vanochtend die pagina opsloeg.

En het tweede commentaar dat mij trof, is dat van Merijn Oudenampsen, die zich buigt over de implosie van de PvdA, (Full disclosure: ik was lang een PvdA-stemmer, maar heb dit keer nummer 6 van GroenLinks gestemd.) Ik citeer maar even een passage:
De afgelopen twintig jaar heeft de PvdA aan haar aanhangers verteld dat zij hun verwachtingen moeten temperen. Dat een werkelijke linkse politiek niet mogelijk is. Dat burgers teveel kijken naar de overheid om problemen op te lossen en zorg te dragen voor kwetsbaren. Dat het antwoord, of het nu de zorg is, klimaatverandering of discriminatie, niet bij de overheid maar bij de markt gezocht moet worden.
De partij presenteerde dit niet als een bewuste politieke keuze maar als een technocratische noodzaak. We kunnen niet anders. We moeten realistisch zijn. Misschien is dat het probleem van de technocratische politiek, zoals die is voorgestaan door de PvdA in de afgelopen twintig jaar. Dat mensen erin zijn gaan geloven. Het probleem is niet de falende communicatie van de PvdA, zoals Lodewijk Asscher stelde op de avond van de uitslag. Het probleem is juist dat de PvdA haar kiezers overtuigd heeft. Dat ze ‘realistisch’ zijn geworden. Dat ze daarom überhaupt niet meer op links stemmen.
Je vertelt mensen dat er geen andere keuze is, dat je moet bezuinigen in crisistijd: dat de overheid niet kan investeren, geen werkgelegenheid kan creëren, niets werkelijk fundamenteels kan doen aan ongelijkheid, klimaatverandering en arbeidsmarktdiscriminatie. Wat als ze dat gaan geloven? Waarom zou je dan nog links stemmen?
En o, wat ben ik het daar mee eens. En ik moest denken aan de toespraak van Lodewijk Asscher gisteravond. Waarin hij verzekerde dat de sociaal-democratie weer zou opstaan, maar waarin hij ook de inhoud daarvan niet beter wist te omschrijven dan met het schamele "een fatsoenlijke samenleving".

En o, wat had het anders gekund. De sociaal-democratie had niet hoeven meebuigen met de neo-liberale golf. Er was alles voor te zeggen geweest om de sociaal-democratische verzorgingsstaat als hoeder van bestaanszekerheid, met verve en overtuiging te verdedigen en verder te ontwikkelen.

Door dat na te laten, heeft de PvdA sterk bijgedragen aan de verkleining van het politieke speelveld. Waardoor de SP, die eigenlijk de sociaal-democratische erfenis nog bewaakt, ten onrechte kon worden weggezet als "te radicaal".

Er valt van alles meer over te zeggen. Maar nu verwijs ik maar even naar:

De Nederlandse sociaal-democratie heeft zich nog niet aan de neo-liberale dominantie ontworsteld.
en
Essay De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding?

dinsdag 21 juni 2016

Is het basisinkomen betaalbaar?

Om maar met de deur in huis te vallen: ik zou het niet weten. Als je "basisinkomen betaalbaar?" en "basisinkomen onbetaalbaar?" googelt, dan ben je binnen een paar minuten geheel ontregeld.

Dat ligt er deels aan dat er allerlei verschillende varianten van het basisinkomen de ronde doen, met bovendien allerlei verschillende voorstellen voor bijkomende maatregelen. Zo is er de vraag of je alle bestaande uitkeringen en sociale voorzieningen kunt afschaffen of niet. (Mij lijkt van niet.)

Maar daar komt bij dat we vooralsnog maar beperkt zicht hebben op welke effecten invoering van een basisinkomen zal hebben. En op hoe groot die effecten zullen zijn.

Zal het arbeidsaanbod er door afnemen? En heeft dat niet alleen negatieve effecten op de economie, maar ook positieve? Als je bedenkt dat werkenden gelukkiger zijn dan werklozen, maar dat betaald werk als bezigheid tot de minst gewaardeerde tijdsbestedingen behoort en dat de kosten van werkstress en burn-out hoog zijn, dan staat nog te bezien wat het saldo van kosten en baten is.

Denk in dat verband ook aan het pleidooi van Rutger Bregman: De oplossing voor bijna alles: minder werken. Onze keuzes voor betaald werken worden mede beïnvloed door de motieven van de statuscompetitie waarin we met elkaar verzeild raken en dat maakt dat die keuzes niet optimaal hoeven uit te vallen. Uitwerkingen van die gedachte vind je bij Robert H. Frank ( The Winner-Take-All Society en Luxury Fever: Money and Happiness in an Era of Excess).

En wat zal de waarde zijn van het onbetaalde werk dat mensen gaan doen als ze minder betaald gaan werken? Misschien gaan ze zich bijscholen. misschien besteden ze meer tijd aan sociale contacten, aan het uitbreiden van hun sociale kring en worden ze actiever in hun buurt. Dat zou goed zijn voor onze gezondheid en voor het opgroeien van kinderen. En het zou een bijdrage kunnen zijn aan het tegengaan van eenzaamheid. Wat natuurlijk weer economische voordelen heeft. Denk aan de kosten van de gezondheidszorg, de jeugdzorg en de kosten in het kader van de Participatiewet en de WMO.

Maar het invoeren van een basisinkomen zal naar verwachting ook de machtspositie van werknemers op de arbeidsmarkt vergroten. Dat lijkt hoognodig, nu het aandeel van de arbeid in het nationale inkomen al decennia lang gedaald is en daarmee samenhangend de macht van de vakbonden zo is afgenomen. Je mag verwachten dat werkgevers er door geprikkeld worden om de kwaliteit van het werk te verhogen. Wat de overheidsbemoeienis met arbeidsomstandigheden kan terugdringen. En betere arbeidsomstandigheden zouden op hun beurt juist weer kunnen leiden tot een verhoging van het arbeidsaanbod.

Kortom, welke effecten zullen optreden, hoe sterk die effecten zullen zijn en hoe ze met elkaar samenhangen of tegen elkaar in werken, we weten daar nog weinig van.

Wat dat praktisch en beleidsmatig en op korte termijn betekent? Ik kwam al zoekende ook het betoog Basisinkomen, basisbaan ofgewoon armoede bestrijden? van Paul de Beer tegen. Het lijkt me wel een verstandig pleidooi voor een aantal kleine, concrete stappen in de richting van het basisinkomen: maak het voor uitkeringsgerechtigden makkelijker om naast hun uitkering bij te verdienen, pas de arbeidskorting in de inkomstenbelasting zo aan dat het effectieve tarief voor werkenden met een laag inkomen negatief wordt en voer een algemene basisverzekering voor werkenden in.

maandag 8 februari 2016

Wat er mondiaal aan de gang is met lokale democratie (Rutger Bregman)

Lees vandaag vooral het verhaal van Rutger Bregman, die een fraai overzicht geeft van wat er mondiaal aan de gang is met lokale democratie, participatory budgeting en buurtzelfbeheer: In meer dan 1500 steden vindt nu een democratische revolutie plaats.

De hang naar lokale democratie en zelf-organisatie is een opmerkelijke ontwikkeling. Als je mijn berichten over zelf-organisatie en buurtzelfbeheer gevolgd hebt, kun je nu door Rutger Bregman bijgepraat worden over de nieuwste ontwikkelingen.

Zie voor activiteiten in Nederland ook de website van het LSA (Landelijk Samenwerkingsverband Actieve bewoners).

dinsdag 21 april 2015

De kracht van "wat anderen doen" - over sociale beïnvloeding en de Ik Stap Over Van Bank Week

We weten al dat mensen zich in hun gedrag sterk laten leiden door wat anderen doen. Sterker dan ze zelf lijken te beseffen, zoals aangetoond in de studie Normative social influence is underdetected (pdf). Zie daarover ook dit bericht: Vuurwerkverbod wenselijk? Daar valt veel voor te zeggen. En de andere berichten over sociale beïnvloeding.

Nieuw onderzoek versterkt de aanwijzingen dat wij minder autonoom zijn dan we geneigd zijn aan te nemen: The Influence of Descriptive Social Norm Information on Sustainable Transportation Behavior: A Field Experiment (betaalpoort). De onderzoekers voerden een veldexperiment uit aan een Canadese universiteit, dat een maand in beslag nam. Medewerkers en studenten werden opgeroepen om hun auto te laten staan en met het openbaar vervoer te reizen. Gedurende het experiment kregen de deelnemers een aantal keren informatie over hoeveel anderen hun woon-werkverkeer hadden aangepast ten gunste van het openbaar vervoer.

Echter, een groep kreeg de informatie dat al heel veel anderen dat hadden gedaan, terwijl een andere groep te horen kreeg dat dat nog maar heel weinig waren. (Een derde groep kreeg geen informatie.) De zelf-rapportages lieten toen zien dat degenen die te horen hadden gekregen dat veel anderen waren overgestapt op het openbaar vervoer, meer de auto lieten staan dan degenen die de informatie hadden gekregen dat maar weinig dat hadden gedaan of die geen informatie hadden gekregen.

Het blijkt dus dat goed gedrag, goed met het oog op milieu en energiebesparing, van de een wordt uitgelokt door goed gedrag van anderen. Sociale beïnvloeding doet zijn werk. In dit geval in positieve richting, maar bedenk wel dat ook negatief gedrag sociaal kan worden beïnvloed.

Het had ook anders kunnen uitvallen. Want je zou ook kunnen denken dat mensen juist meer de auto pakken als ze te horen krijgen dat anderen dat minder doen. Dat verkleint immers de kans op files. Maar in dit onderzoek was die reactie dus niet waar te nemen.

Je kunt allerlei praktische toepassingen van dit inzicht bedenken. Een daarvan is de oproep die Rutger Bregman gisteren deed om met zijn allen van bank te veranderen: Ik stap deze week over van bank. Doe je mee? We zijn met zijn allen boos op het wangedrag van de bankiers van de grote banken, die zeven jaar na de grote financiële crisis nog steeds niets hebben geleerd. We kunnen hen met zijn allen een boodschap geven door over te stappen naar een bank die zich verantwoordelijk gedraagt en zich ver houdt van de bonussencultuur.

Maar toch zijn er nog steeds maar weinig die ook feitelijk overstappen. Misschien ook omdat het wat moeite kost. Het zou kunnen dat we eerder overstappen als we weten dat anderen dat ook doen. Maar dat moeten we dan wel van elkaar weten. Vandaar de actie Ik Stap Over Van Bank Week van Rutger Bregman.

En dat blijkt te werken. Vier uur geleden stond de teller van bankoverstappers al op meer dan 3250.

woensdag 5 november 2014

Zoveel symptoombestrijding! Naar aanleiding van Rutger Bregman over de Week van de Werkstress

Het is de Week van de Werkstress. Stress op het werk leidt tot gezondheidsproblemen en ziekteverzuim en de kosten daarvan lijken hoog te zijn.

Je zou denken dat het voor de hand ligt om te zoeken naar de oorzaken. Hoe komt het dat werkstress toeneemt? Misschien heeft het er mee te maken dat we teveel verwachten van het aanwakkeren van concurrentie tussen bedrijven. En met de flexibilisering van de arbeidsmarkt. En met het ontbreken van een macro-economisch beleid gericht op volledige werkgelegenheid. Allemaal zaken die de baanonzekerheid bevorderen. Op zich is dat al een oorzaak van stress. Maar bovendien verhoogt het de prestatiedruk en de concurrentie tussen werknemers. Die nog eens de stress verhogen.

Het zou dus goed zijn om in de Week van de Werkstress bij die oorzaken stil te staan. Vooral de politiek zou zich achter de oren moeten krabben. Moeten we niet meer naar wetgeving toe die recht doet aan de noodzaak van een meer ontspannen samenleving? Die de autonomie op het werk verhoogt? Moeten we daar niet eens goed over gaan nadenken? Zie ook mijn bericht Een baan met meer autonomie geeft minder kans op burn-out - Dat pleit voor minder hiërarchie op het werk.

Maar nee, dat doen onze politici niet. Rutger Bregman wijst er terecht op dat de Week van de Werkstress geheel in het teken staat van symptoombestrijding. Zie Een Week van de Werkstress en dan hup: gauw weer aan het werk. Want het enige wat er deze week gebeurt is het geven van voorlichting. Voorlichting? Ja, kennelijk is het heel urgent dat iedereen er goed van op de hoogte is dat werkstress zo maar op de loer ligt en wat je daar als individuele werknemer dan aan moet doen. Je moet je er niet voor schamen. Je moet het aankaarten. En je moet het bespreekbaar maken.

De probleemdiagnose van de politiek en van minister Asscher is kennelijk dat er nog een taboe rust op werkstress en dat als we dat taboe maar opheffen, dat dan alles beter wordt.

En dat is uiterst merkwaardig. Want eerst creëer je als overheid de voorwaarden waaronder werkstress gemakkelijk ontstaat en vervolgens leg je dat probleem neer bij de slachtoffers van dat beleid. Doe er wat aan. Schizofreen, ja, dat woord lijkt van toepassing.

En Bregman heeft ook gelijk dat we in een tijdperk van symptoombestrijding lijken te leven. Want als je goed om je heen kijkt, zie je die praktijk overal. De werkloosheid pakken we aan met sollicitatietrainingen. Depressies? Meer psychologen.

Ik dacht natuurlijk ook aan ons jeugdbeleid. Door het toegenomen sociaal isolement van de gezinnen groeien onze kinderen niet meer op in een sociale omgeving die ze nodig hebben. Dat is slecht voor hun sociale en morele ontwikkeling en dat uit zich in gedragsproblemen en psychosociale problemen.

We zouden ons eens goed kunnen bezinnen op de oorzaken van dat toegenomen sociaal isolement. Die liggen op het terrein van de economie en de fysieke infrastructuur. Dan hebben we het over de schaalvergroting en de centralisatie van allerlei voorzieningen, waardoor in buurten niet meer als vanzelf ontmoetingsplekken bestaan. En we hebben het over functiescheiding, waardoor de woon-werkafstand is toegenomen en waardoor onze sociale netwerken zijn gefragmenteerd. En we hebben het over de toename van verhuizingen over langere afstanden, waardoor familie minder bij elkaar in de buurt woont.

Maar nee, in plaats daarvan hebben we de nieuwe sector van de jeugdzorg en de jeugdhulpverlening en de opvoedondersteuning laten ontstaan. Die allemaal erg hun best doen, maar pas in actie komen als de problemen al zijn ontstaan en daarna niet veel meer kunnen doen dan symptomen te bestrijden.

Wel iets aan die oorzaken doen, dat zou betekenen dat we echt kiezen voor omwegbeleid. Zie Overheidsonmacht in de jeugdzorg. Een pleidooi voor omwegbeleid.

Maar ik moest natuurlijk ook denken aan de Week van de Eenzaamheid. Die ook nagenoeg geheel gewijd is aan voorlichting en bewustwording. En aan de noodzaak van trainingen voor hulpverleners in het herkennen van eenzaamheid. Ook daar ontbreekt vrijwel geheel het besef dat eenzaamheid oorzaken heeft die in maatschappelijke ontwikkelingen zijn gelegen. Vrijwel dezelfde ontwikkelingen die het sociaal isolement van gezinnen hebben vergroot.

En tenslotte moest ik denken aan hoe we het pestprobleem op scholen aanpakken. Of dus eigenlijk niet aanpakken. In plaats van in te zien dat we met de leeftijdssegregatie waaraan we onze kinderen blootstellen, het pesten in de hand werken, laten we dat gewoon gebeuren en vinden we dat pesten met anti-pestprogramma's moet worden bestreden. En o ja, we hebben immers ook een Week Tegen het Pesten. Zie nog eens Het beste middel tegen pesten: leeftijdsgemengde groepen en mijn discussie met Mieke van Stigt.

Je zou natuurlijk denken dat er hier bij uitstek een grote opdracht ligt voor de sociale wetenschappen. Maar helaas, wat je in feite ziet is dat die zich nogal dienstbaar maken aan deze trend van de symptoombestrijding. Zo is er op het gebied van pesten vele malen meer sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de effectiviteit van anti-pestprogramma's dan naar de oorzaken van de toename van pesten. Tragisch is dat.

maandag 14 oktober 2013

Hoe te verklaren dat armen verstandige dingen doen met het geld dat je ze geeft? N.a.v. Rutger Bregman

Rutger Bregman geeft een overzicht van onderzoek dat er op wijst dat je daklozen en in het algemeen armen en werklozen beter geld kunt geven dan ze door hulpverleners te laten begeleiden. Zie de link onderaan dit bericht. Als je ze gewoon geld geeft, zonder voorwaarden, dan blijkt dat ze daar verstandige dingen mee doen en er zuinig mee omgaan.

Hij noemt o.a. een experiment in Londen, waarbij 13 daklozen elk 3000 pond kregen, vrij te besteden. Geen van de mannen verspilde zijn geld aan drank, drugs of gokken. Integendeel, ze waren zuinig op hun centen en hadden na een jaar gemiddeld slechts 800 pond uitgegeven. Ze accepteerden opvang, volgden cursussen, leerden koken, kickten af, bezochten hun familie en maakten plannen voor de toekomst, schrijft Rutger Bregman. Na een jaar hadden 11 van de 13 een dak boven hun hoofd. Met vele malen lagere kosten dan "vruchteloos duwen, trekken, pamperen, bekeuren, vervolgen en verzorgen" door hulpverleners en politieagenten.

Rutger pleit daarom voor de invoering van een basisinkomen. In plaats van allerlei voorwaarden stellen aan het ontvangen van bijstand, wat onvermijdelijk gepaard gaat met een duur controleapparaat. Want het klopt niet dat armen lui zijn en niet met geld kunnen omgaan.

Nu is er over dat basisinkomen al veel nagedacht en geschreven. Een deskundige en voorstander er van is Philippe van Parijs. In ons land bepleitte de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in 1985 de invoering van een gedeeltelijk basisinkomen. Zo gek is die gedachte niet. Europees is er nu het Burgerinitiatief voor een Onvoorwaardelijk Basisinkomen, dat je hier kunt ondertekenen.

Maar hoe verklaar je dat armen verstandige dingen doen met het geld dat je ze onvoorwaardelijk geeft? Kennelijk is het een misvatting te denken dat ze lui zijn en niet met geld kunnen omgaan. Maar wat is er dan wel aan de hand?

Ik moest meteen denken aan de studie Poverty Impedes Cognitive Function (betaalpoort) die ruim een maand geleden in Science verscheen. De onderzoekers vinden overtuigende aanwijzingen dat armoede een oorzaak is van slechter cognitief functioneren. Het is bekend dat mensen die arm zijn, minder goed op hun gezondheid passen, minder zorgvuldig hun medicijnen innemen, minder goed afspraken nakomen, minder productief zijn en minder goed met geld kunnen omgaan. En het ligt voor de hand om te denken dat dat allemaal eigenschappen zijn die hebben gemaakt dat ze arm zijn.

Maar het zou ook kunnen dat het arm zijn en het hebben van geldzorgen en zorgen over de toekomst een aanslag zijn op je cognitieve capaciteiten. De stress van het arm zijn zou dan een oorzaak zijn van slechter cognitief functioneren. (Vergelijk ook de negatieve effecten van eenzaamheid op emotionele zelf-regulering en  op de kans op dementie.)

Een mooie aanwijzing daarvoor is dat Indiase boeren voorafgaand aan de oogst, als ze arm zijn en onzeker over de toekomst, slechter scoren op een cognitieve test dan na de oogst, als ze niet meer arm zijn. De beste aanwijzing voor een oorzakelijk verband tussen armoede en cognitief functioneren.

Dat zou dus verklaren waardoor die Londense zwervers zo verstandig met hun gekregen geld omgingen. Ze waren immers niet meer arm. Wat wil je nog meer om er van overtuigd te raken dat armoede de wereld uit moet?
Waarom we iedereen gratis geld moeten geven:

'via Blog this'