Posts tonen met het label angststoornissen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label angststoornissen. Alle posts tonen

vrijdag 24 maart 2023

De interventie van de fysieke activiteit helpt om te ontsnappen aan de immobilisatie van depressie en angststoornis

De onderzoekers van de studie Effectiveness of physical activity interventions for improving depression, anxiety and distress: an overview of systematic reviews verzamelden alle onderzoek dat iets kan zeggen over de vraag of fysieke activiteit een goede interventie is om depressie en angststoornis te bestrijden. Uit een meta-analyse concluderen ze dat mensen die lijden aan depressie of een angststoornis veel baat hebben bij het meer fysiek gaan bewegen. Ze bevelen aan om fysieke activiteit te beschouwen als de basis voor de behandelingen van symptomen van depressie en angststoornis. 

Dat is een interessante bevinding als je bedenkt dat depressie en angststoornissen voort lijken te komen uit de immobilisatiereactie op sociale bedreigingen en sociale onveiligheid. We zagen al dat er een gemeenschappelijke factor van sociale onveiligheid ten grondslag lijkt te liggen aan vrijwel alle psychische aandoeningen. Zie de reeks berichten die begon met Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 1. Denk ook aan de evolutionaire psychiatrie, waarin depressie en angststoornis worden gezien als de reacties van opgeven en berusten op verlies in de statuscompetitie en als de reactie van terugtrekking op eenzaamheid (Anthony Stevens en John Price, Evolutionary Psychiatry. A New Beginning). En denk natuurlijk aan de polyvagaaltheorie van Stephen Porges, waarin immobilisatie een reactie is op traumatische ervaringen.

Een en ander komt ermee overeen dat immobilisatie een natuurlijke reactie is op de sociale bedreigingen van statuscompetitie en sociale afwijzing, in de zin van dat er in de loop van de evolutie op is geselecteerd. Een reactie dus die in het verleden gemiddeld genomen heeft bijgedragen aan overleving, maar dat nu niet meer hoeft te doen. Als we ons nu terugtrekken door in een depressie of een angststoornis te belanden, doen we onszelf tekort. Niet alleen door het emotionele lijden dat daarmee gepaard gaat, maar ook door de grote negatieve gezondheidseffecten.

Vandaar dat we hulp zoeken. En het blijkt dus dat die hulp er "eenvoudig" uit kan bestaan dat we ertoe worden aangezet om letterlijk met die immobilisatie te stoppen. We blijken aan dat lijden te kunnen ontsnappen door te stoppen met wat we deden, ons terugtrekken en verstarren. Als we ons ertoe kunnen zetten om het lichaam weer in beweging te brengen, dan vermindert dat het lijden en de angst. 

Maar zo gemakkelijk is dat natuurlijk niet. Het blijkt te helpen als we die fysieke activiteit als een medische interventie krijgen voorgeschreven. Het zij zo.

maandag 18 mei 2020

Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 3

Ligt er een gemeenschappelijke factor ten grondslag aan die veelheid van psychische aandoeningen die wordt onderscheiden in de DSM-5? En hangt de aard van die factor er mee samen dat er een mismatch bestaat tussen onze aanleg en de sociale omgeving waarin we zijn terechtgekomen?

In het vorige bericht waren we, aan de hand van de onderzoekers Caspi en Moffitt, zo ver gevorderd dat een driedeling mogelijk blijkt, waarin internaliserende en externaliserende stoornissen en schizofrenie worden onderscheiden. 

Maar ook die driedeling blijkt verder te kunnen worden gereduceerd. Caspi en Moffitt geven drie aanwijzingen in die richting.

In de eerste plaats blijkt dat zelfs ook deze drie domeinen met elkaar samenhangen. Anders gezegd, de kans dat iemand met een aandoening in het ene domein ook een aandoening in een van de twee andere domein heeft, is behoorlijk groot. De correlaties die worden gevonden liggen rond de 0,5.

In de tweede plaats blijkt dat als je mensen blijft volgen dat een aandoening uit het ene domein later net zo goed gevolgd kan worden door een andere aandoening uit een ander domein dan uit hetzelfde domein.

En tenslotte blijkt dat de overerfbaarheid van aandoeningen zich weinig aantrekt van die driedeling.

Dit leidde ertoe dat onderzoekers serieus rekening gingen houden met de mogelijkheid van het bestaan van een enkele factor die staat voor iets dat de vatbaarheid voor psychische aandoeningen, welke dan ook, bepaalt. De eerste publicatie die daaruit voortkwam, dateert uit 2012: Is there a general factor of prevalent psychopathology during adulthood?     

In 2014 bouwden Caspi, Moffit en anderen daarop voort: The p Factor: One General Psychopathology Factor in the Structure of Psychiatric Disorders?  En toen ontstond ook de naam p-factor, naar analogie met de g-factor die ten grondslag ligt aan de verschillende vormen van intelligentie.

Maar wat is die p-factor? Bedenk dat het tot dan uitsluitend ging om statistische analyses, zonder een theoretisch vermoeden zoals dat van die mismatch tussen aanleg en omgeving. Voor een mogelijke inhoudelijke invulling lopen Caspi en Moffitt vier vermoedens langs: neuroticisme (emotionele instabiliteit), gebrekkige impulscontrole, gebrekkig intellectueel functioneren (in een maatschappij die hoge eisen stelt) en verwardheid in gedachten en manier van denken.

Die laatste mogelijkheid vinden ze het meest intrigerend. Want het optreden van irrationele, ongewenste gedachten is niet alleen kenmerkend voor psychoses, maar ook voor depressies, angststoornissen, eetstoornissen, posttraumatische stress, somatoforme klachten (lichamelijke klachten zonder aanwijsbare fysieke oorzaak), dissociatie (verlies van contact met de werkelijkheid), verslavingsstoornis en antisociaal gedrag.

Stel dat het inderdaad zo is dat die p-factor zo sterk te maken heeft met die verwardheid in gedachten en manier van denken, met het onvermogen om irrationele, ongewenste gedachten te onderdrukken, hoe valt dan te verklaren dat dat patroon zoveel voorkomt? Zoveel dat kennelijk slechts één van de vijf mensenlevens er van gevrijwaard is? En kan dat dan te maken hebben met die mismatch? Meer in het volgende bericht. (Hint: denk aan het bericht Door eenzaamheid meer paranoïde gedachten.)

donderdag 14 mei 2020

Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 2

Wat zijn de aanwijzingen dat er aan de grote diversiteit aan psychische aandoeningen, zoals geclassificeerd in de DSM-5, een gemeenschappelijke factor ten grondslag ligt? Dat was de vraag die in het vorige bericht aan de orde kwam, met als achtergrond dat het feit dat psychische aandoeningen zoveel voorkomen te maken zou kunnen hebben met de mismatch tussen onze aanleg en de aard van de sociale omgeving waarin we tegenwoordig leven.

Aanleiding tot het stellen van die vraag is ook het begin deze maand in Nature verschenen artikel The hidden links between mental disorders. Daarin wijst Michael Marshall op het vele recente onderzoek dat probeert om meer te weten te komen over de biologische grondslag van al die aandoeningen in plaats van het steeds maar gedetailleerder classificeren. Het meest radicale voorstel dat daaruit naar voren komt is dat er een enkele factor is die mensen vatbaar maakt voor psychopathologie. Een overzichtsartikel waar Marshall in dat verband naar verwijst is All for One and One for All: Mental Disorders in One Dimension uit 2018 van het gerenommeerde onderzoekersduo en echtpaar Avshalom Caspi en Terrie E. Moffit. Dat geeft wel een heel fraai overzicht van voor mij deels bekende, maar deels ook nieuwe inzichten.

Het verhaal begint met de de voorloper van de DSM-5, de DSM-3, die dateert van 1980 en die de hoop wekte dat alle aandoeningen er netjes mee konden worden geclassificeerd met bijbehorende symptomen en behandelingen. Maar dat viel tegen. Een van de eerste opduikende problemen was het verschijnsel van de comorbiditeit. Het bleek dat het voldoen aan de diagnostische criteria voor een aandoening vaak samen gaat met het voldoen aan de criteria van een andere aandoening. Van de mensen die over een periode van 25 jaar gevolgd werden, bleek van de groep die op enig moment voor een aandoening gediagnosticeerd werd, 66 procent op enig ander moment ook voor een tweede aandoening een diagnose te krijgen. En van de groep met twee diagnoses kreeg 53 procent op enig moment een derde diagnose, waarvan weer 41 procent een vierde diagnose kreeg. (Het ging in totaal om zeven verschillende diagnoses: angststoornis, depressie, ADHD, gedragsstoornis, verslaving, bipolaire stoornis en schizofrenie.)

Dat zette natuurlijk aan het denken. Het suggereerde dat een minder fijne indeling realistischer zou zijn. Die ook werkbaarder zou zijn voor behandelaars. Dat leidde tot een onderzoek waarin werd uitgezocht of een bekende tweedeling van aandoeningen die veel werd gebruikt voor kinderen ook geldig zou kunnen zijn voor volwassenen. Het gaat om de tweedeling in internaliserende (angst en depressie) en externaliserende stoornissen (agressie, delinquentie en hyperactiviteit/impulsiviteit). Want waarom zou die voor jeugdigen bruikbare tweedeling ineens niet meer gelden na de overgang naar volwassenheid?

En inderdaad, een zogenaamde confirmerende factoranalyse van een groot databestand leverde op dat de comorbiditeit vooral plaatsvond binnen deze twee categorieën. Een internaliserende categorie met stemmings- en angststoornissen, zoals depressie, algemene angststoornis, paniekstoornis en sociale fobieën en een externaliserende categorie met verslavingsgeneigdheid en antisociaal gedrag.

Maar dat liet de schizofrenie buiten beschouwing, het aanhoudend lijden aan psychotische verschijnselen. Dat lag eraan dat in veel onderzoek daar niet naar gevraagd werd omdat het minder zou voorkomen en omdat verondersteld werd dat mensen op vragen daarnaar niet zouden willen of kunnen antwoorden. Maar later bleek dit allebei niet te kloppen. En dus werd de indeling uitgebreid met een derde categorie, die van de schizofrenie, met klachten als psychotische ervaringen, hallucinaties, achterdochtigheid, verlies van contact met de werkelijkheid (dissociatie) en ongeorganiseerde gedachten.

Een driedeling dus. Maar ook dat bleek niet de oplossing. Meer daarover in het volgende bericht.

dinsdag 5 juni 2018

Door meer ongelijkheid meer stress, angststoornissen en psychische problemen - Nieuw boek van Wilkinson en Pickett

Richard Wilkinson en Pickett zijn na hun in 2009 verschenen  The Spirit Level. Why more equal societies almost always do better doorgegaan met hun onderzoek naar de negatieve gevolgen van grote ongelijkheid. Zie het bericht Gezondheid en sociale omgeving (10): de gezondheidsschade van inkomensongelijkheid voor meer over dat boek.

Nu is er van hen een vervolgboek verschenen: The Inner Level. How More Equal Societies Reduce Stress, Restore Sanity and Improve Everyone’s Wellbeing.

The Guardian interviewt de beide onderzoekers. Zie Is rising inequality responsible for greater stress, anxiety and mental illness?

Gevolgd door een excerpt uit het boek dat ingaat op de gevolgen van het opgroeien in armoede voor de onderwijsprestaties van kinderen. Met een plaatje dat laat zien hoe in het Verenigd Koninkrijk het verschil in prestaties tussen kinderen uit de meest gedepriveerde en de minst gedepriveerde gezinnen na het zevende levensjaar sterk toeneemt.


donderdag 12 mei 2016

Over psychisch lijden en de mythe van de verwende baby

Waardoor is er onder mensen zoveel psychisch lijden? Hoe komt het dat er zoveel mensen (ruim meer dan een miljoen) lijden aan angststoornissen? En hoe komt dat er zoveel last hebben van stemmingsstoornissen, zoals depressie (zeker 800.000)?

Dit zijn cijfers voor Nederland. Zie het bericht Hoeveel Europeanen lijden aan een mentale stoornis? voor Europese cijfers.

Bedenk daarbij dat het gaat om het aantal vastgestelde gevallen in een jaar. Dat wijst op veel hogere cijfers als je zou kijken naar hoeveel mensen er gedurende hun leven last van hebben gehad.

En bedenk dat er aanwijzingen zijn voor een stijgende trend, niet alleen van diagnoses, maar van echte gevallen.

Aafke Hendriks gaat in haar boek Terug naar onze zoogdierlijke roots. Over de oorzaak van psychisch lijden op zoek naar een antwoord. Mijn samenvatting daarvan is dat we in de loop van de menselijke geschiedenis een wijze van samenleven hebben doen ontstaan die maar beperkt tegemoetkomt aan onze natuurlijke behoeften.

Welke behoeften zijn dat? Kort gezegd: de behoefte aan bestaanszekerheid, die we delen met alle dieren, en de behoefte aan sociale geborgenheid, die we delen met andere zoogdieren.

Eerst maar even over die bestaanszekerheid. Over het belang daarvan heb ik eerder geschreven. Zie hier en hier. Maar dit boek attendeert me er op dat die behoefte (natuurlijk) al levensgroot aanwezig is bij de pasgeboren baby. Aafke Hendriks inventariseert het onderzoek daarover en concludeert dat behoeftebevrediging bij een pasgeborene boven alles gaat;
Voor een gezonde ontwikkeling moeten in het eerste half jaar na de geboorte alle behoeften meteen bevredigd worden, zo simpel is het gewoon. En deze fase hoef je echt nog niet bang te zijn dat je verwende of afhankelijke kinderen aan het kweken bent. (...) Een pasgeborene heeft als hij niet in zijn natuurlijke behoeften voorzien wordt niet de mogelijkheid het dan maar zelf te regelen en heeft geen besef van tijd. Het ervaart een situatie waarin het wacht op bevrediging van een bepaalde behoefte daarom als zeer beangstigend en afschrikwekkend.
Die extreme mate van afhankelijkheid van mensenbaby's verklaart tegelijk de sterke behoefte aan sociale geborgenheid, dus aan de nabijheid van de moeder en/of andere vertrouwde anderen die zorgen voor behoeftebevrediging. Doordat wij zo onrijp en hulpeloos geboren worden, zijn we geheel vervuld van die behoefte aan geborgenheid. En zijn we zo goed in staat om aandacht en engagement uit te lokken, niet alleen door te huilen, maar ook door oogcontact, brabbelen en imitatie.

En wat is nu het geval? Dat psychisch lijden van mensen op volwassen leeftijd heeft te maken met bestaansonzekerheid en de gebrekkige bevrediging van onze sociale behoeften (eenzaamheid). Maar die problemen zijn dus al begonnen vlak na de geboorte.

Want door de grote mate waarin onze gezinnen sociaal geïsoleerd zijn, wat we "normaal' zijn gaan vinden, staan moeders (en vaders) er in die eerste maanden en jaren veel te veel alleen voor. Pasgeboren baby's "verwachten" een hoeveelheid zorg en geborgenheid die in onze manier van leven praktisch niet meer op te brengen is.

Ook in jagers-verzamelaarssamenlevingen is een pasgeborene de meeste tijd in de nabijheid van de moeder. Maar altijd zijn er anderen in de directe omgeving die te hulp schieten, de baby overnemen, er mee spelen en er mee communiceren. Precies die grote mate van sociale inbedding van moeder en baby (coöperatieve zorg) maakt de kans op, uiteraard meestal onbedoelde, fysieke en emotionele verwaarlozing vele malen kleiner. Zie Een samenleving zonder emotionele verwaarlozing van kinderen. Kan dat? De Hadza.

Het wrange is dat die verwaarlozing in onze huidige maatschappij welhaast niet te voorkomen is. Vandaar dat psychisch lijden. En vandaar ook het verschijnsel van de postnatale depressie.

En het probleem is dat we dat nog altijd niet voldoende onder ogen zien. Dat we in plaats daarvan mythes in het leven roepen. Zoals dus de mythe van de verwende baby. En de mythe van de opvoedbaarheid.

Lezenswaardig en belangrijk boek!

maandag 9 november 2015

De dimensies van statuscompetitiegedrag - en de samenhang met depressie, angststoornis en manische symptomen

Het menselijke sociale gedrag kent twee patronen, dat van de statuscompetitie en dat van het gemeenschapsgedrag. In het verre verleden, in de Paleo Sociale Omgeving, waren mensen doordat ze in kleine groepen leefden in staat om het statuscompetitiegedrag sociaal te onderdrukken. Het was nodig om samen te werken en om voedsel te delen en dan kon je egoïsme, profiteursgedrag en meer willen dan een ander niet gebruiken.

Maar in onze huidige maatschappij is statuscompetitie veel moeilijker te onderdrukken en komt het dus ook veel meer voor. Ieder van ons moet leren daar mee om te gaan of heeft dat min of meer geleerd. Over wat dat bijvoorbeeld voor adolescenten betekent, zie de berichten De sociale uitdaging van de adolescentie: gemeenschap en/of statuscompetitie en Vriendschap? Of status? Waar het sociale leven van de adolescent om draait.

Allerlei nadelige effecten van statuscompetitiegedrag zijn bekend. Een cultuur van statuscompetitie leidt tot meer geweld, depressie en suïcide. Statuscompetitiegedrag verhoogt het stressniveau (allostatische overbelasting), maakt minder pro-sociaal, verhoogt de kans op pesten, evenals de kans op fraude en bedrog en de kans op futloosheid, vermoeidheid en hoofdpijn.

Er is nu nieuw onderzoek, The dominance behavioural system: A multidimensional transdiagnostic approach, dat statuscompetitiegedrag weet te onderscheiden in verschillende dimensies en laat zien hoe die samenhangen met psychopathologie, in het bijzonder met depressie, angststoornis en manische symptomen. De resultaten van het onderzoek, onder studenten van een Amerikaanse universiteit, vatten de onderzoekers samen in onderstaande figuur.



Die zes dimensies van statuscompetitiegedrag vind je in de linkerkolom. Ik geef van elk een korte aanduiding.

Studenten die hoog scoorden op authentic pride wilden (o.a.) presteren, streefden succes na en hadden een hoge zelfwaardering.

Zij die hoog scoorden op hubris (hoogmoed) waren egoïstisch, arrogant, zelfgenoegzaam en ijdel.

Een hoge mate van discomfort in leadership betekende dat je geen leiderschapspositie nastreeft en vermijdt om macht uit te oefenen. Een hoge score op deze dimensie betekent een lage geneigdheid tot statuscompetitiegedrag.

Hoog scoren op cooperation houdt in dat je bereid bent naar anderen te luisteren, dat je bereid bent tot compromissen en dat je graag samenwerkt. Ook hier betekent een hoge score een lage geneigdheid tot statuscompetitie.

Hoog scoren op influence betekent dat je je in staat acht om anderen ergens van te overtuigen, dat je je zin kunt doorzetten en dat er naar jou wordt geluisterd.

En tenslotte betekent ruthless ambition dat je alles doet om hogerop te komen en dat hogerop komen voor jou belangrijker is dan loyaal zijn aan anderen.

In de figuur zie door middel van de getekende pijlen welke dimensies samenhangen met manische symptomen, depressie en angststoornis.

Wat meteen opvalt is dat hoogmoed sterk samenhangt met elk van de drie psychische problemen. Als statuscompetitie aanzet tot hoogmoedigheid, wat zo is, dan is dat een weg waarlangs de statuscompetitie in onze maatschappij bijdraagt tot psychopathie.

Daartegenover staat dat een authentiek gevoel van trots, willen presteren en geloof in jezelf hebben, juist de kans op zowel manische symptomen, depressie en angst verminderen.

Ook voor overtuigingskracht (influence) geldt dat het de kans op depressie en angststoornis vermindert. Bedenk daarbij dat een geringe overtuigingskracht staat voor het hebben van een lage status en voor de neiging tot onderwerping en onderdanigheid. En die laatste neiging ('ik heb toch niets in te brengen", "naar mij wordt toch niet geluisterd") blijkt dus de kans op depressie en angststoornis te verhogen.

Tenslotte zie je het verband van de meedogenloze ambitie met de kans op manische symptomen.

Het ontbreken van pijlen bij het wel of niet nastreven van leiderschap en het wel of niet bereid zijn tot samenwerken wijst er op dat hier geen samenhang met psychopathie werd gevonden.

Samengevat zijn het dus vooral de hoogmoed, de meedogenloze ambitie en de onderworpenheid/onderdanigheid die maken dat statuscompetitiegedrag een bijdrage levert aan psychopathie. De andere drie dimensies zijn wat dit aangaat onschuldiger.

Er zijn wel wat beperkingen aan dit onderzoek. Zo ontbreken andere vormen van psychopathie, zoals narcisme en de anti-sociale persoonlijkheidsstoornis. En er is natuurlijk het bezwaar van de specifieke onderzoeksgroep: studenten. Je zou je bijvoorbeeld kunnen voorstellen dat een geringe bereidheid tot samenwerking je nog niet opbreekt zolang je als student door het leven gaat. Maar dat dat anders wordt als je later in een arbeidssituatie terecht komt.

dinsdag 7 juli 2015

Nieuwe aanwijzing voor negatieve gezondheidseffecten van angstgevoelens via het immuunsysteem

We weten dat gezondheidsproblemen sociale oorzaken kunnen hebben. Het langdurig verkeren in een ongunstige sociale omgeving, gekenmerkt door eenzaamheid of statuscompetitie, kan type 2 allostatische overbelasting teweeg brengen met op den duur negatieve gezondheidseffecten.

Er is nu een nieuwe aanwijzing bijgekomen voor het vermoeden dat zulke ongunstige sociale omgevingen via gevoelens van angst en onveiligheid hun negatieve uitwerking hebben. En dat die uitwerking er uit bestaat dat het immuunsysteem wordt aangetast, waardoor er meer ontstekingen optreden.

Belgische onderzoekers zagen hun kans schoon toen in 2010 in een deel van de provincie Antwerpen het drinkwater besmet raakte. Waardoor er onder de bevolking op grote schaal maag-darmproblemen uitbraken. Patiënten die daar mee te maken kregen, werden een jaar lang gevolgd. Zie Anxiety increases the risk of gastrointestinal infection and long-term complications en Psychological comorbidity increases the risk for postinfectious IBS partly by enhanced susceptibility to develop infectious gastroenteritis (betaalpoort).

Het bleek toen dat degenen die voorafgaand aan de besmetting meer last hadden van angstgevoelens en van depressie, zwaarder getroffen werden door maag-darmontstekingen. Ook hadden ze een grotere kans op het ontwikkelen van het Prikkelbare Darm Syndroom. En dat bleek er aan te liggen dat het immuunsysteem slechter functioneerde.

Omdat we ook denken te weten dat angststoornissen en andere psychische problemen oprukken (zie De toename van psychische problemen is een echte toename, niet alleen maar een toename van diagnoses en volg de links daarin), ga je er natuurlijk aan denken hoeveel van de toename van de kosten van de gezondheidszorg te verklaren valt uit het ongunstiger worden van onze sociale omgevingen. Dus uit de toename van de stress van eenzaamheid en statuscompetitie.

donderdag 27 juni 2013

Angst voor vreemden en het sociaal isolement van gezinnen

In de pas verschenen studie The development of stranger fear in infancy and toddlerhood: normative development, individual differences, antecedents, and outcomes (betaalpoort) laten onderzoekers zien wanneer bij peuters en kleuters de bekende angst voor vreemden opkomt en hoe die zich ontwikkelt. We zien verschillende trajecten tot en met het derde jaar. Bij sommige kinderen blijft die angst hoog of neemt hij zelfs toe; bij anderen is er een afname te zien. Bekend is dat een hoog niveau van angst voor vreemden op vroege leeftijd samenhangt met de kans op extreme verlegenheid en angststoornissen op latere leeftijd.

Waarom die angst voor vreemden? Je zou kunnen denken dat die angst nuttig is en dat er daardoor in het verleden op is geselecteerd. Hij zou onderdeel kunnen zijn van het hechtingsproces, dus de neiging om zich te hechten aan de verzorger(s) die voor het kind een veilige basis verschaffen en om bij hen in de buurt te blijven. Niets aan de hand dus. Maar er is blijkbaar een risicofactor: hoe groter die vroege angst voor vreemden, hoe meer kans op latere extreme verlegenheid en angststoornis.

Waar zou de mate van angst voor vreemden van afhangen? Dat onderzoek hierboven genoemd wijst uit dat er een erfelijke factor in het spel is. Maar ook een omgevingsfactor, namelijk het gedrag van de moeder. Als kinderen een moeder meemaken die zelf moeite heeft met omgang met vreemden, dan is de kans op angst voor vreemden groter. Het kan zijn dat beide factoren er aan meehelpen dat angst voor vreemden zo veel voorkomt en in stand blijft.

Je zou denken dat het veel uitmaakt of een gezin meer of minder sociaal geïsoleerd is. Als baby's en peuters alleen maar heel veel tijd doorbrengen in die schoot van het gezinnetje, in plaats van al vroeg met veel anderen, buren, familie en vrienden, in aanraking te komen, dan zou je minder meer angst voor vreemden verwachten. Maar in het onderzoek dat ik ken, is daar geen aandacht aan besteed. Waarschijnlijk te moeilijk om te meten.

Zou het dan zo zijn dat kinderen die opgroeien in jagers-verzamelaarssamenlevingen, in de Paleo Sociale Omgeving, waar kinderen coöperatief worden grootgebracht, geen angst voor vreemden ontwikkelen? Ik sloeg even Mothers and Others. The Evolutionary Origins of Mutual Understanding van Sarah Blaffer Hrdy op en las (p. 133-134):
What is striking about the worldview of foragers (among people as widely dispersed as the Mbuti of Central Africa, Nayaka foragers of South India, the Batek of Malaysia, Australian Aborigins, and the North-American Cree) is that they tend to share a view of their physical environment as a "giving" place occupied by others who are also liable to be well-disposed and generous. They view their physical world as being in line with benevolent social relationships. (...)
Confidence about one's place in the world does not mean life is necessarily easy (...) Yet by definition, individuals who did survive would have done so surrounded by others who cared for and shared with them. This endowed them with a personal confidence notably different from that of many modern people who grow up in environments with more available resources but less caring. People with French and German agricultural ancestors like my own are more likely to have been reared to beware of strangers. Many of us were put to bed with folktales about the world "outside over there", a scary place peopled by impoverished widows, cruel stepmothers, hungry orphanes, and unwanted children who lived surrounded by a dangerous forest where malign creatures - wolves and witches - lurked. To an Mbuti child, the forest is not so much dangerous as nurturing - it is an benignly encompassing mother-figure. Such a child is taught to be at least intially (until encountering information to the contrary) curious rather than fearful of outsiders.
Waarna een bespreking volgt van het onderzoek van Barry Hewlett, Michael Lamb en anderen (pdf), dat laat zien dat inderdaad kinderen van jagers-verzamelaars meer aanvankelijk vertrouwen hebben in anderen en minder last hebben van angst voor vreemden.

Dat suggereert dat we die angst voor vreemden, en dus die grotere kans op verlegenheid en angststoornissen, de wereld uit zouden kunnen helpen als we er in zouden slagen om het sociale isolement van gezinnen terug te dringen.

maandag 2 januari 2012

Stadsleven vergroot kans op mentale stoornissen

De Duitse psychiater Andreas Meyer-Lindenberg schrijft in Der Spiegel over zijn onderzoek naar de negatieve effecten van leven in de stad waar ik in dit bericht naar linkte. Zie het bericht hieronder. Stadsbewoners in Duitsland hebben een veertig procent grotere kans op depressies en een twintig procent grotere kans op angststoornissen. En volgens de Nederlandse onderzoekers Lydia Krabbendam en Jim van Os is het risico op schizofrenie bij mensen die in de stad zijn opgegroeid minstens twee keer zo groot als bij mensen die op het platteland zijn opgegroeid. Als we allemaal op het platteland zouden wonen, waren onze geestelijke gezondheidsproblemen, en de kosten daarvan, aanzienlijk geringer.

Het is niet zo dat deze verschillen ontstaan doordat mensen met deze psychische problemen meer naar de stad trekken. De oorzaak lijkt echt te liggen in de aard van de stedelijke omgeving. Zoals ik in dat vorige bericht meldde, zijn er aanwijzingen dat het stadsleven en het opgegroeid zijn in de stad een negatieve invloed heeft op het vermogen om met sociale stress om te gaan, in het bijzonder met zogenaamde evaluatieve stress. Het lijkt er op dat stedelingen meer bezig zijn met het niet willen falen in de ogen van anderen. Dus met het voortdurend proberen eigen zwakheden te verbergen. Hun sociale leven staat meer in het teken van statuscompetitie en dat is een bron van stress.

Het mooie is nu dat Meyer-Lindenberg in dat artikel in Der Spiegel er op wijst dat de omvang van het vriendennetwerk een beschermende factor kan zijn. Stadsbewoners die goed omgeven zijn door een netwerk van persoonlijke relaties zijn minder kwetsbaar dan meer sociaal geïsoleerde stadsbewoners. En dat wijst dus op de grotere sociale fragmentering in de stad in vergelijking met het platteland als oorzaak voor die grotere kans op mentale stoornissen.

Gemiddeld genomen zijn stadsbewoners inderdaad meer sociaal geïsoleerd dan plattelandsbewoners. Misschien niet in de zin dat ze minder sociale contacten hebben, maar wel in de zin dat de contacten die ze hebben meer draaien rond het "voor wat hoort wat" principe. Volgens dit onderzoek lijken de contacten van stadsbewoners zakelijker te zijn. En dat zou heel goed met meer evaluatieve stress kunnen samenhangen. Het is in de stad minder zo dat mensen "er gewoon voor elkaar zijn", waardoor de geborgenheid van de gemeenschap die mensen nodig hebben, er minder aanwezig is.

Dit verwijst natuurlijk naar twee van die acht leefstijlveranderingen die volgens dit bericht de kans op fysieke en psychische kwalen verkleinen: het vergroten van het netwerk van persoonlijke relaties en het meer gericht zijn op iets doen voor anderen.

En als je dat verband met die leefstijlveranderingen toch legt, kun je er ook aan denken dat stadsmensen minder tijd doorbrengen in de natuur. En dat is ook een risicofactor.

Dit alles pleit er sterk voor om:

1. de stad fysiek en bestuurlijk meer zo in te richten dat mensen elkaar gemakkelijker leren kennen en gemakkelijker persoonlijke relaties aangaan (dus bijvoorbeeld meer ontmoetingsplekken, meer zelfbestuur van buurten en meer menging van wonen en werken),

2. dichte bebouwing meer af te wisselen met natuurgebieden en er in het algemeen voor te zorgen dat stadsbewoners zich altijd op zo kort mogelijke afstand van natuur bevinden.

Maatregelen als deze winnen behoorlijk aan urgentie als je bedenkt dat wereldwijd al meer dan de helft van de wereldbevolking in steden woont en dat dat tegen 2050 tot twee derde zal zijn gestegen.
Update. Zie nu ook Meer over de voor- en nadelen.


'via Blog this'

dinsdag 22 november 2011

Dankbaarheid verhoogt welzijn. Waarom zijn we dan vaak ondankbaar?

John Tierney geeft een mooi overzicht van het onderzoek naar de gunstige effecten van dankbaarheid. Zie het bericht hieronder. Door een houding van dankbaarheid te cultiveren voor wat je hebt en voor wat anderen voor je doen, verbeter je je gezondheid, slaap je beter, heb je minder last van angststoornissen en depressie, ben je tevredener met je leven en ben je aardiger voor anderen. Ook reageer je minder agressief op provocaties.

Dat weten we omdat onderzoekers op verschillende manieren bij proefpersonen gevoelens van dankbaarheid teweeg brachten. Bijvoorbeeld door hen te instrueren om een "dankbaarheidsdagboek" bij te houden, waarin ze op gezette tijden iets opschreven waarvoor ze dankbaar waren. Een aardige geste van iemand, iets wat ze hadden geleerd, een mooie zonsondergang, wat niet al. Of door hen een brief te laten schrijven aan iemand die hun leven ten goede had veranderd en die aan die persoon te laten voorlezen en overhandigen. Of door te arrangeren dat ze door iemand geholpen werden. De effecten daarvan konden dan worden vergeleken met een controlegroep die andere instructies hadden gekregen of die niet waren geholpen.

Toen ik hier bij stilstond, nam ik me voor om vaker dankbaar te zijn. Maar ook vroeg ik me af hoe het komt dat wij onderzoekers nodig hebben die ons er toe aanzetten om dankbaar te zijn. Waarom zijn we niet vanuit onszelf vaker dankbaar? Wat houdt ons tegen? Of waarom komen we niet op het idee?

Het heeft denk ik te maken met onze sterke sociale beïnvloedbaarheid. Dat werkt zoals altijd twee kanten op. Die onderzoekers zijn succesvol in staat om onze houding van dankbaarheid te vergroten. Maar in ons dagelijks leven staan we ook bloot aan sterke invloeden die de andere kant op werken. Ik denk natuurlijk aan de invloed van reclame en van televisieprogramma's over succesvolle beroemdheden, die veel meer bereikt hebben dan dat ons gelukt is. Al die boodschappen zijn bepaald niet bedoeld om onze dankbaarheid te vergroten. Integendeel, ze maken ons ontevreden en jaloers. En dat moet ook, want ondankbare mensen consumeren meer dan dankbare. Onze ondankbaarheid is goed voor "de economie". En ondankbare mensen  hebben meer interesse in beroemdheden en die beroemdheden leven van onze aandacht. 

Je kunt hier dus twee lessen uit trekken:

1. Wees vaker dankbaar.

2. Dat is gemakkelijker om te doen als je je minder blootstelt aan reclame en aan narcistische beroemdheden. Dus kijk minder televisie en kijk selectiever.

A Serving of Gratitude Brings Healthy Dividends - NYTimes.com:

'via Blog this'

dinsdag 13 september 2011

Stadsleven: mussen, mensen en hersenen

Musachtigen ("passerine birds") die je in grote steden aantreft behoren tot geslachten met grotere hersenen. Dit lees ik vanochtend in de nieuwste aflevering van de Biology Letters (online is alleen de samenvatting beschikbaar). Dit bevestigt de tot nu toe alleen maar intuïtief plausibele hypothese dat relatieve hersenomvang samenhangt met de kans op succesvolle aanpassing aan nieuwe omgevingen.

Op het eerste gezicht geen nieuws om in dit blog aandacht aan te besteden. Maar op het tweede gezicht denk je aan de grote relatieve hersenomvang van mensen en aan het gegeven dat meer dan de helft van de wereldbevolking in steden woont. Onze hersenomvang is zo groot vergeleken met onze lichaamsomvang dat we niet alleen op grote schaal in steden leven, maar die steden ook nog zelf hebben gebouwd.

Maar kunnen we eigenlijk wel zo goed in steden leven? Dat vroeg ik me af toen ik las dat stemmings- en angststoornissen meer voorkomen bij stadsbewoners en dat schizofrenie meer voorkomt bij mensen die in een stad geboren en opgegroeid zijn. Er zijn aanwijzingen voor een oorzakelijk verband. Inzicht in het achterliggende proces krijg je door het hersenonderzoek dat de auteurs uitvoerden. Daaruit blijkt dat het in een stad wonen of opgegroeid zijn negatieve effecten heeft op de manier waarop je met sociaal-evaluatieve situaties omgaat. En die negatieve effecten lijken goed te kunnen samenhangen met die mentale stoornissen. Het lijkt er op dat het stadsleven mensen gevoeliger maakt voor negatieve oordelen van anderen. Anders gezegd (mijn woorden): ze zijn meer bezig met het niet willen falen in de ogen van anderen. Dus meer met het proberen eigen zwakheden te verbergen. En dat is een bron van stress.

Dus met die grote hersenen van ons kunnen we steden bouwen en daar massaal in gaan wonen, maar of we er echt van het goede leven kunnen genieten, dat is twijfelachtig. Nu kunnen we natuurlijk niet allemaal terug naar het platteland. Maar misschien kunnen we wel beter nadenken over hoe we steden moeten inrichten en hoe we het stadsleven moeten inrichten. Daarover een andere keer....

woensdag 7 september 2011

Hoeveel Europeanen lijden aan een mentale stoornis?

Volgens een nieuwe schatting lijdt 38,2% van de bevolking van de Europese Unie, Zwitserland, IJsland en Noorwegen, inclusief kinderen en ouderen, per jaar aan een psychische aandoening. Ik zie even af van dementie en geef de percentages hieronder:
  • angststoornis 14%
  • slapeloosheid 7%
  • depressie (unipolair) 6,9%
  • somatomorfe stoornis 6,3%
  • alcohol- en drugsverslaving 4% of hoger
  • ADHD 5% van alle jongeren.
Die somatomorfe stoornis moest ik even opzoeken: het is een psychische aandoening waarbij een persoon lichamelijke klachten heeft waarvoor geen somatische oorzaak (lichamelijke ziekte) gevonden is.

De cijfers liggen in de lijn van vorige schattingen. Volgens de auteurs van het artikel vormen mentale en neurologische stoornissen de grootste uitdaging voor de gezondheidszorg in de 21ste eeuw. Ze waarschuwen voor onderschatting. Het gaat hier om klinisch relevante stoornissen die met de officiële diagnostische criteria zijn vastgesteld en die samengaan met psychosociaal disfunctioneren en beperkingen. De uitdaging ligt er vooral in dat de huidige behandelingen niet optimaal zijn, dat er geen volledige genezing is en dat er een gebrek is aan preventieve interventies. Ze pleiten daarom voor innovatief fundamenteel onderzoek naar de oorzaken van deze stoornissen.

Je bent soms geneigd om zulke cijfers voor kennisgeving aan te nemen. Maar het blijft natuurlijk intrigerend dat wij een manier van leven hebben ontwikkeld en een maatschappij hebben doen ontstaan die zoveel van ons in zulke grote mentale problemen brengen. Dat fundamentele onderzoek zou zich wat mij betreft primair moeten richten op de sociale en maatschappelijke oorzaken. Het is al bekend dat die oorzaken een belangrijke rol spelen. Zie bijvoorbeeld hier, hier en hier. 

Dat klopt met de vaststelling van de auteurs dat bij de meeste mensen met een psychische aandoening de problemen begonnen in hun kindertijd of adolescentie. Het lijkt er op dat de sociale omgevingen waarin onze kinderen opgroeien, of waarin ouderen onder ons zijn opgegroeid, niet goed aansluiten op wat kinderen nodig hebben om evenwichtig en vrij van angsten volwassen te worden. 
En laten we eerlijk zijn: hebben wij en hebben eerdere generaties daar wel goed over nagedacht bij het laten ontstaan van de maatschappij waarin wij leven?