Posts tonen met het label Marilynn Brewer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Marilynn Brewer. Alle posts tonen

maandag 6 mei 2019

Hoe meer gemeenschapsgedrag, hoe beter - Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? - deel 6

Update. Zie nu ook deel 7 van deze reeks.
Om een maatschappelijk belangrijker vak te kunnen zijn, zou de sociologie zich wat toepassing betreft moeten kunnen oriënteren op een empirisch onderbouwd inzicht in wat sociaal gezien nastrevenswaardig is. Een conclusie van de vorige berichten in deze reeks (zie hier deel 5)  was dat van de twee evenwichten die je op grond van de ambivalente menselijke sociale natuur als uitkomsten kunt verwachten, het gemeenschapsevenwicht te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht.

Dat gemeenschapsevenwicht is te omschrijven als de toestand waarin iedereen heeft "gekozen voor" gemeenschapsgedrag. En omdat mensen van elkaar verschillen, zal dat voor de een een "keuze" betekenen uit innerlijke overtuiging en misschien voor de ander meer een aanpassing aan wat kennelijk de norm is. Uiteraard gaat het hier om een theoretisch construct, dat zeker in grotere groepen en maatschappijen nooit volledig te realiseren valt, maar dat wel richtinggevend kan werken.

De noodzaak van zo'n richtinggevend construct wordt gelukkig steeds meer ingezien. Zoals in de pleidooien voor een breder welvaartsbegrip dan alleen het economische. Zie over dat brede welvaartsbegrip ook de eerdere berichten op dit blog:
In de betogen over dat brede welvaartsbegrip gaat het natuurlijk ook over de vraag welke indicatoren geschikt zijn om het sociale aspect er van te meten. Christine Carabain en Kim Putters van het Sociaal en Cultureel Planbureau buigen zich nu over de vraag naar mogelijke indicatoren voor sociale samenhang als een belangrijk onderdeel van brede welvaart. Zie Brede welvaart vereist een brede en kritische blik op sociale samenhang.

Een van de problemen die ze daarbij signaleren is dat sociale samenhang weliswaar belangrijk is, maar dat meer er van niet per se beter is. Want als je bij sociale samenhang denkt aan de contacten die mensen hebben, dan zou de frequentie van contacten die mensen "binnen hun eigen groep" hebben wel eens te kosten kunnen gaan van de contacten en de verbondenheid met mensen buiten die groep. En dat zou dan de sociale samenhang in de maatschappij als geheel kunnen schaden.

Waar ze hier op wijzen is een bekend sociologisch talking point. In navolging van een veel geciteerd artikel van de socioloog Mark Granovetter uit 1973 (The Strength of Weak Ties), wordt dan onderscheiden tussen sterke en zwakke bindingen en wordt gewezen op het belang van die zwakke bindingen. Bij Granovetter ging het erom dat die zwakke bindingen (kennissen, mensen die je vaag of via-via kent) juist erg behulpzaam kunnen zijn bij het vinden van een baan. Meer algemeen: het zijn bronnen van informatie over verder af gelegen zaken. Waar de mensen dichtbij, je sterke bindingen, weinig over te vertellen hebben.

Dat klopt ook allemaal wel, maar het veel gehoorde talking point is dat het hebben van veel sterke bindingen daardoor ook wel eens niet goed zou kunnen zijn. In de woorden van Carabain en Putters:
Het uitgangspunt van de indicator ‘frequentie van sociale contacten’ van dashboard ‘hier en nu’ is: hoe meer contacten, hoe beter dit is voor de brede welvaart. Deze indicator richt zich op contacten binnen groepen. Sterke binding binnen groepen hoeft echter niet altijd positief te zijn voor de samenleving in haar geheel. Integendeel, want zwakkere verbondenheid binnen groepen kan zelfs het bruggen slaan naar andere groepen bevorderen.
Maar klopt dat wel? We hebben op dit blog al het onderzoek zien voorbijkomen over het belang van sociale contacten voor mensen en over de negatieve gezondheidseffecten van de stress van eenzaamheid en statuscompetitie. Zou het dan echt zo zijn dat mensen toch ook te veel hechte contacten kunnen hebben? Dat het maar beter is om niet heel goede vriendschappen te hebben, omdat je daardoor minder betrokken kunt zijn bij anderen? Is het maar beter om met zoveel mogelijk mensen een zwakke binding te hebben? Is het beter om een sociaal vluchtige maatschappij te hebben?

Dat lijkt onwaarschijnlijk. Sterker, het klopt niet. Want er is al het onderzoek dat er op wijst dat het hebben van hechte contacten met je eigen groep helemaal niet gepaard gaat met meer afstandelijkheid tot andere groepen.

Ik stond daarbij stil in dit bericht, waarin het ging om het overzicht dat Marilynn Brewer gaf van dat onderzoek. Mensen hebben wel de neiging om hun eigen groep positief te beoordelen, maar het is niet zo dat dat samenhangt met negatieve oordelen over andere groepen. Gehechtheid aan de eigen groep staat niet gelijk aan vijandigheid tegenover andere groepen.

Die vijandigheid is er uitsluitend als daar redenen voor zijn, echte of vermeende redenen. Dus als er aanleidingen zijn om een andere groep als een bedreiging te zien. Maar die bedreigingen hebben dan ook een oorzaak: ze zijn echt of ze worden kunstmatig aangewakkerd. Marilynn Brewer over dat laatste:
When groups are political entities, however, these processes may be exacerbated by group leaders’ deliberate manipulations to mobilize collective action to secure or maintain political power. Social category differentiation provides the fault lines in any social system that can be exploited for political purposes.
En dat komt natuurlijk bekend voor, in deze tijd van opkomend rechts-extremisme.

Politici kunnen er belang bij hebben om mensen tegen elkaar op te zetten. En door meer bestaansonzekerheid kunnen maatschappelijke tegenstellingen worden aangewakkerd  Maar het is dus niet zo dat sociale samenhang binnen de eigen groep automatisch leidt tot tegenstellingen tussen groepen.

Anders gezegd, dat gemeenschapsevenwicht is gewoon nastrevenswaardig: hoe meer gemeenschapsgedrag, hoe beter.

vrijdag 20 juli 2018

De uitspraken van minister Blok sociaalwetenschappelijk bekeken - Politici zouden beter op de hoogte moeten zijn van het sociaalwetenschappelijk onderzoek

Onze minister van Buitenlandse Zaken, Stef Blok, is van mening dat een multi-etnische of multiculturele samenleving niet vreedzaam kan zijn en dat dit eraan ligt dat de menselijke sociale natuur voor zo een samenleving ongeschikt is. Dat valt af te lezen aan de combinatie van de volgende twee uitspraken die uit zijn mond zijn opgetekend:
Noem mij een voorbeeld, van een multi-etnische of multiculturele samenleving, waar de oorspronkelijke bevolking nog woont (...) en waar een vreedzaam samenlevingsverband is. Ik ken het niet.
Waarschijnlijk zit ergens diep in onze genen dat we een overzichtelijke groep willen hebben om mee te jagen of om een dorpje te onderhouden. En dat we niet goed in staat zijn om een binding aan te gaan met ons onbekende mensen.
Even afgezien van de politieke lading ervan, wat valt er sociaalwetenschappelijk gezien over te zeggen? Dat is ook van belang omdat het idee dat we hier tegenkomen in wijdere kringen bestaat.

De lijn van sociaalwetenschappelijk onderzoek die meer inzicht kan verschaffen, kan met trefwoorden als sociale identiteit, in-group bias, intergroepsrelaties en etnocentrisme worden aangeduid. Die lijn begon al aan het begin van de twintigste eeuw met het werk van de Amerikaanse socioloog William Graham Sumner, wiens klassieker Folkways (1906) je op Project Gutenberg zomaar voor niks kunt lezen.

Volgens Sumner hebben mensen een neiging om zichzelf als lid van een groep te zien, hun in-group, waarbinnen mensen elkaar vertrouwen en loyaal aan elkaar zijn. Dat gaat ermee samen dat mensen een voorkeur hebben om met leden van hun eigen groep om te gaan en allerlei eigenschappen van hun eigen groep hoger waarderen dan die van andere groepen (in-group favoritism).

Vanaf de jaren 70 van de vorige eeuw zijn deze ideeën theoretisch verder uitgewerkt, in wisselwerking met empirisch onderzoek. Baanbrekend was het werk van de Engelse onderzoeker Henri Tajfel, die o.a. liet zien dat mensen ook bij een onderscheid tussen in-group en out-group op grond van een onbenullig criterium (zoals voorkeur voor de ene dan wel de andere kunstenaar) geneigd zijn om de leden van "hun eigen groep" voor te trekken. Dat leidde tot veel onderzoek, onder het trefwoord minimal group paradigm.

Een vooraanstaand onderzoekster in deze lijn van onderzoek is Marilynn Brewer. (Zie ook het bericht Kunnen wij wereldburgers zijn? Een beetje uit 2013.) Toen zij in 2007 de Award for Distinguished Scientific Contributions uitgereikt kreeg, gaf ze in een lezing, die verscheen onder de titel The Importance of Being We: Human Nature and Intergroup Relations, een fraai overzicht van het tot dan verrichtte onderzoek.

Wat komt daaruit naar voren over de veronderstelde menselijke hang naar een eigen in-group en negatieve houding tegenover andere groepen? Dit citaat geeft uitsluitsel:
Despite widespread belief that in-group positivity and out-group derogation are reciprocally related, empirical research demonstrates little consistent relation between the two. Indeed, results from both laboratory experiments and field studies indicate that variations in in-group positivity and social identification do not systematically correlate with degree of bias or negativity toward out-groups (Brewer, 1979; Hinkle & Brown, 1990; Kosterman & Feshbach, 1989; Struch & Schwartz, 1989). For example, in a study of the reciprocal attitudes among 30 ethnic groups in East Africa, Brewer and Campbell (1976) found that almost all of the groups exhibited systematic differential positive evaluation of the in-group over all out-groups on dimensions such as trustworthiness, obedience, friendliness, and honesty. However, the correlation between degree of positive in-group regard and social distance toward out-groups was essentially .00 across the 30 groups.
Kort gezegd, er bestaat wel een neiging om positief te oordelen over de eigen groep, qua zaken als betrouwbaarheid, vriendelijkheid en eerlijkheid, maar dit gaat niet systematisch samen met een negatief oordeel over andere groepen. Het is dus ook niet zo dat hoe positiever mensen zijn over de eigen groep, hoe negatiever en vijandiger tegenover andere groepen. Ook uit het minimal group paradigm-onderzoek blijkt dat hoewel mensen ertoe neigen de eigen groep te bevoordelen, ze ervoor terugdeinzen om andere groepen expliciet te benadelen. Gehechtheid aan de eigen groep staat niet gelijk aan vijandigheid tegenover andere groepen. Brewer:
The point is simply that in-group attachment may be a necessary but not sufficient cause of intergroup hostility and that it is possible to have in-group loyalty and attachment in the absence of conflict with out-groups.
Voor alle duidelijkheid: het is dus goed mogelijk dat gehechtheid aan en loyaliteit met de eigen groep bestaat zonder vijandigheid tegenover andere groepen.

Terug naar minister Stef Blok: sociaalwetenschappelijk gezien klopt het dus niet dat de hang naar dat overzichtelijke eigen groepje of naar dat dorp een multi-etnische of multiculturele samenleving onmogelijk maakt. Beide kunnen goed samengaan.

Hoe zit dat dan met de wel bestaande conflicten tussen groepen en met de groepsgerichte vijandelijkheid? Denk nog even aan Wat is er eigenlijk aan de hand in Europa? Over rampzalig economisch beleid en rechtsextremisme.

Welnu, vijandigheid tegen over een andere groep ontstaat alleen dan als er aanwijzingen zijn dat die groep een bedreiging vormt. Brewer:
To justify out-group hate and intergroup conflict, the very existence of the out-group, or its goals and values, must be seen as a threat to the maintenance and the social identity of the in-group. Thus, understanding the relationship between in-group identification and out-group hostility requires understanding how the interests of the in-group and those of the out-group come to be perceived as in conflict.
En die bedreiging en dat belangenconflict kunnen reëel zijn, maar ze kunnen ook kunstmatig worden aangewakkerd. Brewer staat daar bij stil in een paragraaf met de titel Power politics. Politici kunnen er belang bij hebben om bedreigingen door andere, externe of interne, groepen voor te spiegelen en zo groepsgerichte vijandigheid aan te wakkeren:
When groups are political entities, however, these processes may be exacerbated by group leaders’ deliberate manipulations to mobilize collective action to secure or maintain political power. Social category differentiation provides the fault lines in any social system that can be exploited for political purposes.
En het valt te verwachten dat ze daarmee meer succes hebben als burgers toch al op zoek zijn naar verklaringen voor een toegenomen bestaansonzekerheid. Zie Door economische bestaansonzekerheid meer succes van rechts-extremistische partijen - Nieuwe aanwijzingen.

Marilynn Brewer hield dit betoog in 2007. Zal ze toen vermoed hebben dat het in 2018 zo bijzonder actueel zou zijn?

En je zou natuurlijk graag willen dat politici beter op de hoogte waren van het sociaalwetenschappelijk onderzoek.

donderdag 20 juni 2013

Kunnen wij wereldburgers zijn? Een beetje

De morele intuïtie dat je anderen hoort bij te staan en hen geen leed hoort te berokkenen ontwikkelen we bij het opgroeien in het persoonlijke sociale domein, als dat soort gedrag er maar genoeg in voorkomt. En dat lijkt een voorwaarde te zijn voor de werking van die intuïtie tegenover vreemden en anonieme anderen.

Maar kan het sociale bereik van die intuïtie zich uitstrekken tot het sociale domein van de gehele mensheid? In de zin dat je je bij alle mensen op de wereld betrokken voelt en bereid bent om hen bij te staan als ze in nood verkeren?

Om vast te stellen in hoeverre mensen zich betrokken kunnen voelen bij de gehele mensheid hebben Amerikaanse onderzoekers het volgende vragenlijstje ontwikkeld (zie Identification With All Humanity as a Moral Concept and Psychological Construct van Sam McFarland, Derek Brown en Matthew Webb (betaalpoort)):
1. How much do you identify with (that is, feel a part of, feel love toward, have concern for) each of the following?
a. People in my community
b. Americans
c. All humans everywhere
2. When they are in need, how much do you want to help:
a. People in my community
b. Americans
c. People all over the world
Mensen konden daarop antwoorden op een schaal van 1 (helemaal niet) tot 5 (heel veel). Gemiddeld blijken mensen dan het antwoord 3 (een beetje) te kiezen als het om alle mensen gaat. Dat is ongeveer een half punt lager dan het gemiddelde voor de twee andere groepen. Iets minder dan 15 procent maakt daarmee echter geen verschil: ze zijn even betrokken en hulpvaardig tegenover de gehele mensheid dan tegenover familie, vrienden, buren en landgenoten.

Dat geeft toch te denken. Hoewel wij mensen als sociale dieren zijn geëvolueerd in kleine groepen van personen die elkaar hun leven lang kennen, waarin we als min of meer vanzelfsprekend hebben leren samenwerken, zijn we in de hedendaagse, geglobaliseerde sociale omgeving kennelijk toch in staat om tenminste "een beetje" morele gevoelens te hebben voor de zo ongeveer 7 miljard mensen die de wereldbevolking nu telt. En dat zijn niet alleen maar woorden, want onderzoek laat zien dat mensen die hoger scoren, zich ook meer zorgen maken over de opwarming van de aarde, over mensenrechten en dat soort zaken.

Opvallend vond ik ook dat de antwoorden op a, b en c positief met elkaar samenhangen. Je hoort wel eens, vrij vaak zelfs, de gedachte dat mensen die zich meer bekommeren om hun naasten (hun eigen ingroup), zich minder gelegen laten liggen aan buitenstaanders of daar zelfs vijandig tegenover staan (de outgroup). En dat degene die zich druk maakt over het lot van de mensheid, zich in de eigen kring van familie en vrienden niet weet te gedragen. Dat zal natuurlijk wel eens voorkomen, maar de grote lijn is dus die van een positieve samenhang. (Zie daarover ook Marilynn Brewer).

Dat wijst er op dat het aanleren van die morele intuïties in de persoonlijke sociale omgeving van kinderen cruciaal is, ook voor hun handelen als wereldburger. Goed om te weten.