Posts tonen met het label Paul Krugman. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Paul Krugman. Alle posts tonen

dinsdag 11 februari 2025

Een sociaalwetenschappelijk zicht op het fenomeen van de foute leider - 26 - De Verenigde Staten is op weg naar een stelsel van wetteloosheid

Nu de foute leider Donald Trump in de Verenigde Staten aan de macht is, krijgen we een stoomcursus in waar de democratische overheid voor bedoeld is en in wat er gebeurt als er figuren aan de macht zijn die niets met die bedoelingen op hebben. Hier het vorige bericht.

Met Trump zijn de anti-overheidsideologen, de techmiljardairs en de religieus-extremisten aan de macht gekomen. Daarmee zijn we in een nieuwe, angstaanjagende fase terechtgekomen van de wederwaardigheden van de democratie in de mensheidsgeschiedenis. Daar zullen in de toekomst nog veel geschiedenisboeken over worden vol geschreven. Nu gebeurt het onder onze ogen en proberen we daar zo goed mogelijk zicht op te krijgen en overzicht te behouden.

Waar dient die democratische overheid ook al weer voor? De democratie is de institutionele vormgeving van onze gemeenschapsintuïtie van het iedereen-telt-mee. Die intuïtie heeft een veelvoud van implicaties. Neem het algemeen kiesrecht en het uitgangspunt dat in een democratisch tot stand gekomen beleid geprobeerd wordt om met ieders belangen zo goed mogelijk rekening te houden. De democratie is een collectief antwoord op de menselijke behoefte aan veiligheid en daarmee op de gevaren van het ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon. 

Welnu, wat zien we gebeuren nu de foute leider Donald Trump en de aan hem gelieerde antidemocraten die nu hun kans schoon zien het voor het zeggen hebben? Heel algemeen gezegd zien we wetteloosheid. Pogingen om de democratische instellingen af te schaffen, stuiten nu nog op de rechterlijke macht, Er is een reeks van rechtszaken gaande en er zijn rechterlijke besluiten die de door de regering-Trump genomen besluiten een halt toeroepen. Maar doordat de Republikeinen de meerderheid hebben in de Senaat en het Huis van Afgevaardigden en zich voorlopig passief opstellen, lijkt het erop dat er binnenkort in de Verenigde Staten een einde komt aan de trias politica, de scheiding van de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht. Anders gezegd, wetteloosheid.

Dat kan aan allerlei door de Trump-regering genomen besluiten worden geconcretiseerd. Het is er maar een van de vele, maar neem nu het besluit om het Consumer Financial Protection Bureau (CFPB) de nek om te draaien. Paul Krugman staat daar vandaag bij stil: Springtime for Scammers. Financial predation now has friends in high places.  

Dat CFPB werd op initiatief van Senator Elizabeth Warren in het leven geroepen om consumenten te beschermen tegen, zeg maar roofdiergedrag, van financiële instellingen. De meest mensen hebben noch de tijd noch de kundigheid om zich in financiële producten te verdiepen. Daardoor ontstaat informatieasymmetrie tussen aanbieder en consument en dus de ruimte voor financiële instellingen om zich via dubieuze of ronduit frauduleuze praktijken te verrijken ten koste van de consument. Denk in ons land aan wat bekend is geworden als de woekerpolisaffaire. 

Het CFPB is gebleken een succesvolle financiële waakhond te zijn. Krugman roept in de herinnering terug dat het twee jaar geleden aan de financiële instelling Wells Fargo een boete oplegde van 3,7 miljard dollar voor het frauduleus benadelen van zijn klanten. In totaal slaagde het CFPB er in om gezinnen die door Wall Street waren bedrogen met 21 miljard dollar te compenseren. Kortom, een succesvolle waakhond in het kader van bescherming van de consument tegen roofdiergedrag. Als concretisering van het iedereen, ook de zwakkere en de minder goed geïnformeerde, telt mee en heeft er recht op om door de democratische overheid tegen roofdiergedrag te worden beschermd.

Maar de Trump-regering wil terug naar het ieder-voor-zich. Waarin de machtigen hun gang moeten kunnen gaan. Gewoon omdat ze nu eenmaal machtig zijn. Dus kregen alle medewerkers van het CFPB een bericht dat hun kantoor was gesloten en dat ze hun werkzaamheden dienden te beëindigen. 

Een brute en curieuze gang van zaken. Als de normale weg was bewandeld, dan was erbij de volksvertegenwoordiging een beargumenteerd wetsvoorstel ingediend om het CFPB op te heffen. Dat die weg niet is bewandeld, zou er op kunnen duiden dat de regering denkt dat er geen meerderheid voor bestaat. Dat dus niet alle Republikeinen het wetsvoorstel zouden steunen. Maar het zou ook kunnen zijn dat de Trump-regering de uitvoerende macht wil laten overheersen over de wetgevende macht. Dus de trias politica terzijde wil schuiven. 

Hoe dan ook, het is slechts een van de voorbeelden van de wens van  de foute leider en zijn volgelingen om het overheidsapparaat te ontmantelen. Om de ontwikkeling van de democratische rechtsstaat van het iedereen-telt-mee, die begon in de negentiende eeuw, terug te draaien. Op weg naar een stelsel van wetteloosheid, waarin niet de zwakke wordt beschermd tegen de machtige, maar omgekeerd, de machtige tegenover de (opstand van) de zwakkeren.

(Lees nu ook Alles moet instorten. De staatsgreep van Trump en Musk van Casper Thomas in de Groene Amsterdammer.)

Hier het vervolg. 

dinsdag 3 januari 2023

De rechterflank van het politieke landschap is een uiting van het amorele, statuscompetitieve wereldbeeld. Waarin alles is toegestaan.

Van veel landen kun je het politieke landschap kenschetsen met de twee gedragspatronen van de Dual Mode-theorie: het gemeenschapspatroon (iedereen-telt-mee) en het statuscompetitiepatroon (ieder-voor-zch). Dat springt vooral in het oog als dat landschap bestaat uit twee grote partijen, zoals in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. 

Paul Krugman geeft een korte kenschets van die twee partijen in de Verenigde Staten: We’re Going to Miss Greed and Cynicism. Aan de ene kant zijn er de Democraten, die grofweg een sociaaldemocratisch (links) beleid voorstaan, overeenkomend met het gemeenschapspatroon. Een sterk sociale zekerheidsvangnet gecombineerd met hoge belastingen voor de rijken. Daartegenover zijn er de Republikeinen die precies het tegenovergestelde willen, overeenkomend met het statuscompetitiepatroon. De rijken hebben onverkort recht op hun rijkdommen en mogen niet verplicht worden om via hoge belastingen bij te dragen aan het sociale vangnet voor de armen. 

Daarmee hebben die Republikeinen een groot probleem: de Verenigde Staten zijn (nog) een democratie en met hun opvattingen is het moeilijk om verkiezingen te winnen. Over het algemeen is in een democratie het ieder-voor-zich niet populair. De meeste kiezers zijn er voorstander van om de morele gemeenschapsintuïties vorm te geven in wetgeving en instituties. Wat te doen?

De Republikeinen, en rechtse partijen in andere landen, hebben daar een oplossing voor gevonden: probeer om de verkiezingen en de politieke discussies te laten gaan over "culturele issues", zoals het recht op abortus, huwelijkswetgeving, positieve discriminatie, slavernijverleden e.d. Probeer alle aandacht naar die culture war te leiden. Gecombineerd met pogingen om de opkomst te beïnvloeden en om kiesdistricten voor hen gunstiger in te delen, leverde dat soms succes op.

Maar er is nu wat anders aan de hand. Paul Krugman wijst erop dat ze tot voor kort die culturele issues vooral instrumenteel gebruikten. Win er de verkiezingen mee en neem ze daarna niet meer zo serieus. Dat is veranderd:

These days, that sounds quaint — even a bit like a golden era — as many American women lose their reproductive rights, as schools are pressured to stop teaching students about slavery and racism, as even powerful corporations come under fire for being excessively woke. The culture war is no longer just posturing by politicians mainly interested in cutting taxes on the rich; many elected Republicans are now genuine fanatics. 

Ze willen echt een federaal verbod op abortus invoeren, het huwelijk beperken tot man en vrouw, geen lessen op school over het slavernijverleden en over racisme, geen hen onwelgevallige school- en bibliotheekboeken. En ze hangen bizarre samenzweringstheorieën aan. De verkiezingen van 2020 zouden zijn gestolen door een grootscheepse samenzwering van pedofielen.

Hoewel hen dat electoraal weinig oplevert, hebben ze sinds vandaag wel een nipte meerderheid in het Huis van Afgevaardigden. En dat kan nog lastig worden. 

Krugman verlangt daarom terug naar de tijd dat Republikeinen nog "gewoon" alleen maar cynisch uit waren op hun eigen belangen.

Maar als je de rechterflank van het politieke landschap ziet als een uiting van het statuscompetitiepatroon, dan verbaast deze ontwikkeling je niet. In het statuscompetitieve wereldbeeld moet je niet alleen ongehinderd voor jezelf kunnen opkomen, je moet ook jouw wil en jouw opvattingen aan anderen kunnen opleggen. En die anderen zijn vijanden, waarover je vrijelijk allerlei bizarre en kwaadaardige laster moet kunnen verspreiden. Want er bestaan voor jou geen morele beperkingen.

dinsdag 20 december 2022

De bazen en de meute vieren het bevrijd zijn van de moraal - Over de ideologie van het bazendom

Door de in de afgelopen decennia sterk toegenomen inkomens- en vooral ook vermogensongelijkheid hebben we nu te maken met wat Paul Krugman in zijn column van gisteren humeurige oligarchen (petulant oligarchs) noemt. Figuren die extreem rijk hebben kunnen worden, daardoor alom bewondering of zelfs verering oogsten, die zich allerlei bizarre voorrechten en geneugten kunnen veroorloven, die zichzelf bijzondere gaven zijn gaan toedichten en zich verheven voelen boven het gewone volk en die door hun rijkdom zoveel macht hebben dat we allemaal afhankelijk worden van hun nukken en grillen. 

Zoveel macht dat ze de democratie, die immers juist bedoeld is om macht te nivelleren (iedereen-telt-mee), maar moeilijk kunnen accepteren. Vandaar dat grote ongelijkheid, via de invloed van het Grote Geld,  een gevaar is voor de democratie. Algemener gezegd, grote ongelijkheid wakkert de statuscompetitie aan en het bestaan van zulke oligarchen is daar een onvermijdelijk gevolg van. Zie ook Door meer ongelijkheid meer statuscompetitie en daardoor meer vraag naar een sterke leider die het niet zo nauw neemt met de democratie.

Doordat zulke humeurige oligarchen zichzelf zo verheven voelen, gaan ze zich opmerkelijk kinderachtig gedragen als het hen soms tegenzit. Paul Krugman denkt aan Elon Musk. Dat kan spotternij opwekken, maar er zijn er ook die hardnekkig in hen en hun bijzondere gaven blijven geloven. Dat geloof is zoiets als de ideologie van het bossissm, een term die Krugman ontleent aan John Ganz (The Emerging Tech-Lash. The Politics of Tech Oligarchy). In het Nederlands kennen we de term bazendom. Ganz noemt ook de Zuid-Afrikaanse term baasskap, die in de tijd van de Apartheid werd gebruikt.

De ideologie van het bazendom houdt in dat er een "natuurlijk orde" bestaat, waarin sommigen, de bazen, het voor het zeggen hebben. Een orde waarin democratie dus ook niet kan bestaan. Ganz haalt de uitspraak van Peter Thiel aan, een van die oligarchen die het rechts-extremisme financieren, dat hij niet langer denkt dat vrijheid en democratie verenigbaar zijn. In het bazendom genieten de bazen, de rijke oligarchen, de vrijheid van het niet gehinderd worden door morele beperkingen. Ze kunnen onbelemmerd hun nukken en grillen volgen. Dat levert hen bewondering en verering op van de meute, die zelf ook de vrijheid van dat amorele gedrag omarmt en zich zo met de bazen kan identificeren: 

this vision of “freedom” is not only shared by the bosses and their paid ideologues—there is a “mass” component of the politics as well: this ideal of freedom is shared by a mob that worships the power of the oligarchs and wants its own freedom to consist in the total license to behave online without encountering moral sanction from the pestering wokes or to have personal consequences of any kind. Through the adoption of crackpot racial or IQ notions they can flatter themselves that they are part of the elect, minor shareholders in the oligarch’s baasskap. 

Sociaalwetenschappelijk onder woorden gebracht: de grote ongelijkheid heeft de deur opengezet voor een proces van statuscompetitie, dat is uitgemond in een statushiërarchie. Waarin de bazen én de meute de last van morele noties van zich af hebben geschud. Als er nog bepleiters van de moraal zijn, van het iedereen-telt-mee, dan worden die als woke bespot. Het "feest" van het bevrijd zijn van de moraal moet worden gevierd.

De bazen en de meute die elkaar in stand houden, het is een van de vormen waarin het statuscompetitiepatroon kan zegevieren over het gemeenschapspatroon.

woensdag 1 september 2021

Democratie bedreigd door toegenomen ongelijkheid en het Grote Geld - Deel 4 van De mensheidsgeschiedenis in drie stappen

We zijn in een fase van de mensheidsgeschiedenis aangekomen waarin we met twee grote uitdagingen worden geconfronteerd. Zo besloot deel 3 van deze reeks (De Vos, 2021). De eerste is die van de onderlinge verhoudingen: zullen we de democratie weten te handhaven, de institutionele vormgeving van onze oeroude morele gemeenschapsintuïties van het iedereen telt mee? En de tweede is die van onze verhouding tot de aarde, die een afgeleide is van onze verhouding tot volgende generaties. Als dat iedereen telt mee ook de volgende generaties omvat, dan staan we voor de opgave om Moeder Aarde zo door te geven dat ook voor hen een leven mogelijk is.

Zo begint deel 4 van De mensheidsgeschiedenis in drie stappen, waarin het gaat over de bedreigingen van de democratie door de toegenomen ongelijkheid en het Grote Geld. Lees verder op Civis Mundi Digitaal #113.

Lees hier Deel 5.

vrijdag 18 juni 2021

Klaas Knot in Witteveenlezing: bezuinigen is en was een grote fout - En dus over sociale zeepbellen

Nadat ik dit blog begon, in augustus 2011, groeide snel het aantal berichten achter het label "bezuinigingszeepbel" en "eurocrisis".  Tot vandaag schreef ik 259 berichten met het eerste en 264 met het tweede label. 

Het eerste bericht over de bezuinigingszeepbel verscheen op 9 september 2011 en was getiteld Sociale zeepbellen in economie en politiek. En op 21 september schreef ik De bezuinigingszeepbel. Volg de links om ze te lezen. 

En het eerste bericht over de eurocrisis verscheen, onder de titel Paul de Grauwe over de Europese bankencrisis, op 21 oktober 2011. Met een link naar een artikel van Paul de Grauwe die toen al helder uitlegde wat er niet deugde aan de opzet van de euro. Zeer de moeite waard om nu na bijna tien jaar te herlezen!

Beide series berichten handelden over de obsessie met overheidstekorten die politici na de Grote Financiële Crisis van 2008-2010 in zijn greep kreeg. De oplossing voor de ontstane problemen moest gezocht worden in het zo snel mogelijk terugdringen van de overheidstekorten. Op nationaal niveau en op het niveau van de eurozonelanden, de landen die so wie so gebonden waren aan de regels van het Stability and Growth Pact, dat de omvang van overheidsschulden sterk limiteerde.

Die obsessie kwam duidelijk voort uit de toen nog volop heersende neoliberale ideologie waarin de markt de maat der dingen is en de overheid zich zoveel mogelijk dient terug te trekken. Financiële en economische crisissen zouden tot het verleden behoren en wat er nog aan conjunctuurpolitiek nodig was, kon door de centrale banken afgehandeld worden. Dat de overheidsbegroting ook een macro-economische functie zou kunnen hebben, dat was achterhaald Keynesiaans gedachtengoed. 

En al helemaal niemand had ooit gehoord van  Abba Lerner (1903 - 1982) en zijn Functional Finance, d.w.z. "the principle of judging fiscal measures by the way they work or function in the economy".  Zie mijn bericht Geloof niet in de mythe van de gezonde overheidsfinanciën! De overheidsbegroting hoort functioneel te zijn van 20 januari 2016. Nee, politici bleven in de ban van het huishoudboekjesdenken.

Die intellectuele fantasiewereld had na de Grote Financiële Crisis definitief in moeten stortten, maar de politici bleven volharden in hun obsessie. Dat was niet omdat ze zich zo goed geïnformeerd hadden, want vooraanstaande macro-economen waarschuwden voor de negatieve gevolgen, zowel economisch als maatschappelijk. Naast de al genoemde Paul de Grauwe was dat vooral ook Paul Krugman, die ik op dit blog in die tijd dan ook vaak aanhaalde. Zie hier alle berichten met het label Paul Krugman. Maar politici praatten vooral elkaar na en zo ontstond die bezuinigingszeepbel.

Een van die macro-economen die probeerde om die bezuinigingsobsessie te doen keren, was in ons land Johan Witteveen (1921 - 2019), ex-minister van Financiën en ex-directeur van het Internationale Monetaire Fonds (IMF) en vooraanstaand VVD-er. In die laatste rol probeerde hij tevergeefs om Mark Rutte en andere VVD-politici ervan te overtuigen dat er in een tijd van recessie juist niet moest worden bezuinigd, maar integendeel geïnvesteerd. Ik stond daar op 7 september 2012 bij stil in het bericht Johan Witteveen: "Ik heb gezegd: het verhaal over het tekort is niet juist en dat weten jullie". 

Vooral dat laatste was nogal dodelijk, want hij wilde ermee zeggen dat ze hem wel begrepen hadden, maar uit opportunistisch-ideologische overwegingen er toch liever voor kozen om te gaan bezuinigen. Misschien ook omdat ze bang waren de kiezers niet te kunnen overtuigen, die immers systematisch in verkiezingscampagnes met dat huishoudboekjesdenken waren gevoerd.

Hoe ironisch is het nu dat Klaas Knot, directeur van De Nederlandse Bank, een week geleden uitgerekend in de Johan Witteveenlezing niet alleen uitvoerig uiteenzette hoe verkeerd het is om nu na de coronacrisis te gaan bezuinigen, maar ook dat het verkeerd was om dat na de crisis van 2008 - 2010 te doen. Je kunt die lezing hier in zijn geheel nalezen. Hij zet daar een betoog op dat heel goed door bijvoorbeeld Paul Krugman (en in Nederland door Bas Jacobs en Coen Teulings) had kunnen worden gehouden, overigens zonder naar hen, of naar wie dan ook, te verwijzen.

En zonder ook met zoveel woorden toe te geven dat hijzelf  in het verleden meezong in dat bezuinigingskoor. En toen nooit ook maar enig blijk gaf van het beheersen van de inzichten die hij nu verkondigt. Martin Visser stond daar op 12 juni bij stil in loopt corona op zijn eind, is Knot bekeerd... 

Het is altijd moeilijk en pijnlijk om toe te geven dat je onderdeel bent geweest van een sociale zeepbel. En hoewel het te prijzen valt dat je dan uiteindelijk je informatieachterstand hebt ingehaald, zou het natuurlijk nog beter zijn om je openlijk af te vragen hoe je het in het verleden zo fout hebt kunnen hebben. Al was het maar om zulke sociale zeepbellen in de toekomst beter te kunnen herkennen en te vermijden.

woensdag 5 mei 2021

Economie is een wetenschap over, en beoefend door, morele wezens waarin morele argumenten alleen tussen haakjes of in bijzinnen binnen mogen komen. Daar klopt iets niet - Wat de morele luchtledigheid van het vak economie zoal betekent - deel 7

Aan de morele luchtledigheid van het vak economie zijn we zo gewend dat we er niet eens meer bij stilstaan. Zie hier het vorige bericht. Terwijl de mens een moreel dier is, die zijn overleving en succes te danken heeft aan het samenwerken en delen waarvoor onze morele gemeenschapsintuïties van iedereen telt mee en van rechtvaardigheid noodzakelijk waren. Dat wij (nog) bestaan is er aan te danken dat we zijn toegerust met morele intuïties.

Maar toen we de derde stap van onze geschiedenis zetten, die van de ontwikkeling van de onpersoonlijke relaties van de markt, toen waren we daar zo van onder de indruk dat we dachten dat zich hier een amoreel sociaal domein aandiende. In dat domein zouden de verhoudingen die van de onderlinge competitie behoren te zijn, want dan zou zich een proces voltrekken waarin iedereen precies krijgt wat hij "verdient". In plaats van het iedereen telt mee en van rechtvaardige verhoudingen kwam de markt als maat der dingen en dus het iedereen krijgt wat hij verdient, hoeveel of hoe weinig dat ook is. Hoe exorbitant rijk (en dus machtig) de ene en hoe hopeloos arm (en dus machteloos) de ander ook is.

Dat we daar zo van onder de indruk waren, leidde er toe dat zich dat moreel luchtledige vak economie kon ontwikkelen. Een werkelijkheidsvreemd vak omdat het afzag van de morele aard van het menszijn. En daarmee van de menselijke waardigheid. Denk aan Polanyi, zoals in dit bericht geciteerd:

The dignity of man is that of a moral being, who is, as such, a member of the civic order of family, state, and "the great Society of mankind."

In dat theoretische apparaat dat dit vak economie vanaf het eind van de achttiende eeuw tot vandaag de dag hanteert, kom je die notie van menselijke waardigheid niet tegen.

Wat houdt die constatering zoal in, vroeg ik me in de vorige berichten af? We zagen al dat die morele gemeenschapsintuïties en daaraan gekoppeld de notie van de menselijke waardigheid zich in de reële maatschappelijke ontwikkelingen, die van de vestiging van democratieën en van de opbouw van de verzorgingsstaten, wel degelijk lieten gelden. Maar dat tegelijk het vak economie daarbij aan de zijlijn stond. Wat natuurlijk ook weer niet uitsluit dat veel economen als persoon die ontwikkelingen toejuichten en er aan bijdroegen. Maar dus: als persoon, niet omdat hun vak hen die richting wees.

Als je even achterover leunt en daarover nadenkt, kun je moeilijk anders concluderen dan dat dit uiterst merkwaardig is. (Overigens net zo merkwaardig als dat het vak sociologie moreel luchtledig is.) Maar, zoals gezegd, we zijn eraan gewend.

Wat betekent dat het ons nauwelijks opvalt als een econoom een bepaald beleid voorstaat, met economische argumenten, en daar dan terloops aan toevoegt dat dat beleid ook moreel te prefereren valt. Maar die toevoeging behoort duidelijk niet tot "het vak economie". 

Neem die passage uit het boek Een land van kleine buffers van Dirk Bezemer, die ik aanhaalde in het bericht Nu de overheid terug is, kun je dan als het vak economie of het vak sociologie morele oordelen buiten de deur blijven houden? Daarin gaat het over de te grote en disfunctionele financiële sector, die onvermijdelijk een piramidespel in werking zet en dus fraude en misleiding. Waarop Bezemer laat volgen dat deze constatering geen morele veroordeling is, maar dat die trouwens ook best mag. Het mag best, maar is geen economisch argument.

Of neem nu de column die Paul Krugman twee dagen geleden schreef: Biden and the Future of the Family. Daarin gaat het over de plannen van Biden om structureel geld uit te trekken om gezinnen met kinderen financieel te helpen. Erop neerkomend dat ook de Amerikaanse gezinnen eindelijk kinderbijslag krijgen, zoals in verzorgingsstaten gebruikelijk is. (Zie ook mijn bericht over kinderbijslag en de arbeidsovereenkomst uit 2014.) 

Plannen waar de Republikeinen natuurlijk tegen zijn, want in hun ogen maakt de markt wel uit wat iedereen verdient. Geen overheidsinmenging, geen subsidies! De econoom Krugman brengt daartegenin dat zulke uitgaven juist economisch gezien gunstige opbrengsten hebben. Ze dragen eraan bij dat kinderen beter opgeleid worden en gezondere, langere en productievere levens hebben. Er zijn goede economische argumenten:

So there are good reasons to believe that providing more aid to families with children would, in addition to helping Americans in need, make our economy stronger in the long run.

En ook daar komt in een bijzin een moreel argument binnen: je hoort mensen in nood te helpen. Maar dus in een bijzin.

En als je daar eenmaal oog voor hebt, valt op hoe merkwaardig dat is. Dat we een wetenschap over mensen hebben, dus over een moreel wezen, waarin morele argumenten slechts tussen haakjes of in bijzinnen, binnen mogen komen. Geen onderdeel van het vak mogen zijn. Daar klopt iets niet.

dinsdag 29 december 2020

Aan het eind van 2020 veel redenen voor bezorgdheid en pessimisme. Maar er zijn er ook lichtpuntjes

We hadden al de Grote Financiële Crisis van 2008-2010, met een lange nasleep veroorzaakt door politici die dachten dat zo veel en zo snel mogelijk bezuinigen de beste manier was om op die crisis te reageren. Dat maakte de toch al bestaande problemen van groeiende bestaansonzekerheid onder de bevolking, veroorzaakt door tientallen jaren van neoliberaal beleid, alleen maar groter. 

Toen kwam daar in het nu bijna afgelopen 2020 nog eens de coronacrisis bij. Met naast de grote economische schade en dus nog meer bestaansonzekerheid, veel menselijk leed als gevolg van ziekte en oversterfte en sociaal isolement. 

En er is natuurlijk levensgroot het probleem van de door menselijk handelen in gang gezette klimaatverandering, waarvan de catastrofale gevolgen al bijna niet neer zijn af te wenden.

Veel reden voor bezorgdheid en pessimisme.

Maar laten we proberen om nu 2020 ten einde loopt wat lichtpuntjes te zien. Zijn er niet ook aanleidingen voor enig optimisme?

Natuurlijk zijn die er ook. Neem nu hoe regeringen gereageerd hebben op de economische gevolgen van de coronapandemie. Die reactie was een heel andere dan die van het bezuinigen na de kredietcrisis. Zonder enige, misplaatste, angst voor begrotingstekorten, werden grote sommen geld uitgetrokken om levensvatbare ondernemingen te ondersteunen bij het in dienst houden van werknemers of om hen voor faillissement te behoeden. Er werd alles aan gedaan om de ellende die werd veroorzaakt door de noodzakelijke economische stilstand, zoveel mogelijk te verzachten. 

Er was zo maar ineens de algemeen gedeelde overtuiging dat de overheid er is om mensen te hulp te schieten als de nood aan de man is. Zelfs in de Verenigde Staten, waar de Republikeinen in de vorm van het Trump-bewind aan de macht zijn. Met de bekende trickle down-ideologie die eigenlijk voorschrijft zoveel mogelijk te herverdelen van arm naar rijk. Die perfide politiek gold even niet. Paul Krugman daarover:

Over all, however — and somewhat shockingly — U.S. economic policy actually responded fairly well to the real needs of a nation forced into lockdown by a deadly virus. Aid to the unemployed and business loans that were forgiven if they were used to maintain payrolls limited the suffering. Direct checks sent to most adults weren’t the best targeted policy ever, but they boosted personal incomes.
All this big-government intervention worked. Despite a lockdown that temporarily eliminated 22 million jobs, poverty actually fell while the assistance lasted.

In Nederland gold ineens dat "het macro-economische belang van volstrekt andere orde is dan het smalle belang van de schatkist en de overheidsfinanciën", zoals onze minister van Financiën Wopke Hoekstra op 12 maart uitriep. Hetzelfde zagen we in andere Europese landen en op het niveau van de Europese Unie. László Andor omschreef dat als een progressief momentum (The EU from crisis to crisis: Post‐Polanyian questions for social democracy).

Het blijkt dat het in tijden van rampspoed zo maar kan gebeuren dat de gemeenschapsvisie op de democratische overheid ineens weer als vanzelfsprekend wordt geaccepteerd. De democratische overheid als de maatschappelijke uitingsvorm van de menselijke gemeenschapsintuïties. Van het met elkaar rekening houden en elkaar ondersteunen en van de rechtvaardigheid van de onderlinge verhoudingen. Iedereen telt mee en mensen in nood horen we met zijn allen te helpen. Dat was immers ook de visie die na de rampspoed van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust leidde tot de opbouw van de verzorgingsstaat.

Dat die gemeenschapsvisie ineens weer aan terrein lijkt te winnen, blijkt er ook uit dat nu in de politiek en in de maatschappij de verontwaardiging de kop opsteekt over hoe de neoliberale maatregelen van de kabinetten-Rutte hebben uitgewerkt op de zwakkeren en de kwetsbaren. Neem de Toeslagenaffaire. En neem nu ineens de verontwaardiging over hoe bijstandsontvangers worden behandeld: Politiek slaat alarm over strenge bijstandsregels. Maatregelen die eerder willens en wetens door meerderheden in de Tweede en Eerste Kamer werden omarmd. Het lijkt erop dat we met zijn allen toch onze bedenkingen hebben bij de statuscompetitiecultuur van vernedering.

Er zijn dus ook wel wat aanleidingen voor optimisme. 

En dan hebben we het er nog niet eens over dat in de Verenigde Staten, met de overtuigende nederlaag van Donald Trump, de democratie is gered: The Best Thing That Happened in 2020? American Voters Saved Our Democracy.

donderdag 17 september 2020

Het economisch wereldbeeld van het huishoudboekjesdenken had al veel eerder overhoop gegooid kunnen worden

Koen Haegens, economiejournalist van de Volkskrant, besprak het boek The Deficit Myth. Modern Monetary Theory and how to build a better economy van Stephany Kelton. Dat boek is een grondige weerlegging van wat ik, zo ongeveer vanaf 2014,  het huishoudboekjesdenken over de overheidsbegroting noemde. Volgens dat denken moet de overheid net zo als een huishouden het huishoudboekje op orde houden. Er moet niet meer uitgaan dan er binnenkomt. 

Want anders maak je schulden en als die teveel oplopen, dan zadel je toekomstige generaties op met de last daarvan.

In dat denken ontbreekt het inzicht dat de overheidsbegroting belangrijke en gewenste of ongewenste effecten heeft op de economie als geheel. Bij overschotten is er geld aan de economie onttrokken en bij tekorten is er geld ingepompt. En er ontbreekt het inzicht dat de overheid de valuta-uitgever (currency issuer) is, dat wil zeggen dat hij "geld kan drukken". Dat laatste betekent dat het argument dat "het geld er niet is" op zich nooit klopt. En het houdt in dat de overheid niet het geld uitgeeft dat door belastingheffing is binnengekomen, maar uitgaven doet om de overheidsvoorzieningen te bekostigen en vervolgens belastingen heft op de daardoor ontstane inkomens. Waarbij belastingheffing dient om inflatie tegen te gaan, om een redelijke inkomens- en vermogensverdeling te bewerkstelligen en om schadelijk en ongezond gedrag te ontmoedigen.

Dat alles en veel meer legt Stephanie Kelton uit in dat pas verschenen boek. Daarbij verwijst ze vooral naar andere economen die zich scharen achter de Modern Monetary Theory, waarvan ze Warren Mosler de vader noemt. Mosler schreef in de jaren 90 van de vorige eeuw het boekje Soft Currency Economics, wat voor Kelton de eerste kennismaking was met deze inzichten (p. 23)..

Haegens is sterk onder de indruk van het boek, dat voor hem duidelijk heel nieuwe inzichten bevat. Hij besluit zijn bespreking met:

Gaandeweg de ruim 300 pagina's, terwijl ik steeds wanhopiger naar de zwakke plek in Keltons argumentatie zocht, bekroop me een extreem ongemakkelijke vraag. Een waar ik nog steeds niet uit ben. Moet ik nu mijn economische wereldbeeld overhoopgooien?

En dat is toch wel opvallend. Want Koen Haegens is bepaald niet de minste onder de Nederlandse economiejournalisten. En hoewel dat boek van Kelton dus pas is verschenen, zijn de inzichten helemaal niet zo nieuw. Ze gaan deels terug tot het werk van Abba P. Lerner in de jaren 40 van de vorige eeuw. Die bepleitte een functional finance benadering van de overheidsbegroting, inhoudende dat de overheid niet naar evenwicht op haar begroting moet streven, maar integendeel met die begroting naar dat evenwicht in de economie dat samen gaat met volledige werkgelegenheid. Kelton verwijst daar ook naar (p. 242). Ik stond er bij stil in dit bericht uit 2016: Geloof niet in de mythe van de gezonde overheidsfinanciën! De overheidsbegroting hoort functioneel te zijn. 

Maar ook onder meer mainstream-economen is er natuurlijk al heel lang kritiek uitgeoefend op het huishoudboekjesdenken. Kritiek die grotendeels in dezelfde lijn ligt als die van Kelton. Denk aan Paul Krugman, die al die politici bekritiseerde die dachten dat je met bezuinigingen moest reageren op de kredietcrisis van 2008 - 2010. Omdat de schulden niet te hoog mochten oplopen. Lees zijn End this depression now! uit 2012. Al die bezuinigingen die ook in Nederland zoveel schade hebben aangericht, kwamen voort uit het huishoudboekjesdenken dat in de politiek als "verantwoordelijk beleid" werd omarmd. En denk in ons land aan Bas Jacobs, Coen Teulings en aan wijlen Johan Witteveen.

Hoewel er wel discussie is over wat er wel of niet nieuw is aan die Modern Monetary Theory, is toch het overheersende beeld dat de hoofdlijn ervan tot de reeds bekende inzichten mag worden gerekend. En dat maakt het opvallend dat Koen Haegens zich afvraagt of hij nu, na het lezen van dit boek, zijn economische wereldbeeld overhoop moet gooien. Blijkbaar was hij nog in de ban van dat huishoudboekjesdenken. En hij niet als enige. Het is nog steeds gemeengoed onder de economiecommentatoren. 

En in de politiek. Ik heb de algemene politieke beschouwingen in de Tweede Kamer niet zo goed gevolgd. Maar in het NOS-journaal werd "het probleem van de oplopende staatsschuld" en van "het doorschuiven naar de volgende generaties" weer eens flink uitgemeten.

Maar het economisch wereldbeeld van het huishoudboekjesdenken had al veel eerder overhoop gegooid kunnen worden.

dinsdag 17 september 2019

Hoe zit het in Nederland met de bezuinigingszeepbel? Vandaag is het Prinsjesdag. We zullen zien.

Update. Zie nu ook deze mooie analyse van de achtergronden van de in Duitsland, eindelijk, oplaaiende discussie over de zinvolheid van het beleid gericht op begrotingsevenwicht (de Duitse bezuinigingszeepbel): German rebalancing—out of exit options.
Update. Vanaf volgend jaar gaat het kabinet extra investeren door miljarden euro's te gaan lenen: Hoekstra: investeringsfonds om Nederland klaar te maken voor een toekomst met minder groei. Dat is mooi. Er wordt wel gezegd dat de regering door in de afgelopen jaren zoveel te bezuinigen nu de ruimte heeft om geld te lenen. Anders gezegd, doordat we zo "rijk zijn", dus een groot begrotingsoverschot hebben, kunnen we nu investeren.
Maar dat is een verkeerde redenering. Door al die bezuinigingen zijn we juist armer geworden, als je kijkt naar de economie in plaats van naar de overheidsbegroting. In 2015 schatte Bas Jacobs de schade van het bezuinigingsbeleid op 20 tot 30 miljard per jaar. Investeringen die nu nodig zijn, zijn voor een groot deel nodig om die schade te herstellen. Denk aan de infrastructuur, het woningtekort, de jeugdzorg, de zorg voor ouderen, de tekorten bij de gemeenten, de energietransitie, de landbouw. En denk aan al het leed en de toename van bestaansonzekerheid die die bezuinigingen de afgelopen jaren hebben teweeggebracht. Die schade kan helemaal niet worden hersteld.
Sinds 2011, het jaar dat ik dit blog begon, staan er berichten op dit blog over de bezuinigingszeepbel. Die term sloeg op het sociale verschijnsel dat politici en beleidsmakers in veel landen na de Grote Financiële Crisis van 2009 - 2010 een obsessie ontwikkelden met begrotingstekorten van de overheid en gingen uitdragen dat overheden zo veel en zo snel mogelijk moesten bezuinigen als antwoord op de door Crisis ontstane problemen.

Ik noem dat een sociaal verschijnsel, omdat die opvatting niet spoorde met wat de economiehandboeken voorschreven. Er was geen rechtvaardiging voor die consensus te vinden in de mainstream van het vak economie. Denk aan wat Nobelprijswinnaar Paul Krugman allemaal heeft geschreven over de economische ongeletterdheid van de voorstanders van bezuinigen. Een mooi overzicht daarvan lees je in zijn What Have We Learned From The Crisis?

En denk in ons land aan de pogingen van econoom en VVD-lid wijlen Johan Witteveen (ex-minister van Financiën en ex-voorzitter van het IMF) om Mark Rutte en andere VVD-voormannen er van te overtuigen dat hun verhaal over het overheidstekort niet klopte. Het meest dodelijke daarvan, voor die VVD-voormannen, was wel dat ze volgens Witteveen wisten dat het verhaal niet klopte, maar er toch naar handelden. Zie, uit 2012: Johan Witteveen: "Ik heb gezegd: het verhaal over het tekort is niet juist en dat weten jullie".

En denk in ons land aan alle pogingen van Bas Jacobs om de voorstanders van bezuinigen als remedie tegen de gevolgen van de crisis op andere, en betere, gedachten te brengen. Uit 2016: Bas Jacobs: De vraag moet zo krachtig worden gestimuleerd dat overbesteding en inflatie ontstaat.

Er leek dus het verschijnsel van de sociale zeepbel ten grondslag te liggen aan die merkwaardige consensus onder politici, in Nederland, in Duitsland, in Groot-Brittannië en in de Eurogroep van ministers van Financiën van de eurozone, dat juist nu de overheidstekorten zo snel mogelijk moesten worden teruggedrongen. Bij gebrek aan economische geletterdheid kregen degenen die het eerst en het hardst riepen bijval van anderen, waardoor nog weer anderen zich daarbij aansloten, want als zoveel mensen iets roepen, dan zal dat wel kloppen. Zie nog eens mijn eerste bericht over de bezuinigingszeepbel.

Waarmee overigens niet gezegd is dat die sociale zeepbel zo maar uit het niets kon ontstaan en groeien. Er lagen ook wel degelijk belangen (het Grote Geld) en ideologische overtuigingen (de ideologie van de kleine overheid) aan ten grondslag.

Maar als het goed is, loopt een sociale zeepbel op den duur leeg, doordat hij niet is opgewassen tegen de feiten en de feitelijke ontwikkelingen. Dat is met de bezuinigingszeepbel nu al een poos aan de gang. Zo is in Duitsland, nota bene het land van het huishoudboekje van die schwäbische Hausfrau, de discussie opgelaaid over de zinvolheid van het in de Grondwet vastgelegde (!) beleid van de Schuldenbremse of de schwarze Null.

En in Nederland? Vandaag is het Prinsjesdag. We zullen zien.

vrijdag 28 juni 2019

Was de politieke bezuinigingszeepbel een gevolg van de invloed van het Grote Geld?

Hoe kon het gebeuren dat er na de Grote Financiële Crisis van 2009 - 2010 in de politiek een obsessie ontstond met overheidsschulden? Met een consensus dat overheden zo snel mogelijk en zo veel mogelijk moesten bezuinigen?

Terwijl de crisis juist te maken had met de exorbitante schuldophoping in de private sector? En terwijl de economiehandboeken adviseerden om in zulke tijden juist de tekorten te laten oplopen en de economie te stimuleren? Kortom, hoe kon de politieke bezuinigingszeepbel ontstaan? (Mijn eerste bericht over die bezuinigingszeepbel dateert van 2011.)

Een aanleiding om nog eens bij die vraag stil te staan vormen de laatste twee columns van Coen Teulings in het Financieel Dagblad: Staatsschuld kost niet, staatsschuld rendeert juist en
Nieuwe‘Studiegroep Begrotingsruimte’ voor volgend kabinet kan niet op zelfde voet doorgaan.

Niet omdat Teulings daar nieuwe argumenten naar voren brengt tegen die obsessie met begrotingstekorten. Maar integendeel juist omdat die argumenten al lang bekend zijn. Het klopt niet om de overheidsbegroting gelijk te stellen aan een huishoudboekje. De overheid bestiert niet een huishouden, maar een hele economie, waardoor een heel andere kijk op "schulden" nodig is. Lees Teulings en lees ook nog eens De overheidsbegroting is nog steeds geen huishoudboekje - Over onkunde in de politiek en de media.

Een tweede aanleiding vormt de column van Paul Krugman van vorige week: Notes on Excessive Wealth Disorder. How not to repeat the mistakes of 2011.

Want daarin stelt hij precies die vraag naar hoe die politieke zeepbel kon ontstaan. En maakt hij, althans voor de Verenigde Staten, aannemelijk dat de invloed van het Grote Geld (Excessive Wealth Disorder) op de politieke agendavorming een grote rol heeft gespeeld.

Hoewel ook bij het grote publiek het huishoudboekjesdenken aanhang heeft, staan daar toch de sociale zekerheid en de gezondheidszorg en de werkloosheidsbestrijding hoger op de agenda. En daartegenover liggen de prioriteiten van de allerrijksten juist bij het terugdringen van het overheidstekort (bezuinigen!) en bij het uitkleden van de sociale zekerheid (de entitlements).

Het blijft tragisch. Terwijl het uitbreken van de Grote Financiële Crisis een gevolg was van de sterk toegenomen ongelijkheid en de groei van het Grote Geld, was het datzelfde Grote Geld dat maatregelen wist tegen te houden die de gevolgen ervan voor de Gewone Man hadden verzacht.

woensdag 27 maart 2019

Trump en de Republikeinen als verschijningsvorm van de statuscompetitie en het rechts-extremistische wereldbeeld van de amorele jungle

Wat is dat toch met de Amerikaanse Republikeinen dat ze zo gekant zijn tegen een publiek geregelde ziektekostenverzekering? Die het voor iedereen mogelijk maakt om tegen een betaalbare premie tegen ziektekosten verzekerd te zijn? Een collectieve regeling die al lang in de meeste landen bestaat, maar die in de Verenigde Staten pas met Obamacare werd geïntroduceerd.

Paul Krugman vraagt het zich wanhopig af in zijn column van gisteren: Republicans Really Hate Healthcare. They’ve gone beyond cynicism to pathology. De aanleiding is dat de Trump-regering, na jammerlijk mislukte pogingen van de Republikeinen, toen ze nog de meerderheid hadden in het Huis van Afgevaardigden, om Obamacare af te breken, nu probeert om het via de rechter ongrondwettig te laten verklaren: Trump Officials Broaden Attack on Health Law, Arguing Courts Should Reject All of It.

Krugman probeert min of meer rationele motieven te ontdekken, maar dat lukt eigenlijk niet. Ze verzetten zich natuurlijk tegen de belastingverhoging voor de rijkeren die met Obamacare gepaard ging, omdat ze nu eenmaal altijd willen dat de rijkeren, zijzelf, zo weinig mogelijk belasting betalen. Maar omdat de Verenigde Staten, nog, een democratie zijn, waarin ook de armeren en de pechvogels een stem hebben, zijn ze altijd genoodzaakt tot valse voorwendselen, kiezersbedrog en voter suppression.

Dat alles is rationeel nog te begrijpen. Maar hun huidige poging tot ongrondwettig verklaring lijkt een nederlaag bij de Presidentsverkiezingen in 2020 te garanderen. Want Obamacare heeft grote steun onder de bevolking.

Dat is dus moeilijk te snappen. (Of ze moeten erop rekenen dat ze tegen 2010 wel de democratie hebben afgeschaft.) Krugman:
Why? The truth is that I don’t fully get it. Maybe it’s anger at the thought of anyone getting something they didn’t earn themselves, unless it’s an inheritance from daddy. Maybe it’s a sense that a lot of gratuitous suffering is or should be part of the human condition, or God’s plan, or something. I try to understand how others think, but in this case I really do find it hard.
Maar zijn vermoedens gaan precies de goede kant op. Het Republikeinse verzet is een verschijningsvorm van de statuscompetitie. Als er eenmaal grote ongelijkheid bestaat, dan is ongebreidelde statuscompetitie niet meer te keren. Denk even terug aan het bericht De sociale verschijningsvormen van de statuscompetitie en de statushiërarchie, met daarin deze bullet:
Het als vanzelfsprekend beschouwen van de nationale staat of "het volk" als een statushiërarchie houdt in dat ongelijkheid als een natuurlijk en gewenst verschijnsel wordt beschouwd. De verzorgingsstaat en de daaruit voortvloeiende sociale zekerheid en sociale bescherming van de zwakkeren zijn daarmee in strijd. Vandaar de roep om afbouw van de verzorgingsstaat en de denigrerende of zelfs vijandige bejegening van armen en uitkeringstrekkers. En vandaar dat voedselbanken een geaccepteerd verschijnsel zijn geworden.
Dat denken komt ook precies overeen met dat rechts-extremistische wereldbeeld van de wereld als amorele, competitieve jungle. Waarin het juist helemaal verkeerd is om mededogen te hebben met de verliezers en de kwetsbaren. Zij hebben hun lot geheel aan zichzelf te danken. En ook als dat niet zo zou zijn, dan kan er geen sprake zijn van enige morele verplichting tot steun en bijstand.

En ja, daar komt ook de God van de Amerikaanse evangelicals om de hoek kijken. Want die God diende al ten tijde van de landbouwrevolutie en het ontstaan van de Bijbelverhalen om ongelijkheid en overheersing te rechtvaardigen dan wel als nu eenmaal onvermijdelijk te presenteren. Lees nog eens Het verhaal van Kaïn en Abel diende om machtsverschillen te legitimeren.

vrijdag 11 januari 2019

Hebben we nieuwe en jonge politici nodig om de bezuinigingszeepbel (austeriteit) achter ons te kunnen laten? Zoals in de VS Alexandria Ocasio-Cortez?

Het eerste bericht op dit blog over de bezuinigingszeepbel dateert van 21 september 2011. Dat was toen de politici aan beide kanten van de Oceaan massaal en ten onrechte begonnen te geloven dat als reactie op de Grote Financiële Crisis (toen nog meestal kredietcrisis genoemd) overheden zo snel mogelijk hun begrotingstekorten moesten terugdringen.

Bezuinigen moest. Er zat niets anders op, werd ons voorgehouden. Austeriteit (strengheid) werd het nieuwe gebod.  Denk in Nederland aan de kabinetten Rutte I (2010 - 2012) en Rutte II (2012 - 2017), waarin het ging om bezuinigingspakketten en het "op orde brengen" van de overheidsfinanciën. Denk aan de eurozone, waarin austeriteit werd opgelegd als het middel om zo snel mogelijk uit de crisis te geraken. Denk aan Groot Brittannië en de bezuinigingsdrift van de regering Cameron.

Maar die golf van bezuinigingspolitiek was niet gebaseerd op verstandige economische overwegingen. Er kwam juist van de kant van economen kritiek. Maar de politici zaten nog gevangen in de analogie van de overheidsbegroting met het huishoudboekje en merkten dat ze daar bij de kiezers goed mee wegkwamen. En de neoliberalen onder hen zagen de kans schoon om hun ideologie van de kleine overheid na te jagen. Er ontwikkelde zich een bezuinigingszeepbel, een toestand van economisch onverstand, waarin politici over elkaar heen buitelden in strengheid en stoerdoenerij in plaats van zich te laten leiden door de economische handboeken.
Een citaat uit dat eerste bericht over de bezuinigingszeepbel:
zeepbellen dreigen te ontstaan als mensen te weinig informatie hebben om zelfstandig gefundeerde keuzes te maken. Als ze dan een keuze niet kunnen ontlopen, kopiëren ze het gedrag van anderen. De enkelen die dan als eersten een keuze maken, die ongefundeerd kan zijn, kunnen dan een geweldige invloed hebben.
Want die handboeken waarschuwden er juist voor om in tijden van economische neergang, waarin de private sector de hand op de knip houdt en zijn schulden wil aflossen, als overheid ook nog eens op de rem te trappen. Er ontstaat dan immers (Keynes!) een liquiditeitsval, met super lage rentes en hoge werkloosheid. Een evenwicht waaruit moeilijk is te ontsnappen.

En dat was ook precies de ontwikkeling die ging optreden. Bizar hoge werkloosheidscijfers en bizar lage rentes. Inzakkende investeringen en daardoor nauwelijks nog productiviteitsgroei. Overheidstekorten werden teruggedrongen, maar ten koste van de economie en van veel ellende onder de bevolking. We leerden het begrip hysterese kennen. Het economisch herstel na een crisis was nog nooit zo traag geweest en er moet worden gevreesd voor blijvende negatieve gevolgen. Lees Hysteresis and fiscal policy during the Global Crisis van Antonio Fatás en Lawrence H. Summers uit 2016.

En gelijk op met dat trage herstel bleef er die opvallende kloof tussen het gevoerde economische beleid en de inzichten van de academische economen. De politici bleven volharden, waardoor hun gedrag op dat van sekteleden ging lijken. Uit 2015: In het Europese economische beleid is nog steeds een sekte aan de macht.

En de vraag die blijft hangen is of die bezuinigingszeepbel ooit nog zal barsten. Zullen de politici ooit nog inzien hoe zeer ze gedwaald hebben?

Daar lijkt veel voor nodig te zijn. Misschien is de lezing waarmee Olivier Blanchard, bepaald niet de minste, op 4 januari de American Economic Association toesprak een gebeurtenis die invloed zal uitoefenen. Je kunt de lezing hier volgen en de tekst lees je hier: Public Debt and Low Interest Rates.

Een korte samenvatting geeft Paul Krugman: Melting Snowballs and the Winter of Debt. Het betoog komt er, ultrakort, op neer dat de vrees voor grote overheidstekorten meestal onterecht is. Zeker zolang de rente lager is dan de economische groei en dat is doorgaans het geval. Bovendien is de vrees dat hoge overheidstekorten slecht zijn voor economische groei meestal ook niet terecht. Lage rentes duiden erop dat de private sector weinig investeert en dan is het juist verstandig om als overheid te investeren in infrastructuur en andere publieke voorzieningen.

En daar komt dus nog bij, Krugman wijst daarop, dat Keynesiaanse argument dat tekorten nodig kunnen zijn om een liquiditeitsval te voorkomen. Krugman sluit af met:
debt looks like a hugely overblown issue, and the way debt displaced unemployment at the heart of public debate in 2010-2011 just keeps looking worse.
Update. En lees ook Jared Bernstein in de Washington Post: A very good economic idea may be about to replace a very bad one. Een veelzeggend citaat daaruit:
one of my greatest hopes for this paper is that Blanchard’s straightforward analysis, in tandem with his stature, puts a knife through the heart of austerity economics, the heedless, reckless, premature removal of fiscal support from weak economies for no good reason.
Misschien hebben we nieuwe en jonge politici nodig voor een echte wending. Zoals in de Verenigde Staten de uit het niets opgedoken en wel heel goed geïnformeerde Alexandria Ocasio-Cortez: Alexandria Ocasio-Cortez says the theory that deficit spending is good for the economy should ‘absolutely’ be part of the conversation.

dinsdag 2 oktober 2018

Door bestaansonzekerheid meer rechts-extremisme - Maar bestaansonzekerheid is niet alleen armoede, maar ook bedreiging van privileges (statusangst)

Er is een veelheid van aanwijzingen dat een toename van bestaansonzekerheid uitloopt op meer rechts-extremisme in de politiek.

Kenmerkend voor dat rechts-extremisme is het verheerlijken van "het eigen volk" of de eigen cultuur of, meer algemeen, de eigen groep en het vijandig bejegenen of denigreren van andere groepen, van buitenlanders, vreemdelingen, immigranten, armen en uitkeringstrekkers. Die trek vind je terug in de Sociale Dominantie Oriëntatie. Lees nog eens het bericht Ongelijkheid verhoogt de Sociale Dominantie Oriëntatie en daarmee racisme, seksisme en anti-immigranten- en anti-uitkeringstrekkerssentiment.

Aan dat verband ligt waarschijnlijk de algemeen-menselijke verklaringsbehoefte ten grondslag. Bij bedreiging en tegenslag is het zaak om snel uit te vinden wat de oorzaak daarvan is, om tegenmaatregelen te kunnen nemen. Als de omstandigheden dan te complex zijn om snel te kunnen doorzien, dan kunnen mensen een verklaring omarmen die enige plausibiliteit heeft. De "anderen" hebben het gedaan. Toevlucht nemen tot een verklaring die misschien onjuist is, wordt dan verkozen boven een toestand van blijvende onzekerheid.
In dezelfde lijn ligt het ontstaan van de wereldreligies als een antwoord op de sterke toename van bestaansonzekerheid ten tijde van de overgang van jagen-verzamelen naar het beoefenen van de landbouw: Geloof in de enige God als bescherming tegen bestaansonzekerheid - Een biologische antropologie van de Bijbel - 12.
Update. En denk aan de mogelijkheid dat politici die daar belang bij denken te hebben verklaringsbehoefte uitbuiten en de vijandigheid tegen "de anderen" (moslims, immigranten, vluchtelingen, uitkeringstrekkers) aanwakkeren: De uitspraken van minister Blok sociaalwetenschappelijk bekeken - Politici zouden beter op de hoogte moeten zijn van het sociaalwetenschappelijk onderzoek.
Nu kan de vraag opkomen wat precies onder bestaansonzekerheid moet worden verstaan. Als je er armoede onder verstaat, dan stuit je op het probleem dat het niet bij uitstek de armen zijn die rechts-extremistisch stemmen. Zo waren Trump-stemmers niet meer werkloos en niet armer dan niet Trump-stemmers.

Dat heeft sommigen tot de conclusie gebracht dat niet "economische factoren" tot rechts-extremisme leiden, maar "culturele". Het zou gaan om raciaal ressentiment. Zie bijvoorbeeld  The past year of research has made it very clear: Trump won because of racial resentment.

Paul Krugman wijst daarop in zijn column van gisteren: Angry White mal Caucus. Trumpism is all about the fear of losing privilege. (Lees die column!) De Trump-aanhangers zijn vooral de blanke mannen die zich in hun privileges (opleiding, banen, macht) bedreigd voelen:
But it’s privilege under siege. An increasingly diverse society no longer accepts the God-given right of white males from the right families to run things, and a society with many empowered, educated women is finally rejecting the droit de seigneur once granted to powerful men.
And nothing makes a man accustomed to privilege angrier than the prospect of losing some of that privilege, especially if it comes with the suggestion that people like him are subject to the same rules as the rest of us.
Dat klopt natuurlijk. Maar is het je in je privileges bedreigd voelen, statusangst,  niet ook gewoon een vorm van bestaansonzekerheid? Zie eerder ook Toename van aanhang van populistische rechtse partijen hangt samen met toename van ervaren sociale daling.

vrijdag 22 juni 2018

De oorlog tegen de kwetsbaren en de armen als verschijningsvorm van de statuscompetitie

De menselijke sociale natuur is innerlijk tegenstrijdig. Het kan de kant op gaan van gemeenschap, van het samenwerken en delen met anderen. Maar het kan ook de kant op gaan van statuscompetitie en statushiërarchie, van anderen zien als tegenstrevers in de strijd om status en de voordelen daarvan.

Die innerlijke tegenstrijdigheid zien we natuurlijk terug in hoe mensen omgaan met het publieke domein van maatschappelijke verhoudingen en nationale en internationale politiek. De kant van de gemeenschap zien we terug in de principes van de democratie en de verzorgingsstaat en op het internationale vlak van de mensenrechten en de vluchtelingenverdragen.

Maar daarnaast zien we dus ook de verschijningsvormen van de statuscompetitie en de statushiërarchie. Ik maakte een begin met een inventarisatie daarvan in het bericht De sociale verschijningsvormen van de statuscompetitie en de statushiërarchie.

Bij twee van de vormen die ik daar opsomde, het vijfde en zesde bullet, gaat het om de houding ten opzichte van kwetsbaren en armen. Overheerst het statuscompetitiepatroon, dan past geen mededogen met degenen die het moeilijk hebben. Zij zullen hun precaire positie wel aan zichzelf te wijten hebben en moeten dus leren van hun verkeerde gedrag. Als ze daartoe niet in staat zijn, dan is dat uitsluitend hun eigen probleem.

Als je probeert het nieuws te volgen, tegenwoordig geen aangename bezigheid, dan zie je die houding her en der, en het lijkt steeds meer, de kop opsteken. Een kleine selectie, in willekeurige volgorde:

Dat in de Verenigde Staten in het kielzog van Donald Trump de Republikeinen aan de macht zijn, heeft als een nog te weinig opgemerkt gevolg dat geprobeerd wordt om de Amerikaanse verzorgingsstaat te ontmantelen. Kwetsbaren en armen horen aan hun lot te worden overgelaten. Lees de berichten Behind Trump’s Plan to Overhaul the Government: Scaling Back the Safety Net en
G.O.P. Wants Hungry Kids to Fund Tax Cuts, die gisteren in de New York Times verschenen. En lees nog eens Paul Krugmans Trump’s War on the Poor van april vorig jaar.

En denk aan de tot nu toe niet geslaagde pogingen om Obamacare om zeep te helpen. In het Republikeinse denken zou het ongrondwettelijk zijn om burgers te verplichten zich te verzekeren tegen ziektekosten. Een verplichting waarzonder een collectieve gezondheidszorg niet kan bestaan. Republikeinen zijn van mening dat je ziek worden zelf in de hand hebt en dat je er dus niet op mag rekenen dat de overheid voorziet in een collectieve ziektekostenverzekering. Lees Justice Dept. Says Crucial Provisions of Obamacare Are Unconstitutional. 

Maar laten we ook naar Europa kijken. Ook in Nederland (tegenprestatie in de bijstand) en in Duitsland (Hartz-IV) is de afbraak van de verzorgingsstaat in gang gezet. Lees nog eens De neoliberale overheid neemt je je waardigheid af. In Duitsland is intussen over Hartz-IV discussie ontstaan (Was an Hartz IV wirklich abgeschafft gehört). Maar in Nederland lijken de tegenprestatie,  en de voedselbanken, nu algemeen aanvaard te zijn. (Net zo als het algemeen aanvaard is dat we een euro in stand houden die tot voor kort bizar gevonden werkloosheidscijfers in Griekenland, Italië en Spanje met zich mee heeft gebracht.)

En dan is er natuurlijk, in de Verenigde Staten en in Europa, die andere verschijningsvorm van de statuscompetitie, de vijandige houding tegenover vluchtelingen en immigranten. In het Amerika van Trump is er nu het schandaal van de gescheiden gezinnen aan de grens. Anne Applebaum daarover: In Trump’s world, morality is for losers. Met een kop waarin wel heel bondig de tegenstelling tussen gemeenschap (morality) en statuscompetitie (losers) naar voren komt.

En aan de randen van Europa is er al langer dat andere schandaal, dat van de bootvluchtelingen die vanuit Afrika proberen de Middellandse Zee over te steken. Sinds 2014 zijn daarbij naar schatting 15.000 migranten verdronken. Dat we dat als Europeanen hebben laten gebeuren, dat wijst er wel heel duidelijk op dat in die innerlijk tegenstrijdige sociale natuur van ons het statuscompetitiepatroon het roer kan overnemen.

donderdag 25 mei 2017

Waar komt de gevaarlijke obsessie met het concurrentievermogen van landen toch vandaan?

De menselijke sociale natuur is ambivalent. We zijn erop voorbereid om met anderen samen te werken, maar evenzeer op de mogelijkheid dat we met anderen moeten concurreren.

Die ambivalentie maakt dat er zich situaties kunnen voordoen waarin we moeten beslissen wat de beste gedragslijn is: samenwerking of competitie. Het spreekt vanzelf dat je met vrienden samenwerkt en met tegenstanders concurreert. Maar het kan ook gebeuren dat we eerst goed zouden moeten nadenken en ons goed zouden moeten informeren voor we een keuze maken.

Anders gezegd: er doen zich omstandigheden voor waarin we een informatieprobleem hebben. Waarin we graag hulp zouden krijgen, aanwijzingen voor hoe ons te gedragen en voor wat we van anderen hebben te verwachten. Dat verklaart het verschijnen van een soort self-help boekje als Friend & Foe. When To Cooperate, When To Compete, And How To Succeed At Both van Adam Galinsky en Maurice Schweitzer.

Maar zulke informatieproblemen spelen daarnaast ook in de sfeer van maatschappij-inrichting en economische politiek. We leven in een marktmaatschappij en dat houdt in dat we proberen zo goed mogelijk te profiteren van een economisch stelsel, het kapitalisme, waarin het domein van de markt bedoeld is om de concurrentie tussen ondernemingen, zelfstandigen en werknemers zijn werk te laten doen. Dat suggereert echter meer duidelijkheid dan in feite geboden kan worden, want in de reële markt draait niet alles om concurrentie, maar integendeel juist ook om samenwerking en onderling vertrouwen. 

Dit alles als inleiding op de vraag in de titel van dit bericht: hoe zit het met de economische relaties tussen landen? Hoe kunnen we in de economische politiek het beste onze relatie met andere landen zien? Moeten we er van uitgaan dat landen net als ondernemingen met elkaar concurreren?

Dat is een opvatting die je vaak tegenkomt, juist ook bij politici. Die hoor je vaak over het grote belang van het "concurrentievermogen" van het land. Dat vermogen (competitiveness) wordt dan gezien als het succes in de internationale handel. Als je betere en/of goedkopere producten aan te bieden hebt dan andere landen, dan kun je een handelsoverschot creëren. Je exporteert meer dan je importeert. Je blinkt uit in concurrentievermogen.

De vraag is echter of politici wel gelijk hebben met zo te schermen met het belang van dat concurrentievermogen.

Paul Krugman waarschuwde  al in 1994 voor de heersende obsessie met het concurrentievermogen (Competitiveness:A Dangerous Obsession). Het is bepaald niet zo dat het hebben van een handelsoverschot altijd gezien kan worden als een teken van economische sterkte. En het vooropgezette streven naar een positieve handelsbalans leidt gemakkelijk tot slechte economische politiek. Niet alleen protectionisme en handelsoorlogen kunnen het gevolg zijn, maar ook slecht binnenlands economisch beleid, gericht op lage lonen, slechte arbeidsomstandigheden en lage milieu-eisen.

Sindsdien zijn er pogingen geweest om het begrip concurrentievermogen te herdefiniëren in een richting die het als doel van economisch beleid zinvoller maakt. Maar tegelijk maakt dat de term minder toepasselijk, omdat landen dan juist niet meer met elkaar concurreren, maar juist van elkaars beleid profiteren door positieve spillovers. Zie Competitiveness: From a Dangerous Obsession to a Welfare Creating Ability with Positive Externalities. Economisch verstandig beleid blijkt dan dus juist niet gebaseerd te zijn op het idee van concurrentie tussen landen.

Maar in de politieke praktijk is dat inzicht bij lange na nog niet gemeengoed. Te denken valt dan natuurlijk meteen aan wat we nog steeds in de eurozone zien gebeuren. Daar heerst nog volop de gevaarlijke obsessie met het concurrentievermogen. Met Duitsland voorop als prediker van de weldaden van het streven naar concurrentie tussen landen. Door middel van terugdringen van de overheidsuitgaven (de bezuinigingszeepbel) en van lage lonen en slechtere arbeidsvoorwaarden.

Zie over de gevaren daarvan nu Martin Hellwig in de FAZ: Leistungsbilanzüberschüsse. Bitte nicht großdeutsch. Ik citeer deze cynische alinea:
Natürlich sind wir Deutsche stolz darauf, Exportweltmeister zu sein. Das ist fast so gut wie Fußball-Weltmeister – und lässt sich mit größerer Regelmäßigkeit erreichen. Man muss aber auch fragen, ob es wirklich im Interesse des Landes liegt, einen großen Teil der deutschen Ersparnisse im Ausland anzulegen – in Verbriefungen minderwertiger Hypotheken in den Vereinigten Staaten, in Krediten an irische oder spanische Banken, die ihrerseits Immobilienblasen finanzieren, in Kredite an Staaten, die dann ihre Schulden nicht bedienen können.
En zie ook de kritiek van Oostenrijkse econoom Georg Feigl (Was bringt die einseitige Exportorientierung?), met als conclusie:
Anstelle der einseitigen Exportorientierung ist eine aktivere Steuerung der Gesamtnachfrage gefragt – insbesondere mittels expansiver Budget- (zB goldene Investitionsregel) und Lohnpolitik (zB EGB-Kampagne „Europe needs a payrise“). Diese Nachfrageförderung sollte eingebettet werden in ein breiteres Konzept der – in den europäischen Verträgen als übergeordnetes wirtschaftspolitisches Ziel verankerte – Wohlstandsorientierung. Die Krise hat gezeigt, dass sozial- und wirtschaftspolitische Konvergenz und eine stabile wohlstandsorientierte Entwicklung keine Selbstverständlichkeiten sind, sondern eine aktive sozial- und wirtschaftspolitische Koordinierung bzw. eine Europäische Sozialunion erfordern.
Merkwaardig dat die obsessie met concurrentie tussen landen in de politiek zo opvallend blijft voortbestaan. Tegen de heersende economische inzichten in.

vrijdag 11 november 2016

Hebben we met Trump de "regime change" die nodig is om aan de economische stagnatie te ontsnappen?

(Update. Zie nu ook Bas Jacobs: Economisch succes van Trump kan leiden tot de tirannie van het populisme.)

Van al degenen die zich nu uitlaten over de oorzaken van Trumps verkiezingsoverwinning, is er denk ik niemand die zal ontkennen dat het trage economische herstel na de crisis van 2008 er op een of andere manier mee te maken heeft. Nu herstelt de Amerikaanse economie zich beter dan de Europese. En dat doet dus het ergste vrezen voor de verkiezingen in Europese landen die er zitten aan te komen.

Maar los van de oorzaken, wat zullen de economische gevolgen zijn van Trumps presidentschap? Het is misschien te vroeg om daarover te oordelen, maar toch doet Ryan Avent een heel interessante poging in The Economist: Trump and the political economy of liquidity traps.

Want wat is er aan de hand? We zijn na de crisis van 2008 in een liquiditeitsval beland: een toestand waarin de private sector druk bezig is zijn schulden af te lossen, waarin de rente tot nul nadert, de consumptie en de investeringen inzakken en waarin dus de economie ver onder het niveau van volledige werkgelegenheid presteert. Want ja, de economie is een kringloop; wat de een uitgeeft, is het inkomen voor de ander.
(Een ander woord voor liquiditeitsval is spaarparadox. Paradox omdat als iedereen spaart, met de bedoeling om daar beter van te worden, iedereen er slechter van wordt.)
Sinds John Hicks en John Maynard Keynes weten we dat het recept voor de liquiditeitsval er uit bestaat dat de overheid massief geld moet gaan lenen om daarmee de collectieve investeringen op te voeren. Want het bezwaar tegen dat beleid in normale tijden, dat de publieke investeringen de private zullen verdringen, geldt niet meer.

Die theorie van Hicks en Keynes en hun recept kregen nieuw leven in de jaren 90 van de vorige eeuw, toen Paul Krugman zich verdiepte in de economische problemen van Japan, waar een liquiditeitsval bestond. Hij wees er op dat de centrale bank de inflatieverwachtingen zou moeten aanwakkeren, maar dat daarbij de steun van de begrotingspolitiek noodzakelijk is. En daarbij dreigt het gevaar van de timiditeitsval: door de uitgaven te weinig te verhogen, waardoor het effect op de economische groei te gering is, kan het gebeuren dat het begrotingsbeleid politiek in diskrediet raakt.

Precies dat is gebeurd in de Verenigde Staten, waar Obama de economie wel stimuleerde, overigens met tegenwerking van de Republikeinen, maar niet zo massief dat het effect er van overdonderend was. Het was er wel degelijk, de economie had er nu slechter voor gestaan dan wanneer het niet gebeurd was. Maar hoewel de werkloosheid begon terug te lopen, was er niet het snelle en dramatische herstel dat na een crisis ook op kan treden.



Daarbij vergeleken gebeurde er in Europa een economische ramp. In plaats van te stimuleren, werd daar al gauw begonnen met de bezuinigingspolitiek.

En hoe dat uitpakte, zie je in de afbeelding. Terwijl het BNP per hoofd van de bevolking na 2011 in de V.S. bleef toenemen, ging dat van de eurozone weer naar beneden. In Europa was er zelfs niet een te timide stimulering, nee, integendeel, de kwakzalverseconomie werd ingezet. (Hier de bron van de afbeelding.)

Wat is er wel nodig om uit die economische stagnatie van de liquiditeitsval te ontsnappen? In de woorden van Ryan Avent:
Escaping the liquidity trap means engineering a dramatic rise in expectations for future demand growth. It means a clear departure from past practice: a regime change.
Hét historische voorbeeld van zo'n regime change is het verlaten van de gouden standaard door veel landen in de jaren 30 van de vorige eeuw. Maar natuurlijk vooral ook het in Duitsland aan de macht komen van het Hitler-bewind en de drastische economische koerswijziging die daarmee gepaard ging. Ik ging daar eerder op in: Verontrustend actueel: een kijkje in de jaren 30 dat doet denken aan nu (aan de hand van Golo Mann). En niet te vergeten: Hèt probleem van nu is niet Brexit, maar de Duitse dovemansoren - Over Eucken en Schacht.

De vraag die zich nu opdringt is of zo'n radicale beleidsverandering langs politieke en democratische weg mogelijk is. In Japan lijkt dat inderdaad het geval geweest te zijn. Die verandering is ook met zoveel woorden door premier Shinzo Abe aangekondigd.

Maar in Groot-Brittannië lijkt die verandering meer een bijproduct van Brexit. De koers van het pond is gedaald en de inflatieverwachtingen zijn gestegen, meer als gevolg van het aantreden van het nieuwe kabinet dan als een bedoeld beleidseffect.

En Ryan Avent denkt dat zoiets ook wel eens het gevolg kunnen zijn van de verkiezingsoverwinning van Trump. De financiële markten lijken te anticiperen op stijgende inflatieverwachtingen. Waarschijnlijk op basis van de door Trump aangekondigde belastingverlagingen en verhoging van de overheidsuitgaven ten behoeve van bewapening en van de infrastructuur.

Wat Ryan Avent doet verzuchten dat er kennelijk soms eerst een vervelende politieke radicalisering nodig is om als een bijproduct te komen tot het economische beleid dat ons doet ontsnappen uit de liquiditeitsval. Anders gezegd, het zou kunnen zijn dat Trump, net als Hitler dat was in de jaren 30, economisch succesvol is.

En dat maakt angstig voor wat ons in Europa nog te wachten staat. Avent besluit met:
Muddling along is a good-enough way to deal with lots of messes, but it is no way to deal with a liquidity trap. Muddling through will continue until the political system can't bear it any more or the outside world forces a change (and history suggests that either endpoint can be very messy). With so many economies now stuck in liquidity traps, it more political shocks seem inevitable. Europe, I would say, will eventually get out of its liquidity trap. Its escape won't be pretty.

dinsdag 20 september 2016

Paul Krugman over wat we van de crisis hebben geleerd

Het is vandaag Prinsjesdag. In de media wordt het rampzalige bezuinigingsbeleid van Rutte-II met de mantel der liefde (of met de mantel der onwetendheid?) bedekt. Rutger Bregman twitterde
Het probleem is dat evaluatie kabinet wordt overgelaten aan Haagse redacties, die alles weten van t spelletje - niet wat er op spel staat.
Dan krijg je dus journalisten die het knap vinden dat ze het 4 jaar volhouden. En dan krijgt Rutte een 8- van de Volkskrant..
Zo is het.

Maar lees vooral ook de tekst van de lezing die Paul Krugman vandaag in Genève geeft ter gelegenheid van het ontvangen van de Picciotto Prize van het Graduate Institute Geneva: What Have We Learned From The Crisis?

Hij kijkt terug op hoe economen en politici gereageerd hebben op de economische crisis en hoe de wortels daarvan liggen in de verkeerde lessen die uit de stagflatie van de jaren 70 zijn getrokken.

Bij wijze van leeswijzer citeer ik de drie lessen die we geleerd zouden moeten hebben:
First, we’ve seen a lot of vindication for old, unfashionable ideas – oldies but goodies that got deemphasized, and in some cases effectively blackballed, in the decades following the 1970s, but have turned out to be remarkably useful practical guides to policy and its effects in the post-crisis world. 
Second, there have been some revelations about financial markets, especially the role of liquidity and the failure of arbitrage when you need it most, that have definitely changed how I see the world, and have important policy implications. 
Third, we’ve made some important and uncomfortable discoveries about the politics and sociology of economics itself – about the resistance of both the economics profession and public officials to changing their views in the face of contrary information.
Wat dat laatste inzicht betreft, dat slaat o.a. op dat sekte-achtige gedrag van de Europese politici waaraan de euro ten onder dreigt te gaan. Ik schreef daarover in In het Europese economische beleid is nog steeds een sekte aan de macht en Als je door een sekte geregeerd wordt, dan loopt dat niet goed af.

vrijdag 6 november 2015

Hysterese: de schade van het bezuinigingsbeleid is niet alleen nog groter dan eerst gedacht, maar ook blijvend

In vervolg op mijn bericht van gisteren (Over het naderende einde van de eurozone), is vandaag de column van Paul Krugman (Austerity's Grim Legacy) een goede aanleiding om verder stil te staan bij de grote schade die door het bezuinigingsbeleid is aangericht. Wereldwijd, maar vooral ook in de eurozone en in Nederland.

Krugman wijst er op dat de economische schade van het bezuinigingsbeleid nu nog groter blijkt te zijn dan hij en andere critici hadden verwacht. Maar bovendien stapelen de aanwijzingen zich op dat die schade nog wel eens lang zou kunnen voortduren. Dat de economie in een toestand van hysterese, van stabiele lagere groei, terecht kan komen, was al eerder bekend. Maar op dit moment, ik citeer Krugman,
the evidence practically screams hysteresis. Even countries that seem to have largely recovered from the crisis, like the United States, are far poorer than precrisis projections suggested they would be at this point. And a new paper by Mr. Summers and Antonio Fatás, in addition to supporting other economists’ conclusion that the crisis seems to have done enormous long-run damage, shows that the downgrading of nations’ long-run prospects is strongly correlated with the amount of austerity they imposed.
What this suggests is that the turn to austerity had truly catastrophic effects, going far beyond the jobs and income lost in the first few years. In fact, the long-run damage suggested by the Fatás-Summers estimates is easily big enough to make austerity a self-defeating policy even in purely fiscal terms: Governments that slashed spending in the face of depression hurt their economies, and hence their future tax receipts, so much that even their debt will end up higher than it would have been without the cuts.
Zie speciaal voor Nederland ook mijn eerdere bericht Waar het over zou behoren te gaan: de economische schade van het bezuinigingsbeleid, waarin ik Bas Jacobs aanhaalde:
We zijn door de Grote Recessie meer dan 10 procent van het inkomen kwijtgeraakt, structureel. Vele bedrijven zijn failliet gegaan. En de langdurige werkloosheid is sterk opgelopen. Dit grote verlies is mede veroorzaakt door falend macro-economisch beleid. Teveel korte-termijntekortreductie en te weinig herstel van balansen in de private sector. Na vele jaren saneren komt Rutte II in 2016 eindelijk met een lastenverlichting. Het is nog steeds nodig, maar het is zwabberbeleid en het komt 6 jaar te laat.
Diezelfde Bas Jacobs heeft nu ook samen met twee CPB-medewerkers het CPB Achtergronddocument Macro-economie bij balansproblemen en in de liquiditeitsval uitgebracht. Daarin wordt uitvoerig en zorgvuldig uit de doeken gedaan waarom het zo'n slecht idee was van de opeenvolgende regeringen-Rutte om in de recessie te gaan bezuinigen. Hier is een samenvatting van de resultaten van de analyse:
wanneer balansproblemen ernstig zijn of de economie in de liquiditeitsval is beland, zal de economie zich niet uit zichzelf herstellen. De reden is dat de centrale bank niet meer met normaal monetair beleid de neerwaartse druk op de inflatie kan wegnemen. Zolang de nulondergrens op de nominale rente bindend is, stijgen de reële rentes, waardoor de consumptieve bestedingen en de investeringen afnemen. Door dalende inflatie worden ook balansproblemen groter, waardoor consumptieve bestedingen nog verder achterblijven. De output gap wordt bijgevolg groter en de neerwaartse druk op de prijzen wordt sterker. De economie kan dan op een pad van eindeloze stagnatie terecht komen zonder groei, deflatie en schuld-deflatiedynamiek. Monetair en budgettair beleid kunnen dit proces keren, maar alleen als deze voldoende krachtig worden ingezet en de outputgap geheel wordt gesloten zodat de deflatietendenzen worden omgebogen en inflatie ontstaat. Onvoldoende krachtige beleidsimpulsen, die de outputgap niet sluiten, zorgen voor een tijdelijke conjuncturele opleving waarna de economie weer wegglijdt in een stagnatiescenario. Structurele hervormingen en grotere loon- en prijsflexibiliteit hebben niet noodzakelijk gunstige kortetermijneffecten. Ze versterken namelijke de neerwaartse druk op de prijzen en verhogen op korte-termijn reële rentes en schuld-deflatiedynamiek, waardoor de neerwaartse (schuld-) deflatiespiraal aanhoudt.
Is het dan zo dat het bezuinigingsbeleid ook in Nederland self defeating is geweest? In de zin dat de overheidsschuld er door is gestegen in plaats van afgenomen? Ja, dat klopt. De overheidsschuld is sinds 2010, toen de bezuinigingen begonnen, als percentage van het BBP van jaar tot jaar toegenomen, van 59 procent in 2010 tot 68,8 procent in 2014. Zie Rijksjaarverslag 2014 in beeld.

Je kunt wel minder gaan uitgeven als je een tekort hebt, maar als je een overheid bent, dan heeft dat negatieve gevolgen op je economie. Waardoor er vervolgens minder geld binnenkomt. En je schuld toeneemt.

vrijdag 18 september 2015

Wordt een vaak herhaalde onwaarheid waar? Ja, zelfs als mensen beter weten

De nieuwe studie Knowledge Does Not Protect Against Illusory Truth (betaalpoort) laat zien dat wij gemakkelijk geneigd zijn om onwaarheden voor waar te gaan houden als we ze maar vaak genoeg horen. De kans dat proefpersonen een onware uitspraak voor waar hielden, was groter als ze die uitspraak eerder onder ogen hadden gehad. Dit was zelfs het geval als andere antwoorden er op wezen dat ze wel over de kennis beschikten om de onwaarheid onder ogen te zien.

De resultaten lijken er op te duiden dat zoiets als vlotheid (fluency) een rol speelt. Mededelingen waar je niet teveel over hoeft na te denken om ze te begrijpen, komen niet alleen vlot bij je binnen, maar lijken ook meer waar te zijn. In lijn daarmee is wat je al eerder gehoord hebt, sneller cognitief te verwerken dan iets wat nieuw is.

Daardoor ben je automatisch geneigd om die bewering voor waar te houden. In dat automatisme zit het probleem: als iets bekend is, krijg je niet het sein om je bestaande kennis te inspecteren en zo de mededeling op overeenkomst daar mee te checken. (Zie ook The Persuasive Power of Repeated Falsehoods voor meer informatie.)

Het is onderzoek dat van groter actueel belang is dan je zou wensen. Ik denk natuurlijk meteen aan die merkwaardige hype (sociale zeepbel) in de Europese economische politiek dat bezuinigen in een depressie verstandig beleid is. Zie het bericht van gisteren. Dat die onwaarheid zo wijd verbreid voor waar wordt gehouden, heeft er zeker mee te maken dat je hem vaak hoort. Update. Beter: dat de politici hem vaak horen in hun eigen kring.Vandaar dat je gaat denken dat dat die kring trekken van een sekte heeft aangenomen.

En dat heeft er misschien weer mee te maken dat je die bewering ook vaak hoort als het om huishoudens gaat, het domein waar bezuinigen wel verstandig is als je in de schulden zit. Denk aan de fout om de huidhoudboekjeslogica  toe te passen op het overheidsbudget.

Zou trouwens, bedenk ik ineens, de bekende voorkeur van de VVD voor de vlotte Jip-en-Janneke taal er ook uit voortkomen dat je zo gemakkelijker onwaarheden als waarheid aanvaard krijgt?

En precies vandaag krijg ik deze berichten onder ogen over de bizarre fantasiewereld waar de Republikeinse kandidaten voor het Amerikaanse presidentschap in leven. Die televisiedebatten tussen hen geven een verontrustend inkijkje in een gezelschap waarin onwaarheden in stand worden gehouden door ze maar zo vaak mogelijk uit te wisselen. Lees het redactionele commentaar van de New York Times: Crazy Talk at the Republican Debate. En lees dan meteen ook de column van Paul Krugman: Fantasies and Fictions at G.O.P. Debate.

Huiveringwekkend de gedachte dat iemand uit zo'n sociale zeepbel van onwaarheden zomaar president van de Verenigde Staten zou kunnen worden.

maandag 24 augustus 2015

Waarom de overheid schulden moet maken

Nee, het is niet zo dat de overheid altijd schulden moet maken. Wanneer je schulden maakt en waarvoor, maakt natuurlijk wel wat uit. Maar de huidige obsessie van politici met het terugdringen van de overheidsschulden en met het najagen van begrotingsevenwicht is moeilijk verklaarbaar.

In de Verenigde Staten zijn het de Republikeinen die uitdragen dat de overheid vrij van schulden moet zijn. Paul Krugman verwijst naar een tweet van de Republikeinse Senator Rand Paul, waarin die zich er over beklaagt dat de federale overheid sinds 1835 niet meer schuldenvrij is geweest. Schande!

Schande? Maar wat opvallend dan dat de Amerikaanse economie sinds 1835 zo'n geweldige economische groei gekend heeft. Zou dat er mee te maken hebben gehad dat het maken van schulden kan bijdragen aan economische groei? En dat het bezuinigen om dat felbegeerde begrotingsevenwicht te bereiken, zoals dat nu in Europa gebeurt, juist een van de oorzaken is van economische stagnatie? Zie daarover ook Paul Krugman.

Jared Bernstein en Richard Kogan geven nu met twee tijdreeksen meer inzicht in het verband tussen overheidsschuld en economische groei. Hieronder zie je voor de Verenigde Staten het plaatje voor de periode 1870-1929. De blauwe lijn geeft aan of het overheidsbudget een overschot of een tekort liet zien. En zoals je ziet, was dit de periode waarin de droom van de tegenstanders van schulden werd bewaarheid. Over het geheel genomen was er een overschot van 0,4 procent.
Wat hield dat in voor de economische groei? Dat die wild heen en weer schoot. Diepe dalen en hoge toppen wisselden elkaar af.

Vergelijk dat met het plaatje voor 1950-2015, de naoorlogse periode, waarin er vrijwel altijd een begrotingstekort was, van gemiddeld min 2,2 procent. 

Je ziet een evenwichtiger economische groei. De pieken zijn minder hoog, maar vooral: de dalen zijn minder diep. 

Maar niet alleen dat, de gemiddelde economische groei was 2 procent, tegenover 1,8 procent in die schuldenvrije periode. Dat betekent dat de economie in de naoorlogse periode in omvang elke 35 jaar verdubbelde, tegenover elke 39 jaar in de schuldenvrije periode.

Dat pleit dus voor een overheid die schulden maakt. Ten behoeve van investeringen voor de toekomst en een gestage, en dus hogere, gemiddelde economische groei. Het is bepaald niet zo dat je om zulke gunstige effecten te bereiken, kunt vertrouwen op de private investeringen alleen.

En bedenk ook dat mensen liever een gestage economische groei hebben dan een met grote pieken en dalen. Omdat mensen nu eenmaal graag een beetje zekerheid in het leven willen. En zie aan, het realiseren van die zekerheid gaat ook nog mooi samen met een hogere gemiddelde economische groei.

Waar toch die obsessie met overheidsschulden vandaan komt?