Posts tonen met het label Dual Mode-theorie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dual Mode-theorie. Alle posts tonen

vrijdag 28 maart 2025

Als je sociale onveiligheidsgevoelens laat toenemen, dan is activering van het statuscompetitiepatroon het gevolg - meer aanwijzingen

Zoals gezegd, in een democratie kan een foute leider alleen maar aan de macht komen als er genoeg kiesgerechtigden zijn die hem als de redder in nood zien. Die dus in nood moeten verkeren, anders gezegd, die zich bedreigd en onveilig voelen. Het ideale werkterrein van de foute leider is daarom altijd een maatschappelijke toestand van grote onzekerheid, van toegenomen bestaansonzekerheid. 

Die toestand kan door zittende regeringen zijn bevorderd als bij hen het (onjuiste) neoliberale idee heeft postgevat dat het voor de economie beter is als mensen minder zekerheid ervaren. Ze kunnen dan immers gemakkelijker worden geprikkeld om zich meer in te spannen. Regeringen voeren dan een beleid dat de zekerheden van de verzorgingsstaat, de sociale zekerheid, de regulering van de arbeidsomstandigheden, de consumentenbescherming, het door belastingpolitiek beperken van de inkomens- en vermogensongelijkheid, zo veel mogelijk terugdringt. Mensen zijn dan wel gedwongen om meer voor zichzelf op te komen en zich in te spannen, want de risico's zijn groter. Niet alleen valt er voor de winnaars meer binnen te halen, ook kunnen de verliezers lager eindigen. Er komen zowel meer miljardairs, en dus machtigen, als armen en daklozen, en dus machtelozen.

We hebben nu zo'n 40, 50 jaren achter de rug waarin zich dit proces heeft afgespeeld. De verschuiving van het iedereen-telt-mee van de democratische verzorgingsstaat naar het ieder-voor-zich van de door de opkomst van foute leiders bedreigde democratie. 

Vanuit het sociaalwetenschappelijk zicht van dit blog bekeken gaat het dus om een ontwikkeling waarin sociale onveiligheidsgevoelens onder de bevolking zijn toegenomen, waardoor bij meer mensen het statuscompetitiepatroon zal zijn geactiveerd.

Ik probeer zo goed mogelijk het onderzoek bij te houden dat van belang is voor dat sociaalwetenschappelijke zicht, waarvan de kern zoals bekend bestaat uit de de Dual Mode-theorie. Zo is er nu de pas verschenen studie Value Foundations of Conspiracy Thinking: New Evidence From European Democracies. 

In die studie gebruikt Victoria A. Haerter van de Universiteit van Bern data van de European Social Survey (ESS) om o.a. na te gaan of mensen die meer waarde hechten aan samenzweringstheorieën ook meer "zelfverheffingswaarden" aanhangen en juist minder "zelfoverstijgingswaarden". Dat is interessant, want dat waarde hechten aan samenzweringstheorieën zegt iets over hoe sociaal onveilig mensen zich voelen. En het aanhangen van die zelfverheffingswaarden, dus het jezelf verheven voelen boven anderen, zegt iets over het geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon. Net zoals het aanhangen van die zelfoverstijgingswaarden informatief is voor het geactiveerd zijn van het gemeenschapspatroon.

Eerst maar even over die samenzweringstheorieën. De neiging om in samenzweringen of complotten te geloven werd vastgesteld met behulp van deze drie uitspraken waarvan mensen moesten aangeven in hoeverre ze het er mee eens of oneens waren:

A small secret group of people is responsible for making all major decisions in world politics.

Groups of scientists manipulate, fabricate, or suppress evidence in order to deceive the public.

Coronavirus is the result of deliberate and concealed efforts of some government or organization.

Van de drie antwoorden werd het gemiddelde genomen. Het is niet moeilijk om in dat geloof in samenzweringstheorieën een maat te zien voor de sociale onveiligheidsgevoelens die iemand ervaart. Als je overal samenzweringen ziet, dan voel je je bedreigd en dat gaat ten koste van je gevoel van veiligheid.

Die zelfverheffingswaarden en zelfoverstijgingswaarden  zijn onderdeel van de Schwartz Basic Human Value Survey, die standaard in de ESS wordt meegenomen. Zie ook de berichten Alleen in landen met minder sociale zekerheid maakte de Crisis jongeren competitiever en minder universalistisch en Waardenoverdracht ouders-kinderen is vooral genetisch - meer over de mythe van de opvoedbaarheid voor meer daarover. 

Bij die zelfverheffingswaarden gaat het om het willen presteren (succesvol zijn, aan anderen laten zien wat je waard bent) en om het willen uitoefenen van macht (status en prestige, controle hebben, heersen over mensen). We herkennen daarin het geactiveerd zijn van het ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon.

En bij die zelfoverstijgingswaarden gaat het om goedwillendheid (zorg hebben voor de anderen uit je omgeving) en universalisme (zorg hebben voor iedereen en voor het milieu). Daarin herkennen we het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon.

Met dat sociaalwetenschappelijke zicht verwachten we dat het aanhangen van zelfverheffingswaarden, dus het geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon, samengaat met het geloof in samenzweringstheorieën, dus met het ervaren van sociale onveiligheid. En dat blijkt het geval te zijn voor tien van de 20 landen (Nederland, Zwitserland, Finland, Slowakije, Tsjechië, Estland, Litouwen, Ierland, Hongarije en Griekenland). In de overige landen was er geen verband of was het niet statistisch significant.

En we verwachten dat het aanhangen van zelfoverstijgingswaarden, dus het geactiveerd zijn van het gemeenschapspatroon, juist samengaat met het niet geloven in samenzweringstheorieën. Als je vindt dat iedereen hoort mee te tellen, dan zie je de wereld eerder als sociaal veilig. En dat blijkt zelfs op te gaan voor alle landen, met uitzondering van Slovenië, waar statistische significantie niet wordt gehaald.

De uitkomsten bevestigen dus de gedachte dat het wel of niet ervaren van sociale veiligheid sturend is voor het geactiveerd zijn van het gemeenschapspatroon dan wel het statuscompetitiepatroon. 

En wat politici de afgelopen veertig jaar gedaan hebben, is het voeren van een beleid waardoor mensen zich minder sociaal veilig zijn gaan voelen. Waardoor over het geheel genomen meer het statuscompetitiepatroon is geactiveerd. En waardoor er het ideale werkterrein van rechts-extremistische politieke partijen en van foute leiders tot stand is gebracht. 

De sociaal inferieure toestand die we sociaalwetenschappelijk gezien juist met alle macht hadden moeten zien te vermijden.

donderdag 8 februari 2024

Democratie op ondernemingsniveau draagt bij aan de kwaliteit van de democratie op het nationale niveau

Die maakbare maatschappij is niet een linkse illusie, maar een onvermijdelijkheid. Als we die uitdaging niet aannemen en niet de samenwerkingsverbanden creëren waarin mensen gedijen, dan maken we daarmee in feite een maatschappij waarin statuscompetitie, wantrouwen en vijandigheid de boventoon voeren. De maatschappij maken, dat doen we so wie so.

Dit citaat haal ik uit het bericht Mensen gedijen in samenwerkingsverbanden, maar die zijn er te weinig - over de onvermijdelijkheid van de maakbare samenleving, dat in 2015 op dit blog verscheen. Dat bericht gaat erover dat de menselijke sociale natuur nu eenmaal zo in elkaar zit dat er zowel de neiging en de wens bestaat om met anderen samen te werken als de neiging en de wens om integendeel met anderen de statuscompetitie aan te gaan. Zie ook Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen voor een uitleg over de Dual Mode-theorie.

En het gaat erover dat wij in onze huidige maatschappij gedurende ons leven zowel met het gemeenschapspatroon in aanraking komen, dat ons tot samenwerking aanzet, als met het statuscompetitiepatroon, dat ons tot die statuscompetitie aanzet (Stelling 2 van de Dual Mode-theorie). En dat wij ons beter voelen, dat we beter gedijen, in samenwerkingsverbanden dan in de statusstrijd (Stelling 3 van de Dual Mode-theorie). 

Dat pleit er dus voor om in onze maatschappij de domeinen van samenwerking zoveel mogelijk te bevorderen en de domeinen van statuscompetitie zoveel mogelijk terug te dringen. Anders gezegd, dat pleit voor "sociale hervormingen". 

In dat bericht uit 2015 haal ik een artikel aan van Eric Michael Johnson, dat erop wijst dat onze ondernemingen, of algemener onze arbeidsorganisaties, meestal hiërarchisch zijn georganiseerd:

Want in de corporate culture is hiërarchie vanzelfsprekend. Als je werknemer wordt, ga je een positie in een hiërarchie innemen. Je hebt een functieomschrijving, moet richtlijnen opvolgen die van boven komen en moet opdrachten geven aan onder jou gestelden. Uiteraard is in veel organisaties ook samenwerking nodig, maar veel van de managementliteratuur gaat niet voor niets over het probleem hoe je samenwerking tot stand brengt ondanks dat je organisatie een hiërarchie is.

En de overheersende indruk is dat in de meeste bedrijven die noodzakelijke samenwerking onvoldoende tot stand komt.

Die hiërarchische arbeidsorganisaties, waarin we een groot deel van ons leven doorbrengen, kennen ongelijkheid naar macht, inkomen en, ja, status, een voorwaarde waaronder de statuscompetitie wordt aangemoedigd. Wat dus doet verwachten dat de arbeidsorganisatie niet aan ons welzijn bijdraagt. En dat klopt. Denk aan Verhoogt werk ons welzijn? Ja en nee. En denk eraan dat de kans op emotionele uitputting van werknemers (burn-out) samenhangt met een gebrek aan autonomie, met overbelasting en met een slecht sociaal klimaat, die alle drie in verband kunnen worden gebracht met de mate van hiërarchie in de organisatie. Zie Een baan met meer autonomie geeft minder kans op burn-out - Dat pleit voor minder hiërarchie op het werk. 

Eric Michael Johnson pleit er daarom voor om ondernemingen meer als coöperaties te organiseren, waarin de werknemers mede-eigenaar zijn. En waarin dus mensen worden aangesproken op hun vermogen en bereidheid tot samenwerking. Waarin niet het statuscompetitiepatroon, maar het gemeenschapspatroon, wordt aangesproken en tot bloei kan komen. Over de voordelen daarvan schreef ik eerder Is een coöperatieve economie een alternatief voor het kapitalisme? En er zijn aanwijzingen dat coöperaties naar productiviteit niet onder doen voor gangbare ondernemingen.

Maar daarbovenop zou er nog een ander voordeel kunnen zijn van meer coöperatieve ondernemingen. Een voordeel dat je zou kunnen verwachten op grond van die Stelling 2. Want mensen die in hun arbeidsleven meer met samenwerking, en dus met het gemeenschapspatroon, in aanraking komen, zullen meer door die bril van samenwerking naar de wereld kijken. Bij hen zal het gemeenschapspatroon niet alleen meer worden aangesproken, maar ook zal het worden versterkt. Het zal een uitwerking hebben op hun bredere sociale wereldbeeld. En andersom, zal in een meer hiërarchische onderneming het statuscompetitiepatroon worden versterkt en zich uitbreiden naar hoe mensen naar de sociale wereld kijken.

En precies in die richting wijst de nieuwe studie Political spillovers of workplace democracy in Germany, verschenen in Annals of Public and Cooperative Economics. In Duitsland bestaat de mogelijkheid dat werknemers medezeggenschap (Mitbestimmung) krijgen in het ondernemingsbeleid. Ze zijn dan niet alleen vertegenwoordigd in de Ondernemingsraad, maar ook in de Raad van Toezicht, waar ze evenveel stemmen hebben als de aandeelhouders. Die medezeggenschap komt tot stand als werknemers daartoe het initiatief nemen. Dat betekent dat sommige ondernemingen wel en andere niet die medezeggenschap kennen. 

In ondernemingen met medezeggenschap van werknemers bestaat dus een vorm van democratie. Werknemers kiezen hun vertegenwoordigers, die meebeslissen over het beleid. Je zou het kunnen zien als een tussenvorm tussen de gewone, hiërarchische en de coöperatieve onderneming.

Uit dat nieuwe onderzoek blijkt nu dat de werknemers van ondernemingen met medezeggenschap een significant grotere belangstelling hebben voor de landelijke politiek dan werknemers van ondernemingen zonder die medezeggenschap. Dat is een aanwijzing dat ze zich meer betrokken voelen bij de landelijke democratie. Het democratisch burgerschap is bij hen meer ontwikkeld. Er zijn kennelijk "politieke spill-over effecten" van het deelnemen aan en ervaren van de democratie in de eigen onderneming. Het verband blijft bestaan bij statistische controle voor een groot aantal variabelen, zoals hoogte van het salaris, omvang en aard van het dienstverband, bedrijfsgrootte, bedrijfstak, leeftijd, en opleiding.

Kortom, democratie op ondernemingsniveau draagt bij aan de kwaliteit van de democratie op het landelijke niveau. Ervaringen met democratie in het ene domein dragen bij aan de democratische gezindheid in het andere domein. In aanraking komen met het gemeenschapspatroon heeft een zich uitbreidend effect op datzelfde patroon. 

Wetgeving die democratie binnen ondernemingen mogelijk maakt, kun je dus zien als een belangrijke sociale hervorming. Die eraan bijdraagt dat het gemeenschapspatroon wordt versterkt en het statuscompetitiepatroon wordt teruggedrongen.

dinsdag 24 oktober 2023

Wat binnen dat gedragseconomische denken als een ad hoc inzicht opduikt, is theoretisch ingebed in de Dual-Mode-theorie

Er is al heel veel onderzoek gedaan door gedragseconomen naar de voorwaarden waaronder mensen bereid zijn tot gemeenschapsgedrag. Het gaat dan vrijwel altijd over gedrag in speltheoretische situaties waarin mensen moeten kiezen tussen iets weggeven of niet of tussen samenwerking in een publieke goed-dilemma in plaats van profiteren van de samenwerking van anderen. Gemeenschapsgedrag wordt dan meestal aangeduid als altruïsme of vrijwillige coöperatie en het tegenovergestelde statuscompetitiegedrag als egoïsme of defectie. Binnen deze onderzoekslijn is er nu de nieuwe studie The behavioral mechanisms of voluntary cooperation across culturally diverse societies: Evidence from the US, the UK, Morocco, and Turkey. 

De onderzoekers vroegen studenten in de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Marokko en Turkije om een keuze te maken in zo'n publieke goed-dilemma. Dat had het voordeel van vergelijkbaarheid tussen verschillende culturen. Wel ging het om slechts geringe aantallen studenten per land (128, 92, 80 en 88). Ze sloten aan bij resultaten van veel van dat eerdere onderzoek, die hebben laten zien dat die vrijwillige samenwerking meer voorkomt als mensen datzelfde gedrag ook van anderen verwachten en als mensen verwachten dat anderen met sancties zullen reageren op defectie. 

Daar komt dan uit dat de verschillen tussen de vier landen in de mate van samenwerking vooral verklaard worden uit de verschillen in de verwachtingen van het gedrag van anderen. De Amerikaanse en Engelse studenten verwachten meer samenwerking van anderen dan de Marokkaanse en Turkse studenten en kiezen in lijn daarmee ook vaker voor samenwerking. De onderzoekers interpreteren dat als een aanwijzing dat de Amerikaanse en Engelse studenten in hun dagelijks leven meer de ervaring hebben dat anderen bereid zijn tot samenwerken en zijn te vertrouwen dan de Marokkaanse en Turkse studenten. En dat dus culturele verschillen eruit bestaan dat de verwachtingen over het gedrag van anderen verschillen.

Wat valt daar meer in het algemeen, dus theoretisch, over te zeggen? 

Gedragseconomen zijn geneigd tot economisch denken, dus tot het interpreteren van gedrag als rationeel. In de zin van afweging van kosten en baten en in de zin van voor-wat-hoort-wat (quid pro quo). Dat verklaart deels waarom ze in al dat onderzoek zo geïnteresseerd waren in het effect van die verwachtingen over het gedrag van anderen en in het effect van sancties. Sancties zijn op te vatten als kosten. En die verwachtingen van anderen zouden kunnen passen in het voor-wat-hoort-wat: ik wil wel samenwerken, maar alleen als anderen dat ook doen. Vandaar dat gedragseconomen het dan graag over voorwaardelijke samenwerking hebben. 

Maar strikt rationeel bekeken, zou dat gedrag niet kunnen bestaan. Ook als anderen bereid zijn tot samenwerken, blijft het voor jou nog altijd rationeel om dat niet te doen. Je vermijdt dan de kosten van de samenwerking en profiteert wel mee van de samenwerking van anderen. Gezien vanuit de economische rationele keuzetheorie is de gedachte van voorwaardelijke samenwerking een vreemde eend in de bijt, een ad hoc vondst.

Maar kijk er nu eens naar met de blik van de Dual Mode-theorie. Dan herken je dat voorspelde effect van de verwachtingen van het gedrag van anderen meteen als een implicatie van Stelling 2. Die houdt immers in dat gemeenschapsgedrag wordt uitgelokt door het gemeenschapsgedrag van anderen (en statuscompetitiegedrag door hetzelfde gedrag van anderen). Dat gemeenschapsgedrag van anderen creëert immers de sociale veiligheidsgevoelens die het sociale betrokkenheidssysteem activeren en als dat actief is, vertrouw je anderen en heb je het beste met hen voor. 

Wat dus binnen dat gedragseconomische denken als een ad hoc inzicht opduikt, is theoretisch ingebed in de Dual-Mode-theorie. Anders gezegd, dat gedragseconomisch onderzoek over voorwaardelijke samenwerking is een empirische ondersteuning van die theorie.

dinsdag 3 oktober 2023

Gemeenschapsgedrag kan zowel gemotiveerd zijn door de wens iemand te helpen als door de wens om bij te dragen aan een veilige en aangename wereld

We zouden allemaal beter af zijn als er meer gemeenschapsgedrag was. Als mensen meer rekening houden met elkaar, meer afzien van gedrag dat anderen schade of leed toebrengt, minder bezig zijn met onderlinge statuscompetitie en vaker anderen een handje helpen. Dat is wat in Stelling 3 van de Dual Mode-theorie onder woorden wordt gebracht. Ik verwijs maar weer eens naar Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen voor, waar je de drie stellingen van die theorie vindt uitgelegd en waar je een overzicht aantreft van de empirische ondersteuning ervan. 

Hoewel die theorie nieuw is, in de zin dat je hem nergens in de literatuur tegenkomt, zijn de inzichten waaruit hij is opgebouwd, dat geenszins. Neem nu de inzichten waarop Stelling 2 is gebaseerd. Die stelling houdt in dat gemeenschapsgedrag van de een wordt uitgelokt door gemeenschapsgedrag van anderen en statuscompetitiegedrag van de een door datzelfde gedrag van anderen. 

Het onderliggende inzicht is dat het menselijk gedrag, zoals dat van andere diersoorten, sterk wordt beïnvloed door de veiligheid dan wel onveiligheid van hun sociale omgeving. En die omgeving is veiliger hoe meer gemeenschapsgedrag van anderen wordt waargenomen en onveiliger hoe meer statuscompetitiegedrag zich aandient. Gemeenschapsgedrag van anderen activeert je sociale betrokkenheidssysteem, doordat het de nervus vagus, de zwerfzenuw, gematigd activeert. En dat is precies de lichamelijke toestand van rest and digest waarin je gemakkelijk anderen te hulp schiet. 

Daartegenover zal een toestand van onveiligheid, door het statuscompetitiegedrag van anderen. oftewel die zwerfzenuw bovenmatig activeren, waardoor je zelf ook in de actieve variant van het statuscompetitiepatroon terechtkomt (fight or flight), of sterk verlaagd activeren (immobilisation), waardoor je te maken kunt krijgen met een depressie of een angststoornis, passieve varianten van het statuscompetitiepatroon. Zie Waardoor is pro-sociaal gedrag aanstekelijk? - Doordat het de sociale veiligheid verschaft die weer meer pro-sociaal gedrag uitlokt.

Dat inzicht mag je wel fundamenteel noemen, in de zin dat het veel van ons gedrag en van ons samenleven dan wel elkaar tegenwerken begrijpelijk maakt. 

En juist omdat het zo fundamenteel is, valt te verwachten dat mensen er ook zelf weet van hebben. Dat ze door hebben hoe hun eigen gedrag door dat van anderen wordt beïnvloed. En natuurlijk ook dat ze met hun eigen gedrag anderen  beïnvloeden. Dus dat je eraan bijdraagt dat anderen zich veiliger voelen door jouw gemeenschapsgedrag. Als jij iemand te hulp schiet of een aardig gebaar maakt, dan draag je bij aan de veiligheidsgevoelens, niet alleen van die ene persoon, maar ook van alle anderen die dat gedrag van jou waarnemen of erover te weten komen. De wereld wordt er wat veiliger door.

Dat maakt dat gemeenschapsgedrag altijd in dubbel opzicht positief is: je staat iemand bij én tegelijk draag je bij aan een veiliger omgeving voor anderen. Dat wil zeggen, voor alle anderen die jouw gedrag hebben waargenomen of er over geïnformeerd worden. 

Eén stap verder geredeneerd, kan het dus zo zijn dat je het een goede zaak vindt dat anderen weet hebben van jouw goede daad. Want je wilt immers graag bijdragen aan een veilige sociale omgeving. Ook door dat laatste kun je gemotiveerd worden tot gemeenschapsgedrag. 

En dat is een interessant en niet-triviaal inzicht. Want vaak wordt beweerd, ook door sociale wetenschappers, dat het echte gemeenschapsgedrag juist alleen in het verborgene plaatsvindt. Als niemand er weet van heeft dat jij iemand bijstaat of doneert aan een goed doel, dan ben je pas echt een goed mens. Ik kwam dat idee pas nog weer eens tegen in Kindness has persisted in a competitive world – cultural evolution can explain why van Jonathan R Goodman van van de Human Evolutionary Studies van de Universiteit van Cambridge. 

Daar zit natuurlijk de gedachte achter dat gemeenschapsgedrag ook gemotiveerd kan zijn door de wens om van anderen bewondering te oogsten. Door "Kijk mij eens, wat ben ik toch een goed mens." 

Dat kan zeker ook gebeuren. Er kan inderdaad een soort statuscompetitie ontstaan om wie het meest vrijgevig is. Denk aan multimiljonairs die zich erop laten voorstaan dat ze zoveel aan goede doelen geven. En onderzoek laat zien dat zulk "competitief altruïsme" inderdaad bestaat. Zie Nice Guys Finish First: The Competitive Altruism Hypothesis. 

Dat we dat niet als het echte gemeenschapsgedrag beschouwen, daar valt iets voor te zeggen. Want uiteindelijk is het een bijzondere vorm van egoïsme. Je wilt niet per se een goed mens zijn, maar je streeft ernaar om als een goed mens te worden gezien.

Maar als je met jouw gemeenschapsgedrag wilt bijdragen aan een veiliger en aangenamere wereld voor iedereen, dan kan dat dus ook echt altruïsme zijn. En dat echt altruïsme bestaat, blijkt eruit dat hersengebiedjes waarin beloning neuraal wordt verwerkt, actief kunnen zijn als de persoon waarneemt dat er geld naar een goed doel gaat. Zie Puur altruïsme bestaat echt - En meer bij ouderen.

En het kan dus onderdeel zijn van echt altruïsme als je vindt dat anderen van jouw goedgeefsheid op de hoogte zouden moeten zijn. Niet uit de zucht naar bewondering, maar uit de wens om bij te dragen aan een sociaal veilige wereld.

woensdag 23 augustus 2023

Het statuscompetitiepatroon in de poëzie - Over het gedicht Haat van Wislawa Szymborska

Als een sociaalwetenschappelijke theorie over menselijke sociale gedragspatronen, zoals de Dual Mode - theorie, iets voorstelt, dan kan het niet anders dan dat je de strekking ervan herkent en aantreft in het zelf ervaren sociale leven en in populair sociaalwetenschappelijke beschrijvingen. Denk wat dat laatste betreft  aan de eerdere berichten:

Mensen hebben wel degelijk inzicht in de innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur en in de wenselijkheid van gemeenschapsgedrag boven statuscompetitiegedrag

Over het statuscompetitiepatroon in de populair-sociaalwetenschappelijke literatuur

Populairwetenschappelijke literatuur over de wenselijkheid van gemeenschapsgedrag - 1. Over de kracht van innemendheid

Populairwetenschappelijke literatuur over de wenselijkheid van gemeenschapsgedrag - 2. Een leven met meer verbinding

Populairwetenschappelijke literatuur over de wenselijkheid van gemeenschapsgedrag - 3. Over de verzorgingsstaat en een nieuw sociaal contract

Populairwetenschappelijke literatuur over de wenselijkheid van gemeenschapsgedrag - 4. Over de wenselijkheid van meer omgang met vreemden

Maar hetzelfde geldt natuurlijk voor de grote literatuur, de grote romans, die immers vrijwel altijd gaan over de "drama's" die zich voordoen als mensen moeten navigeren in een sociale wereld waarin ze zowel met het gemeenschapspatroon als het statuscompetitiepatroon te maken hebben. 

Sterker, zonder die innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur valt moeilijk voor te stellen dat een genre als dat van de roman zou kunnen bestaan. Van een sociaalwetenschappelijke theorie waarvan je de strekking nergens in de wereldliteratuur zou kunnen aantreffen, zou ik voorspellen dat hij ook slecht bestand zal blijken te zijn tegen empirische toetsingen.

Maar laten we het ook even over de grote dichters hebben. Of nee,laat ik me beperken tot die ene grote dichteres en Nobelprijswinnaar Wislawa Szymborska. 

Die in het gedicht Haat, uit de bundel Einde en Begin uit 1993, zo nauwkeurig het statuscompetitiepatroon neerzet. Ik citeer enkele strofes uit de verzamelde gedichten (p. 282-283), vertaald door Gerard Rasch:

 ------------------------------------------------------------------------------------

HAAT

Zie eens hoe doelmatig nog steeds,

hoe goed in vorm

in onze eeuw de haat is.

Hoe moeiteloos hij hoge hindernissen neemt.

Hoe makkelijk hij springt, zijn prooi bereikt

 

Hij is niet als andere gevoelens. 

Tegelijk ouder en jonger dan zij. 

Hij brengt zelf de oorzaken voort,

die hem tot leven wekken.

Als hij inslaapt, is zijn slaap nooit eeuwig.

Hem verzwakt de slapeloosheid niet, maar sterkt.

(...)

Ach, die andere gevoelens -

wat sukkelen ze lusteloos,

Sinds wanneer kan broederschap

op de massa rekenen?

Heeft medelijden ooit

als eerste de finish bereikt?

Hoeveel mensen wekt de twijfel op tot daden?

Dat lukt hem alleen die zeker van zijn zaak is.

(...)

Laten we het eerlijk toegeven:

hij weet wat schoonheid is.

Schitterend is zijn vuurgloed in de zwarte nacht.

Prachtig zijn zijn rokende explosies in de roze dageraad.

Ruïnes kun je moeilijk hun pathos ontzeggen,

noch kun je de grove humor loochenen

van de zuil die er kaarsrecht bovenuit steekt.

 

Hij is een meester in het contrast

tussen gedonder en stilte,

tussen rood bloed en witte sneeuw.

En wat hem boven alles nooit verveelt:

het motief van de propere beul

die boven zijn besmeurde slachtoffer oprijst.

--------------------------------------------------------------------------
 

Het gedicht gaat, natuurlijk, over de haat van de statuscompetitie. De haat die al die andere gevoelens,  die van broederschap en medelijden van het gemeenschapspatroon, lusteloos laat sukkelen. De haat die nog springlevend is. Ook als hij eens mocht inslapen, dan kan hij elk moment de kop opsteken. Het statuscompetitiepatroon ligt altijd klaar om geactiveerd te worden. Hoe? "Hij brengt zelf de oorzaken voort die hem tot leven wekken." Sociaalwetenschappelijk gezegd: statuscompetitie lokt statuscompetitie uit. 

En dan komt het sarcasme, als het gaat over de "schoonheid" van de kwaadaardigheid en het geweld van de statuscompetitie: vuurgloed, zwarte nacht, rokende explosies, ruïnes, rood bloed, de propere beul en zijn besmeurde slachtoffer.

Samengevat, waar een gedicht zich natuurlijk slecht voor leent, is er het thema van het statuscompetitiepatroon dat altijd klaar ligt en "goed in vorm is" (Stelling 1 van de theorie), dat zichzelf in stand houdt, zelf de oorzaken voortbrengt die hem tot leven wekken (Stelling 2) en dat geweld en ellende met zich mee brengt (Stelling 3).

donderdag 27 juli 2023

Door gemeenschapsgedrag van jezelf en van anderen voel je je gelukkiger. Geen aanwijzingen voor positieve effecten van mindfulness meditatie, fysieke activiteit en contact met de natuur

Het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de voorwaarden voor je gelukkig voelen is nog maar van recente datum. Verreweg de meeste studies zijn nog in deze eeuw gepubliceerd. Wat leren we van dat onderzoek?

Daarover gaat de nieuwe studie A systematic review of the strength of evidence for the most commonly recommended happiness strategies in mainstream media. De auteurs, Dunigan Folk en Elizabeth Dunn, zochten alle studies bij elkaar die waren uitgevoerd om te checken of een of meer van de vijf in de media meest aanbevolen strategieën om gelukkiger te worden, ook inderdaad het beoogde effect hadden. Die strategieën waren:

  • Dankbaarheid uiten naar anderen of gebeurtenissen in je leven door te schrijven in een dankbaarheidsschriftje, denken aan hoe gelukkig je bent, schrijven van dankbaarheidsbrieven aan anderen
  • Sociale interactie: sociale omgang en contact opnemen met vrienden en familie, gesprekken voeren met vreemden en sociabeler zijn
  • Mindfulness/meditatie of loving kindness meditation beoefenen, ademhalingsoefeningen doen
  • Fitness en fysieke activiteit: fysiek actief zijn, zoals gewichtheffen, fietsen, hardlopen, wandelen, sportbeoefening of yoga
  • In de natuur zijn: meer tijd in de natuur doorbrengen, wandelen in de natuur, planten in huis halen

Naast geluk, werden in die studies termen als subjectief welzijn, tevredenheid met het leven, positieve gevoelens e.d. gebruikt.

Van de vele gepubliceerde studies die gevonden werden, ruim 11.000, bleven er na selectie uiteindelijk slechts 57 over die aan de gestelde kwaliteitseisen voldeden. Een van die eisen was dat ze van te voren geregistreerd waren, waarmee publication bias werd uitgesloten. Dat laatste slaat op het niet ter publicatie aanbieden als de voorspelde effecten niet gevonden worden. Dat er zoveel studies afvielen, wijst er op dat er heel veel onderzoek gepubliceerd wordt, en in de publiciteit komt, dat niet aan strenge eisen voldoet.

Uiteindelijk komt daaruit naar voren dat er in feite geen aanwijzingen bestaan voor positieve effecten van mindfulness meditatie, fysieke activiteit en in de natuur zijn op de mate van geluksgevoelens. Wel zijn er aanwijzingen voor positieve effecten van dankbaarheid en sociale interactie.

En laat dat nu precies zijn wat je had kunnen voorspellen als je was uitgegaan van het sociaalwetenschappelijke inzicht van de innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur. Dus van de Dual mode-theorie. Want volgens dat inzicht is het streven naar sociale veiligheid fundamenteel aan het menselijke sociale gedrag en wordt die veiligheid bereikt door gemeenschapsgedrag en sociale verbondenheid met anderen met datzelfde gedrag. Die sociale verbondenheid creëert de neurofysiologische toestand van ontspanning en daarmee de de geluksgevoelens, het subjectieve welzijn, de tevredenheid met het leven of hoe je die ervaring van ontspanning maar wilt noemen.

Kortom, die aanbevelingen om vaker dankbaar te zijn en om meer sociale omgang met anderen te hebben, die sporen geheel met dat fundamentele inzicht over de aard van de menselijke sociale natuur. Gelukkig worden is niet zo gemakkelijk in je eentje, hoeveel je ook mediteert, hoe fysiek actief je ook bent of hoeveel tijd je ook in de natuur doorbrengt. 

Als dat alles niet samengaat met het deel uitmaken van een kring van gemeenschapsgedrag over en weer, dan levert het niet veel op aan geluksgevoelens. (Dat die aanbeveling van dankbaarheid een positief effect heeft, zal er aan liggen dat je op het bestaan van die kring wordt geattendeerd.)

Een ander komt er mee overeen dat het leiden van een zinvol leven, ook wel eudaimonisch geluk genoemd, wat onder meer inhoudt dat je "actief bijdraagt aan het geluk en welbevinden van anderen", opmerkelijk positieve effecten heeft, die zelfs samenhangen met een betere werking van je immuunsysteem. Zie Je gelukkig voelen is prima, maar een zinvol leven leiden is beter.

dinsdag 23 mei 2023

Empirische onderbouwing van Dual Mode - theorie is het probleem niet. Nu nog het besef van sociologen dat hun vak dat realistische normatieve kader nodig heeft

In het kader van de empirische onderbouwing van de Dual-Mode theorie is de studie Egalitarianism: psychological and socio-ecological foundations van belang. Die verscheen al in 2020, maar had ik niet eerder opgemerkt. Ga terug naar Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen, eveneens uit 2020, waar ik die theorie in drie stellingen samenvat en een overzicht geef van het onderzoek dat die stellingen ondersteunt. 

Die niet eerder opgemerkte studie geeft een overzicht van onderzoek dat de eerste twee stellingen ondersteunt. Het gaat dus om:

Stelling 1. In hun sociale gedrag (d.i. gedrag ten opzichte van anderen) zijn er twee aan elkaar tegengestelde gedragspatronen waartoe mensen in staat zijn: het gemeenschapspatroon en het statuscompetitiepatroon.

Stelling 2. Mensen worden bij het aanleren en uitvoeren van deze gedragspatronen sterk beïnvloed door de mate waarin ze met het ene dan wel het andere gedragspatroon in hun sociale omgeving in aanraking komen.

Wat de aanwijzingen voor Stelling 1 betreft, is er een kernpassage in het artikel die ik maar even overneem, met tussen haakjes mijn aanvullingen):

Representations and even motives concerning the principles of equality (gemeenschapspatroon) and hierarchy (statuscompetitiepatroon) emerge early in infancy, suggesting they form part of the set of innate social-cognitive mechanisms with which all humans are endowed. Preverbal infants appear egalitarian, predicting and preferring that outcomes be distributed equally in the absence of other information [5,6, 7, 8,9•], and approaching equal over unequal distributors [7,8]. If one agent has previously dominated another, however, they expect third parties will distribute most resources to the more dominant agent [10•] (see also Ref. [11]). Infants also use the formidability cues of body, coalition size, and previous win–lose history to predict who will dominate whom in zero-sum conflict [12, 13, 14], and those who prevail because others defer to them motivate selective affiliation behavior [15•]. Although in principle egalitarian expectations need not imply altruistic sharing of personal, valuable resources (cf. [1]), systematic individual differences that functionally link the two seem to emerge in infancy: A significant majority of the infants who expect equal resource distributions also share their preferred toy with an unfamiliar experimenter, whereas most infants who expect unequal distributions keep their preferred toy to themselves [9•,16,17]. Importantly, this link between egalitarianism and altruism is already parochial in nature, with children’s desire to ensure equal outcomes being limited to ingroup members, once group identity is made salient [18] (see also Ref. [19]).
 
Merk op dat het principe van gelijkheid zowel de voorkeur voor een gelijke verdeling inhoudt als de bereidheid om iets van jezelf op te offeren ten behoeve van anderen (altruïsme). Dat komt overeen met het iedereen-telt-mee als de morele intuïtie die de kern vormt van het gemeenschapspatroon. 
 
En merk op dat kinderen ook al vroeg het statuscompetitiepatroon (dominantie) herkennen. 
 
Wat de laatste zin van het citaat betreft: essentieel is hier de laatste bijzin: "once group identity is made salient". Die houdt in dat de neiging tot het bevoordelen van de eigen groep (parochialisme) optreedt als de onderzoekers heel duidelijk een keuze aanbieden tussen iemand van de eigen groep en iemand van een andere groep. Zie voor aanwijzingen dat gemeenschapsgedrag universalistisch is, en dus juist niet parochialistisch: Achter "Eigen volk eerst" gaat 'Ik eerst" schuil en natuurlijk ook het al genoemde Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen. 

Veel aanwijzingen dus voor Stelling 1: het onderzoek laat zien dat kinderen al heel vroeg met de bril van het gemeenschapspatroon en met de bril van het statuscompetitiepatroon naar de sociale wereld kijken en zich door de ene dan wel de andere bril in hun gedrag laten leiden.

En dat brengt ons op Stelling 2. Want de auteurs verwijzen naar onderzoek dat laat zien dat de neiging tot gedrag volgens het statuscompetitiepatroon wordt aangewakkerd als er al een statushiërarchie bestaat en de persoon een hoge statuspositie inneemt en als de eigen status of identiteit bedreigd wordt. Dat is precies wat Stelling 2 voorspelt: in een sociale omgeving met meer statuscompetitiegedrag gedragen mensen zich meer volgens het statuscompetitiepatroon. En onderzoek waarin landen worden vergeleken, wijst erop dat mensen zich in landen met minder ongelijkheid en minder bestaansonzekerheid (hogere welvaart, meer democratie, minder conflicten, minder discriminatie) meer volgens het gemeenschapspatroon gedragen. Anders gezegd, als mensen in een land leven met meer gemeenschapsgedrag dan reageren ze daarop met meer eigen gemeenschapsgedrag.
 
Kortom, er is een veelheid van aanwijzingen voor die eerste twee stellingen van de Dual Mode- theorie. Zie weer Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen voor aanwijzingen voor Stelling 3. 

Anders gezegd, de empirische onderbouwing is het probleem niet. Nu nog het besef bij sociologen dat hun vak voor verdere bloei en ontwikkeling dat realistische normatieve kader van de Dual Mode - theorie nodig heeft.

dinsdag 21 maart 2023

Mensen maken zich grote zorgen om het klimaat. Maar komen niet genoeg in actie doordat ze onderschatten hoeveel anderen zich zorgen maken

Hoe optimistisch of pessimistisch kunnen we zijn over de bereidheid van mensen om zich in te spannen en zich offers te getroosten ten behoeve van het tegengaan van de klimaatverandering? 

Gisteren stond ik stil bij het laatste rapport van het VN-Klimaatpanel IPCC dat waarschuwt dat het vrijwel te laat is om de opwarming van de aarde tot anderhalve graad te beperken. En dat de gevolgen daarvan en van verdere opwarming enorm zullen zijn. En vroeg ik me af hoe optimistisch je nog kunt zijn na de verkiezingen voor de Provinciale Staten en de Waterschappen.

Daar valt op basis van sociaalwetenschappelijk onderzoek wel iets meer over te zeggen. Al in 2019 bespraken Thijs Bouman en Linda Steg van de Rijksuniversiteit Groningen onderzoek naar de "waarden" van mensen die relevant zijn voor hun gedrag ten opzichte van de klimaatverandering: Motivating Society-wide Pro-environmental Change. 

Daarin halen ze data aan van de European Social Survey voor 22 Europese landen en Israël. In totaal 44,387 mensen werden gevraagd om aan te geven hoe belangrijk voor hen egoïstische, hedonistische, altruïstische en biosferische waarden waren. Egoïstisch slaat op "being rich and having money and expensive things", hedonistisch op "having a good time” en “seeking fun and pleasure", altruístisch op "helping people and caring for their well-being” en “treating people equally and having equal opportunities” en biosferisch op "caring for nature and the environment”. 

Het blijkt dan dat mensen de altruïstische en biosferische waarden veel belangrijker vinden dan de egoïstische en hedonistische. Zie het plaatje.

Bedenk dat de altruïstische en de biosferische waarden sterk overeenkomen met de morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee, waarbij onder iedereen ook de toekomstige generaties worden verstaan. En bedenk dat de egoïstische en hedonische waarden sterk overeenkomen met het statuscompetitiepatroon van het ieder-voor-zich. Voor alle landen geldt overduidelijk dat de morele gemeenschapsintuïties belangrijker of veel belangrijker worden gevonden dan de waarden van de statuscompetitie.

Dat is dus het probleem niet. Er is reden voor optimisme. 

Maar komen mensen dan ook in actie? Spannen ze zich dan ook in om klimaatverandering tegen te gaan? En steunen ze wel genoeg de politieke partijen die zich sterk maken voor klimaatbeleid? Dat kun je je dus wel afvragen.

Bouman en Steg opperen dat het er aan zou kunnen liggen dat mensen onderschatten hoeveel anderen die morele gemeenschapswaarden belangrijk vinden. Ze verwijzen naar onderzoek dat daar wat de biosferische waarden betreft aanwijzingen voor verschaft. 

En die onderschatting zou ertoe kunnen leiden, geheel volgens Stelling 2 van de Dual Mode-theorie, dat mensen zich in hun gedrag aanpassen aan wat ze denken wat de meerderheid vindt. Ze willen niet teveel afwijken. Of die onderschatting brengt hen ertoe te denken dat het met de ernst van die klimaatverandering dan toch wel zal meevallen.

Wat er dus zou moeten gebeuren is dat mensen ervan doordrongen raken dat niet alleen zijzelf, maar ook anderen zich grote zorgen maken over die klimaatverandering. En het net zo belangrijk vinden om die klimaatverandering tegen te gaan en zich daar voor in te spannen. En het zou tot politici moeten doordringen hoe groot de zorgen zijn die bij hun kiezers leven.

Je vraagt je natuurlijk af waar die onderschatting toch vandaan komt. Doen misschien de media niet goed hun werk?

donderdag 23 februari 2023

Over de rol van spiegelneuronen in het vermogen om adequaat te reageren op veiligheid of onveiligheid van de omgeving

Mensen zijn biologische organismen en zijn dus in het verleden geselecteerd op eigenschappen die gemiddeld genomen bijdragen aan overleving en reproductie. Tot die eigenschappen behoren in ieder geval de vermogens om de omgeving te scannen op veiligheid dan wel onveiligheid en de vermogens om op de uitkomsten van die scan adequaat te reageren. Als er genoeg voedsel binnen bereik is, dan is er veiligheid. Blijf waar je bent. Ga niet in het wilde weg op stap, want dan gebruik je energie en je kunt ergens terecht komen waar minder voedsel is. Meer in het algemeen is vertrouwdheid met je omgeving een signaal van veiligheid, want je hebt immers tot nu toe kunnen overleven waar je nu bent.

Een aspect van de omgeving is de aanwezigheid van soortgenoten en hun gedrag. Want soortgenoten kunnen concurrenten zijn in de strijd om het bestaan, maar ze kunnen ook partners zijn om mee samen te werken in ieders belang. Of mogelijke of actuele seksuele partners. Of je eigen kinderen. Dat alles goed te kunnen onderscheiden, is natuurlijk cruciaal voor je overleving en reproductie. 

Precies dat gegeven is verwerkt in de eerste twee stellingen van de Dual Mode-theorie. Die houden samen in dat er in de menselijke sociale natuur twee gedragspatronen klaarliggen om bij het opgroeien gemakkelijk aan te leren, het gemeenschapspatroon en het statuscompetitiepatroon. En dat mensen het gemeenschapspatroon volgen als er aanwijzingen zijn dat anderen hetzelfde doen, dus als de omgeving veilig is, en het statuscompetitiepatroon als er aanwijzingen zijn dat anderen hetzelfde doen, dus als de omgeving onveilig is. In het eerste geval zal er samenwerking volgen, in het tweede geval competitie om status en een statushiërarchie. (Volgens de derde stelling van de theorie zijn mensen in het eerste geval beter af.)

We zagen ook dat het volgen van het gemeenschapspatroon samen gaat met de activering van het sociale betrokkenheidssysteem van ons autonome zenuwstelsel. We vertrouwen anderen, zijn hen goedgezind en staan open voor samenwerking. En dat het volgen van het statuscompetitiepatroon samen gaat met, afhankelijk van de omstandigheden en de individuele geschiedenis, de vechtreactie, de vluchtreactie of de immobilisatie met angst (het bevriezen of verstijven).

Het is dus heel belangrijk om goed te kunnen bepalen hoe de anderen in je omgeving zich gedragen en wat ze van plan zijn. Als je fout zit, laat je misschien mogelijkheden voor gunstige samenwerking onbenut voorbij gaan. Of stel je je kwetsbaar op en begin je de competitie om status met een achterstand.

Wat zijn eigenlijk de vermogens die hier een rol spelen? Wat bepaalt hoe goed jij bent in het inschatten van anderen? En in het adequaat op die inschatting reageren? Is dat afhankelijk van je ervaringen in het verleden en moet je helemaal door schade en schande wijs worden? Of heeft de evolutie ervoor gezorgd dat je op deze uitdaging al bent voorbereid?

Voor dat laatste komt er nu een aanwijzing uit een nieuw onderzoek naar spiegelneuronen: Hypothalamic neurons that mirror aggression. 

Spiegelneuronen kwamen we op dit blog al eerder tegen. We zagen dat ze een rol spelen in ons vermogen tot empathie. Doordat ze er voor zorgen dat als wij iemand iets zien doen, in onze hersenen de pre-motorische gebieden actief zijn die dat ook zouden zijn (maar dan nog meer) als wij zelf die handeling zouden verrichten. Deze spiegelactiviteit speelt zich af zonder dat wij daar een bewust besef van hoeven te hebben. Het gebeurt automatisch. Of je moet grote moeite doen om het te voorkomen. 

Dat je begrijpt wat iemand doet of dat je je inleeft in iemand, wordt er dus erg door bevorderd door dat je in je hersenen, in je spiegelneuronen, een beetje hetzelfde doet wat die ander aan het doen is. Zie Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (5): (pro-) socialer zijn dan je denkt dat je bent. En zie ook Spiegelneuronen, nadenken en intuïtie. Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (9), waarin ik uitleg wat de ontdekking van spiegelneuronen voor mijn eigen denken betekende.

Er is al wel onderzoek geweest bij mensen naar de rol van spiegelneuronen in het begrijpen van gedrag, in nabootsing, sociale cognitie, aanleren van vaardigheden en zelfs het kijken naar kunst. Maar niet naar  de mogelijke rol ervan in het scannen van de omgeving op veiligheid dan wel onveiligheid, wat in de polyvagaaltheorie neuroceptie wordt genoemd. Precies dat gebeurt in dat nieuwe onderzoek, niet bij mensen, maar bij muizen. (Met inachtneming van de richtlijnen en protocollen van het universitaire Institutional Animal Care and Use Committee.)

De onderzoekers vonden dat bepaalde neuronen (VMHvl PR neuronen) die deel uitmaken van een sector van de ventromediale hypothalamus die bekend staat als het attack center, niet alleen actief zijn als de muis zelf agressief is, maar ook als hij agressie waarneemt tussen andere muizen. Bovendien was de activiteit van deze neuronen cruciaal voor het met agressie reageren op waargenomen agressie. 

Anders gezegd, in een evolutionair oud hersengebied blijkt zich een spiegelneuronensysteem te bevinden dat betrokken is bij het scannen van de omgeving op onveiligheid (agressie van anderen) dan wel veiligheid. Er is een overlap van agressieneuronen en waarnemingsneuronen. Het is voor het eerst dat dit is aangetoond.

Dat doet zacht gezegd vermoeden dat er ook bij mensen dat evolutionair oude spiegelneuronensysteem ten grondslag ligt aan het vermogen om snel (neuroceptie) en adequaat te reageren op de veiligheid of onveiligheid van de sociale omgeving. Met gemeenschapsgedrag (sociale betrokkenheid) op het waargenomen gemeenschapsgedrag van anderen. En met statuscompetitiegedrag (vechten, vluchten of immobilisatie) op het statuscompetitiegedrag van anderen. Stelling 2 van de Dual Mode-theorie vindt ondersteuning in de aanwijzingen voor de aanwezigheid van dat spiegelneuronensysteem.

dinsdag 3 januari 2023

De rechterflank van het politieke landschap is een uiting van het amorele, statuscompetitieve wereldbeeld. Waarin alles is toegestaan.

Van veel landen kun je het politieke landschap kenschetsen met de twee gedragspatronen van de Dual Mode-theorie: het gemeenschapspatroon (iedereen-telt-mee) en het statuscompetitiepatroon (ieder-voor-zch). Dat springt vooral in het oog als dat landschap bestaat uit twee grote partijen, zoals in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. 

Paul Krugman geeft een korte kenschets van die twee partijen in de Verenigde Staten: We’re Going to Miss Greed and Cynicism. Aan de ene kant zijn er de Democraten, die grofweg een sociaaldemocratisch (links) beleid voorstaan, overeenkomend met het gemeenschapspatroon. Een sterk sociale zekerheidsvangnet gecombineerd met hoge belastingen voor de rijken. Daartegenover zijn er de Republikeinen die precies het tegenovergestelde willen, overeenkomend met het statuscompetitiepatroon. De rijken hebben onverkort recht op hun rijkdommen en mogen niet verplicht worden om via hoge belastingen bij te dragen aan het sociale vangnet voor de armen. 

Daarmee hebben die Republikeinen een groot probleem: de Verenigde Staten zijn (nog) een democratie en met hun opvattingen is het moeilijk om verkiezingen te winnen. Over het algemeen is in een democratie het ieder-voor-zich niet populair. De meeste kiezers zijn er voorstander van om de morele gemeenschapsintuïties vorm te geven in wetgeving en instituties. Wat te doen?

De Republikeinen, en rechtse partijen in andere landen, hebben daar een oplossing voor gevonden: probeer om de verkiezingen en de politieke discussies te laten gaan over "culturele issues", zoals het recht op abortus, huwelijkswetgeving, positieve discriminatie, slavernijverleden e.d. Probeer alle aandacht naar die culture war te leiden. Gecombineerd met pogingen om de opkomst te beïnvloeden en om kiesdistricten voor hen gunstiger in te delen, leverde dat soms succes op.

Maar er is nu wat anders aan de hand. Paul Krugman wijst erop dat ze tot voor kort die culturele issues vooral instrumenteel gebruikten. Win er de verkiezingen mee en neem ze daarna niet meer zo serieus. Dat is veranderd:

These days, that sounds quaint — even a bit like a golden era — as many American women lose their reproductive rights, as schools are pressured to stop teaching students about slavery and racism, as even powerful corporations come under fire for being excessively woke. The culture war is no longer just posturing by politicians mainly interested in cutting taxes on the rich; many elected Republicans are now genuine fanatics. 

Ze willen echt een federaal verbod op abortus invoeren, het huwelijk beperken tot man en vrouw, geen lessen op school over het slavernijverleden en over racisme, geen hen onwelgevallige school- en bibliotheekboeken. En ze hangen bizarre samenzweringstheorieën aan. De verkiezingen van 2020 zouden zijn gestolen door een grootscheepse samenzwering van pedofielen.

Hoewel hen dat electoraal weinig oplevert, hebben ze sinds vandaag wel een nipte meerderheid in het Huis van Afgevaardigden. En dat kan nog lastig worden. 

Krugman verlangt daarom terug naar de tijd dat Republikeinen nog "gewoon" alleen maar cynisch uit waren op hun eigen belangen.

Maar als je de rechterflank van het politieke landschap ziet als een uiting van het statuscompetitiepatroon, dan verbaast deze ontwikkeling je niet. In het statuscompetitieve wereldbeeld moet je niet alleen ongehinderd voor jezelf kunnen opkomen, je moet ook jouw wil en jouw opvattingen aan anderen kunnen opleggen. En die anderen zijn vijanden, waarover je vrijelijk allerlei bizarre en kwaadaardige laster moet kunnen verspreiden. Want er bestaan voor jou geen morele beperkingen.

dinsdag 13 december 2022

Door sociale onzekerheid is er minder gemeenschapsgedrag dan goed is voor iedereen

Onze morele gemeenschapsintuïties van iedereen-telt-mee en wees-aardig-voor-anderen leren we gemakkelijk aan als we opgroeien in een veilig gezin, of algemener, in een veilige sociale omgeving. Maar buiten die veilige sociale omgeving komen we ook in aanraking met de onveiligheid van de statuscompetitie of van de onzekerheid over waarop we kunnen rekenen. We komen in aanraking met anderen die we nog niet goed genoeg kennen om te weten of we met gemeenschapsgedrag of met  statuscompetitiegedrag te maken zullen hebben. Kunnen we ons aardig en kwetsbaar opstellen? Of moeten we op onze hoede zijn en is het beter om ons sterker voor te doen dan we werkelijk zijn? Om te voorkomen dat anderen over ons heen lopen?

Dat is een voor onze huidige maatschappij kenmerkende uitdaging. Bedenk dat we op het vermogen tot die morele gemeenschapsintuïties zijn geselecteerd in de lange periode van onze mensheidsgeschiedenis dat we we in een sociale omgeving verkeerden waarin (de neiging tot) statuscompetitiegedrag behoorlijk succesvol werd onderdrukt. Een periode dus waarin we die onzekerheid over het gedrag van anderen niet of nauwelijks kenden.

Dat betekent dat we waarschijnlijk niet goed zijn voorbereid op het goed omgaan met die onzekerheid. Je zou kunnen verwachten dat we over het algemeen voorzichtig zijn. Dat wil zeggen dat we ons bij voorbaat wapenen tegen het mogelijke statuscompetitiegedrag van anderen. En dat doen we door ons eigen statuscompetitiegedrag. We doen stoer en afstandelijk en uit de hoogte. Om maar te voorkomen dat we worden geïntimideerd en als loser worden gezien. 

Omdat diezelfde redenering opgaat voor de ander, valt dus te verwachten dat we in veel statuscompetitieve interacties terechtkomen die geen van de partijen eigenlijk zou willen. En die ons dus minder welzijn en meer stress opleveren dan zou kunnen. Want het is bekend dat een toestand van statuscompetitie naar menselijk welzijn inferieur is aan een toestand van gemeenschapsgedrag.

Bovendien doen we daarmee vooral ervaringen op die ons vertellen dat de samenleving statuscompetitiever is dan dat hij werkelijk is. Want mensen zouden graag aardiger willen zijn, maar die sociale onzekerheid houdt hen tegen. Denk ook terug aan Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (2): samenwerking, competitie en het gedrag van anderen. 

Deze verwachtingen komen aardig overeen met de resultaten van de studie Undersociality: miscalibrated social cognition can inhibit social connection, die eerder dit jaar verscheen. De onderzoekers vroegen proefpersonen om een praatje te maken met een vreemde, bijvoorbeeld een medepassagier in het openbaar vervoer, om iemand ergens mee te complimenteren of ergens voor te bedanken en om iets aardigs te doen voor anderen. Allemaal vormen van gemeenschapsgedrag.

Het bleek toen dat die proefpersonen van te voren de positieve effecten onderschatten die deze gedragingen bleken te hebben voor die anderen. En voor henzelf. Dat gemeenschapsgedrag was veel aangenamer om te doen dan ze zich van te voren hadden voorgesteld.

Dat wijst er dus op dat we in het normale leven minder gemeenschapsgedrag "aanbieden" dan goed is voor ons, en goed voor anderen. We zouden vaker een praatje moeten maken, vaker onze erkentelijkheid moeten uitspreken en vaker iets aardigs moeten doen. 

Bovendien bleek dat iets aardigs doen voor iemand de kans vergrootte dat die ander ook iets aardigs deed voor een ander. Gemeenschapsgedrag bleek "besmettelijk". Geheel in overeenstemming met Stelling 2 van de Dual Mode-theorie. 

Kortom, in een maatschappij die ambivalent is tussen gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag is sociale winst te behalen als mensen vaker het risico namen om te kiezen voor gemeenschapsgedrag. Dat is een les die algemener zou moeten worden uitgedragen.

Een beetje ironisch geformuleerd: gemeenschapsgedrag heeft een beter marketing nodig. 

Want bedenk dat de reclame ons over het algemeen de kant van de statuscompetitie opstuurt. Denk aan Over de sociale hervorming van het terugdringen van reclame. 

Dit bericht heeft een vervolg.

woensdag 7 december 2022

De strijd tussen gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag is die tussen de morele oproep aan de ene kant en het kleineren van die oproep als woke aan de andere kant.

De menselijke sociale natuur is innerlijk tegenstrijdig. Enerzijds zijn we geneigd tot het gemeenschapspatroon, dus tot het volgen van onze morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee. Maar anderzijds zijn we ook in staat tot het ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon. 

Dat sociaalwetenschappelijke onderscheid kennen we in het gewone taalgebruik als de strijd tussen goed (het gemeenschapspatroon) en kwaad (het statuscompetitiepatroon). Dat we het eerste goed noemen en het tweede kwaad komt overeen met alle empirische aanwijzingen dat het menselijk welzijn groter is als we met zijn allen het gemeenschapspatroon zouden volgen dan wanneer we ons zouden laten leiden door het statuscompetitiepatroon. (Stelling 3 van de Dual Mode-theorie.)

Toch komt dat statuscompetitiegedrag veel voor. Onze maatschappij is ambivalent tussen beide gedragspatronen. Kinderen groeien op in het over het algemeen veilige gezin, waarin het gemeenschapspatroon overheerst. Maar daarbuiten komen ze ook in aanraking met statuscompetitiegedrag. En als je daarmee in aanraking komt, dan is er de verleiding om daaraan mee te doen, omdat je je wel tegen dat gedrag moet beschermen. 

Diezelfde ambivalentie is er ook in het maatschappelijke en politieke denken. Enerzijds is er de linkse ideologie van het iedereen-hoort-mee-te-tellen op het niveau van de nationale staat en dan volgt daaruit het pleidooi voor de democratische en egalitaire verzorgingsstaat. En op het niveau van de wereldbevolking het pleidooi voor mensenrechten. Maar anderzijds is er de rechtse ideologie van het ieder-voor-zich, waarin de overheid een zo klein mogelijke rol dient te vervullen en waarin de rijken en de machtigen ongehinderd hun gang moeten kunnen gaan. Met een statushiërarchie, waarin de weinigen heersen over de velen, als gewenste toestand.

Een opvallend, maar te verwachten, verschijnsel is nu dat degenen die het statuscompetitiepatroon omarmen, de behoefte voelen om zich voor die keuze te rechtvaardigen. Hun gedrag is moreel verwerpelijk. Dat ze er dan toch voor kiezen, terwijl ze doorgaans ook dat gemeenschapspatroon in zich mee dragen (doorgaans, want er zijn ook de psychopaten en de kwaadaardige narcisten), doet die behoefte aan rechtvaardiging verwachten.

Het lijkt erop dat die rechtvaardiging vooral de vorm aanneemt van de kleinering van het gemeenschapsgedrag. Dat gedrag zou "hypocriet" zijn. Het zou alleen oppervlakkig "goed" zijn en als je beter kijkt is eigenlijk iedereen "slecht". Het iedereen-telt-mee is er alleen voor de bühne, alleen om goede sier te maken. Het ieder-voor-zich is dus niet moreel verwerpelijk, want in diepste wezen laat iedereen zich er door leiden, ook de heilige boontjes. (Onze taal omschrijft een heilig boontje als "iemand die vaak laat merken hoe goed, vriendelijk, behulpzaam en bescheiden hij of zij is, maar die niet oprecht is - of in elk geval niet oprecht overkomt.")

Een hedendaagse uitdrukking van die kleinering van het gemeenschapsgedrag is de term woke. Valentijn de Hingh schreef erover op De Correspondent:  Alles en iedereen is ‘woke’. Maar wat zegt dat nog? Hij eindigt met:

Het is immers een aloude truc. Je maakt een karikatuur van je tegenstander om alle kritiek op je eigen overtuigingen te diskwalificeren. Maar met stromannen – sorry: stropersonen – schieten we weinig op.

En als we niet opletten spoelt het broodnodige bewustzijn dat ‘woke’ verwoordt weg in het afvoerputje van het debat. En dat zou eeuwig zonde zijn.
 
De strijd tussen gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag is die tussen de morele oproep aan de ene kant en het kleineren van die oproep als woke aan de andere kant.

dinsdag 22 november 2022

Een sociaalwetenschappelijk zicht op sociale onveiligheid achter de schermen van een talkshow (2) - Hoe het ontstaan van een angstcultuur te voorkomen

Wat valt er sociaalwetenschappelijk te zeggen over hoe het statuscompetitiepatroon achter de schermen van de populaire talkshow DWDD alle ruimte kreeg? Onder welke voorwaarden valt het statuscompetitiepatroon te verwachten en waren die voorwaarden in dit geval aanwezig? Zie hier het vorige bericht. 

Gedrag volgens het statuscompetitiepatroon valt te verwachten als mensen hun sociale omgeving als onveilig waarnemen. Dat kan het geval zijn als ze omringd worden door anderen die zich volgens dat patroon gedragen. Statuscompetitiegedrag van de een lokt dat van de ander uit. Het is ieder-voor-zich. Denk aan Stelling 2 van de Dual Mode-theorie. Maar het kan ook het geval zijn dat ze signalen waarnemen die zulk gedrag doen verwachten. 

Zulke signalen kunnen het proces van het zich uitbreiden van statuscompetitiegedrag in werking zetten. Als mensen statuscompetitiegedrag verwachten, zullen ze ook zelf voor dat gedrag kiezen. In dit geval zijn er twee van zulke signalen aan te wijzen.

In de eerste plaats het signaal dat televisieprogramma's met elkaar concurreren om de kijkcijfers. Ook bij de publieke omroep is de financiering afhankelijk van de reclame inkomsten en dus van de kijkcijfers. Die concurrentie, de terreur van de kijkcijfers, maakt dat de kwaliteit van programma's gereduceerd wordt tot de kijkcijferscore in vergelijking met andere programma's. Dat lokt dus competitie uit, niet alleen om die kijkcijfers, maar ook om de status die daarmee kan worden verworven. Want dat streven naar status heeft maar weinig nodig om getriggerd te worden. 

Het heeft tot gevolg dat programmamakers minder gemotiveerd worden tot het maken van goede programma's en meer tot het behalen van zo hoog mogelijke kijkcijfers. Wat "goed" is, dat valt natuurlijk te bediscussiëren, maar dat het niet samen valt met de kijkcijferscore, dat is niet een gekke gedachte.

Er valt hier een analogie te trekken met de introductie van de publicatiescores aan universiteiten. Die heeft de intrinsieke, wetenschappelijke motivatie van onderzoekers zeker voor een deel verdrongen en omgebogen naar de jacht op publicaties. En heeft de statuscompetitie aangewakkerd en daardoor "een algemene veronachtzaming van fundamentele wetenschappelijke standaarden en methodologische eisen" bevorderd.

Uiteindelijk zet dus de financiering door middel van reclame inkomsten het proces van statuscompetitie tussen programmamakers in werking. In plaats van de voldoening die het maken van goede programma's kan opleveren, komt de stress van het moeten "presteren" en dus van het mogelijke tekortschieten. De stress van het willen spelen "in de Champions League". de stress die ook zal doorwerken in hoe programmamakers omgaan met hun medewerkers.

We spelen Champions League’, zegt Van Nieuwkerk vaak. Nadat eindredacteur Van der Horst in 2008 is vertrokken, laat hij zich steeds vaker gelden. ‘De maestro’, zoals Van Nieuwkerk wordt genoemd, is extreem perfectionistisch. En dat verwacht hij ook van anderen. Voor middelmaat is geen plaats. Iedere uitzending voelt hij opnieuw dat hij kan falen.

‘Mijn kop ligt op het hakblok’, schreeuwt hij geregeld. Hij is bang voor verslapping. De druk moet maximaal zijn. Altijd. Tot het einde toe. (In de succesvolle tv-machine van DWDD werd menig redacteur vermalen.)

Dat brengt ons op het tweede signaal, dat van de machtsongelijkheid binnen het team dat een programma maakt. Niet alleen was de leider van het team van DWDD iemand die in de competitie om kijkcijfers een hoge status had verworven, hij kon ook zijn medewerkers maken of breken. Want die medewerkers hadden meestal niet een vast contract. En het was lastig om tussentijds op te stappen:

Wat het voor medewerkers met een jaarcontract ook lastig maakt, is dat ze vaak een fors bedrag moeten betalen om tijdens een lopend seizoen weg te ­mogen bij DWDD. Doordat medewerkers (tot 2018) in de zomer drie maanden vrijaf hebben maar wel doorbetaald worden, bouwen sommigen van hen een ‘schuld’ op aan vrije dagen. Een schuld die tijdens een seizoen makkelijk te compenseren is met alle gemaakte overuren, maar die zij bij een tussentijds vertrek moeten terugbetalen – soms tot een bedrag van wel twee maandsalarissen. ‘Veel twintigers zonder vast contract konden zich dat niet veroorloven’, zegt een medewerker. (In de succesvolle tv-machine van DWDD werd menig redacteur vermalen.)

Net zo als inkomensongelijkheid, wakkert machtsongelijkheid het statuscompetitiepatroon aan. De machtigen willen hun macht doen gelden, al was het maar om hun ondergeschikten er voortdurend aan te herinneren hoe de verhoudingen liggen. (Ook de machtige voelt zich onveilig. Denk aan dat hakblok.) En de machtelozen rest, bij gebrek aan alternatieven, niets anders dan zich bij die verhoudingen neer te leggen. Zo lang dat gaat.

Er is dus een sociaalwetenschappelijk zicht op wat je kunt doen om het ontstaan van een angstcultuur in de televisiewereld te voorkomen. Schaf de financiering door reclame inkomsten af en maak daarmee een einde aan de kijkcijferterreur. Want een publieke voorziening, zoals de publieke omroep, moet je met publieke middelen financieren. En zorg door middel van arbeidsovereenkomsten voor machtsnivellering binnen de organisatie. Hier het vervolg.

maandag 21 november 2022

Een sociaalwetenschappelijk zicht op sociale onveiligheid achter de schermen van een talkshow (1) - Hoe het statuscompetitiepatroon zich voltrekt

Wat valt er sociaalwetenschappelijk gezien te zeggen over de berichten over het grensoverschrijdend gedrag en de sociale onveiligheid achter de schermen van de succesvolle talkshow DWDD? Het is alweer een paar jaar geleden dat die talkshow werd beëindigd, maar nu pas komt door uitgebreid onderzoek van drie redacteuren van de Volkskrant aan het licht dat er achter de schermen een angstcultuur heerste, die ertoe leidde dat tientallen medewerkers ziek uitvielen, burn-outs opliepen en mentale problemen kregen. Sommigen van hen hebben nog steeds last van een posttraumatische stressstoornis. Lees Structureel grensoverschrijdend gedrag bij talkshow DWDD: ‘Het gevoel was: de zeis kan altijd onverwacht vallen’ en In de succesvolle tv-machine van DWDD werd menig redacteur vermalen.

Uit alles wat we daar nu over lezen, valt op te maken dat wat zich daar achter de schermen afspeelde geduid kan worden als het in werking zijn van het statuscompetitiepatroon. Er had zich een statushiërarchie gevormd met één persoon, de populaire presentator Matthijs van Nieuwkerk, aan de top. Die het bij die positie passende gedrag vertoonde. Als er een fout was gemaakt, werd er geïntimideerd.

Even later staat hij tegenover een geluidsman. 'Wat sta je daar nou man? ', schreeuwt Van Nieuwkerk.

Dan begint hij te razen. Zijn woede is zo extreem dat velen het zich drie jaar na dato nog herinneren. (...)

De geluidsman probeert wat terug te zeggen, maar hij komt niet boven de presentator uit. ‘Het is meneer Van Nieuwkerk voor jou’, horen aanwezigen hem schreeuwen.

‘Jij!’, schreeuwt de presentator volgens meerdere getuigen. ‘Jij had hier op je knieën moeten zitten, en moeten zeggen: sorry.’ (...)

‘Zeg sórry meneer Van Nieuwkerk’, roept de presentator. Om hen heen is het doodstil.

En dan doet de man wat hij zegt. ‘Sorry meneer Van Nieuwkerk’, brengt hij uit.

De Volkskrantredacteuren spraken met meer dan zeventig oud-medewerkers, van wie ruim vijftig vertelden dat er achter de schermen bij DWDD "structureel grensoverschrijdend gedrag" plaats vond. 

Uit de verhalen blijkt dat Van Nieuwkerk extreme woede-­uitbarstingen had. Vele medewerkers werden door de presentator ten overstaan van anderen op centimeters afstand toegeschreeuwd, vernederd en geïntimideerd. Medewerkers beschreven aan de Volkskrant tientallen van zulke incidenten, slechts enkele daarvan zijn opgenomen in dit verhaal.

Dat is de overheersingskant van het statuscompetitiepatroon, die van de vernedering en de intimidatie. De andere kant is die van de onderdanigheid, van het zich erbij neerleggen en proberen er nog het beste van te maken. En hoe minder dat laatste lukt, van de immobilisatie, van het verstijfd zijn door angst voor wat er elk moment kan gebeuren. Een toestand die op den duur tot gezondheidsklachten leidt.

Tientallen medewerkers kregen als gevolg hiervan burn-outs, ernstige psychische klachten zoals angst- en paniek­aanvallen, of raakten anderszins beschadigd. De krant sprak met mensen die zeggen hier tot op de dag van vandaag last van te hebben. Sommigen zijn nog steeds verminderd inzetbaar of kampen nog altijd met angstgevoelens, nachtmerries of andere klachten die hen belemmeren in hun werk. Tientallen mensen hebben de televisiewereld hierdoor definitief verlaten. De krant beschikt over vertrouwelijke mails, berichten uit appgroepen, medische dossiers, contracten, vaststellingsovereenkomsten en communicatie met advocaten, die de verklaringen ondersteunen.

Sociaalwetenschappelijk gezien heerste daar achter de schermen het statuscompetitiepatroon. Niet aan een stuk door, met tussenpozen waarin alles pais en vree leek, maar met de voortdurende dreiging dat het patroon weer manifest zou worden. In termen van de Dual Mode-theorie, een toestand die dicht in de buurt ligt van het statuscompetitie-evenwicht. 

Een toestand waarin sociale onveiligheid heerst, onveiligheid dus die door anderen wordt toegebracht. Voor de medewerkers de onveiligheid van de (dreiging met) intimidatie en vernedering. Voor Van Nieuwkerk zelf de onveiligheid van de dreiging van het tekortschieten in het altijd overeind houden van het beeld van de succesvolle presentator, van de televisiester die "in de Champions League" speelt. Waarbij hij mede afhankelijk is van diezelfde medewerkers en dus altijd hen kan aanwijzen als de schuldigen van het tekortschieten.

Als er iets misgaat, vraagt Van Nieuwkerk zich volgens vele bronnen meestal maar een ding af: wie heeft dit gedaan?

‘Het was jóúw fout, jóúw schuld’, zegt een andere redacteur. ‘Daardoor ging je enorm aan jezelf twijfelen. Na een uitzending kwam hij naar me toe in de redactieruimte en ging vlak voor me staan. Ten overstaan van de redactie werd ik ­minutenlang met de grond gelijk gemaakt. ‘Je bent waardeloos!’, schreeuwde hij. Het was enorm intimiderend.

Kortom, mocht je een voorbeeld zoeken van hoe dat statuscompetitiepatroon zich kan voltrekken, dan heb je er hier wel een gevonden. 

In een volgend bericht gaat het over wat er sociaalwetenschappelijk valt te zeggen over hoe het kon ontstaan. Hier het vervolg.

woensdag 9 november 2022

De strijd om de klimaatverandering tegen te gaan ligt in het verlengde van de strijd om de democratie.

Je bent moreel universalistischer, en dus meer politiek links (zie het vorige bericht), als je bij het (fictief) verdelen van een som geld over jezelf en een andere persoon, meer voor een gelijke verdeling kiest wie die andere persoon ook is. Dus minder verschil maakt als die andere persoon bijvoorbeeld een landgenoot is of een medemens ergens op de wereld. Je vindt dan dat iedereen hoort mee te tellen hoe klein of groot de sociale afstand ook is. Of nog anders gezegd, je morele gemeenschapsintuïties strekken zich uit tot alle medemensen. Je bent daarentegen juist moreel parochialistisch als je juist wel verschil maakt.

Die vraag naar de verdeling van een som geld werd in 2020 in de Global Universalism Survey gesteld aan in totaal 64000 mensen verdeeld over representatieve steekproeven van 60 landen. Iedereen werd gevraagd om een hypothetisch bedrag van 1000 dollar, of ongeveer daarmee overeenkomend in een andere munteenheid, te verdelen over twee andere personen met een ongeveer gelijk inkomen. Zie Moral universalism: Global evidence.

Het bleek toen dat ongeveer 26 procent van de ondervraagden moreel universalistisch kan worden genoemd, in de zin dat ze in alle gevallen het bedrag gelijk verdeelden. Ter vergelijking: in de studie Identification With All Humanity as a Moral Concept and Psychological Construct bleek dat 15 procent van de ondervraagde Amerikanen zich evenveel identificeerden met alle mensen op de wereld dan met hun dorps- of stadsgenoten en met hun landgenoten. Ook maakte die 15 procent geen verschil als het ging om de bereidheid om mensen te helpen die in nood verkeerden. Zie het bericht Kunnen wij wereldburgers zijn? Een beetje

Onze morele gemeenschapsintuïties van iedereen-telt-mee zijn geëvolueerd in de lange periode dat we als jagers-verzamelaars in kleine groepen leefden. Maar het blijkt dus mogelijk om in de huidige tijd de geldigheid van dat iedereen-telt-mee uit te breiden tot de gehele wereldbevolking. 

Hoewel het om een minderheid gaat die daar heel ver in gaat, geeft het enige hoop dat we als wereldbevolking in staat zullen zijn om de grote problemen die op dat niveau spelen, die van de door mensen veroorzaakte klimaatverandering, met succes aan kunnen pakken. Net zo als we lang geleden in kleine groepen moesten samenwerken om te kunnen overleven, geldt nu dat we als wereldbevolking moeten samenwerken om een klimaatramp te voorkomen. In de woorden van António Guterres, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties: “We have a choice – collective action or collective suicide. It is in our hands.”

Of we op tijd tot die samenwerking zullen komen, zal er dus van afhangen of genoeg mensen in staat zijn tot moreel universalisme. Volgens Stelling 2 van de Dual Mode-theorie mogen we daar meer op hopen, hoe meer mensen met dat moreel universalisme in aanraking komen. 

In dat verband is een resultaat van die Global Universalism Survey interessant. Het blijkt namelijk dat mensen die in hun eigen land meer met democratie in aanraking komen, dus met het iedereen-telt-mee op landniveau, ook moreel universalistischer zijn. Je ziet dat verband in dit plaatje afgebeeld (overgenomen van Moral universalism: Global evidence):

:

Op de verticale as staat het gemiddelde morele universalisme per land en op de horizontale as de mate waarin een land democratisch is. Je ziet dat de bewoners van een land dat democratischer is ook moreel universalistischer zijn. Als je in een land woont waarin iedereen mee telt, dan vind je ook meer dat iedereen van de wereldbevolking behoort mee te tellen. 

Dat dit een oorzakelijk verband zou kunnen zijn, blijkt eruit dat mensen die gezien hun land en hun leeftijd langer met democratie in aanraking zijn geweest ook moreel universalistischer zijn. En andersom: mensen die gezien hun land en hun leeftijd juist langer met de afwezigheid van democratie in aanraking zijn geweest, zijn ook minder moreel universalistisch.

De strijd om de klimaatverandering tegen te gaan ligt dus in het verlengde van de strijd om de democratie.

maandag 7 november 2022

Politiek links is moreel universalistisch en ziet de wereld als veilig en politiek rechts is moreel parochialistisch en ziet de wereld als onveilig

Als we even afzien van de minderheid van psychopaten en kwaadaardige narcisten, dan zijn alle mensen toegerust met de morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee. Dat hebben we overgehouden aan de lange periode waarin onze voorouders als jagers-verzamelaars voor hun overleving waren aangewezen op samenwerking en delen. Dat was alleen mogelijk als iedereen er van uit ging dat hij of zij meetelde, zowel in het behoren bij te dragen aan de samenwerking als in het mogen meedelen in de opbrengsten van die samenwerking. 

Dat wij mensen nu nog bestaan, komt doordat er in het verleden een selectie is geweest op het toegerust zijn met die morele gemeenschapsintuïties. Overigens zonder dat die evolutionair oudere intuïties, die van het statuscompetitiepatroon en dus van het ieder-voor-zich, volledig zijn uitgeselecteerd. Vandaar die innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur, zoals we die aantreffen in de Dual Mode-theorie.

Volgens Stellling 2 van die theorie, zullen mensen zich laten leiden door die morele gemeenschapsintuïties als ze waarnemen dat anderen dat ook doen. Er bestaat dan namelijk de sociale veiligheid die nodig is om mensen tot gemeenschapsgedrag te brengen. Ik ben bereid om aan de samenwerking bij te dragen, om daarvoor opofferingen te brengen, omdat ik erop vertrouw dat anderen dat ook doen en dat ik zal meedelen in de opbrengsten. Sociale veiligheid, oftewel gemeenschapsgedrag van anderen, lokt gemeenschapsgedrag uit.

Maar tegenwoordig bestaat die sociale veiligheid niet meer in die mate waarin hij in jagers-verzamelaarssamenlevingen bestond. Hoewel verreweg de meeste mensen met die morele gemeenschapsintuïties zijn toegerust, verschillen we in hoeveel sociale veiligheid er in onze omgeving is en in hoeveel we waarnemen. Vandaar dat we in onze huidige samenlevingen ook veel te maken hebben met dat statuscompetitiepatroon. 

Mensen kunnen namelijk verschillen in de omvang van hun kring van sociale veiligheid. Sommigen vinden die veiligheid alleen in hun kleine kring van familie en vrienden, anderen in de kring van hun landgenoten en nog weer anderen in de kring van de wereldbevolking. (Hoe kleiner die kring, hoe groter de kans op een angststoornis.)

In de nieuwe studie Moral universalism and the structure of ideology laten de onderzoekers zien dat die variatie in de omvang van die kring van sociale veiligheid bepalend is voor de structuur van de ruimte van politieke opvattingen, van ideologieën.

De omvang van die kring stellen ze vast door mensen steeds te laten kiezen hoe ze een bepaald bedrag aan geld zouden verdelen over zichzelf en anderen, waarbij die anderen hun naasten zijn, hun buurtgenoten, hun landgenoten of mensen die ergens op de wereld wonen. Het gelijk verdelen van dat bedrag ook als de ander iemand is die "ergens op de wereld" woont, valt dan aan te duiden als moreel universalisme. Als je daar voor kiest, dan strekt je morele gemeenschapsintuïtie van iedereen-telt-mee zich uit tot de gehele wereldbevolking. En als je kring klein blijft, dus bijvoorbeeld beperkt blijft tot die van je landgenoten, dan valt dat aan te duiden als moreel parochialisme. Het is alleen de "eigen parochie" die meetelt.

Nu blijkt dat de mensen die zichzelf politiek links noemen, meer moreel universalistisch zijn. Het zijn ook degenen die hogere overheidsuitgaven voor sociale zekerheid, volksgezondheid, ontwikkelingshulp, natuur en klimaat en een voorkeursbeleid voor minderheden voorstaan. Zij volgen duidelijk het iedereen-telt-mee en de geldigheid daarvan strekt zich uit tot de wereldbevolking. Dat is in dit onderzoek niet meegenomen, maar zij zullen ook positiever staan tegenover vluchtelingen.

Daarentegen zijn de mensen die zich tot politiek rechts rekenen, meer moreel parochialistisch. Ze staan juist hogere overheidsuitgaven voor defensie, contraspionage, politie en grenscontrole voor. Het is het wereldbeeld van ieder-voor-zich, dus van de statuscompetitie.

Waaruit je kunt opmaken, dat moreel universalisme samengaat met een wereldbeeld van sociale veiligheid. Waarin je uit mag gaan van goede bedoelingen. En moreel parochialisme juist met het beeld van een sociaal onveilige wereld, waarin het eigen volk dient te worden beschermd tegen kwaadwillende interne en externe vijanden.

Dat het er bij dat morele universalisme dan wel parochialisme uiteindelijk gaat om het beeld van een veilige dan wel onveilige wereld, dat kom je in dat onderzoek trouwens niet tegen. Dat is een inzicht dat door de Dual Mode-theorie wordt aangeleverd.