Posts tonen met het label sociale beïnvloeding. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sociale beïnvloeding. Alle posts tonen

vrijdag 4 februari 2022

Doodgewone mannen - Hoe dun is de grens tussen goed en kwaad?

Ik keek met ingehouden adem. Vorige week dinsdag, op prime time, zond de Duitse televisiezender ZDF de documentaire Ganz normale Männer uit. In het kader van de herdenking van de Holocaust. Volg de link om hem te bekijken, maar doe dat niet even tussendoor. En ook niet vlak voor je wilt gaan  slapen. 

De documentaire is gebaseerd op het boek met dezelfde titel van de Amerikaanse historicus Christopher R. Browning, waarvan ik pas nu ontdek dat er in 2020 ook een Nederlandse vertaling van is verschenen: Doodgewone mannen. Browning komt in de documentaire ook zelf aan het woord.

Die ingehouden adem was er doordat je bevattingsvermogen tekortschiet, gecombineerd met het pijnlijke besef dat de gebeurtenissen zich echt "gewoon" hebben afgespeeld.

We wisten natuurlijk al dat van de zes miljoen door de nazi's vermoorde Joden er al twee miljoen waren omgebracht nog voor de moordmachines van de gaskamers in werking werden gesteld. Vanaf de dag dat de Duitsers de Poolse grens overstaken, begonnen ze te moorden. Door Joden, maar niet alleen hen, bij elkaar te drijven en neer te schieten. Of op te hangen, om kogels te sparen. Niet spontaan, maar omdat het van hogerhand was bevolen. Er moest in de lugubere fantasieën van Hitler en zijn volgelingen voor de Duitse bevolking Lebensraum worden gecreëerd en dat betekende niet alleen bezetting, maar ook uitroeiing.

Maar wie waren de uitvoerders? Ook de Wehrmacht werkte eraan mee, maar het waren toch vooral speciale moordbataljons die werden ingezet. Over een van die bataljons, het Reserve-Polizeibataillon 101, gaat de documentaire. Dat bestaat uit 500 leden van de Hamburgse Polizeireserve, die vanwege hun leeftijd niet voor de Wehrmacht werden opgeroepen. Doodnormale mannen.

In Polen aangekomen, krijgen ze hun macabere opdracht te horen. Er moet gemoord worden. Hun bevelhebber moet een aardige man geweest zijn, die iets gezegd moet hebben van "ja, dit is nu eenmaal wat jullie moeten doen. Niet gemakkelijk, maar het moet. Maar wie er voor terugdeinst, mag nu naar voren stappen en hoeft niet mee te doen." Van de 500 moeten er twaalf geweest zijn die een stap naar voren deden. Ze kregen ander werk. De 488 anderen bleven staan.

Hoe dun is de grens tussen goed en kwaad? De weigeraars ondervonden geen negatievere gevolgen van hun keuze dan dat ze naderhand nogal eens werden gekleineerd.

In de documentaire komt een socioloog aan het woord, die stilstaat bij dat moment van die keuze. Stel dat niet van de weigeraars was gevraagd om een stap naar voren te zetten, maar van degenen die bereid waren om de opdracht uit te voeren. Dan was de instemming niet passief geweest, maar door een daad te stellen. Zouden dan niet veel meer hebben geweigerd? Zou zo'n subtiel verschil niet veel hebben uitgemaakt? Voor de keuze tussen goed en kwaad?

Ja, dat zou je wel denken. Het ging om doodgewone mannen, waarvan we kunnen aannemen dat ze de morele gemeenschapsintuïtie voelden van het anderen geen schade toebrengen. Ze zouden hebben geaarzeld om naar voren te stappen en dan had verder de kracht van de sociale beïnvloeding zijn werk kunnen doen. Nu werkte die andersom. De meesten bleven staan.

Dat pleit er voor dat die grens tussen goed en kwaad maar heel dun is. 

Maar daartegen pleit weer dat er al heel veel aan het moment van die keuze was voorafgegaan. De nazi's waren al zeven jaar aan de macht. En hadden ruim de tijd gehad om het Duitse volk, ook doodgewone mannen, met hun propaganda te vergiftigen. Joden waren al rechteloos gemaakt. Geweld was al aan de orde van de dag. De concentratiekampen waren er al.

Er was een grootscheeps proces van "normalisatie" geweest, normalisatie van kwaadaardigheid.

We moeten het dus nooit zover laten komen dat die grens tussen goed en kwaad nog maar zo dun is.

Zou die documentaire over die doodgewone mannen niet ook op prime time op de Nederlandse televisie moeten worden uitgezonden?

dinsdag 28 januari 2020

Over hoe het kon dat zoveel joodse Nederlanders in 40 - 45 werden gedeporteerd en vermoord

Update. Lees nu ook Sander van Walsum in de Volkskrant: De Joden? Die konden zich beter gedeisd houden. Van Walsum herinnert eraan dat de naoorlogse zuiveringscommissie ook al hard oordeelde over de meegaandheid van de Nederlandse overheidsdienaren tijdens de bezetting. Een citaat:
De houding die Rutte hekelde, werd bij uitstek belichaamd door Karel Johannes Frederiks, secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken en feitelijk de hoogste Nederlandse gezagsdrager tijdens de bezetting. Ook Frederiks was geen nazivriend. Integendeel: hij poogde de invloed van de NSB op het openbaar bestuur zo klein mogelijk te houden. Om dat te bereiken, was hij - naar het oordeel van de naoorlogse zuiveringscommissie - de Duitsers echter onaanvaardbaar ver tegemoet gekomen. De commissie kenschetste zijn beleid in maritieme bewoordingen: 'schipperen, meevaren, laveeren, bakzeil halen, dobberen en afhouden'. Met mensen als Frederiks hadden de Duitsers de NSB helemaal niet nodig.
Wat we nu weten, wisten we dus toen ook al. Het was helemaal niet raar geweest als die excuses niet pas in 2020, maar 75 jaar eerder waren aangeboden.
Onze minister-president heeft eergisteren, tijdens de Nationale Auschwitzherdenking te Amsterdam, namens de regering excuses aangeboden voor het overheidshandelen tijdens de bezetting van 1940 - 1945. Je kunt zijn toespraak hier nalezen. Een citaat:
Toen een groep landgenoten onder een moorddadig regime apart werd gezet, buitengesloten en ontmenselijkt, zijn we tekortgeschoten. Toen het gezag een bedreiging werd, zijn onze overheidsinstanties tekortgeschoten, als hoeders van recht en veiligheid.

Zeker, ook binnen de overheid was er individueel verzet, maar te veel Nederlandse functionarissen voerden uit wat de bezetter van hen vroeg. Anderen verdroegen het grote kwaad in de hoop nog iets goeds te kunnen doen – wat soms lukte, maar veel vaker niet. En de bittere consequenties van registratie en deportatie werden niet tijdig en niet voldoende onderkend.

Nu de laatste overlevenden nog onder ons zijn, bied ik vandaag namens de regering excuses aan voor het overheidshandelen van toen. Dat doe ik in het besef dat geen woord zoiets groots en gruwelijks als de Holocaust ooit kan omvatten.
Je kunt er twee vragen over stellen. Als eerste, hoe te verklaren dat het met die officiële erkenning van het tekort geschoten zijn en met het aanbieden van excuses zo lang heeft geduurd? Hoe kan het dat er 75 jaar over heen moest gaan?

En als tweede, hoe dat tekort schieten te verklaren? Waardoor kwam het dat Nederlandse ambtenaren, uitzonderingen daargelaten, zo gewillig uitvoerden wat de bezetter van hen vroeg? Waardoor kon een zo groot deel van de joodse inwoners van ons land (naar schatting 73 procent) door de Duitsers worden afgevoerd en vermoord?

Hoe kon het dat de spoorwegen hen zo massaal naar het doorgangskamp Westerbork vervoerde, waar voor de Duitsers omgerekend naar nu circa 2,5 miljoen euro betaalden? Terwijl de "passagiers" ook nog gewoon hun eigen kaartje moesten betalen? 
De NS bood daarvoor in 2005 haar excuses aan. Vorig jaar gevolgd door het besluit een schadevergoeding aan de nog overlevenden toe te kennen. Zie NS trekt 40 tot 50 miljoen euro uit voor het compenseren van Holocaustslachtoffers.
Sociaalwetenschappelijk gezien moeten de antwoorden op beide vragen wel te maken hebben met de sterke menselijke neiging tot beïnvloedbaarheid. Onder omstandigheden van individuele onzekerheid over wat het juiste gedrag is of over de gevolgen van het eigen gedrag, laten mensen zich sterk leiden door het gedrag van anderen. Het lijkt dan het veiligst om te doen wat anderen doen. Je kunt het mis hebben, maar liever samen met anderen de verkeerde weg ingeslagen dan in je eentje de goede weg.

Denk in dat verband aan de tweede stelling van de Dual Mode-theorie. Mensen zijn in staat tot gemeenschapsgedrag, maar ook tot statuscompetitiegedrag. En laten zich bij de keuze tussen die twee sterk leiden door het gedrag dat ze in hun omgeving het meeste waarnemen.

In die jaren van de bezetting, om me nu te beperken tot die tweede vraag, bestond er natuurlijk die grote onzekerheid. Zowel over het risico dat je kon lopen als je verzet zou bieden, als over de bereidheid van anderen om mee te doen. Waarbij het individuele risico naar verwachting zou afnemen hoe meer anderen zouden meedoen.

Er was de Februaristaking in 1941, als reactie op de eerste razzia's in Amsterdam, die even informatie verschafte over die bereidheid van anderen. Maar de Duitsers wisten die te onderdrukken. Kennelijk waren de voorwaarden niet aanwezig voor een massiever en langer volgehouden verzet. Als de Nederlandse bevolking op grotere schaal was opgestaan en als de overheidsdienaren geweigerd hadden om de Duitse opdrachten uit te voeren, dan, ja, dan waren er misschien ook doden gevallen, maar was het percentage vermoorde Joodse inwoners misschien aanzienlijk lager geweest.

Ten aanzien van die vraag naar de voorwaarden is er wel gewezen op de vergelijking met wat er in Denemarken gebeurde. Daar over schreef Bo Lidegaard het boek Landgenoten. Het 'wonder van Denemarken'. Hoe de joodse inwoners in 1943 werden gered door het moedige optreden van de bevolking.

Want in Denemarken kwam, ik citeer de achterflap, in september 1943 een grootscheepse actie op gang om de joodse inwoners te redden en naar Zweden te brengen. De meesten van hen overleefden de naziterreur en troffen na de oorlog hun huizen en bezittingen precies zo aan als ze die hadden achtergelaten.

Een misschien doorslaggevend verschil met ons land was dat de Deense regering en het koningshuis na de bezetting in 1940 aanbleven. Anders gezegd, ze accepteerden een "vreedzame bezetting". Dat had voor de Denen als voordeel dat de instituties van de democratie intact bleven. Waar tegenover stond dat veel van de Deense landbouwproductie in Duitsland terechtkwam en dat de Duitse bezettingsmacht beperkt in omvang kon blijven.

Dit alles tegenover de vlucht in mei 1940 van de Nederlandse regering en het koningshuis naar Engeland. Waardoor de Duitsers een rijkscommissaris (Seiss-Inquart) konden aanstellen die in feite het wettig gezag overnam. 

Daardoor bleven er in Denemarken een koning en een regering die openlijk verzet konden bieden toen de Duitsers ook de Deense joden wilden deporteren. Koning Christiaan X moet verklaard hebben dat hij zelf ook de davidsster zou gaan dragen als dat zou worden opgelegd aan zijn joodse onderdanen. Dergelijke berichten moeten invloed op de Denen hebben gehad en hen hebben geholpen bij het bepalen van wat het juiste gedrag was. Ook al omdat mensen van elkaar wisten dat ze van die berichten op de hoogte waren.


Dat zal een element zijn geweest van de voorwaarden waaronder de Denen wel en de Nederlanders niet massaal in actie kwamen om hun joodse landgenoten te redden.

Bo Lidegaard concludeert aan het eind van zijn boek (p. 418) over de rol van de Deense politieke leiders:
De grootste helden van de redding waren misschien wel de politieke leiders, die in een decennium waarin het heel gewoon was geworden om te spreken over 'wij' en 'zij' de moed hadden om vast te houden aan de uitgangspunten van de democratie: dat alle burgers zijn onderworpen aan dezelfde wetten en aanspraak kunnen maken op dezelfde gerechtigheid.
Waarbij je natuurlijk ook moet bedenken dat de Denen het voordeel hadden dat Zweden zo dichtbij lag dat je in een nacht met een bootje heen en weer kon.

En je moet bedenken dat natuurlijk ook in Nederland mensen hun leven hebben gewaagd om hun joodse landgenoten te redden.
Ik ben in juni 1943 geboren midden in Friesland en ik denk nu aan mijn vader. Ook al door de relatief beperkte aanwezigheid van de Duitsers in Friesland, konden veel joodse Nederlanders bij boeren onderduiken. Boeren waren bereid om dat risico te nemen, maar het hielp wel als daar extra levensmiddelen tegenover stonden. Daar werd voor gezorgd. Er was de Landelijke Organisatie (LO) voor hulp aan onderduikers. Mijn vader werkte daar aan mee door op de slachterij waar hij werkte overdag porties vlees apart te leggen en die 's nachts met zijn roeibootje op te halen. Zodat die over de boerderijen konden worden verspreid. Zonder risico was dat natuurlijk niet.

donderdag 25 juli 2019

Veel van het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar het statusmotief is individualistisch, ja, atomistisch, van opzet

De nieuwe studie Drivers of Desire for Social Rank geeft een fraai overzicht van het onderzoek naar het statuscompetitiemotief, het zich willen inspannen om een hogere status te bereiken. Samen met de eerder verschenen studie Is the desire for status a fundamental human motive? A review of the empirical literature geeft het een aanvulling op de empirische aanwijzingen voor het vermoeden dat de menselijke sociale natuur innerlijk ambivalent is tussen enerzijds het statuscompetitiepatroon en anderzijds het gemeenschapspatroon.

In dat eerste overzicht gaat het over de volgende vijf vragen:
  1. Waarom willen mensen een hoge sociale status?
  2. Bij welke mensen is die wens het sterkst?
  3. Onder welke omstandigheden is die wens het sterkst?
  4. Wat zijn de gevolgen van de wens een hoge status te hebben?
  5. Wanneer en waarom kiezen mensen er voor om niet een hoge status te willen?
Onderaan dit bericht vind je het overzicht dat de onderzoekers maakten van wat onderzoek per vraag aan antwoorden heeft opgeleverd. Zo vind je bijvoorbeeld dat het streven naar status eruit kan voortkomen dat mensen autonoom willen zijn of een gevoel van zelfwaardering willen hebben. En dat het streven naar status sterker is bij mensen met een hoog testosteron-niveau en een hoge dominantie-oriëntatie.

Maar wat bovenal opvalt is dat er in het onderzoek kennelijk geen aandacht is voor de omstandigheid dat mensen bij hun "keuze" voor dat statuscompetitie-motief worden beïnvloed door de "keuzes" van anderen in hun sociale omgeving. (Keuzes tussen aanhalingstekens, omdat er niet altijd een bewuste afweging hoeft te zijn.) Het lijkt alsof al het onderzoek dat hier aan de orde komt, een atomistisch mensbeeld als verborgen veronderstelling heeft. Mensen "kiezen" voor dat statuscompetitiemotief alsof ze alleen op de wereld zijn, los van wat ze waarnemen van de 'keuzes" van anderen. Sociale beïnvloeding bestaat niet.

Anders gezegd: het inzicht van Stelling 2 van de Dual Mode-theorie ontbreekt geheel. Dat is de stelling dat mensen bij het aanleren en uitvoeren van deze gedragspatronen (statuscompetitiegedrag en gemeenschapsgedrag) sterk beïnvloed worden door de mate waarin ze met het ene dan wel het andere gedragspatroon in hun sociale omgeving in aanraking komen.

En dat is precies het inzicht dat de aandacht vestigt op de sociale processen van bewegingen in de richting van oftewel het statuscompetitie-evenwicht oftewel het gemeenschapsevenwicht. Processen waar Stelling 3 van de Dual Mode-theorie op wijst.

Dat sociale beïnvloedingsproces had gemakkelijk aan de orde kunnen komen waar het gaat om de antwoorden op de vraag naar de omstandigheden waaronder mensen meer of minder het statuscompetitiemotief hebben. Want daar gaat het om omstandigheden waarin de behoefte aan controle en zelfwaardering worden bedreigd.

Omstandigheden die meer zullen bestaan als je meer omgeven wordt door anderen die sterk gemotiveerd zijn om naar status te streven. Want anderen zien jou dan als concurrent en hebben dus niet het beste met jou voor.

Omstandigheden die dus minder zullen bestaan als je meer omgeven bent door anderen die gekozen hebben voor gemeenschapsgedrag. Want die hebben daarmee een sociaal veilige omgeving gecreëerd, waarin mensen het wel goed met elkaar voor hebben.

Opmerkelijk dat veel van het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar wat mensen beweegt, nog zo individualistisch, ja, atomistisch, in elkaar steekt. Je beoefent sociale wetenschap, maar kijkt naar mensen als naar sociale atomen.

Hieronder het overzicht van de vragen en antwoorden dat ik overnam uit die studie Drivers of Desire for Social Rank. 

Table 1. Key Findings from Drivers of Desire for Social Rank.
Review QuestionsAnswer Summary
Why do people desire high social rank?
•
Satisfies fundamental desires and needs (e.g., autonomy, need to belong)
•
Reaps reproductive benefits
•
Provides a sense of control
•
Boosts self-esteem
•
Enhances social acceptance
For whom is the desire for social rank the strongest?
•
Individuals with high testosterone
•
Individuals high in self-monitoring
•
Individuals with abstract information processing style
•
Individuals high in prestige or dominance-orientations
Under which circumstances is the desire for social rank the strongest?
•
Situations that threaten or challenge one’s:
o
Control
o
Self-esteem
o
Competence
o
High rank
What are the consequences of the desire for high social rank?
•
Increased monitoring, attention, and reaction to cues that signal threat to high rank
•
Behavioral signaling of competence and dominance (e.g., taking more risks)
•
Building interpersonal capital
•
Greater negative affect
•
Reduced life satisfaction
•
Negative physiological symptoms
•
Trade-offs in performance and creativity
•
Unethical behavior and aggression
When and why do people not desire to maximize their social rank?
•
High rank can be stressful, particularly for those with lower testosterone
•
To avoid falling short of others’ high expectations
•
Having high rank is associated with negative perceptions from others (e.g., inauthenticity)

vrijdag 12 april 2019

Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? En over wat de Dual Mode-theorie te bieden heeft - deel 2

Dit is deel 2 van een reeks berichten over het vak sociologie. Hier lees je deel 1.
En hier lees je deel 3 en hier deel 4. 
Het vorige bericht besloot ik met de constatering dat de twee stellingen van de Dual Mode-theorie aanvulling behoeven met een derde stelling. Dit bericht gaat over die derde stelling.

Maar eerst maar even voor het gemak die eerste twee stellingen aangehaald:
Stelling 1. In hun sociale gedrag (d.i. gedrag ten opzichte van anderen) zijn er twee aan elkaar tegengestelde bundels van gedragspatronen die mensen vaak onbewust en ongepland uitvoeren of gaan uitvoeren: het statuscompetitiepatroon en het gemeenschapspatroon.
Stelling 2. Mensen worden bij het aanleren en uitvoeren van deze gedragspatronen sterk beïnvloed door de mate waarin ze met het ene dan wel het andere gedragspatroon in hun sociale omgeving in aanraking komen.
Die twee gaan over wat mensen wat hun sociale gedrag betreft kunnen. Maar wil de theorie dienstig zijn aan het vergroten van het maatschappelijk belang van het vak sociologie, dan moet hij ook iets te zeggen hebben over wat mensen willen, over hun behoeften. Daarover gaat de derde stelling;
Stelling 3. De combinatie van de twee vorige stellingen impliceert dat er in een menselijke samenleving twee evenwichten mogelijk zijn: een waarin iedereen handelt volgens het gemeenschapspatroon en een waarin iedereen handelt volgens het statuscompetitiepatroon. Van die twee evenwichten komt het gemeenschapsevenwicht beter tegemoet aan de menselijke behoeften dan het statuscompetitie-evenwicht.
De rest van dit bericht en de berichten die er nog wel op zullen volgen, dienen om deze derde stelling toe te lichten.

Eerst maar even over dat begrip evenwicht. Dat slaat op een toestand waarin niemand het een goed idee vindt om voor het andere gedragspatroon te kiezen dan wat hij nu uitvoert. Dat is hetzelfde evenwichtsbegrip als dat van de economie en de speltheorie. Een toestand dus waarin alleen exogene factoren, dus invloeden van buitenaf, kunnen zorgen voor veranderingen.

Waarom dat zo is, blijkt uit Stelling 2. Als iedereen alleen maar in aanraking komt met het gemeenschapspatroon, dan zal iedereen precies daarvoor kiezen. En als iedereen alleen maar in aanraking komt met het statuscompetitiepatroon, dan zal iedereen ook daarvoor kiezen. (Kiezen steeds tussen aanhalingstekens, want veel van de invloed die anderen uitoefenen, voltrekt zich onbewust.)

Van die twee evenwichten die mogelijk zijn, is dus het gemeenschapsevenwicht het beste. In de zin dat het beter tegemoetkomt aan de menselijke behoeften. En dus een hoger welzijn verschaft.

Dat betekent dat we Stelling 3, sterk gestileerd, in het plaatje hieronder kunnen afbeelden. Lees door onder het plaatje.
Het plaatje beeldt de situatie af waarin een persoon i, een lid van een groep of samenleving, zich bevindt. Vanaf het punt linksonder zie je op de horizontale as het aantal andere personen van die groep of samenleving die kiezen voor het gemeenschapspatroon (NG - 1). Stel dat we het hebben over de Nederlandse samenleving, dan staat N - i dus voor alle Nederlanders behalve de persoon i. Helemaal rechts kiezen alle andere Nederlanders voor gemeenschapsgedrag en helemaal links kiezen nul andere Nederlanders voor gemeenschapsgedrag, en dus voor statuscompetitiegedrag.

Op de verticale as is afgebeeld hoeveel welzijn de persoon i ontleent aan oftewel de keuze voor het  gemeenschapspatroon (G) oftewel de keuze voor het statuscompetitiepatroon (S). We zien dat het welzijn heel laag is (C) als i de enige is die kiest voor gemeenschapsgedrag, maar toeneemt met het aantal anderen dat voor het gemeenschapspatroon kiest. Het maximale welzijn (A) is bereikt als alle anderen dat doen.

En we zien dat het welzijn dat i zou ontlenen aan statuscompetitiegedrag (B) behoorlijk hoog is als alle anderen voor datzelfde gedrag kiezen, maar afneemt met het aantal anderen dat kiest voor gemeenschapsgedrag. i komt dan steeds meer in aanraking met gemeenschapsgedrag en heeft dan steeds minder een goed gevoel als hij doorgaat met statuscompetitiegedrag (en dus een lager welzijn) en/of krijgt steeds meer te maken met sociale afwijzing en afkeuring (en dus een lager welzijn).

Wat Stelling 3 zegt is dat punt A hoger ligt op de welzijnsas dan punt B. Het gemeenschapsevenwicht A komt meer tegemoet aan de menselijke behoeften dan het statuscompetitie-evenwicht B. A is het optimale evenwicht en B het sub-optimale evenwicht. Bedenk dat wat in het plaatje voor persoon i wordt afgebeeld, net zo geldt voor alle andere personen.
Ingewijden in de speltheorie zullen het plaatje hebben herkend als een variant van het plaatje waarmee het N-persoons gevangenendilemma vaak wordt afgebeeld. In dat dilemma gaat het om de keuze tussen Cooperate en Defect (vergelijkbaar met gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag), waarbij Defect altijd een hoger welzijn (in de speltheorie "nut") oplevert dan Cooperate. In dat geval is er dus alleen meer het sub-optimale evenwicht waarin iedereen kiest voor Defect. We zagen al dat proefpersonen zich niet zo goed houden aan de voorspelling van de speltheorie dat iedereen kiest voor Defect. Zie het bericht Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (2): samenwerking, competitie en het gedrag van anderen. 
Natuurlijk geeft het plaatje een sterk gestileerd beeld van een heel ingewikkelde sociale situatie. Het is ook niet meer dan een geraamte dat voor concrete toepassingen veel vlees en bloed nodig heeft. Zoals inzichten in de geïnformeerdheid van mensen over het gedrag van anderen. En dus in welke signalen ze daarvan krijgen, zoals via de media. En inzicht in mogelijke verschillen tussen mensen in hun geneigdheid tot het ene dan wel het andere patroon en verschillen in hun beïnvloedbaarheid door wat anderen doen.

En het cruciale punt is dus de "welzijnswinst" die geboekt wordt bij een verschuiving van evenwicht B naar evenwicht A. In het volgende bericht ga ik in op alle empirische aanwijzingen die we hebben voor de stelling dat die welzijnswinst er inderdaad is.

dinsdag 26 februari 2019

Maakt het studeren van het vak economie egoïstischer? - Nieuw overzicht van onderzoek

Verschillen economen en studenten economie van andere mensen in de zin dat ze egoïstischer en opportunistischer, dus minder pro-sociaal, zijn? En als dat zo is, komt dat dan doordat meer egoïstische mensen meer kiezen om economie te studeren (selectie-effect) of doordat het studeren van het vak economie, en het daardoor meer in aanraking komen met het economische gedragsmodel, mensen egoïstischer maakt (beïnvloedingseffect)?

Onderzoek levert aanwijzingen op voor beide effecten. Naar aanleiding van het beïnvloedingseffect vroeg ik me al eens af of we niet beter af zouden zijn als minder jongeren economie (of bedrijfskunde) zouden studeren. Want je zou toch niet willen dat een universitaire studie eraan bijdraagt dat we in de maatschappij meer te maken hebben met egoïsme en competitief gedrag.

Maar het onderzoek naar het mogelijke verschil en naar die beide effecten is doorgegaan en levert niet altijd even duidelijke conclusies op. De nieuwe studie Are People Trained in Economics “Different,” and if so, Why? A Literature Review geeft nu een overzicht van de literatuur.

Daaruit blijkt dat een opleiding economie inderdaad egoïstischer maakt, maar dan bovenal in speltheoretische experimenten, dus in situaties die overeenkomen met wat behandeld wordt in de economische leerstof. In alledaagse situaties, en als er geen geld in het spel is, lijkt dat verschil met niet-economen zo niet weg te vallen, dan toch veel kleiner te zijn.

Verder zijn er aanwijzingen voor zowel het selectie-effect als het beïnvloedingseffect. Wat die beïnvloeding betreft, lijkt het zo te zijn dat de invloed mede verloopt via de inschatting die mensen maken van het gedrag van anderen. Als je als economiestudent leert dat het economische gedragsmodel (rationele keuzetheorie) ook echt het menselijk gedrag beschrijft of als die suggestie gewekt wordt, dan brengt dat je er gemakkelijk toe om jezelf ook zo te gedragen. Omdat je daar dan moreel minder last van hebt en/of uit zelfbescherming.

Het in aanraking komen met economische leerstof lijkt dus te werken als een aanwijzing voor hoe mensen in het algemeen zich gedragen. Daar pas je je op aan. En dat komt dus geheel overeen met de gedachte van de Dual Mode-theorie dat mensen zich bij de "keuze" tussen (egoïstisch) statuscompetitiegedrag en (pro-sociaal) gemeenschapsgedrag laten leiden door de signalen die ze krijgen over de aard van hun sociale omgeving.

vrijdag 21 september 2018

Nieuwe aanwijzingen voor de flexibele menselijke sociale natuur - gemeenschapsgedrag lokt gemeenschapsgedrag uit

Op zijn eenvoudigst gezegd, bestaat de Dual Mode-theorie uit de volgende twee stellingen:

Stelling 1. In hun sociale gedrag (d.i. gedrag ten opzichte van anderen) zijn er twee gedragspatronen die mensen gemakkelijk aanleren en vaak onbewust en ongepland uitvoeren: het statuscompetitiepatroon en het gemeenschapspatroon.

Stelling 2. Mensen worden bij het aanleren en uitvoeren van deze gedragspatronen sterk beïnvloed door de mate waarin ze met het ene dan wel het andere gedragspatroon in hun sociale omgeving in aanraking komen. (Speltheoretisch gezien gaat het om frequentie-afhankelijke strategieën.)
Lees de berichten achter het label Dual Mode-theorie voor meer toelichting.
Aan de bestaande aanwijzingen die pleiten voor de tweede stelling kan nu het nieuwe onderzoek
Hunter-Gatherers Maintain Assortativity in Cooperation despite High Levels of Residential Change and Mixing worden toegevoegd.

Het onderzoek werd uitgevoerd onder de Hadza in Tanzania, een van de laatste nog bestaande jagers-verzamelaarsvolken. Hadza zijn heel mobiel en leven in groepen die veel wisselen van samenstelling.
Zie over de Hadza ook het bericht Een samenleving zonder emotionele verwaarlozing van kinderen. Kan dat? De Hadza.
Het onderzoek besloeg vier verschillende jaren (2010, 2013, 2014 en 2016). Aan de deelnemers aan het onderzoek werd per groep een publiek goed-dilemma voorgelegd.

Dit dilemma hield in dat ieder lid van de op dat moment bestaande groep, het kamp, 0 - 4  honey sticks aan het collectief kon afstaan, waarna de onderzoekers het totaal aantal "geïnvesteerde" honey sticks verdrievoudigden en over alle leden van de groep verdeelden. Hoe meer sticks je investeerde in het collectief, hoe meer de groep als geheel daar baat bij had. Maar voor ieder lid bestond de verleiding niet of weinig te investeren en tegelijk toch mee te delen in de investeringen van anderen.

In dat dilemma is de grootte van de investering van een individu in het collectief een maat voor zijn/haar samenwerkingsgeneigdheid, dus voor gedrag dat overeenkomt met het gemeenschapspatroon. Ook wel pro-sociaal gedrag genoemd.

Omdat de onderzoekers in totaal 137 individuen over meer dan twee jaar volgden, konden ze nagaan of de mate van gemeenschapsgedrag meer een stabiel persoonskenmerk was of integendeel afhankelijk was van de mate van gemeenschapsgedrag van de groep waartoe ze op dat moment behoorden.

En dat laatste bleek in sterke mate het geval. Voor ieder individu gold dat hij/zij meer gemeenschapsgedrag vertoonde in een groep waar dat gedrag meer voorkwam en minder in een groep waar het minder voorkwam.

En dat is dus precies een aanwijzing voor die flexibele menselijke sociale natuur waar het in die Dual Mode-theorie over gaat. Mensen zijn tot samenwerking en tot gemeenschapsgedrag bereid, maar worden daarbij wel beïnvloed door de aard van hun sociale omgeving. Door hoeveel anderen tot datzelfde gedrag bereid zijn. Gemeenschapsgedrag lokt gemeenschapsgedrag uit.

maandag 12 maart 2018

Competitie maakt competitiever ook als je er niet zelf aan meedoet

Volgens de Dual Mode-theorie hebben mensen twee sociale gedragspatronen klaar liggen om snel uit te voeren, statuscompetitiegedrag en gemeenschapsgedrag, en laten ze zich bij de (meestal onbewuste) keuze tussen die twee, leiden door wat ze het meest in hun omgeving waarnemen.

Voor die laatste hypothese zijn er op dit blog al verschillende aanwijzingen voorbijgekomen. Zo hebben we gezien dat pro-sociaal (gemeenschaps-)gedrag pro-sociaal gedrag gemakkelijk uitlokt. Het laatste bericht in dat verband was Pro-sociaal gedrag is aanstekelijk - Nieuwe aanwijzingen.

En er zijn allerlei aanwijzingen dat kinderen die opgroeien in een meer conflictueuze en gewelddadige omgeving in hun latere leven in hun gedrag opportunistischer en egoïstischer zijn. Zie een van de berichten in dat verband: Mannen zijn opportunistischer en wraakzuchtiger als ze in een omgeving met meer geweld zijn opgegroeid. In diezelfde richting wijst het onderzoek dat laat zien dat agressie op televisie adolescenten agressiever maakt en onderzoek dat hetzelfde effect laat zien van competitieve videogames.

De nieuwe studie The influence of a competition on noncompetitors versterkt deze aanwijzingen als het gaat om competitie. De onderzoekers gaven bezoekers van een dierentuin de vrijheid om zelf te bepalen hoeveel ze voor de entree wilden betalen. De meesten gaven een vrijwillige bijdrage, die wel lager was dan de normale entreeprijs. Een deel van de bezoekers kreeg te horen dat er een competitie was om wie de hoogste entreeprijs zou betalen. Daar kon voor de winnaar ook een prijs aan vastzitten, zoals een jaarkaart voor de dierentuin.

Een ander deel van de bezoekers kreeg niets over die competitie te horen. Vervolgens bleek dat de bezoekers die wel van de competitie te horen hadden gekregen, maar er voor kozen om er niet aan mee te doen, een hogere vrijwillige bijdrage als entree betaalden dan degenen die geheel niet op de hoogte waren van de competitie.

Het kennis hebben van het plaatsvinden van een competitie, zonder zelf daaraan mee te doen, bleek dus het gedrag te beïnvloeden. In die zin dat het gedrag meer ging lijken op degenen die wel aan de competitie deelnamen.

De onderzoekers vermoeden dat eenvoudigweg het beeld dat bij je wordt opgeroepen als je hoort dat er een competitie plaatsvindt, competitieve emoties bij je uitlokt, die vervolgens je gedrag gaan beïnvloeden.

Dat zet je aan het nadenken over het effect op ons van al die competitie die we in ons dagelijks leven, op ons werk of in de media, om ons heen waarnemen. We worden er door beïnvloed, ook als we zelf geen deelnemers zijn.

vrijdag 13 oktober 2017

Als je hoort dat anderen minder vlees zijn gaan eten, ga je zelf ook minder vlees eten

Mensen zijn sterk sociaal beïnvloedbaar. Dat wil zeggen dat ze sterk geneigd zijn om te doen wat ze anderen zien doen.

Daardoor kan een gedrag dat negatieve gevolgen heeft en dat we dus eigenlijk minder zouden moeten doen, blijven voortbestaan als het nu eenmaal veel voorkomt.

Neem al dat gedrag dat slecht is voor het milieu. Zoals het eten van veel vlees. Vlees is met het toenemen van de welvaart gedurende de vorige eeuw een vast en groot bestanddeel geworden van ons dieet. Maar het is steeds duidelijker geworden dat we daarmee een aanzienlijke bijdrage leveren aan de opwarming van de aarde. Bovendien zijn er gezondheidsredenen om minder vlees te eten.

Toch is de vleesconsumptie nog steeds aanzienlijk. De informatievoorziening over de negatieve effecten van vlees eten is er wel, maar lijkt weinig invloed te hebben. Mensen lijken meer beïnvloed te worden door de zogenaamde descriptieve norm: de informatie over hoeveel anderen vlees eten. Zolang vlees eten zo veel voorkomt, "normaal is", zijn er maar weinig die hun eetgedrag veranderen.

Ook al weten ze dat veel vlees eten eigenlijk niet goed is. In termen van de focus theory of norms van Robert Cialdini en anderen: descriptieve informatie (over wat anderen doen) heeft vaak meer effect dan normatieve informatie (over wat goed is om te doen). Denk in dit verband (omgekeerd) ook aan de aanstekelijkheid van pro-sociaal gedrag, zoals in de berichten De kracht van "wat anderen doen" en Pro-sociaal gedrag is aanstekelijk - Nieuwe aanwijzingen.

Hoe kun je dan in een toestand waarin iedereen doet wat eigenlijk niet zou moeten, mensen toch overhalen om hun gedrag te veranderen? Dat was de vraag die de onderzoekers zich stelden in de studie Dynamic Norms Promote Sustainable Behavior, Even if It Is Counternormative. In een reeks van experimenten gingen ze na of het helpt als je mensen vertelt hoeveel anderen ertoe zijn overgegaan om hun gedrag te veranderen.

Hun redenering was dat mensen die verandering gaan zien als een voorbode van wat in de toekomst normaal zal zijn. En dat ze door het voorbeeld dat anderen geven een minder hoge drempel ervaren om zelf hun gedrag te veranderen.

De uitkomsten van die experimenten komen met deze gedachtegang overeen. Zo is er het experiment waarbij bezoekers van een universiteitscafetaria die in de rij staan voor de lunch kort werden geïnterviewd, zogenaamd over consumentenvoorkeuren. Daarbij kregen ze oftewel te horen dat 30 procent  probeert minder vlees te eten oftewel dat 30 procent in de laatste vijf jaar is begonnen met te proberen minder vlees te eten. (Daarnaast was er nog een controlegroep die iets anders te horen kreeg.)

De onderzoekers konden vervolgens nagaan wat iedereen voor lunch ging gebruiken en in het bijzonder wie een vegetarische lunch nam. De resultaten zie je hieronder.


Degenen die te horen hadden gekregen dat 30 procent was begonnen met minder vlees te gaan eten (rechterstaafje) namen significant meer een vegetarische lunch dan de andere twee groepen.

Dat laat dus zien hoe je kunt ontsnappen uit zo'n toestand waarin iedereen doet wat je eigenlijk niet zou moeten doen. Maak vooral goed bekend hoeveel anderen, als er zulke voorlopers zijn, al hun gedrag hebben veranderd.

woensdag 7 juni 2017

Over de slechte invloed van statuscompetitieve leiders. En dus over Donald Trump

De tijd waarin we leven is boeiender dan je zou wensen. Dat wil zeggen dat je vaak je hart vasthoudt voor hoe het verder moet. Toekomstige historici zullen er met de afstand die dan mogelijk is verstandige dingen over kunnen zeggen. Nu kunnen we niet veel meer doen dan proberen om de eerste indrukken zo goed mogelijk onder woorden te brengen.

Een van die indrukken die zich aan mij opdringen is dat we in het publieke domein in alle hevigheid een periode van strijd meemaken tussen de algemeen-menselijke, aan elkaar tegengestelde neigingen tot enerzijds statuscompetitie en anderzijds gemeenschapsgedrag. Waarbij het erop lijkt dat de statuscompetitie aan de winnende hand is.

Als het statuscompetitiepatroon overheerst, dan gaan mensen ervan uit dat je niet op de goedgezindheid van anderen kunt vertrouwen. Je moet altijd op je hoede zijn. En om te voorkomen dat anderen over je heen lopen, waar ze altijd op uit zijn, moet je je altijd krachtig en vastberaden proberen voor te doen.

Laat nooit je kwetsbare kanten zien. Straal krachtdadigheid uit. Intimideer anderen, om te voorkomen dat anderen jou intimideren. Beschouw anderen als instrumenten om jouw doelen te bereiken, om een zo hoog mogelijke positie in de statushiërarchie te bereiken. Ga allianties aan, maar alleen met dat doel. Laat anderen meteen vallen als ze niet meer voor jou nuttig zijn.

Statuscompetitie gaat dus altijd gepaard met een sterke nadruk op uiterlijkheid en uiterlijk vertoon. Het theatrale staat voorop. Enscenering is van levensbelang.

Het gedrag van veel van onze hedendaagse leiders en anderen die leiderschap ambiëren past naadloos in dat statuscompetitiepatroon. Waar je dan natuurlijk meteen aan denkt is het gedrag van Donald Trump, de leider van het machtigste land ter wereld.

Ik denk even aan dit bericht van gisteren dat de nadruk op het theatrale en de enscenering mooi illustreert: Trump launches infrastructure initiative with fake signing ceremony. Het gebeuren zou vermakelijk zijn als het een minder machtige leider betrof. Ik citeer even de eerste alinea:
Donald Trump, a fan of spectacles and spotlights, has a habit of signing executive orders that don’t actually do anything. The president likes to appear before cameras and give the appearance of work, but in nearly every instance, Trump’s “accomplishments” are little more than political theater.
Die hang naar het theatrale, met volstrekt voorbijgaan aan enige eigen inhoudelijke inbreng, blijkt ook dit interview met Trumps biograaf: Trump biographer: "He's an actor who's been playing himself for his entire life".

En ik denk aan de mooie column van David Brooks van al weer een paar dagen geleden: Donald Trump Poisons the World (met dank aan Arie Glebbeek). Waarin Brooks niet alleen precies dat statuscompetitiepatroon beschrijft, maar vooral ook waarschuwt voor de sociale beïnvloeding die ervan uitgaat als zulk gedrag prominent in de media belicht wordt.

Goede leiders hebben, schrijft Brooks, wel degelijk oog voor de egoïstische en competitieve kanten van de menselijke sociale natuur, maar, zo vervolgt hij:
they have another foot in the realm of the moral motivations. They seek to inspire faithfulness by showing good character. They try to motivate action by pointing toward great ideals.
Realist leaders like Trump, McMaster and Cohn seek to dismiss this whole moral realm. By behaving with naked selfishness toward others, they poison the common realm and they force others to behave with naked selfishness toward them. (McMaster en Cohn zijn medewerkers van Trump)
By treating the world simply as an arena for competitive advantage, Trump, McMaster and Cohn sever relationships, destroy reciprocity, erode trust and eviscerate the sense of sympathy, friendship and loyalty that all nations need when times get tough.
By looking at nothing but immediate material interest, Trump, McMaster and Cohn turn America into a nation that affronts everybody else’s moral emotions.
Dat het gedrag van een slechte leider als Donald Trump ook inderdaad invloed uitoefent, blijkt uit het bericht Kids Are Quoting Trump To Bully Their Classmates And Teachers Don’t Know What To Do About It.

Kinderen herkennen het gedrag maar al te goed en zien het als een aanmoediging om zich net zo te gedragen. Buzzfeeds News inventariseerde 54 incidenten verspreid over de Verenigde Staten, waarin een leerling een mede-leerling bestookt met verwijzing naar Trump als een soort van rechtvaardiging. Ik citeer:
On a school bus in San Antonio, Texas, a white eighth-grader said to a Filipino classmate, “You are going to be deported.” In a classroom in Brea, California, a white eighth-grader told a black classmate, “Now that Trump won, you're going to have to go back to Africa, where you belong.” In the hallway of a high school in San Mateo County, California, a white student told two biracial girls to “go back home to whatever country you're from.” In Louisville, Kentucky, a third-grade boy chased a Latina girl around the classroom shouting “Build the wall!” In a stadium parking lot in Jacksonville, Florida, after a high school football game, white students chanted at black students from the opposing school: “Donald Trump! Donald Trump! Donald Trump!”
Je vraagt je dus wel af hoe dat moet aflopen nu we zulke slechte leiders aan de macht hebben. En zoveel media-aandacht voor andere figuren die die macht ambiëren.

maandag 6 februari 2017

Pro-sociaal gedrag is aanstekelijk - Nieuwe aanwijzingen

Dat mensen van nature goed zijn, betekent natuurlijk niet dat ze zich altijd pro-sociaal gedragen. Belangrijk is of ze signalen waarnemen dat anderen zich ook pro-sociaal gedragen. Zie Wie goed doet, doet dubbel goed. Pro-sociaal gedrag is aanstekelijk.

Want mensen zijn zowel in staat tot gemeenschapsgedrag als tot statuscompetitiegedrag en laten zich bij de "keuze" daartussen leiden door wat ze anderen zien doen (Dual-Mode theorie).

Het mooie van pro-sociaal gedrag is dus dat je er dubbel goed mee doet: niet alleen doe je zelf iets goed voor anderen, maar je draagt er ook toe bij dat anderen dat waarnemen en zich daardoor ook pro-sociaal gaan gedragen.

Dat dat zo werkt, blijkt nu weer eens uit nieuw onderzoek: Indirect reciprocity and prosocial behaviour: Evidence from a natural field experiment.

Het gaat om een experimenteel veldonderzoek, uitgevoerd op een grote parkeerplaats in een stad in Australië. Die parkeerplaats had een serie uitgangen naar een over de gehele breedte gelegen weg. Als je die parkeerplaats verlaat, dan kan het gebeuren dat er van rechts een auto komt aanrijden die jou wel of niet de gelegenheid geeft om de weg op te rijden. Als de bestuurder van die auto dat doet, dan is dat een vorm van pro-sociaal gedrag.

De onderzoekers hadden het experiment zo opgezet dat ze eerst na gingen hoe vaak het gebeurde dat als een van hen de parkeerplaats wilde verlaten op het moment dat een auto aan kwam rijden, die automobilist inhield in plaats van door te rijden. Dat bleek in bijna 15 procent van de gevallen te gebeuren. Dat is, zou je kunnen zeggen, in deze situatie de hoeveelheid pro-sociaal gedrag die je als baseline kunt verwachten.

Maar wat gebeurde er als die automobilist die aan kwam rijden, even daarvoor zelf bij het verlaten van de parkeerplaats voorrang had gekregen? Dat gebeurde in die experimentele conditie door de andere onderzoeker die daar "toevallig" net kwam aanrijden en hoffelijk inhield.

In die gevallen verdubbelde het pro-sociale gedrag tot ruim 32 procent, een statistisch significant verschil.

We kunnen dus allemaal iets bijdragen aan een aardiger maatschappij. Door aardig gedrag van anderen uit te lokken door zelf aardig te zijn. Niet als een voor-wat, hoort-wat, maar gewoon als het goede voorbeeld. Als een herinnering aan hoe we zouden willen dat we met elkaar omgaan.

zaterdag 31 december 2016

Op de drempel van 2017: de gevaren van sociale zeepbellen in het publieke domein - Americans believe crazy, wrong things

Catherine Rampell gaf drie dagen geleden in de Washington Post een overzichtje van enkele krankjorume en feitelijk onjuiste ideeën die Amerikanen er op grote schaal op nahouden. Zie
Americans — especially but not exclusively Trump voters — believe crazy, wrong things - The Washington Post.

Zou het in Europa beter zijn? Ik weet het nog zo net niet. En in Nederland? Waar het grootste deel van de goegemeente zeker meent te weten dat het bezuinigingsbeleid van achtereenvolgende kabinetten precies het goede antwoord was op de crisis? Waar we dus de continuing story van de bezuinigingszeepbel meemaken?

Want ja, het gaat om sociale zeepbellen. Als we slecht geïnformeerd zijn, dan doet de onweerstaanbare neiging om ons door anderen te laten beïnvloeden heel gemakkelijk sociale zeepbellen ontstaan.

Toevallig hoor je de ene opinie wat vaker dan de andere en dan denk je dat daar toch wel wat in zal zitten. Of die ene opinie wordt bewust in en door de media verspreid, door fanatieke gelovigen of door cynische belanghebbenden.

En het is bovenal het publieke domein waarover we doorgaans niet zo goed zijn geïnformeerd. Doordat dat nu eenmaal verder van ons afstaat.

Maar ook doordat de media hun werk niet goed doen. Door verkeerde informatie te verspreiden, waardoor we in de  post-truth society lijken te zijn beland.

Of door zich in de hang naar reclame-inkomsten en dus kijkcijfers bovenal te richten op vermaak en amusement. Waardoor de indruk kan postvatten dat het ook helemaal niet nodig is om je over zaken in dat publieke domein te informeren.

Dat alles dringt zich wel erg aan je op, op deze laatste dag van 2016.

Op het goed laten functioneren van dat publieke domein, en van de democratie als middel daartoe, zijn wij van nature niet goed ingesteld. Het is dus niet verrassend dat daar veel inspanning en toewijding voor nodig is.

Hopelijk weten genoeg mensen in 2017 die inspanning en toewijding op te brengen.

maandag 13 juni 2016

Wie goed doet, doet dubbel goed. Pro-sociaal gedrag is aanstekelijk

Wie goed doet, doet dubbel goed. Sociaalwetenschappelijk gezegd: als je je pro-sociaal gedraagt, draag je er aan bij dat anderen dat ook doen.

De nieuwe studie Prosocial Conformity: Prosocial Norms Generalize Across Behavior and Empathy versterkt het al langer bestaande vermoeden dat mensen graag bereid zijn iets voor de goede zaak te doen en om anderen te helpen, maar dat het daarbij veel uitmaakt wat anderen doen. Als anderen het goede voorbeeld geven, dan doen mensen graag mee.

De onderzoekers lieten mensen via Amazon Mechanical Turk kiezen hoeveel van een toegekende bonus (1 dollar) ze aan een goed doel bereid waren af te staan. Ze konden 100 keer die keuze maken, bij steeds wisselende goede doelen, waarna een willekeurig bepaalde keuze ook daadwerkelijk werd uitgevoerd. De deelnemers kregen tussen door (gefingeerde) informatie over hoeveel anderen aan het goede doel hadden gegeven. De ene helft kreeg te horen dat anderen gemiddeld 75 cent hadden gegeven en de andere helft dat anderen 25 cent hadden gegeven.

Over de gehele groep genomen gaven de
deelnemers in de eerste ronde gemiddeld 9 cent weg. Bij degenen die verteld was dat anderen gemiddeld 75 cent hadden gegeven, liep het bedrag dat ze daarna weggaven op, terwijl het bij de anderen nagenoeg gelijk bleef.

Uit vervolgonderzoekjes bleek dat dit aanstekelijkheidseffect bleef bestaan bij een groter tijdsverschil tussen het ontvangen van de informatie over het gedrag van anderen en de te maken keuze. Ook bleef het bestaan als de te maken keuze ging over een andere vorm van pro-sociaal gedrag.

En ook bleef het bestaan als de informatie niet betrekking had op het pro-sociale gedrag van anderen, maar op hoeveel empathie anderen voelden met iemand die tegenslag had te verduren of met daklozen. Het bleek dat die empathie van anderen de eigen empathie vergrootte. Dus ook empathie is aanstekelijk en empathie vergroot de kans op pro-sociaal gedrag.

Conclusie: wie goed doet, doet dubbel goed. Niet alleen dat je anderen helpt of iets doet voor de goede zaak, je geeft ook het goede voorbeeld. Een voorbeeld dat anderen graag navolgen, maar dat ze dus wel nodig blijken te hebben. (Denk ook weer even aan de Dual Mode-theorie.).

En je leert er van dat het veel uit kan maken welke informatie mensen krijgen. Ik moest even terug denken aan het bericht dat veel asielzoekerscentra met instemming en zelfs steun van de bevolking tot stand waren gekomen.

Goed dat dat bericht er ook was, Want daarvoor was er in de media uitsluitend aandacht voor die enkele gevallen waarin tegen asielzoekers was gedemonstreerd of erger.

donderdag 9 juni 2016

Plastic tasjes, sociale beïnvloeding en de maakbare samenleving

Dat het verbod op gratis plastic tasjes vanaf 1 januari van dit jaar zo goed werkt, heeft niet veel aandacht gekregen. Toch is het van belang er bij stil te staan.

Nederland voldoet met het verbod aan een Europese verplichting. En die is er omdat plastic tasjes uiteindelijk in het milieu terechtkomen en daar grote schade aanrichten. Denk aan de plasticsoep in de oceanen. En dichter bij huis is er het zwerfafval.

Hoe te verklaren dat het verbod zo goed werkt? Terwijl er van te voren geluiden waren dat het verbod niet zou kunnen worden gehandhaafd. Lees nog even het bericht Tasjesverbod gedrocht dat op 27 december in De Telegraaf verscheen.

Zoals ik eerder betoogde toen het ging om het vuurwerkverbod en het rookverbod, kan een verbod goed werken als het gaat om een gedrag dat schade aan anderen toebrengt (negatieve externe effecten). Als mensen goed geïnformeerd zijn over de omvang van die schade of die schade zelf waarnemen, dan vinden ze een verbod gerechtvaardigd en zullen ze het ook naleven.

Kijk maar naar de resultaten van de flitspeiling die op 17 mei werd afgenomen. 71% van de Nederlanders vindt de maatregel voor het verbod op gratis plastic tasjes uitstekend of zeer goed. En 83% geeft aan zelf een tas mee te nemen voor hun aankopen in de winkel.

Maar, kun je je dan afvragen, waarom is dan een verbod eigenlijk nog nodig? Waarom namen mensen dan al niet voor 1 januari 2016 al een eigen tasje mee naar de winkel en weigerden ze een gratis plastic tas?

Ik denk dat het er aan ligt dat het toch iets meer moeite kost om dat te doen. Het is wel lekker makkelijk, zo'n gratis tasje. En dat wijst er op dat mensen voor de goede zaak best een kleine moeite willen doen, maar pas als ze weten dat anderen dat ook doen. Als het "normaal" is om die moeite te doen.

Anders gezegd, niemand wil een zonderling zijn. En zo'n verbod helpt omdat het de boodschap verspreidt dat wij nu met zijn allen hebben besloten dat het afgelopen moet zijn met die gratis plastic tasjes. Als anderen het ook doen, dan doen wij graag mee.

En dat is precies het tweede, van de drie, sociaalwetenschappelijke inzichten die ik noemde in dat bericht over het vuurwerkverbod. Ik citeer:
Het tweede inzicht is dat mensen zich in hun gedrag sterk door wat anderen doen laten leiden. Informatie over het gedrag van anderen heeft meer invloed op het eigen gedrag dan informatie over de wenselijkheid of de voordelen van dat gedrag. Opvallend is dat mensen zich er niet van bewust zijn, want ze denken dat die wenselijkheid of voordelen de grootste rol in hun beslissingen spelen. We zijn sterk sociaal beïnvloedbaar, maar dat weten we niet van onszelf . Onze bereidheid om verboden na te leven op het terrein van negatieve externaliteiten is sterk afhankelijk van de informatie die we over het gedrag van anderen krijgen. 
Gratis plastic tasjes, vuurwerk en roken leren ons dus dat we met een eenvoudige maatregel als een verbod wel degelijk iets kunnen veranderen. Waar een overheid al niet goed voor is.

Hoe noemden we dat ook al weer? De maakbare samenleving!

maandag 2 november 2015

Pro-sociaal gedrag en vertrouwen in anderen gaan samen op - en over waarom dat geen verrassing zou moeten zijn

Onderzoek geeft opnieuw een aanwijzing dat pro-sociaal gedrag en vertrouwen in anderen samen op gaan.

Jouw neiging tot pro-sociaal gedrag, dus tot het helpen en ondersteunen van anderen, wordt sterk beïnvloed door hoeveel van datzelfde gedrag je in jouw sociale omgeving meemaakt. Denk aan de Dual Mode-theorie. En hoe meer jij omgeven wordt door anderen die zich pro-sociaal gedragen, hoe meer jij geneigd zult zijn om andere mensen te vertrouwen. Het is eigenlijk zo eenvoudig als het maar zijn kan. Lees ook nog eens het verreweg meest gelezen bericht van dit blog Wat is eigenlijk pro-sociaal gedrag?

Het nieuwe onderzoek Two-Component Model of General Trust: Predicting Behavioral Trust from Attitudinal Trust (betaalpoort) van Toshio Yamagishi e.a. laat nu overtuigend zien dat de neiging tot het hebben van vertrouwen in andere mensen, interpersoneel vertrouwen, op verschillende manieren gemeten, sterk samenhangt met de neiging tot pro-sociaal gedrag. Bovendien hangt pro-sociaal gedrag sterk samen met het honoreren van het in jou gestelde vertrouwen door anderen.

Het zou geen verrassing moeten zijn. Dat het dat voor veel onderzoekers wel schijnt te zijn, komt waarschijnlijk doordat onderzoek er vaak uit bestaat dat steekproeven van personen worden ondervraagd.

Daardoor ben je automatisch gericht op het theoretiseren over en zoeken naar verbanden tussen kenmerken van personen. En krijg je er minder gemakkelijk zicht op dat personen die zich pro-socialer gedragen, de neiging hebben om elkaar "op te zoeken", om te clusteren. Waardoor ze vervolgens weer door hun omgeving meer beïnvloed worden om zich pro-sociaal te gedragen.

En waardoor ze natuurlijk ook gemakkelijker leren dat anderen zijn te vertrouwen.

Dat hele selectie- en beïnvloedingsproces, daar krijgen onderzoekers die alleen met vragenlijsten werken niet zo gemakkelijk zicht op.

Zie in dit verband ook (nog eens) de berichten Te geven is zaliger dan te ontvangen - Maar de gelegenheid maakt de gever en Door lidmaatschappen en vrijwilligerswerk niet meer sociaal vertrouwen - wel door persoonlijke contacten.

maandag 18 mei 2015

Was de explosie van CEO-beloningen een kwestie van normverandering?

Paul Krugman had zo zijn gedachten bij dit plaatje:



Je ziet afgebeeld hoe de verhouding tussen de salarissen van de ondernemingsbestuurders (CEO's) en de gewone werknemers zich ontwikkelde in de Verenigde Staten vanaf 1965. In 1965 verdiende een CEO gemiddeld 20 maal zoveel dan de gemiddelde werknemer. Tot eind jaren tachtig steeg dat heel langzaam tot bijna 30 maal. Maar toen kwam wat je wel een explosie kunt noemen: in 2000 was de verhouding tot bijna 400 maal gestegen.

Dat roept de vraag op wat er begin jaren 90 veranderde wat je als oorzaak voor die snelle stijging zou kunnen aanwijzen. Economisch geredeneerd zou er iets moeten zijn veranderd in de schaarsteverhoudingen. Want beloningen zouden immers schaarsteverschillen moeten weerspiegelen. Het leiden van een onderneming zou dus in die korte periode plotsklaps zoveel lastiger moeten zijn geworden dat de vereiste vaardigheden veel minder aanwezig waren.

Daarvoor zijn er eigenlijk geen aanwijzingen. Er moet iets anders zijn geweest.

Paul Krugman herinnert zich een gesprek met een CEO die als verklaring te berde bracht dat in die periode de televisie begon met het uitzenden van American football. Dat trok zoveel kijkers, met zulke hoge reclame-inkomsten, dat de salarissen van de spelers sterk begonnen te stijgen. En omdat CEO's veel naar die uitzendingen keken, gingen ze zich afvragen waarom zij zelf eigenlijk ook niet zoveel zouden kunnen verdienen. "Waarom wij ook niet?"

En toen bleek dat de hoogte van de CEO-salarissen niet werd bepaald door de markt, maar door sociale normen. Want de CEO's benoemden zelf de commissie's die bepaalden hoe hoog hun salarissen zouden moeten zijn. En tot dan heerste de norm dat het fatsoenlijk was om niet meer dan dan zo'n 20 tot 30 keer meer dan de gewone werknemer te verdienen. Maar fatsoensnormen kunnen veranderen en dat gebeurde. Er kwamen een paar CEO's die zich zelf flink meer toe lieten stoppen en toen was het hek van de dam. Want waarom zou ik minder waard zijn, gingen anderen denken.

Kortom, het proces van onderlinge sociale beïnvloeding zorgde er eerst voor dat de hebzucht werd bedwongen, maar vervolgens werd het de norm om je nergens wat van aan te trekken en te pakken wat je maar kunt pakken. Denk ook nog even weer aan Hoe kan bandeloze hebzucht ontstaan? Over kapitalisme en moraal. De explosie van CEO-beloningen was niet een economisch, maar een sociologisch verschijnsel.

Krugman denkt dat hier wel wat in zit, hoewel hij er meteen aan toevoegt dat het blijft bij speculatie.

Vandaag heeft Ezra Klein een interessante toevoeging. Want, zegt hij, bedenk wel dat de hoogste tarieven in de inkomstenbelasting gedurende de jaren 50 en 60 nog op 90 procent stonden. En in 1980 nog 70 procent bedroegen. Waarna ze snel daalden (Reagan!) tot ze in 1990 het niveau van 30 tot 40 procent bereikt hadden. Zie de groene lijn in de figuur hieronder. Door die veel lagere tarieven werd het voor CEO's (en andere veelverdieners) ook aantrekkelijker om te proberen hun beloningen te verhogen. 
Anders gezegd, normen zullen zeker ook een rol hebben gespeeld, maar er was ook een institutionele verandering. In de sfeer van de inkomstenbelasting.

Maar daar kun je meteen weer bij bedenken dat die tariefsverlaging ook wel iets met normverandering te maken zal hebben gehad. Dat hoge tarief van 90 procent was natuurlijk een uiting van een algemeen heersende fatsoensnorm over de wenselijke hoogte van inkomensverschillen. En die norm werd in het derde kwart van de vorige eeuw kennelijk over boord gegooid. Er was dus in de Amerikaanse maatschappij als geheel misschien iets aan de hand op het gebied van normverandering.

Oké. Maar lees dan ook nog eens dat bericht Hoe kan bandeloze hebzucht ontstaan? Over kapitalisme en moraal, dat ik hierboven al aanhaalde. Want daarin lees je ook over de afnemende macht van de vakbeweging. Wat was daarvan dan weer de oorzaak? En over de opkomst van CEO's met een financiële achtergrond, die minder uit de onderneming zelf afkomstig zijn en dus minder een band hebben met het bedrijf. En wat zal daar dan weer de oorzaak van geweest zijn?

dinsdag 21 april 2015

De kracht van "wat anderen doen" - over sociale beïnvloeding en de Ik Stap Over Van Bank Week

We weten al dat mensen zich in hun gedrag sterk laten leiden door wat anderen doen. Sterker dan ze zelf lijken te beseffen, zoals aangetoond in de studie Normative social influence is underdetected (pdf). Zie daarover ook dit bericht: Vuurwerkverbod wenselijk? Daar valt veel voor te zeggen. En de andere berichten over sociale beïnvloeding.

Nieuw onderzoek versterkt de aanwijzingen dat wij minder autonoom zijn dan we geneigd zijn aan te nemen: The Influence of Descriptive Social Norm Information on Sustainable Transportation Behavior: A Field Experiment (betaalpoort). De onderzoekers voerden een veldexperiment uit aan een Canadese universiteit, dat een maand in beslag nam. Medewerkers en studenten werden opgeroepen om hun auto te laten staan en met het openbaar vervoer te reizen. Gedurende het experiment kregen de deelnemers een aantal keren informatie over hoeveel anderen hun woon-werkverkeer hadden aangepast ten gunste van het openbaar vervoer.

Echter, een groep kreeg de informatie dat al heel veel anderen dat hadden gedaan, terwijl een andere groep te horen kreeg dat dat nog maar heel weinig waren. (Een derde groep kreeg geen informatie.) De zelf-rapportages lieten toen zien dat degenen die te horen hadden gekregen dat veel anderen waren overgestapt op het openbaar vervoer, meer de auto lieten staan dan degenen die de informatie hadden gekregen dat maar weinig dat hadden gedaan of die geen informatie hadden gekregen.

Het blijkt dus dat goed gedrag, goed met het oog op milieu en energiebesparing, van de een wordt uitgelokt door goed gedrag van anderen. Sociale beïnvloeding doet zijn werk. In dit geval in positieve richting, maar bedenk wel dat ook negatief gedrag sociaal kan worden beïnvloed.

Het had ook anders kunnen uitvallen. Want je zou ook kunnen denken dat mensen juist meer de auto pakken als ze te horen krijgen dat anderen dat minder doen. Dat verkleint immers de kans op files. Maar in dit onderzoek was die reactie dus niet waar te nemen.

Je kunt allerlei praktische toepassingen van dit inzicht bedenken. Een daarvan is de oproep die Rutger Bregman gisteren deed om met zijn allen van bank te veranderen: Ik stap deze week over van bank. Doe je mee? We zijn met zijn allen boos op het wangedrag van de bankiers van de grote banken, die zeven jaar na de grote financiële crisis nog steeds niets hebben geleerd. We kunnen hen met zijn allen een boodschap geven door over te stappen naar een bank die zich verantwoordelijk gedraagt en zich ver houdt van de bonussencultuur.

Maar toch zijn er nog steeds maar weinig die ook feitelijk overstappen. Misschien ook omdat het wat moeite kost. Het zou kunnen dat we eerder overstappen als we weten dat anderen dat ook doen. Maar dat moeten we dan wel van elkaar weten. Vandaar de actie Ik Stap Over Van Bank Week van Rutger Bregman.

En dat blijkt te werken. Vier uur geleden stond de teller van bankoverstappers al op meer dan 3250.

dinsdag 18 november 2014

Hoe komt het dat we meer statusgedrag bij anderen zien dan bij ons zelf? Een sociaal informatieprobleem

Uit onderzoek blijkt dat wij statusgedrag afkeuren en het meer waarnemen bij anderen dan bij onszelf. Ik besprak dat onderzoek in het bericht Statusgedrag zien we wel bij anderen, maar niet bij onszelf. Volgens de onderzoekers komt dat resultaat er uit voort dat mensen dat afkeurenswaardige gedrag van zichzelf niet willen toegeven. Misschien omdat wij van onszelf graag een positief beeld hebben. Onze zelfwaarneming zou dus verstoord zijn in de meer rooskleurige richting.

Uitkomsten van sociaalwetenschappelijk onderzoek zijn vaak wel duidelijk. Iets is zo of het is niet zo. Maar hoe je die uitkomst dan moet interpreteren, is een tweede. 

In dat bericht ging ik een eind mee met de interpretatie van de onderzoekers. Er van uitgaande dat statusgedrag een natuurlijk gedrag is, dat wij dus meestal automatisch en onbewust uitvoeren, bedacht ik dat we het van onszelf minder gemakkelijk opmerken dan van anderen. Ik citeer mezelf:
Een antwoord zou kunnen zijn dat veel van dat statusgedrag zo natuurlijk is, dat we ons er maar weinig van bewust zijn. We zijn al bezig met ons beter voor te doen dan we eigenlijk zijn zonder dat we daar over hebben nagedacht. Het verbergen van onze zwaktes en kwetsbaarheden, dat doen we als vanzelf. En waar je niet bij stilstaat, dat weet je niet van jezelf.
Bij anderen zie je het gemakkelijker, want dan ben je de toeschouwer die even de tijd kan nemen om zich af te vragen waar hij naar kijkt.
Maar toeschouwer zijn van je eigen gedrag, dat is veel moeilijker.
In beide interpretaties gaat het dus om een verstoorde waarneming die veroorzaakt dat we statusgedrag meer bij anderen zien dan bij onszelf.

Het zou kunnen. Maar ik bleef er over nadenken en bedacht dat je er ook anders naar kunt kijken.

Want hoe komt onze waarneming van ons eigen gedrag en van het gedrag van anderen tot stand? Ons eigen gedrag nemen we waar in alle situaties waarin we komen te verkeren. Zowel in de omgang met familie en vrienden, dus in het domein van de vertrouwde, persoonlijke relaties, als in de omgang met degenen die verder van ons af staan of zelfs met vreemden. Dat laatste is het (publieke) domein van de onpersoonlijke relaties.

Maar kijk nu naar alle anderen waarvan we gedrag waarnemen. Het grootste deel van die waarnemingen speelt zich af in dat publieke domein. Want daar is waar we de meeste mensen tegenkomen. Of waarover we informatie krijgen via de media, zoals door wat we zien als we naar televisiepersoonlijkheden zitten te kijken. Per dag doen we veel meer van dat soort waarnemingen, verspreid over een veel groter aantal personen, dan dat we in onze eigen vertrouwde kring doen van vrienden en familie.

Als dat zo is, dan is de waarneming van het gedrag van anderen meer een specifieke selectie daarvan dan van ons eigen gedrag. Het gedrag van anderen in het publieke domein is oververtegenwoordigd. Want die vele anderen waarover we iets te weten komen, die maken we niet mee in hun eigen persoonlijke domein. Er zijn immers maar weinigen onder hen die we persoonlijk kennen en bij wie we over de vloer komen.

Wat betekent dat? Het betekent dat we meer met statusgedrag van anderen in aanraking komen dan met statusgedrag van onszelf. Want we zijn met zijn allen meer met statuscompetitie bezig in dat publieke domein. Omdat we elkaar daar niet zo goed kennen, proberen we om ons beter voor te doen dan we zijn. We maken ons daar drukker om status, prestige en de dunk die anderen van ons hebben.

In het persoonlijke domein is al dat statusgedoe veel minder aanwezig. Sterker, daarin keuren we het af. Stel je niet zo aan. Doe maar gewoon. Als we elkaar goed kennen, weten we van elkaar wat voor vlees we in de kuip hebben. En laten we ons niet intimideren of overheersen of een rad voor ogen draaien.

Omdat het publieke gedrag van anderen in onze waarnemingen oververtegenwoordigd is, wekt dat bij ons dus de indruk dat anderen veel meer met statuscompetitie bezig zijn dan wijzelf.

En dat is wel vervelend. Want ieder van ons gaat daardoor denken dat de maatschappij als geheel meer beheerst wordt door statuscompetitie dan hij in werkelijkheid is. We hebben hier te maken met een probleem van onvolledige sociale informatie.

En sociale beïnvloeding zorgt er dan voor dat we verleid worden om aan die statuscompetitie mee te doen. Dat lijkt op een ingebouwde positieve feedback, die steeds meer statuscompetitie genereert.

maandag 27 oktober 2014

Zouden we beter af zijn als minder jongeren economie of bedrijfskunde studeerden?

Volgens de getallen die ik hier vond, studeerde in 2010 zo'n 17,6 procent van de bachelorstudenten een vak als economie of bedrijfskunde aan een universiteit (eigen berekening). Het is denk ik al sinds tientallen jaren dat dat aandeel zo groot is. Vakken als economie zijn ooit populair geworden.

Sinds de financiële crisis en de economische recessie waar we nu onder lijden, is er nogal wat discussie over de maatschappelijke bijdrage die het vak economie levert. Die kritiek houdt onder meer in dat veel economen zich toeleggen op het bestuderen van ideale modellen van het marktmechanisme. En dat ze te weinig de problemen onder ogen zien die naar boven komen bij de praktische toepassing van die modellen. Waardoor ze in 2008 totaal verrast werden door de financiële crisis.

Maar onderdeel van die kritiek is ook dat het heersende economisch denken gebaseerd is op een egoïstisch mensbeeld. Hoewel de (micro-)economie strikt genomen niet meer veronderstelt dan dat mensen consistente voorkeuren hebben, komt het er in de praktijk toch op neer dat economen als vanzelfsprekend aannemen dat mensen zoiets nastreven als hun eigenbelang. Ieder voor zich. En dat zou immers ook geen probleem zijn, want dat prachtige marktmechanisme, de onzichtbare hand, zorgt er wel voor dat alles dan toch nog goed komt. In dat opzicht zou het vak economie een morele vrijbrief verschaffen voor egoïstisch gedrag.

Wat moet je daar nu van denken als je ziet dat zoveel van onze jongeren er voor kiezen om economie of een daaraan verwant vak te gaan studeren? Natuurlijk komen ze tijdens hun studiejaren ook met waardevolle inzichten in aanraking. Maar zijn er ook nadelen aan verbonden dat zoveel studenten dat economische gedachtegoed tot zich nemen? Worden ze daardoor negatief beïnvloed in hun eigen gedrag?

Ja, dat lijkt wel het geval te zijn. Onderzoek wijst er op dat kennismaking met economische vakken studenten egoïstischer en competitiever maakt. Brian Lucey geeft van dat onderzoek een mooi overzicht. Zie Is (teaching) Economics doing more harm than good? Economiestudenten blijken egoïstischer, hebzuchtiger en minder eerlijk te zijn, meer geneigd tot corruptie en minder bereid tot samenwerken. Maar bovendien zijn er aanwijzingen dat ze dat ook meer worden nadat ze economievakken hebben gevolgd. Zie ook mijn eerdere berichten Maakt het marktdenken mensen minder pro-sociaal? en Werkers in publieke sector zijn pro-socialer dan in bedrijfsleven.

Dat alles overdenkend, vroeg ik me af of die negatieve invloed van de economische manier van denken misschien zelfs verder reikt dan tot degenen die dat vak gestudeerd hebben. Zou het een algemener maatschappelijk verschijnsel zijn dat zo ongeveer sinds de jaren 80 van de vorige eeuw, de tijd van Reagan en Thatcher, u weet wel, mensen egoïstischer zijn geworden? Waardoor het vak economie populair werd, dat vervolgens die ontwikkeling versterkte?

Hm, dat zijn nogal vragen. Die niet zomaar zijn te beantwoorden. Maar ze kwamen bij me op toen ik vanochtend het artikel Neue Studentengeneration: Hauptfach Egoismus op de website van Der Spiegel las. Het verwijst naar een uitgebreider verhaal in de papieren Der Spiegel dat ik nog niet onder ogen heb gehad. Mocht dat nog interessante inzichten opleveren, dan kom ik daar later op terug.

Volgens het korte artikel op de website komt er uit een onderzoek van de Duitse regering dat de huidige generatie studenten sterk met zichzelf ("ichbezogen") bezig is, met carrière maken en met de materiële dingen van het leven. "Sich schöne Dingen leisten können" staat voor 73 procent bovenaan de agenda van wat nastrevenswaardig is. Dat is een forse toename vergeleken met 1995, toen dat voor 31 procent het geval was.

Interesse in de publieke zaak, in de politiek, is slechts bij 45 procent aanwezig. Dat studenten links zouden zijn en zich zorgen zouden maken over het milieu, dat lijkt verleden tijd. Waren De Groenen in de negentiger jaren nog verreweg de grootste partij onder studenten, nu geven ze de voorkeur aan de twee grote centrumpartijen, de CDU en de SPD. We voeden een apolitieke, anti-intellectuele generatie op, waarschuwt een hoogleraar.

Hoe zou dat zo zijn gekomen? Wat is er gebeurd in de afgelopen halve eeuw? Je bent geneigd naar aanwijsbare oorzaken te zoeken. Maar ik moest ook denken aan dat mooie boek Shifting involvements: private interest and public action (1982) van Albert Hirschman, waarin hij overtuigend de golfbeweging van de interesse in het publieke domein laat zien. Het boek is in 2002 heruitgegeven.

Dat publieke domein van politiek en algemeen belang, daar zijn wij niet van nature in geïnteresseerd. Een gevoel van lotsverbondenheid en van morele verplichting hebben we niet als vanzelf als het om miljoenen anderen gaat die we niet persoonlijk kennen.

Onze betrokkenheid daarbij is dus niet stabiel. Sociale beïnvloeding zorgt er dan voor dat periodes van sterke en algemene interesse in de publieke zaak afgewisseld worden met tijden van algemene onverschilligheid en Ichbezogenheit.

Als dat zo is, dan kunnen we misschien binnenkort weer een algehele wending de andere kant op tegemoet zien.

Los daarvan blijft de vraag boeien hoeveel schade we de afgelopen decennia hebben gehad van die grote instroom van studenten in vakken als economie en bedrijfskunde.